Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 3 november 2017 tot 4 november 2017

Judith Herzberg, Willem van Toorn, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, Klabund, Charles Frazier, C. K. Williams, Marc Awodey, Felix Braun

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneens alle tags voor Judith Herzberg op dit blog.

 

Als je zoveel om iemand gaf

Als je zoveel om iemand gaf
dat je alles wat je had
je huis en je hele boel
daarvoor zou willen geven
dan werd je alleen maar veracht.

Toch is het een gevoel
dat inslaat als een flits
een brand vlamt door je heen
en er is geen rivier
geen water in de wereld
dat zulke vlammen blust.

Houd me dicht tegen je aan
als een band om je arm
als een hanger op je hart
want sterk als de dood
is de liefde, en afgunst
zo diep als het graf.

 

 

Ouderdom

Later, als ik zwakzinnig ben
met schoothond en schrikvel
houd ik een kruik warm
tegen me aan en praat
ik met je in mijn slaap.
Als je nu kan begrijpen
wat ik dan ga bedoelen,
krakende dorre tak dat ik ben,
ga ik me niet zo afgebroken voelen
maar meer een uitgeblazen paarde-
bloem. Hoor je me dazen?
Daar gaan mijn parachuutjes al.

 

 

En of het hier gesneeuwd heeft

Eerste sneeuw. Ja, eerste sneeuw,
maar wie heeft ogen voor de laatste,
de laatste sneeuwpop, het smelten
van de voeten, wie let daarop?

Zo gaat het ook met pijn.
Je voelt het onbarmhartige
begin maar het verdwijnen
maak je op uit het verdwenen zijn.

 

 2088848-faba20b804f3f2c72a95cfd3743419e4.jpg
Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en vertaler Willem van Toorn werd geboren in Amsterdam op 4 november 1935. Zie ook alle tags voor Willem van Toorn op dit blog.

 

Geen post vandaag

Doodstil de trap af, nog warm
van het nachtlang bed, en bang
door het schemerig huis geslopen
doe ik de voordeur niet open

maar schuil achter het gordijn
[de schuldeisers dorpelingen
gluren misschien naar binnen
naar onze droom, onze pijn]

en kijk om de hoek op de mat
of er post is gekomen.
Er is geen brief, gauw naar boven,
naar het nog lauwe bed.

Was er post? vraag je. Nee,
hoe zou de bode ons vinden
in dit dorp gesloten van winter?
Slaap maar. Het is koud. Er komt sneeuw.

Maar ik denk: Misschien heeft de postbode
alle brieven gestolen,
leest hij ze vanavond vrolijk
voor in het boos café.

 

 

In deze voorlopige straten

In deze voorlopige straten
[waar kinderen roepen, dag meester
dag, tegen een man met een scheve
glimlach, die wel mijn naam en

jas draagt, maar die ik niet ben]
loop ik [dag meester, teken
nog eens een zon op het regen-
grijze bord van de hemel

met geel krijt], loopt mijn eenzame mens
te luisteren naar de tijd
die in de klokken verslijt.
Dag kinderen, een mens woont altijd
in een dorp waar geen mens hem kent.

 

 

Praag

Op de Burcht zijn wij even heersers.
Minzaam glimlachend van macht
kijken wij neer op de stad:
trappen en daken, hardleerse

bewoners daaronder. Een taal
van dubbele bodems, gefluisterd,
in stegen afgeluisterd,
betekent dit allemaal.

De oude heersers zijn dood.
De nieuwe zijn rood aanwezig:
vlaggen en kreten beneden.

Het fluisteren duurt al eeuwen.
De taal heeft het langste leven.

 

 2088848-6868ca31ce30116225c72ae1ea906f55.jpg
Willem van Toorn (Amsterdam, 4 november 1935)

 

 

De Nederlandse dichter Peter W.J. Brouwer werd op 4 november 1965 in Eindhoven geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneens alle tags voor Peter W.J. Brouwer op dit blog.

 

Een debuut

Je trok je wenkbrauwen op tegen de kou
je woorden kwamen met je adem

in mijn handen hield ik boodschappen voor thuis

en in mijn ogen je borsten
in de Blokker zong
Carice van Houten als Lucifer
een debuut

geef ons twee maskers
om aan het sneeuwlicht te ontkomen

 

 

Geen letter

Jezelf horen terugkomen en
hoe de grendel uit het slot valt

bedenken hoe je de kaars
aanblaast – een flauwe truc, zeg je

maar het is poëzie zegt zij
en dat is waar

dan de trap omhoog
en dat het best weer volstroomt
met kleine stemmen

op Vaderdag en Moederdag
en dat je geen krimp geeft, geen sjoege
geen letter

 

 2088848-5f4422c20466e50e659c7a67614bcfbd.jpg
Peter W.J. Brouwer (Eindhoven, 4 november 1965)

 

 

De Nederlandse schrijver en journalist Arthur van Amerongen werd geboren op 4 november 1959 in Ede. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneens alle tags voor Arthur van Amerongen op dit blog.

Uit: Mambo Jambo

“Overal flippers, zo ver als je kon kijken. You know, het water was zanderig, dus je zag ze niet aankomen, en dan ineens, bang, dan schoten ze naast je het water uit. En ze daagden me uit, wie er sneller was, ik op mijn surfboard of zij. Waanzinnig!' ik hoor een sprekende Lonely Planet-gids. Het is backpacker Esperanto, een simpele taal met hoofdzakelijk bedragen en informatie over hostels, transport, restaurants en absoluut onmisbare bezienswaardigheden. Het is een syndroom, een obsessie, een dwangneurose, een virus: lonelyplanetitis.
Ik heb mijn exemplaar in een bruine kaft gestoken, een truc die ik in de vroege jaren tachtig in de metro van New York toepaste om door onverlaten niet herkend te worden als domme toerist. Carmen vindt het raar dat ik een kaft om de gids heb gedaan; waarom zou ik me schamen? Ze vindt het ook raar dat ik nooit de weg wil vragen en dat ik winden laat in bed en dan met de lakens wapper.
We zitten samen op een badhanddoek en staren net als de andere stelletjes naar de einder. Surfers dobberen verveeld op zee, wachtend op wind en golven. Van een strandneger hebben we een gele parasol gehuurd. Het Brahma-bier is duur en lauw, ik vraag of Carmen inmiddels al honger heeft. We houden het allebei nooit lang vol op het strand met onze bleke sproetenkoppen. in België gingen we vaak wandelen op het uitgestrekte strand van Oostende, het liefst met noodweer, om daarna aan de boulevard Hasseltse jenever te drinken en garnalenkroketten te eten. Puffend bereiken we Pipa, de twee pakjes sigaretten per dag doen me geen goed. in het stoffige hoofdstraatje wordt een capoeira- demonstratie gegeven. Fletse Scandinavische meisjes kijken bewonderend naar de glimmende mulatten die zich uitsloven met hun traditionele vechtdans.”

 

 2088848-9df5257cd987c0b9787fd096e95c5723.jpg
Arthur van Amerongen (Ede, 4 november 1959)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Klabund werd als Alfred Henschke geboren op 4 november 1890 in Crossen an der Oder. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneens alle tags voor Klabund op dit blog.

 

Der müde Soldat

Ein kahles Mädchen. Heckenblaßentlaubt.
Sie steht am Weg. Ich gehe weit vorbei.
So stehen alle: Reih in Reih,
Und Haupt an Haupt.

Was weiß ich noch von heiligen Gewässern
Und von des Dorfes Abendrot?
Ich bin gespickt mit tausend Messern
Und müde von dem vielen Tod.

Der Kinder Augen sind wie goldner Regen,
In ihren Händen glüht die Schale Wein.
Ich will mich unter Bäumen schlafen legen
Und kein Soldat mehr sein.

 

 

Als Gott der Herr auf Erden ging

Als Gott der Herr auf Erden ging,
Da freute sich ein jedes Ding;
Ein jedes Ding, ob gross, ob klein,
Es wollte doch gesegnet sein.

Die Kreatur in ihrer Not,
Der Mensch in Kümmernis und Tod,
Der breite Strom, das weite Land,
Sie fühlten Gottes Gnadenhand.

Es hört der Frosch zu quaken auf,
Der Hund hält inn in seinem Lauf,
Der Regen hätt geregnet nicht,
Bevor ihn Gott gesegnet nicht.

Der hohe Turm verneigte sich,
Die Antilope zeigte sich.
Und Efeulaub und Wiesengrün
Erkannten und lobpriesen ihn.

Von aller Art der Mensch allein
Geriet in Schand und Sündenpein.
Hätt er nicht Gott so oft verkannt,
Er ging noch heute durch das Land.

Hätt er nicht Gott so oft gesteint,
Wir wären noch mit ihm vereint.
Die Erde war das Himmelreich
Und jeder Mensch ein Engel gleich.

 

 2088848-bf89fbe4bab8be489d31fa82a2dfffd3.jpg
Klabund (4 november 1890 – 14 augustus 1928)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver Charles Frazier werd geboren op 4 november 1950 in Asheville, North Carolina. Zie ook alle tags voor Charles Frazier op dit blog en ook mijn blog van 3 november 2010

Uit: Cold Mountain

“After a time of actively not listening, the young Inman had taken his hat from under the desk and held it by its brim. He flipped his wrist, and the hat skimmed out the window and caught an updraft and soared. It landed far out across the playground at the edge of the hayfield and rested there black as the shadow of a crow squatted on the ground. The teacher saw what Inman had done and told him to go get it and to come back and take his whipping. The man had a big paddleboard with holes augured in it, and he liked to use it. Inman never did know what seized him at that moment, but he stepped out the door and set the hat on his head at a dapper rake and walked away, never to return.
The memory passed on as the light from the window rose toward day. The man in the bed next to Inman's sat and drew his crutches to him. As he did every morning, the man went to the window and spit repeatedly and with great effort until his clogged lungs were clear. He ran a comb through his black hair, which hung lank below his jaw and was cut square around. He tucked the long front pieces of hair behind his ears and put on his spectacles of smoked glass, which he wore even in the dim of morning, his eyes apparently too weak for the wannest form of light. Then, still in his nightshirt, he went to his table and began working at a pile of papers. He seldom spoke more than a word or two at a time, and Inman had learned little more of him than that his name was Balis and that before the war he had been to school at Chapel Hill, where he had attempted to master Greek. All his waking time was now spent trying to render ancient scribble from a fat little book into plain writing anyone could read. He sat hunched at his table with his face inches from his work and squirmed in his chair, looking to find a comfortable position for his leg. His right foot had been taken off by grape at Cold Harbor, and the stub seemed not to want to heal and had rotted inch by inch from the ankle up. His amputations had now proceeded past the knee, and he smelled all the time like last year's ham.
For a while there was only the sound of Balis's pen scratching, pages turning. Then others in the room began to stir and cough, a few to moan. Eventually the light swelled so that all the lines of the varnished beadboard walls stood clear, and Inman could cock back on the chair's hind legs and count the flies on the ceiling. He made it to be sixty-three.“

 

 2088848-4b285666f0644e14ace82b014431c804.jpg
Charles Frazier (Asheville, 4 november 1950)

 

 

De Amerikaanse dichter Charles Kenneth Williams werd geboren op 4 november 1936 in Newark, New Jersey. Zie ook alle tags voor C. K. Williams op dit blog en ook mijn blog van 3 november 2010

 

The Foundation

1.
Watch me, I’m running, watch me, I’m dancing, I’m air;
the building I used to live in has been razed and I’m skipping,
hopping, two-footedly leaping across the blocks, bricks,
slabs of concrete, plaster, and other unnameable junk . . .

Or nameable, really, if you look at the wreckage closely . . .
Here, for instance, this shattered I-beam is the Bible,
and this chunk of mortar? Plato, the mortar of mind,
also in pieces, in pieces in me, anyway, in my mind . . .

Aristotle and Nietzsche, Freud and Camus and Buber,
and Christ, even, that year of reading “Paradise Lost,”
when I thought, Hell, why not? but that fractured, too . . .
Kierkegaard, Hegel, and Kant, and Goffman and Marx,

all heaped in the foundation, and I’ve sped through so often
that now I have it by heart, can run, dance, be air,
not think of the spew of intellectual dust I scuffed up
when in my barely broken-in boots I first clumped through

the sanctums of Buddhism, Taoism, Zen, and the Areopagite,
even, whose entire text I typed out—my god, why?—
I didn’t care, I just kept bumping my head on the lintels,
Einstein, the Gnostics, Kabbalah, Saint This and Saint That . . .


2.
Watch me again now, because I’m not alone in my dancing,
my being air, I’m with my poets, my Rilke, my Yeats,
we’re leaping together through the debris, a jumble of wrack,
but my Keats floats across it, my Herbert and Donne,

my Kinnell, my Bishop and Blake are soaring across it,
my Frost, Baudelaire, my Dickinson, Lowell and Larkin,
and my giants, my Whitman, my Shakespeare, my Dante
and Homer; they were the steel, though scouring as I was

the savants and sages half the time I hardly knew it . . .
But Vallejo was there all along, and my Sidney and Shelley,
my Coleridge and Hopkins, there all along with their music,
which is why I can whirl through the rubble of everything else,

the philosophizing and theories, the thesis and anti- and syn-,
all I believed must be what meanings were made of,
when really it was the singing, the choiring, the cadence,
the lull of the vowels, the chromatical consonant clatter . . .

Watch me again, I haven’t landed, I’m hovering here
over the fragments, the remnants, the splinters and shards;
my poets are with me, my soarers, my skimmers, my skaters,
aloft on their song in the ruins, their jubilant song of the ruins.

 

 2088848-a4ff30ecfd4e437b4bd549173b8fa848.jpg
C. K. Williams (Newark, 4 november 1936)

 

 

De Amerikaanse dichter en beeldend kunstenaar Marc Awodey werd geboren op 4 november 1960 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009 en ook mijn blog van 3 november 2010

 

The Seasons

Vagrant ghosts found passage home
guided by each other, Anubis or other myths
into caverns hewn from onyx and anthracite.
They watched without eyes in vagabondage;
of the womb of spring yellow shoots arose,
betwixt summer and spring, exaltations raised their nests
in summer an emerald canopy closed.
Between summer and autumn water condensed
into caverns of onyx and anthracite.

On motionless faces covering homes
a mournful lantern spells in idle light
words from languages momentarily undecipherable.
In summer an emerald canopy closed
to conceal towns founded on old dialects,
in silent yards measuring ruinous night
are places where neighbors no longer speak.
A mournful lantern spells in idle light
constellations sewn onto winding sheets of land.
Autumn leaves fell like a wing from grace
to mingle with newspaper, books, and grass
in silent yards measuring ruinous night.

Summer beyond summer was a golden curse.
In winter's mean charge the whole world froze
in autumn leaves fell like a wing from grace
of the womb of spring yellow shoots arose
in winter's mean charge, the whole world froze.
ill-suited to see hints of flicker seen in life
vagrant ghosts found passage home.

 

 2088848-d44df8f2733d8ce6a4d66df9650fc29c.jpg
Marc Awodey (Ann Arbor, 4 november 1960)
Purple Girl door Marc Awodey, 2008

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Felix Braun werd op 4 november 1885 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009 en ook mijn blog van 3 november 2010

Uit: Der Sternenschiffer

„Eines Abends saßen sie wieder beisammen, die Sterne funkelten so tief, das Meer rauschte dröhnend, einige Segel standen noch draußen, und längs der Hafenbucht waren schon Lichter entfacht. Nun ging das Licht auf dem Götterhaupte mit starkem Schein auf. Da faßte sich der alte Schiffer ein Herz und fragte seinen Gastfreund: "Ihr wißt viel von den Bäumen und Blumen, Herr?"
"Nun", erwiderte dieser lachend, "mein Hofrat weiß schon ein wenig mehr als ich." Dies hatte er deutsch gesagt. Der Alte sah ihn erstaunt an, so daß er gleich italienisch fortsetzte: "O ja, etwas weiß ich schon auch."
Der Sternenschiffer nickte befriedigt. "Gut, dann wißt Ihr ja, ob die Sterne da oben Blumen sind oder nicht."
"Jawohl", sagte der Student und lachte: "Das sind ganz und gar keine Blumen. Oder meint Ihr, ich könnte mir eine Blume ins Knopfloch stecken, die größer ist als die ganze Erde?"
"Größer als die ganze Erde?" Dem Schiffer blieb vor Staunen der Mund offen. "Ach, ich weiß schon, Ihr haltet mich zum besten." Und nun war es an ihm, zu lachen.
Wie noch niemals leuchtete das Siebengestirn stark und klar. Sein Wagen stand so tief über dem Meere, daß es schien, jeden Augenblick müßte der Gott emportauchen, ihn besteigen und über den Himmel fahren.“

 

 2088848-a2a4fa4b88c59fb4fbec1617f1ffa328.jpg
Felix Braun (4 november 1885 – 29 november 1973)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 4e november ook mijn blog van 4 november 2009, mijn blog van 4 november 2008, mijn blog van 4 november 2007 en ook mijn blog van 4 november 2006.

Geschreven door Romenu om 12:31 Reageer op dit bericht

Joe Queenan, Oodgeroo Noonuccal, Jan Boerstoel, André Malraux, Ann Scott, Dieter Wellershoff, Hanns Heinz Ewers, William Cullen Bryant, Laura Accerboni

De Amerikaanse schrijver, humorist en criticus Joe Queenan werd geboren op 3 november 1950 in Philadelphia, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Joe Queenan op dit blog.

Uit: Closing Time

“Next door to us lived a man my father always called Tex because he was tall, fat, blustery, and not terribly quick on the draw, though he was not actually from Texas. I suppose it was Tex who provided transport. My father's mutilated fingers got patched up; he was given some painkillers; he returned home in great pain. He had been drinking heavily before he caught his fingers in the door, and he was certainly drinking heavily afterward.
At the time, my father was employed as a truck driver for a company called Bachman Pretzels. His job was to deliver boxes of potato chips, pretzels, and other savory snacks to supermarkets and grocery stores all over the Delaware Valley. The job didn't pay well and wasn't leading anywhere, but it was better than the ones he had held recently, and much better than the ones he would have later. His salary, which amounted to slightly more than the minimum wage, was not enough to support a family of six, which is why my mother, after a sixteen-year hiatus, would soon return the workforce, corralling a job as a credit manager at the hospital, where my father had been treated. This was the hospital where I had been born thirteen years earlier, the year the Reds invaded South Korea.
Every workday, my father would rise at six-thirty in the morning, shave, dress, then grab a trolley and two buses to the company warehouse several miles away. There he would load his truck and set out on his travels. His route was picturesque and varied, though not especially glamorous. A good number of his accounts were the wholesome, reliable A&P supermarkets that could then be found on half the street corners in America. He also serviced a number of tiny, not especially profitable independent grocery stores in South Philadelphia and several of the cavernous Center City automats operated by the Horn & Hardart company, an iconic chain that was once ubiquitous but is now forgotten. His job was to replace packages that had been sold since his last visit, remove merchandise that had passed its expiration date, and use guile, subterfuge, charm, or whatever delicate forms of intimidation he could muster to persuade his clients to give exotic new products a try. One of these cutting-edge novelties was the now-famous cheese curl, an audacious midcentury innovation whose triumph over entrenched municipal resistance to anything " hoity-toity" was by no means a foregone conclusion at the time.”

 

 2088682-645b4c29f31451bd268414d6458579ab.jpg
Joe Queenan (Philadelphia, 3 november 1950)

 

 

De Australische dichteres en schrijfster Oodgeroo Noonuccal (eig. Kathleen Jean Mary Ruska) werd geboren op 3 november 1920 in Minjerribah (Stradbroke Island) in Moreton Bay. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Oodgeroo Noonuccal op dit blog.

 

Son of mine
To Denis

My son, your troubled eyes search mine,
Puzzled and hurt by colour line.
Your black skin as soft as velvet shine;
What can I tell you, son of mine?

I could tell you of heartbreak, hatred blind,
I could tell you of crimes that shame mankind,
Of brutal wrong and deeds malign,
Of rape and murder, son of mine;

But I'll tell you instead of brave and fine
When lives of black and white entwine,
And men in brotherhood combine-
This would I tell you, son of mine.

 

 

White Australia

Since God's good world began,
Not God but godless man
Made barrier and ban,
And reared each frontier wall.
Brothers, when shall we see
Selfless democracy?
Life is for liberty,
And earth was made for all.

Let little kiplings rant,
Narrow and arrogant,
Their chauvinistic cant
That white is nobler birth.
The best of every race
Should here find welcome place;
The colour of his face
Is no man's test of worth.

 

 2088682-472556f30ed43bb3801371c71aab058c.jpg
Oodgeroo Noonuccal (3 November 1920—16 September 1993)
Portret door Clif Pier 1965

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Boerstoel werd geboren in Den Haag op 3 november 1944. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Jan Boerstoel op dit blog.

Uit: Acht kroegverzen

 

Filosofie

Ik ken het klappen van de zweep,
ik ken de regels van het spel,
ik ken de zin van het bestaan,
maar als ik drink dan gaat het wel.

 

Check up

De dokter balt een boze vuist
en ziet de Dood al naar mij wenken.
Ik moet van hem eens na gaan denken.
‘Maar dokter, daarom drink ik juist!’

 

Voor Gerard Reve

De dag doet mij de dampen aan,
maar ’s avond met de lampen aan
maakt Koning Alcohols bewind,
dat ik het niet zo erg meer vind.

 

 2088682-b3d6aec261e6e74824902a2454a0b032.jpg
Jan Boerstoel (Den Haag, 3 november 1944)

 

 

De Franse schrijver en kunstfilosoof André Malraux werd geboren op 3 november 1901 in Parijs. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor André Malraux op dit blog.

Uit: La condition humaine

"Sinon par vous, n’est-ce pas, par un autre. C’est comme si un général disait : avec mes soldats, je puis mitrailler la ville. Mais, s’il était capable de la mitrailler, il ne serait pas général… D'ailleurs, les hommes sont peut-être indifférents au pouvoir... Ce qui les fascine dans cette idée, voyez-vous, ce n'est pas le pouvoir réel, c'est l'illusion du bon plaisir. Le pouvoir du roi, c'est de gouverner, n'est-ce pas ? Mais, l'homme n'a pas envie de gouverner : il a envie de contraindre, vous l'avez dit. D'être plus qu'homme, dans un monde d'hommes. Échapper à la condition humaine, vous disais-je. Non pas puissant : tout-puissant. La maladie chimérique, dont la volonté de puissance n'est que la justification intellectuelle, c'est la volonté de déité : tout homme rêve d'être dieu.
Ce que Gisors disait troublait Ferral, mais son esprit n’était pas préparé à l’accueillir. Si le vieillard ne le justifiait pas, il ne le délivrait plus de son obsession :
- A votre avis, pourquoi les dieux ne possèdent-ils les mortelles que sous des formes humaines et bestiales ?
Ferral s’était levé.
- Vous avez besoin d’engager l’essentiel de vous-même pour en sentir plus violemment l’existence, dit Gisors sans le regarder.
Ferral ne devinait pas que la pénétration de Gisors venait de ce qu’il reconnaissait en ses interlocuteurs des fragments de sa propre personne, et qu’on eût fait son portrait le plus subtil en réunissant ses exemples de perspicacité.
- Un dieu peut tout posséder, continuait le vieillard avec un sourire entendu, mais il ne peut pas conquérir. L’idéal d’un dieu, n’est-ce pas, c’est de devenir homme en sachant qu’il retrouvera sa puissance ; et le rêve de l’homme, de devenir dieu sans perdre sa personnalité…"

 

 2088682-16e36c8cf218b38392ec8ae0c03d7ee4.jpg
André Malraux (3 november 1901 – 23 november 1976)
 

 

 

De Franse schrijfster Ann Scott (pseudoniem) werd geboren op 3 november 1965 in Boulogne-Billancourt. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Ann Scott op dit blog.

Uit: Cortex

“Ils ne veulent pas savoir. Ils viennent du monde entier, ils viennent réaliser leur rêve et, rivés aux hublots de leurs Boeing qui amorcent leur descente sur LAX1, ils ne veulent pas entendre que cette brume dorée qui enveloppe la ville chaque matin n'est qu'une chape de gaz d'échappement qui a la couleur de la fin du monde. C'est un dimanche après-midi de fin février à Los Angeles, 24 degrés sous un ciel azur éclatant, pas le moindre frémissement dans les feuilles des palmiers qui bordent les trottoirs, et Burt Levine pourrait reconnaître n'importe quel touriste de n'importe quel pays ; son cerveau malade fonctionne à la manière d'un transistor dont l'aiguille sillonnerait d'elle-même les ondes du spectre radiofréquence où chaque signal capté entre deux grésillements produirait un fragment visuel instantané et condensé d'un ADN émotionnel : une simple intonation dans une voix qui demande où acheter un pack de six, et Burt sait que le type était vierge à son entrée en fac ou que sa mère alcoolique le nourrissait de crackers trempés dans des boîtes de soupe froide. Mais pour l'instant le soleil tape sur son front dégarni, ses quinze kilos de trop débordent de son smoking devenu trop petit et il est seul, entièrement seul sur ce boulevard figé comme un décor désaffecté car le quartier est bouclé. Les rames de métro traversent les stations sans s'arrêter, aucune voiture ne circule, les magasins sont fermés et les trottoirs sont vides. La plupart des gens sont déjà installés devant leur téléviseur, d'autres se sont regroupés dans des cafés munis d'écrans, d'autres encore cherchent un lien de streaming et, d'est en ouest, aussi loin qu'on peut voir, Hollywood Boulevard est désert.. Burt marche au milieu de la chaussée, se tenir à distance des trottoirs lui épargne son reflet dans les vitrines, les coutures de sa veste lui scient les aisselles, le bouton attaché pour cacher le haut du pantalon qu'il n'a pas pu fermer lui comprime l'estomac ; sa barbe ne suffit même plus à masquer l'épaisseur de son cou, et s'il a un jour été fier de ressembler à John Belushi qu'il vénérait à treize ans, à quarante-sept il en est devenu une caricature si grotesque, si inutile, qu'il en vient presque à espérer que la douleur qui irradie dans sa poitrine est un symptôme réel de l'infarctus tant redouté ces derniers mois. »

 

 2088682-abbcf0d9810ad167f2ffdbcf38ffcf49.jpg
Ann Scott (Boulogne-Billancourt, 3 november 1965)
De Notre-Dame de Boulogne in Boulogne-Billancourt

 

 

De Duitse schrijver en essayist Dieter Wellershoff werd geboren op 3 november 1925 in NeussZie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Dieter Wellershoff op dit blog.

Uit: Der Liebeswunsch

„Dann wechselte die Ampel auf Grün, und angestoßen von der Bewegung um mich herum ging ich weiter in der einmal eingeschlagenen Richtung, Schritt für Schritt weg von dem sich ebenfalls entfernenden Anlaß meiner Halluzination.
Nach zwanzig, dreißig Schritten hatte ich den Impuls, umzukehren und der nun schon ein großes Stück entfernten Frau nachzueilen. Ich wollte ihr ein Stück folgen, um festzustellen, worin sie Anja glich und ob die Ähnlichkeiten oder die Unterschiede überwogen. Das sei wichtig, damit die ins Wanken geratene Wirklichkeit sich wieder festigte, sagte ich mir. Doch eigentlich verstand ich diesen Gedanken nicht.
Ich wußte ja, daß ich mich getäuscht hatte. Deshalb brauchte ich jetzt nicht noch hinter der Frau herzulaufen. Es sei denn|. . . Ja, es sei denn, daß dies nur ein Vorwand war, hinter dem sich der entgegengesetzte Wunsch verbarg, den ich mir zögernd eingestand: Wie ein Schläfer, der, hinausgefallen aus einem unabgeschlossenen Traum, noch einmal die Augen schließt, hatte ich gehofft, daß sich die Täuschung noch einmal wiederholte.
Ich hatte mir vorgenommen, ins Kino zu gehen, und obwohl ich keine Lust mehr verspürte, war ich zu schwerfällig, mich anders zu entscheiden. Dies war mein erster freier Nachmittag nach einer Reihe von anstrengenden Arbeitstagen mit vielen schweren, und wohl nur zum Teil erfolgversprechenden Operationen. Ein Patient, ein 76jähriger Mann, bei dem ich, zusammen mit einem dicken, runzligen Karzinom, Magen, Bauchspeicheldrüse, Milz und Querkolon und alle Lymphdrüsen der Umgebung herausgenommen hatte, war mir noch auf dem Operationstisch gestorben. Es war der Abschluß einer schrecklichen Woche. Ich hatte mich danach flau und abgenutzt gefühlt und das Bedürfnis gehabt, mir für zwei Stunden im Dunkel eines Zuschauerraums aus dem Weg zu gehen, zuverlässiger als es mir in meinem Apartment mit Lesen, Musikhören und Telefonieren gelungen wäre. Aber schon als ich die Eintrittskarte löste – bei einer etwas schwammig gewordenen Schönheit, die als ein mit Goldkettchen und Amulett behangenes Brustbild in dem Kassenhäuschen saß und mir mit einer trägen Handbewegung Billett und Wechselgeld zuschob –, und dann noch mehr, als ich den dünn besetzten Zuschauerraum betrat, in dem gerade die letzten Werbespots über die Leinwand liefen, hatte ich das Gefühl, etwas Falsches zu tun. Ich hatte mir das falsche Medikament, die falsche Behandlung verordnet, weil ich nicht wußte, was mir fehlte.“

 

 2088682-f8eeaddbd40f5ea315a9b92d14d73414.jpg
Dieter Wellershoff (Neuss, 3 november 1925)

 

 

De Duitse schrijver, filmmaker en cabaretier Hanns Heinz Ewers werd geboren op 3 november 1871 in Düsseldorf. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Hanns Heinz Ewers op dit blog.

Uit: Die traurige Geschichte meiner Trockenlegung

„Durch lange Lebensjahre habe ich der Ansicht gelebt, dass »Trockenlegung« der Menschen, wenn auch allgemein erwünscht, dennoch eine Sache rein privater Natur für jedes einzelne Individuum sei. Ich nahm, sehr irrig, an, dass sie nur in zartestem Kindesalter mit erst mangelhaftem, dann immer sicherem und durchschlagenderem Erfolge durchgeführt zu werden pflegte und dass sie eine Angelegenheit sei, die die Seele des Menschenkindes gar nichts angehe – sondern nur dessen Leib. Und auch den nur halb – vom Nabel abwärts.
Dies Verfahren, das in der für das menschliche Geschlecht ebensosehr, wie für das hundliche und katzliche erstrebenswerten sogenannten Stubenreinheit seinen idealen Zweck sieht, ist bei mir, wie ich mit Stolz behaupten darf, mit schönstem Erfolge angewendet worden. Ich habe mich, wenn mich meine Erinnerung nicht täuscht, durch wohlgemeinte Klapse auf mein ach so rosiges Babypopochen bald genug überzeugen lassen, dass – äusserlich – der Zustand der Trockenheit dem der Nässe vorzuziehen sei, habe dann zunächst durch kräftiges Schreien die liebe Mutter und die gute Kinderfrau darauf aufmerksam gemacht, dass meine Überführung aus dem nassen in den trockenen Zustand wünschenswert erscheine und habe schliesslich selbst auf ersteren Zustand zugunsten des letzteren endgültig verzichtet. Ich habe in dieser Beziehung mit der Zeit strenge Grundsätze entwickelt, denen ich fürderhin sehr treu geblieben bin.
So glaubte ich, als harmloser Europäer, nun für alle Zukunft über das Problem der Trockenlegung hinaus zu sein.
Das aber war, leider, leider, ein schwerer Irrtum. Man hat, als ich längst ein völlig ausgewachsener Mensch war, noch einige Male zwangsweise Trockenlegungsversuche mit mir vorgenommen – drüben in Amerika. Und diesmal war es nicht eine rein äusserliche Angelegenheit, sondern eine sehr innerliche, die noch dazu ebensosehr meinen Leib, wie meine arme Seele in Mitleidenschaft zog. Nicht plötzlich freilich, mit einem Ruck, o nein, vielmehr sehr menschenfreundlich, amerikanisch-human ging man vor. So in der Art, wie es dem Köter erging, der einen so mitleidigen, zartbesaiteten Herrn hatte. Der wollte ihm – schönheitshalber und um die Sache kurz zu machen – den Schwanz abschneiden, doch konnte er's nicht übers Herz bringen, dem armen Vieh den ganzen langen Prachtwedel auf einmal abzuhacken.“

 

 2088682-69e1defa26307a65949171172a5d0974.jpg
Hanns Heinz Ewers (3 november 1871 – 12 juni 1943)

 

 

De Amerikaanse dichter, journalist en jurist William Cullen Bryant werd geboren op 3 november 1794 in Cummington, Massachusetts. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor William Cullen Bryant op dit blog.

 

The Twenty-Second Of December

Wild was the day; the wintry sea
Moaned sadly on New-England's strand,
When first the thoughtful and the free,
Our fathers, trod the desert land.

They little thought how pure a light,
With years, should gather round that day;
How love should keep their memories bright,
How wide a realm their sons should sway.

Green are their bays; but greener still
Shall round their spreading fame be wreathed,
And regions, now untrod, shall thrill
With reverence when their names are breathed.

Till where the sun, with softer fires,
Looks on the vast Pacific's sleep,
The children of the pilgrim sires
This hallowed day like us shall keep.

 

 

I broke the spell that held me long

I broke the spell that held me long,
The dear, dear witchery of song.
I said, the poet’s idle lore
Shall waste my prime of years no more,
For Poetry, though heavenly born,
Consorts with poverty and scorn.

I broke the spell–nor deemed its power
Could fetter me another hour.
Ah, thoughtless! how could I forget
Its causes were around me yet?
For wheresoe’er I looked, the while,
Was Nature’s everlasting smile.

Still came and lingered on my sight
Of flowers and streams the bloom and light,
And glory of the stars and sun; –
And these and poetry are one.
They, ere the world had held me long,
Recalled me to the love of song.

 

 2088682-3b0fcf63df856cb3227bcec619fe0a23.jpg
William Cullen Bryant (3 november 1794 – 12 juni 1878)
Portret door Daniel Huntington, 1866

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 3 november 2007 en ook mijn blog van 3 november 2006.

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Italiaanse dichteres Laura Accerboni werd in 1985 geboren in Genua, waar zij Moderne Letterkunde studeerde. Haar eerste bundel, “Attorno a ciò che non è stato”(Rondom dat wat niet was), verscheen in 2010. In 2015 volgde “La parte dell'annegato” (Het spel van het verdrinken). Accerboni is naast dichter en fotograaf redacteur van het literair tijdschrift Steve. Samen met Elio Grasso vertaalde ze werk van de Amerikaanse dichter Taje Silverman. Haar werk is gepubliceerd in een groot aantal tijdschriften, waaronder Italian Poetry Rewiew, Poesia, Specchio della Stampa, Gradiva, Steve en Loch Raven Review.

 

The lights

The lights.
You have to turn out the lights.
Otherwise
the veins show up too much,
they throb from the heat
they no longer flower.
But don’t you see the exact point
where the wire germinates?
It’s only a bare wire . . .
You blame the outlet
that’s always on your wrist
but it’s not beating
it’s blue
deep down
it’s always blue
but it’s not beating.

 

Vertaald door George Tatge

 

 

Gisteren stopte de grootste jongen

Gisteren stopte de grootste jongen
een steen
tussen zijn tanden
en begon te kauwen.
Hij toonde
zijn moeder
wat een mond vermag
die tot het uiterste gedreven wordt
en dat een vernield huis
niet méér is dan een vernield huis.
Gisteren hebben alle grotere jongens
hun vijanden uitgehongerd
en hun speelgoed haastig bij elkaar gezocht.
Ze hebben hun moeder
de orde
en de tucht van de doden getoond
en zijn daarna snel
hun handen gaan wassen
en gaan luisteren
naar het nieuws
in de vorm van wiegeliedjes.

 

Vertaald door Frans Denissen en Hilda Schraa

 

 2088682-271b042dccf2aaff892320c161ba454b.jpg
Laura Accerboni (Genua, 1985)

Geschreven door Romenu om 18:26 Reageer op dit bericht

Koen Frijns

De Nederlandse dichter, schrijver, performer en bassist Koen Frijns werd geboren op 3 november 1993 in Eindhoven. Frijns studeerde in 2016 af aan ArtEZ Creative Writing in Arnhem. Hij maakte verschillende solovoorstellingen als “De Parkieten Kwetteren Harder”, over de gevolgen van tinnitus, en meest recent: de afstudeervoorstelling “De Man van Klei”, die tot stand kwam i.s.m. productiehuis Generale Oost. In deze voorstelling ging Koen op zoek gaat naar zichzelf aan de hand van een krantenartikel over zijn oudoom, die in 1951 overleed door een kleiverschuiving.

Uit: De Parkieten Kwetteren Harder

Mijn opa hoorde Noorwegen met 300 kilometer
per uur voorbij komen op een boot.
Een wind, een storm zo hard dat golven tegen
de masten klapten. De bemanning overboord,
de passagiers op de kade.
Daar stond hij, voorovergebogen op de reling,
met de handen in de zakken, te kijken naar hoe
een boot sneller zinkt zonder levens dan met.

Hij dreef twee dagen met zijn gezicht
naar de wolken, met zijn oren onder water.
Hij hoorde in een zacht gebrom
de motor van het gezonken schip
pruttelen, het gastfornuis branden en
champagneglazen kapot barsten
tot het anker door de grond zakte.

Mijn oma, zo klein en zachtmoedig,
zwom voorzichtig naar hem toe.
Ze duwde zijn hoofd boven water
en fluisterde:
'Mick, kom naar boven',
en trok hem aan zijn kraag
naar de oever.
Zwemmen deed hij niet meer
maar vulden met zijn vingers zijn oren.

Hij had niks.
Geen schram, geen beurse plek
of breuk.
Hij liet aftershave, alcohol zijn neus in glijden,
om het brommen te laten stoppen.

'De wind, het ronkt, het stampt mijn oren plat,'
schreeuwde hij.

Dagenlang zat hij op de trap,
's nachts als hij niet kon slapen van het geluid.
Hij maakte van zijn vingers een pistool
en drukte deze door zijn
trommelvlies, gehoorhaartjes, hersenen,
tot ze bij zijn verstand aankwamen
Daar greep alles hem vast te stoppen,
zijn kinderen, zijn vrouw, de gedachte aan zijn
kleinzoons.

Pas toen, toen hij zijn ogen opende,
ging hij naar boven, de trap op.

 

 2127781-afb0ee79f938d9f6797aacf0a8b09656.jpg
Koen Frijns (Eindhoven, 3 november 1993)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten