Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 27 januari 2018 tot 28 januari 2018

Am vierten Sonntage nach Heilige Drei Könige (Annette von Droste-Hülshoff)

 

2115246-b525c5fdd7b7d36939a354d6439b4fe5.jpg
De arbeiders in de wijngaard door Christian Wilhelm Ernst Dietrich, ca. 1850

 

 

Am vierten Sonntage nach Heilige Drei Könige
Evang.: Von den Arbeitern im Weinberge

Ich kann nicht sagen:
»Keiner hat mich gedingt.«
Wem soll ich klagen,
Wenn es mich niederzwingt
In meine schmählich selbstgeflochtnen Bande!
Vor Millionen hast du mich erwählt,
Mir unermeßnes Handgeld zugezählt
In deiner Taufe heil'gem Unterpfande.

Ich kann nicht sagen:
»Siehe, des Tages Last
Hab' ich getragen!«
Wenn nun, zu Duft erblaßt,
Mich meine matte Sonne will verlassen;
Mein Garten liegt ein übergrüntes Moor,
Und blendend steigt das Irrlicht draus empor,
Den Wandrer leitend in den Tod, den nassen.

Ich kann nicht sagen:
»Siehe, wer stand mir bei?
Ich mußte zagen;
Um mich die Wüstenei
Und das Getier, so nimmer dich erkennet.«
O Gott, du hast zur Arbeit mir gesellt
Viel liebe Seelen, rings um mich gestellt,
Worin dein Name unauslöschlich brennet!

Ich kann nicht sagen:
»Sieh' deine Stimme sprach,
Ich mußte wagen,
Und meine Kraft zerbrach;
Was hast du meine Nahrung mir entzogen?«
Mein Gott, und liegt wohl tief es in der Brust,
Doch bin ich großer Kräfte mir bewußt,
Und in der Angst hab' ich mir selbst gelogen!

Ich muß verschwinden
Bis in die tiefste Kluft,
Zergehn in Winden
Wie einer Wolke Duft,
Wenn dein Gericht vor meinem Geist wird stehen;
Du hast mich über Vieles eingesetzt,
Und ganz verarmt erschein ich und zerfetzt,
Die Güter dein ließ ich zu Kot vergehen.

Nichts kann ich sagen,
Denn meine Hand ist leer.
Soll ich es wagen,
Gegen die Waagschal' schwer
Zu legen meiner Reue späte Triebe?
Und ist es nur wie des Ersatzes Spott,
Nichts hab' ich sonst, doch du, o milder Gott,
Du hast ein großes, großes Wort der Liebe!

 

 2115246-0577f9c1070d1a37844d140af08898cb.jpg
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
Standbeeld van Antonius Abt aan de kapel van Burg Hülshoff (rechts), de geboorteplaats van Annette von Droste-Hülshoff

 

 

Zie voor de schrijvers van de 28e januari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 14:09 Reageer op dit bericht

Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Thierry Baudet, Ismail Kadare, Wies Moens, José Martí

De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.

 

Broeders van liefde
(naar aanleiding van berichten over kindermisbruik binnen de Katholieke Kerk)

Probeer het eens. Je neemt een kind op schoot
zo'n ding dat nog doorschijnend is en broos
liefst blind of doof. Geslachtloos bijna.
Het zit daar maar, een zuiglam voor het oog.

Pak nu het hoofdje. Leid het zacht omlaag
tot aan de uitgang onzer naastenliefde.
Schuif het, prop het erdoor desnoods, niet bang zijn.
Vandaag mag het. Er zijn geen ouders bij.

Dit is de kracht van elk geloof. Te groot
om te bevatten stoot het vroeg of laat
tot daar waar wij ons soeverein nog dachten.

Ze zeggen: God werkt slechts met onze handen.
Wel God, dit kun je dan: een kind van acht
mishandelen en jaar na jaar verkrachten.

 

 

In memoriam mei
(bij de dood van Harry Mulisch, 30 oktober 2010)

Ik, Harry Kurt Victor Mulisch, volle zoon van alle muzen
ik was de gloeiende bode van vuur, komend van niets
was ik op weg naar een brandnieuwe mythe.

Ik was het goudstof en de wind, ik was ibis, piramiden
ik was een ommekeer in inkt, ik was het duizendjarig licht
ik was de pijp, het Leidseplein, ik was een pupil van
     onsterfelijkheid.

Ik was de kogelvrije vlinder en de kern van alle oorlog
vulkaanzwemmer, godeneter, ik, de keizer van het lot
ik was de heimat, ik was ballingschap: ik was de Paradox.

En hier, binnen in dit eenpersoonsheelal, mijn blauwe labyrint
waar alle vingers doven – langzaam op de tast, hier bleef ik over.
De dood is mijn broekzak: Grote Eén gaat trap na oneindige trap.

Met de tocht in mijn botten en een uitzicht zonder god zo blijf ik,
Harry Mulisch, de ontdekker van uw hemel.
Ik was de brenger van letter en stof. En als u sterft, dan leef ik nog.

 

 

Sonnet voor 456 letters

(ter gelegenheid van Gedichtendag 2012)

En hier gebeurt het allemaal: vanbinnen
liggen de zinnen doodstil ingeklapt
als chromosomen, diep onder mijn kaft.
Ze wachten op een oog om te beginnen.

U leest - en loom weet zich een vers te ontspinnen.
Het was een val, u bent erin getrapt.
Geen geld of eeuwigheid wordt u verschaft.
Hooguit een ander heeft hier bij te winnen.

Andersmans letters kapen uw gedachten:
mijn minutieus verzonnen DNA
heeft uit het niets al wat bestaat onttroond.

Mijn lichaam fonkelt op geroofde krachten.
Voel hoe ik groei en blakend openga.
Wie leest, wordt door het leven zelf bewoond.

 

 2115242-78507b773d5aadcce319f79afc802ccf.jpg

Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)
Hier als acteur op een affiche van Toneelgroep Amsterdam

 

 

De Vlaamse dichter, romancier en theatermaker Peter Verhelst werd geboren op 28 januari 1962 in Brugge. Zie ook alle tags voor Peter Verhelst op dit blog.

Uit: De kunst van het crashen

“De lessen tekenen naar levend model gingen door in het reservepaviljoen van de leeuwen, omdat het licht er zo mooi door het vijvertje werd weerkaatst dat de naakte lichamen eerst zilverig en daarna doorschijnend werden. De Koninklijke Academie was enkele maanden voordien door nieuwe machthebbers bezet en diende nu als kazerne voor de garnizoenen die de hoofdstad in hun wurggreep hielden. Terwijl een model zich ontkleedde, oefenden snipers op de gipsen replica's van antieke discuswerpers, denkers en gevleugelde vrouwen — hun schoten klonken als het geplok van tennisballen. Koolmezen hingen omgekeerd aan de takken om dauwdruppels te vangen. Het geluid van krijt op papier, een lichaam, ochtendlicht, af en toe een grom van een leeuw of de gil van een arend. Wat hield Raoul van die gestolen uren. Na de tekensessie verliet iedereen apart en via verschillende routes de dierentuin.
Begin maart werd Raoul voor de eerste tekenles uitgenodigd, s maanden nadat hij zich in de hoofdstad had ingeschreven aan de architectuurafdeling van de Vrije Universiteit, die nauwelijks 2 weken na zijn inschrijving tot Rijksuniversiteit werd omgedoopt en waar het merendeel van de professoren werd vervangen door hoeren van het nieuwe regime. Dat stond in hoekige viltstiftletters te lezen op de muur aan de ingang van de vakgroep stedenbouw. Enkele minuten later waren ze al uitgewist. In afwachting van zijn vaders bevel naar huis te komen, hield Raoul zich, timide provinciejongen, afzijdig van het geweld. Op zijn zolderkamer met eenpersoonsbed en wastafel nam hij zijn ontbijt en daarna ging hij naar het museum om zich daar aan de Vlaamse Primitieven te vergapen.”

 

 2115242-ebfcf182f7e7d177039785c5bf136fdd.png
Peter Verhelst (Brugge, 28 januari 1962)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Maik Lippert werd geboren op 28 januari 1966 in Erfurt. Zie ook alle tags voor Maik Lippert op dit blog.

 

auch deine stirn ist

zerbrechlich
laß ruhig die bilder
nicht ein
in den kopf
ein haarriß genügt
am radkranz
zum entgleisen
wer zählt die abteile
weiß die knautschzone im voraus
nur die puppen
bleiben heil in leblosen armen
plüschtiere mit dem chip
am richtigen fleck
können noch sprechen
persönliche fahrtenschreiber
die schweigend einsatzhelfer dann auflesen
doch keiner kann dir die passende
mignonzelle reichen
damit du verheilst

 

 

(Pflegespülung)

dein haar mag ich
am liebsten
wie kupferdraht
spröde und elektrisch
so erträgst du es
nicht
ohne pflegespülung
etwas greift dir an die kopfhaut
schon beim bloßen
lesen der inhaltstoffliste
auf der haartönungspackung
ziehen dir die synapsen
blaue blitze ins hirn
du rufst nach der pflegespülung
frieden der salicylatderivate
den auch ich in mich
aufnehme
beim riechen

 

2115242-cbab5c1e4b43dfc327446d75b56d25ef.jpg
Maik Lippert (Erfurt, 28 januari 1966)

 

 

De Nederlandse schrijver, historicus en jurist Thierry Baudet werd geboren in Heemstede op 28 januari 1983. Zie ook alle tags voor Thierry Baudet op dit blog.

Uit:Meer navolgers Gilles?

“De jaren '20 gelden als ‘années folles’ - jaren van wilde feesten en onverantwoordelijkheid, ingegeven door een poging de Grote Oorlog te vergeten. Maar het was ook een tijd waarin velen op zoek gingen naar regeneratie via anti-democratische, vaak gewelddadige bewegingen. Men wilde de Oorlog vergeten; tegelijkertijd zocht men die weer op. Was dat uit angst, armoede of vijanddenken - zoals zo vaak wordt aangenomen? Kunnen we, analoog daaraan, het islamofascisme simpelweg verklaren uit sociale achterstelling, gebrek aan opleiding en boosheid over Westerse wereldheerschappij?
Ik denk het niet. Kijk naar Gilles, protagonist van de gelijknamige, beroemd geworden roman van de Franse schrijver Pierre Drieu la Rochelle (1893-1945). De burgerlijke samenleving heeft voor hem elke relevantie verloren na de onuitwisbare ervaring van het front. Hij struint wat over de Boulevards van Parijs, staart naar ‘jonge vrouwen en grote, luxe bomen’ en merkt verstild het ‘contrast met de bomen van Verdun’ op. Steeds pregnanter realiseert hij zich dat hij stukken gelukkiger was in de loopgraven dan in de burgerlijke maatschappij - omdat het leven daar, te midden van onweren van staal, veel meer betekenis had. Het gaat daarbij niet alleen om kameraadschap en avontuur: Gilles verlangt ook terug naar de momenten dat hij ‘geen brieven ontving en alleen Pascal had’ (doelend op zijn bundel geschriften van Blaise Pascal).
Elke ochtend als de wekker gaat, voeren we oorlog tegen onze luiheid. Elke dag vindt er genocide plaats in ons lijf - surrealistische aantallen bacteriën worden continu geliquideerd. Alles in het leven komt tot stand door strijd. Wie niet vecht gaat dood. En dan zouden we als maatschappij ‘vrede’ moeten willen? Gilles kan zich er niet mee verzoenen en kiest voor het fascisme - net als zijn literaire creator Drieu la Rochelle. Velen volgden hun voorbeeld, niet alleen in Frankrijk (Céline, Maurras), maar ook in Duitsland (Jünger, Von Salomon) en Italië (d'Annunzio, Malaparte). Anderen kozen voor een militant communisme dat al even weinig ophad met democratie. De liberale burgermaatschappij kwam steeds verder in de verdrukking.”

 2115242-4c4c564e5a3a0a16ed7e149c9cbc75ea.jpg
Thierry Baudet (Heemstede, 28 januari 1983)

 

 

De Albanese dichter en schrijver Ismail Kadare werd geboren in Gjirokastër op 28 januari 1936. Zie ook alle tags voor Ismail Kadare op dit blog.

Uit: Die Verbannte (Vertaald door Joachim Röhm)

“Bis zum Ende der Dibraner Straße glaubte er tatsäch­lich, es sei ihm gelungen, seinen Denkapparat abzu­schalten. Erst vor dem Hotel Tirana an der Nordseite des Skanderbegplatzes erfaßte ihn eine von gelegentlichen Panikattacken unterbrochene Anspannung. Nur der Platz trennte ihn noch von dem Eingangsportal des Parteikomitees. Seine angestrengte, mit einem ruhigen Gewissen nicht hinreichend begründbare Gelassenheit zerstob. So weit sich der Platz vor ihm auch dehnte, für jemand, den man ohne Nennung von Gründen ins Par­teikomitee zitiert hatte, dauerte die Überquerung auf jeden Fall nicht lange genug.
In irrwitziger Hast, als lasse sich nur so die verlorene Zeit wieder aufholen, resümierte er in Gedanken die möglichen Ursachen für all die Scherereien. Es gab zwei: Sein jüngstes Theaterstück, dessen Aufführgeneh­migung schon seit zwei Wochen überfällig war, und seine Affäre mit Migena.
Unter normalen Umständen hätte ihm diese mehr Sorgen bereitet als das Stück. Er kam zur Nationalbank, und sein Gedächtnis reproduzierte mit unerträglicher Genauigkeit ihren letzten Streit. An der gleichen Stelle, dort, wo das Bücherregal einen Winkel mit dem Fenster bildete, hatten sie sich bereits das erste Mal gezankt. Auch die Vorwürfe waren fast dieselben gewesen und ebenso ihre Tränen. Diese Tränen hatten ihn mürbe ge­macht. Ohne sie wäre er wahrscheinlich bereits zwei Wochen früher zu einem Schlußstrich bereit gewesen. Er hätte sie für eine überspannte Kunststudentin gehal­ten, die nicht wußte, was sie wollte, und noch weniger, warum sie bei jeder kleinsten Gelegenheit losheulte. Je­desmal hoffte er aufs neue, herauszufinden, was dahin­tersteckte, wenn überhaupt etwas dahintersteckte. So konnte es auf jeden Fall nicht weitergehen, das stand für ihn fest. Also, was hast du? fuhr er sie an. Wenn etwas ist, laß mich nicht im unklaren darüber. Wenn ich es nur wüßte, antwortete sie. Ach, du weißt es gar nicht? Das ist ja toll! Kann es sein, daß du alles ein bißchen komplizierst? Ständig diese Zettel à la Marlene Diet­rich, ich liebe dich, ich liebe dich nicht … Ist es nicht so?
Er merkte, daß er dabei war, die Beherrschung zu ver­lieren. Hör zu, du bist nicht kompliziert, du bist bloß … Er wollte eigentlich »ein provinzielles Huhn« sagen, verkniff es sich aber im letzten Augenblick. Du bist bloß schizophren. Oder ein Spitz…“

 

 2115242-30ab9cf27d4cb032876c978143b1b70c.jpg
Ismail Kadare (Gjirokastër, 28 januari 1936)
Sculptuur door Qazim Arifi, 2012

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Wies Moens werd geboren in Sint-Gillis-bij-Dendermonde op 28 januari 1898. Zie ook alle tags voor Wies Moens op dit blog.

 

Vers voor het voorjaar

Vandaag zal ik gaan buiten de stad
om de specht te horen kloppen op het hout
en mijn pijp te ontsteken aan de brand in de pijp van de landman
die even uitrust aan de rand van zijn veld.

Dit is een dag om met een knapzak uren wijd te wandelen
tot waar de stad en haar vesten vergeten liggen in een pril wit en blauw
van wolken en verse landouwen,
een bruine stip, heel even vermoedbaar in de verte, op de scherpe klank van sirenen te middag.

Alles wat ik zal zien vandaag moet worden tot een vroom gebed:
Heer, trek Gij mijn leven voort door de harde dagen en de lichte
zoals deze gebogen schipperszoon het vaartuig zijns vaders voorttrekt, langs de rivier,
maal mij lijk het graan dat wast, brijzel mij als de roggestuit tussen de tanden van het boerekind.
Een donkere vogel slaat ergens in het struikgewas:
zet mij zo langs het pad der mensen verscholen, zing mijn keel ten bloede.

Ik weet: het fijne bloed dat ik zing zal ruisen in de twijgen,
het zuivere bloed zal ruisende stijgen
in de kruinen, en in het enkelvoudig blad.
En elke drop die op de aarde spat
zal wekken het leven voor een bloem of een wuivend gras!

Want ik wil leven met alles het leven dat Gij geeft en neemt,
de wijsheid der jaargetijden staag in mij vergaren
tot ik als een rijpe nazomer vol vrucht en spijs
mag vallen in Uw schoot, en Gij de herfst maakt
mild en schoon voor al mijne geliefden.

 

 2115242-6f249279248a85cf1b77d3a137cdce70.jpg
Wies Moens (28 januari 1898 – 5 februari 1982)
Op een postkaart

 

 

De Cubaanse dichter en schrijver José Martí werd geboren op 28 januari 1853 in Havanna. Zie ook alle tags voor José Martí op dit blog.

 

I Have a Dead Friend (Verse VIII)

I have a dead friend who lately
Has begun to visit me:
My friend sits down and sings to me,
Sings to me so dolefully.

'Upon the double-winged bird's back
I am rowing through skies of blue:
One of the bird's wings is black,
The other, gold of Cariboo.'

'The heart's a madman that abhors
One color as one too few:
Either its love is two colors,
Or else it is not love's hue.'

'There's a madwoman more savage
Than is the unhappy heart:
She that sucks the blood in rage,
And then a-laughing would start.'

'A heart that has lost forever
The steadfast anchor of home,
Sails like a ship in fould weather,
And knows not to go or come.'

If his anguish should betray him,
The dead man will curse and weep:
I pat his skull and I lay him,
Lay the dead man down to sleep.

 

2115242-056104bf9be6981b25939e7f673030df.jpg
José Martí (28 januari 1853 – 19 mei 1895)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008 en eveneens mijn blog van 28 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 14:07 Reageer op dit bericht

Hermann Kesten, Miguel Barnet, David Lodge, Manfred Jendryschik, Mo Rocca, Hermann Peter Piwitt, Colette, Christian Felix Weiße

De Duitse dichter en schrijver Hermann Kesten werd geboren op 28 januari 1900 in Podwoloczyska (tegenwoordig Oekraïne). Zie ook alle tags voor Hermann Kesten op dit blog.

Uit: Dichter im Café

„Als Kind lernte ich im Cafe den Witz der Deutschen kennen. Mein Vater, der taglich mit dem beschaftigten Ernst ins Kaffeehaus eilte, den andere in ihrem Buro zeigen, nahm zuweilen uns Kinder in sein Stammcafe mit.
Der Kellner kannte meinen Geschmack. Er brachte, ohne lang zu fragen, eine Melange, eine Schokoladentorte und einen Packen Witzblatter, den Simplizissimus, die Jugend, den Kladderadatsch,die Meggendorfer Blätter, den Ulk, ferner Maximilian Hardens Zukunftund Die Fackelvon Karl Kraus, die der Kellner gleichfalls fur Witzblatter hielt.
Dort begegnete ich zuerst den modernen deutschen Dichtern, teils schrieben sie in den Witzblattern, teils schrieben die Witzblatter uber sie, einige wie Ludwig Thoma, Thomas Mann oder Jakob Wassermann waren sogar Witzblattredakteure.
Damals blickte ich noch zum Tischrand empor, ein Bubchen von sechs oder neun Jahren. Ehe ich die moderne deutsche Literatur ernst nehmen konnte, lachte ich bereits im Cafe uber sie oder mit ihr.
Schon als Gymnasiast begann ich, allein ins Cafe zu gehn, jeden Mittwochnachmittag, mit Erlaubnis des Rektors vom Melanchthongymnasium. Er hatte nach einem inquisitorischen Rundgang durch die Kaffeehauser von Nurnberg das solideste fur uns Schuler der Sekunda und Prima ausgesucht, nach langen moralischen Erorterungen mit dem Cafetier, der uns vor den zahllosen Anfechtungen des Kaffeehauslebens behuten sollte.
Im Vorderraum sasen lustlose Familien, mit Herzen aus Kattun und grellgefarbten Gesinnungen. Im Hinterzimmer stand ein Billard, das unser Schulfreund Richard Schrotter, rosig wie ein Madchen, das nicht das Herz hat, ein Ganseblumchen zu pflucken, todlich verwundete, wie ein junger Torero seinen ersten Stier.“

 

 2115233-d00e5149b1d70a3787889a605cf8b166.jpg
Hermann Kesten (28 januari 1900 – 3 mei 1996)
Hermann Kersten im Café. Illustratie door Michael Mathias Prechtl, 1979

 

 

De Cubaanse dichter en schrijver Miguel Barnet werd geboren op 28 januari 1940 in Havanna. Zie ook alle tags voor Miguel Barnet op dit blog.

Uit: Biography of a Runaway Slave (Vertaald door W. Nick Hil)

« I came to hide in a cave for a time. I lived there for a year and a half. I went in there thinking I would have to walk less and because the pigs from around the farms, the plots, and the small landholdings used to come to a kind of swamp just outside the mouth of the cave. They went to take a bath and wallow around. I caught them easy enough because big bunches of them came. Every week I had a pig. That cave was very big and dark like the mouth of the wolf. It was called Guajabán. It was near the town of Remedios. It was dangerous because it had no way out. You had to go in through the entrance and leave by the entrance. My curiosity really poked me to find a way out. But I preferred to remain in the mouth of the cave on account of the snakes. The majases [large Cuban boa constrictors] are very dangerous beasts. They are found in caves and in the woods. Their breath can’t be felt, but they knock people down with it, and then they put people to sleep to suck out their blood. That’s why I always stayed alert and lit a fire to scare them away. If you fall asleep in a cave, be ready for the wake. I didn’t want to see a majá, not even from a distance. The Congos, and this is true, told me that those snakes lived more than a thousand years. And as they approached two thousand, they became serpents again, and they would return to the ocean to live like any other fish.
Inside, the cave was like a house. A little darker, naturally. Oh, and dung, yes, the smell of bat dung. I walked on it because it was as soft as a mattress.
The bats led a life of freedom in the caves. They were and are the masters of them. All over the world it’s like that. Since no one kills them, they live a long time. Not as long as the snakes, for sure. The dung they drop works afterward as fertilizer. It becomes dust, and it’s thrown on the ground to make pasture for animals and to fertilize crops.
One time that place nearly burned up. I lit a fire, and it spread all through the cave. The bat shit was to blame. After slavery I told the story to a Congo. The story that I had lived with the bats, and that joker, they could sometimes be more jokers than you might imagine, he said: “Listen here, boy, you know nothin’. In my country that thing what you call a bat is big like a pigeon.” I knew that was a tall tale. They fooled nearly everyone with those stories. But I heard it, and smiled inside.”

 2115233-8e20a95a5fb1edd7392c4a03aedc87e3.jpg
Miguel Barnet (Havanna, 28 januari 1940)

 

 

De Engelse schrijver en literatuurwetenschapper David Lodge werd geboren op 28 januari 1935 in Londen. Zie ook alle tags voor David Lodge op dit blog.

Uit: Quite A Good Time to be Born

“I drew my first breath on the 28th of January 1935, which was quite a good time for a future writer to be born in England, especially one belonging to a lower-middle-class family like mine.
It meant that I would have plenty to write about and an education that, though patchy up to secondary level, gave me the skills and motivation to do so. Four and a half years old when the Second World War began, and ten and half when it ended, I retained some personal memories of that epic struggle, the hinge on which twentieth-century history turned.
My gener­ation was the first in Britain to benefit from the 1944 Education Act, which established free secondary education for all, and free tuition with means-tested maintenance grants for those who competed successfully for admission to a university. Like many others I was promoted by education into the professional middle class, and lived through an extremely interesting period in English social history, when the stratified classes of pre-war Britain gradually melded to create a more open and fluid society.
I was brought up in the Roman Catholic faith, which had not significantly altered in its beliefs and devotional practice since the Counter-Reformation and had successfully resisted the intel­lectual and moral challenges of modernity, but which from the 1960s onwards underwent a series of momentous changes and internal conflicts. Catholicism has stimulated my imagination as a novelist both before and since that upheaval. Over the same period there were several technological developments which have transformed social and cultural life, such as ubiquitous access to television, affordable global air travel, the contracep­tive pill and the microchip.
I was fortunate, I think, in having the major part of my career as a writer in that more stable milieu.
This last invention, which enabled the production of the personal computer, the laptop, the internet, email, mobile phones and ebooks, has had a powerful but ambivalent effect on the production of literature. These tools have undoubtedly made the work of writers easier. Information that could only be retrieved in the past by hours or days of research in libraries can now be obtained in seconds with a few keystrokes, and word-processing software has made revision, which is at the very heart of literary composition, physically effortless.”

 

 2115233-268fe644819671bdf15a2320c2490310.png
David Lodge (Londen, 28 januari 1935) 
Cover 

 

 

De Duitse dichter en schrijver en uitgever Manfred Jendryschik werd geboren op 28 januari 1943 in Dessau. Zie ook ook alle tags voor Manfred Jendryschik op dit blog.

Uit: Vermutungen über einen, zum Beispiel Schatzsucher (Zu Erich Köhlers Werk)

„Was für eine Landschaft, dieser Strich Erde: grün und blau, schön auch die Bäume, die die Schneise zum Wasser hinunter begleiten, in den anliegenden Gärten sind die Latten zu Zunder gedorrt, unterm Flugsand bleckt das Emailleschild: Vorsicht, bissiger Hund!, so heißt es in altertümlichem Gesang, oder man kommt von den Boots­stegen herauf, hat noch Zeißbergs Johannisbeerkuchen zwischen den Zähnen und blickt zur Terrasse, auf der sich die jungen beredsamen Dichter tummeln wie Windhunde vor dem Start, da tritt einer aus der Tür, der gar nicht zu passen scheint ins ehemalige Landhaus der Marika Rökk, in Joppe und Reitstiefeln etwa und der Kopf wie aus der Bauernzeitung, oval, schütteres Haar, schwarz gleich dem Schnauz­bart, der geht schweigend und lächelnd an den Freunden vorbei, die Schritte vorsichtig, leicht wiegend, der gedrungene Körper wenig nach vorn gebeugt, aber das kann Vermutung sein oder die Perspektive. Oder wir sitzen abends bei diesem schrecklichen Rotwein, Irm­traud, die Gauklerlegende, der animierte Czechowski und er, seine Kohlrabenaugen gucken intensiv und abwägend und neugierig, daß man sich die Worte überlegt, er schaut über den Rand seines Rotweinglases und dann auf Irmtrauds ägyptisches Haar, sagt end­lich etwas und sogleich ohne Übergangsfloskeln, das ist verwirrend in diesem gebildeten Haus, zum Beispiel, daß er einem Erkundungs­trupp des Kraftwerkes Lübbenau angehört, der sich mit Kyberneti­schem beschäftigt, Probleme über Probleme, also doch nicht Bauer, wie die Mutmaßung glaubte, eher Schatzsucher im Bereich der Formeln, der Zeichen, die ein Land verändern, unaufhörlich, unbe­dingt. Seine Stimme ist verhalten, abrupt, des öfteren nuschelnd, daß Demosthenes seine Freude gehabt hätte, denn dieser Mann bedeutete eine Lebensstellung, außerdem die Vokale wie erzgebir­gisch, und dann sagt er in seiner nuschelnden Unverschämtheit Sätze, zum Beispiel: Jedes Teilsystem soll für sich ultrastabil sein und ist als solches zugleich Bestandteil eines übergeordneten multi­stabilen Systems, und so weiter, daß man erst meint, man hätte sich verhört, aber dieses kleine Männchen hinter dem Rotweinglas bleibt in dieser Sprache einschließlich des ironischen Bekenntnisses: Ich bin die Grundzahl Mensch, im Exponenten eine Summe aus dem aufgehobenen Problem plus dem neugewonnenen Quentchen Zu­wachskraft, und allmählich merkt man, daß er nicht nur ein richtiger Schriftsteller ist.“

 

 2115233-9f5ed1a439250aa1f38e212a101f3ed4.jpg
Manfred Jendryschik (Dessau, 28 januari 1943)

 

 

De Amerikaanse schrijver, satiricus en komiek Mo Rocca werd geboren op 28 januari 1969 in Washington, DC. Zie ook alle tags voor Mo Rocca op dit blog.

Uit: All the Presidents' Pets

"Don't you 'Hey, Les' me, Mr. Adorable Café Club Car Undercover Agent, you! Give me a hug!!" I awkwardly hugged Lesley over the counter. "I'd kiss you but your sexy Magnum, P.I. mustache might burn me! And, Phil, what on earth are you doing shooting for CABLE?!" The way she shrieked "cable" made me want to put my head in the microwave.
Phil seized the chance to take a swipe at me. "Helping the needy," he sneered.
Lesley threw her head back with a laugh. "We really miss you at the network, honey," she said to me, grabbing my hand. She couldn't resist adding, "But cable allows you to focus on hard news. No fluff here." She and Phil both cackled.
There was no denying I looked silly. Then again, Lesley was wearing a pink leather jacket, miniskirt, and spike heels. Was she off to cover a rumble between the Sharks and the Jets?
"So what's going on in D.C.?" Phil asked her, hoping that she might sweep him off to an interview with some visiting head of state.
"The anniversary of Chandra Levy's disappearance," she said, suddenly somber.
"60 Minutes?" Phil asked.
Lesley quickly changed the subject-she must have been shooting for 48 Hours. She looked up at the menu. "Mo, sweetie, tell me about this Maine lobster wrap 'enhanced with lemon mustard aioli, complemented by crisp cabbage slaw.' Very fancy-sounding." By the time she finished reading she was leaning almost over the counter, one leg, bent at the knee, sexily kicked up behind her.“

 

 2115233-b207b19788c966b1db060cd153910fd8.jpg
Mo Rocca (Washington, 28 januari 1969)
Hier in het midden tijdens de Broadway Bares, New York

 

 

De Duitse schrijver Hermann Peter Piwitt werd geboren op 28 januari 1935 in Wohldorf bij Hamburg. Zie ook alle tags voor Hermann Peter Piwitt op dit bog.

Uit: Die Gärten im März

„Einen Moment lang stehen wir schweigend im Flur. Zange hat die Pfeife zwischen den Zähnen. Aus Augen, die noch schmaler sind als sonst, späht er an mir vorbei; und als spüre er, daß ich noch etwas sagen möchte, — als gelte es, irgend etwas noch einmal um Verständnis Bittendes, Vertröstendes, einen Vorschlag zur Güte, irgendein in seinen Augen kompromißlerisches Gefühl gar nicht erst bei mir aufkommen zu lassen, lacht er auf einmal durch Zähne, die die Pfeife halten, dieses kurze stoßende Zange-Lachen, das immer wie >Aha< und >Siehst du< und >Hab ich's nicht gesagt?< und >So nicht, mein Freund!< klingt. Nein, so nicht! sagt Zange, da müsse sich der Herr schon entscheiden, wo er stehe, da gäbe es halbe Sachen nicht. Kein >Wenn und aber<, keine Alleingänge und kein >keine Zeit<! Und Lea sagt: Ein schöner Freund, wirklich. Oder habe ich nicht recht, Rolf?
Aus dem Fenster sehend, durch die Scheibe, auf der eine blasse Sonne die Regenflecken abbildet, wenn ich aus dem Fenster sehe, schrieb er, Ponto, sehe ich hinter dem Garten, hinter den Apfelbäumen das flache Land sich hinziehn, Weiden und Äcker, in denen das Schmelzwasser steht, in die sich Wegschneisen legen, Koppelzäune, Gräben, die Luft ist ruhig, und auch ich bin ruhig jetzt, wo ich den Gartenweg hinuntergehe, vorbei am Schuppen, an den Holzstapeln und der umgestürzten Badewanne, die noch immer so liegt, wie er, Ponto, sie beschrieben hatte: umgestürzt und im tiefen Boden halb eingesunken; vorbei am Holundergebüsch, an den Kopfweiden bei der Pforte gehe ich, versuche ich seinem Blick von damals nachzugehen, hinein ins offene Land. Die Gräben sind übergelaufen. Noch am Tag zuvor, als ich im Dorf ankam, liefen hier die Kinder Schlittschuh, konnte man ihre Gesichter, die bunten Wollmützen hinter dem Reet, bis in den frühen Abend vorbeiflitzen sehen; jetzt steht das Wasser zwischen den Horsten alten Grases, naß, strähnig und verklebt liegt es da, die Weiden sind leer, er hatte von Vieh geschrieben, das hier von Grind und Schmutz überzogen, mit vom Fell halbentblößten Rücken und Flanken, den Winter über verkam, von einer Seuche, von glasigen Nebeln, von plötzlich hereinbrechendem föhnigem Sturm, der ihm das Herz abdrücke, sagte er, von den ständigen Schmerzen hinterm Brustbein und dem Wunsch, noch nicht sterben zu müssen, obwohl er nicht wisse, was ihn am Leben noch hielte, da ihn niemand vermisse, brauche, nicht einmal mehr, jetzt wo sie tot sei, seine Katze.“

 

 2115233-a2a50b5d70a0aef65ddaed18ce03daae.jpg
Hermann Peter Piwitt (Wohldorf, 29 januari 1935)
Landarbeiderhuisjes in Wohldorf

 

 

De Franse schrijfster Colette werd geboren op 28 januari 1873 in Saint-Sauveur-en-Puisaye. Zie ook alle tags voor Colette op dit blog.

Uit: Claudine en ménage

« Un reste de bon sens attarde ma main, avant de sonner chez Rézi. Mais ce bon sens-là, je le connais puisque c'est le mien, il me sert, juste une minute avant les gaffes, à goûter ce plaisir lucide de me dire : "C'est la gaffe."Avertie, j'y cours sereine, bien calée par le poids rassurant d'une entière responsabilité.
(…)

– Renaud, pensez-vous qu’elle soit vicieuse ?
– Je t’ai dit, ma folle petite fille, que je ne connaissais point d’amants à Mme Lambrook.
– Ce n’est point cela que je vous demande. Avoir des amants, ça ne veut pas dire qu’on est vicieuse.
– Non ? Alors, qu’entends-tu par vice ? l’uni-sexualité ?
– Oui et non, ça dépend comment on la pratique. Mais ce n’est pas encore ça, le vice.
– Je m’attends à une définition pas ordinaire !
– Je regrette de vous donner une déception. Car enfin, ça tombe sous le sens. Je prends un amant…
– Eh là !
– C’est une supposition.
– Une supposition qui va t’attirer une fessée !
– Je prends un amant, sans amour, simplement parce que je sais que c’est mal : voilà le vice. Je prends un amant…
– Ça fait deux.
– … un amant que j’aime, ou simplement que je désire – restez donc tranquille, Renaud ! – c’est la bonne foi naturelle et je me considère comme la plus honnête des créatures. Je résume : le vice, c’est le mal qu’on fait sans plaisir.
– Si nous causions d’autre chose, veux-tu ! Tous ces amants que tu as pris… j’ai besoin de te purifier…
– Va pour la purification.”

 

 2115233-8b1df131da2fe5a64f6915789bdf52c8.jpg
Colette (28 januari 1873 – 3 augustus 1954)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Christian Felix Weiße werd geboren op 28 januari 1726 in Annaberg, in het Erzgebergte. Zie ook alle tags voor Christian Felix Weiße op dit blog en ook mijn blog van 28 januari 2010.

 

Der Zauberer

Ihr Mädchen, flieht Damöten ja!
Als ich zum erstenmal ihn sah,
Da fühlt' ich, so was fühlt' ich nie,
Mir ward, mir ward, ich weiß nicht wie,
Ich seufze, zitterte, und schien mich doch zu freu'n;
Glaubt mir, er muß ein Zaub'rer sein.

Sah ich ihn an, so ward mir heiß,
Bald ward ich rot, bald ward ich weiß,
Zuletzt nahm er mich bei der Hand;
Wer sagt mir, was ich da empfand?
Ich sah, ich hörte nichts, sprach nichts als ja und nein;
Glaubt mir, er muß ein Zaub'rer sein.

Er führte mich in dies Gesträuch,
Ich wollt' ihm flieh'n und folgt' ihm gleich;
Er setzte sich, ich setzte mich;
Er sprach, nur Sylben stammelt' ich;
Die Augen starrten ihm, die meinen wurden klein;
Glaubt mir, er muß ein Zaub'rer sein.

Entbrannt drückt' er mich an sein Herz,
Was fühlt' ich Welch ein süßer Schmerz!
Ich schluchzt', ich atmete sehr schwer,
Da kam zum Glück die Mutter her;
Was würd', o Götter, sonst nach so viel Zauberei'n,
Aus mir zuletzt geworden sein!

 

 2115233-2b694c72989a439f1d48ad7964065c4c.jpg
Christian Felix Weiße (28 januari 1726 – 16 december 1804)
Cover

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008 en eveneens mijn blog van 28 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 14:06 Reageer op dit bericht

Rudolf Geel, Paolo Cognetti, Ethan Mordden, Lewis Carroll, Arie van der Krogt, Harvey Shapiro

De Nederlandse dichter en schrijver Rudolf Geel werd geboren in Amsterdam op 27 januari 1941. Zie ook alle tags voor Rudolf Geel op dit blog.

Uit: De voeten van Petrus

“3
Daar zal je het gedonder hebben. Vannacht heeft zij gedroomd van ‘allerlei Romeinse keizers’. En er slecht van geslapen natuurlijk. Ik kan nu onmogelijk bekennen (bij zoveel cultuur) dat ik droomde van een soort spionnage-affaire in een science-fictionachtige wereld, waarin een kopjeduikelende Chinese voorkwam met onder andere een bamboe-broekje aan.

4
Naast mij ligt een steentje. Ik haast mij eraan toe te voegen dat het afkomstig is van een tegen een muur gezet stuk mozaïekvloer in de thermen van Caracalla. Ik raakte het aan en zie: het liet los, in tegenstelling tot heel wat andere steentjes die ik met enige kracht probeerde te verwijderen.
Wat ga ik met dit brokje handwerk beginnen? Uiteindelijk zal ik het toch ergens verliezen omdat ik er niets aan heb. Om de waarheid te zeggen, is het een onooglijk stukje grijze steen, 1 × 1 × 2. Er zit nog wat cement aan vast. Ik zal het aan mijn vriend, de classicus H. ter hand stellen en hem vragen enkele conclusies te trekken. Als het maar conclusies zijn, iets definitiefs, want ik heb het niet voor niets meegesjouwd. Ik had veel liever een mooi rood stukje meegenomen, of bruin, ik moet zeggen dat de vloeren van de thermen prachtig zijn, hoezeer het gebouw mij ook verder tegenvalt. Met die thermen is het zo, en ieder die er geweest is zal het beamen: ze zijn niet meer wat ze geweest zijn. In de reisgids worden ze ook omschreven als ‘de prachtige ruïnes van’ en dat is overdreven. Het zijn ruïnes, dat is niet te loochenen. Achter deze ruïnes wonen mensen en als ìk er woonde zou ik de gemeente opbellen om te vragen wanneer ze die troep voor mijn deur eens zouden komen weghalen. Dit spijt mij. Ik zou het natuurlijk niet werkelijk vragen. Ik had echter graag echte thermen gezien, zoals in Pompeji en Herculaneum. En dan veel groter, zoals ze in werkelijkheid ook waren.
En dan had ik er kunnen rondlopen, vrijwel alleen. En ik had er die bolle koppen teruggezien en vrouwen, in rimpelend water gezeter op de mozaïek van een sater, maar nu heb ik alleen dit steentje en hoezeer ik het ook wrijf: er gebeurt niets. Het is gewoon een rotsteentje, gevonden in een door operarekwisieten verstoorde wildernis.”

 

 2114913-c853e8a8251087f9dc9db12ed87e441e.jpg
Rudolf Geel (Amsterdam, 27 januari 1941)

 

 

De Italiaanse schrijver Paolo Cognetti werd geboren in Milaan op 27 januari 1978. Zie ook alle tags voor Paolo Cognetti op dit blog.

Uit: De acht bergen (Vertaald door Yond Boekeen Patty Krone)

“Mijn vader had in de bergen zo zijn eigen manier van wandelen. Daar was weinig meditatiefs aan, het was een en al eigenzinnigheid en bravoure. Hij klom zonder zijn krachten te doseren, ging altijd met iemand of iets de strijd aan en als hij het pad te lang vond, klom hij gewoon recht omhoog. Als je met hem mee was, was het verboden te pauzeren en verboden te klagen over honger, vermoeidheid of kou, maar een lied zingen mocht wel, vooral als het onweerde of als er dichte mist hing. En ook joelen als je je over de sneeuwvelden omlaag stortte.
Mijn moeder, die hem had leren kennen toen hij nog een jongen was, zei dat hij ook toen al op niemand wachtte en er altijd op gebrand was iedereen in te halen die hij boven zich zag: je moest dus stevige benen hebben om jezelf in zijn ogen aantrekkelijk te maken, en lachend liet ze doorschemeren dat zij hem op die manier had veroverd. Later ging ze, in plaats van bergtochten te maken, liever in het gras zitten, of stak ze haar voeten in een beekje, of bedacht ze hoe bepaalde grassen en bloemen heetten. Ook als ze boven op een berg stond, vond ze het vooral leuk om naar de toppen in de verte te kijken, te denken aan die uit haar jeugd en zich voor de geest te halen wanneer ze daar was geweest en met wie, terwijl mijn vader, eenmaal op een top aangekomen, werd overvallen door iets van teleurstelling en alleen nog maar naar huis wilde.
Ik denk dat het tegengestelde reacties waren op eenzelfde gevoel van nostalgie. Mijn ouders hadden rond hun dertigste het platteland van de Veneto verlaten, de streek waar mijn moeder was geboren en waar mijn vader als oorlogswees was opgegroeid, en waren naar de stad getrokken.
Hun eerste bergen, hun eerste liefde, waren de Dolomieten geweest. Ze noemden die soms in hun gesprekken, toen ik nog te klein was om de conversatie te volgen – maar sommige woorden sprongen eruit, klonken scheller, betekenisvoller. De Catinaccio, de Sassolungo, de Tofana, de Marmolada. Mijn vader hoefde maar een van die namen te noemen of mijn moeders ogen begonnen te glanzen.”

 2114913-b7b14ec77e2b2d79087713f040bdb2a1.jpg
Paolo Cognetti (Milaan, 27 januari 1978)

 

 

De Amerikaanse schrijver Ethan Mordden werd geboren op 27 januari 1947 in Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Ethan Mordden op dit blog.

Uit: Buddies

“My two younger brothers have driven up from Los Angeles to visit my folks in Sacramento; I call in from the metropolis, New York. Brother Andrew is on the phone, and in the background the dogs and Mother are barking. "No, you can't make pizza!" she cries. "Get out of the refrigerator! Where did you find that revolting shirt? Your socks don't match! Wash your hair! Who left these dishes in the sink? Don't you dare touch that cheese — I said you cannot make pizza! The kitchen is closed! And stop that belching; I'm not one of your contemporaries, you know!"
"Guess who hasn't mellowed?" says Andrew.
Actually, she has. My dad, as a character in my childhood, was as peaceful as a Rodin, ensconced in his chair, dreaming deep in a book (whereupon we kids would hit him for advances on our allowance — by my fourteenth birthday I was overdrawn through 1997). But Mother was a series of interrogations, moralistic harangues, and grouchings. She would even attempt making corporal correction upon us (we would simply head for the dining room and run around the table until she wore out or caught my littlest brother Tony). Two less alike parents there never were. Yet they agreed on the basics: love them, give them culture, and treat them for life as if they were permanently stuck at the age of eight.
Parents are tyrants, even the nice ones. I recommend taking the offensive as surely and early as possible, never letting up — and my system works, for I had a reasonably cute childhood, an amusing adolescence, and a profitable teenage career. My oldest brother Ned, a vaguely Fitzgeraldian figure, made a stab at defining a code for us kids, but it wasn't a conquering code. It reflected too much, stuttered, yearned. A code should confront. Ned was more afraid of taking power than of suffering engulfment. Through trial and error, I trimmed his romantically elaborated novel of wistful resistance into a terse handbook whose name was Defiance: Rule One: Don't try to love Them; just get along with Them. Love in families only makes for ghastly scenes that will haunt you for life.
Rule Two: Obeying Their rules only encourages Them to create new ones. Disobey as often as possible: for gain, for sport, for the art of it.
Corollary: Pursue the rebellion by being perversely nonconformist in all things — try, in fact, to act as if you're committing an enormity even when what you are doing is technically permissible. For instance, on the day report cards come out, you — having achieved straight A's — arrive home with your face alternating looks of shame and dread. They will pounce on your card, gloating and drooling as they dream up new and terrible punishments. Then They'll see the honorable grades, perhaps Teacher's enthusiastic commentary ("... though he does insist on organizing chic brunches during blanket hour"), and They'll begin to blush, stutter, babble. Don't grin at Them, revealing the art of the stunt: look innocent and ever so slightly wounded. They'll avoid you in fear for days.“

 
 2114913-0eb62c179db44a7089b86d8d407cc462.jpg
Ethan Mordden (Pennsylvania, 27 januari 1947)
Cover

 

 

De Engelse dichter en schrijver Lewis Carroll werd op 27 januari 1832 in Daresbury geboren. Zie ook alle tags voor Lewis Caroll op dit blog.

Uit: Alice in Wonderland

'Would it be of any use, now,' thought Alice, 'to speak to this mouse? Everything is so out-of-the-way down here, that I should think very likely it can talk: at any rate, there's no harm in trying.' So she began: 'O Mouse, do you know the way out of this pool? I am very tired of swimming about here, O Mouse!' (Alice thought this must be the right way of speaking to a mouse: she had never done such a thing before, but she remembered having seen in her brother's Latin Grammar, 'A mouse — of a mouse — to a mouse — a mouse — O mouse!' The Mouse looked at her rather inquisitively, and seemed to her to wink with one of its little eyes, but it said nothing.
'Perhaps it doesn't understand English,' thought Alice; 'I daresay it's a French mouse, come over with William the Conqueror.' (For, with all her knowledge of history, Alice had no very clear notion how long ago anything had happened.) So she began again: 'Ou est ma chatte?' which was the first sentence in her French lesson-book. The Mouse gave a sudden leap out of the water, and seemed to quiver all over with fright. 'Oh, I beg your pardon!' cried Alice hastily, afraid that she had hurt the poor animal's feelings. 'I quite forgot you didn't like cats.'
'Not like cats!' cried the Mouse, in a shrill, passionate voice. 'Would you like cats if you were me?'
'Well, perhaps not,' said Alice in a soothing tone: 'don't be angry about it. And yet I wish I could show you our cat Dinah: I think you'd take a fancy to cats if you could only see her. She is such a dear quiet thing,' Alice went on, half to herself, as she swam lazily about in the pool, 'and she sits purring so nicely by the fire, licking her paws and washing her face — and she is such a nice soft thing to nurse — and she's such a capital one for catching mice — oh, I beg your pardon!' cried Alice again, for this time the Mouse was bristling all over, and she felt certain it must be really offended. 'We won't talk about her any more if you'd rather not.'

 

 2114913-8ec853482f4b17b2dfb78241d6fa7f05.jpeg
Lewis Carroll (27 januari 1832 – 14 januari 1898)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver, vertaler, zanger en liedjesschrijver Arie van der Krogt werd geboren in Zoeterwoude op 27 januari 1952. Zie ook alle tags voor Arie van der Krogt op dit blog.

 

Blauw op straat, blauw op straat

Iedereen wil blauw op straat
Zelfs in de Gouden Regenstraat
Daar wil men blauw op straat
Er is hier veel onveiligheid
In onze mooie stad
Je hebt je fiets nog niet op slot
Of hij is alweer gejat
Ook Peper was de dupe
Van een overval
Want, ze jatten hier gewoon
De stenen uit je gal

Blauw op straat, blauw op straat
Iedereen wil blauw op straat
Ook in de Zwarte Paardestraat
Daar wil men blauw op straat
Soms ga ik wel eens stappen
Op de Wilhelmina Pier
En dan naar huis over de Zwaan
Stomdronken van het bier
Ze zeggen: Hij heeft een pyloon
Maar ik zie er altijd twee
En als het heeft gewaaid
Dan hangt ie vol met macrame

Blauw op straat, blauw op straat
Iedereen is blauw op straat
In de Oranjeboomstraat
Daar is men blauw op straat
Ja, dronken op m'n fiets rij ik
Naar huis over de Zwaan
En altijd komt dan weer net
Een blik agenten aan
"Wilt u hier even blazen?"
Vraagt een politieman
"Helaas", zeg ik "ik denk niet
Dat die brug daar tegen kan"

Blauw op straat, blauw op straat
Iedereen wil blauw op straat
Zelfs in de Joost van Geelstraat
Daar wil men blauw op straat
Je ziet het in de hele stad
Daar barst het van het blauw
En dat is, waarom ik zoveel
Van toezichthouders hou
Ja, toezichthouders dat is echt
De club die ik verkies
Want toezichthouders hebben
Op hun broek een rooie bies
Want toezichthouders hebben
Op hun broek een rooie bies
Want toezichthouders hebben
Op hun broek een rooie.... streep

 

 2114913-93f19e8473eb5dbf1ca0116f1d8d4b77.jpg
Arie van der Krogt (Zoeterwoude, 27 januari 1952)

 

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Zie ook alle tags voor Harvey Shapiro op dit blog.

 

Nights

Drunk and weeping. It's another night
at the
live-in opera, and I figure
it's going to turn out badly for me.
The dead next door accept their salutations,
their salted notes, the drawn-out wailing.
It's we the living who must run for cover,
meaning me. Mortality's the ABC of it,
and after that comes lechery and lying.
And, oh, how to piece together a life
from this scandal and confusion, as if
the gods were inhabiting us or cohabiting
with us, just for the music's sake.

 

 

Walker Under Water

In the blue oxygen, what I saw,
My valve fluttering its song,
My ears tight to the static.
I perceived that I was rocked
In the body of the plane. Aquatic,
The rarefied air frosted my lashes,
Congealed breath sparkled my scarf.
Deepsea diver, aware of the silvery fins.

So gloved and chuted, wired into my bones,
I rode the day, Austria
An ant's plan underfoot.
In that perilous seat above cities
I mixed into my own breathings
And waited, exposed as a stone.
Sunlight through plexiglass above my head
Was light without sun, a blue wash of cold.

What I recall now, seated in my room,
Having sloughed off the glory and the pose
That place where the oxygen faltered
And the diaphragm's pulse went closed,
And they pried me, sleeping, from the sea.
How to wake from such silence into singing?
Such cold as I have known.

 

 2114913-73b145355a09d4a1164558775824e749.jpg
Harvey Shapiro (27 januari 1924 - 7 januari 2013)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e januari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2008 en eveneens mijn blog van 27 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 12:34 Reageer op dit bericht

Leopold von Sacher-Masoch, Benjamin von Stuckrad-Barre, Neel Doff, Eliette Abécassis, Mordecai Richler, James Grippando

De Duitse schrijver Leopold Ritter von Sacher-Masoch werd geboren op 27 januari 1836 in Lemberg. Zie ook alle tags voor Leopold von Sacher-Masoch op dit blog.

Uit:Der Capitulant

“Wer in leichter Gondel im stillen Meere schwimmt, das Element mit sich spielen, die schattenhaft gezeichneten Ufer des festen Landes, der Inseln hinter sich versinken läßt, die Luft über sich, ein zweites Meer mit wogenden Wolken ahnungsvoll schaut, wird mich vielleicht verstehen, wenn ich von der galizischen Fläche, dem winterlichen Schneeocean, der Fahrt in dem flüchtigen Schlitten berichte. Es zieht die Menschenseele wehmüthig sehnsuchtsvoll an, der Ocean wie die Ebene. Nur ist der Flug im Schlitten rascher, adlerhafter – während sich der Kahn im Wasser wie eine Ente in der Luft wälzt – nur ist die Farbe der unendlichen Fläche, ist ihre Melodie ernster, düsterer, drohender, man sieht die Natur in ihrer Nacktheit, den Kampf des Daseins, man fühlt den Tod näher, man empfindet seine Atmosphäre, man hört seine Stimmen.
Mich lockte der lichte Winternachmittag hinaus. Ich hatte die Fahrt beschlossen, mein Fuchs war krank, nicht jedes Pferd geht gut im Schnee, ich ließ den Mausche Leb Kattun kommen, einen großen Kutscher vor dem Herrn, und seine verläßlichen Pferde vor meinen Schlitten spannen. Der Tag war prächtig, die Luft stand still, auch das Licht, die goldenen Sonnenwellen zitterten nicht im leichten Dunste der Erde. Luft und Licht waren ein Element. Auch im Dorfe war Alles still, kein Ton verrieth die Bewohner der schweigsamen Strohhütten, nur die Sperlinge flogen an den Zäunen in Schaaren auf und schrieen.
Weiter stand ein kleiner Schlitten mit einem hinkenden Pferdchen bespannt, nicht größer als ein Fohlen; auf dem führte ein Bauer Holz aus dem Walde, sein halbgewachsenes Mädchen rief ihn und watete mit bloßen Füßen durch den ellenhohen Schnee nach einem kleinen Scheite, das er verloren hatte.
Wie wir den kahlen Berg hinabflogen mit klingenden, hellen Glöckchen, lag die Ebene vor uns, unermeßlich, unfaßbar, unendlich. Der winterliche Hermelin gab ihr die höchste Majestät. Sie war ganz von ihm bedeckt, nur die kahlen Stämme der niederen Weiden, entfernter einzelne langatmige Heidebrunnen, in der Ferne ein paar verlorene rußige Hütten, zeichneten sich schwarz auf dem weißen Schneepelz.
Mausche Leb Kattun schüttelte sich und schrie. Der erste Blick in die Ebene wirkte bei ihm wie schnelles Gift; seine palästinische Phantasie begann in biblischen Phrasen zu reden, sie kam mit einem einzigen Flügelschlag aus der Region der Pelzthiere in jene der Palmen und Zedern; es warf ihn auf dem Bocke wie einen Fieberkranken, er grub in seinem Hirn nach tausend Bildern für das eine Unfaßbare, das ihn quälte, er spuckte die Gleichnisse zu Dutzenden aus, bis ich ihn schweigen hieß. Jetzt murmelte er vor sich hin. Ich weiß nicht, ob er das Gespräch mit sich selbst fortsetzte, ob er betete? ob er endlich das Gleichniß gefunden? ein unendliches weißes Papier, auf das er seine unendlichen Rechnungen schrieb und zählte, und zählte.“

 

 2114910-289c9ff8b508660b2b25ce329077b68e.jpg
Leopold von Sacher-Masoch (27 januari 1836 – 9 maart 1895)
Het huis in Lindheim waar von Sacher-Masoch de laatste jaren van zijn leven woonde.

 

 

De Duitse schrijver Benjamin von Stuckrad-Barre werd op 27 januari 1975 in Bremen geboren. Zie ook alle tags voor Benjamin von Stuckrad-Barre op dit blog.

Uit: Panikherz

„Jetzt keinen Fehler machen. Freundlich, aufgeräumt, klar, unverdächtig wirken. Immer wenn man das versucht, wirkt man natürlich besonders verdächtig. Ich fange an zu schwitzen. Schon bei dem Herrn vor uns hat es zehn Minuten gedauert, und der sah nun wirklich so aus, wie ein Zwölfjähriger einen seriösen Geschäftsmann malen würde.
Erst jetzt bemerke ich, dass Udo tatsächlich Zigarre raucht, ganz lässig, beiläufig, im Flughafengebäude, im rauchparanoiden Amerika.
Hi, hi, yeah, here we are, happy to be here again, how are you doing man, good looking, sagt Udo und pafft an seiner Zigarre. Und ich denke: Das war’s dann.
Der Uniformierte ist nicht zu Späßen aufgelegt. Doch da kennt er Udo schlecht. Den aus der Ruhe zu bringen, da braucht es schon mehr, als missmutig zu gucken und zu bellen: No smoking, Sir!
Oh, excuse me, yeahyeahyeah, sagt Udo friedlich – und lässt die Zigarre brennen, hält sie aber jetzt auf Gürtelhöhe, das ist sein Kompromissangebot. Ich versuche, das Schlimmste zu verhindern, und geselle mich dazu, werde aber streng zurück hinter die Absperrung geschickt, Einzelvernehmung. Und so kann ich nicht eingreifen und sehe und höre nur, wie alles immer schlimmer wird. Udo hört gar nicht auf zu reden.
Der Uniformierte fragt Udo, was er beruflich mache. Schon toll, dass Udo das noch mal gefragt wird in seinem Leben. I’m a musician, started as a drummer, you know, back then, hundred years ago …“

 

 2114910-16e46317eda011a8be8e9df0d7902dab.png
Benjamin von Stuckrad-Barre (Bremen, 27 januari 1975)
Hier tijdens een turbulente lezing van “Panikherz” in 2016

 

 

De Franstalige, maar oorspronkelijk Nederlandse schrijfster Neel Doff werd geboren in Buggenum op 27 januari 1858. Zie ook alle tags voor Neel Doff op dit blog.

Uit: Keetje Tippel

“Hein en ik kwamen van de stalhouderij. We waren in de zevende hemel: vader had voor ons allebei een paar schoenen gekocht van dik zwaar leer, en twee maten te groot voor de groei. Wij liepen als pauwen de Nieuwendijk af, helemaal opgewonden van geluk en aan één stuk door over de schoenen pratend. Onze voeten sloften er bij iedere stap uit en weer in. We gingen natuurlijk ook op een stoeprand zitten om de veters opnieuw vast te maken.
Toen ik thuiskwam, stond het klamme zweet op mijn voorhoofd. Ik deed mijn schoenen uit: mijn hielen waren helemaal opengeschaafd. Maar ja, wat zou dat! Ik kon die schoenen wel drie jaar dragen, had de vrouw gezegd, dus wat kon me dat velletje van mijn hielen schelen? Alles liever dan de klompen van moeder afdragen, waar ik om werd uitgelachen en waar ik trouwens steeds in viel. Hein zat ook naar zijn voeten te kijken: bij hem bloedden de tenen.
‘Maar wat hindert het, 't zijn prachtschoenen: leer zo dik als een vinger, en hárd dat het is! 't Zijn knotsen! En de mijne gaan ook drie jaar mee, die vrouw heeft het van alle twee de paren gezegd, niet alleen van de jouwe.’
Wij stopten vlug een prop papier in de neus en klommen de schoenen weer in om ze aan onze vriendjes op straat te laten zien.
Die avond gingen Hein en ik kreunend en steunend naar bed, zo'n pijn deden onze ontvelde voeten. Vader was woest. Wie had ooit zulke kinderen meegemaakt! Als zijn moeder voor hém een paar klompen had gekocht, was hij daar zo blij mee geweest dat z'n voeten af hadden kunnen vallen eer hij klaagde.
‘Ik breng ze terug, dat zal ze leren!’
Wij sprongen uit bed.
‘Nee, vader, vadertje, nee hoor, niet terugbrengen, 't zijn onze mooie schoenen, ze doen helemaal geen pijn!’
En Hein en ik verborgen de schoenen onder onze strozak. En elke keer als we wakker werden, voelden we of ze er nog wel waren.”

 

 2114910-76efa62f9500fc38711e9d294b1af99d.jpg
Neel Doff (27 januari 1858 – 14 juli 1942) 
De Dorpsstraat in Buggenum rond 1910

 

 

De Franse schrijfster Eliette Abécassis werd geboren op 27 januari 1969 in Straatsburg. Zie ook alle tags voor Eliette Abécassis op dit blog.

Uit: Sépharade

« Nous avons tous des identités multiples. Nous venons tous d'un pays, d'une ville, ou d'une rue qui nous définit et nous marque à jamais. Nous sommes issus d'une culture ancestrale qui nous emprisonne autant qu'elle nous féconde. Dans la vie, nous jouons des rôles qui changent en fonction de la situation et de l'interlocuteur, du lieu et du moment : nous existons, multiples à nous-mêmes, ignorant l'origine de ces identités qui surgissent malgré nous, et qui nous déterminent, dans nos actions, nos pensées et nos sentiments. Nous sommes empruntés et confisqués par notre passé, que nous empruntons et confisquons à notre tour, essayant de savoir qui nous sommes, en cette quête infinie qui commence au premier cri, qui ne s'achève jamais — et qui s'appelle la vie. Nous sommes les acteurs d'une saga formée de toutes les histoires de notre passé, des gestes et des pensées de nos aînés, et chacun de nous peut dire : voilà quelle fut mon histoire, celle que j'ai vécue, celle qui m'a marqué durablement, celle qui me rend différent des autres, celle de mon authenticité car c'est par elle que je suis. Nous sommes le fruit des générations, le produit ultime de vies vécues et partagées, d'amours et de haines, de guerres et de paix, d'injustices et de joies, de drames et de délices, de révoltes et de réconciliations, de rêves et de rancoeurs, de secrets, de mots, de paroles qui se murmurent et se disent à travers nous, inconsciemment. Nous sommes l'Antiquité. Et si, par moments, certains s'avisent de critiquer cette histoire, ce n'est que pour se définir à travers elle en se définissant contre elle. D'autres, blessés, mortifiés, préfèrent la taire, sans savoir qu'elle se raconte à travers leur silence, si haut et si fort que toutes les autres paroles en deviennent inaudibles. Et d'autres encore — ce sont les écrivains, les romanciers — décident de la narrer, pour dire, pour former un écrin à cette culture qui nous habite, par laquelle nous existons, agissons, vivons, sentons et aimons, pour comprendre peut-être, au bout du chemin, qui nous sommes à travers ce que nous avons été, et aussi tout ce que les autres ont été, ceux de nos familles, ceux des ancêtres que nous n'avons jamais connus, qui sont morts à jamais, mais qui continuent d'exister à travers nous, ceux que nous connaissons intimement, et ceux que nous abritons sans le savoir, ceux qui nous font agir sans que nous le sachions, contre notre gré, alors même que nous croyons accomplir les choix les plus libres, sans savoir que nous sommes en train d'emprunter leur voie, et qu'en secret, nous sommes le vecteur indocile de leur immortalité. »

 

 2114910-e7d6dc352b39357b3edbd8dcad001207.jpg
Eliette Abécassis (Straatsburg, 27 januari 1969)

 

 

De Canadese Schrijver Mordecai Richler werd geboren op 27 januari 1931 in Montreal. Zie ook alle tags voor Mordecai Richler op dit blog.

Uit:The Apprenticeship of Duddy Kravitz

“Since he had first come to the school in 1927 — a tight-lipped young Scot with a red fussy face — many of Mr. MacPherson’s earliest students had, indeed, gone on to make their reputations in medicine, politics, and business, but there were no nostalgic gatherings at his home. The sons of his first students would not attend Fletcher’s Field High School, either. For making their way in the world his first students had also graduated from the streets of cold-water flats that surrounded F.F.H.S. to buy their own duplexes in the tree-lined streets of Outremont. In fact, that morning, as Mr. MacPherson hesitated on a scalp of glittering white ice, there were already three Gentiles in the school (that is to say, Anglo-Saxons; for Ukrainians, Poles and Yugoslavs, with funny names and customs of their own, did not count as true Gentiles), and ten years hence F.F.H.S. would no longer be the Jewish high school. At the time, however, most Jewish boys in Montreal who had been to high school had gone to F.F.H.S. and, consequently, had studied history out of The World’s Progress (Revised) with John Alexander MacPherson; and every old graduate had an anecdote to tell about him.
(...)

He phoned Yvette and told her he was sending her a check for three hundred dollars in the morning. He said he was making the movie for Mr. Cohen, but he didn’t tell her that if Mr. Cohen didn’t like it there was no deal. He was so happy about Seigal, too, that he didn’t realize until he got home that the Seigal bar-mitzvah was six weeks off and even if got paid right away it would be too late. He still had to raise twenty-five hundred dollars to pay Brault and twenty days was all the time he had. In the next three days Duddy visited eight potential clients. They were interested. Nobody showed him the door exactly, but first they wanted to see one of his productions.”

 

 2114910-b07b3460ff25ba58984af1623eabd9af.jpg
Mordecai Richler (27 januari 1931 – 3 juli 2001)
Affiche voor de gelijknamige film uit 1974

 

 

De Amerikaanse schrijver James Grippando werd geboren op 27 januari 1958 in Waukegan, Illinois. Zie ook alle tags voor James Grippando op dit blog.

Uit: Gone Again

“Welcome Home, Jack! Jack Swyteck was standing outside the Freedom Institute, and the handwritten greeting on a Post-it was stuck to the front door. It was Monday morning, and Jack had moved in his office furnishings over the weekend. The doormat at his feet displayed a less welcoming message, but it summed up the sense of humor of the lawyers who worked there: COME BACK WITH A WARRANT. It made Jack smile, even if this wasn't the hill-blown homecoming that his former colleagues wanted. More than a decade had passed since Jack's resignation, but a four-year stint with the Freedom Institute had been his first job out of law school. At the time, "law-and-order" governor Harry Swyteck—Jack's father—was on his way toward signing more death warrants than any chief executive in Florida history. Their public clash was a political embarrassment. Harry might not have taken it so personally if Jack hadn't aligned himself with a ragtag group of former hippies who were under the mistaken impression that the state flower was cannabis and the national anthem was "Kumbaya." There was Eve, the only woman Jack had ever known to smoke a pipe. Brian, the gay surfer dude. And Neil Goderich, their fearless leader, a ponytailed genius who had survived Woodstock. To outsiders, Jack was the odd man out. But they became friends, and his resignation didn't change that. The split was more about style than substance. Forcing the government to prove its case beyond a reasonable doubt was enough for Jack. Getting another guilty man off death row didn't make him want to break out a three-dollar bottle of cold duck and throw a party. Or issue a press release. Jack pushed open the door and stepped inside. "Jack is back!" shouted Hannah. Neil's daughter was as young and idealistic as Jack had been when Neil had taken him under his wing. It was hard to believe that his mentor was gone forever, walking on over the hill with Abraham, Martin, and John. "I guess you could say I'm back," said Jack. "Sort of" Hannah was a foot shorter than Jack, and she raised up on her toes to give him a big hug and a peck on the cheek. Eve and Brian were standing right behind her, each with a small suitcase in hand. Jack would have bet money that Brian's corduroy jacket was the same one he'd worn on the day of Jack's resignation.“

 

 2114910-751f8ab9fb270d1a9ade15e28299b1b3.jpg
James Grippando (Waukegan, 27 januari 1958)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2008 en eveneens mijn blog van 27 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 12:31 Reageer op dit bericht

Alexander Stuart, Guy Vaes, Bernd Jentzsch, Ilja Ehrenburg, Mikhail Saltykov-Shchedrin, Balduin Möllhausen, Samuel Foote

De Brits-Amerikaanse schrijver Alexander Stuart werd geboren op 27 januari 1955 in Brighton. Zie ook alle tags voor Alexander Stuart op dit blog.

Uit: The War Zone

“I'd be there now, getting soaked, if I wasn't so determined to speak to Jessica. If I can get her alone, there are a good few questions I'm going to ask, but it's as if she senses this. She's playing for time, Miss Florence Nightingale, helping Mum change the baby and scrub the vegetables for dinner. I'm in the doghouse, meanwhile, for dumping all the shopping in the rain. I watch Dad. I watch everyone. Suddenly I feel like a spy. I'm the one who's different, I'm the one with the knowledge — I wouldn't trust me, if I was them. What's changed? My mind is working overtime, reassessing everything. But Dad seems the same, snapping open a beer as he dumps himself into one of the cottage's chintzy armchairs to sort through a pile of unopened office mail. `How far would we have to go, do you think,' he ponders aloud, screwing his face up into a mask of weariness and disgust, `to get away from all this crap?' `Not much further,' Mum offers from the kitchen. 'Another phone call like yesterday's, and they'll probably take you at your word.' There's a long pause in which Dad seems to be replaying yesterday's phone call, enjoying the recollection of what was obviously a choice exchange. `They love it,' he says. 'Panics the accountants. They won't know what they've got unless they're made to sweat blood for it.' When it comes to work, Dad likes a bit of passion to enter into things. I don't think he's happy unless emotions are aroused, and certainly where his current scam is concerned — a bloody great steel and glass pyramid for a Korean bank in Docklands —he's played devil's advocate from day one. Bad enough that he has to work for these wankers, he says — no reason to make it easy for them. But I think it's a bluff. I think his work is what drives him, and coming down here to Devon has nothing to do with getting away from it all, it's just another way of giving them the finger. Dad peers in the direction of the kitchen, stuffing the torn envelopes he's been opening into one of the big manila ones.”

 

 2114908-23440860fe54a207439cb420a9e9ad96.jpg
Alexander Stuart (Brighton, 27 januari 1955)
Cover DVD

 

 

De Belgische, Franstalige, schrijver Guy Vaes werd geboren op 27 januari 1927 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Guy Vaes op dit blog.

Uit : Une descente aux Enfers. À propos de Hugo von Hofmannsthal

« l renoncera donc au crépusculaire et maladif Böcklin, pour s’exposer aux clartés précaires de ceux qui expérimentèrent le pointillisme : Derain, Maurice Denis et Van Gogh qu’embrassera finalement la dévorante clarté du Midi.
C’est ainsi que Jean-Yves Masson, sachant que si l’on a parlé du Haut on ne peut trop longtemps délaisser le Bas, crainte d’altérer la crédibilité du réel, insistera, sans jamais faire appel au jargon des philosophes, sur la symbolique des couleurs dans La Femme sans ombre. L’atelier d’un teinturier y tient une place, sinon un rôle, essentiel. D’où la conclusion de Masson : « La couleur est pour Hofmannsthal cet élément capable de réconcilier une jouissance parfaitement sensuelle du monde avec la dignité spirituelle de l’homme. » Et il ajoute : « Si ma Femme sans ombre ne pouvait rester un opéra, c’est peut-être parce qu’une telle thématique ne débouche pas sur un éloge implicite de la peinture. » Bref, encore un appel du monde réel, et même sinistrement réel, vers lequel nous glissons.
Abordant ce que Hofmannsthal appelle « le mystère de la pleine lumière », phénomène qui risque d’amoindrir le visible pour peu qu’on incline vers l’abstraction, sinon vers une approche mystique, nous ferons à nouveau pencher la balance vers la couleur, elle qui constitue l’univers matériel, la harcelante abondance des formes qui en sont le support.
Il est d’autant plus important de s’en imprégner qu’elle, la couleur, est promesse de guérison. Suivons Masson dans son analyse des deux dernières Lettres du voyageur à son retour : « Le voyageur dont l’âme est atteinte d’une maladie spirituel le qui caractérise toute la conscience européenne moderne entrevoit comme la possibilité d’une guérison en découvrant les toiles de Van Gogh, parce que celles- ci livrent, dans le discours muet de la couleur, la chair même du monde. Il ne fait pas de doute que c’est la genèse d’une telle perception régénérée que voudrait restituer l’écriture de La Femme sans ombre."

 

 2114908-3bf63a79ea18ae67359a20c80b09abb7.jpg
Guy Vaes (27 januari 1927 – 27 februari 2012)
Scene uit een opvoering van de opera "Frau ohne Schatten“, Berlijn, 2017 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Bernd Jentzsch werd geboren op 27 januari 1940 in Plauen. Zie ook alle tags voor Bernd Jentzsch op dit blog.

Uit: Irrwisch

 

Schon geh ich in die Knie, auf dem Buckel ein Bündel
Toter Zwillinge, die zucken und gebärden sich,
Als wären sie noch am Leben, die halbierten Vaterländer,
ich meine das Meine und eure zwei, meine Brüder,
Jetzt sind es schon vier, sie vermehren sich
Schnell nach jeder Badekur, und die gevierteilten Städte
Zu Lande und zu Wasser, im Himmel wie auch auf Erden,
Wie heißt die eine, aus der ich gefallen bin?
Sprich lauter, ich kann nichts verstehen,
Die Fangschüsse, die Volltreffer, die Tellerminen
Aus dem Staatshaushalt, so heißt sie nicht,
wie heißt sie, die sich so viele Hunde hält
Im Graben vor der schönen Akademie der schönen Künste,
Zwölf Rudel, die dich verarbeiten ohne Wenn und Aber,
Aher wenn du es hinter dir hast, darfst du kommen
Drei Tage und ewig, mein zusammenhangloser Bruder,
Ach, wie heißt sie, es ist ein schöner Name,
Wenn du da bist in Sack und Asche
Flüstere ich ihn dir ins fehlende Ohr.

 

 2114908-7ac38e387544dc33fe09efc0115fc6c0.jpg
Bernd Jentzsch (Plauen, 27 januari 1940)

 

 

De Russische dichter en schrijver Ilja Ehrenburg werd geboren op 27 januari 1891 in Kiev. Zie ook alle tags voor Ilja Ehrenburg op dit blog.

Uit: The tempering of Russia (Vertaling door Alexander Kaun)

“JULY 18
I met the commander of a partisan detachment. There are among the partisans some peasants who had fought in such squads twenty-three years ago. These are regarded as professors. There are also mere kids. An army of grandfathers and grandchildren.
An old forester leaped from a tree on a German motorcyclist, gripped his throat, and made him drive to our forces. Three German parachutists landed on a hilly field near a pioneers' camp. A group of children teased them and made them fire all their bullets while they kept hiding behind little mounds. When the Germans had no more bullets, the children jumped at them with threshing-flails and drove them to the nearest town.
Soviet boy scouts:
Here is an order of the German command:
BURGHERS AND VILLAGERS! Should partisans be discovered on the territory of your town or village about whom you have failed to report to the German command, all of you, without exception, will be put down as spies of an enemy state and as such will be hanged.
The "burghers and villagers" read the order, but they fail to report; they are Soviet people. In one village the Germans beat little children before their mothers' eyes in order to force information about the whereabouts of the partisans. The mothers keep silent.”

 2114908-067efb329694e5d16b7dbe1fef31747e.jpg
Ilja Ehrenburg (27 januari 1891 – 31 augustus 1967)
Cover

 

 

De Russische schrijver Mikhail Saltykov-Shchedrin werd geboren op 27 januari 1826 in Spas-Ugol, Tver. Zie ook alle tags voor Mikhail Saltykov-Shchedrin op dit blog.

Uit: The Golovlyovs (Vertaald door Olga Shartse)

“A kind of doom seems to hang over some families. One notices it particularly among the class of small landowners scattered all over Russia who, having no work to do, no connection with public life, and no political importance, were in their day sheltered by serfdom, but now, with nothing to shelter them, are ending their days in their crumbling country-houses. Everything in those pitiful families’ existence — success and failure alike — is blind, unexpected, haphazard.
Sometimes such a family is suddenly caught up as it were by a wave of good luck. Some humble retired lieutenant and his wife vegetating in the wilds of the country suddenly produce a whole bevy of spruce, alert, sturdy children who show a wonderful aptitude for mastering the essentials of life. They are ‘"clever” children, all of them, both boys and girls. The young men do excellently at school and, while still there, form good social connections and find patrons. They know when to behave modestly {‘'J'aime cette modestier their superiors say) and when to show independence {''faime cette independancer) ; are very sensitive to every wind that blows and never break with any movement without leaving a safe loop-hole through which they can creep back if necessary.
Thus they ensure that as long as they live they can either shed their skin at any time without any trouble at all, or, in case of emergency, to change back into it again. In short they are true children of the age who always begin by seeking favours and almost always end by perfidy. As to the girls, they, too, further the family fortunes in their special line, that is, they make good marriages and afterwards show so much tact in bestowing their charms that they easily win prominent positions in so-called society.
Thanks to all these chance circumstances, luck simply pours upon the humble family. Its first successful members having won their way through bring up another spruce generation who find life easier because the path has not merely been marked for them but beaten down, too. That generation will be followed by others until at last the family naturally becomes one of those who regard a life of continual jubilation as their birthright.“

 

 2114908-0d71ca9313320c9fbf3e43c27adf5c4d.jpg
Mikhail Saltykov-Shchedrin (27 januari 1826 – 10 mei 1889)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Balduin Möllhausen werd geboren op 27 januari 1825 in Bonn. Zie ook alle tags voor Balduin Mölhausen op dit blog.

Uit: Indianer auf dem Kriegspfad

„Nehmt dem nordamerikanischen Continent die eingeborenen Jäger und die wandernden Bisonheerden, und er verliert die letzte Poesie, mit welcher ihn die freigebige Natur so reich bedachte und die weder durch Eisenbahnen, noch durch weithin sichtbare Schornsteine von Brennereien und Fabriken, weder durch eine nach manchen Richtungen hin gewissenlose innere Politik, noch durch salbungvolle Lehren fanatischer Priester ersetzt werden kann.“ Diese Ansicht sprach ich in einem frühern Werke aus, als ich des rücksichtslosen Vordringens der Civilisation und des in Folge dessen fast unvermeidlichen Unterganges einer ganzen Menschenrace erwähnte.
Ganz dieselben Worte wiederhole ich hier, indem ich meine Blicke auf die bildliche Darstellung einer Gruppe von Assineboin-Indianern hefte; aus inniger, fester Ueberzeugung wiederhole ich sie, unbekümmert darum, ob der in denselben liegende harte, aber gerechte Vorwurf nur einzelne Individuen oder ganze Nationen trifft. – Oder sind die rothhäutigen Krieger und die zottigen Bisons vielleicht nicht würdig, als die Poesie bezeichnet zu werden, welche die endlosen Wildnisse, die oceanähnliche Prairie wie den undurchdringlichen Urwald, die anmuthigen, reich bewässerten Thäler wie die majestätischen, eisgekrönten Gebirgszüge so entsprechend, so romantisch belebt?“

 2114908-4816685582908fd5e96d51c4754dc9a9.jpg
Balduin Möllhausen (27 januari 1825 – 28 mei 1905)
Een tekening van vier Indianenstammen door Möllhausen uit 1861

 

 

De Engelse acteur en toneelschrijver Samuel Foote werd geboren 27 januari 1720 in Truro, Cornwall. Zie ook alle tags voor Samuel Foote op dit blog.

Uit: The Lame Lover

“SERJEANT.
Why, hussy, you don't hint at your mother-in-law?
CHARLOT.
Indeed, Sir, but I do.
SERJEANT.
Ay; why this is point blank treason against my sovereign authority: but can you, Charlot, bring proof of any overt acts?
CHARLOT.
Overt acts!
SERJEANT.
Ay; that is any declaration by writing, or even word of mouth is sufficient; then let 'em demur if they dare.
CHARLOT.
I can't say that, Sir; but another organ has been pretty explicit.
SERJEANT.
Which?
CHARLOT.
In those cases a very infallible one—the eye.
SERJEANT.
Pshaw! nonsense and stuff.—The eye!—The eye has no authority in a court of law.
CHARLOT.
Perhaps not, Sir, but it is a decisive evidence in a court of love.
SERJEANT.
Hark you, hussy, why you would not file an information against the virtue of madam your mother; you would not insinuate that she has been guilty of crim. con.?
CHARLOT.
Sir, you mistake me; it is not the lady, but the gentleman I am about to impeach.
SERJEANT.
Have a care, Charlot! I see on what ground your action is founded—jealousy."

 

 2114908-baf56355be9e04629d9380b3e46ca40d.jpg
Samuel Foote (27 januari 1720 - 21 oktober 1777)
Russell Beale als Samuel Foote in een uitvoering van “Mr Foote’s Other Leg”, Londen, 2015

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2008 en eveneens mijn blog van 27 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 12:30 Reageer op dit bericht

Jannetje Koelewijn

De Nederlandse schrijfster en journaliste Jannetje Koelewijn werd geboren in Amsterdam op 27 januari 1959. Koelewijn groeide op in Amsterdam en studeerde Nederlands aan de Vrije Universiteit. Hierna werkte ze twaalf jaar bij Vrij Nederland. In 1994 publiceerde zij het boek “Het koningsdrama van Fokker” over het conflict in de bestuurstop van de vliegtuigbouwer. In 1997 trad zij in dienst bij NRC Handelsblad. Later schreef zij onder meer “Alleen winnaars overleven” over topondernemers in het Nederlandse bedrijfsleven en “De alledaagse dood” over chronisch zieken en hun nabestaanden. Veel boeken van Koelewijn zijn gestaafd op interviews met direct betrokkenen bij de onderwerpen waarover zij schrijft. Koelewijn is verbonden aan Uitgeverij Atlas in Amsterdam. In 2011 publiceerde zij “De hemel bestaat niet” over het leven van haar ouders en voorouders in Spakenburg en Amsterdam. Een signeersessie in Spakenburg moest worden afgelast omdat een familielid van Koelewijn protest aantekende bij de boekhandelaar waar de sessie plaats zou hebben. Volgens het Reformatorisch Dagblad zou niet iedereen in het dorp zich kunnen vinden in de manier waarop zij het orthodox-protestantse geloof in het dorp besprak. Begin 2012 kwam Koelewijn in het nieuws na het publiceren van informatie over het ski-ongeval van prins Friso. Een zakelijke relatie van haar man had haar over de toestand van de prins medische informatie gegeven, die zij publiceerde in NRC Handelsblad.[4] Er kwam veel kritiek op zowel het handelen van haar man, de arts in kwestie, het artikel van Koelewijn als de uiteindelijke publicatie door NRC Handelsblad.

Uit: Heilbrons hel

“Laat in de middag, vroeg in het nieuwe millennium, een kilometer voor het Shell-tankstation langs de a2 ter hoogte van Breukelen. Lucas Pauw keek op zijn horloge, een verguld Omega-horloge dat nog van zijn grootvader was geweest, en daarna op het digitale klokje naast de snelheidsmeter op zijn dashboard. Twaalf over vijf. Tijd zat. Hij liet zijn blik van de binnenspiegel naar de buitenspiegel gaan, en vandaar verder naar rechts om te controleren of er geen medeweggebruiker in zijn dode hoek zat, gaf vervolgens het stuur een tikje in de richting van de uitvoegstrook en liet het gaspedaal los.
Strikt genomen hoefde hij niet te tanken, maar je wist nooit hoe zo’n eerste avond zou verlopen. Beter trouwens om even een plastic wegwerphandschoen aan te trekken. Bij een gelegenheid als deze wilde je niet naar benzine ruiken.
Hij haakte de slang los uit de houder, controleerde of er geen druppels aan het mondstuk hingen en stak het in de opening van de benzinetank. Terwijl hij in het handvat kneep om de pomp in werking te stellen keek hij gedachteloos naar de andere automobilisten die stonden te tanken en naar de Shell-shop, waar hij zo moest afrekenen. Het was al donker en er waaide een kille noordenwind, waardoor het binnen bij de kassa’s en de schappen met snoep en chips des te warmer en uitnodigender leek. Het licht viel in een wijde cirkel op het asfalt rond de glazen pui en scheen ook op de netten met houtblokken voor de open haard die daar lagen opgestapeld. Bij de ingang stonden emmers met in folie verpakte tulpen en chrysanten. Daarnaast: een schoolbord waarop in onhandige letters heden verse Vlaamse friet was geschreven.
Rondom waren vlaggetjes getekend en in de hoeken stond afwisselend:
Nieuw! lekker! nieuw! lekker!
Hij huiverde. Hij had geen jas aan. Bij drieëntwintig liter sloeg de pomp af en hij liep naar binnen om te betalen. Het rook er naar vers brood en nog iets anders. Geen friet. Gebakken spek. Ham. De rij voor
de kassa was lang. Achttien over vijf. Nog steeds tijd zat. Hij haalde zijn portefeuille uit zijn achterzak en stelde tevreden vast hoe los zijn broekband om zijn middel zat. Vijftien kilo in drie maanden. Het ging de goede kant op. Kijk nou eens naar die kerels die daar bij de counter met de warme snacks rondhingen. Ze vraten zich helemaal klem aan bamiballen en kroketten. Wat had die vent daar links nou op zijn bordje liggen?"

 

 2120604-3cdb88c6ff69498cca0ee113fc00247f.jpg
Jannetje Koelewijn (Amsterdam, 27 januari 1959)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten