Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 5 november 2017 tot 6 november 2017

K. Schippers, Nelleke Noordervliet, Colson Whitehead, Michael Cunningham, Robert Musil, Bea Vianen, Bert Vanheste, Bodenski, Johannes Petrus Hasebroek

De Nederlandse dichter, schrijver, essayist en kunstcriticus K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter, werd geboren in Amsterdam op 6 november 1936. Zie ook alle tags voor K. Schippers op dit blog.

 

Algemene taal na klap

Geef een Fransman, een Engelsman
een klap met een houten hamer
en luister
of geluid
nog met landstaal
in verband gebracht kan worden

Indien klap hard
daarna vergelijken:
het geluid van een slapende Fransman
het geluid van een slapende Engelsman

Universele grammatica en fonetiek
van slaapgeluiden zonder woorden

 

 

Huid

Een doos of vaas kan zich
geen beeld van iets anders vormen.

Zij zijn alleen een deel van een
omgeving voor een mens of dier.

Zelf vallen zij samen met hun huid
van steen, karton of een ander

materiaal. Zij kunnen nooit een
uitbreiding ervaren. Voorwerpen

zijn gedompeld in een afzondering
die nooit kan worden opgeheven.

Er is niets dan zij.

 

 

Opening van het visseizoen

Eindelijk buiten.
Water is water.
Riet is riet.
Een eend lijkt op een eend.

Maar nu begint mijn vader (62) weer.

Hij noemt waterhoentjes strijkbouten
en vindt dat de maan
ondergaat
als de
zon.

 

 2089648-f83cfbb861e222b43741f4565b8d25a3.jpg
K. Schippers (Amsterdam, 6 november 1936)

 

 

De Nederlandse schrijfster Nelleke Noordervliet werd op 6 november 1945 in Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Nelleke Noordervliet op dit blog.

Uit: Advocaat van de hemel

“Zorgvlied. Daar had hij altijd willen liggen. Het Père Lachaise van Amsterdam. En die stoet: als hij die kon zien! We brachten hem naar zijn kuil ergens achteraan. Ik liep voorop. Het is een plicht die je hebt als familie, als enige zuster. Er is niemand over. Ouders vroeg dood. Wijzelf allang veel ouder dan onze ouders ooit zijn geworden. Tantes en ooms in verre Indische nevels gebleven. Neven en nichten? Geen idee. Leegte aan onze kant van de stamboom. Mijn dode broer had weinig familie bij zijn laatste optreden, maar veel publiek en niemand die om hem gaf. Wie man sich bettet, so liegt man.
Het was mooi dodenweer. Nevelig. Er hingen druppels aan de laatste gele bladeren. Het rook naar kleuterscholen vol herfststukjes. Ik dacht aan hem, hoe hij daar een beetje lag te schudden in zijn Hamlet-kostuum met schillerkraag. Dat wou hij aan, hij had het vastgelegd bij de notaris. Hij scheen het pak kort voor zijn dood nog gepast te hebben. Zijn ziekte had hem zijn jeugdige gestalte weer gegeven. Mager en knokig. Nu kan ik gaan, zei hij tegen de verpleegster, die het mij vertelde alsof ik er vast wel blij om zou zijn dat hij vrede had met de dood. ‘Uw broer was geen makkelijke patiënt,’ zei ze nog eerlijk.
Ofschoon ik toespraken had verboden - ik heb een afschuw van leugenachtigheid en had neutrale muziek uitgezocht - was in de aula een acteur quasi spontaan opgestaan en had de hele ‘To be or not to be’-monoloog gedeclameerd, in het geval van mijn broer nauwelijks meer een vraag. Het was een hommage aan het grootste moment van Henks carrière, toen hij als jonge veertiger een dwarse Hamlet-bewerking speelde onder de harde ideologische hand van een Oost-Duits regisseur. Ik heb de voorstelling met kromme tenen uitgezeten. Velen vonden het prachtig, revolutionair, anders. Hij glorieerde in zijn kleine kring rechtvaardigen.
We naderden het graf. Ik probeerde de beelden tegen te houden, maar werd erdoor overspoeld. Vroeger. Later. Alles. Dat hele vergeefse leven. Het zijne en het mijne. Het leven van iedereen die achter mij over het zachte pad trad. Ik keek naar de hemel. Daarin was niets te zien.”

 

 2089648-16260683ca5a009a85a37429f3ee15a4.jpg
Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 6 november 1945)

 

 

De Amerikaanse schrijver Colson Whitehead werd geboren op 6 november 1969 en groeide op in Manhattan. Zie ook alle tags voor Colson Whitehead op dit blog.

Uit: The Underground Railroad

“The first time Caesar approached Cora about running north, she said no.This was her grandmother talking. Cora’s grandmother had never seen the ocean before that bright afternoon in the port of Ouidah and the water dazzled after her time in the fort’s dungeon. The dungeon stored them until the ships arrived. Dahomeyan raiders kidnapped the men first, then returned to her village the next moon for the women and children, marching them in chains to the sea two by two. As she stared into the black doorway, Ajarry thought she’d be reunited with her father, down there in the dark. The survivors from her village told her that when her father couldn’t keep the pace of the long march, the slavers stove in his head and left his body by the trail. Her mother had died years before.Cora’s grandmother was sold a few times on the trek to the fort, passed between slavers for cowrie shells and glass beads. It was hard to say how much they paid for her in Ouidah as she was part of a bulk purchase, eighty- eight human souls for sixty crates of rum and gunpowder, the price arrived upon after the standard haggling in Coast English. Able- bodied men and child-bearing women fetched more than juveniles, making an individual accounting difficult.The Nanny was out of Liverpool and had made two previous stops along the Gold Coast. The captain staggered his purchases, rather than find himself with cargo of singular culture and disposition. Who knew what brand of mutiny his captives might cook up if they shared a common tongue. This was the ship’s final port of call before they crossed the Atlantic. Two yellow- haired sailors rowed Ajarry out to the ship, humming. White skin like bone.The noxious air of the hold, the gloom of confinement, and the screams of those shackled to her contrived to drive Ajarry to madness. Because of her tender age, her captors did not immedi-ately force their urges upon her, but eventually some of the more seasoned mates dragged her from the hold six weeks into the pas-sage. She twice tried to kill herself on the voyage to America, once by denying herself food and then again by drowning. The sailors stymied her both times, versed in the schemes and inclinations of chattel. Ajarry didn’t even make it to the gunwale when she tried to jump overboard. Her simpering posture and piteous aspect, rec-ognizable from thousands of slaves before her, betrayed her inten-tions. Chained head to toe, head to toe, in exponential misery.Although they had tried not to get separated at the auction in Ouidah, the rest of her family was purchased by Portuguese trad-ers from the frigate Vivilia, next seen four months later drifting ten miles off Bermuda. Plague had claimed all on board. Authorities lit the ship on fire and watched her crackle and sink.“

 

 2089648-4424d7d5d47d801fe1bdb5a2404d6b7c.jpg
Colson Whitehead (New York, 6 november 1969)

 

 

De Amerikaanse schrijver Michael Cunningham is geboren in Cincinnati, Ohio op 6 november 1952. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Michael Cunningham op dit blog.

Uit: The Hours

« Leonard races from the room, runs downstairs. He says to the maid, "I think something has happened to Mrs. Woolf. I think she may have tried to kill herself. Which way did she go? Did you see her leave the house?"
The maid, panicked, begins to cry. Leonard rushes out and goes to the river, past the church and the sheep, past the osier bed. At the riverbank he finds no one but a man in a red jacket, fishing.
She is borne quickly along by the current. She appears to be flying, a fantastic figure, arms outstretched, hair streaming, the tail of the fur coat billowing behind. She floats, heavily, through shafts of brown, granular light. She does not travel far. Her feet (the shoes are gone) strike the bottom occasionally, and when they do they summon up a sluggish cloud of muck, filled with the black silhouettes of leaf skeletons, that stands all but stationary in the water after she has passed along out of sight. Stripes of green-black weed catch in her hair and the fur of her coat, and for a while her eyes are blindfolded by a thick swatch of weed, which finally loosens itself and floats, twisting and untwisting and twisting again.
She comes to rest, eventually, against one of the pilings of the bridge at Southease. The current presses her, worries her, but she is firmly positioned at the base of the squat, square column, with her back to the river and her face against the stone. She curls there with one arm folded against her chest and the other afloat over the rise of her hip. Some distance above her is the bright, rippled surface. The sky reflects unsteadily there, white and heavy with clouds, traversed by the black cutout shapes of rooks. Cars and trucks rumble over the bridge. A small boy, no older than three, crossing the bridge with his mother, stops at the rail, crouches, and pushes the stick he's been carrying between the slats of the railing so it will fall into the water. His mother urges him along but he insists on staying awhile, watching the stick as the current takes it.
Here they are, on a day early in the Second World War: the boy and his mother on the bridge, the stick floating over the water's surface, and Virginia's body at the river's bottom, as if she is dreaming of the surface, the stick, the boy and his mother, the sky and the rooks. An olive-drab truck rolls across the bridge, loaded with soldiers in uniform, who wave to the boy who has just thrown the stick. He waves back. He demands that his mother pick him up so he can see the soldiers better; so he will be more visible to them. All this enters the bridge, resounds through its wood and stone, and enters Virginia's body. Her face, pressed sideways to the piling, absorbs it all: the truck and the soldiers, the mother and the child.“

 

 2089648-0834783700832566e2edc26bb81e3649.jpg
Michael Cunningham (Cincinnati, 6 november 1952)

 

 

De Oostenrijkse schrijver Robert Musil werd geboren op 6 november 1880 in Klagenfurt. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Robert Musil op dit blog.

Uit: Der Mann ohne Eigenschaften

„Diese beiden hielten nun plötzlich ihren Schritt an, weil sie vor sich einen Auflauf bemerkten. Schon einen Augenblick vorher war etwas aus der Reihe gesprungen, eine quer schlagende Bewegung; etwas hatte sich gedreht, war seitwärts gerutscht, ein schwerer, jäh gebremster Lastwagen war es, wie sich jetzt zeigte, wo er, mit einem Rad auf der Bordschwelle, gestrandet dastand. Wie die Bienen um das Flugloch hatten sich im Nu Menschen um einen kleinen Fleck angesetzt, den sie in ihrer Mitte freiließen. Von seinem Wagen herabgekommen, stand der Lenker darin, grau wie Packpapier, und erklärte mit groben Gebärden den Unglücksfall. Die Blicke der Hinzukommenden richteten sich auf ihn und sanken dann vorsichtig in die Tiefe des Lochs, wo man einen Mann, der wie tot dalag, an die Schwelle des Gehsteigs gebettet hatte. Er war durch seine eigene Unachtsamkeit zu Schaden gekommen, wie allgemein zugegeben wurde. Abwechselnd knieten Leute bei ihm nieder, um etwas mit ihm anzufangen; man öffnete seinen Rock und schloß ihn wieder, man versuchte ihn aufzurichten oder im Gegenteil, ihn wieder hinzulegen; eigentlich wollte niemand etwas anderes damit, als die Zeit ausfüllen, bis mit der Rettungsgesellschaft sachkundige und befugte Hilfe käme.
Auch die Dame und ihr Begleiter waren herangetreten und hatten, über Köpfe und gebeugte Rücken hinweg, den Daliegenden betrachtet. Dann traten sie zurück und zögerten. Die Dame fühlte etwas Unangenehmes in der Herz-Magengrube, das sie berechtigt war für Mitleid zu halten; es war ein unentschlossenes, lähmendes Gefühl. Der Herr sagte nach einigem Schweigen zu ihr: »Diese schweren Kraftwagen, wie sie hier verwendet werden, haben einen zu langen Bremsweg.« Die Dame fühlte sich dadurch erleichtert und dankte mit einem aufmerksamen Blick. Sie hatte dieses Wort wohl schon manchmal gehört, aber sie wußte nicht, was ein Bremsweg sei, und wollte es auch nicht wissen; es genügte ihr, daß damit dieser gräßliche Vorfall in irgend eine Ordnung zu bringen war und zu einem technischen Problem wurde, das sie nicht mehr unmittelbar anging. Man hörte jetzt auch schon die Pfeife eines Rettungswagens schrillen, und die Schnelligkeit seines Eintreffens erfüllte alle Wartenden mit Genugtuung. Bewundernswert sind diese sozialen Einrichtungen. Man hob den Verunglückten auf eine Tragbahre und schob ihn mit dieser in den Wagen. Männer in einer Art Uniform waren um ihn bemüht, und das Innere des Fuhrwerks, das der Blick erhaschte, sah so sauber und regelmäßig wie ein Krankensaal aus. Man ging fast mit dem berechtigten Eindruck davon, daß sich ein gesetzliches und ordnungsmäßiges Ereignis vollzogen habe. »Nach den amerikanischen Statistiken«, so bemerkte der Herr, »werden dort jährlich durch Autos 190000 Personen getötet und 450000 verletzt.«

 

 2089648-f519ff7090210418cf06d993f91e50c3.jpg
Robert Musil (6 november 1880 – 15 april 1942)
Cover

 

 

De Surinaamse dichteres en schrijfster Bea Vianen werd geboren in Paramaribo op 6 november 1935. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Bea Vianen op dit blog.

Uit:Nonnen en straffen

“Een droom heeft mij wakker gemaakt. Ik dacht dat ik in het Internaat was en in de rij liep. Naast Norine. Een rozenkrans in de hand. Ik hoorde de stem van de Overste. Zij prevelde. Voor mij gaven de meisjes elkaar duwtjes om het gebed van de soeur belachelijk te maken. Ik was acht. Mijn moeder lag in het ziekenhuis. Zij zou daar jaren liggen. Aan de hand van mijn vader beklom ik de brede en hoge stoep van het klooster aan de Gravenstraat. De zon ging onder. Ik denk dat het vier uur was. Ik huilde. De stilte van de kloostervestibule greep mij aan. Ik voelde mij gevangen, ver van de spelletjes die ik zo graag deed: het vangen van aardwormpjes met lange grassprietjes, natgemaakt met speeksel om de soekroeboes, zoals wij de wormpjes noemden, aan te lokken. Ik voelde mij ver van de hangalampoeheiningen, de bladeren die ik doorprikte met de harde doorns van de babydruif. En dan mijn tadja's van zand, versierd met gele bloemen die ik langs de goot voor ons huis plukte. De zoemende honingbijen, gevangen met een stukje papier.
Tja, ik was acht toen ik kennis maakte met lange gebedsoefeningen, straffen, gangen, vestibules, refters, mangelkamers, koepen, zalen en biechtstoelen.
Het Internaat van de Orde der Franciscanessen was een wereld in het klein, roterend door de kracht van christelijk kolonialisme. Een kleine wereld ook omdat alle rassen van onze samenleving dezelfde straffen ondergingen, dezelfde zonden beleden en dezelfde taal spraken. Het Nederlands. De voertaal. De taal van de beschaafden. Gesproken door de Chinese meisjes uit het district Nickerie en uit Marowijne. Door de Indiaanse meisjes, de onverschrokken dochters van de Caraïben en de Arowakken uit Donderskamp en Corneliskondré aan de benedenloop van de Coppenamerivier. Door zovele anderen die ik mij nog erg goed herinner. Vooral de rebellen, even onverschrokken als de Indiaanse meisjes voor wie ik grote bewondering had. Stella, Wilma, Joosje, gevolgd door de familienaam Indiaan. Ik kon goed met ze opschieten, ofschoon zij een stuk ouder waren. Toch durfde ik ze nooit te vragen of het waar was dat 's nachts in het donker van de Palmentuin drievingerige Indianen ronddoolden.”

 

 2089648-dd7bbc340fc10aac66c30d430dc21e7a.png
Bea Vianen (Paramaribo, 6 november 1935)

 

 

De Vlaamse literatuurwetenschapper en auteur Gilbert (Bert) Vanheste werd geboren in Pervijze op 6 november 1937. Zie ook alle tags voor Bert Vanheste op dit blog.

Uit:De politieke romans van Virginie Loveling: antikatholiek?

“Vanacker stelt dus dat ik ten onrechte, op grond van mijn kennis van de eigen tijd, een scheiding aanbreng in de 19e eeuw tussen het katholieke geloof en de katholieke praktijk. In een raadselachtige zin lijkt hij te vinden dat ik op grond van mijn kennis van de huidige kerk (welke? die van mijn jeugd in Vlaanderen, die ik als minstens even onderdrukkend en intolerant heb ervaren als Loveling dat deed?), die zich zou distantiëren van de 19e-eeuwse onverdraagzaamheid, de conclusie trek dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de echte kerk en een intolerante verschijningsvorm ervan omstreeks 1880. Daar stelt hij tegenover dat er in 1880 geen andere katholieke kerk was dan die van 1880. Daar ben ik het mee eens, ook als dat betekent dat er binnen het katholieke kamp in die periode geen oppositie van enige betekenis bestond. Daar gaat het echter niet om. Als Vanacker zegt dat de twee geëngageerde romans van Virginie Loveling hem niet alleen antiklerikaal lijken, maar ook antikatholiek en hij verstaat onder die laatste term: gericht tegen de katholieke kerk, dan geef ik hem volmondig gelijk. Echter: in het normale spraakgebruik noemt men dat antiklerikalisme. Antikatholicisme stoot door naar de, niet aan een periode gebonden, geloofspunten. (Zoals anticommunisme veel verder gaat dan kritiek op de Russische partij). Welnu, V. Loveling bestrijdt die leerstellingen niet in haar boeken en zelfs niet (heb ik uit Vanacker begrepen) in haar journalistieke werk. De argumentatie voor deze stelling ligt op elke bladzijde van Vanackers artikel voor het oprapen. Er was omstreeks 1880 geen andere kerk, maar men - niet in de laatste plaats V.L. zelf - had wel degelijk weet van een andere, niet ultramontaanse, katholieke kerk, namelijk de vrijzinnig-katholieke waarin Virginie zelf grootgebracht was. Na 1848 was dit liberaal-katholicisme historisch achterhaald, hetgeen niet betekent dat het uit de hoofden gebannen was. Onmiskenbaar herinnerde V.L. zich die periode, sterker: zij idealiseerde die. En was het hoofdpersonage in de Franstalige tegenhanger van In onze Vlaamsche gewesten, Partie perdue van Goblet d'Alviella, niet zo'n oude katholiek, voorstander van de oude principes tegen de nieuwe Roomse richting? De onderwijzer die V.L. in het dorp M. (Meigem?) gekend moet hebben was al evenzeer zo'n katholiek. Vanacker noemt zelf de priester Angelman uit Sophie een dissident (een woord met een anachronistisch geurtje?) die Sophie uitlegt dat de kerk haar ware opdracht niet vervult.”

 

.2089648-630cb5505efb159c438ae8ef5321948c.jpg
Bert Vanheste (6 november 1937 - 23 februari 2007)
Pervijze

 

 

De Duitse dichter, componist en musicus Bodenski (eig. Michael Boden) werd geboren op 6 november 1965 in Potsdam. Zie ook alle tags voor Bodenski op dit blog en ook mijn blog van 6 november 2010

 

Schlaflied

Siehst du die Wolken über uns
sie tanzen mit dem halben Mond
siehst du das kleine rote Tier
das in den schwarzen Büschen wohnt

der alte Zaun ist längst verfault
der Wald umarmt den Garten
siehst du mein Haar, es wird schon grau
vom warten, ach vom warten

auf meiner Zunge liegt ein Stein
und Gräser stechen tief in meine Haut
die Nacht schaut uns mit tausend Augen zu
komm schlaf mit mir
bevor der Morgen graut

hier in dem Schatten deines Leibs
roll ich mich ein um auszuruhn
kommt erst das Weiß dem Jahr ins Haar
dann muß ich fortgehn schwarz und stumm

auf meiner Zunge liegt ein Stein
und Gräser stechen tief in meine Haut
die Nacht schaut uns mit tausend Augen zu
komm schlaf mit mir
bevor der Morgen graut

 

 2089648-d6545dc4c6d8750a9e7c4ab58dc8449d.jpg
Bodenski (Potsdam, 6 november 1965)

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter en predikant Johannes Petrus Hasebroek werd geboren in Leiden op 6 november 1812. Zie ook alle tags voor Johannes Petrus Hasebroek op dit blog.

 

De velden worden wit

Reeds buigt de rijpende air het hoofd ter aarde neder,
En kondigt d' oogstdag aan, waarom de landman bidt;
God geeft in 't levend brood het zaad den zaaijer weder...
De velden worden wit.

Reeds zie ik ook voor mij den dag des oogstes naken.
Waar bleef de blondheid, die de frissche jeugd bezit?
Ach, zij verschoot om plaats voor bleeker verw te maken...
De velden worden wit.

De zeissen wordt gescherpt, mijn ziel! die u zal vellen;
Geen uur beslissender, heel 't leven door, dan dit!
Leere u de grafbloem op uw kruin uw dagen tellen...
De velden worden wit.

 

 

Halfheid
Bij het zien van een regenboog

0 schoon gezicht! Met zevenvoude kleuren
Zie ik de bonte hemelboog
Als een triomfpoort naar omhoog
Zijn stralend halfrond opwaarts beuren.
Gods Majesteit en Liefde gloort
En treedt ons tegen door die poort.
Maar ach waar gij de krans van stralen
Wilt volgen tot zijn ring zich sluit , —
Zie hoe daar eenklaps de aarde u stuit,
En 't oog weerhoudt in 't nederdalen!
Hoe schoon, o boog, uw gordel zij,
Een Halfheid en niet meer, zijt gij!
0 beeld van 't Schoonste en Zoetste op aarde!
't Gelijkt de bonte regenboog.
Het streelt uw hart, het boeit uw oog,
Maar 't blijft ten dele al wat ze u baarde.
Straks breekt de schone toverring,
Waarmee ze u voor een wijl omving.
Ja, wat ook de aarde ons geev' te aanschouwen,
Wat ze ons van Waar- of Schoonheid bied',
't Is al een Halfheid, wat gij ziet:
't Geheel blijft weigren zich te ontvouwen.
De dood alleen schenkt eens uw oog
De aanschouwing van de volle boog.

 

 2089648-11eb168a4509fce2184600867852fe11.jpg
Johannes Petrus Hasebroek (6 november 1812 – 29 maart 1896)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e november ook mijn blog van 6 november 2016 deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2007 en eveneens mijn blog van 6 november 2006.

Geschreven door Romenu om 18:23 Reageer op dit bericht

Chris van Abkoude

De Nederlandse schrijver Christiaan Frederik (Chris) van Abkoude werd geboren in Rotterdam op 6 november 1880. Van Abkoudes vader, Pieter van Abkoude, had een kapperszaak. Zijn moeder Anna Hössen stierf in het kraambed, twee weken na Chris' geboorte. Na de middelbare school ging Chris van Abkoude naar de normaalschool (kweekschool) en behaalde hier zijn onderwijsakte. Van 1901 tot circa 1909 was hij leerkracht op een volksschool in de Rotterdamse wijk Crooswijk. Naast het lesgeven ging Van Abkoude zich ook met journalistiek bezighouden. Verder hielp hij een paar vrienden bij de oprichting van een krant. In 1905 trouwde Van Abkoude met Johanna van Wijk. Kort na elkaar werden drie zoons geboren, van wie veel belevenissen verwerkt zijn in het boek “De zonen van Pietje Bell”. Van Abkoude schreef twee novellen die echter vrij snel uit de handel verdwenen. In 1907 verschenen zijn eerste twee kinderboeken, “Bert en Bram” en “Hollandsche jongens”. Begin 1914 verscheen “Pietje Bell”. Het boek verkocht goed in zowel Nederland als België en zelfs Zuid-Afrika. In augustus van datzelfde jaar brak WO I uit en Van Abkoude ging in militaire dienst. Hij werd korporaal bij de landmacht, maar probeerde hier op allerlei manieren onderuit te komen. Een jaar nadat Van Abkoude uit militaire dienst werd ontslagen, emigreerde hij in de zomer van 1916 naar de Verenigde Staten. Hij ging aan de slag als kinderentertainer en als pianist bij stomme films in een bioscoop. Verder regelde hij optredens voor zijn Holland Dutch Show, bestaande uit poppenkastspel, goocheltoeren en verhalen uit Nederland. Ook veranderde Van Abkoude zijn naam in Charles Winters, omdat zijn oorspronkelijke naam te lastig bleek voor Amerikanen. Op aandringen van uitgeverij Kluitman schreef Van Abkoude een nieuw boek over Pietje Bell: “De vlegeljaren van Pietje Bell”. In Amerika leerde Van Abkoude de miljonair August Heckscher kennen. In 1920 richtte Hekscher The Heckscher Foundation for Children op, waar Van Abkoude in 1921 werd aangesteld als 'Children's Director'. Zijn taak was het bedenken van activiteiten om kinderen van de straat te houden. Begin 1922 probeerde Van Abkoude zijn reeks verhalen over Pietje Bell af te sluiten met het boek “De zonen van Pietje Bell”. Er zouden er echter – noodgedwongen – nog enkele volgen. Korte tijd later ontving zijn uitgever ook het verhaal van “Kruimeltje” dat in 1923 werd uitgegeven. In 1943 belandden de Abkoudes in het stadje Alameda, dicht bij San Francisco. In San Francisco was een Amerikaanse marinebasis gevestigd, waar Van Abkoude voorstellingen verzorgde, voornamelijk voor kinderen van militairen en havenarbeiders. Met het eind van de oorlog in 1945 nam ook dit werk weer af. Van Abcoude ontving een ouderdomsuitkering, maar dat was amper genoeg om van te leven. Van Abkoude schreef een kort toneelstuk, “The Miracle”. Nadat dit stuk in oktober 1951 met succes werd opgevoerd maakte hij plannen voor nieuwe stukken. Begin 1951 werd hij echter getroffen door een beroerte, en moest hij stoppen met toneel en schilderen. Chris Van Abkoude overleed op 79-jarige leeftijd in een verzorgingstehuis in Portland.

Uit: Pietje Bell

“Tante Cato was al stevig ingedut en hoorde Pietje niet binnenkomen. Hij keek naar tante, naar haar open mond, naar de grote puist op haar neus. Er zaten drie haartjes op. Piet had van de jongens gehoord, hoe je wratten kon afbinden. Met een gewoon draadje garen legde je een stevige knoop om de wrat en trok die zo hard mogelijk aan. Na een paar dagen viel de wrat dan vanzelf af. Hij vond het wel een mooi idee om tante op die eenvoudige manier van dat lelijke ding op haar neus af te helpen. Nu zij sliep, was de gelegenheid daartoe al bijzonder gunstig. De eindjes van de knoop zou hij zo kort mogelijk afknippen, dan bemerkte zij er niets van. En als dan na enige dagen het ding afviel, zou hij zeggen: "Tante, dat heb ik nu gedaan."
Ja, dat was een mooi en goed plan. Hij haalde een draad garen, strikte daar een losse knoop in en schoof die voorzichtig over de knobbel op de neus van de slapende tante Cato. Toen trok hij hard aan, heel hard, want de knoop moest stevig zitten, anders ging het niet.
[Pietje Bell] Opeens vloog tante met een ruk overeind en schreeuwde, alsof zij vermoord werd. Met beide handen greep zij naar haar neus, en toen zij voelde dat zij nog in het bezit was van dat sierlijke pronkstuk, begon zij tegen Pietje uit te varen.
"Jou akelig, schandelijk kind! Jou misdadige jongen! Oude mensen bespotten en mishandelen. Wat doe je hier? Dit is mijn kamer. Ga weg, oneerbiedige jongen, laat ik je niet meer zien."
"Maar tante....."
"Ga weg, ik ben je tante niet! Hemel, wat heb je toch met mijn neus uitgevoerd? Hangt er een draad aan?"
Tante Cato ging voor de spiegel staan en zag het garen om de knobbel geknoopt. Zij maakte het gauw weer los en keek Pietje met een vernietigende blik aan.
"Tante, ik wou...."
"Ben je nog hier? Ik zeg immers, dat ik je tante niet ben en dat je moet weg gaan!"
"Bent u mijn tante niet?" vroeg Pietje verbaasd. "Bent u dan een oom?"
"Nu voor het laatst, brutaal kind: Ga - De - Deur - Uit!"
"Maar dan raakt u de puist niet kwijt, tante."
Tante Cato was buiten zichzelve. Ze zette Pietje buiten de deur. Deze begreep maar niet, dat tante zoveel drukte om niets maakte.”

 

 2110311-d645d779163e768254cbc5cba8eac441.png
Chris van Abkoude (6 november 1880 – 2 januari 1960)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Bert Wagendorp, Andreas Stichmann, Hanns-Josef Ortheil, Joyce Maynard, Maurice Kilwein Guevara, Dmitri Prigov, Anna Maria van Schurman

De Nederlandse schrijver en journalist Bert Wagendorp werd geboren in Groenlo op 5 november 1956. Zie ook alle tags voor Bert Wagendorp op dit blog.

Uit: Masser Brock

“Mia Kalman liep met korte, gehaaste passen de Korte Houtstraat uit en boog, toen ze op het Plein was aangekomen, af in de richting van het gebouw van de Tweede Kamer. De terrassen zaten vol en nazomers gemurmel met zo nu en dan een uitschieter van gelach of stemverheffing vulde de lucht. Maar Mia had geen tijd voor terrassen en smalltalk, er was werk aan de winkel. Ze stapte zonder om zich heen te kijken langs de tafeltjes, om zo de kans dat ze werd aangeroepen door een bekende zo klein mogelijk te maken. Mia Kalman was tweeënveertig en de belangrijkste speechschrijver van de premier van Nederland.
Ze moest naar het Torentje, een klein achthoekig gebouwtje met een puntdak dat tussen het regeringscomplex en het Mauritshuis stond, met uitzicht op de Hofvijver. Vanwege de veiligheid was de toegang tot het Torentje vanaf het Plein afgesloten – Mia moest via de poort van het Binnenhof binnendoor en onder begeleiding naar het vertrek van de minister-president. Ze liet haar pas zien, knikte naar de bewaker, ging een toilet in om haar make-up en kleding te controleren, glimlachte even naar zichzelf, verliet het toilet en liep verder.
Het sms’je van haar baas was gekomen nog voor ze een nieuwsalert kreeg: er waren vier Nederlandse soldaten omgekomen bij een vredesmissie in een land waarvan ze niet eens wist dat er een Nederlandse vredesmissie actief was. Ze belde hem meteen: een Bushmaster was op een landmijn gereden en de explosie was zo hevig geweest dat de wagen was opgetild en ondersteboven weer was geland, met de vijf inzittenden er dankzij hun veiligheidsgordels nog in. Mogelijk hadden ze het overleefd als er niet meteen na de ontploffing uit het niets gewapende mannen waren opgedoken die het vuur hadden geopend op de verwrongen hoop staal en de inzittenden, en die daarna weer waren verdwenen in de woestijn. Een van de soldaten had de aanslag overleefd, vermoedelijk hadden de terroristen hem over het hoofd gezien. Hij lag met een shock in de ziekenboeg van de Nederlandse militaire compound, in afwachting van het moment waarop hij vervoerd zou kunnen worden naar Nederland.
Maak vast iets voor Twitter,’ las ze. ‘Ik moet straks een verklaring afleggen op de drie publieke zenders en bij RTL en SBS.’
Mia klopte op de eiken deur en hoorde iets dat op ‘`entrez!’ leek. Toen ze binnenkwam zag ze haar baas door de kleine ruimte ijsberen, een mobiel aan elk oor. Ze hoorde achtereenvolgens ‘Verdomme!’, ‘Kolerezooi!’, ‘Gore woestijnratten!’ en ‘Haha!’

 2089125-22ad858f44e94a3df85743d56c9ac5ed.jpg
Bert Wagendorp (Groenlo, 5 november 1956)

 

 

De Duitse schrijver Andreas Stichmann werd op 5 november 1983 in Bonn geboren. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Andreas Stichmann op dit blog.

Uit: Die Entführung des Optimisten Sydney Seapunk

“Bianca Kempfer, 17 Jahre alt, Realschülerin, steigt in Hamburg-Osdorf aus dem Bus und dreht sich eine Zigarette. Der Asphalt ist warm unter ihren nackten Füßen, ihre Springerstiefel hat sie ausgezogen und in den Rucksack gepackt. Der Bus setzt sich in Bewegung und gibt den Blick frei auf den Sonnenhof, wo sie seit drei Wochen ihre Sozialstunden ableistet. Eine heruntergekommene Siedlung auf dem Mars – das war ihr allererster Eindruck von dem Ort. Wobei es auf dem Mars wahrscheinlich keine Pfützen, keine Mohnblumen und keinen Löwenzahn gibt. Aber die runden Lehmhäuser mit den Metallfenstern erscheinen ihr marsig, und auch die Menschen, die auf dem Sonnenhof leben – marsig und nice. Sie hätte nicht gedacht, dass Sozialstunden so viel Spaß machen können.
Beim Betreten des Geländes achtet sie wie immer drauf, schwungvoll zu gehen. Ramafelene, der Chef, hat ihr gesagt, dass er ihre energiegeladene Art mag. Die Sonnenhöfler würden allesamt so schlurfen. Das nerve ihn.
Sie schaut sich um; Ramafelene ist nirgendwo zu sehen.
In der Mitte des Geländes, zwischen den sechs runden Lehmhäuschen, gibt es einen Brunnen, der total märchenmäßig wirkt. Sie wirft den glibschigen Holzeimer rein, zieht ihn an der Seilwinde hoch und trinkt einen Schluck kaltes Wasser.

 

 2089125-1b9314e74e488e2322c0b7869ef3861e.jpg
Andreas Stichmann (Bonn, 5 november 1983)

 

 

De Duitse schrijver Hanns-Josef Ortheil werd geboren op 5 november 1951 in Keulen. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Hanns-Josef Ortheil op dit blog.

Uit: Der Typ ist da

„Als Mia von der Bibliothek nach Hause kommt, steht er vor der Haustür. Ruhig, wartend, als sei er ganz sicher, dass sie kommen werde. Sie schaut ihn an, erkennt ihn aber auf den ersten Blick nicht. Sie will schon an ihm vorbeigehen und die Haustür aufschließen, als er sie auf Italienisch anspricht. Es ist der vertraute, melodische Klang, den sie noch vor Kurzem täglich in Venedig gehört hat. Mia erschrickt ein wenig, sie hält inne und schaut den Typ länger an. Er grüßt noch einmal und sagt, dass er ihrer Einladung gefolgt sei. »Jetzt bin ich da«, erklärt er, und es klingt derart eindringlich, dass Mia nicht sofort antwortet. Sie will keinen Fehler machen, denn der Typ meint es anscheinend ernst. Wer aber ist er und wieso spricht er von einer Einladung? Er ist etwas größer als sie, vielleicht um die ein Meter achtzig, er ist schlank und trägt einen kurzen schwarzen Wintermantel. Die braunen Haare sind sorgfältig kurz geschnitten, er hat einen Bart, nichts Auffälliges, Dichtes, sondern eine schwache Behaarung um die Mundpartie, so wie die meisten jungen Venezianer sie jetzt haben. Eine Mundmaske, ein kleiner Schatten um das Kinn, ein Akzent, dass man nicht alles preisgibt, sondern einige Feinheiten des Lebens für sich behalten will. Er lächelt nicht, sein Gesicht zeigt auch sonst keine Bewegung, er schaut sie an wie ein Junge, der umarmt und willkom-men geheißen werden will. Wie alt er wohl ist? Zwan-zig? Zweiundzwanzig? Höchstens dreiundzwanzig, nein, eher doch zweiundzwanzig. Er hat den Sprung in die Er-wachsenenwelt noch nicht ganz geschafft, er wartet ge-radezu darauf, dass man ihn an der 1 land packt und mit ins I laus nimmt. I lat er etwas dabei? Einen Koffer? Nein, das nicht, sondern nur eine einfache, schwarze Sporttasche. Er trägt Turnschuhe, sie leuchten hell in der einbrechenden Dunkelheit. Was ist mit ihm? Will er etwa bei ihr woh-nen? Das geht nicht, denkt Mia, es geht auf gar keinen Fall. Mia wohnt mit zwei anderen jungen Frauen in einer Dreier-wc im dritten Stock des Kölner Mietshauses, vor dem der Fremde und sie noch immer stehen. Übernach-tungen von Männern, haben die drei Frauen fest verein-bart, sind in der wc nicht erwünscht. Männer am Früh-stückstisch möchte erst recht keine von ihnen sehen, und wenn eine einen festen Freund haben sollte, über-nachtet sie bei ihm, er aber nicht bei ihr. Keine der drei jungen Frauen hat jedoch gegenwärtig einen festen Freund, das macht die Männer-Thematik unkompliziert. Mia tastet sich an die Sache heran. Am einfachsten ist es, wenn sie nachfragt. — Du kommst aus Venedig? — Ja, direkt aus Venedig. — Mit dem Flieger? — Nein, mit dem Zug. — Und wie lange wartest Du schon?“

 

 2089125-ddd6870a3072d5c71281701700d6487d.jpg
Hanns-Josef Ortheil (Keulen, 5 november 1951)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Joyce Maynard werd geboren op 5 november 1953 in Durham, New Hampshire en volgde een opleiding aan de Phillips Exeter Academy. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Joyce Maynard op dit blog.

Uit: The Best of Us

“Ever since the end of my marriage to my children's father I had wanted to fall in love. But if you had asked me — or if I ever asked myself — what it meant to fall in love, I doubt I could have told you. "Falling in love" was an idea I had picked up from a lot of rock-and-roll songs and movies and the fairy tales that came before them.
My own experience of love had not contained the happy ending, though passion was part of it, as was romance, and certainly drama. (Drama: an addiction of mine, maybe. To look at my history, at least, you would have had to consider that possibility.)
Age had changed me in many ways, but not in this one. Into my fifties, and closing in on the next decade — my children grown and gone, along with so much else I had held onto once and now let go — I still looked for that feeling of my pulse quickening, of holding my breath when a person walked in the door — my person. But when I tried to imagine what this falling-in-love thing would look like with the passage of time, my imagination — though it seldom failed me — provided no picture. Mostly what I had known of falling in love was that heartbreak followed soon after.
I had been, at the point our story began, a writer of fiction, and in the writing of fiction, it is well understood that for a story to hold the reader's interest, conflict must exist. I might have told myself otherwise, but for years I think I carried that belief into my life off the page. Where was the drama in happiness? If there was no trouble present, what kept the story alive?
What did I know of love? What had I witnessed? My parents had started out with a big love affair, filled with extravagant emotion and conflict. The fact that when my mother met him, my father had been twenty years older than she was — and divorced — had not even been their biggest obstacle. He just wasn't Jewish.
He had courted her for ten years — writing her poems, sending her drawings, swearing his devotion, taking a job under a made-up name as a radio host on the prairies of Canada so he could recite romantic poetry to her over the airwaves without her parents knowing it. He was handsome and funny, brilliant and difficult. But romantic — and in the end, irresistible.”

 

 2089125-aaa252f4450091553b8574bfeda22bd6.jpg
Joyce Maynard (Durham, 5 november 1953)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en hoogleraar Maurice Kilwein Guevara werd geboren op 5 november 1961 in Belencito. Zie ook alle tags voor Maurice Kilwein Guevara op dit blog.

 

Doña Josefina Counsels Doña Concepción Before Entering Sears

Conchita debemos to speak totalmente in English
cuando we go into Sears okay Por qué
Porque didn’t you hear lo que pasó It say
on the eleven o’clock news anoche que two robbers
was caught in Sears and now this is the part
I’m not completely segura que I got everything
porque channel 2 tiene tú sabes that big fat guy
that’s hard to understand porque his nose sit on his lip
like a elefante pues the point es que the robbers the police say
was two young men pretty big y one have a hairy face
and the other is calvo that’s right he’s baldy and okay
believe me qué barbaridad porque Hairy Face
and Mister Baldy goes right into the underwear department
takes all the money from the caja yeah uh-huh the cash register
and mira Mister Baldy goes to this poor Italian woman that I
guess would be like us sixty o sixty-five who is in the section
of the back-support brassieres and he makes her put a big bra
over her head para que she can’t see nothing and kneel
like she’s talking to God to save her poor life
and other things horrible pero the point como dije
es que there was two of them and both was speaking Spanish
y por eso is a good thing Conchita so the people at Sears
don’t confuse us with Hairy and Baldy that we speak English only
okay ready
Oh what a nice day to be aquí en Sears Miss Conception

 

 2089125-dd66a4ae36e00d519794b1577323071c.jpg
Maurice Kilwein Guevara (Belencito, 5 november 1961)

 

 

De Russische dichter en beeldend kunstenaar Dmitri Aleksandrovitsj Prigov werd geboren in Moskou op 5 november 1940. Zie ook alle tags voor Dmitri Prigov op dit blog.

Uit: Dialogues (Vertaald door Chris Mattison)

Apotheosis of the Policeman

Forewarned Conversation No. 1

1st man: What is oputheozis?
2nd man: How can I explain it? It is a kind of award.
1st man: An award? Like an Order?
2nd man: No, not exactly like an Order.
1st man: Then like what? Maybe a medal?
2nd man: No, not exactly a medal either.
1st man: Not exactly?
2nd man: Not exactly.
1st man: Then what is it?
2nd man: Well, oputheozis — It’s a sort of commendation
1st man: A-a-ah. Understood.


Forewarned Conversation No. 2

Man: Comrade major, what is oputheozis?
Major: Not oputheozis, apotheosis.
Man: But what is it?
Major: How can I explain it to you so that you will understand?
It is the honest and conscientious fulfillment of a duty, the execution of a service that results in you becoming an example to others.
Man: Do you have to wait long for it?
Major: As long as it takes. Under certain circumstances zeal may be reached after five or so years.
Man: And what then?
Major: Then it will last and bring people joy.

 

 2089125-1c2a3e2bb17aec0321817dab513965ce.jpg
Dmitri Prigov (5 november 1940 – 16 juli 2007)

 

 

De Nederlandse schrijfster Anna Maria van Schurman werd geboren in Keulen op 5 november 1607. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Anna Maria van Schurman op dit blog.

Uit: Brief aan prinses Elizabeth van Bohemen

“Mevrouw,

Dat u zo goed was om mij onlangs te vereren met een brief van uw hand, zou de grandeur van Uwe Hoogheid en de laagheid van mijn staat ontkennen, indien ik het toeschreef aan mijn verdienste in plaats van aan uw pure gunst. In die brief nam u de moeite hartelijk te informeren naar mijn gezondheid en studies. Wat betreft mijn gezondheid, zij is (dank aan God) in zo'n bevredigende toestand dat ze het een eer vindt om uw opdrachten te (kunnen) ontvangen. Maar de voortgang van mijn studies is niet zo opzienbarend dat ik er tot mijn voordeel rekenschap van zou kunnen geven. Tenminste, ik ben niet van mening dat zij de publieke verwachtingen kunnen waarmaken, zoals uw gunst me wil doen geloven.
Het is waar dat ik grote hoogachting heb voor de doctors scholastici en dat zij zonder twijfel mij goede gelegenheden zouden kunnen bieden om mijn geest te oefenen, als ik niet afgeleid zou zijn door meer noodzakelijke oefeningen. Ik wil niet ontkennen dat zij soms verdwalen in ijdele, gevaarlijke, ja godslasterlijke speculaties wat veroorzaakt heeft dat zij de censuur van verscheidenen geleerden van onze tijd op de hals gehaald hebben. Niettemin mag dat ons niet bevooroordelen tegen de degelijkheid noch tegen de voortreffelijkheid van hun opvattingen die men dikwijls in hun werken bewondert wanneer het erom gaat de geheimen van de filosofie te verhelderen of om de kernpunten van de christelijke godsdienst tegen de profane Sceptici en Atheïsten te verdedigen. Met moeite zou men weten te onderscheiden of zij spitsvondiger geweest zijn om de twijfels en tegenwerpingen te smeden dan of ze meer onversaagd zijn geweest om verheven en moeilijke dingen te ondernemen of meer succesvol en capabel om ze af te breken. Zodat ze, naar mijn oordeel, deze twee kwaliteiten harmonieus hebben samengevoegd, namelijk subtiliteit en werkelijkheid. En werkelijk, het is niet verbazend dat zij zo'n hoge graad van volmaaktheid bereikt hebben. Voorzover zij nooit hun voorgangers veracht hebben, noch de schatten van al de verleden eeuwen.”

 

 2089125-51baebb49d3dee10e618c3211a555f48.jpg
Anna Maria van Schurman (5 november 1607 – 4 of 14 mei 1678) 
Portret doorMichiel van Mierevelt, 1638

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 5 november 2008, en ook mijn blog van 5 november 2007 en eveneens mijn blog van 5 november 2006.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e november ook mijn vorige blog van vandaag.



Geschreven door Romenu om 08:19 Reageer op dit bericht

Ella Wheeler Wilcox, Hans Sachs, Ulla Berkéwicz, Mikhail Artsybashev, James Elroy Flecker, Washington Allston

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Ella Wheeler Wilcox werd geboren op 5 november 1850 in Johnstown, Wisconsin. Zie ook alle tags voor Ella Wheeler Wilcox op dit blog en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

 

As You Go Through Life

Don’t look for the flaws as you go through life;
And even when you find them,
It is wise and kind to be somewhat blind
And look for the virtue behind them.
For the cloudiest night has a hint of light
Somewhere in its shadows hiding;
It is better by far to hunt for a star,
Than the spots on the sun abiding.

The current of life runs ever away
To the bosom of God’s great ocean.
Don’t set your force ‘gainst the river’s course
And think to alter its motion.
Don’t waste a curse on the universe –
Remember it lived before you.
Don’t butt at the storm with your puny form,
But bend and let it go o’er you.

The world will never adjust itself
To suit your whims to the letter.
Some things must go wrong your whole life long,
And the sooner you know it the better.
It is folly to fight with the Infinite,
And go under at last in the wrestle;
The wiser man shapes into God’s plan
As water shapes into a vessel.

 

 2089121-e18f192154f1226ebcf056540145b338.jpeg
Ella Wheeler Wilcox (5 november 1850 – 30 oktober 1919)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Sachs werd op 5 november 1494 in Nürnberg geboren als zoon van een kleermaker. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Hans Sachs op dit blog.

 

Die bitter lieb (Fragment)

Sie sprach: »weißt nicht mein treuen mute?
ich hab gewagt leib, er und gute
mit dir, ist das ietzunt mein lon?«
der jüngling sprach: »herzlieb, verschon!
der argwon bracht mich auf das spore,
weil ich dich nicht sach oft als vore.«
Das freulein sprach; »der klaffer vile,
die sehen uns gnau auf das spile,
ob ich dich bei der nacht vernim;
oder ich hör zu nacht dein stim,
zum fenster darf ich nicht aussehen,
förcht auch, dir möcht etwas geschehen.«
Er sprach: »nechten wars mir nit weit,
es jagten mich um mettenzeit
mit bloßer wer die schergenhaufe
eben gleich für dein tür heraufe.«
sie sprach: »erst machst mir sorge mer.
unglück reit mich, wo ich hin ker.
mein man wil mir auch nit vertrauen
und tut gar eben auf mich schauen.«

Der jüngling sprach: »merkt es dein mane,
erst bleib ich nit; ich wil darvane!
es kostet mein und deinen leib.«
erst wart betrübt das zarte weib
und umfing den jüngling mit armen,
sprach: »bleib und tu dich mein erbarmen!«
Der knab tet wider zu ir jehen:
»dein brüder mich tückisch ansehen,
als ob sie merken unser lieb;
nit gut wer, das ich lenger blieb.«
darmit das freulein er umfinge,
nam urlaub, traurig von ir ginge;
Die wand ir hend und rauft ir har.
da dacht ich mir: und ist das war,
das in der süßen lieb verborgen
ligt so vil ungelücks und sorgen,
klag, eifersucht und klafferei,
senen und trauren mancherlei,
ich geschweig des letzten abscheiden,
so wil die bitter lieb ich meiden.

 

 2089121-c795062cc09e668c1474bd506c899743.jpg
Hans Sachs (5 november 1494 -19 janauari 1576)
Cover DVD

 

 

De Duitse schrijfster, uitgeefster en actrice Ulla Berkéwicz werd geboren op 5 november 1948 in Gießen als Ursula Schmidt. Zie ook alle tags voor Ulla Berkéwicz en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

Uit: Überlebnis

„Die Klinkerkliniken standen am Berg, in den Krankengängen roch es nach Wunden und Desinfektion, nach Schwesternkaffee und Hackbraten. Ich tanzte und ich sang, bis die Sterber starben, dann saß ich still, um ihre Stille nicht zu stören, gab meine Hand und wartete auf den Spalt, von dem die Großmutter mir erzählt hatte, daß er aufreißt, wenn einer stirbt, mitten hineinreißt in das Gefüge hier."
Die Kindheits- und Jugenderinnerungen prägen ihr Bild vom Sterben und fügen sich gut in das Buch, da uns die Erfahrung von Tod und Trauer alte Kinderfragen immer wieder neu stellen lässt: "Wohin gehen die Toten?" oder wie es in dem Buch heißt: "Was geschieht mit den Toten?". In fünf Akten, plus einer Vor- wie einer Nachrede, umkreist Berkéwicz ihren Gegenstand. Die stärksten Augenblicke gelingen ihr in ihren atmosphärisch und sprachlich ungeheuer dichten Krankenhausszenen, in denen die Erzählerin nicht von der Seite ihres Mannes weicht, das Personal nervt und sich selbst an die eigenen Grenzen bringt.
"Ein Warteraum für Angehörige, ein Angst-Schock-Horror-Raum. Ein Raum, in dem die kahlen Wände sich vor Schrecken biegen, in dem es nach der Scheiße stinkt, die nebenan im Plastikklo, wo sich die Angehörigen die Angst, den Schock, den Horror aus dem Leib rausscheißen, in allen Ritzen hängt. Es ist heiß. Die Heizung ist nicht abzustellen. Draußen brütet die Pfingsthitze giftige Fliegen aus. Ein rohes Sofa, ein Tisch, ein Gummibaum. 'Rauchen verboten' steht an der Wand. 'Öffnen verboten' steht am Fenster. Ich nehme einen grünen Kittel von einem Kittelstapel. Es hat geheißen, ich muß warten, bis er untersucht ist, es hat geheißen, ich muß einen grünen Kittel überziehen.
Leute in weißen Kitteln rennen an der Tür vorbei durch eine Tür, an der 'Eintritt verboten' steht. Nach Stunden kommt ein Pfleger, plärrt, er sei Pfleger hier, gibt einen Code ein in die Tür, die summt, fährt auf, der Pfleger stößt mich. Einer, der in ein schwarzes Loch fällt, erblickt vor sich ein bisher unsichtbares Universum und büßt im selben Augenblick jede Möglichkeit ein, sich mit denen, die draußen geblieben sind, zu verständigen. Ist das der Tod? Nein, die Intensivstation."

 

 2089121-2c8c00a6065ad94db55cc1d82c580fe8.jpg
Ulla Unseld-Berkéwicz (Gießen, 5 november 1948)

 

 

De Russische schrijver Mikhail Artsybashev werd geboren op 5 november 1878 in Dubroslavovka. Zie ook alle tags voor Mikhail Artsybashev op dit blogen ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

Uit: Breaking Point (Vertaald door Percy Pinkerton)

“The little town lay in the Steppes, and beyond its outskirts, beyond the vibrating air of the distant country-side, lay the intangible depths of the horizon of towering forests and the remote indifferent sky. It was easy here to realise the vanity and futility of the handful of human beings who lived, suffered, and died in the place. In summer the sun burnt ceaselessly down on the Steppes, and in winter they were wrapped in a cold smooth shroud. During the hot nights the clouds collected in masses and the thunder rolled ceremoniously from one end of their vast blackness to the other. But at all times the Steppes were equally oppressive, strange and mysterious. When it was windy columns of dust rose from the plains and blew straight down on the town, like a funeral procession of grey ghosts. Noiselessly they settled on the roofs and windows of the houses, on the stagnant waters of the river, and covered the whole town with a soft unresisting veil. And then the place looked old and decrepit, like the world. Everything was as formless and insignificant as a heap of ashes before the wind scatters them. It is in such a grey hamlet, rather than among blossoming trees, sunlit mountain-peaks, the azure of the sky, or in the midst of cities that those terrible thoughts must be born which later enter the world to creep across her face like the pale portentous ghost of death. A rock flung into the sea vanishes to leave no trace, but a . mall stone, tolling into shallow stagnant water creates its inevitable circles in every direction. And what passed unheeded that day in the midst of life was to stir souls to their depths in that little town. Naumoff, the new engineer at the factories of Arbusoff the local capitalist, may be said to have caused the whole trouble. Perhaps the shadow which this sinister being had cast upon life was really significant in the speedy development of affairs. »

 

 2089121-c8b3193cc4546b35f9e3eaf8f9574bf5.jpg
Mikhail Artsybashev (5 november 1878 – 3 maart 1927)



De Engelse dichter en schrijver James Elroy Flecker werd geboren op 5 november 1884 in Londen. Zie ook alle tags voor James Elroy Flecker op dit blog en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

 

The Ballad Of The Student In The South

It was no sooner than this morn
That first I found you there,
Deep in a field of southern corn
As golden as your hair.
I had read books you had not read,
Yet I was put to shame
To hear the simple words you said,
And see your eyes aflame.

Shall I forget when prying dawn
Sends me about my way,
The careless stars, the quiet lawn,
And you with whom I lay?

Your's is the beauty of the moon,
The wisdom of the sea,
Since first you tasted, sweet and soon,
Of God's forbidden tree.

Darling, a scholar's fancies sink
So faint beneath your song;
And you are right, why should we think,
We who are young and strong?

For we are simple, you and I,
We do what others do,
Linger and toil and laugh and die
And love the whole night through.

 

 2089121-5a68e7d88b7c2a3616391c03e223d416.jpg
James Elroy Flecker (5 november 1884 – 3 januari 1915)

 

 

De Amerikaanse schilder en dichter Washington Allston werd geboren op 5 november 1779 in de buurt van Charleston, South Carolina. Zie ook alle tags voor Washington Allston op dit blog en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

 

On The Statue Of An Angel, By Bienaimé, Of Rome, In The Possession Of J. S. Copley Green, Esq.

Oh, who can look on that celestial face,
And kindred for it claim with aught on earth?
If ever here more lovely form had birth-
No-never that supernal purity-that grace
So eloquent of unimpassioned love!
That, by a simple movement, thus imparts
Its own harmonious peace, the while our hearts
Rise, as by instinct, to the world above.
And yet we look on cold, unconscious stone.
But what is that which thus our spirits own
As Truth and Life? 'Tis not material Art-
But e'en the Sculptor's soul to sense unseal'd.
Oh, never may he doubt-its witness so reveal'd-
There lives within him an immortal part.

 

 2089121-e0900aeb940c2fd9a82a6fe3f12235a6.JPG
Washington Allston (5 november 1779 – 9 juli 1843)
De beschermengel door Luigi Bienaimé

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 5 november 2008, en ook mijn blog van 5 november 2007 en eveneens mijn blog van 5 november 2006.

Geschreven door Romenu om 08:18 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten