Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 26 januari 2018 tot 27 januari 2018

Rudolf Geel, Paolo Cognetti, Ethan Mordden, Lewis Carroll, Arie van der Krogt, Harvey Shapiro

De Nederlandse dichter en schrijver Rudolf Geel werd geboren in Amsterdam op 27 januari 1941. Zie ook alle tags voor Rudolf Geel op dit blog.

Uit: De voeten van Petrus

“3
Daar zal je het gedonder hebben. Vannacht heeft zij gedroomd van ‘allerlei Romeinse keizers’. En er slecht van geslapen natuurlijk. Ik kan nu onmogelijk bekennen (bij zoveel cultuur) dat ik droomde van een soort spionnage-affaire in een science-fictionachtige wereld, waarin een kopjeduikelende Chinese voorkwam met onder andere een bamboe-broekje aan.

4
Naast mij ligt een steentje. Ik haast mij eraan toe te voegen dat het afkomstig is van een tegen een muur gezet stuk mozaïekvloer in de thermen van Caracalla. Ik raakte het aan en zie: het liet los, in tegenstelling tot heel wat andere steentjes die ik met enige kracht probeerde te verwijderen.
Wat ga ik met dit brokje handwerk beginnen? Uiteindelijk zal ik het toch ergens verliezen omdat ik er niets aan heb. Om de waarheid te zeggen, is het een onooglijk stukje grijze steen, 1 × 1 × 2. Er zit nog wat cement aan vast. Ik zal het aan mijn vriend, de classicus H. ter hand stellen en hem vragen enkele conclusies te trekken. Als het maar conclusies zijn, iets definitiefs, want ik heb het niet voor niets meegesjouwd. Ik had veel liever een mooi rood stukje meegenomen, of bruin, ik moet zeggen dat de vloeren van de thermen prachtig zijn, hoezeer het gebouw mij ook verder tegenvalt. Met die thermen is het zo, en ieder die er geweest is zal het beamen: ze zijn niet meer wat ze geweest zijn. In de reisgids worden ze ook omschreven als ‘de prachtige ruïnes van’ en dat is overdreven. Het zijn ruïnes, dat is niet te loochenen. Achter deze ruïnes wonen mensen en als ìk er woonde zou ik de gemeente opbellen om te vragen wanneer ze die troep voor mijn deur eens zouden komen weghalen. Dit spijt mij. Ik zou het natuurlijk niet werkelijk vragen. Ik had echter graag echte thermen gezien, zoals in Pompeji en Herculaneum. En dan veel groter, zoals ze in werkelijkheid ook waren.
En dan had ik er kunnen rondlopen, vrijwel alleen. En ik had er die bolle koppen teruggezien en vrouwen, in rimpelend water gezeter op de mozaïek van een sater, maar nu heb ik alleen dit steentje en hoezeer ik het ook wrijf: er gebeurt niets. Het is gewoon een rotsteentje, gevonden in een door operarekwisieten verstoorde wildernis.”

 

 2114913-c853e8a8251087f9dc9db12ed87e441e.jpg
Rudolf Geel (Amsterdam, 27 januari 1941)

 

 

De Italiaanse schrijver Paolo Cognetti werd geboren in Milaan op 27 januari 1978. Zie ook alle tags voor Paolo Cognetti op dit blog.

Uit: De acht bergen (Vertaald door Yond Boekeen Patty Krone)

“Mijn vader had in de bergen zo zijn eigen manier van wandelen. Daar was weinig meditatiefs aan, het was een en al eigenzinnigheid en bravoure. Hij klom zonder zijn krachten te doseren, ging altijd met iemand of iets de strijd aan en als hij het pad te lang vond, klom hij gewoon recht omhoog. Als je met hem mee was, was het verboden te pauzeren en verboden te klagen over honger, vermoeidheid of kou, maar een lied zingen mocht wel, vooral als het onweerde of als er dichte mist hing. En ook joelen als je je over de sneeuwvelden omlaag stortte.
Mijn moeder, die hem had leren kennen toen hij nog een jongen was, zei dat hij ook toen al op niemand wachtte en er altijd op gebrand was iedereen in te halen die hij boven zich zag: je moest dus stevige benen hebben om jezelf in zijn ogen aantrekkelijk te maken, en lachend liet ze doorschemeren dat zij hem op die manier had veroverd. Later ging ze, in plaats van bergtochten te maken, liever in het gras zitten, of stak ze haar voeten in een beekje, of bedacht ze hoe bepaalde grassen en bloemen heetten. Ook als ze boven op een berg stond, vond ze het vooral leuk om naar de toppen in de verte te kijken, te denken aan die uit haar jeugd en zich voor de geest te halen wanneer ze daar was geweest en met wie, terwijl mijn vader, eenmaal op een top aangekomen, werd overvallen door iets van teleurstelling en alleen nog maar naar huis wilde.
Ik denk dat het tegengestelde reacties waren op eenzelfde gevoel van nostalgie. Mijn ouders hadden rond hun dertigste het platteland van de Veneto verlaten, de streek waar mijn moeder was geboren en waar mijn vader als oorlogswees was opgegroeid, en waren naar de stad getrokken.
Hun eerste bergen, hun eerste liefde, waren de Dolomieten geweest. Ze noemden die soms in hun gesprekken, toen ik nog te klein was om de conversatie te volgen – maar sommige woorden sprongen eruit, klonken scheller, betekenisvoller. De Catinaccio, de Sassolungo, de Tofana, de Marmolada. Mijn vader hoefde maar een van die namen te noemen of mijn moeders ogen begonnen te glanzen.”

 2114913-b7b14ec77e2b2d79087713f040bdb2a1.jpg
Paolo Cognetti (Milaan, 27 januari 1978)

 

 

De Amerikaanse schrijver Ethan Mordden werd geboren op 27 januari 1947 in Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Ethan Mordden op dit blog.

Uit: Buddies

“My two younger brothers have driven up from Los Angeles to visit my folks in Sacramento; I call in from the metropolis, New York. Brother Andrew is on the phone, and in the background the dogs and Mother are barking. "No, you can't make pizza!" she cries. "Get out of the refrigerator! Where did you find that revolting shirt? Your socks don't match! Wash your hair! Who left these dishes in the sink? Don't you dare touch that cheese — I said you cannot make pizza! The kitchen is closed! And stop that belching; I'm not one of your contemporaries, you know!"
"Guess who hasn't mellowed?" says Andrew.
Actually, she has. My dad, as a character in my childhood, was as peaceful as a Rodin, ensconced in his chair, dreaming deep in a book (whereupon we kids would hit him for advances on our allowance — by my fourteenth birthday I was overdrawn through 1997). But Mother was a series of interrogations, moralistic harangues, and grouchings. She would even attempt making corporal correction upon us (we would simply head for the dining room and run around the table until she wore out or caught my littlest brother Tony). Two less alike parents there never were. Yet they agreed on the basics: love them, give them culture, and treat them for life as if they were permanently stuck at the age of eight.
Parents are tyrants, even the nice ones. I recommend taking the offensive as surely and early as possible, never letting up — and my system works, for I had a reasonably cute childhood, an amusing adolescence, and a profitable teenage career. My oldest brother Ned, a vaguely Fitzgeraldian figure, made a stab at defining a code for us kids, but it wasn't a conquering code. It reflected too much, stuttered, yearned. A code should confront. Ned was more afraid of taking power than of suffering engulfment. Through trial and error, I trimmed his romantically elaborated novel of wistful resistance into a terse handbook whose name was Defiance: Rule One: Don't try to love Them; just get along with Them. Love in families only makes for ghastly scenes that will haunt you for life.
Rule Two: Obeying Their rules only encourages Them to create new ones. Disobey as often as possible: for gain, for sport, for the art of it.
Corollary: Pursue the rebellion by being perversely nonconformist in all things — try, in fact, to act as if you're committing an enormity even when what you are doing is technically permissible. For instance, on the day report cards come out, you — having achieved straight A's — arrive home with your face alternating looks of shame and dread. They will pounce on your card, gloating and drooling as they dream up new and terrible punishments. Then They'll see the honorable grades, perhaps Teacher's enthusiastic commentary ("... though he does insist on organizing chic brunches during blanket hour"), and They'll begin to blush, stutter, babble. Don't grin at Them, revealing the art of the stunt: look innocent and ever so slightly wounded. They'll avoid you in fear for days.“

 
 2114913-0eb62c179db44a7089b86d8d407cc462.jpg
Ethan Mordden (Pennsylvania, 27 januari 1947)
Cover

 

 

De Engelse dichter en schrijver Lewis Carroll werd op 27 januari 1832 in Daresbury geboren. Zie ook alle tags voor Lewis Caroll op dit blog.

Uit: Alice in Wonderland

'Would it be of any use, now,' thought Alice, 'to speak to this mouse? Everything is so out-of-the-way down here, that I should think very likely it can talk: at any rate, there's no harm in trying.' So she began: 'O Mouse, do you know the way out of this pool? I am very tired of swimming about here, O Mouse!' (Alice thought this must be the right way of speaking to a mouse: she had never done such a thing before, but she remembered having seen in her brother's Latin Grammar, 'A mouse — of a mouse — to a mouse — a mouse — O mouse!' The Mouse looked at her rather inquisitively, and seemed to her to wink with one of its little eyes, but it said nothing.
'Perhaps it doesn't understand English,' thought Alice; 'I daresay it's a French mouse, come over with William the Conqueror.' (For, with all her knowledge of history, Alice had no very clear notion how long ago anything had happened.) So she began again: 'Ou est ma chatte?' which was the first sentence in her French lesson-book. The Mouse gave a sudden leap out of the water, and seemed to quiver all over with fright. 'Oh, I beg your pardon!' cried Alice hastily, afraid that she had hurt the poor animal's feelings. 'I quite forgot you didn't like cats.'
'Not like cats!' cried the Mouse, in a shrill, passionate voice. 'Would you like cats if you were me?'
'Well, perhaps not,' said Alice in a soothing tone: 'don't be angry about it. And yet I wish I could show you our cat Dinah: I think you'd take a fancy to cats if you could only see her. She is such a dear quiet thing,' Alice went on, half to herself, as she swam lazily about in the pool, 'and she sits purring so nicely by the fire, licking her paws and washing her face — and she is such a nice soft thing to nurse — and she's such a capital one for catching mice — oh, I beg your pardon!' cried Alice again, for this time the Mouse was bristling all over, and she felt certain it must be really offended. 'We won't talk about her any more if you'd rather not.'

 

 2114913-8ec853482f4b17b2dfb78241d6fa7f05.jpeg
Lewis Carroll (27 januari 1832 – 14 januari 1898)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver, vertaler, zanger en liedjesschrijver Arie van der Krogt werd geboren in Zoeterwoude op 27 januari 1952. Zie ook alle tags voor Arie van der Krogt op dit blog.

 

Blauw op straat, blauw op straat

Iedereen wil blauw op straat
Zelfs in de Gouden Regenstraat
Daar wil men blauw op straat
Er is hier veel onveiligheid
In onze mooie stad
Je hebt je fiets nog niet op slot
Of hij is alweer gejat
Ook Peper was de dupe
Van een overval
Want, ze jatten hier gewoon
De stenen uit je gal

Blauw op straat, blauw op straat
Iedereen wil blauw op straat
Ook in de Zwarte Paardestraat
Daar wil men blauw op straat
Soms ga ik wel eens stappen
Op de Wilhelmina Pier
En dan naar huis over de Zwaan
Stomdronken van het bier
Ze zeggen: Hij heeft een pyloon
Maar ik zie er altijd twee
En als het heeft gewaaid
Dan hangt ie vol met macrame

Blauw op straat, blauw op straat
Iedereen is blauw op straat
In de Oranjeboomstraat
Daar is men blauw op straat
Ja, dronken op m'n fiets rij ik
Naar huis over de Zwaan
En altijd komt dan weer net
Een blik agenten aan
"Wilt u hier even blazen?"
Vraagt een politieman
"Helaas", zeg ik "ik denk niet
Dat die brug daar tegen kan"

Blauw op straat, blauw op straat
Iedereen wil blauw op straat
Zelfs in de Joost van Geelstraat
Daar wil men blauw op straat
Je ziet het in de hele stad
Daar barst het van het blauw
En dat is, waarom ik zoveel
Van toezichthouders hou
Ja, toezichthouders dat is echt
De club die ik verkies
Want toezichthouders hebben
Op hun broek een rooie bies
Want toezichthouders hebben
Op hun broek een rooie bies
Want toezichthouders hebben
Op hun broek een rooie.... streep

 

 2114913-93f19e8473eb5dbf1ca0116f1d8d4b77.jpg
Arie van der Krogt (Zoeterwoude, 27 januari 1952)

 

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Zie ook alle tags voor Harvey Shapiro op dit blog.

 

Nights

Drunk and weeping. It's another night
at the
live-in opera, and I figure
it's going to turn out badly for me.
The dead next door accept their salutations,
their salted notes, the drawn-out wailing.
It's we the living who must run for cover,
meaning me. Mortality's the ABC of it,
and after that comes lechery and lying.
And, oh, how to piece together a life
from this scandal and confusion, as if
the gods were inhabiting us or cohabiting
with us, just for the music's sake.

 

 

Walker Under Water

In the blue oxygen, what I saw,
My valve fluttering its song,
My ears tight to the static.
I perceived that I was rocked
In the body of the plane. Aquatic,
The rarefied air frosted my lashes,
Congealed breath sparkled my scarf.
Deepsea diver, aware of the silvery fins.

So gloved and chuted, wired into my bones,
I rode the day, Austria
An ant's plan underfoot.
In that perilous seat above cities
I mixed into my own breathings
And waited, exposed as a stone.
Sunlight through plexiglass above my head
Was light without sun, a blue wash of cold.

What I recall now, seated in my room,
Having sloughed off the glory and the pose
That place where the oxygen faltered
And the diaphragm's pulse went closed,
And they pried me, sleeping, from the sea.
How to wake from such silence into singing?
Such cold as I have known.

 

 2114913-73b145355a09d4a1164558775824e749.jpg
Harvey Shapiro (27 januari 1924 - 7 januari 2013)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e januari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2008 en eveneens mijn blog van 27 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 12:34 Reageer op dit bericht

Leopold von Sacher-Masoch, Benjamin von Stuckrad-Barre, Neel Doff, Eliette Abécassis, Mordecai Richler, James Grippando

De Duitse schrijver Leopold Ritter von Sacher-Masoch werd geboren op 27 januari 1836 in Lemberg. Zie ook alle tags voor Leopold von Sacher-Masoch op dit blog.

Uit:Der Capitulant

“Wer in leichter Gondel im stillen Meere schwimmt, das Element mit sich spielen, die schattenhaft gezeichneten Ufer des festen Landes, der Inseln hinter sich versinken läßt, die Luft über sich, ein zweites Meer mit wogenden Wolken ahnungsvoll schaut, wird mich vielleicht verstehen, wenn ich von der galizischen Fläche, dem winterlichen Schneeocean, der Fahrt in dem flüchtigen Schlitten berichte. Es zieht die Menschenseele wehmüthig sehnsuchtsvoll an, der Ocean wie die Ebene. Nur ist der Flug im Schlitten rascher, adlerhafter – während sich der Kahn im Wasser wie eine Ente in der Luft wälzt – nur ist die Farbe der unendlichen Fläche, ist ihre Melodie ernster, düsterer, drohender, man sieht die Natur in ihrer Nacktheit, den Kampf des Daseins, man fühlt den Tod näher, man empfindet seine Atmosphäre, man hört seine Stimmen.
Mich lockte der lichte Winternachmittag hinaus. Ich hatte die Fahrt beschlossen, mein Fuchs war krank, nicht jedes Pferd geht gut im Schnee, ich ließ den Mausche Leb Kattun kommen, einen großen Kutscher vor dem Herrn, und seine verläßlichen Pferde vor meinen Schlitten spannen. Der Tag war prächtig, die Luft stand still, auch das Licht, die goldenen Sonnenwellen zitterten nicht im leichten Dunste der Erde. Luft und Licht waren ein Element. Auch im Dorfe war Alles still, kein Ton verrieth die Bewohner der schweigsamen Strohhütten, nur die Sperlinge flogen an den Zäunen in Schaaren auf und schrieen.
Weiter stand ein kleiner Schlitten mit einem hinkenden Pferdchen bespannt, nicht größer als ein Fohlen; auf dem führte ein Bauer Holz aus dem Walde, sein halbgewachsenes Mädchen rief ihn und watete mit bloßen Füßen durch den ellenhohen Schnee nach einem kleinen Scheite, das er verloren hatte.
Wie wir den kahlen Berg hinabflogen mit klingenden, hellen Glöckchen, lag die Ebene vor uns, unermeßlich, unfaßbar, unendlich. Der winterliche Hermelin gab ihr die höchste Majestät. Sie war ganz von ihm bedeckt, nur die kahlen Stämme der niederen Weiden, entfernter einzelne langatmige Heidebrunnen, in der Ferne ein paar verlorene rußige Hütten, zeichneten sich schwarz auf dem weißen Schneepelz.
Mausche Leb Kattun schüttelte sich und schrie. Der erste Blick in die Ebene wirkte bei ihm wie schnelles Gift; seine palästinische Phantasie begann in biblischen Phrasen zu reden, sie kam mit einem einzigen Flügelschlag aus der Region der Pelzthiere in jene der Palmen und Zedern; es warf ihn auf dem Bocke wie einen Fieberkranken, er grub in seinem Hirn nach tausend Bildern für das eine Unfaßbare, das ihn quälte, er spuckte die Gleichnisse zu Dutzenden aus, bis ich ihn schweigen hieß. Jetzt murmelte er vor sich hin. Ich weiß nicht, ob er das Gespräch mit sich selbst fortsetzte, ob er betete? ob er endlich das Gleichniß gefunden? ein unendliches weißes Papier, auf das er seine unendlichen Rechnungen schrieb und zählte, und zählte.“

 

 2114910-289c9ff8b508660b2b25ce329077b68e.jpg
Leopold von Sacher-Masoch (27 januari 1836 – 9 maart 1895)
Het huis in Lindheim waar von Sacher-Masoch de laatste jaren van zijn leven woonde.

 

 

De Duitse schrijver Benjamin von Stuckrad-Barre werd op 27 januari 1975 in Bremen geboren. Zie ook alle tags voor Benjamin von Stuckrad-Barre op dit blog.

Uit: Panikherz

„Jetzt keinen Fehler machen. Freundlich, aufgeräumt, klar, unverdächtig wirken. Immer wenn man das versucht, wirkt man natürlich besonders verdächtig. Ich fange an zu schwitzen. Schon bei dem Herrn vor uns hat es zehn Minuten gedauert, und der sah nun wirklich so aus, wie ein Zwölfjähriger einen seriösen Geschäftsmann malen würde.
Erst jetzt bemerke ich, dass Udo tatsächlich Zigarre raucht, ganz lässig, beiläufig, im Flughafengebäude, im rauchparanoiden Amerika.
Hi, hi, yeah, here we are, happy to be here again, how are you doing man, good looking, sagt Udo und pafft an seiner Zigarre. Und ich denke: Das war’s dann.
Der Uniformierte ist nicht zu Späßen aufgelegt. Doch da kennt er Udo schlecht. Den aus der Ruhe zu bringen, da braucht es schon mehr, als missmutig zu gucken und zu bellen: No smoking, Sir!
Oh, excuse me, yeahyeahyeah, sagt Udo friedlich – und lässt die Zigarre brennen, hält sie aber jetzt auf Gürtelhöhe, das ist sein Kompromissangebot. Ich versuche, das Schlimmste zu verhindern, und geselle mich dazu, werde aber streng zurück hinter die Absperrung geschickt, Einzelvernehmung. Und so kann ich nicht eingreifen und sehe und höre nur, wie alles immer schlimmer wird. Udo hört gar nicht auf zu reden.
Der Uniformierte fragt Udo, was er beruflich mache. Schon toll, dass Udo das noch mal gefragt wird in seinem Leben. I’m a musician, started as a drummer, you know, back then, hundred years ago …“

 

 2114910-16e46317eda011a8be8e9df0d7902dab.png
Benjamin von Stuckrad-Barre (Bremen, 27 januari 1975)
Hier tijdens een turbulente lezing van “Panikherz” in 2016

 

 

De Franstalige, maar oorspronkelijk Nederlandse schrijfster Neel Doff werd geboren in Buggenum op 27 januari 1858. Zie ook alle tags voor Neel Doff op dit blog.

Uit: Keetje Tippel

“Hein en ik kwamen van de stalhouderij. We waren in de zevende hemel: vader had voor ons allebei een paar schoenen gekocht van dik zwaar leer, en twee maten te groot voor de groei. Wij liepen als pauwen de Nieuwendijk af, helemaal opgewonden van geluk en aan één stuk door over de schoenen pratend. Onze voeten sloften er bij iedere stap uit en weer in. We gingen natuurlijk ook op een stoeprand zitten om de veters opnieuw vast te maken.
Toen ik thuiskwam, stond het klamme zweet op mijn voorhoofd. Ik deed mijn schoenen uit: mijn hielen waren helemaal opengeschaafd. Maar ja, wat zou dat! Ik kon die schoenen wel drie jaar dragen, had de vrouw gezegd, dus wat kon me dat velletje van mijn hielen schelen? Alles liever dan de klompen van moeder afdragen, waar ik om werd uitgelachen en waar ik trouwens steeds in viel. Hein zat ook naar zijn voeten te kijken: bij hem bloedden de tenen.
‘Maar wat hindert het, 't zijn prachtschoenen: leer zo dik als een vinger, en hárd dat het is! 't Zijn knotsen! En de mijne gaan ook drie jaar mee, die vrouw heeft het van alle twee de paren gezegd, niet alleen van de jouwe.’
Wij stopten vlug een prop papier in de neus en klommen de schoenen weer in om ze aan onze vriendjes op straat te laten zien.
Die avond gingen Hein en ik kreunend en steunend naar bed, zo'n pijn deden onze ontvelde voeten. Vader was woest. Wie had ooit zulke kinderen meegemaakt! Als zijn moeder voor hém een paar klompen had gekocht, was hij daar zo blij mee geweest dat z'n voeten af hadden kunnen vallen eer hij klaagde.
‘Ik breng ze terug, dat zal ze leren!’
Wij sprongen uit bed.
‘Nee, vader, vadertje, nee hoor, niet terugbrengen, 't zijn onze mooie schoenen, ze doen helemaal geen pijn!’
En Hein en ik verborgen de schoenen onder onze strozak. En elke keer als we wakker werden, voelden we of ze er nog wel waren.”

 

 2114910-76efa62f9500fc38711e9d294b1af99d.jpg
Neel Doff (27 januari 1858 – 14 juli 1942) 
De Dorpsstraat in Buggenum rond 1910

 

 

De Franse schrijfster Eliette Abécassis werd geboren op 27 januari 1969 in Straatsburg. Zie ook alle tags voor Eliette Abécassis op dit blog.

Uit: Sépharade

« Nous avons tous des identités multiples. Nous venons tous d'un pays, d'une ville, ou d'une rue qui nous définit et nous marque à jamais. Nous sommes issus d'une culture ancestrale qui nous emprisonne autant qu'elle nous féconde. Dans la vie, nous jouons des rôles qui changent en fonction de la situation et de l'interlocuteur, du lieu et du moment : nous existons, multiples à nous-mêmes, ignorant l'origine de ces identités qui surgissent malgré nous, et qui nous déterminent, dans nos actions, nos pensées et nos sentiments. Nous sommes empruntés et confisqués par notre passé, que nous empruntons et confisquons à notre tour, essayant de savoir qui nous sommes, en cette quête infinie qui commence au premier cri, qui ne s'achève jamais — et qui s'appelle la vie. Nous sommes les acteurs d'une saga formée de toutes les histoires de notre passé, des gestes et des pensées de nos aînés, et chacun de nous peut dire : voilà quelle fut mon histoire, celle que j'ai vécue, celle qui m'a marqué durablement, celle qui me rend différent des autres, celle de mon authenticité car c'est par elle que je suis. Nous sommes le fruit des générations, le produit ultime de vies vécues et partagées, d'amours et de haines, de guerres et de paix, d'injustices et de joies, de drames et de délices, de révoltes et de réconciliations, de rêves et de rancoeurs, de secrets, de mots, de paroles qui se murmurent et se disent à travers nous, inconsciemment. Nous sommes l'Antiquité. Et si, par moments, certains s'avisent de critiquer cette histoire, ce n'est que pour se définir à travers elle en se définissant contre elle. D'autres, blessés, mortifiés, préfèrent la taire, sans savoir qu'elle se raconte à travers leur silence, si haut et si fort que toutes les autres paroles en deviennent inaudibles. Et d'autres encore — ce sont les écrivains, les romanciers — décident de la narrer, pour dire, pour former un écrin à cette culture qui nous habite, par laquelle nous existons, agissons, vivons, sentons et aimons, pour comprendre peut-être, au bout du chemin, qui nous sommes à travers ce que nous avons été, et aussi tout ce que les autres ont été, ceux de nos familles, ceux des ancêtres que nous n'avons jamais connus, qui sont morts à jamais, mais qui continuent d'exister à travers nous, ceux que nous connaissons intimement, et ceux que nous abritons sans le savoir, ceux qui nous font agir sans que nous le sachions, contre notre gré, alors même que nous croyons accomplir les choix les plus libres, sans savoir que nous sommes en train d'emprunter leur voie, et qu'en secret, nous sommes le vecteur indocile de leur immortalité. »

 

 2114910-e7d6dc352b39357b3edbd8dcad001207.jpg
Eliette Abécassis (Straatsburg, 27 januari 1969)

 

 

De Canadese Schrijver Mordecai Richler werd geboren op 27 januari 1931 in Montreal. Zie ook alle tags voor Mordecai Richler op dit blog.

Uit:The Apprenticeship of Duddy Kravitz

“Since he had first come to the school in 1927 — a tight-lipped young Scot with a red fussy face — many of Mr. MacPherson’s earliest students had, indeed, gone on to make their reputations in medicine, politics, and business, but there were no nostalgic gatherings at his home. The sons of his first students would not attend Fletcher’s Field High School, either. For making their way in the world his first students had also graduated from the streets of cold-water flats that surrounded F.F.H.S. to buy their own duplexes in the tree-lined streets of Outremont. In fact, that morning, as Mr. MacPherson hesitated on a scalp of glittering white ice, there were already three Gentiles in the school (that is to say, Anglo-Saxons; for Ukrainians, Poles and Yugoslavs, with funny names and customs of their own, did not count as true Gentiles), and ten years hence F.F.H.S. would no longer be the Jewish high school. At the time, however, most Jewish boys in Montreal who had been to high school had gone to F.F.H.S. and, consequently, had studied history out of The World’s Progress (Revised) with John Alexander MacPherson; and every old graduate had an anecdote to tell about him.
(...)

He phoned Yvette and told her he was sending her a check for three hundred dollars in the morning. He said he was making the movie for Mr. Cohen, but he didn’t tell her that if Mr. Cohen didn’t like it there was no deal. He was so happy about Seigal, too, that he didn’t realize until he got home that the Seigal bar-mitzvah was six weeks off and even if got paid right away it would be too late. He still had to raise twenty-five hundred dollars to pay Brault and twenty days was all the time he had. In the next three days Duddy visited eight potential clients. They were interested. Nobody showed him the door exactly, but first they wanted to see one of his productions.”

 

 2114910-b07b3460ff25ba58984af1623eabd9af.jpg
Mordecai Richler (27 januari 1931 – 3 juli 2001)
Affiche voor de gelijknamige film uit 1974

 

 

De Amerikaanse schrijver James Grippando werd geboren op 27 januari 1958 in Waukegan, Illinois. Zie ook alle tags voor James Grippando op dit blog.

Uit: Gone Again

“Welcome Home, Jack! Jack Swyteck was standing outside the Freedom Institute, and the handwritten greeting on a Post-it was stuck to the front door. It was Monday morning, and Jack had moved in his office furnishings over the weekend. The doormat at his feet displayed a less welcoming message, but it summed up the sense of humor of the lawyers who worked there: COME BACK WITH A WARRANT. It made Jack smile, even if this wasn't the hill-blown homecoming that his former colleagues wanted. More than a decade had passed since Jack's resignation, but a four-year stint with the Freedom Institute had been his first job out of law school. At the time, "law-and-order" governor Harry Swyteck—Jack's father—was on his way toward signing more death warrants than any chief executive in Florida history. Their public clash was a political embarrassment. Harry might not have taken it so personally if Jack hadn't aligned himself with a ragtag group of former hippies who were under the mistaken impression that the state flower was cannabis and the national anthem was "Kumbaya." There was Eve, the only woman Jack had ever known to smoke a pipe. Brian, the gay surfer dude. And Neil Goderich, their fearless leader, a ponytailed genius who had survived Woodstock. To outsiders, Jack was the odd man out. But they became friends, and his resignation didn't change that. The split was more about style than substance. Forcing the government to prove its case beyond a reasonable doubt was enough for Jack. Getting another guilty man off death row didn't make him want to break out a three-dollar bottle of cold duck and throw a party. Or issue a press release. Jack pushed open the door and stepped inside. "Jack is back!" shouted Hannah. Neil's daughter was as young and idealistic as Jack had been when Neil had taken him under his wing. It was hard to believe that his mentor was gone forever, walking on over the hill with Abraham, Martin, and John. "I guess you could say I'm back," said Jack. "Sort of" Hannah was a foot shorter than Jack, and she raised up on her toes to give him a big hug and a peck on the cheek. Eve and Brian were standing right behind her, each with a small suitcase in hand. Jack would have bet money that Brian's corduroy jacket was the same one he'd worn on the day of Jack's resignation.“

 

 2114910-751f8ab9fb270d1a9ade15e28299b1b3.jpg
James Grippando (Waukegan, 27 januari 1958)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2008 en eveneens mijn blog van 27 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 12:31 Reageer op dit bericht

Alexander Stuart, Guy Vaes, Bernd Jentzsch, Ilja Ehrenburg, Mikhail Saltykov-Shchedrin, Balduin Möllhausen, Samuel Foote

De Brits-Amerikaanse schrijver Alexander Stuart werd geboren op 27 januari 1955 in Brighton. Zie ook alle tags voor Alexander Stuart op dit blog.

Uit: The War Zone

“I'd be there now, getting soaked, if I wasn't so determined to speak to Jessica. If I can get her alone, there are a good few questions I'm going to ask, but it's as if she senses this. She's playing for time, Miss Florence Nightingale, helping Mum change the baby and scrub the vegetables for dinner. I'm in the doghouse, meanwhile, for dumping all the shopping in the rain. I watch Dad. I watch everyone. Suddenly I feel like a spy. I'm the one who's different, I'm the one with the knowledge — I wouldn't trust me, if I was them. What's changed? My mind is working overtime, reassessing everything. But Dad seems the same, snapping open a beer as he dumps himself into one of the cottage's chintzy armchairs to sort through a pile of unopened office mail. `How far would we have to go, do you think,' he ponders aloud, screwing his face up into a mask of weariness and disgust, `to get away from all this crap?' `Not much further,' Mum offers from the kitchen. 'Another phone call like yesterday's, and they'll probably take you at your word.' There's a long pause in which Dad seems to be replaying yesterday's phone call, enjoying the recollection of what was obviously a choice exchange. `They love it,' he says. 'Panics the accountants. They won't know what they've got unless they're made to sweat blood for it.' When it comes to work, Dad likes a bit of passion to enter into things. I don't think he's happy unless emotions are aroused, and certainly where his current scam is concerned — a bloody great steel and glass pyramid for a Korean bank in Docklands —he's played devil's advocate from day one. Bad enough that he has to work for these wankers, he says — no reason to make it easy for them. But I think it's a bluff. I think his work is what drives him, and coming down here to Devon has nothing to do with getting away from it all, it's just another way of giving them the finger. Dad peers in the direction of the kitchen, stuffing the torn envelopes he's been opening into one of the big manila ones.”

 

 2114908-23440860fe54a207439cb420a9e9ad96.jpg
Alexander Stuart (Brighton, 27 januari 1955)
Cover DVD

 

 

De Belgische, Franstalige, schrijver Guy Vaes werd geboren op 27 januari 1927 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Guy Vaes op dit blog.

Uit : Une descente aux Enfers. À propos de Hugo von Hofmannsthal

« l renoncera donc au crépusculaire et maladif Böcklin, pour s’exposer aux clartés précaires de ceux qui expérimentèrent le pointillisme : Derain, Maurice Denis et Van Gogh qu’embrassera finalement la dévorante clarté du Midi.
C’est ainsi que Jean-Yves Masson, sachant que si l’on a parlé du Haut on ne peut trop longtemps délaisser le Bas, crainte d’altérer la crédibilité du réel, insistera, sans jamais faire appel au jargon des philosophes, sur la symbolique des couleurs dans La Femme sans ombre. L’atelier d’un teinturier y tient une place, sinon un rôle, essentiel. D’où la conclusion de Masson : « La couleur est pour Hofmannsthal cet élément capable de réconcilier une jouissance parfaitement sensuelle du monde avec la dignité spirituelle de l’homme. » Et il ajoute : « Si ma Femme sans ombre ne pouvait rester un opéra, c’est peut-être parce qu’une telle thématique ne débouche pas sur un éloge implicite de la peinture. » Bref, encore un appel du monde réel, et même sinistrement réel, vers lequel nous glissons.
Abordant ce que Hofmannsthal appelle « le mystère de la pleine lumière », phénomène qui risque d’amoindrir le visible pour peu qu’on incline vers l’abstraction, sinon vers une approche mystique, nous ferons à nouveau pencher la balance vers la couleur, elle qui constitue l’univers matériel, la harcelante abondance des formes qui en sont le support.
Il est d’autant plus important de s’en imprégner qu’elle, la couleur, est promesse de guérison. Suivons Masson dans son analyse des deux dernières Lettres du voyageur à son retour : « Le voyageur dont l’âme est atteinte d’une maladie spirituel le qui caractérise toute la conscience européenne moderne entrevoit comme la possibilité d’une guérison en découvrant les toiles de Van Gogh, parce que celles- ci livrent, dans le discours muet de la couleur, la chair même du monde. Il ne fait pas de doute que c’est la genèse d’une telle perception régénérée que voudrait restituer l’écriture de La Femme sans ombre."

 

 2114908-3bf63a79ea18ae67359a20c80b09abb7.jpg
Guy Vaes (27 januari 1927 – 27 februari 2012)
Scene uit een opvoering van de opera "Frau ohne Schatten“, Berlijn, 2017 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Bernd Jentzsch werd geboren op 27 januari 1940 in Plauen. Zie ook alle tags voor Bernd Jentzsch op dit blog.

Uit: Irrwisch

 

Schon geh ich in die Knie, auf dem Buckel ein Bündel
Toter Zwillinge, die zucken und gebärden sich,
Als wären sie noch am Leben, die halbierten Vaterländer,
ich meine das Meine und eure zwei, meine Brüder,
Jetzt sind es schon vier, sie vermehren sich
Schnell nach jeder Badekur, und die gevierteilten Städte
Zu Lande und zu Wasser, im Himmel wie auch auf Erden,
Wie heißt die eine, aus der ich gefallen bin?
Sprich lauter, ich kann nichts verstehen,
Die Fangschüsse, die Volltreffer, die Tellerminen
Aus dem Staatshaushalt, so heißt sie nicht,
wie heißt sie, die sich so viele Hunde hält
Im Graben vor der schönen Akademie der schönen Künste,
Zwölf Rudel, die dich verarbeiten ohne Wenn und Aber,
Aher wenn du es hinter dir hast, darfst du kommen
Drei Tage und ewig, mein zusammenhangloser Bruder,
Ach, wie heißt sie, es ist ein schöner Name,
Wenn du da bist in Sack und Asche
Flüstere ich ihn dir ins fehlende Ohr.

 

 2114908-7ac38e387544dc33fe09efc0115fc6c0.jpg
Bernd Jentzsch (Plauen, 27 januari 1940)

 

 

De Russische dichter en schrijver Ilja Ehrenburg werd geboren op 27 januari 1891 in Kiev. Zie ook alle tags voor Ilja Ehrenburg op dit blog.

Uit: The tempering of Russia (Vertaling door Alexander Kaun)

“JULY 18
I met the commander of a partisan detachment. There are among the partisans some peasants who had fought in such squads twenty-three years ago. These are regarded as professors. There are also mere kids. An army of grandfathers and grandchildren.
An old forester leaped from a tree on a German motorcyclist, gripped his throat, and made him drive to our forces. Three German parachutists landed on a hilly field near a pioneers' camp. A group of children teased them and made them fire all their bullets while they kept hiding behind little mounds. When the Germans had no more bullets, the children jumped at them with threshing-flails and drove them to the nearest town.
Soviet boy scouts:
Here is an order of the German command:
BURGHERS AND VILLAGERS! Should partisans be discovered on the territory of your town or village about whom you have failed to report to the German command, all of you, without exception, will be put down as spies of an enemy state and as such will be hanged.
The "burghers and villagers" read the order, but they fail to report; they are Soviet people. In one village the Germans beat little children before their mothers' eyes in order to force information about the whereabouts of the partisans. The mothers keep silent.”

 2114908-067efb329694e5d16b7dbe1fef31747e.jpg
Ilja Ehrenburg (27 januari 1891 – 31 augustus 1967)
Cover

 

 

De Russische schrijver Mikhail Saltykov-Shchedrin werd geboren op 27 januari 1826 in Spas-Ugol, Tver. Zie ook alle tags voor Mikhail Saltykov-Shchedrin op dit blog.

Uit: The Golovlyovs (Vertaald door Olga Shartse)

“A kind of doom seems to hang over some families. One notices it particularly among the class of small landowners scattered all over Russia who, having no work to do, no connection with public life, and no political importance, were in their day sheltered by serfdom, but now, with nothing to shelter them, are ending their days in their crumbling country-houses. Everything in those pitiful families’ existence — success and failure alike — is blind, unexpected, haphazard.
Sometimes such a family is suddenly caught up as it were by a wave of good luck. Some humble retired lieutenant and his wife vegetating in the wilds of the country suddenly produce a whole bevy of spruce, alert, sturdy children who show a wonderful aptitude for mastering the essentials of life. They are ‘"clever” children, all of them, both boys and girls. The young men do excellently at school and, while still there, form good social connections and find patrons. They know when to behave modestly {‘'J'aime cette modestier their superiors say) and when to show independence {''faime cette independancer) ; are very sensitive to every wind that blows and never break with any movement without leaving a safe loop-hole through which they can creep back if necessary.
Thus they ensure that as long as they live they can either shed their skin at any time without any trouble at all, or, in case of emergency, to change back into it again. In short they are true children of the age who always begin by seeking favours and almost always end by perfidy. As to the girls, they, too, further the family fortunes in their special line, that is, they make good marriages and afterwards show so much tact in bestowing their charms that they easily win prominent positions in so-called society.
Thanks to all these chance circumstances, luck simply pours upon the humble family. Its first successful members having won their way through bring up another spruce generation who find life easier because the path has not merely been marked for them but beaten down, too. That generation will be followed by others until at last the family naturally becomes one of those who regard a life of continual jubilation as their birthright.“

 

 2114908-0d71ca9313320c9fbf3e43c27adf5c4d.jpg
Mikhail Saltykov-Shchedrin (27 januari 1826 – 10 mei 1889)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Balduin Möllhausen werd geboren op 27 januari 1825 in Bonn. Zie ook alle tags voor Balduin Mölhausen op dit blog.

Uit: Indianer auf dem Kriegspfad

„Nehmt dem nordamerikanischen Continent die eingeborenen Jäger und die wandernden Bisonheerden, und er verliert die letzte Poesie, mit welcher ihn die freigebige Natur so reich bedachte und die weder durch Eisenbahnen, noch durch weithin sichtbare Schornsteine von Brennereien und Fabriken, weder durch eine nach manchen Richtungen hin gewissenlose innere Politik, noch durch salbungvolle Lehren fanatischer Priester ersetzt werden kann.“ Diese Ansicht sprach ich in einem frühern Werke aus, als ich des rücksichtslosen Vordringens der Civilisation und des in Folge dessen fast unvermeidlichen Unterganges einer ganzen Menschenrace erwähnte.
Ganz dieselben Worte wiederhole ich hier, indem ich meine Blicke auf die bildliche Darstellung einer Gruppe von Assineboin-Indianern hefte; aus inniger, fester Ueberzeugung wiederhole ich sie, unbekümmert darum, ob der in denselben liegende harte, aber gerechte Vorwurf nur einzelne Individuen oder ganze Nationen trifft. – Oder sind die rothhäutigen Krieger und die zottigen Bisons vielleicht nicht würdig, als die Poesie bezeichnet zu werden, welche die endlosen Wildnisse, die oceanähnliche Prairie wie den undurchdringlichen Urwald, die anmuthigen, reich bewässerten Thäler wie die majestätischen, eisgekrönten Gebirgszüge so entsprechend, so romantisch belebt?“

 2114908-4816685582908fd5e96d51c4754dc9a9.jpg
Balduin Möllhausen (27 januari 1825 – 28 mei 1905)
Een tekening van vier Indianenstammen door Möllhausen uit 1861

 

 

De Engelse acteur en toneelschrijver Samuel Foote werd geboren 27 januari 1720 in Truro, Cornwall. Zie ook alle tags voor Samuel Foote op dit blog.

Uit: The Lame Lover

“SERJEANT.
Why, hussy, you don't hint at your mother-in-law?
CHARLOT.
Indeed, Sir, but I do.
SERJEANT.
Ay; why this is point blank treason against my sovereign authority: but can you, Charlot, bring proof of any overt acts?
CHARLOT.
Overt acts!
SERJEANT.
Ay; that is any declaration by writing, or even word of mouth is sufficient; then let 'em demur if they dare.
CHARLOT.
I can't say that, Sir; but another organ has been pretty explicit.
SERJEANT.
Which?
CHARLOT.
In those cases a very infallible one—the eye.
SERJEANT.
Pshaw! nonsense and stuff.—The eye!—The eye has no authority in a court of law.
CHARLOT.
Perhaps not, Sir, but it is a decisive evidence in a court of love.
SERJEANT.
Hark you, hussy, why you would not file an information against the virtue of madam your mother; you would not insinuate that she has been guilty of crim. con.?
CHARLOT.
Sir, you mistake me; it is not the lady, but the gentleman I am about to impeach.
SERJEANT.
Have a care, Charlot! I see on what ground your action is founded—jealousy."

 

 2114908-baf56355be9e04629d9380b3e46ca40d.jpg
Samuel Foote (27 januari 1720 - 21 oktober 1777)
Russell Beale als Samuel Foote in een uitvoering van “Mr Foote’s Other Leg”, Londen, 2015

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2008 en eveneens mijn blog van 27 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 12:30 Reageer op dit bericht

Jannetje Koelewijn

De Nederlandse schrijfster en journaliste Jannetje Koelewijn werd geboren in Amsterdam op 27 januari 1959. Koelewijn groeide op in Amsterdam en studeerde Nederlands aan de Vrije Universiteit. Hierna werkte ze twaalf jaar bij Vrij Nederland. In 1994 publiceerde zij het boek “Het koningsdrama van Fokker” over het conflict in de bestuurstop van de vliegtuigbouwer. In 1997 trad zij in dienst bij NRC Handelsblad. Later schreef zij onder meer “Alleen winnaars overleven” over topondernemers in het Nederlandse bedrijfsleven en “De alledaagse dood” over chronisch zieken en hun nabestaanden. Veel boeken van Koelewijn zijn gestaafd op interviews met direct betrokkenen bij de onderwerpen waarover zij schrijft. Koelewijn is verbonden aan Uitgeverij Atlas in Amsterdam. In 2011 publiceerde zij “De hemel bestaat niet” over het leven van haar ouders en voorouders in Spakenburg en Amsterdam. Een signeersessie in Spakenburg moest worden afgelast omdat een familielid van Koelewijn protest aantekende bij de boekhandelaar waar de sessie plaats zou hebben. Volgens het Reformatorisch Dagblad zou niet iedereen in het dorp zich kunnen vinden in de manier waarop zij het orthodox-protestantse geloof in het dorp besprak. Begin 2012 kwam Koelewijn in het nieuws na het publiceren van informatie over het ski-ongeval van prins Friso. Een zakelijke relatie van haar man had haar over de toestand van de prins medische informatie gegeven, die zij publiceerde in NRC Handelsblad.[4] Er kwam veel kritiek op zowel het handelen van haar man, de arts in kwestie, het artikel van Koelewijn als de uiteindelijke publicatie door NRC Handelsblad.

Uit: Heilbrons hel

“Laat in de middag, vroeg in het nieuwe millennium, een kilometer voor het Shell-tankstation langs de a2 ter hoogte van Breukelen. Lucas Pauw keek op zijn horloge, een verguld Omega-horloge dat nog van zijn grootvader was geweest, en daarna op het digitale klokje naast de snelheidsmeter op zijn dashboard. Twaalf over vijf. Tijd zat. Hij liet zijn blik van de binnenspiegel naar de buitenspiegel gaan, en vandaar verder naar rechts om te controleren of er geen medeweggebruiker in zijn dode hoek zat, gaf vervolgens het stuur een tikje in de richting van de uitvoegstrook en liet het gaspedaal los.
Strikt genomen hoefde hij niet te tanken, maar je wist nooit hoe zo’n eerste avond zou verlopen. Beter trouwens om even een plastic wegwerphandschoen aan te trekken. Bij een gelegenheid als deze wilde je niet naar benzine ruiken.
Hij haakte de slang los uit de houder, controleerde of er geen druppels aan het mondstuk hingen en stak het in de opening van de benzinetank. Terwijl hij in het handvat kneep om de pomp in werking te stellen keek hij gedachteloos naar de andere automobilisten die stonden te tanken en naar de Shell-shop, waar hij zo moest afrekenen. Het was al donker en er waaide een kille noordenwind, waardoor het binnen bij de kassa’s en de schappen met snoep en chips des te warmer en uitnodigender leek. Het licht viel in een wijde cirkel op het asfalt rond de glazen pui en scheen ook op de netten met houtblokken voor de open haard die daar lagen opgestapeld. Bij de ingang stonden emmers met in folie verpakte tulpen en chrysanten. Daarnaast: een schoolbord waarop in onhandige letters heden verse Vlaamse friet was geschreven.
Rondom waren vlaggetjes getekend en in de hoeken stond afwisselend:
Nieuw! lekker! nieuw! lekker!
Hij huiverde. Hij had geen jas aan. Bij drieëntwintig liter sloeg de pomp af en hij liep naar binnen om te betalen. Het rook er naar vers brood en nog iets anders. Geen friet. Gebakken spek. Ham. De rij voor
de kassa was lang. Achttien over vijf. Nog steeds tijd zat. Hij haalde zijn portefeuille uit zijn achterzak en stelde tevreden vast hoe los zijn broekband om zijn middel zat. Vijftien kilo in drie maanden. Het ging de goede kant op. Kijk nou eens naar die kerels die daar bij de counter met de warme snacks rondhingen. Ze vraten zich helemaal klem aan bamiballen en kroketten. Wat had die vent daar links nou op zijn bordje liggen?"

 

 2120604-3cdb88c6ff69498cca0ee113fc00247f.jpg
Jannetje Koelewijn (Amsterdam, 27 januari 1959)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Jos van Daanen, Menno ter Braak, Nora Gomringer, Jonathan Carroll, Achim von Arnim, Bhai, Lode Baekelmans, Michiel van Rooij, Martijn den Ouden

De Nederlandse dichter en schrijver Jos van Daanen werd geboren op 26 januari 1959 in Kerkrade. Zie ook alle tags voor Jos van Daanen op dit blog.

 

Soldaat in eigen huis

Hoe voelde dat voor je,
soldaat in eigen huis
in oorlog met de werkelijkheid
bevelen opvolgen van je meerderen
die in je elpees woonden?

Wist je nog wel pacifist
voor wie je moeite deed,
voor wie je aan het front streed
dat elke ochtend oprukte
tot aan je bed?

Was je bang toen je boos was,
verdrietig toen het er niet toe deed?

Wie maande je om niet te deserteren,
beval je om je helm af te zetten,
schoot je door je hoofd?

 

 

De man aan de kade

Er hangt een man aan de kade,
handen aan het stenen randje,
gezicht naar de muur.
Zijn voeten zoeken op het water
naar steun, maar zijn al moe.

Soms kijkt hij een beetje schuchter
over zijn linkerschouder
stroomafwaarts naar de zee
en denkt hij: ik hoef maar tot daar,
minder nog dan tien minuten lopen.

 

 2114661-3253bfe96933f453e481e35c282b8755.jpg
Jos van Daanen (Kerkrade, 26 januari 1959)

 

 

De Nederlandse schrijver Menno ter Braak werd geboren op 26 januari 1902 in Eibergen. Zie ook alle tags voor Menno ter Braak op dit blog.

Uit:Het lezen van poëzie

“Mijn dankbaarheid jegens de poëzie in het algemeen is niet zeer groot. Dat ligt minder aan de poëzie dan aan de woordenzwendel, waarmee men haar placht en pleegt te omgeven. Er is in Nederland zoveel getheoretiseerd over het schoon van verzen, dat men zich als redelijk mens wel moet afvragen, welke grond er kan zijn voor al die theorie, als toch (volgens de theoretiserenden zelf!) onze poëzie zoo phaenomenaal in bloei is geweest, dat zij wel voor zich zelf zou kunnen spreken. Men begrijpe mij wel: ik loochen die bloei allerminst, maar ik sta er enigszins plantaardig tegenover; de vele verheven commentaren over het ‘wezen’ en de ‘magie’ der dichtkunst heb ik voor mij niet nodig om aan een bloeiperiode te geloven, evenmin als ik daaraan behoefte heb tegenover het thans weder alom ontluikende speenkruid. Wij zijn doorgaans weinig eerlijk tegenover onszelf, wanneer wij over het lezen van poëzie spreken. Niemand durft ronduit een beschrijving te geven van de wijze, waarop hij die poëzie eigenlijk geniet. Men kan echter onmogelijk poëzie lezen, zoals men een roman of een essay leest; daartegen verzet zich het ‘bezwerende’ karakter van het gedicht (ik denk nu aan het korte gedicht, dat volgens Poe de enig-mogelijke vorm van poëzie is), daartegen verzet zich ook de afgeronde vorm, die met de continuïteit van het romanproza en het essayistisch betoog maar betrekkelijk weinig uitstaande heeft. De wijze, waarop men een gedicht opneemt, is in veel opzichten meer verwant aan het zien van schilderijen dan aan het lezen van boeken. Men leest eigenlijk geen vers; men leest het hoogstens over; daarna behoort het in ons gevloeid te zijn als een geheel en voor ons te staan als een beeld. Alle poëzie, die poëtisch effect heeft, is een verbinding van (meestal niet overheersende) logische gedachtencombinaties met de toets van het op één moment aansprekende beeld. Bijna had ik gezegd: anders is zij geen poëzie, maar de herinnering aan de stoute beweringen van de zendelingen der ‘poésie pure’, doet mij nog juist bijtijds zwijgen. Ik geef deze observatie dus niet als een recept, maar als een persoonlijke indruk.”

 

 2114661-86d83aac9baf6d8e28b6c4462f932d14.jpg
Menno ter Braak (26 januari 1902 - 14 mei 1940)
Cover

 

 

De Zwitsers-Duitse dichteres Nora Gomringer werd geboren op 26 januari 1980 in Neunkirchen an der Saar. Zie ook alle tags voor Nora Gomringer op dit blog.

 

Versionen

und
ein Boot legt an
Böcklin malt ein Boot, das anlegt,
umschattet,
soghaft.
Ein Bootsmann, namenlos,
allzu willig, sich preiszugeben.
Hitler besaß eine Version,
Utoya wurde eine
Insel
umschattet,
soghaft.
Ein Boot legt an,
an Bord ein Tod
ein Übergangsadvokat
Böcklin malt ein Boot, das anlegt.
Ein Bootsmann namenlos,
Versionen von Breivik.
An Bord ein Tod,
friedlos,
umsogen,
schattenhaft,
schemenlos,
eine Insel
und

 

 

Hab vergessen

Hab vergessen
Zu benennen wie die Straßen
Die Dingen auf denen die Tassen
Im Regal dort hinten in der Auffahrt
Steh ich nackt
Die Haare offen trag ich deinen Ring
Kommt ein Mann täglich
Wie ein wie heißen die
Will mich Kindlein wiegen
Streichelt über meine Wange denk ich
Mörder du Dieb Sie lassen Sie das
Bitte weitermachen unablässig
Riech ich nach Arnika alte Frau
Rufen sie mir zu ich frage sie
wen meint ihr damit
Steh ich nackt in der Auffahrt
Hab vergessen

 

 2114661-dbcf02db96c4a1b99280c43a6676b5fc.jpg
Nora Gomringer (Neunkirchen an der Saar, 26 januari 1980)

 

 

De Amerikaanse schrijver Jonathan Carroll werd geboren op 26 januari 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Jonathan Carroll op dit blog.

Uit: Bones of the Moon

« The Axe Boy lived downstairs. We were friendly because he was forever walking an ugly little dog I patted when I bumped into them in the hall.
As you've seen from the pictures, he was nothing special to look at. The only odd thing I noticed was his eyeglasses: they were almost always dirty—that foggy, smudged look which makes you want to take out your own hanky and give them a good cleaning.
"A good boy." Why do newspapers always use terms like that? "Everyone who knew him thought of the murderer as a good boy who loved his parents, was a member of the Eagle Scouts and spent his spare time collecting Asian stamps."
Even my wonderful husband Danny said that after most of the grisly details came out. "He seemed like a good kid, didn't he, Cullen? ‘Axe Boy'? Jesus, what a thing to call someone!"
"Danny, our young friend ‘Axe Boy' Alvin Williams chopped his mother and sister into pieces exactly one floor below our apartment. A good boy he is not."
Danny had that quality and most of the time I loved him very much for it: the world is to be forgiven. Axe Boys, dogs that shit in the middle of the sidewalk, dangerous drivers…they know not what they do.
I forgive nothing. If you stole my orange crayon in the fifth grade, you're still on my hit list, buster.
We were eating breakfast and Danny was reading the story to me from the paper. The thought of that murderous creep snoozing below us not long before still made my fanny tingle.
"He says he didn't know what came over him."
"Oh, really? Well, I hope the next thing that comes over him is a noose!"
"Cullen, you've interrupted me four times since I began reading this article to you. Would you like me to go on, or would you rather do a monologue?"
But he smiled when he said this because he wasn't really angry. When Danny got angry, he became quiet. Then you ran and hid under the bed for a very long time until he spoke again.
"You can go on, but he doesn't deserve any sympathy."

 

 2114661-ffe5ce68400f3ee56557210c628c0c24.jpg
Jonathan Carroll (New York, 26 januari 1949)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Achim von Arnim werd geboren in Berlijn op 26 januari 1781. Zie ook alle tags voor Achim von Arnim op dit blog.

 

Der Himmel hängt voll Geigen

Wir genießen die himmlischen Freuden,
Drum thun wir das Irdische meiden,
Kein weltlich Getümmel
Hört man nicht im Himmel,
Lebt alles in sanftester Ruh;
Wir führen ein englisches Leben,
Sind dennoch ganz lustig daneben,
Wir tanzen und springen,
Wir hüpfen und singen,
Sanct Peter im Himmel sieht zu.

Johannes das Lämmlein auslasset,
Der Metzger Herodes drauf passet,
Wir führen ein gedultigs,
Unschuldigs, gedultigs,
Ein liebliches Lämmlein zum Tod.
Sanct Lucas den Ochsen thut schlachten,
Ohn einigs Bedenken und Achten,
Der Wein kost’t kein Heller
Im himmlischen Keller,
Die Engel, die backen das Brod.

Gut Kräuter von allerhand Arten,
Die wachsen im himmlischen Garten,
Gut Spargel, Fisolen,
Und was wir nur wollen,
Ganze Schüssel voll sind uns bereit
Gut Äpfel, gut Birn und gut Trauben,
Die Gärtner, die alles erlauben.
Willst Rehbock, willst Hasen?
Auf offner Straßen,
Zur Küche sie laufen herbei.

Sollt’ etwa ein Fasttag ankommen,
Die Fische mit Freuden anströmen,
Da laufet Sanct Peter
Mit Netz und mit Köder
Zum himmlischen Weiher hinein;
Willst Karpfen, willst Hecht, willst Forellen,
Gut Stockfisch und frische Sardellen?
Sanct Lorenz hat müssen
Sein Leben einbüßen,
Sanct Marta die Köchin muß seyn.

Kein Musik ist ja nicht auf Erden,
Die unsrer verglichen kann werden,
Eilftausend Jungfrauen
Zu tanzen sich trauen,
Sanct Ursula selbst dazu lacht,
Cecilia mit ihren Verwandten,
Sind treffliche Hofmusikanten,
Die englische Stimmen
Ermuntern die Sinnen,
Daß Alles für Freuden erwacht!

 

 2114661-e1ef792af4ad428e25838e57041e1774.jpg
Achim von Arnim (26 januari 1781 - 21 januari 1831)
Bettina und Achim von Arnim-Museum, Künstlerhaus Schloss Wiepersdorf

 

 

De Surinaamse dichter Bhai (eig.James Ramlall) werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname. Zie ook alle tags voor Bhai op dit blog.

 

Prem-sangit
(Liefdes-Muziek)

Are Maha-sagar!
kwaad
noch
goed zijt Gij
Uw
uitgestrektheid
vormt ons scheiden.
Toch
is
zij in mij,
ben ik in haar.
Twee zijn wij één.
Gelijk
de gapend' aardwond
en 't water
d'oceaan.

 

 

Mamta
(Moederliefde)

Buiten ritselen de bladeren,
Een zachte wind speelt
rondom het huis.

Binnen zit een vrouw
De handen gevouwen op haar schoot,
Kijkt stil tevreden voor zich uit....

Haar gedachten gaan
naar hen, die zijn
doch niet bij haar,
maar wel ìn haar
aanwezig zijn.

 

 2114661-9d2b7e464f4a33aa4e7cc997fa087eb5.jpg
Bhai (District Suriname, 26 januari 1935)
Het standbeeld van Kwakoe in Paramaribo, ter herdenking van de afschaffing van de slavernij.

 

 

De Vlaamse schrijver Lode Baekelmans werd geboren in Antwerpen op 26 januari 1879. Zie ook alle tags voor Lode Baekelmans op dit blog.

Uit: Herinneringen

“In ‘De Paardenwei’, waar de vloer een trede lager lag dan de straat, rook het naar bier en fijne zware en naar de stal, die aan de gelagzaal paalde. Op schabben tegen de wand waren de prijzen voor een lief dadigheidstombola tentoongesteld: postuurkens, schouw- en lavabogarnituren, gleiswerk. Als kind was ik steeds bekommerd om te weten wanneer al die fraaiigheden zouden verloot worden. Mijn vader kocht telkens loterijbriefjes, maar iets winnen deed hij niet.
Aan de Paardenmarkt lagen grote herenhuizen. Voorbij ‘De Paardenwei’ woonde de huidenkoopman Königs-Gunther en aan zijn magazijn rook men ongelooid leder. Tussen het knechtjeshuis - nu de Nijverheidsschool - en het koopmanshuis is nu nog een tehuis voor oude vrouwen. Het knechtjeshuis was toen nog als jongensweeshuis in gebruik.
Even een paar huizen nog scheiden het van de Rodestraat. Ik leerde de straat ontdekken, wanneer ik als kind met de meiden de wekelijkse was naar de bleek vergezellen mocht. De huisjes rond het grasplein in Sint Blasiusgodshuis of in het godshuis der Zeven Bloedstortingen hadden bloempotten voor de ramen en langs de geveltjes werden Spaanse kers en ‘bonjourmadammekens’ langs touw en latwerk opgeleid.
Het was er zalig stil, rook naar frisse was en besproeid gras. Hier was alle drukte verbannen. De wijvekens fezelden er onder elkaar en de ventjes hadden enig knutselwerk of rookten gezapig de pijp, keken de wolken na of de rook die uit schouwen opsteeg. Tegen de muren hingen vogelkooien met vink of kanarie. De fijne zware mocht me nog zo erg de keel prikken of een hoestbui bezorgen, toch was ik geboeid door het knutselwerk en volgde Jeannette of Bertine maar met lome schreden. Een van beiden heeft me meegenomen naar het Begijnhof tegen de Ossenmarkt. We hebben er langs de straatjes geslenterd over kinderkopjes van keien... Een besloten stadje leek het me toen. Ik had er lang kunnen dwalen, nieuwsgierig en onbekommerd. Maar de meid meende, dat we ons verlaat hadden en we holden dan maar de straten door tot we buiten adem waren. Het mocht niet helpen, want mijn; geestdrift over de ontdekkingen was zo groot, dat ik het niet zwijgen kon.
Aan de overzijde waren de zusters Apostellinen gevestigd. De tuin vormde de hoek met de Rijnpoortvest. In de papschool, dat wisten wij wel, moesten de kleuters op bevel met de klepper bidden, zingen, slapen en wat er verder nog te pas kwam.”

 

 2114661-b59f5f69494cc0f5074e35c4ab070126.jpg
Lode Baekelmans (26 januari 1879 - 11 mei 1965)
Knechtjeshuis en Stedelijke Nijverheidsschool aan de Paardenmarkt in Antwerpen

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter en schrijver Michiel van Rooij werd geboren in Eindhoven in 1982. Zie ook alle tags voor Michel van Rooij op dit blog.

 

Cafe Bar Glaciar, Plaza Real

Geheel verteerd door bier en sigaretten.
Door het dreunende leven. De muziek
die alles overstemt. Emmers droevige
gedachten .

In een bar in Barcelona, zo rond een
uurtje of acht. Zo’n tussentijd geschikt
voor grote woorden die God weet wat
moeten uitdrukken.

Het stille geluk dat je niet wil vergeten.
deze woorden die anders in je keel zouden
blijven steken bewijzen dat woorden

 

 2114661-9270a5f4a0881772a4b15ee1f7af8204.jpg
Michiel van Rooij (Eindhoven, 1982)

 

 

De Nederlandse dichter en beeldend kunstenaar Martijn den Ouden werd geboren in Nieuw-Lekkerland in 1983.Zie ook alle tags voor Martijn den Ouden op dit blog.

 

de winter is een vals wijf zonder kleren
met een eng dun gerimpeld lijf
een koude adem
en een lage hartslag

ze heeft op alles iets aan te merken
zelfs op de manier waarop je je tanden poetst
en hoe je daarbij jezelf aankijkt in de spiegel
kan anders
verfijnder
strenger
ernstiger
meer volwassen

 

 2114661-f036ca8bf971b73dac0b8ba93961f9e7.jpg
Martijn den Ouden (Nieuw-Lekkerland, 1983)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e januari ook mijn blog van 26 jauari 2016 en ook mijn blog van 26 januari 2014 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 26 januari 2007 en ook mijn blog van 26 januari 2008 en eveneens mijn blog van 26 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 18:26 Reageer op dit bericht

VSB Poëzieprijs 2018 voor Joost Baars

 

VSB Poëzieprijs 2018 voor Joost Baars

De VSB Poëzieprijs 2018 is gewonnen door de Nederlandse dichter Joost Baars. Baars nam de prijs en het bijbehorende geldbedrag van 25 duizend euro gisteren in ontvangst in Den Haag uit handen van juryvoorzitter Maaike Meijer. Naast "Binnenplaats" van Baars waren ook "Nachtroer" van Charlotte Van den Broeck, "Vonkt" van Marije Langelaar, "Ja Nee" van Tonnus Oosterhoff en de bundel "Leger" van Mieke van Zonneveld genomineerd. Joost Baars werd geboren op 2 oktober 1975 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Joost Baars op dit blog.

 

kosmologie van het tapijt

daar opende zich onder haar in wat genoemd was het tapijt een wormgat

daar taalde de materie naar die als vanzelfsprekend haar omgaf
kamer tafel laminaat lamp boekenkast
en cel voor cel het weefsel waarin ze was vervat

ze greep zich aan de polen vast

daar in die zwaartekracht waar wat genoemd is zwaartekracht
en dat ons grondt aan wordt ontleend
als een magnetisch veld rond de planeet
dat er uiteindelijk niet tegen is bestand

daar 112’de ik de taal die ik nog had
het adres (en er was)
een ambulance (en er kwam)
het is haar hart (ze was er nog)
dat wegvalt (wormgat)

daar klonk een stem en er was tijd
genoeg voor wat zich daar voltrekken moest

daar lag ze op het vloerkleed als een pasgeboren baby’tje
dat naamloos op haar noemer wacht

 

 

dode hond

ik loop op een eiland genaamd dode hond
en denk aan mijn broer

die op een snikhete dag
zijn auto op slot deed

en daarbij zijn hondje vergat.
dode hond heet zo omdat

er een hond ligt begraven. toen ik klein was
hoorde ik ooit het gejank

van een krolse kat, hield die hartverscheurende klank
voor gehuil van mijn broer, liep door de nacht

naar zijn kamer, deed de deur open en zag
dat hij sliep, dat

hij het niet was. dode hond

is een kunstmatig eiland,
net als mijn kamer in het huis waar wij opgroeiden,

net als mijn broer,
net als ik,

als een auto met gesloten ramen
in de zonzee geparkeerd.

nu is het nacht
op dode hond en over het daar

omheen als aaneengeregen dagen
liggende water

klinkt zijn gehuil, zijn geblaf.

 

 2114594-df1d5b48668b8dec6f5ca35343e49381.jpg
Joost Baars (Leidschendam, 2 oktober 1975)

Geschreven door Romenu om 08:26 Reageer op dit bericht

Florin Irimia

De Roemeense schrijver, criticus, letterkundige en vertaler Florin Irimia werd geboren in Iași op 26 januari 1976. Hij is assistent-professor aan de faculteit Letteren van de Alexander Jan Cuza-universiteit in Iași. Sinds 2001 heeft hij literatuurbesprekingen bijgedragen aan Observator Cultural, Roemenië Literara, Dilemateca, Timpul en Suplimentul de cultura, waarin hij een wekelijkse column schrijft. In 2009 debuteerde hij als schrijver in Noua Literatura (onder de naam Eduard Tautu) en in 2011 publiceerde hij zijn eerste roman, “Defekt”. Zijn roman “O fereastră întunecată” (“Een donker venster”) verscheen in 2012. Hij heeft “Oryx and Crake” van Margaret Atwood vertaald (2008) en mede-vertaalde, met Nicoleta Irimia, “Alias ​​Grace” van dezelfde auteur (2013). Hij publiceerde kort proza ​​in Familia, Steaua, Timpul, Zona Literara en Ziarul deIași. De roman "Câteva lucruri despre tine” (“Een paar dingen over jou”) verscheen in 2014.

Uit: A Few Things about You (Vertaald doorAlistair Ian Blyth)

"I wake up abruptly and it is dark. I am alone and something tells me that I ought not to be and that in a few seconds the fear will grip me once more. Fear and revulsion at something. Something I have done, something that ought not to have happened, but did happen, something horrible, like an incurable disease, like a premature and violent death. Something for which I will have to make a reckoning. My ears are hissing like I had two seashells bunged inside them, and somewhere, in my brain, a malevolent little man is crushing a mound of walnuts with a hammer. There ought to have been someone beside me in bed. Yes, a sleepy, naked woman, my guarantee that I have things under control. A trace of memory, a diffuse feeling, the memory of a reality that perhaps did not take place signals to me the absence. I try to detect a trail of perfume in the air, among the sheets, something to tell me that I am not mistaken, but when I inhale I smell only the ordinary odour of a hotel room. I close my eyes and my limbs begin to tremble, a fine, almost imperceptible tremor, which would be visible only on a sheet of transparent plastic. Then, I think I fall asleep. And I become thirsty. I dream I get out of bed and go to the bathroom to pour myself a large glass of water. The door is closed, but the light is on inside. As if somebody were in there already. As if that somebody were waiting for me. I can hear the tap running, evenly, monotonously, conveying to me some kind of message. I dream that I am afraid. I grip the doorknob and am about to turn it, but in that same instant I wake up. I lie motionless, waiting to ascertain where I am (in a hotel room), whether it is summer or winter outside (it is spring), what day and month of the year it is (3 April). I couldn’t remember any of all that. In the end I looked around for a clock (my wristwatch has vanished or perhaps I never had one) and I found one in the form of a mobile ‘phone, placed neatly on the bedside table. The hour, the day and the month. The year is the current year... As for the hotel, I know only that it is a tall building, because I looked out of the window just now. I couldn’t see much – the window is small and rather narrow – but I saw that it was snowing, I have no idea what town this is, in this country all the towns look the same – but I could see that I was high up. At least literally, if not otherwise. I have always liked to take a hotel room on an upper storey. That I remember. It is as if you are above your destiny, above what others have decided in your stead. Which is an illusion, obviously.”

 

 2139990-981160f032d0524ae156819f52caf36a.jpg
Florin Irimia (Iași, 26 januari 1976)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten