Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 19 februari 2018 tot 20 februari 2018

P. C. Boutens, David Nolens, Ellen Gilchrist, Julia Franck, Georges Bernanos, William Carleton, Cornelis Sweerts, Johann Heinrich Voß, Pierre Boulle

De Nederlandse dichter Pieter Cornelis Boutens werd geboren in Middelburg op 20 februari 1870. Zie ook alle tags voor P. C. Boutens op dit blog.

 

Sonnet II

Hemel, eindloos blauw lokkend zieleweiland, -
Zee, die in zon- en maanstilte of wolkdonderen
Aandrijft de veelheid der wereldsche wonderen
Wier vrije vlotte vloot bij ieder tij landt,
Zie ons, bleek menschdom, uit ons eng afzonderen
Op dit uw zielenvol dagegroen eiland,
Als slaven naar hun overzeesch en vrij land,
Wringen ons handen van vervoerings vlonderen:

Diep in een ouden droom die altijd weêrkomt,
Ligt opgetrokken aan den havenkant
Vleugelen boot waarmeê we eens zijn geland
Als zon en maan en sneeuw en regen neêrkomt, -
Tot laten einddroom wanneer ge openbreidt:
Windbreede vaart naar alle oneindigheid.

 

 

Sonnet VIII

Kom: ik ben enkel lust en lieflijkheid,
Een zilvervolle hof altijdig ooft,
Waar knop en bloesem eeuwge vrucht belooft,
Een levend maal op ieder uur bereid.

En waar het hart der stilte welft en spreidt,
Aardkoele woon doorluchtig overloofd,
Houdt zon en maan om Uw hoog-heerlijk hoofd
Haar gulde' afspraken tot in eeuwigheid.

O kom: geen weet het enge steile pad
Dat door de bergen naar den wijngaard leidt,
Dan Gij alleen en die den hof geplant heeft:
God, die eens zeker komt te Zijner tijd
En streng-rechtvaardig U de tienden schat
Van vele aardsche oogsten die Hij U verpand heeft.

 

 

Uit: Strofen en andere verzen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe

 

Negende strofe

Daar is niet éen die eenzaam gaat als ik,
en geen der andren draagt zijn harts geheim -
dit donker zaad dat zwelt naar lichten bloei,
dit stomme leed dat hijgt naar luid geluk -
in zulk een klem van onverbreekbaar zwijgen.
Want als een kind, in vroegste jeugd verdoold
naar een ver land, moeder en moedertaal
alleen nog weet als felbewust gemis,
ergens achter den bleeken horizon
een lang verloren onbereikbren schat;
en als zijn hart in druk van smart of vreugd
zich uit moet spreken aan een ander hart,
keert het vreemd woord in ledige echo weder,
ijdel en dood zoodra zijn mond het sprak -:
zóo, waar ik door de lichte volten dwaal
van dit ontelbaar levendschoone volk,
wenken van de overzij der dubble stilte
oogen alzijds mijn oogen als gelijken,
en mijn hart bonst in luideloozen zang;
maar als mijn schuwe groet hun nadertreedt,
en van hun lippen ruischt het helder antwoord,
dan voel ik hoe ik nimmer halen zal
den simplen aanslag van dien heemschen toon,
en 't teedre lied blijft op mijn lippen stom...
En andren onderwijl, als duistre schimmen,
met oogen achter schaduwmom versmeuld,
sluipen en duiken door het dichtst gewoel,
en vaak benadert mij hun half gebaar
als een dof grijnzen: ‘gij zijt éen van ons’ -
en van hun lippen valt een heesch gefluister,
een taal waarin geen schepsel zingen kan,
maar waarvan iedre klank mijn hart doorpriemt
en ieder woord mijn diepste wezen schokt,
en tranen wellen, die mijn oogen branden...
O daar is geen die eenzaam gaat als ik!

 

 2122105-d5e2ad8d49eb5db4725b0217cf26768d.jpg
Pieter Cornelis Boutens (20 februari 1870 – 14 maart 1943)
Portret door Willem van Konijnenburg, 1914

 

 

De Vlaamse schrijver David Nolens werd geboren in Antwerpen op 20 februari 1973. Zie ook alle tags voor David Nolens op dit blog.

Uit: De waan van Cotard

“Ze vertelt dit terwijl ze haar rotte tanden laat zien (en dat voor een meisje van misschien zes jaar oud), terwijl speeksel uit haar mondhoeken druipt en haar huid afschilfert. Het is een droom en voor Anna, die erg gevoelig is, een nachtmerrie, omdat ze Apple tot in haar pulserende baarmoeder voelt sterven.
Die ochtend verzwijgt Anna haar droom en zit ze ter- neergeslagen aan het ontbijt, overweldigd door een fikse opstoot van melancholie, dat is: haar specifieke vorm van zwaarmoedigheid, waarbij ze in een steeds donkerder wordende grot afdaalt. Jean, anders zo oplettend, merkt het niet op. Die nacht was ook hij afgedaald langs de levensdraad die zijn jaren verbond.
In mijn werkkamer had ik een lievelingsroman uit mijn jeugd voor het eerst in meer dan twintig jaar uit de boekenkast geplukt en hem doorgebladerd. Ik las over de vijfjarige jongen die weldra zou sterven en zag Micky meteen weer voor me, als het nieuwsgierige knaapje dat door zijn moeder werd verwaarloosd en door zijn vader werd aanbeden. Ik wilde het boek herlezen en vond tussen pagina zes en zeven een klasfoto van toen ik vijftien was en bekeek de gezichten een voor een. Ongeveer de helft van mijn klasgenoten wist ik nog bij naam te noemen. Toen ik mezelf vond, schrok ik van de onschuld die reeds verduisterde rond de diepe kassen van mijn ogen.
Dat jaar was mijn laatste jaar aan het college geweest.
De foto was gemaakt voor mijn vertrek, dus ik kon alleen maar raden hoe de donkerte en de magerzucht mijn gezicht weldra verder zouden tekenen, na mijn exodus net voor de kerstvakantie. Want zo voelde het toen, alsof ik helemaal op mezelf een volk was dat migreerde. Om uiteindelijk gewoon bij mijn achttiende jaar in dezelfde stad, waar ik altijd al woonde, uit te komen.”

 

 2122105-a50d4cd4916cec1cb73ab74cf827dea5.jpg
David Nolens (Antwerpen, 20 februari 1973)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Ellen Gilchrist werd geboren op 20 februari 1935 in Vicksburg, Mississippi. Zie ook alle tags voor Ellen Gilchrist op dit blog.

Uit: Nora Jane: A Life in Stories

"He has gone to Nebraska," her grandmother would answer. "He went to try to find his wife."
"Where's his wife?"
"He doesn't know. She got tired of waiting for him."
"She's sad, like Momma, isn't she?"
"I think so, some people get sad."
"But not us, do we?"
"Let's walk over to the park," her grandmother said, and got up from the swing. "Those Emperor geese are dying to see you. They're waiting for you to bring them some bread."
"Then do I have to go home?"
"Sometime you do. Your mother doesn't like it if you stay here all the time."
"I'll go tomorrow. In two days I'll go back over there."
"We'll see. Put on your shoes. Those geese are waiting for you by the bridge."
Of course sooner or later she would have to go back to her mother's house and watch her mother cry. Although the older she got the less she had to put up with it. Her mother's house was seven blocks from her grandmother's house. Her mother's house was in the three hundred block of Webster Street and her grandmother's house was in the five hundred block of Henry Clay. By the time she was six years old Nora Jane was allowed to walk from her grandmother's house to her mother's house anytime she wanted to as long as the sun was up. She knew every house and yard and porch and tree between the three hundred block of Webster Street and the five hundred block of Henry Clay. She knew which fences made the best sound when she ran a stick along the railings. She knew which dogs were mean. She knew which people got up early and which ones were sleepyheads. She knew who took the Times-Picayune and who did not. When the golden rain trees bloomed and when the magnolia blossoms opened. Hello, Nora Jane, everyone would say. How you keeping? How's everything with you?”

 

 2122105-b326011da73ec75b5ea054a5ea057fdd.jpg
Ellen Gilchrist (Vicksburg, 20 februari 1935)

 

 

De Duitse schrijfster Julia Franck werd geboren op 20 februari 1970 in Oost-Berlijn. Zie ook alle tags voor Julia Frank op dit blog.

Uit:Rücken an Rücken

“Zu Käthes Rückkehr, am Ende der zwei Wochen, hatten sie nur ein wenig aufräumen wollen, sie hatten das Geschirr abgewaschen, und während Ella noch abtrocknete, hatte Thomas begonnen, den Küchenboden zu schrubben, sie rieben die dunklen Flecken vom Türblatt und polierten die Klinke mit Asche, den Türrahmen wuschen sie mit Seife, den Fußabtreter schlugen sie mit dem Teppichklopfer aus und bürsteten ihn in der Regentonne. Meine Herren, heute sehen Sie mich Klinken abputzen und ich singe ein Lied für jeden.
Lachend hielt sich Thomas immer wieder die Ohren zu, er wollte sie nicht kränken, doch sie traf nur wenige Töne und veränderte die Melodie, wie es ihr einfiel. Der Kronleuchter konnte glänzen, wenn man ihn abrieb. Der Geruch des Messings haftete an den Fingern. Es machte Spaß, sie wollten das Haus so herrichten, wie es noch nie jemand gesehen hatte. Thomas entstaubte die Bücher und Regale mit einem trockenen Tuch, und mit einem feuchten Lappen wischte er nach, er sortierte die Kunstbücher nach Epochen und Größe, die Literatur nach dem Alphabet, die politischen Schriften nach Themen. Mit grollender Stimme, den Feldstecher des verstorbenen Vaters vor Augen, fragte er in die Tiefe des Raumes: Frollein Ella, wünschen Sie eine romantische oder eine abenteuerliche Lektüre aus der schönen Literatur zu leihen? Studieren Sie Trojas Kampf um Helena? Gern fülle ich eine Leihkarte für Sie aus. Ella beachtete ihn nicht, sie lag unter dem Tisch und reinigte mit einem Messer und einem Schwamm die Unterseite, was offensichtlich seit Jahrzehnten niemand getan hatte. Dort klebten hartnäckige Krusten, Spuren von Essen vielleicht, oder Wachs. Das Tischtuch aus italienischem Damast hatte Ella in der Zinkwanne im Garten eingeweicht, es musste gründlich gewaschen werden, Krümel und dunkle Flecken von Saucen und Wein hatten sich über lange Zeit darin eingenistet. Hätten Ella und Thomas den Hausputz nicht in zwei Tagen bewältigen wollen, es wäre Thomas ein Vergnügen gewesen, Bibliothekar zu spielen; er wollte einen Karteikasten für die Bibliothek und ihre künftigen Nutzer anlegen und Leihkarten für jedes Buch entwerfen.“

 2122105-99e52ef5486fe2fe805705102821e8a0.jpg
Julia Franck (Oost-Berlijn, 20 februari 1970)

 

 

De Franse schrijver Georges Bernanos werd geboren in Parijs op 20 februari 1888. Zie ook alle tags voor Georges Bernanos op dit blog.

Uit: Journal d’un curé de campagne

« J’ai eu ce matin, après la messe, une longue conversation avec Mlle Louise. Je la voyais jusqu’ici rarement aux offices de la semaine, car sa situation d’institutrice au château nous impose à tous deux une grande réserve. Mme la comtesse l’estime beaucoup. Elle devait, paraît-il, entrer aux Clarisses, mais s’est consacrée à une vieille mère infirme qui n’est morte que l’année dernière. Les deux petits garçons l’adorent. Malheureusement la fille aînée, Mlle Chantal, ne lui témoigne aucune sympathie et même semble prendre plaisir à l’humilier, à la traiter en domestique. Enfantillages peut-être, mais qui doivent exercer cruellement sa patience, car je tiens de Mme la comtesse qu’elle appartient à une excellente famille et a reçu une éducation supérieure.
J’ai cru comprendre que le château m’approuvait de me passer de servante.
On trouverait néanmoins préférable que je fisse la dépense d’une femme de journée, ne fût-ce que pour le principe, une ou deux fois par semaine. Évidemment, c’est une question de principe. J’habite un presbytère très confortable, la plus belle maison du pays, après le château, et je laverais moi-même mon linge ! j’aurais l’air de le faire exprès.
Peut-être aussi n’ai-je pas le droit de me distinguer des confrères pas plus fortunés que moi, mais qui tirent un meilleur parti de leurs modestes ressources. Je crois sincèrement qu’il m’importe peu d’être riche ou pauvre, je voudrais seulement que nos supérieurs en décidassent une fois pour toutes. Ce cadre de félicité bourgeoise où l’on nous impose de vivre convient si peu à notre misère… L’extrême pauvreté n’a pas de peine à rester digne. Pourquoi maintenir ces apparences ? Pourquoi faire de nous des besogneux?
Je me promettais quelques consolations de l’enseignement du catéchisme élémentaire, de la préparation à la sainte communion privée selon le vœu du saint pape Pie X. Encore aujourd’hui, lorsque j’entends le bourdonnement de leurs voix dans le cimetière, et sur le seuil le claquement de tous ces petits sabots ferrés, il me semble que mon cœur se déchire de tendresse. Sinite parvulos… Je rêvais de leur dire, dans ce langage enfantin que je retrouve si vite, tout ce que je dois garder pour moi, tout ce qu’il ne m’est pas possible d’exprimer en chaire où l’on m’a tant recommandé d’être prudent. Oh ! je n’aurais pas exagéré, bien entendu!"

 

 2122105-1ea932793529fa57f8e3dda3cf9ecbad.jpg
Georges Bernanos (20 februari 1888 - 5 juli 1948)
Claude Laydu als de curé d'Ambricourt in de gelijknamige film van Robert Bresson, 1951

 

 

De Ierse schrijver William Carleton werd geboren op 20 februari 1794 in Glogher, in het graafschap Tyrone. Zie ook alle tags voor William Carleton op dit blog.

Uit: The Station

“Our readers are to suppose the Reverend Philemy M’Guirk, parish priest of Tir-neer, to be standing upon the altar of the chapel, facing the congregation, after having gone through the canon of the Mass; and having nothing more of the service to perform, than the usual prayers with which he closes the ceremony.
“Take notice, that the Stations for the following week will be held as follows:--
“_On Monday, in Jack Gallagher’s of Corraghnamoddagh_. Are you there, Jack?”
“To the fore, yer Reverence.”
“Why, then, Jack, there’s something ominous--something auspicious—to happen, or we wouldn’t have you here; for it’s very seldom that you make part or parcel of this _present_ congregation; seldom are you here, Jack, it must be confessed: however, you know the old classical proverb, or if you don’t, I do, which will just answer as well--_Non semper ridet Apollo_--it’s not every day _Manus_ kills a bullock; so, as you are here, be prepared for us on Monday.”
“Never fear, yer Reverence, never fear; I think you ought to know that the grazin’ at Corraghnamoddagh’s not bad.”
“To do you justice, Jack, the mutton was always good with you, only if you would get it better killed it would be an improvement. Get Tom McCusker to kill it, and then it’ll have the right smack.”
“Very well, yer Rev’rence, I’ll do it.”
“_On Tuesday, in Peter Murtagh’s of the Crooked Commons_. Are you there, Peter?”
“Here, yer Reverence.”
“Indeed, Peter, I might know you are here; and I wish that a great many of my flock would take example by you: if they did, I wouldn’t be so far behind in getting in my _dues_. Well, Peter, I suppose you know that this is Michaelmas?” *
“So fat, yer Reverence, that they’re not able to wag; but, any way, Katty has them marked for you--two fine young crathurs, only this year’s fowl, and the ducks isn’t a taste behind them--she crammin’ them this month past.”

 

2122105-0cfa9c08e8816cc4ba4b09b989ce6a97.jpg 
William Carleton (20 februari 1794 – 30 januari 1869)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter, liedtekstschrijver, toneelschrijver en boekhandelaar Cornelis Sweerts werd geboren in Amsterdam op 20 februari 1669. Zie ook alle tags voor Cornelis Sweerts op dit blog.

 

Lof der deugd

Loflyke deugd wiens waarde,
Zich noit in schyn vertoont,
Daarmen d'ondeugd op aarde,
Dickwils met eer bekroont.
Ach! ach! Dat men dus ontaarde!
En deugd met ondeugd loont.

Maar schoon de deugd verheven,
Staat op den throon gestelt,
Daar hem de kroon werd gegeven,
En scepter van geweld.
Ach! ach! by hem 't heerlykst leven,
Noch Crezus gelt niet gelt.

Nochtans hoort men te kroonen,
Met eer die niet en vleid,
Hem daar de deugd in wil woonen,
En nimmer werd verleid.
Ach! ach! beklimt gy de Throonen,
U voegt de Godlikheid.

 

 2122105-e44dea16818da964b83db75809c835af.jpg
Cornelis Sweerts (20 februari 1669 - 23 maart 1749)
Allegorie op de deugd door Theodoor van Thulden, 1630

 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Johann Heinrich Voß werd geboren op 20 februari 1751 in Sommersdorf / Mecklenburg. Zie ook alle tags voor Johann Heinrich Voß op dit blog en eveneens alle tags voor Johann Voß.

 

Der Herbsttag

Die Bäume stehn der Frucht entladen,
Und gelbes Laub verweht ins Tal;
Das Stoppelfeld in Schimmerfaden
Erglänzt am niedern Mittagsstrahl.
Es kreist der Vögel Schwarm, und ziehet;
Das Vieh verlangt zum Stall, und fliehet
Die magern Aun, vom Reife fahl.

O geh am sanften Scheidetage
Des Jahrs zu guter Letzt hinaus;
Und nenn ihn Sommertag und trage
Den letzten schwer gefundnen Strauß.
Bald steigt Gewölk, und schwarz dahinter
Der Sturm, und sein Genoß, der Winter,
Und hüllt in Flocken Feld und Haus.

Ein weiser Mann, ihr Lieben, haschet
Die Freuden im Vorüberfliehn,
Empfängt, was kommt, unüberraschet,
Und pflückt die Blumen, weil sie blühn.
Und sind die Blumen auch verschwunden;
So steht am Winterherd umwunden
Sein Festpokal mit Immergrün.

Noch trocken führt durch Tal und Hügel
Der längst vertraute Sommerpfad.
Nur rötlich hängt am Wasserspiegel
Der Baum, den grün ihr neulich saht.
Doch grünt derK amp von Winterkorne;
Doch grünt, beim Rot der Hagedorne
Und Spillbeern,unsre Lagerstatt!

So still an warmer Sonne liegend,
Sehn wir das bunte Feld hinan,
Und dort, auf schwarzer Brache pflügend,
Mit Lustgepfeif, den Ackermann:
Die Krähn in frischer Furche schwärmen
Dem Pfluge nach, und schrein und lärmen;
Und dampfend zieht das Gaulgespann.

Natur, wie schön in jedem Kleide!
Auch noch im Sterbekleid wie schön!
Sie mischt in Wehmut sanfte Freude,
Und lächelt tränend noch im Gehn.
Du, welkes Laub, das niederschauert,
Du, Blümchen, lispelst: Nicht getrauert!
Wir werden schöner auferstehn! Kamp,
ein eingefriedigtes Fruchtfeld.

 

 2122105-6107cc7e38f9aa8fc34e04378b3b6621.jpg
Johann Heinrich Voß (20 februari 1751 – 29 maart 1826)
De Johann Heinrich Voß Schule in Eutin, waarvan Voß rector was in de jaren 1782 tot 1802

 

 

De Franse schrijver Pierre Boulle werd geboren op 20 februari 1912 in Avignon. Zie ook alle tags voor Pierre Boulle op dit blog.

Uit: The Bridge Over the River Kwai (Vertaald door Xan Fielding)

“The insuperable gap between east and west that exists in some eyes is perhaps nothing more than an opti-cal illusion. Perhaps it is only the conventional way of express-ing a popular opinion based on insufficient evidence and masquerading as a universally recognized statement of fact, for which there is no justification at all, not even the plea that it contains an element of truth. During the last war, "saving face" was perhaps as vitally important to the British as it was to the Japanese. Perhaps it dictated the behavior of the former, without their being aware of it, as forcibly and as fatally as it did that of the latter, and no doubt that of every other race in the world. Perhaps the conduct of each of the two enemies, su-perficially so dissimilar, was in fact simply a different, though equally meaningless, manifestation of the same spiritual real-ity. Perhaps the mentality of the Japanese colonel, Saito, was essentially the same as that of his prisoner, Colonel Nicholson. These were the questions which occupied Major Clipton's thoughts. He, too, was a prisoner, like the five hundred other wretches herded by the Japanese into the camp on the River Kwai, like the sixty thousand English, Australians, Dutch, and Americans assembled in several groups in one of the most un-civilized corners of the earth, the jungle of Burma and Siam, in order to build a railway linking the Bay of Bengal to Bangkok and Singapore. Clipton occasionally answered these questions in the affirmative, realizing, however, that this point of view was in the nature of a paradox; to acquire it one had to disregard all superficial appearances. Above all, one had to as-sume that the beatings-up, the butt-end blows, and even worse forms of brutality through which the Japanese mentality made itself felt were all as meaningless as the show of ponderous dignity which was Colonel Nicholson's favorite weapon, wielded as a mark of British superiority. But Clipton willingly gave way to this assumption each time his C.O.'s behavior en-raged him to such an extent that the only consolation Ile could find was in a wholehearted objective examination of primary causes. He invariably came to the conclusion that the combination of individual characteristics which contributed to Colonel Nicholson's personality (sense of duty, observance of ritual, obsession with discipline, and love of the job well done were all jumbled together in this worthy human repository) could not be better described than by the single word snobbery.”

 

 2122105-b0712f80d93c35f04360e2616e6b5232.jpg
Pierre Boulle (20 februari 1912 – 30 januari 1994)
Affiche voor de gelijknamige film uit 1957

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e februari ook mijn blog van 20 februari 2016 deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 20 februari 2007 en ook mijn blog van 20 februari 2008 en eveneens mijn blog van 20 februari 2009.

Geschreven door Romenu om 18:32 Reageer op dit bericht

Sally Rooney

De Ierse schrijfster Sally Rooney werd geboren op 20 februari 1991 inCastlebar. Haar vader werkte voor Telecom Éireann, terwijl haar moeder een kunstencentrum runde; ze heeft ook een oudere broer en een jongere zus. Rooney studeerde Engels aan het Trinity College in Dublin. Ze begon later aan een Masters in politicologie aan dezelfde universiteit, maar voltooide deze niet en behaalde in plaats daarvan een graad in Amerikaanse literatuur. Ze was de beste spreker op de Europese universitaire debatkampioenschappen in 2013. Voordat ze schrijver werd werkte ze voor een restaurant. Rooney schreef haar eerste roman op 15-jarige leeftijd, maar had daar later geen goed woord voorover. Ze voltooide haar debuutroman, “Conversations with Friends”, terwijl ze nog studeerde voor haar Masters in Amerikaanse literatuur. Ze schreef de 100.000 woorden van het boek in 3 maanden tijd. Rechten voor het boek werden uiteindelijk verkocht naar 12 landen. Het boek werd genomineerd voor de 2018 Swansea University International Dylan Thomas Prize, en de Folio Prize van 2018. In maart 2017 werd haar korte verhaal "Mr Salary" genomineerd voor de Sunday Times EFG Private Bank Short Story Award. Haar tweede roman, “Normal People”, werd gepubliceerd in 2018. In juli 2018 stond het op de longlist voor de Man Booker Prize van dat jaar en won de "Irish Novel of the Year" bij de Irish Book Awards.

Uit: Conversations With Friends

“Bobbi and I first met Melissa at a poetry night in town, where we were performing together. Melissa took our photograph outside, with Bobbi smoking and me self-consciously holding my left wrist in my right hand, as if I was afraid the wrist was going to get away from me. Melissa used a big professional camera and kept lots of different lenses in a special camera pouch. She chatted and smoked while taking the pictures. She talked about our performance and we talked about her work, which we’d come across on the internet. Around midnight the bar closed. It was starting to rain then, and Melissa told us we were welcome to come back to her house for a drink.
We all got into the back of a taxi together and started fixing up our seat belts. Bobbi sat in the middle, with her head turned to speak to Melissa, so I could see the back of her neck and her little spoon-like ear. Melissa gave the driver an address in Monkstown and I turned to look out the window. A voice came on the radio to say the words: eighties . . . pop. . . classics. Then a jingle played. I felt excited, ready for the challenge of visiting a stranger’s home, already preparing compliments and certain facial expressions to make myself seem charming.
The house was a semi-detached red-brick, with a sycamore tree outside. Under the streetlight the leaves looked orange and artificial. I was a big fan of seeing the insides of other people’s houses, especially people who were slightly famous like Melissa. Right away I decided to remember everything about her home, so I could describe it to our other friends later and Bobbi could agree.
When Melissa let us in, a little red spaniel came racing up the hall and started barking at us. The hallway was warm and the lights were on. Next to the door was a low table where someone had left a stack of change, a hairbrush and an open tube of lipstick. There was a Modigliani print hanging over the staircase, a nude woman reclining. I thought: this is a whole house. A family could live here.
We have guests, Melissa called down the corridor. No one appeared so we followed her into the kitchen. I remember seeing a dark wooden bowl filled with ripe fruit, and noticing the glass conservatory. Rich people, I thought. I was always thinking about rich people then. The dog had followed us to the kitchen and was snuffling around at our feet, but Melissa didn’t mention the dog so neither did we.”

 

 2211855-9a674e1de07627dbb83696d00a46ea12.jpg
Sally Rooney (Castlebar, 20 februari 1991)



Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Michiel Stroink, Siri Hustvedt, Helen Fielding, Jaan Kross, Helene Hegemann, Björn Kuhligk, Thomas Brasch, Dmitri Lipskerov, Wolfgang Fritz

De Nederlandse schrijver Michiel Stroink werd geboren in Oss op 19 februari 1981. Zie ook alle tags voor Michiel Stroink op dit blog.

Uit: De notaris en het meisje

“Voor Anna was het de vijfde keer dat ze het begrafenisritueel aanschouwde. Bij de vorige processie mocht ze voor het eerst met de vrouwen meelopen. Ze droeg toen een zwarte overrok die ze bij iedere stap tot aan haar enkels de kleigrond in trapte. Nu zat ze gehurkt achter de kruiwagen met het zware gevoel in haar keel en kon ze zich niet eens meer voorstellen hoe licht het leven was toen ze met de kinderen mee mocht huppelen, achter de bellen en de fakkels aan.
De stoet trok langs het ondiep en zou nog eenmaal in de richting van het dorp komen voor hij afboog naar het droogveld. De dikke mist die over het laagland dreef, leek er altijd te zijn als er dingen gebeurden die God niet mocht zien. Nu zorgde Hij ervoor dat Anna alleen de kop, het midden en de staart van de meanderende rouwstoet zag.
‘Het lijkt op een aal.’ De krassende mannenstem kwam van achteren, naast de schuur. ‘Hij kronkelt het moeras in.’ De man was niet van het laagland. Hij droeg een zwarte overjas over een donker pak, en onder de hoed die tot aan zijn wenkbrauwen over zijn voorhoofd was getrokken, staarden twee kraalogen haar onafgebroken aan. Onder zijn linkeroog liep een litteken, als een traan, langs zijn neus tot aan zijn mondhoek.
Het duurde even voor Anna de man vanuit hurkzit durfde aan te spreken.
‘Wie bent u, meneer? Bent u soms familie?’ Anna stond op en wilde een stap naar achteren zetten, maar stootte tegen de kruiwagen aan.
‘Je bent mooi. Geen kleikop, je hebt een fijn gezicht. Hoe oud ben je, meisje?’
‘Ik ben zeventien, bijna achttien. Ik heet Anna. Wie bent u?’
De glimlach van de man drukte het litteken schuin omhoog.
‘Bijna achttien, toe maar. Waar zijn je ouders, meisje?’
‘Mijn vader en moeder lopen mee. Ze lopen naar het droogveld.
Ze zijn pas rond de middag weer terug.’
‘Werkt je vader aan het veen of op het veld?’

 

 2121842-6f8be2f64b49e678f26eae6e0bf23772.jpg
Michiel Stroink (Oss, 19 februari 1981)

 

 

De Amerikaanse schrijfster en essayiste Siri Hustvedt werd geboren op 19 februari 1955 in Northfield, Minnesota. Zie ook alle tags voor Siri Hustvedt op dit blog.

Uit: What I Loved

“Her right hand was resting on her pubic bone, and when I moved closer, I saw that she was holding a little taxi in that hand-a miniature version of the ubiquitous yellow cab that moves up and down the streets of New York.
It took me about a minute to understand that there were actually three people in the painting. Far to my right, on the dark side of the canvas, I noticed that a woman was leaving the picture. Only her foot and ankle could be seen inside the frame, but the loafer she was wearing had been rendered with excruciating care, and once I had seen it, I kept looking back at it. The invisible woman became as important as the one who dominated the canvas. The third person was only a shadow. For a moment I mistook the shadow for my own, but then I understood that the artist had included it in the work. The beautiful woman, who was wearing only a man's T-shirt, was being looked at by someone outside the painting, a spectator who seemed to be standing just where I was standing when I noticed the darkness that fell over her belly and her thighs.
To the right of the canvas I read the small typed card: Self-Portrait by William Wechsler. At first I thought the artist was joking, but then I changed my mind. Did that title next to a man's name suggest a feminine part of himself or a trio of selves? Maybe the oblique narrative of two women and a viewer referred directly to the artist, or maybe the title didn't refer to the content of the picture at all, but to its form. The hand that had painted the picture hid itself in some parts of the painting and made itself known in others. It disappeared in the photographic illusion of the woman's face, in the light that came from the invisible window, and in the hyperrealism of the loafer. The woman's long hair, however, was a tangle of heavy paint with forceful dabs of red, green, and blue. Around the shoe and the ankle above it, I noticed thick stripes of black, gray, and white that may have been applied with a knife, and in those dense strokes of pigment I could see the marks left by a man's thumb. It looked as if his gesture had been sudden, even violent.”

 

 2121842-74ac7f8a17ab9b32defa740c10ca60bd.jpg
Siri Hustvedt (Northfield, 19 februari 1955)

 

 

De Engelse schrijfster Helen Fielding werd geboren in Morley, Yorkshire op 19 februari 1958. Zie ook alle tags voor Helen Fielding op dit blog.

Uit: Olivia Joules and the Overactive Imagination

«The problem with you, Olivia, is that you have an overactive imagination.”
“I don’t,” said Olivia Joules indignantly.
Barry Wilkinson, foreign editor of the Sunday Times, leaned back in his chair, trying to hold in his paunch, staring over his half-moon glasses at the disgruntled little figure before him, and thinking: And you’re too damned cute.
“What about your story about the cloud of giant, fanged locusts pancaking down on Ethiopia, blotting out the sun?” he said.
“It was the Sudan.”
Barry sighed heavily. “We sent you all the way out there and all you came up with was two grasshoppers in a polythene bag.”
“But there was a locust cloud. It was just that it had flown off to Chad. They were supposed to be roosting. Anyway, I got you the story about the animals starving in the zoo.”
“Olivia, it was one warthog—and he looked quite porky to me.”
“Well, I would have got you an interview with the fundamentalist women and a cross amputee if you hadn’t made me come back.”
“The birth of Posh and Becks’s new baby you were sent to cover live for BSkyB?”
“That wasn’t hard news.”
“Thank God.”
“I certainly didn’t imagine anything there.”
“No. But nor did you say anything for the first ten seconds. You stared around like a simpleton, fiddling with your hair live on air, then suddenly yelled, ‘The baby hasn’t been born yet, but it’s all very exciting. Now back to the studio.’”

 

 2121842-3eea5d5d8dc051d8a421da118847d039.jpg
Helen Fielding (Morley, 19 februari 1958)
 

 

De Estlandse schrijver Jaan Kross werd geboren op 19 februari 1920 in Tallin. Zie ook alle tags voor Jaan Kross op dit blog.

Uit: Der Verrückte des Zaren (Vertaald door Helga Viira)

„Die Gepäckträger waren natürlich da, um uns auf der Reise von Petersburg nach Woiseck unter der Aufsicht des Feldjägers nicht aus den Augen zu lassen. Damit wir nicht vom vorgeschriebenen Weg abwichen, zum Beispiel ins Ausland, was man am meisten fürchtete, oder sonstwohin. Und damit wir keine Briefe und Nachrichten schickten oder mit Außenstehenden ins Gespräch kamen, über staatsfeindliche Dinge, versteht sich .. .
Unterwegs hatte ich seit neun Jahren eigentlich zum erstenmal Gelegenheit, Timo eingehend zu betrachten. Ich hatte munkeln hören, er wäre fürchterlich dick geworden. Das stimmte nicht. Nun ja, als er verhaftet wurde, war er ein schlanker junger Mann gewesen und hatte blendend ausgesehen, viel jünger als dreißig. jetzt wirkte er wie fünfzig. Sein zahnloser Mund machte ihn sogar noch älter. Am besorgniserregendsten war meiner Meinung nach seine graue Gesichtsfarbe.
Nicht sein graumeliertes Haar oder das überflüssige Gewicht. Letzteres würde er sich bald abreiten. Bei Gott — er fing gleich damit an! Er öffnete das Kutschenfenster und winkte den Feldjäger herbei. Er erklärte ihm etwas. Dann ließ er die Kutsche halten.
»Kitty, ich möchte ein wenig reiten. Ich habe allzu lange keine Bewegung gehabt.«
Er stieg aus. Einer der Gendarmen gab ihm sein Pferd und kletterte zu Käsper hinter den Kutschkasten. Timo schwang sich in den Sattel und galoppierte davon, der Feldjäger und zwei Gendarmen in respektvoller Entfernung von fünfzig Schritt hinterher...
Ich schaute mich in der Kutsche um. Der kleine, braungebrannte, stupsnasige Jüri lag zusammengerollt unter seinem karierten Reiseplaid auf dem Hintersitz und schlief fest, vorn wiegte sich Liisos flachsblonder Kopf im Schlummer. Ich neigte mich zu Eevas Ohr und fragte leise in der Bauernsprache> (später wurde mir klar, daß dies gleichsam ein Wink war, auch künftig von diesen Dingen nur in der Bauernsprache miteinander zu reden): »Eeva, was haben sie mit seinen Zähnen gemacht?"

 

 2121842-646f2ba260b86fde6242fe588307eada.jpg
Jaan Kross (19 februari 1920 – 27 december 2007)
Cover

 

 

De Duitse schrijfster, regisseuse en actrice Helene Hegemann werd geboren in Freiburg im Breisgau op 19 februari 1992. Zie ook alle tags voor Helene Hegemann op dit blog.

Uit: Jage zwei Tiger

„Kai befand sich gegen seinen Willen in der Zivilisation.
Und zwar in einer, die nichts mit seinem bisherigen Alltag zu tun hatte (in dem er, umgeben von eiweißlastig ernährten, reit- oder Tai-Chi- oder karatebegeisterten Kindern, in die fünfte Klasse einer bilingualen Ganztagsschule gegangen war oder mit seiner Mutter durch mit Kunst behangene Hallen an Menschen vorbei, die Binky immer genervt hatten, weil man anhand der pseudosubversiven Statements ihrer Anziehsachen und Haarschnitte sofort feststellen konnte, aus wie vielen und was für Designklassikern deren Inneneinrichtung bestand, ab und zu noch ein paar kalkulierte Brüche, irgendein bambusmäßiges, aus Bali eingeflogenes Windlicht zum Beispiel, oder ein Motörheadposter zwischen dem Eames-Softpadchair und irgendwas vom Flohmarkt, eine mit Perlmuttknöpfen beklebte Kommode, über der eine Pfauenfeder schwebt, grau gestrichener Beton mit Perserteppichen oder Echtholzparkett, sogenannte Scheißkreativoasen, in denen sich an folkloristischer Kunst geschätzte Einfachheit und Schlichtheit widerspiegelt, und auf keinen Fall Hängeschränke in der Küche). Das, was er unter seiner momentan so verhassten Realität verstand, war an diesem Ort dermaßen jenseits, dass er sich traute, an der Ziege vorbei zum Wasser zu gehen. Die Ziege folgte ihm sogar.“

 

 2121842-3bddf1df29a8d5cbf96742bd0cb84229.jpg
Helene Hegemann (Freiburg im Breisgau, 19 februari 1992)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Björn Kuhligk werd geboren op 19 februari 1975 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Björn Kuhligk op dit blog.

 

Horizontbetrachter

Hier ist ein Wald
da sind die Bäume
darin sind die Ringe
darin schläft die Angst

du schlägst zu mit der Axt
und trinkst den Harzstein mit

und das Lieblingstier
das ist der Affe im Zoo
den kannst du besuchen
und er dich nicht

 

Ohne Kragen und wenn wirs denken würden

Die Farbfilme lagern in Kühlschränken
ein Beischlaf kann im Treppenhaus
beginnen, ja, unter den Tieren sind
wir die traurigsten

wir kaufen Geld an Automaten
wir mieten Zimmer für den Sommer
wir lesen morgens Zeitung und
erleben Déja-vus, wir erwarten
Liebesbriefe, die nicht kommen
wir denken uns ein Land und vögeln
bis ein Heiland niedergeht und
schieben Einkaufswagen durch
einen schwerbestückten Laden

ja aber, WENN WIRS DENKEN WÜRDEN
wir stünden auf Aussichtstürmen, eine Menge
Nomaden im verstörten Licht
„Es gibt Ansätze“, würde jemand
flüstern, „Eine Verbesserung“
würde jemand hinzufügen und vielleicht
sagt es dann einer: DER MENSCH ALS
KLEINSTE WIRTSCHAFTLICHE EINHEIT
geht jeden Sonntag Kuchen holn oder
steht vor einem Zielfernrohr
an dessen Ende der Körper fällt, MACHTS
GUT, NACHBARN, ja, es genügt
zu wissen, wie eine Schwertlilie aussieht

 

 2121842-71f799523137b9fc7e4039e6adea8298.jpg
Björn Kuhligk (Berlijn, 19 februari 1975)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Brasch werd geboren in Westow,Yorkshire (Engeland) op 19 februari 1945. Zie ook alle tags voor Thomas Brasch op dit blog.

Uit: Vor den Vätern sterben die Söhne

„Das hätte ich wissen müssen, aber sie sagen einem ja nicht Bescheid, wenn der Hase wieder läuft. Der Alte schob seine Beine über die Bettkante und sah Robert an. Willst du einen Tee? Du kannst ein Glas kriegen. Ich setze gleich Wasser auf. Danke. Ich muß weiter. Machen Sie sich keine Umstände. Umstände. Der Alte lachte. Mir macht nichts mehr Umstände. Ich hab was zu erledigen, sagte Robert. Ich verstehe schon. Du denkst: Der hat einen ganz schönen Vogel. Erst läßt er mich das Kissen hochbringen, und jetzt soll ich mich noch in seine dreckige Wohnung setzen. Zwischen jedem Wort holte er tief Luft, und Robert schien, als hörte er ein Pfeifen in der Stimme des Mannes. So eilig wird es nicht sein, daß du einem alten Mann nicht zehn Minuten Gesellschaft leisten kannst. Robert setzte sich in den Sessel und sah sich um. Der Alte suchte seine Schuhe, fand einen und ging schließlich barfuß in die Kochnische. Er hat gewußt, daß der Fahrstuhl funktioniert. Was soll ich mit ihm reden? Es ist auch egal. Sechs Stunden. Besser hier sitzen als auf der Straße vor jeder Uniform zittern. Der Alte begann zu husten. Er stand am Spülbecken und ließ das Wasser in den Kessel laufen. Der Husten wurde stärker, und plötzlich ließ der Alte den Kessel fallen und erbrach sich ins Becken. Jetzt kotzt der auch noch. Robert ging in die Kochnische. Es geht gleich wieder, flüsterte der Alte, und sein Körper zitterte. Dann erbrach er sich wieder, und Robert sah die roten Klumpen im Becken. Der Alte drückte den Kopf gegen die Wand. Tränen rannen über sein Gesicht. Seine Hose rutschte herunter. Er griff nach ihr, aber er bekam sie nicht mehr zu fassen. Robert bückte sich und zog sie wieder hoch. Das Zittern des Körpers wurde stärker. Jetzt kippt er weg. Robert faßte ihn an den Schultern und in den Kniekehlen, hob ihn hoch und trug ihn zum Bett. Der Alte hatte die Augen geschlossen.”

 

 2121842-6501975b895e34a15beacc4112108692.jpg
Thomas Brasch (19 februari 1945 – 3 november 2001)

 

 

De Russische schrijver Dmitri Lipskerov werd geboren op 19 februari 1964 in Moskou. Zie ook alle tags voor Dmitri Lipskerov op dit blog.

Uit: The Last Sleep of Reason (Vertaald door Dmitri Priven)

"This is the third time he's not in!" answered the woman angrily. " You bloody Tatar!"
"I am Russian!" protested Sinichkin. "Actually, ethnic hatred in its extreme manifestations is against the law!"
"I wasn't talking about you!" corrected the woman. "It's about the man from this flat! Bloody uncultured Tatar! Not a word in Russian, not a single bloody word!
"Why bother coming to him then?" inquired Sinichkin.
"Well, he hasn't been to work for God knows how many days! And no one knows where the hell he's got to!"
"And you are…"
"His co-worker," answered the woman with a thunderous sneeze. "A-shoo… From the deli department".
Sinichkin had trouble making a connection between shoes and salami, so he asked the woman to clarify.
"Ilyasov is the name! Don't know how old exactly, but pretty old. He works in our shop, in the fish department, and I'm in meats and deli."
"What've shoes got to do with it?"
"Shoes? My shoes got wet, so I've got a cold!"
The woman wrinkled her nose so as to hold her next sneeze, and thought to herself that there were a lot of idiots on this planet, more than one could imagine. Obviously this man in uniform did not have a lot of brains under that hat.
"Well, who needs brains anyways?" said the sausage woman out loud, which left captain utterly confused. "The manager told me to go find Ilyasov, because he's an ace when it comes to fish!"

 

 2121842-d01e15b21a079897377f76b107d1bbf0.jpg
Dmitri Lipskerov (Moskou, 19 februari 1964)
Moskou, het Rode Plein 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Wolfgang Fritz werd geboren op 19. Februar 1947 in Innsbruck. Zie ook alle tags voor Wolfgang Fritz op dit blog.

Uit: Flatterbusch

„Ich hatte einmal eine Arbeitsgruppe zu leiten, deren Aufgabe die Verbesserung der Welt auf einem gewissen, nur einem bescheidenen Teil der Menschheit zugänglichen Gebiet war. Die Mitglieder der Gruppe waren Akademiker, junge Leute, die sich noch keinen Namen gemacht hatten, von Universitätsinstituten und Ministerien entsandt. Ergebnis unserer Arbeit sollte eine Studie sein, ein so genanntes Paper, welches unsere Teilnehmer auf dem Weg zu Ruhm und Macht, ein freilich nur bescheidenes Stück, vorwärts bringen mochte.
Insgesamt kamen zu den wöchentlichen Sitzungen vielleicht fünfzehn Leute, Männlein und Weiblein, einmal ein paar mehr und einmal ein paar weniger. Wir arbeiteten in einem recht beengten Saal im Dachgeschoß eines innerstädtischen Amtsgebäudes, wo man aber für die Beengung durch einen prächtigen Blick auf die Dächer der umliegenden Häuser entschädigt war.
Unter den Anwesenden war einer, von dem niemand wusste, woher er kam. Sein Name war, das konnte den Anwesenheitsprotokollen entnommen werden, Daniel Christian Flatterbusch; akademischen Grad oder entsendete Stelle füllte er niemals aus. Das taten auch andere nicht, teils weil sie es für unter ihrer Würde fanden, teils weil sie sich etwa der Tatsache schämten, dass Titel und Stelle nur bescheidener Natur waren. Zu welchen von beiden Flatterbusch gehörte, vermochte ich nicht einzuschätzen; ein bestimmtes Gefühl hielt mich aber davon ab, ihn einfach zu fragen.
Flatterbusch war ein unauffälliger Mann mittleren Alters, eher schlank, mit dem Ansatz zu einem Wohlstandsbäuchlein, mit schwarzem, streng nach hinten gekämmtem Haar, und blassem Gesicht, das von einer mächtigen, ebenfalls schwarzen Hornbrille fast verdeckt wurde. Seine Kleidung war einfach: grauer Pullover, aus dem ein reiner Hemdkragen hervorschaute, braune Schnürlsamthose und abgetretene hellbraune Halbschuhe.“

 

 2121842-ad24cac574d17bd546107e3699f56e14.jpeg
Wolfgang Fritz (Innsbruck, 19 februari 1947)
Innsbruck 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e februari ook mijn blog van 19 februari deel 1 en ook deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 19 februari 2007 en ook mijn blog van 19 februari 2008 en eveneens mijn blog van 19 februari 2009 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:37 Reageer op dit bericht

Jonathan Lethem

De Amerikaanse schrijver Jonathan Allen Lethem werd geboren op 19 februari 1964 in Brooklyn, New York. Lethem groeide aanvankelijk op in Kansas City, vervolgens in Brooklyn. Zijn vader Richard Brown Lethem is beeldend kunstenaar, zijn moeder Judith stierf aan kanker toen hij nog een tiener was. Een paar semesters studeerde Lethem met Bret Easton Ellis aan het Bennington College in Vermont voordat hij naar Californië verhuisde en begon te schrijven. Eind jaren tachtig publiceerde hij zijn eerste korte verhalen, maar pas met zijn romans trok hij in de jaren negentig internationaal de aandacht. Met zijn roman „Gun, with Occasional Music“, een futuristische detective verhaal in de stijl van Raymond Chandler won hij in 1995 de Locus Award in de categorie "Best First Novel" van Locus Magazine. Na het uitbrengen van zijn vroege verhalen in één bunde,l “The Wall of the Sky, the wall of the Eye”, verscheen in 1996 Lethem’s roman "As She Climbed Across the Table". In 1997 ontving hij de World Fantasy Award voor “The Wall of the Sky, the wall of the Eye”. Eind jaren negentig verhuisde Lethem van de Bay Area terug naar Brooklyn. Zijn volgende boek na deze verhuizing was “Girl in Landscape“ (1998). In 1999 verscheen “Motherless Brooklyn”. Voor deze roman ontving Lethem de National Book Critics Circle Award, de Macallan Gold Dagger Awards for crime fiction, de Salon.com Book Prize en was het Esquire Book of the Year. In 2003 publiceerde Lethem de autobiografisch geïnspireerde educatieve roman "The Fortress of Solitude" Zijn tweede verhalenbundel: "Mannen Cartoons" verscheen in 2004. Weer een roman "You do not love me yet" verscheen in 2007. In 1987 trouwde Jonathan Lethem met schrijfster Shelley Jackson, maar ze gingen in 1998 weer uit elkaar. Lethem woonde tot 2010 in Brooklyn toen hij vanwege familiale redenen naar Claremont, Californië verhuisde. Daar doceert hij creatief schrijven aan het Pomona College.

Uit: Motherless Brooklyn

"Maufishful," said Gilbert Coney in response to my outburst, not even turning his head. I could barely make out the words--"My mouth is full"--both truthful and a joke, lame. Accustomed to my verbal ticcing, he didn't usually bother to comment. Now he nudged the bag of White Castles in my direction on the car seat, crinkling the paper. "Stuffinyahole."
Coney didn't rate any special consideration from me. "Eatmeeatmeeatme," I shrieked again, letting off more of the pressure in my head. Then I was able to concentrate. I helped myself to one of the tiny burgers. Unwrapping it, I lifted the top of the bun to examine the grid of holes in the patty, the slime of glistening cubed onions. This was another compulsion. I always had to look inside a White Castle, to appreciate the contrast of machine-tooled burger and nubbin of fried goo. kaos and control. Then I did more or less as Gilbert had suggested--pushed it into my mouth whole. The ancient slogan Buy 'em by the sack humming deep in my head, jaw working to grind the slider into swallowable chunks, I turned back to stare out the window at the house.
Food really mellows me out.
We were putting a stakeout on 109 East Eighty-fourth Street, a lone town house pinned between giant doorman apartment buildings, in and out of the foyers of which bicycle deliverymen with bags of hot Chinese flitted like tired moths in the fading November light. It was dinner hour in Yorktown. Gilbert Coney and I had done our part to join the feast, detouring up into Spanish Harlem for the burgers. There's only one White Castle left in Manhattan, on East 103rd. It's not as good as some of the suburban outlets. You can't watch them prepare your order anymore, and to tell the truth I've begun to wonder if they're microwaving the buns instead of steaming them. Alas. Taking our boodle of thusly compromised sliders and fries back downtown, we double-parked in front of the target address until a spot opened up. It only took a couple of minutes, though by that time the doormen on either side had made us--made us as out-of-place and nosy anyway. We were driving the Lincoln, which didn't have the "T"-series license plates or stickers or anything else to identify it as a Car Service vehicle. And we were large men, me and Gilbert. They probably thought we were cops. It didn't matter. We chowed and watched."

 

2190795-a9c5c20546cba4994d26ede251144f8e.jpg
Jonathan Lethem (New York, 19 februari 1964)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten