Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 24 november 2017 tot 25 november 2017

Maarten ’t Hart, Connie Palmen, Abdelkader Benali, Arturo Pérez-Reverte, Ba Jin, Augusta de Wit

De Nederlandse schrijver Maarten 't Hart werd geboren op 25 november 1944 in Maassluis. Zie ook alle tags voor Maarten ’t Hart op dit blog evenals mijn blogs van 25 november 2010 en eerder.

Uit: Magdalena

“Dat weet je toch wel, die had dertien kinderen uit zijn eerste huwelijk en elf kinderen uit zijn tweede huwelijk, en van die dertien uit dat eerste huwelijk werden maar liefst de laatste tien, steeds met tussenpozen van een jaar, dood geboren, en nummertje drie heeft ook maar een paar dagen ademgehaald, en na die tien levenloos geboren kindjes is de eerste vrouw van Leen zelf ook door de Heere thuisgehaald, dus toen had je opeens een weduwnaar met twee overgebleven bloedjes, mijn man Arie dus en z'n oudere zusje, en Leen is weer hertrouwd en die tweede vrouw heeft elf kinderen ter wereld gebracht, dus bij elkaar waren het er, als ik het goed optel, wel vierentwintig - stel je toch voor, vierentwintig kinderen, 't zou wat geweest zijn als ze allemaal waren blijven leven, m'n schoonvader was eendenkooiman op Rozenburg, nou, van wat daarvan overschoot had hij nooit vierentwintig mondjes kunnen voeden, dus 't was maar goed dat de Heere er zoveel wegnam. Maar de kinderen uit dat tweede huwelijk bleven allemaal wel leven, dus je grootvader had maar liefst elf halfbroers en halfzusjes. En dat in zo'n petieterig dijkhuisje op Rozenburg. Vierentwintig kinderen, het is toch wat, je zult zo'n vurige man hebben, je grootvader vertelde altijd dat zijn vader tussen de middag thuiskwam en dan na het eten opstond en zijn stiefmoeder probeerde te grijpen. Maar die probeerde uit z'n handen te blijven, en dan renden ze achter elkaar aan, om de tafel heen, een rondje of zes, zeven, het kunnen er ook acht zijn geweest, daar wil ik vanaf zijn, en dan had vadertje Leen moeder Betje te pakken, en zagen al die kindertjes hoe hun moeder het laddertje naar het zoldertje werd opgesjord en even later hoorden ze dan van dat zoldertje van die speciale geluiden komen - och, och, ja, ja, je grootvader was wel getekend, die heeft het als kind al vreselijk zwaar gehad, elf broertjes en zusjes dood, moeder dood, en een vader die zijn tweede vrouw elke dag om de tafel heen nazat omdat hij goesting had, altijd maar door goesting. Zijn eerste vrouw zal hij trouwens ook wel om de tafel heen nagezeten hebben, maar dat herinnerde je grootvader zich niet, toen was hij daar nog te klein voor.Toch hebben we hem, al die goesting ten spijt, lang mogen meemaken, want hij was van 1869 en is pas in 1960 gestorven. Maar ja, dat moet je ze wel nageven, die Van der Giessens, als ze niet al in hun wiegjes bezwijken, en daar zijn heel wat voorbeelden van, worden ze doorgaans heel oud.'

 2095258-382d6c2934301ddcc2da1a492d043768.jpg
Maarten ’t Hart (Maassluis, 25 november 1944)

 

De Nederlandse schrijfster Connie Palmen werd op 25 november 1955 geboren in Sint Odiliënberg. Zie ook alle tags voor Connie Palmen op dit blog.

Uit: Jij zegt het

“Ik schreef ze keurig op, kocht een totoformulier, vulde - dromend van de pot van vijfenzeventigduizend pond - de enigszins onverwachte voorspelling van dertien keer gelijkspel in. Ik was hogelijk verbaasd toen hij daarin gelijk bleek te hebben, op één wedstrijd na.
Het gebeurde op een avond dat de lucht minder koud was en we overdag de eerste tekenen van de komende lente bespeurden in sprieten jong groen die zich nieuwsgierig een weg omhoog hadden gebaand, dwars door een tapijt van natte, opeengepakte bladeren heen. Met zo veel veranderingen in het vooruitzicht - een koude winter die snel voorbij zou zijn, haar afstuderen, en het vertrek naar Amerika - en dankzij een steeds amicalere omgang met Pan, durfde ik het ongemanierde orakel de vraag te stellen waarvan ik dacht - nee, wist - dat die haar beheerste. Ik boog me over het bord en vroeg of wij beroemd zouden worden. Het effect was desastreus en tartte al mijn verwachtingen. Alsof we te lang te vertrouwelijk met hem waren omgesprongen en te weinig respect hadden getoond voor zijn goddelijkheid, maakte hij met een vermetele kracht zijn oorsprong van het woord paniek waar door ons de stuipen op het lijf te jagen. Vanuit het niets trok een boze marionettenspeler bruusk de hand van mijn bruid omhoog, haar ogen schoten vol bange tranen, en ik - die gemeend had haar te plezieren, en gewillig als een oude herdershond achter de Amerikaanse droom van een roemrijk bestaan aansjokte - hoorde verbijsterd hoe ze in tongen sprak. Zonder zich traag van het alfabet te bedienen sprak Pan zich met een angstaanjagend diepe keelstem direct uit via haar mond, bespotte het verlangen naar dat lege vertoon, en vroeg of ze dan niet wist dat de roem waarnaar ze zo hartstochtelijk verlangde alles wat ze bezat zou vernietigen.”

 

 2095258-8f631be98395352b81e0189cd5d0c99b.jpg
Connie Palmen (Sint Odiliënberg, 25 november 1955)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en tv-presentator Abdelkader Benali werd geboren in Ighazzazen, Marokko, op 25 november 1975. Zie ook alle tags voor Abdelkader Benali op dit blog.

 

Ik ben niet gevlucht om in dit land

Ik ben niet gevlucht om in dit land een
Karikatuur te worden. Als karikatuur werd
Ik in eigen land vervolgd. Tweedimensionaal
Zou ik het ook goed doen, maar ik kijk wel

Uit. Het publiek weet wat er op het spel
Staat. Al mijn werk gaat over liefde. Ook
De haatpassages. Als een kat verdedig
Ik me. Gij zijt decadent en ik eroverheen

Met goedemorgen. Dat vindt u lekker
U laat zich graag mishandelen door een
Vent die u niet kent. Nu bent u een karikatuur
Ik snap de charme ervan. Maar uw aandacht

Is liefde. Ik ben decadent. Nu mag u slaan
Pak aan. Het is ook aan u de beurt.

 

 

Vlisco

Binnen jouw muren worden van stof dromen
gemaakt en van dromen stof.
Oui, madame,

la haute couture van een continent, machines
maken kilometers om de afstand tussen

huid en hoofd te dichten, de klant content.
Deze romantiek brengt ook gevaren met zich
mee – winstgevendheid maakt van schoonheid
een martelares, ze is erg mooi maar wel zwaar

in de stress. Voorlopig trillen de machines
een ritme dat de dames van Bamako
bekoort. Als ik langs die lange muur loop

leg ik mijn oor te luister. Hoor het opgewonden
ruisen van intercontinentaal contact. Belofte wie
morgen mooi wil zijn, vandaag al beginnen kan.

 

 2095258-d2bc8de5736574bd61ede4bd1d5ce17d.jpeg
Abdelkader Benali (Ighazzazen, 25 november 1975)

 

 

De Spaanse schrijver Arturo Pérez-Reverte werd geboren op 25 november 1951 in Cartagena. Zie ook alle tags voor Arturo Pérez-Reverte op dit blog.

Uit:What We Become (Vertaald door Nick Caistor Lorenza Garcia)

“There was a time when he and all his rivals had a shadow existence. And he was the best of them. He always kept flawless rhythm on a dance floor, and off it his hands were steady and agile, his lips poised with the appropriate remark, the perfect, witty one-liner. This made men like him and women admire him. In those days, in addition to the ballroom dances (tangos, fox-trots, Bostons) that helped him earn a living, he had mastered the art of verbal pyrotechnics and sketching melancholy landscapes with his silences. During many a long and fruitful year he had rarely missed his mark: it was rare for a wealthy woman of any age to resist his charms at one of the tea dances at a Palace, Ritz, or Excelsior Hotel; on a terrace on the Riviera; or in the first-class ballroom of a transatlantic liner. He had been the type of man one might come across in the morning in a café, wearing a tuxedo and inviting to breakfast the domestic staff from the house where he had attended a dance or a dinner the previous night. He possessed that talent, or that shrewdness. Moreover, at least once in his life, he was capable of betting everything he had on the table at a casino and traveling home by tramcar, cleaned out, whistling “The Man Who Broke the Bank at Monte Carlo,” apparently unconcerned. Such was the elegance with which he could light a cigarette, knot a tie, or sport a pair of perfectly ironed shirt cuffs, that the police never dared arrest him, unless they actually caught him red-handed.
“Max.”
“Yes, sir?”
“You may put my suitcase in the trunk.”
The sun over the Bay of Naples makes his eyes smart as it bounces off the Mark X Jaguar’s chrome plating, the way it did off the automobiles of long ago, driven by him and others. But all that has changed, and his old shadow is nowhere to be seen either. Max Costa glances beneath his feet, tries shifting slightly, to no avail. He can’t remember exactly when it happened, but that hardly matters. His shadow has gone, left behind like so many other things.
He grimaces resignedly, or perhaps it is simply the sun in his eyes, as he tries to think of something real and immediate (the tire pressure for a half or fully loaded car, the ease of the synchronized gearbox, the oil gauge) to fend off that bittersweet pang that always comes when nostalgia or loneliness gets the better of him. Taking a deep, leisurely breath, he finishes polishing the silver statuette of a leaping cat above the front grille with a chamois cloth, then slips on the jacket of his gray uniform that was lying folded on the front seat. Once he has carefully buttoned it up and straightened his tie, he slowly mounts the steps, flanked by headless marble statues and stone urns, leading up to the front door."

 

 2095258-17b5af739b16f26c0744122beb76b4ae.jpg
Arturo Pérez-Reverte (Cartagena, 25 november 1951)

 

 

De Chinese schrijver Ba Jin werd op 25 november 1904 geboren in Chengdu. Zie ook alle tags voor Ba Jin op dit blog.

Uit: When the Snow Melted (Vertaald door Tang Sheng)

„His face was ruddy from the wind. After taking off his coat he went up to the fire, rubbing his hands vigorously and bending forward to get warm. His face, moody and somber in the firelight, was even darker than the sky before a storm.
My uneasiness mounted. I was eager to know the reason for the stormy look on his face, but at the same time dreaded the revelation. Compressing my lips, I decided to wait, although the suspense was almost unbearable.
He took a few steps round the room before he pounced on me and, seizing my arm in agitation, said, "You must help me, Zisheng!"
I stared at him in amazement. The sheer misery in those dilated eyes boring into my own sent a shiver down my spine.
"What's the matter? Tell me!" I cried in alarm. The wind kept tapping on the window. A faint rustling in the quiet garden sounded as if someone was walking about and coughing.
"Zisheng, I can't go on like this. Tell me what I must do! Jingfang and I . . ." He let go of my arm and stood there wringing his hands.
Jingfang's name conjured up a vision of the round-faced girl in the light blue tunic and red belt who had wept as she poured out her woes to me that day. My heart warmed to her.
"Sit down and let's talk it over," I patted him on the shoulder and pulled up a chair for him close to the fire. We sat down facing each other. "You shouldn't torment Jingfang like this," I began without waiting to hear more. "She still loves you. Why must you always quarrel with her? Surely you can let her have her way sometimes, can't you? Besides, she's not really difficult to get on with." I spoke earnestly, sure I could move him.
He blinked as I spoke, his mouth working. "You don't understand," he said finally, shaking his head with a look of despair.
"But which of you is more to blame? You don't mean to say it's all her fault?" I countered, annoyed to have my friendly advice cut short this way.“

 

 2095258-68025d53b322892ab4a8d453921354f1.jpg
Ba Jin (25 november 1904 – 17 oktober 2005) 
Als jongeman 

 

 

De Nederlandse schrijfster Augusta de Wit werd geboren in Sibolga (Sumatra) op 25 november 1864. Zie ook alle tags voor Augusta de Wit op dit blog.

Uit:Orpheus in de dessa

Hoe, zóó?’

‘Met de fluit; Si-Bengkok speelt. Hij zit daar aan den overkant. Stil nu!’
Het leek Bake dat het fluitegeluid opsteeg uit een donkerbladerigen struik met groote roode bloemen, aan den oever van het meertje. Daar kwamen de lange, langzaam zwevende cadenzen weer terug van den vorigen nacht, rustig als een kalme ademtocht. Maar gaandeweg veranderden zij van beweging, er kwam iets lichts en luchtigs in, ze dansten als de wemelende avondrood-glimpjes over het water.
Een schitterblauwe vogel kwam aangevlogen, streek neer op een bamboescheut die bevend boog, en begon tegen de fluit op te kwetteren, hoe langer hoe driftiger, zoodat zijn kleine keel trilde, en zijn vlerkjes slap hingen. Bij oogenblikken was zijn gekweel niet van het lokken der fluit te onderscheiden.
Bake luisterde, glimlachend zonder het te weten.
Hij had zijn irrigatieplannen vergeten, en vergeten ook dat hij daar zat om te loeren op een onnoozele hagedis.
Plotseling stiet de Indo hem aan, naar het riet wijzend.
Met een golvende beweging week het uitéen en stond gedeeld. Iets verder kronkelde de golving, nog iets verder, nu kwam een spits, donker ding uit het groen te voorschijn.
Het fluitspel verlangzaamde. De gedempte tonen bleven hangen boven de plek, gonzend als muggen die op en neer zweven in een rooden avondstraal, en wel weg schijnen te willen, en toch blijven, ongedurig en besluiteloos blijven beven op dezelfde plek, in den schuinen rooden lichtstraal.
Het spitse donkere ding waagde zich geheel uit het riet. Het was een kop met schuwe zwarte oogjes; en een grauwbruin lijf volgde, ribbelig geteekend en geplekt als een zandbank, die door kabbelend water gefatsoeneerd is; de lange, dun-uit-loopende staart lag nog in het water. Nu kwam het dier geheel en al aan land, op de lokkende fluittonen af. En lag daar, luisterend en roerloos.”

 

 2095258-c16e410c7664b038681cf5bad402a1a1.jpg
Augusta de Wit (25 november 1864 - 9 februari 1939)
De "Heerenweg" in Sibolga, ca. 1917

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e november ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 25 november 2008, mijn blog van 25 november 2007 en ook mijn blog van 25 november 2006.

Geschreven door Romenu om 10:11 Reageer op dit bericht

Joseph Zoderer, Alexis Wright, Isaac Rosenberg, José Eça de Queiroz, Lope de Vega

De Duitstalige (Italiaanse) dichter en schrijver Joseph Zoderer werd geboren op 25 november 1925 in Meran in Zuid-Tirol. Zie ook alle tags voor Joseph Zoderer op dit blog.

Uit: Die Farben der Grausamkeit

“Ihre Arme lagen auf seinen Schultern, immer wenn sie auseinandergingen, hatte sie die Arme um seinen Nacken gelegt. Jetzt war er frei, um die Nachtluft alleine zu atmen.
Der erste Einsatzort war Paris. Sein Sender konnte sich ortsgebundene Korrespondenten nicht leisten, er wurde als springendes Pferd eingesetzt, entsprechend seinen Sprachkenntnissen. Er wohnte in der rue Balzac, suchte, wann immer die Zeit es erlaubte, wie jeder literarisch interessierte Tourist die Spuren, die Hemingway, Sartre oder Henry Miller in ihren Büchern gelegt hatten. Fast täglich saß er auch einmal im Museumscafé des Centre Pompidou, um den Rundblick zu genießen, die Dächer und Fassaden dieser von ihm angelesenen Stadt. Auf ihrer nachträglichen Hochzeitsreise hatte er mit Selma zwei Tage in Paris verbracht, mit fast keinem Geld in der Tasche. In einer der historisierten Wirtsbuden der verwinkelten Gäßchen auf Montmartre tranken sie eine Flasche Bordeaux und aßen eine Kleinigkeit. Das Lokal war lauschig, entsprach ihren romantischen Erwartungen. Aber am nächsten Morgen, nachdem sie die Hotelrechnung bezahlt hatten, blieb ihnen (die Zugbillets hatten sie) kaum noch genug Kleingeld, um mit der Metro zur Gare du Nord zu gelangen.
Dennoch wollten sie einmal vor dem Café Les Deux Magots in einem der Strohsessel sitzen und einen Kaffee trinken. Beim Bezahlen mußten sie ihre letzten französischen Münzen mit englischen ergänzen, mit Shillings und Pennies, die der Kellner mit einer Geste der Verachtung in den Rinnstein schleuderte. Das war am Vormittag, und ihr Zug ging erst am Abend.
Jetzt, ein halbes Jahrzehnt später, saß Richard (mit Kreditkarten und jeder Menge Kleingeld) gerne am Vormittag im Café Select und oft aß er Muscheln im Restaurant La Coupole auf der anderen Straßenseite und blickte dort auf die weißen Tischdecken, auf die Art-déco-Stühle, vielleicht saß er tatsächlich an irgendeinem Zweiertisch, an dem Sartre einmal mit seiner Simone gegessen, getrunken und gestritten hatte, hier vor oder hinter den großflächigen Vitrinen, inmitten oder im Hintergrund des Verkehrslärms und mit dem Blick auf den Boulevard und sein Menschen-gewimmel und die hochhackigen, schmalen Schuhe der Frauen. Ja, und die diese Schuhe trugen, bewegten sich, schien ihm, als ob sie sich auf ihr weiblich verwirrendes Geheimnis besinnen wollten. Richard hatte seine Augen offen und genoß die schillernden Farben des Lebens. Er bestellte ein Glas Champagner, jetzt war er doch am richtigen Ort, nie hatte er sich so nahe am Fluten des Weltmeeres gefühlt."

 

 2095253-c14bdc6592837a2a74e751d7a414882f.jpg
Joseph Zoderer (Meran, 25 november 1935)

 

 

De Australische (Aboriginal) schrijfster Alexis Wright werd geboren op 25 November 1950 in de Gulf of Carpentaria. Zie ook alle tags voor Alexis Wright op dit blog.

Uit: Carpentaria

“The Pricklebush mob says that Normal Phantom could grab hold of the river in his mind and live with it as his father’s fathers did before him. His ancestors were the river people, who were living with the river from before time began. Normal was like ebbing water; he came and went on the flowing waters of the river right out to the sea. He stayed away on the water as long as he pleased. He knew fish, and was on friendly terms with gropers, the giant codfish of the Gulf sea that swam in schools of fifty or more, on the move right up the river following his boat in for company. The old people say the groper lives for hundreds of years and maybe Normal would too. When he talked about the stars, they said he knew as much about the sky as he did about water. The prickly bush mob said he had always chased the constellations: We watched him as a little boy running off into the night trying to catch stars. They were certain he knew the secret of getting there. They thought he must go right up to the stars in the company of groper fish when it stormed at sea, when the sea and the sky became one, because, otherwise, how could he have come back?
“How you do that?” was the question everyone asked.
“The water doesn’t worry me,” Normal Phantom answered simply, although he knew that when his mind went for a walk, his body followed.
Everyone in Desperance was used to the sight of Normal’s jeep driving north to meet the river’s edge. It was the only vehicle he had ever owned. Always, the small tinnie boat, full of dints, a stray bullet hole or two, strapped onto the roof. A vessel purchased with cross-country road transport in mind, much more than water safety.”

 

 2095253-97c495975da026c15b503307502fbd63.jpg
Alexis Wright (Gulf of Carpentaria, 25 November 1950)
Cover


 

De Engelse dichter Isaac Rosenberg werd geboren in Bristol op 25 november 1890. Zie ook alle tags voor Isaac Rosenberg op dit blog.

 

August 1914

What in our lives is burnt
In the fire of this?
The heart’s dear granary?
The much we shall miss?

Three lives hath one life –
Iron, honey, gold.
The gold, the honey gone –
Left is the hard and cold.

Iron are our lives
Molten right through our youth.
A burnt space through ripe fields
A fair mouth’s broken tooth.

 

 

Spring, 1916

Slow, rigid, is this masquerade
That passes as through a difficult air :
Heavily-heavily passes.
What has she fed on? Who her table laid
Through the three seasons ? What forbidden fare
Ruined her as a mortal lass is?

I played with her two years ago,
Who might be now her own sister in stone;
So altered from her May mien,
When round the pink a necklace of warm snow
Laughed to her throat where my mouth's touch had gone.
How is this, ruined Queen?

Who lured her vivid beauty so
'l'o be that strained chill thing that moves
So ghastly midst her young brood
Of pregnant shoots that she for men did grow?
Where are the strong men who made these their loves?
Spring ! God pity your mood!

 

 2095253-c1c272926d3e748d55db74caaec17f3d.jpg
Isaac Rosenberg (25 november 1890 – 1 april 1918)

 

 

De Portugese schrijver José Maria Eça de Queiroz werd geboren op 25 november 1845 in Póvoa de Varzim. Zie ook alle tags voor José Maria Eça de Queiroz op dit blog.

Uit: Stadt und Gebirg (Vertaald door Luise Ey)

“Mein Freund Jacintho kam in einem Palast zur Welt, mit 109 Contos Rente in Saatland, Weinland, Korkwaldungen und Olivenhainen.
Im Alentejo, über ganz Estremadura, quer durch die beiden Beira-Provinzen hindurch begrenzten dichte, sich über Berge und durch Täler windende Hecken, hohe Mauern aus gutem Gestein, Gewässer und Landstraßen die Ländereien dieser alten, ackerbautreibenden Familie, die schon zu Zeiten des Königs Diniz Korn aufspeicherte und Reben pflanzte. Ihr Landgut und der Herrensitz Tormes in Unter-Douro erstreckten sich über einen ganzen Gebirgszug. Zwischen dem Tua und dem Tinhela, fünf wohlgemessene Meilen weit, zahlte ihr die ganze Gegend Lehnszins, und ihr gehörende dichte Kieferwaldungen schatteten von Arga ab bis zur Bucht von Ancora. Der Palast jedoch, in dem Jacintho zur Welt gekommen war und den er immer bewohnt hatte, stand in Paris, auf den Champs-Elysees Nr. 202.
Sein Großvater, der sehr dicke und sehr reiche Jacintho, den man in Lissabon Dom Galiaon nannte, ging eines Nachmittags durch die Travessa da Trabuqueta, dicht an einer von einem Weingeländer überdachten Gartenmauer entlang, glitt auf einer Orangenschale aus und schlug auf das Pflaster hin. Aus der Gartenpforte trat in diesem Augenblick ein gebräunter, glattrasierter Mann in grobem, grünem Flausrock und hohen Reitstiefeln, der mit einem Scherz und leichter Mühe unserm ungeheuren Jacintho auf die Beine half und ihm sogar den Stock mit dem Goldknauf aufhob, der in den Schmutz gerollt war. Darauf heftete er die dichtbewimperten, schwarzen Augen auf ihn:
»Hallo, Jacintho Galiaon, was hast du dich denn um diese Stunde hier auf dem Pflaster herumzuwälzen?«
Und Jacintho erkannte betäubt und geblendet den Infanten Dom Miguel.
Von jenem Tage an widmete er dem guten Infanten einen Kultus, wie er ihn bei aller Gefräßigkeit nicht mit seinem Bauch und bei aller Frömmigkeit nicht mit seinem Gott getrieben hatte. Im Festsaal seines Hauses in Pampulha hing auf damastseidenen Teppichen das Porträt seines »Erretters«, wie ein Altarbild mit Palmzweigen geschmückt, zu Füßen der Stock, den die erlauchten Hände des königlichen Prinzen aus dem Schmutz aufgehoben hatten. Während der Infant in der Verbannung zu Wien schmachtete, stieß der dickleibige Dom Galiaon Sehnsuchtsseufzer nach seinem »Engelchen« aus und intrigierte für seine Rückkehr.“

 

 2095253-5cae998471a5eda83ee5bcf95709edd0.jpg
José Maria Eça de Queiroz(25 november 1845 - 16 augustus 1900)
Borstbeeld in Neuilly-sur-Seine

 


De Spaanse dichter en schrijver Lope de Vega werd geboren op 25 november 1562 in Madrid. Zie ook alle tags voor Lope de Vega op dit blog.

 

When to consider my life's state I pause

When to consider my life's state I pause
and see the steps taken & given, walked, run,
crawled--I'm amazed that such a blind, lost man
could come to recognize his errors' cause.

To think of all the years I've wasted on Song,
divine reason cast to forgetfulness,
it's clear Heaven's pity endressed
my not having plunged to some much deeper Wrong.

By such strange labyrinths I've come, until,
entrusting to life's feeble thread
the late-realized deception's roam--

--But by His splendor were my shadows lit,
by His Existence brought again to life,
and fallen reason thus risen again to home.

 


Without love Joy's royal palms lament

Without love Joy's royal palms lament
too well, and cast away their branches to the sea;
without love Daphne mourns her lonely tree
of laurel without fruit: and, over discontent,

Anaxart's ghost grieves at its ponderous stone
because she never paid tribute to love's delight,
Narcissus spins his soul out into petals white,
and the dry meadow bears but weeds alone.

Yet sand ans water's love-affairs engender gold.
And from their affection with th'dew, sea shells
pregnant become with pearls crystal-fold:

Do not reject me, Lucinda: th'hells
of evening rise anon. Anon the last lilies do lose
their luster, and our must its youth.

Vertaald door S. D. Rodrian

 

 2095253-472222aa00e601a7e3c2a5a3246c935a.jpg
Lope de Vega (25 november 1562 – 27 augustus 1635)
Monument in Madrid

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 25 november 2008, mijn blog van 25 november 2007 en ook mijn blog van 25 november 2006.

Geschreven door Romenu om 10:02 Reageer op dit bericht

Isabel Ecclestone Mackay

De Canadese dichteres en schrijfster Isabel Ecclestone Mackay werd geboren op 25 november 1875 in Woodstock, Ontario als dochter van Donald McLeod MacPherson, een vroege Schotse kolonist uit Oxford County, en Priscilla Ecclestone uit Engeland. Mackay werd opgeleid aan het Woodstock Collegiate Institute. Op 15-jarige leeftijd begon zij te schrijven voor Canadese kranten en tijdschriften. Van 1890 tot 1909 leverde ​​Mackay bijdragen aan de Woodstock Daily Express onder het pseudoniem "Heather". Mackay huwde Peter John Mackay, een stenograaf, in 1895. Samen kregen zij drie dochters. Het gezin verhuisde in 1909 naar Vancouver, nadat Peter een functie bij het Hooggerechtshof van British Columbia had verworven. Het paar zou tot hun dood in Vancouver blijven, waar Mackay een prominent lid van de literaire gemeenschap was. Onder haar goede vrienden bevonden zich de schrijfsters E. Pauline Johnson en Marjorie Pickthall, die Mackay allebei aan het eind van hun leven verzorgde. Zij speelde ook een rol in de uitgave van hun laatste boeken. Mackay publiceerde zes romans, vier gedichtenbundels en vijf toneelstukken, naast haar bijdragen van meer dan driehonderd gedichten en korte verhalen aan verschillende publicaties. Mackay was de oprichter van de British Columbia chapter of the Canadian Women's Press Club, waarvan zij vice-president was in 1914 en vervolgens president in1916. In 1926 won zij met haar toneelstuk 'Treasure' de open Canadian Imperial Order of the Daughters of the Empire contest

 

In An Autumn Garden

Tonight the air discloses
Souls of a million roses,
And ghosts of hyacinths that died too soon;
From Pan's safe-hidden altar
Dim wraiths of incense falter
In waving spiral, making sweet the moon!

Aroused from fragrant covers,
The vows of vanished lovers
Take voice in whisperings that rise and pass;
Where the crisped leaves are lying
A tremulous, low sighing
Breathes like a startled spirit o'er the grass.

Ah, Love! in some far garden,
In Arcady or Arden,
We two were lovers! Hush--remember not
The years in which I've missed you--
'Twas yesterday I kissed you
Beneath this haunted moon! Have you forgot?

 

Time's Garden

Years are the seedlings which we careless sow
In Time's bare garden. Dead they seem to be--
Dead years! We sigh and cover them with mould,
But though the vagrant wind blow hot, blow cold,
No hint of life beneath the dust we see;
Then comes the magic hour when we are old,
And lo! they stir and blossom wondrously.

Strange spectral blooms in spectral plots aglow!
Here a great rose and here a ragged tare;
And here pale, scentless blossoms without name,
Robbed to enrich this poppy formed of flame;
Here springs some hearts'ease, scattered unaware;
Here, hawthorn-bloom to show the way Love came;
Here, asphodel, to image Love's despair!

When I am old and master of the spell
To raise these garden ghosts of memory,
My feet will turn aside from common ways,
Where common flowers mark the common days,
To one green plot; and there I know will be
Fairest of all (O perfect beyond praise!)
The year you gave, beloved, your rosemary.

 

 

Wanderlust

The highways and the byways, the kind sky folding all,
And never a care to drag me back and never a voice to call;
Only the call of the long, white road to the far horizon's wall.

The glad seas and the mad seas, the seas on a night in June,
And never a hand to beckon back from the path of the new-lit moon;
Never a night that lasts too long or a dawn that breaks too soon!

The shrill breeze and the hill breeze, the sea breeze, fierce and bold,
And never a breeze that gives the lie to a tale that a breeze has told;
Always the tale of the strange and new in the countries strange and old.

The lone trail and the known trail, the trail you must take on trust,
And never a trail without a grave where a wanderer's bones are thrust--
Never a look or a turning back till the dust shall claim the dust!

 

 

 2178669-d0991e787f8be31ef1575847f36ae098.jpg
Isabel Ecclestone Mackay (25 november 1875 - 15 augustus 1928)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Jules Deelder, Wanda Reisel, Marlon James, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Thomas Kohnstamm, Wen Yiduo, Laurence Sterne, Cissy van Marxveldt

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Zie ook alle tags voor Jules Deelder op dit blog.

 

Eden

Het leven in de Hof van Eden
was te mooi om waar te wezen

De zon kwam op de zon ging onder
De tijd was nog niet uitgevonden

Er was hemel er was aarde
Er was lucht en er was water

In het bos de wilde beesten
Er was Adam er was Eva

Ze leefden met elkaar in vrede
Zonder doel en zonder reden

Ze kenden oorzaak noch gevolg
Er was toekomst noch verleden

Ze waren en dat was genoeg
Te zijn zonder het te weten

 

 

Jazzverleden

De jazz stamt van de negers
De negers in Amerika

De negers in Amerika
stammen van huisuit uit Afrika

Ze werden door ons Hollanders
met schepen naar de States gebracht

En bepaalde niet eerste klas
maar als beesten vastgeketend in

stinkende ruimen opeengepakt
om aan de overkant - zo

ze nog leefden - als slaven
te worden verpatst

Een zwarte smet op ons verleden
maar hadden we ze niet gebracht

hadden we nou geen jazz gehad
en dat zou nog erger geweest wezen

 

 

Vogelperspectief

Ik droomde dat het oorlog was
Ik doolde door verkoolde straten
in een regen van granaten

Rook verduisterde de dag
In de Maas kookte het water
Ik beklom de Euromast

Rondom stond de stad in brand
Godallemachtig! Vanuit de lucht
gezien was zo’n oorlog prachtig! 

 

 2095073-66c28ed0e3c1a7c9770877cff51eaeb0.jpg
Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

 

 

De Nederlandse schrijfster Wanda Reisel werd geboren in Willemstad (Curaçao) op 24 november 1955. Zie ook alle tags voor Wanda Reisel op dit blog.

Uit:Een eigentijdse hel

“De ondergang van de familie Boslowits heeft een familie die Boslowits heet tot onderwerp en gaat over het lijden van de mens en de onkenbaarheid van zijn lot. Het stelt de ultieme vraag: als er een eigentijdse hel op aarde is, waarom zou een mens dan nog blijven leven? Waar is de rechtvaardiging voor dit alles? Waar het antwoord erop? Waar is God, waar is de uitgang, waar is een verlossing van deze kwelling? In de dood, in niets anders dan de dood.
Gerard Reves persoonlijke thematiek is al in dit vroege verhaal uit 1946 compleet en puntgaaf aanwezig. Hij en dit verhaal pasten misschien wel bij toeval in de tijdgeest van net na de oorlog. Bepalender voor zijn blik is mijns inziens zijn vroeg in zijn jeugd geopenbaarde of misschien zelfs aangeboren depressiviteit geweest. Maar dit terzijde.
De naam Boslowits komt als joodse naam in Nederland en de wereld weinig voor. Op internet is nauwelijks iets te vinden, vier namen in het New Yorkse telefoonboek. In De taal der liefde is sprake van de naam Osnowitz. Ook al een naam die weinig voorkomt. Moskowicz kennen we wel. Of bij de overweging van de historicus Presser - leraar en vriend van Gerard en Karel - om zijn kroniek van de Jodenvervolging Ondergang te noemen bij de titel van de novelle een rol heeft gespeeld, is mij niet bekend. Mijn vermoeden is overigens, dat de naam Boslowits een woordspeling van ‘Bolsjewist’ is.
Dat het hier om een seculiere, joodse, communistische familie gaat mag je aannemen. Met de mensen uit dat milieu waren de ouders Van het Reve veelal bevriend. Niet zelden waren, zeker in Amsterdam en in die tijd, joden ook communist, als deel van hun emancipatie- en gelijkheidsstreven. Gerard (of Simon) van het Reve heeft door dat nabije contact hun ondergang in de Tweede Wereldoorlog dan ook met andere ogen en van dichterbij gadegeslagen dan veel andere niet-joden. Dat maakt zijn blik bijzonder en authentiek.
Niets is wat het lijkt in dit verhaal waarvan de anekdote bekend is: de 23-jarige schrijver Simon volgt een afsplitsing van zichzelf - Simontje geheten - die tussen zijn zevende en negentiende jaar een familie Boslowits gekend heeft en oor- en ooggetuige van de sluipende ondergang van deze familie in de oorlog is geweest.”

 

 2095073-ccbbcee9f02297092d58a6bc8dc7821b.jpg
Wanda Reisel (Willemstad, 24 november 1955)

 

 

De Jamaicaanse schrijver Marlon James werd geboren op 24 november 1970 in Kingston, Jamaica. Zie ook alle tags voor Marlon James op dit blog.

Uit: The Book of Night Women

“People think blood red, but blood don’t got no colour. Not when blood wash the floor she lying on as she scream for that son of a bitch to come, the lone baby of 1785. Not when the baby wash in crimson and squealing like it just depart heaven to come to hell, another place of red. Not when the midwife know that the mother shed too much blood, and she who don’t reach fourteen birthday yet speak curse ’pon the chile and the papa, and then she drop down dead like old horse. Not when blood spurt from the skin, or spring from the axe, the cat- o’-nine, the whip, the cane and the blackjack and every day in slave life is a day that colour red. It soon come to pass when red no different from white or blue or black or nothing. Two black legs spread wide and a mother mouth screaming. A weak womb done kill one life to birth another. A black baby wiggling in blood on the floor with skin darker than midnight but the greenest eyes anybody ever done see. I goin’ call her Lilith. You can call her what they call her.
Two thing you should know if you want to know her. As soon as Lilith born the womens regard her with fear and trembling because of them green eyes that light up the room, but not like sunlight. Nobody did want the young’un and the overseer Jack Wilkins had to make special arrangement for a niggerwoman to take care of the child, for the mens and womens did content to just leave her in the bush and make the land take her back. Another thing. Girl like Lilith don’t born with green eye because God feel to be extra kind to nigger girl. This much was for sure, Lilith be the only girl to grow up in a hut calling a woman mother and a man father but she didn’t look like neither.
That woman. That girl. People recall when she was still a little pickney on the Montpelier Estate, them few years when a nigger not black, playing rounders with boys. She swing the club, clap the ball clear ’cross the field and make one run to all four base and beat the boys but couldn’t understand when the wet nurse slap her and say that a good girl was supposed to make manchild win. Lilith cuss and ask if manchild can’t win if girl don’t lose and she get another slap. Some take as sign when at seven Lilith tell them same boys that is ’cause they have worm between them legs why they can’t run fast like she and the girl get a swift kick from a passing niggerwoman who tell her that there be a grave already dug for the uppity.”

 

 2095073-c823f4b4e6040c0ff68c0a8a27a31dbb.jpg
Marlon James (Kingston, 24 november 1970)

 

 

De IJslandse schrijver Einar Kárason werd op 24 november 1955 geboren in Reykjavík. Zie ook alle tags voor Einar Kárason op dit blog.

Uit: Die Sturlungen (Vertaald door Kristof Magnusson)

“Als mein Sohn Sturla geboren wurde, wussten wir sofort, dass kein gewöhnlicher Mensch auf die Welt gekommen war. Denn genau in der Nacht, als meine Frau Halldóra niederkam, war meiner Mutter, die sich in einem ganz anderen Teil des Landes aufhielt, im Traum ein Bote der höheren Mächte erschienen. Und dieser Bote hatte ihr gesagt, sie habe gerade einen Enkel bekommen, der den Namen Kampfstark tragen würde. Meine Mutter war zu dieser Zeit bei meinem Bruder Snorri im Borgarfjord. Snorri schickte sofort einen Mann los, der uns von ihrem Traum berichtete, und als ich diese Nachricht hörte, besah ich mir noch einmal meinen neugeborenen Sohn. Normalerweise hielt ich mich von kleinen Kindern lieber fern – doch bei ihm war das anders. Ich spürte sofort, dass diesem Jungen eine glanzvolle Zukunft bevorstand. Ich sah es ihm einfach an, sein Gesicht strahlte eine Gelassenheit und innere Ruhe aus, wie ich sie bei einem Neugeborenen noch nie gesehen hatte. Je klarer der Blick seiner himmelblauen Augen in den nächsten Wochen und Monaten wurde, desto mehr verstärkte sich dieser Eindruck, und als er anfing zu sprechen, überraschte mich sofort, wie wortgewandt mein Junge war und wie schnell er lernte.
Meine Frau Halldóra freute sich, dass mir so viel an meinem Sohn lag – schließlich hatte sie sich oft genug darüber beschwert, dass ich mich zu wenig um Tumi kümmerte, unseren Erstgeborenen, der vor einem Jahr zur Welt gekommen war.
In den nächsten Jahren sollten den beiden noch einige Söhne und Töchter folgen. Eine Kinderschar, die vor meinen Augen manchmal zu einer einzigen lärmenden Horde verschwamm – auch wenn ich natürlich genau wusste, wer von ihnen wer war: Da waren Kolbeinn und Kakali, doch vor allem war da meine Tochter Steinvör, aus der bestimmt einmal eine starke, durchsetzungsfähige Frau werden würde – für Steinvör konnte ich mich fast ebenso sehr begeistern wie für Sturla. Meine Frau Halldóra fand das ehrlich gesagt nicht immer gut.“

 

 2095073-59257f3a92dcefe729196e8cb062f830.jpg
Einar Kárason (Reykjavík, 24 november 1955)

 

 

De Ivoriaanse schrijver Ahmadou Kourouma werd geboren op 24 november 1927 in Togobala. Zie ook alle tags voor Ahmadou Kourouma op dit blog.

Uit: Monnè: Schmach und Ärger (Vertaald door Vera Gärttling)

„Alle beteten. Den ganzen Tag, die ganze Nacht. Einige Augenblicke vor dem ersten Hahnenschrei hörten Djigui und mehrere weise Marabuts ganz deutlich: »Der Fortbestand ist gesichert... gesichert für die Dynastie der Keita. Sie wird über Soba regieren, solange noch eine einzige Hütte der Stadt aufrecht steht... gesichert... aufrecht... aufrecht. Gesichert... eine Hütte aufrecht steht.«
Triumphierend trat Djigui heraus, um dem Volk zu verkünden, dass das Gebet erhört worden war. Majestätisch schwang er sich auf sein Pferd – die Schergen folgten ihm. Er durchquerte die Stadt, warf sich hin und versank in einen Schlaf, der zwei Tage und zwei Nächte dauerte. Das war nicht zu viel für einen Mann, der einem unüberwindlichen Schicksal versprochen worden war und der gerade zum ersten Mal sein Geschick berichtigt hatte.
»Djigui! Djigui Keita, König von Soba, das Land, das Ihr erbt, ist ein vollendetes Werk. Es bleibt kein einziges monnè«, hatten die Griots am Tag seiner Krönung gesungen.
Djigui hatte ihnen geglaubt. In den ersten Tagen seiner Herrschaft hatte er eigentlich nichts getan, außer eine große Zahl Jungfrauen zu ehelichen – er war der Schönste und der Stärkste. Sich von den Speichelleckern und Griots feiern zu lassen – er war der Größte. Seine Sklaven zu Schergen und gedungenen Mördern zu machen – er war der Klügste im ganzen Manding. Wie jeder junge Malinke-Fürst war er auf die Jagd gegangen. Im Busch sah man oft, dass er noch vor den Hunden beim erlegten Wild eintraf. Dies waren die einzigen Verrichtungen, mit denen er sich beschäftigt hatte. Er, unser König, hatte regiert, ohne die Opfergaben und Almosen zu segnen, die in seinem Namen an die Armen verteilt wurden. Ohne ein einziges Urteil der verlogenen Richter aufzuheben. Er hatte gelebt, ohne die Weisen und Opferpriester zu konsultieren. Ohne fünfmal am Tag zu beten. Ohne die Geister der Ahnen zu ehren.
Zum Glück für das Schicksal des Manding und für das unsere – Allah sei dafür gelobt – war Djigui aus gutem Lehm geformt, aus gesegnetem Lehm. Schnell war er dieses frivolen Lebens überdrüssig geworden, das des Königs eines Landes nicht würdig war, welches von Allah so sehr geliebt wurde wie das unsrige.“

 

 2095073-1d8bc9ce8974fba6ab8638e81e8677bb.jpg
Ahmadou Kourouma (24 november 1927 – 11 december 2003)

 

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Kohnstamm werd geboren in Seattle, Washington op 24 november 1975. Zie ook alle tags voor Thomas Kohnstamm op dit blog.

Uit: Do Travel Writers Go to Hell?

“I never planned to end up here. After college, I traveled, stum-bled my way through graduate school, and tried to discover what my life was about. While I was busy figuring out nothing, or at least nothing that advanced my career or future, my friends moved to the Bay Area, got entry-level jobs with no real work responsibilities for $75K per year, acquired hundreds of thousands' worth of stock options, and attended ridiculous site launch parties on the tab of venture capitalists. If you weren't involved with a pre-Initial Public Offering startup or the fi-nancing behind a pre-IPO startup, you were wasting the great-est economic opportunity since buying stock on margin or selling junk bonds. It was the dawn of a new era. Technology was guaranteed to unchain us from traditional work roles, from the stuffy ex-pectations heaped upon us by past generations. We would be able to create the careers and lifestyles of our choosing. Busi-ness was organized around foosball tables and paintball out-ings. Deep house music went practically mainstream in SF, LA, and NYC. Ecstasy and hydroponics powered the irrational exuberance and infectious hedonism. Imagination was the only limiting factor. The good times were poised to endure so long as the optimism and energy of our generation endured—faith in the potential and inherent goodness of technology would fill in the gaps. We were to change the course of history. It was the '60s love generation redux, but with vague political goals, lu-crative day jobs, and expensive sneakers. I bided my time on the periphery of this wanton excess, while I did an esoteric advanced degree in Latin American Studies, followed by the world's shortest PhD in the depart-ment of Social Policy, whatever that is. I lasted through orien-tation and two classes in the PhD program before deciding to flee. At that point, being an escape artist was not only low risk, it was encouraged. The other side held the offer of consulting gigs, website positions, and stock options as far as the eye could see. For some reason, the good times did not last forever. By the time that I entered the job market, Bush had hi-jacked the White House, the economy had nosedived, planes had hit the Twin Towers, and hiring was frozen.”

 

2095073-1e09630e2e903008a2f2d61c5ceeb59a.jpg
Thomas Kohnstamm (Seattle, 24 november 1975)

 

 

De Chinese dichter en schrijver Wen Yiduo werd geboren op 24 november 1899 in Xishui, Hubei. Zie ook alle tags voor Wen Yiduo op dit blog.

 

Retrospection

Nine-year life at Qinghua --
When I look back --
Within miles of desert under an autumnal night,
Appears like a firefly;
The more you look at it, the brighter it gets.
All around is darkness, confusing, unfathomable, bleak.
This was spring's end when red fades but green prospers:
Now by the lotus pond --
Under the heavy silence pressing on the water
The surface could not even make wrinkles --
Complete dead quietude!
Suddenly the spirit of silence retreated,
The mirror shattered,
All began to breathe.
Look! The sun's smiling flames -- a spear of golden light,
Filtering though the leaves,
Fell on my forehead.
Now Xihe* has put a crown on me,
I am the king of the entire universe!


* De wagenmenner van de zon.

 

Vertaald door Gloria Rogers

 

 2095073-f5312c9880802c267abb7ed3d1c4422e.jpg
Wen Yiduo (24 november 1899 – 15 juli 1946)
Monument in Xishui

 

 

De Engels-Ierse schrijver Laurence Sterne werd geboren op 24 november 1713 in Clonmel, Tipperary, Ierland. Zie ook alle tags voor Laurence Sterne op dit blog.

Uit: The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman

“As no woman thereabouts was better qualified to execute the plan she had formed than herself, the Gentle∣woman very charitably undertook it; and having great influence over the female part of the parish, she found no difficulty in effecting it to the utmost of her wishes. In truth, the parson join'd his interest with his wife's in the whole affair; and in order to do things as they should be, and give the poor soul as good a title by law to practise, as his wife had given by institution,—he chearfully paid the fees for the ordinaries licence himself, amounting, in the whole, to the sum of eighteen shillings and fourpence; so that, betwixt them both, the good woman was fully invested in the real and corpo∣ral possession of her office, together with all its rights, members, and appurtenances whatsoever.
These last words, you must know, were not according to the old form in which such licences, faculties, and powers usually ran, which in like cases had here∣tofore been granted to the sisterhood. But it was according to a neat Formula of Didius his own devising, who having a particular turn for taking to pieces, and new framing over again, all kind of instruments in that way, not only hit upon this dainty amendment, but coax'd many of the old licensed matrons in the neighbourhood, to open their faculties afresh, in order to have this whim-wham of his inserted.
I own I never could envy Didius in these kinds of fancies of his:—But every man to his own taste.—Did not Dr. Ku∣nastrokius, that great man, at his leisure hours, take the greatest delight imagina∣ble in combing of asses tails, and plucking the dead hairs out with his teeth, though he had tweezers always in his pocket? Nay, if you come to that, Sir, have not the wisest of men in all ages, not except∣ing Solomon himself,—have they not had their HOBBY-HORSES;—their running horses,—their coins and their cockle-shells, their drums and their trumpets, their fiddles, their pallets,—their mag∣gots and their butterflies?—and so long as a man rides his HOBBY-HORSE peace∣ably and quietly along the King's high∣way, and neither compels you or me to get up behind him,—pray, Sir, what have either you or I to do with it?”

 

 2095073-65f74730248bce513d3c0bf83e42b6cf.jpg
Laurence Sterne (24 november 1713 – 18 maart 1768)
A Scene from Tristram Shandy - Uncle Toby and the Widow Wadman door Charles Robert Leslie, 1829–30

 

 

De Nederlandse schrijfster Cissy van Marxveldt werd geboren in Oranjewoud op 24 november 1889. Zie ook alle tags voor Cissy van Marxveldt op dit blog.

Uit: Ook zij maakte het mee

“Toen Adriaan afwaste in dat popperige keukentje, dat zijn home rijk was, en toen Huug en Lous beiden aan een kant van het potkacheltje zaten, dat nu, begin juni, niet meer brandde, zei Lous opeens: "Ik moet je altijd nog wat vertellen, Huug. Van je nichtje Elly van Lohuizen."
"O, ja? Wat dan?"
"Toen jij gevangen genomen was, twee weken was je gevangen misschien, toen kreeg ik een brief van je nichtje."
"En, wat schreef zij?" Nee, zijn gezicht bleef onbewogen.
"Ze schreef mij, dat ze me dringend spreken moest, en of ik gauw kon komen."
"En?"
"Ja, toen ben ik er de volgende dag heen gegaan. Haar vader had ook al gehoord, dat jij gevangen genomen was. En hij verbood haar om jou, in deze omstandigheden te schrijven."
"Zo," zei Huug.
"En ze had net een lange brief voor jou klaar. Maar ik heb haar ook gezegd, dat ze die brief niet mocht verzenden, omdat ik in de Euterpestraat had gehoord, dat al jouw brieven geopend werden."
"Zo," zei Huug.
"Ja, en daarom heb jij vermoedelijk niets meer van haar gehoord."
"Ik heb wèl wat van haar gehoord," zei Huug. "Ze heeft mij tòch in de Euterpestraat geschreven."
Punt. Uit. Lous draaide haar armband om en om. Nu wist ze niets meer te zeggen. Als Huug nou maar praatte, als hij in vredesnaam maar sprak van zijn gevoelens voor Elly, voor Hon. Maar Huug zat nadenkend over zijn pijp heen te staren, en Lous van Maanen bestond natuurlijk helemaal niet meer.
"Was zij nog onhebbelijk tegen jou?" vroeg hij opeens...”

 

 2095073-c0a24b74149fe35e232e72ee99d165c7.gif
Cissy van Marxveldt (24 november 1889 – 31 oktober 1948)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e november ook mijn blog van 24 november 2014 en ook mijn blog van 24 november 2013 deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 24 november 2008, mijn blog van 24 november 2007 en ook mijn blog van 24 november 2006.

Geschreven door Romenu om 16:35 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten