Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 11 maart 2018 tot 12 maart 2018

Dave Eggers, Jenny Erpenbeck, Jack Kerouac, Henrike Heiland, Naomi Shihab Nye, Carl Hiaasen, Edward Albee, De Schoolmeester, Gabriele d'Annunzio

De Amerikaanse schrijver Dave Eggers werd geboren op 12 maart 1970 in Chicago. Zie ook alle tags voor Dave Eggers op dit blog.

Uit:De monnik van Mokka (Vertaald door Koos Mebius)

“Mokhtar Alkhanshali en ik spreken af elkaar in Oakland te treffen. Hij is net terug uit Jemen, waar hij ternauwernood aan de dood is ontsnapt. Mokhtar is Amerikaans staatsburger, maar werd desondanks door de Amerikaanse overheid in de steek gelaten, waarna hij aan Saoedische bommen en Houthi-rebellen moest zien te ontkomen. Het land kon hij niet meer uit. De vliegvelden waren verwoest, en over de weg naar het buitenland ontkomen was onmogelijk. Er waren geen evacuatieplannen, er werd geen hulp geboden. Het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten had duizenden Jemenitische Amerikanen aan hun lot overgelaten; ze zagen zich gedwongen op eigen houtje aan een blitzkrieg te ontsnappen – tienduizenden in de Verenigde Staten gefabriceerde bommen werden door de Saoedische luchtmacht boven Jemen afgeworpen.
Ik zit buiten bij de Blue Bottle Coffee aan Jack London Square op Mokhtar te wachten. Elders in de Verenigde Staten, in Boston, is een proces aan de gang waarin twee broers ervan worden beschuldigd een aantal bommen tot ontploffing te hebben gebracht tijdens de marathon van Boston, waarbij negen doden en honderden gewonden zijn gevallen. Hoog in de lucht boven Oakland houdt een politiehelikopter een staking van havenarbeiders in de Port of Oakland in de gaten. We schrijven 2015, veertien jaar na 11 september en het zevende jaar van Barack Obama’s presidentschap. Als land waren we na de paranoia van de periode-Bush in rustiger vaarwater gekomen; het opjagen en lastigvallen van Amerikaanse moslims was wel minder geworden, maar telkens als een moslim in de fout ging, laaide het vuur van de islamofobie weer een paar maanden op.
Als Mokhtar aan komt lopen, valt me op dat hij er ouder en rustiger uitziet dan de laatste keer dat ik hem zag. De man die daar zojuist uit zijn auto stapte draagt een beige broek en een paarse sweater. Hij heeft kort haar met gel erin en een kort, keurig sikje. Hij loopt opvallend kalm; terwijl zijn benen hem naar onze tafel op het trottoir brengen, beweegt zijn romp bijna niet. We schudden elkaar de hand, waarbij me aan zijn rechterhand een grote, rijk versierde zilveren ring opvalt, met daarin een opvallende robijnrode steen.”

 

 2128210-7835b4f6e66fde1ee65bf1d28e8e56d3.jpg
Dave Eggers (Chicago, 12 maart 1970)

 

 

De Duitse schrijfster en filmregisseur Jenny Erpenbeck werd geboren op 12 maart 1967 in Oost-Berlijn. Zie ook alle tags voor Jenny Erpenbeck op dit blog.

Uit: Haare

„Im Bauch meiner Mutter sind mir lange schwarze Haare gewachsen, die zu Berge stehen, als ich auf die Welt komme. Es ist Frühling, und die Welt ist sehr hell. Ein schwarzes Haar nach dem andern kapituliert, fällt aus, fliegt davon, und überläßt blonden Geschwistern die Nachfolge auf meinem Kopf.
Als ich drei Jahre alt bin, steckt mein Vater mir noch Zöpfe aus Gras an, aber bald kann man meine Haare schon in zwei Büscheln zusammenfassen. Rechts und links über den Ohren stehen diese Büschel in einem Bogen von mir ab, wie Wasser, das aus einem Rohr kommt, entspringen sie einem Zopfhalter, der aussieht wie eine Kreuzung aus Margaritenblüte und Kronkorken. Bis ich fünf Jahre alt bin, werden meine Haare also gewaschen, gebürstet und gebüschelt, manchmal sogar schon geflochten. Warum es meiner Mutter ausgerechnet am Vorabend eines ersten Mai einfallen muß, sie kurz zu schneiden, weiß inzwischen niemand mehr. Heraus zum ersten Mai! Im Radio spielen sie Blasmusik. Den abgeschnittenen Zopf steckt meine Mutter zur Erinnerung in ein durchsichtiges Etui. Ich muß heraus zur Maidemonstration, aber zu Hause liegen fünfzehn Zentimeter von mir im gläsernen Sarg! An diesem Morgen defilieren Tausende an meinem kurzgeschorenen Kopf vorüber, sie zeigen mir ihre Zähne, sie lachen, nein, sie lachen mich aus, die ganze Stadt beugt sich über mich und streicht mir über den Kopf und lacht mich aus, selbst die Fahnen lachen, sie neigen sich über mich und lassen in einzigartiger Bosheit ihr langes rotes Haar in Wellen auf mich herabfallen.
Von diesem ersten Mai an will ich mindestens so dikke Zöpfe haben wie meine Cousine Heike. An deren Zöpfe kann sich rechts und links je ein Kind anhängen, dann dreht sie sich, und die Kinder fliegen. Meine Cousine Heike ist ein Karussell, ich will auch ein Karussell werden. Zu dieser Zeit sind die Haarbürsten mit den vielen einzelnen Borsten aus Plaste noch nicht erfunden, und einige Jahre später, als sie im Westen schon erfunden sind, erfahren wir nichts davon. Mit einem Kamm dauert das Auskämmen nach dem Haarewaschen zwei Stunden. Zwei Stunden sitze ich auf einem Hocker im Bad, ein Handtuch um die Schultern, und halte meiner Mutter den nassen Kopf hin, während diese ihre schwere Maischuld abbüßt, mein Haar in Strähnen unterteilt und Strähne für Strähne entfilzt. Einmal pro Woche geben wir uns auf diese Weise der Wiederherstellung der Pracht hin, zum Glück ist zu dieser Zeit die tägliche Haarwäsche noch nicht erfunden, und als sie im Westen schon erfunden ist, erfahren wir nichts davon.“

 

 2128210-385f297b7d4d077926b3b27ba2f6d001.png
Jenny Erpenbeck (Berlijn, 12 maart 1967)

 

 

De Amerikaanse schrijver Jack Kerouac werd geboren op 12 maart 1922 in Lowell, in de Amerikaanse staat Massachusetts. Zie ook alle tags voor Jack Karouac op dit blog.

Uit:On The Road (Vertaald door Guido Golüke)

“We stapten in Main Street uit de bus, wat in niets verschilde of je in Kansas City of Chicago of Boston uit de bus stapte- rode bakstenen, goorheid, types die langs schieten, trams die hopeloos in de ochtendschemering voorbij knarsen, het hoerenluchtje van de grote stad. En hier ging het helemaal mis met mijn geest. Ik begon dwaze paranoide visioenen te krijgen dat Teresa, of Terry - zo heette ze - een doodgewoon snolletje was dat de bus als haar arbeidsterrein had gekozen waar ze je dollars te pakken kreeg door afspraakjes te maken zoals dat van ons in Los Angeles, waar ze dan haar slachtoffer meenam om ergens te ontbijten, waar haar pooier wachtte om daarna naar een zeker hotel te gaan waar hij gemakkelijk toegang had met zijn pistool of weet ik veel. Ik heb haar dit nooit bekend. We aten ons ontbijt en een pooier zat maar aldoor naar ons te kijken; ik verbeeldde me dat Terry hem stilletjes oogjes gaf. Ik was moe en voelde me vreemd en verloren in een ver verwijderde, walgelijke plaats. De waanzin van een panische angst nam mijn gedachten over en deed me heel minnetjes handelen 'Ken je die vent?' zei ik. 'Welke vent bedoel je, lieve?' Ik liet het maar gaan. Ze was sloom en hele- maal in beslag genomen door al wat ze deed; ze deed lang over haar eten; ze kauwde langzaam en staarde voorzich uit, en rookte een sigaret, en praatte aan één stuk, en ik was net een verwilderd spook, koesterde argwaan bij alles wat ze deed en dacht dat ze tijd probeerde te winnen. Het was gewoon een ziekte-aanval. Ik zweette toen we hand in hand de straat afliepen. Het eerste het beste hotel dat we tegenkwamen had een kamer en voor ik het wist had ik de deur op slot gedaan en zat ze op bed haar schoenen uit te trekken. Ik kuste haar schuchter. Maar beter dat ze er nooit achterkwam. Ik wist dat we om onze zenuwen te kalmeren whisky nodig hadden, vooral ik. Ik ging naar buiten en scharrelde wel twaalf blokken door tot ik aan een krantenkiosk een half litertje whisky kon kopen. Ik rende terug, een en al energie. Terry was in de badkamer haar gezicht aan het opmaken. Ik schonk een enorme plens in een waterglas en we namen om de beurt een slok. O, het was fijn en verrukkelijk en die hele akelige reis van me waard. Ik stond achter haar bij de spiegel en zo dansten we de badkamer door. Ik begon over mijn kennissen in het oosten te praten. Ik zei: 'Je moest Dorie leren kennen, een pracht van een meid.”

 

 2128210-2f72e3c71e64625c2cf76e073b607880.jpg
Jack Kerouac (12 maart 1922 – 21 oktober 1969)
Cover 

 

 

De Duitse schrijfster Henrike Heiland werd geboren op 12 maart 1975 in Solms. Zie ook alle tags voor Henrike Heiland op dit blog.

Uit: Von wegen Traummann!

„(Sie telefonierte sonst nie so lange mit mir. Nur wenn er da war.) Frank schickte zu meinem Geburtstag ein Meer aus roten Rosen, und zum Einjährigen schenkte er mir Champagner und diese entsetzlich teure Handtasche, die ich mir schon so lange gewünscht hatte, aber niemals selbst hätte leisten können. Selbstverständlich war er auch im Bett große Klasse. Es war hingegen gar nicht selbstverständlich, dass er ausgerechnet mit mir zusammen war.
War er in Wirklichkeit auch gar nicht. Seit eineinhalb Jahren trafen wir uns regelmäßig einmal in der Woche zu diesen Wein-Blumen-Essen-Sex-Abenden, manchmal blieb er auch über Nacht, aber das war selten. Frank war nämlich verheiratet.
Es gibt so eine Phase im Leben vieler Frauen, zu denen auch ich gehörte, in der es uns egal ist, ob ein Mann verheiratet ist. Es ist uns nicht nur egal, wir finden es sogar großartig. Wir verdienen unser eigenes Geld und leben in unserer eigenen Wohnung, wir müssen uns von niemandem anhören, dass Nagellackentferner auf dem Küchentisch nichts zu suchen hat, dass die "Vogues" und "Cosmos" und "Brigittes" der letzten fünf Monate in einen Zeitungsständer gehören und dass unser Fernseher nicht den neuesten technischen Standards entspricht. Oder dass Schuhkartons nicht der richtige Ort für Steuerunterlagen sind. (Sie sind es.) Dass kein Mensch zwanzig Sonnenbrillen braucht und dass wir nicht jeden Tag netto fünfundvierzig Minuten mit Schlüsselsuchen verbringen müssten, hätten wir ein Schlüsselbrett im Flur. Deshalb sind verheiratete Männer genau das Richtige: Sie gehen wieder zu ihren uninteressanten Frauen, mit denen sie seit ungefähr siebeneinhalb Jahren keinen Sex mehr hatten (oder wie alt ihre Kinder auch immer sein mögen), und terrorisieren diese mit ihren Schlüsselbrettern. Wir können sogar mit einem anderen Mann eine Nacht verbringen - er würde es nie erfahren, und wir müssten es ihm nicht einmal erzählen. Wir müssten auch kein schlechtes Gewissen haben, denn woher wissen wir zuverlässig, dass er wirklich nicht mehr mit seiner Ehefrau schläft? Hat man eine Affäre mit einem verheirateten Mann, dann ist man Single, ohne wirklich Single zu sein, und bekommt aus beiden Welten das Beste.“

 

 2128210-54bc85f33630b08e50f8795d07ba99e2.jpg
Henrike Heiland (Solms, 12 maart 1975)

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Naomi Shihab Nye werd geboren op 12 maart 1952 in St. Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor Naomi Shihab Nye op dit blog.

 

How Palestinians Keep Warm

Choose one word and say it over
and over, till it builds a fire inside your mouth.
Adhafera, the one who holds out, Alphard, solitary one,
the stars were named by people like us.
Each night they line up on the long path between worlds.
They nod and blink, no right or wrong
in their yellow eyes.
Dirah, little house,
unfold your walls and take us in.

My well went dry, my grandfather's grapes
have stopped singing. I stir the coals,
my babies cry. How will I teach them
they belong to the stars?
They build forts of white stone and say, "This is mine."
How will I teach them to love Mizar, veil, cloak,
to know that behind it an ancient man
is fanning a flame?
He stirs the dark wind of our breath.
He says the veil will rise
till they see us shining, spreading like embers
on the blessed hills.

Well, I made that up. I'm not so sure about Mizar.
But I know we need to keep warm here on earth
And when your shawl is as thin as mine is, you tell stories.

 

 

Alaska

The phone rang in the middle of the Fairbanks night and was always a
wrong number for the Klondike Lounge. Not here, I'd say sleepily. Different
place. We're a bunch of people rolled up in quilts. Then I'd lie awake
wondering, But how is it over there at the Klondike? The stocky building
nestled between parking lots a few blocks from our apartment like some
Yukon explorer's good dream of smoky windows and chow. Surely the
comforting click of pool balls, the scent of old grease, flannel, and steam.
Back home in Texas we got wrong numbers for the local cable TV
company. People were convinced I was a secretary who didn't want to
talk to them. They'd call four times in a row. Sir, I eventually told a
determined gentleman, We've been monitoring your viewing and are sorry to
report you watch entirely too much television. You are currently ineligible for
cable services. Try reading a book or something. He didn't call back. For the
Klondike Lounge I finally mumbled, Come on over, the beer is on us.

 

 2128210-6d8dc2a73bff5ce1d3af9a368cafff21.jpg
Naomi Shihab Nye (St. Louis,12 maart 1952)
 

 

De Amerikaanse schrijver, journalist en columnist Carl Hiaasen werd geboren op 12 maart 1953 in Plantation, Florida. Zie ook alle tags voor Carl Hiaasen op dit blog.

Uit: Dance of the Reptiles

« Florida needs a special prison for tourists.
Not all tourists—just the ones who trash the place, rob, shoplift, vandalize, drive drunk, assault the cops, puke in the alleys, pee in the medians, and so on.
For some reason, Memorial Day brings out these troglodytes in droves.
This year it was South Beach that got the full treatment, but outbreaks of mayhem occur all over the state.
Maybe it’s time to stop worrying about crimes committed against tourists and do something about the crimes committed by tourists.
As it stands, rampaging visitors are tossed in jail with local criminals. This plainly is cruel and unusual punishment, and it’s only a matter of time before the criminals file a class-action suit.
Nobody deserves to be locked in a cell with obnoxious, whiny, ill-clad tourists. Such sociopaths belong in an institution of their own, a mini-Raiford specializing in hard-nosed discipline and social graces.
In fact, the entire justice system should recognize and deal with the uniquely repulsive nature of tourist misbehavior.
Say you’re driving through the Keys and some dork in a neon-blue rental yells, “Yee-haw!” and hurls an empty Southern Comfort bottle off the Bahia Honda Bridge. Under current statutes, that’s good for a wimpy charge of littering. It doesn’t even rate any jail time, only a piddling $50 fine.
You want deterrence? Put fangs in the law. Let the police snatch the boor off the highway and drag his sorry butt straight to Tourist Court. Same goes for the drunks, stoners, and public urinators.
Tourist Court should be set up sort of like Drug Court, only not as lenient. The judges would come from smaller venues, such as Kissimmee, Key West, Naples; places that get a rush of visitors yet still have a vestige of hometown pride. »

 2128210-a3e6964ff8221f2222a1534a6fdd0d10.JPG
Carl Hiaasen (Plantation, 12 maart 1953)

 

 

De Amerikaanse schrijver Edward Albee werd geboren op 12 maart 1928 in Washington DC. Zie ook alle tags voor Edward Albee op dit blog.

Uit:Who’s Afraid of Virginia Woolf?

“GEORGE (Ostensibly a pleased recognition of HONEY and NICK, but really satisfaction at having MARTHA'S explosion over-heard) Ahhhhhhhhh!
MARTHA (A little too loud . . . to cover) Hi! Hi, there ... c'mon in!
HONEY and NICK (ad lib) Hello, here we are ... hi .. . etc.
GEORGE (Very matter-of-factly) You must be our little guests.
MARTHA Ha, ha, ha, HA! Just ignore old sour-puss over there. C'mon in, kids ... give your coats and stuff to sour-puss.
NICK (Without expression) Well, now, perhaps we shouldn't have come....
HONEY
Yes ... it is late, and....
MARTHA Late! Are you kidding? Throw your stuff down anywhere and c'mon in.
GEORGE (Vaguely . . . walking away) Anywhere . . . furniture, floor . . . doesn't make any difference around this place.
NICK (To Honey) I told you we shouldn't have come.
MARTHA (Stentorian) I said c'mon in! Now c'mon!
HONEY (Giggling a little as she and NICK advance) Oh, dear.
GEORGE (Imitating HONEY'S giggle) Hee, hee, hee, hee.
MARTHA (Swinging on GEORGE) Look, muckmouth ... you cut that out!
GEORGE (Innocence and hurt) Martha! (To HONEY and NICK) Martha's a devil with language; she really is.
MARTHA Hey, kids . . . sit down. HONEY (As she sits) Oh, isn't this lovely!
NICK (Perfunctorily) Yes indeed ... very handsome.”

 

 2128210-539294e5526244cdd8ccfd9b1deecfef.jpg
Edward Albee (Washington DC, 12 maart 1928)
Scene uit een opvoering in Santa Rosa, 2010

 

 

De Nederlandse dichter De Schoolmeester (Gerrit van de Linde) werd geboren op 12 maart 1808 in Rotterdam. Zie ook alle tags voor De Schoolmeester op dit blog.

 

Baanvegerslied

Leg reis aan! leg reis aan!
't Leven is een gladde baan.
Bittere borrels of melk en saffraan!
- Vegertje, bind mij mijn schaatsjes eens aan. -
'k Heb het voor grotere lui wel gedaan.
Leg reis aan!
Bittere borrels of melk en saffraan!

- Vegertjelief, hoe leg ik het aan?
Vegertje! 'k ben hier voor 't eerst op de baan. -
Wil je niet zitten, dan moet je maar staan,
net als je 't daaglijks in 't leven ziet gaan.
Leg reis aan!
Bittere borrels of melk en saffraan.
't Leven is een gladde baan.
Bitter en zoet uit eenzelfde kraan.
Leg reis aan! leg reis aan!

 

 

De ezel

Een ezel is een heer met een staart,
Die hij van achteren draagt, als een paard.
Het verschil tussen ezels en geleerde doktoren
Zit hem soms minder in 't hoofd dan wel in de oren.

 

 

Op natte hondeneus

Waarom is een hond
Toch zo gezond? -
Die er niet op gevat is,
Zegt: 'Omdat zijn neus zo nat is.'
Doch iemand die logica leert,
Zegt terstond: ''t is juist omgekeerd.'

 

 2128210-3fd4a4413e40374c03d9a26f923c0ff5.gif
De Schoolmeester (12 maart 1808 – 27 januari 1858)
Cover

 

 

De Italiaans schrijver, dichter en politicus Gabriele d'Annunzio werd geboren in Pescara op 12 maart 1863. Zie ook alle tags voor Gabriele d'Annunzio op dit blog.

Uit: The Triumph of Death (The drowned boy, vertaald door Thomas Walsh)

“. . Other people joined the group, gazed with cold curiosity, then lingered or passed on. A crowd occupied the railroad embank-ment, another gathered on the crest of the promontory, as if at a spectacle. Children, seated or kneeling, played with pebbles, toss-ing them into the air and catching them, now on the back and now in the hollow of their hands. They all showed the same profound indifference to the presence of other people's troubles and of death. Another woman joined the group on her way home from mass, wearing a dress of silk and all her gold ornaments. For her also the harassed custodian repeated his account, for her also he indi-cated the spot in the water. She was talkative. "I am always saying to my children, Don't you go into the water, or I will kill you!' The sea is the sea. Who can save himself ?" She called to mind other instances of drowning; she called to mind the case of the drowned man with the head cut off, driven by the waves all the way to San Vito, and found among the rocks by a child. " Here, among these rocks. He came and told us, There is a dead man there.' We thought he was joking. But we came and we found. He had no head. They had an inquest; he was buried in a ditch; then in the night he was dug up again. His flesh was all mangled and like jelly, but he still had his boots on. The judge said, 'See, they are better than mine!' So he must have been a rich man. And it turned out that he was a dealer in cattle. They had killed him and chopped off his head, and had thrown him into the Tronto." . . . She continued to talk in her shrill voice, from time to time sucking in the superfluous saliva with a slight hissing sound. "And the mother ? When is the mother coming ?"

 

 2128210-6050cc09576cabf0c847858fd3de8843.jpg
Gabriele d'Annunzio (12 maart 1863 - 1 maart 1938)
Hier met Benito Mussolini (links) in 1925 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e maart ook mijn blog van 12 maart 2017 deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 12 maart 2007 en ook mijn blog van 12 maart 2008 en eveneens mijn blog van 12 maart 2009.

Geschreven door Romenu om 19:03 Reageer op dit bericht

Marianne Thamm

De Zuid-Afrikaanse schrijfster, journalste en columniste Marianne Thamm werd geboren op 12 maart 1961 in Taplow, Engeland, als dochter van een ongeletterde Portugese communiste en een Duitse nazi-krijgsgevangene. Haar ouders trouwden na de oorlog in Engeland en emigreerden later naar Pretoria. Thamm groeide op in de minder gegoede suburbs van Pretoria tijdens de hoogtijdagen van de Apartheid. Haar werk is verschenen in verschillende lokale en internationale kranten en tijdschriften. Ze was een ghostwriter bij diverse boeken waaronder de bestverkopende “I Have Life - Alison's Story en “When All Else Falls Tway - The Nigel Fairhead Story”. Ze heeft meegewerkt aan andere publicaties, waaronder “The Fairlady Collection - 40 Years of Fine Writing”. In 2014 werkte ze met P J Powers aan haar memoires, H”ere I Am”. Haar meest recente boek is “Hitler, Verwoerd, Mandela en Me”. (Nederlands: “De ondraaglijke blankheid van het bestaan”).

Uit: De ondraaglijke blankheid van het bestaan

“Meneer Tolmie had de gelaatsuitdrukking van een man die gewend is om met nabestaanden om te gaan. Zijn voorhoofd leek bevroren tot een permanente, meewarige frons, zijn mondhoeken wezen naar beneden, maar niet onvriendelijk. Zijn blik was vastberaden en toch zacht. Hij droeg een slecht zittend maar degelijk donker pak en had zichzelf aangeleerd om wat naar voren te leunen -niet te ver - ter bemoediging van degenen die een beroep deden op de diensten van uitvaartcentrum Doves. Dat was een laag gebouw van grijze baksteen, weggestopt op een soort bedrijventerrein in de buurt van station Somerset West in Kaapstad. De stapel leesvoer in de ontvangstruimte bood een fascinerend inkijkje in de uitvaartbranche. Terwijl ik met mijn vader Georg op een verfomfaaide bank zat te wachten tot meneer Tolmie klaar was met bellen, bladerde ik door het laatste nummer van het vakblad van de Landelijke Vereniging van Begrafenisondernemers. De advertenties waren boeiender dan de oersaaie verslagen over wie in welke regio wat voor promotie had gemaakt. Ik kwam te weten dat een volledig operationeel crematorium van meerdere verdiepingen in 1997 zo'n drie miljoen rand kostte. Dat leek een fors bedrag, maar daar stond natuurlijk tegenover dat je nooit zonder klandizie zat als je besloot in deze bedrijfstak te investeren. Doden zijn er altijd, al gaat het nog zo slecht met de economie. Doden moeten worden opgeruimd door levenden - en daar hangt een prijskaartje aan. Toen meneer Tolmie eindelijk zijn kantoor uit kwam -geruisloos dankzij het industriële, grijze, kamerbrede tapijt - bediende hij zich van alle passende, empathische gebaren. Een hartelijk knikje, een hand op de schouder van een rouwend familielid, in dit geval mijn vader, om hem zachtjes het kantoor binnen te loodsen waar een goedkoop fabrieksbureau stond met een drietal kastanjebruin beklede kantoorstoelen eromheen. Mijn vader vergezellen was het minste wat ik kon doen. Stevig hield hij een keurige, bruine envelop vast met alle vereiste documenten erin. De uitvaartpolis, mijn moeders oude, zwarte, Zuid-Afrikaanse identiteitsboekje met het trouwcertificaat. Hij was formeel gekleed in een lichtgrijs pak - het was een snikhete dag -, een wit overhemd met open boord en een paar glimmend gepoetste zwarte instappers. Naast hem zag ik er in mijn gemakkelijke spijkerbroek, T-shirt en gymschoenen vast en zeker oneerbiedig uit, volgens mijn vader althans. Maar ja, het was niet anders. Georg had zich lang op dit moment voorbereid. Typisch Duits. Alles keurig op orde voor de bureaucratische machine die op gang komt - bij geboorte, huwelijk, dood. Hij was niet te stuiten en voldeed met graagte aan elk verzoek. `ja, legitimatiebewijs, heb ik hier. Ja, oferlijdensakte, heb ik geregeld.' Het was een leerzame gelegenheid, zo realiseerde ik me later, voor de dag waarop ik in mijn eentje op een van deze zelfde stoelen in ditzelfde kantoor zou zitten om mijn vaders uitvaart te regelen (zij het sans meneer Tolmie, die hier tegen die tijd niet meer zou zijn: `overspannen' volgens de receptioniste). Maar zover was het nog niet. Toen meneer Tolmie begon te praten, bleek dat hij doof of hardhorend was. Zijn stem klonk iets te hoog, de toon net iets te gelijkmatig en strak, zonder de melodieuze accenten, stiltes en cadans die taal zijn nuance en betekenis verlenen.”

 

 2141001-db7a95eba154d9d67b74bbdeb662b935.jpg
Marianne Thamm (Taplow, 12 maart 1961)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Nicodemus (Muus Jacobse)

 

Bij de vierde zondag van de vasten

 

 2127787-4d3e2994cae2746ac12587fdba29045d.jpg
Nicodemus door Jezus onderricht door Jacob Jordaens, c. 1625

 

 

Nicodemus

Meester, die ons van God gezondcn zijt
En ook de doden weer ten leven wekt,
Als straks de laatste dood mijn ogen dekt,
Zal ik dan leven in Uw eeuwigheid?

Want eeuwigheid is voor die het niet weet,
Het kind, maar die eens wist wordt oud en dort.
Wie die ten tweeden maal geboren wordt?
Wat bleef mij dan een droom van wat Gij deed? —

Dit is het woord van een die tot U kwam
Des nachts, maar die U niet verstond, en ging,
En U zag kruisigen — en die toen droef

Uw dode lichaam in zijn armen nam
En wikkelde in zijn herinnering
En in de geuren van zijn tuin begroef.

 

 2127787-1a3fe12cb093eed11af0e59a0d0995e1.jpg
Muus Jacobse (13 september 1909 – 21 november 1972)
De Sint Janskerk in Hoorn op Terschelling. Muus Jacobse werd geboren in Hoorn.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 11e maart ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 12:12 Reageer op dit bericht

Leena Lehtolainen, Karl Krolow, Daan de Ligt, Frans Vogel, Willem Claassen, Amal Karam, Max Hermens, Eva Meijer, Helena Hoogenkamp

De Finse schrijfster Leena Lehtolainen werd geboren op 11 maart 1964 in Vesanto. Zie ook alle tags voor Leena Lehtolainen op dit blog.

Uit: Schüsse im Schnee Vertaald door Gabriele Schrey-Vasara)

„Einen halben Kilometer vor Loberga Gård funktionierte das Navigationsgerät plötzlich nicht mehr. Die Karte verschwand, stattdessen erschien auf dem Bildschirm der Text, die Route sei nicht zu finden. Da ich wusste, dass die Straße am Tor des Gutshofs endete, machte ich mir keine Sorgen, obwohl auch das Handy meldete, es habe kein Netz. Ich fuhr weiter, bis der Schnee, der sich in einer Lichtung auf der Straße angesammelt hatte, den Wagen ins Rutschen brachte. Im selben Moment zerbarst das Heckfenster. Außer Glassplittern hagelte noch etwas anderes ins Auto. Schrotkugeln.
Ich hielt an, schaltete den Warnblinker ein, zog meine Glock und stieg aus, um den Schaden zu begutachten. In der Scheibe war ein fünf Quadratzentimeter großes Loch, von dem drei Risse ausgingen. Ich holte die Werkzeugkiste aus dem Kofferraum und klebte Panzerband über das Loch und die Risse, war dabei aber ständig auf dem Sprung, mich auf den Boden zu werfen, sollten weitere Schüsse fallen. Die Scheinwerfer machten mich zu einem leichten Ziel.
«Kapierst du Arschloch, dass hier Menschen sind!», brüllte ich in den Wald, doch der Schnee und der Sturm verschluckten meine Stimme. Ich stieg wieder ein und inspizierte eine der Kugeln. Sie maß allem Anschein nach vier Millimeter. Nur mit Mühe unterdrückte ich den Impuls, Gas zu geben und möglichst schnell wegzufahren. Hatte man etwa absichtlich auf mich geschossen? Wollte mir jemand Angst einjagen, damit ich es nicht wagen würde, zum Gutshof Loberga zu fahren? Der Gedanke stachelte mich auf: So leicht ließ ich mich nicht einschüchtern.
Es war nicht das erste Mal, dass ich mit einer Waffe bedroht wurde. Daran konnte und durfte man sich nicht gewöhnen. Wenn mich tatsächlich jemand loswerden wollte, noch bevor ich mein Ziel erreicht hatte, musste die Aufgabe, die mich dort erwartete, enorm wichtig sein. Im schlimmsten Fall sogar lebensgefährlich.
Ich holte ein paarmal tief Luft und ließ den Motor an. Obwohl ich langsam fuhr, erreichte ich schon nach einer Minute das Tor des Gutshofs. Es war geschlossen, aber links entdeckte ich in Höhe des Seiten-fensters eine Klingel, darüber eine Überwachungskamera. Da das Autofenster zugefroren war, musste ich die Tür öffnen, um zu klingeln. Ein Wappen schmückte das Tor. Zwei gekreuzte Schwerter, darunter ein stilisierter Luchskopf. Das gleiche Wappen hatte auch auf dem Brief geprangt, mit dem ich nach Loberga eingeladen worden war. Bald nachdem ich geklingelt hatte, glitt das Tor auf. Offenbar verließ sich die Person im Haus darauf, dass ich diejenige war, die sie erwartete.“

 

 2127786-6b9991dc7380d6c33da3b8c3e7f19500.jpg
Leena Lehtolainen (Vesanto, 11 maart 1964)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Karl Krolow werd geboren op 11 maart 1915 in Hannover. Zie ook alle tags voor Karl Krolow op dit blog.

 

Gedicht für den Frieden

Der Krieg geht weiter. Das zarte Zündholz erlischt schon
In Deinen Augen, das Glück. Die Umarmung wird kürzer und enger
Und unser Atem – der zwiefache Nachtlaut – verwischt schon
Wie ein Rumfleck am Boden. Auf deiner Wange steht länger
Endgültiger Abschied wie trostloser Mond auf Kanälen,
Darunter der Frühe mißfarbene Schatten sich quälen.

Immer wieder dies Achselzucken, dies Harren und Lauschen
Auf den Wind, der die Tränen nimmt, sich über Schläfern erhebt,
Wind der Liebkosung und Wind, du, der Trennung, drin bauschen
Sich Stimmen wie Kleider, eh sie das Schweigen begräbt.
Ohne Ende Lebwohl, Leuchtfeuer noch einmal, dann Schwärze,
Undeutliches Blitzen von Waffen bei zuckender Kerze.

Gespräch mit den Messern! Die Nahkampf-Szene spielt schlecht sich
Auf Straßen zu Ende mit Schreien und Sterbegeruch.
Es legt der Tod einem jeden anders zurecht sich:
Beim beizenden Brennen des Sommers im Stechmückenflug,
Im Heuschreckenlichte Ägyptens, erstickt in Kombüsen
Oder zerrissen von Luft unterm Singen von Düsen.

Der Krieg geht weiter. Ich habe noch deine Augen
Einen Augenblick auf der Netzhaut, eh sie im Jenseits zerbricht:
Leichte Bilder des Eben-Noch, die nicht mehr taugen
Vor der Last des Umsonst und unter dem jähen Gewicht
Unvorbereiteten Sterbens, dem gespenstischen Schrecken
Unerklärlichen Himmels, seinem Vom-Tode-Erwecken.

Der Schatten des Engels erhob sich wie Fremde
Und versank – ein Reflex, der rasch sich zerlegt.
Der Krieg geht weiter. – Ich spür ihn wie unter dem Hemde
Das trockene Brusthaar, das sich beim Atmen bewegt
In der Stille des Traums, des Traums von den glücklichen Jahren
Mit dem Duft roten Grases, dem Rascheln von Frauenhaaren.

Und ich verbringe mit ihm diese Nacht, die wirksam mit Dolchen
Ist und die Circe im Blut mir durchbohrt:
Den Genuß und was läßlich ist. Winke den Strolchen,
Den trägen Gespenstern, mit Augenhöhlen, umflort
Schon von Ewigkeit, gebe ihnen das Zeichen,
Sich auf mich zu stürzen. Aber sie zögern. Sie weichen.

Sie lassen mir Zeit. Ich erhebe noch einmal die Stimme.
Ein kleines Flüstern wird es. Ein knisternder Laut
Entringt sich dem Dunkel, daß winzig im Haifischmaul glimme
Die Hoffnung, der Friede, das schutzlose, unnütze Kraut,
Die zierliche Freude, aus hellen Gesichtern errichtet,
Gewebe der Schönheit, das sich zu Leben verdichtet!

 

 2127786-f205293994e51db88c84fcd3418577e1.jpg
Karl Krolow (11 maart 1915 – 21 juni 1999)

 

 

De Nederlandse dichter Daan de Ligt werd geboren op 11 maart 1953 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Daan de Ligt op dit blog.

 

Vierluik

III Brief aan de gravin

U bent pas tachtig, dat is wel wat jong
ik val alleen op terminale vrouwen
met wie ik, zij het kort, een nest wil bouwen
u bent, zoals dat heet, 'still going strong'

maar u bent rijk, dus waag ik toch de sprong
omdat mijn libido u zal benauwen
en snel, ik denk een weekje na het trouwen
zal zorgen dat u hunkert naar de gong

en als uw laatste uur dan heeft geslagen
in 't liefdesbed dat ook uw sterfbed bleek
dan ben ik 'uiteraard' totaal van streek
maar zal mijn lijden als een kerel dragen

ik neem contact op, gauw, nog deze week
u zult genieten van uw laatste dagen



IV Antwoord van de gravin

Ik heb de zaken nog eens afgewogen,
heb mij heel openhartig afgevraagd
of u een oude freule soms graag plaagt,
wellicht is uw imago slechts gelogen.

U kan misschien op buik en kaalheid bogen,
als Don Juan bent u niet half geslaagd.
Ik wed dat u in bed ook sokken draagt
en zoiets kan de wellust niet verhogen!

Neen, neen, uw mooie woorden zijn bedrog!
Ik zoek me zelf een laatste-reisgenoot:
nog jong, gespierd, behaard en cash betaald,

die om mijn landgoed, geld, kasteel niet maalt.
Toch erft die lieverd alles bij mijn dood:
van adel wordt mijn blauwe Duitse dog.

 

 2127786-e681a4a3232d54bbe9993633f7f6307e.jpg
Daan de Ligt (11 maart 1953 – 22 augustus 2016)

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter, columnist, het fotomodel, de beeldend kunstenaar en copywriter Frans Vogel werd op 11 maart 1935 geboren in Haarlem. Zie ook alle tags voor Frans Vogel op dit blog.

 

Faits d' hiver (afscheid v.d. herfst)

Dat je de kachel aanmaakt:
light your fire, man!
Na houtjes te hebben gehakt
met het bijltje dat je wel meer
bij de hand hebt gehad.
En van het pardoes
d'rbij neergooien waarvan
anders botweg geen sprake
kan zijn (logica). Spreek ik
uit ervaring. Middelerwijl
met overwinteren zeer wel
au fait. Stilaan steeds meer
Wladiwostok-georiënteerd.
Ben ik doorgewinterd type in.
In dat opzicht welhaast pinguïn.
Weet dan ook van de mof & de want.

Zo schaatst men regelrecht
vanuit zijn iglo eerstopdoemend
wak in, mocht men (die ouwe
Eskimo had 'r nog zó voor
gewaarschuwd) rooie benen
& wintertenen ijskoud
aan zijn snowboots lappen:
men sterft dan letterlijk
van acute ademnood en
kou zo bitter, dat de pegels
& kristallen d'r van kleumen.

En wat de ijsbeer
(de Thalarctos maritimus)
op Nova Zembla betreft:
deze levensgrote, levensgevaarlijke
typhushongerlijer kan daar
nog steeds plotseling
rechtop overeind
tegenover je komen
te staan - naar je
uithalend met zijn klauwen.

 

 2127786-3b72c6ae2627414d7d0ac206ff057899.jpg
Frans Vogel (11 maart 1935 – 19 februari 2016)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver Willem Claassen werd geboren in Beuningen in 1982. Zie ook alle tags voor Willem Claassen op dit blog.

Uit: Camping

“Het gasstelletje werkt niet goed. Steeds waait het vlammetje uit. Maar zoveel wind staat er niet.
Ik zit op mijn hurken. Ik moet geconcentreerd naar het gasstelletje kijken anders zie ik het vlammetje niet. Het is moeilijk, zo in het zonlicht. Ze heeft me uitgelegd hoe ik het kan zien. Het pannetje water waarin ik twee eitjes wil koken staat klaar in het gras. Telkens weer ruik ik een vleugje gaslucht.
‘Laat me nu maar even,’ zeg ik als ze naast me komt zitten.
‘Smeer je anders eerst even in,’ zegt ze.
Ze doelt op mijn armen en benen. Ze heeft gelijk. Ik verbrand snel en ik zit al weer een tijdje in de zon. Maar het gas kan elk moment ontvlammen. Het moet lukken. Ik voel dat ze naar me kijkt. Steeds draai ik het gas open, klik een paar keer met de aansteker en concentreer me op de plek waar het vlammetje zichtbaar moet zijn. Even zie ik de vlam, dan is 'ie weg. Ik draai het gas weer uit en meteen weer aan, houd de aansteker erbij, etcetera. Ik word er steeds handiger in.
Ze buigt zich naar voren, steunt met een hand op de grond. Ze strekt een arm naar me uit.
‘Nee,’ zeg ik zacht.
Uiteindelijk blijft het vlammetje aan.
Dit is de derde dag op de camping. Ze wilde het graag: Midden-Frankrijk, acht dagen. Ik heb al jaren niet gekampeerd. In mijn jeugd ooit. Dat weet ze.
Bij het opzetten van de tent gaf ze aan wat ik moest doen. Hoe ik het zeil vast moest houden, welke stokken ik aan moest geven. Op haar aanwijzen plaatsten we de tent achterstevoren, met de achterkant naar het gangpad. Daarmee vallen we uit de toon in onze rij tenten.
‘Voor de privacy,’ legde ze uit toen ik vroeg waarom.
Ik ben daar niet op ingegaan. Het tafeltje en de twee stoelen staan achter de tent. Daar koken, eten en lezen we.”

 

 2127786-bca85eb05df941bc8dc565578402a94c.jpg
Willem Claassen (Beuningen, 1982)

 

 

De Nederlands- Palestijnse dichteres Amal Karam groeide op in Beiroet, Libanon. Zie ook alle tags voor Amal Karam op dit blog. Zie ook alle tags voor Amal Karam op dit blog.

 

Green Kapital

Je Waal is groter
Vloeiender dan mijn ogen
Mijn ogen zijn dieper dan haar water
Je bomen beroven mijn ogen van hun groen
Je nacht slaapt en laat mij achter.
Zoals de seizoenen je veranderen
Verandert mijn blik naar jou
Wordt groot, ruimer
Je herfst is mijn verhaal
Je lente mijn optimisme.

Ik verhul met praatjes en gedichten
mijn oude wonden,
om ze verborgen te houden voor je mooie ogen
Raak me niet in mijn hart
Zodat ik niet uiteen val
En jij je schuldig achteraf voelt.

Laat de wind niet in je oor janken om mij,
alleen op verlaten straat
als een moeder die haar enige kind kwijt raakt
of een weeskind,
dat alleen op weg gaat naar de onbekendheid.
Vervloek mij niet als ik in stilte lijd
Denk aan mijn pijn
En aan je vloek als ik van boosheid in je gezicht bijt.

Wanneer het groen groeit,
omarmt de aarde zijn wortels
Verbreedt de droom zijn hemel
Verduurzaamt het hart zijn liefde
En Nijmegen wordt een werelds groen kapitaal
Zo groen en zacht als een net geboren liefde
En heeft een heel leven voor zich
Zoals een kind.

 

 2127786-028c5090470aacedac633caad89f29c0.jpeg
Amal Karam (Beiroet, 1960)

 

 

De Nederlandse schrijver en literatuurwetenschapper Max Hermens werd geboren in 1991 in Boxmeer. Hermens studeerde cultuurwetenschappen in Nijmegen. Zijn verhalen verschenen in Das Magazin en Op Ruwe Planken. Hij droeg voor op onder andere festival De Oversteek en het Wintertuinfestival. Als literatuurwetenschapper publiceerde hij over het werk van Joseph Conrad.

Uit: In plaats van geluk

“Mijn ouders deden er altijd alles aan om mijn broertje binnen de grenzen van het normale te houden. Op school ging het niet goed met hem, dagelijks werd hij uit de les gezet. Het was een kleine en driftige jongen, mijn broertje, hij had concentratieproblemen en kon slecht lezen en schrijven.
Vooral in groepen werd hij onrustig. De school raadde aan hem op groepstherapie te doen, samen met andere kinderen zoals hij. Thuis zakte hij ziedend ineen.
“Ik ga niet! Ik ga niet!”
Hij lag krampachtig op het keukenlinoleum te spartelen terwijl mijn ouders hem om beurten probeerden op te beuren. Uiteindelijk gingen we allemaal mee naar zijn therapiesessie en wat bleek: ook de andere kinderen hadden hun ouders meegesleurd. Koffiekannen stonden klaar. Tijdens de verschillende oefeningen deed mijn broertje verlegen en voorbeeldig mee met de rest. Ik werd op een smal stoeltje weggedrukt tussen de volwassenen.
Alles in huis moest altijd duidelijk verlopen. Maaltijden werden op gezette tijden geserveerd, ’s avonds was het stil. Ik had vaste taken. Na school hielp ik mama in het huishouden. Ik deed altijd de afwas. Ik kookte wanneer mijn broertje naar bijles ging. Hij was het onrustige brandpunt waaromheen de rest van het gezin zich voorzichtig bewoog. Elke keer als het hem lukte om een van zijn onvoldoendes om te zetten in een voldoende, al was het een zesje, werd dat gevierd met taart. Mama riep het hele gezin bijeen en de taart werd in vieren gesneden, iedereen blies een kaarsje uit.
Mij ging het beter af. Ik kwam thuis met voldoendes. Als beloning drukte mama zo nu en dan wat kleingeld in mijn handen. “We hadden niets anders van je verwacht.”
Zo ging het bij ons in huis. Als ik erover klaagde, siste mama mij snel stil, alsof alleen het benoemen al storend was. “Jij hebt niets om jaloers op te zijn”, fluisterde ze dan.”

 

 2127786-957c062c956a79bd7b5f70af0685f512.jpeg
Max Hermens (Boxmeer, 1991)

 

 

De Nederlandse schrijfster, beeldend kunstenares, filosofe en singer-songwriter Eva Meijer werd geboren in Hoorn in 1980. Meijer maakt performances, muziektheatervoorstellingen en installaties, zoals bijvoorbeeld Het leven leert vanzelf in het Scheltema Complex in Leiden en Verlangst in de Boterhal (met Miriam Reeders), maar ook tekeningen en foto's, video's en afleidingsmateriaal voor varkens. Zij bracht vier albums en een aantal EP's uit en trad op in Nederland, België, Duitsland, Engeland en Amerika. Muziek en meer informatie over de muziek vindt u hier. Korte verhalen en gedichten van haar hand verschenen in De Revisor, Tirade en De Brakke Hond. Ze is mede-oprichter van literair collectief De Jagers. Eva's debuutroman “Het schuwste dier” verscheen in 2011 en werd genomineerd voor de Academica Literatuurprijs, de Gouden Boekenuil en de Vrouw&Proza DebuutPrijs. Haar tweede roman “Dagpauwoog” verscheen in 2013 en werd goed ontvangen. In 2016 verscheen “Dierentalen”, een populair wetenschappelijk boek over talen van niet-menselijke dieren, en de vraag wat taal eigenlijk is. Haar derde roman “Het vogelhuis” verscheen in 2016. Het won de Lezersprijs van de BNG Bank Literatuurprijs en werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en de ECI Literatuurprijs.

Uit: Het vogelhuis

“1911
Het voelt alsof iemand een deurtje opengezet heeft in mijn hart, zodat de warmte naar binnen kan stromen. Een deurtje of een raam. Ik ren naar Olive, achter in de tuin, door het zomergras, het zachte gras, alles is zo groen.
‘Is vader er al?’
Ik schud mijn hoofd. ‘Heb je de rozen al geroken? Kijk, ze zijn helemaal open.’ Ik pak een roos uit de haag achter haar, buig hem naar haar toe.
Ze knikt, probeert haar rug te strekken. ‘Wil je een drankje voor me halen? Ik heb de hele dag gelopen.’ Ze moest met moeder mee om jurken te kopen.
Ik loop terug naar het huis, langzamer nu, voet voor voet voor voet. Florence houdt me staande in de serre. ‘Gwen, ben je klaar voor het optreden? Je vader is er over hooguit een halfuur. Hij zal een paar nieuwe gedichten voorlezen, daarna leest Paul een serie gedichten, en dan kun jij misschien die suite van Bach spelen?’
Ik haal mijn schouders op.
‘Gwendolen.’ Ze kijkt streng.
‘Ja, mam.’ Ik loop door naar de keuken, waar ik Tessa om een glas champagne vraag. ‘Voor mijn zus.’
‘Hoe is het met de vogeltjes?’
‘De kleine koolmees heeft het niet gehaald. De ekster heb ik gisteren buiten gezet, dat lijkt goed te gaan.’
‘Je bent een lieverd. Ik zei het net nog tegen Kokkie.’
Ik zwaai en neem de champagne mee naar buiten, waar Paul met zijn rug tegen de deurpost leunt, zijn krullen in rondjes tegen de muur gedraaid, zijn gezicht naar de late lage zon gewend. Als ik langsloop draait hij zich naar me toe. Ik schrik, bloos, doe alsof ik hem niet zie.”

 

 2127786-83e57c4352815c1ccc3f45690a9ad137.jpg
Eva Meijer (Hoorn, 1980)

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Helena Hoogenkamp werd geboren in Zaandam in 1986. Zij studeerde Writing for Performance aan de Hogeschool van de Kunsten Utrecht. Haar werk verscheen onder meer in de VPRO Gids en op Volkskrant.nl. Ze studeerde in 2014 af aan de HKU Writing for Performance, en schreef in 2016 een columnreeks voor .UNST over het bestaan als zzp-er. Hoogenkamp won in 2012 de El Hizjra Literatuurprijs. In 2015 verscheen bij Wintertuin haar chapbook “Kleine zeemeermin, per ongeluk dood”. In 2017 was zij te zien in de voorstelling BLISS van Jasper van Luijk en toerde ze met haar performance ‘Van wie is dit verhaal?’ door Oost-Nederland.

 

Er zijn drie manieren om je tong in een pistool te stoppen

1.
Met het puntje en je ogen boven de loop,
smekend bij bandieten met een doorlopende wenkbrauw
die liegen dat papa postbode is.

Ze slaan zichzelf met een klaargelegde zaklamp.
Je kunt niet houden van iemand die doodgaat.
(bij het ontbijt geven ze hun kinderen Brinta)

Hun vrouwen kijken liever uit het raam dan naar de televisie,
Ze sparen zegels voor onderzetters.
Iemand brengt je vijanden bier.

2. Met gele kousen aan.

Vannacht moest ik boksen tegen een schilferige jongen.
De hele zaal was op zijn hand.
Hij boog en strooide huid op de mat.
Het was zijn publiek, in zijn tijd.
Ik ging alvast liggen.

3.
Ik ben gestopt met denken dat het ophoudt.

Vreemde vrouwen trekken mijn sjaal strakker aan op straat.
Ze wijzen me de weg, maar ik ben ni et verdwaald.
Ik wil geen litteken in de vorm van iets dat bestaat.

 

 2127786-9cb2259f7bc36a0f980b3a4ce8ce9809.jpg
Helena Hoogenkamp (Zaandam, 1986)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e maart ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 11 maart 2007 en ook mijn blog van 11 maart 2008 en eveneens mijn blog van 11 maart 2009.

Geschreven door Romenu om 12:12 Reageer op dit bericht

Ernst Wichert, Douglas Adams, Torquato Tasso, Georg Maurer, Josef Martin Bauer, Maartje Smits

De Duitse schrijver Ernst Wichert werd geboren op 11 maart 1831 in Insterburg. Zie ook alle tags voor Ernst Wichert op dit blog.

Uit:Das Duell

“Drei Universitätsfreunde, der Burschenschaft angehörig, mit nicht gewöhnlichem Eifer allem Zeitbewegenden zugewandt, hatten einander, als sie mit Ablauf desselben Semesters in das Philisterland abreisten, das feierliche Versprechen gegeben, an einem bestimmten Tage nach zehn Jahren in der Reichshauptstadt zusammentreffen zu wollen, nicht nur, um ein hoffentlich fröhliches Wiedersehen mit einem guten Glase Wein zu begießen und dabei der schönen Studentenzeit zu gedenken, sondern vielleicht mehr noch zur Prüfung, ob man in allerhand Hauptfragen des Lebens einig geblieben und auch weiter geneigt sei, dieselbe Richtung, wenn schon auf verschiedenen Straßen, einzuhalten. In zehn Jahren, hatten sie gemeint, könne sich so viel verändert haben, daß gleichsam ein neues Losungswort ausgegeben werden müßte: könne man das finden, so sei es gewiß ein gutes Zeichen fortdauernder innigster Zusammengehörigkeit.
Sie hatten in Leipzig und Heidelberg, zuletzt in Berlin studiert, und hier warteten sie einander nun vor einem Hause in der Dorotheenstraße ab, in welchem sich damals eine gemütliche Weinkneipe befunden hatte, die den Rendezvousplatz abgeben sollte. Das alte, noch an die Zopfzeit erinnernde Haus war inzwischen niedergerissen und durch einen Bau von doppelt so vielen Stockwerken ersetzt, die nun sämtlich anderen Zwecken dienten. Sie kundeten aber den Wirt aus, der eine Straße weiter sein altes Weinlager gekellert und eine Trinkstube ungefähr im früheren Stil eröffnet hatte. Dort saßen vormittags und abends die Gäste, denen es noch immer mehr auf einen guten Tropfen als auf eine glänzende Ausstattung des Lokals ankam, an einfachen Holztischen, und hier fanden auch die drei Freunde eine stille Ecke, in der sich's behaglich von Vergangenheit und Zukunft heiter und ernst plaudern ließ. Vom Briefschreiben hielten alle drei nicht viel, so daß sie das wenige nicht ganz Berufsübliche, was jedem in dem Decennium passiert war, meist erst jetzt erfuhren. Auch das eigentlich nur in kurzen Randbemerkungen. Es geht alten Freunden so, daß sie lange Zeit fast für einander tot zu sein scheinen und beim Zusammentreffen die Empfindung haben, nie getrennt gewesen zu sein.
Der eine – Arnold Runge – hatte erst Theologie, bald aber, seine Freigeistigkeit fürchtend, Philologie studiert und war Gymnasiallehrer irgendwo in Schlesien, hatte auch geheiratet und sogar schon zweimal taufen lassen. Ein rechter Brausekopf, mit aufstehendem rotblondem Kraushaar und zwei breiten Schmarren über der linken Backe bis in den Mundwinkel hinein, jetzt nach der dritten Flasche wieder stark gerötet.“

 

 2127782-759cf4dc78cbd653947953cc628f4acc.jpg
Ernst Wichert (11 maart 1831 – 21 januari 1902)
Cover

 

 

De Engelse schrijver Douglas Noel Adams werd geboren in Cambridge op 11 maart 1952. Zie ook alle tags voor Douglas Adams op dit blog.

Uit: The Hitchhikers Guide to the Galaxy

“She carried it through to him and asked if he felt like talking things through. `Zark off,' said Zaphod. Trillian nodded patiently to herself, counted to an even higher number, tossed the tray lightly aside, walked to the transport room and just teleported herself the hell out of his life. She didn't even program any coordinates, she hadn't the faintest idea where she was going, she just went — a random row of dots flowing through the Universe. `Anything,' she said to herself as she left, 'is better than this.' `Good job too,' muttered Zaphod to himself, turned over and failed to go to sleep. The next day he restlessly paced the empty corridors of the ship, pretending not to look for her, though he knew she wasn't there. He ignored the computer's querulous demands to know just what the hell was going on around here by fitting a small electronic gag across a pair of its terminals. After a while he began to turn down the lights. There was nothing to see. Nothing was about to happen. Lying in bed one night — and night was now virtually continuous on the ship — he decided to pull himself together, to get things into some sort of perspective. He sat up sharply and started to pull clothes on. He decided that there must be someone in the Universe feeling more wretched, miserable and forsaken than himself, and he determined to set out and find him Halfway to the bridge it occurred to him that it might be Marvin, and he returned to bed. It was a few hours later than this, as he stomped disconsolately about the darkened corridors swearing at cheerful doors, that he heard the `wop' said, and it made him very nervous. He leant tensely against the corridor wall and frowned like a man trying to unbend a corkscrew by telekinesis. He laid his fingertips against the wall and felt an unusual vibration. And now he could quite clearly hear slight noises, and could hear where they were coming from — they were coming from the bridge. Moving his hand along the wall he came across something he was glad to find. He moved on a little further, quietly. `Computer?' he hissed. `Mmmm?' said the computer terminal nearest him, equally quietly. `Is there someone on this ship?' `Mmmmm,' said the computer. `Who is it?' `Mmmmm mmm mmmmm,' said the computer. `What?'

 

 2127782-736d65c264f8c5c53c58bdbf2b9481de.jpg
Douglas Adams (11 maart 1952 - 11 mei 2001)
Cover luisterboek

 

 

De Italiaanse dichter Torquato Tasso werd geboren op 11 maart 1544 in Sorrento bij Napels. Zie ook alle tags voor Torquato Tasso op dit blog.

Uit: Het verloste Jeruzalem

DE dubble Zwaan, die Griekse en Roomse Dichters kroonen,
    Homeer en Maro wierd ten hemel toe geacht,
Om dat haar Luit, met meer dan aangename toonen,
    Voor eeuwig heeft bezield d’aaloude wapenkracht,
Daar ’t Aziaanse bloed, en ’t bloed van ’t schoon Europe
    Tien jaren heeft gevloeid voor’t Slot van eene Stad.
Dus kost dat schoone Kind den muil des Nijds ontslopen,
    Onsterflijk zijn, zoo lang men iet onsterflijks had;
De Xanth en Zimoïs haar Troje noch omringen,
    De hooge Sceésche Poort noch overende staan.
Hier komt nu een TORQUAAT wat ongemeender zingen,
    En in ’t nieuw Latium d’Eóólsche Cijter slaan;
Niet hoe het Heidendom heeft lijf om lijf gestreden,
    En Rijk om Rijk gewaagd, voor een ontschaakte Boel.

De vrome GODEFROOY in’t harnas toegereden,
    Verlost de heilge stad van d’Aladijnse Stoel,
En kapt op d’Indiaan, en Pers, en snoô Barbaren,
    Ten dienst van d’Oppergod, en Zijn gekruisten Zoon.
Hij stormd verwoed op haar verwoede Heijërscharen,
    Op dat geen booze Draak meer heerscht op Zalems Troon.
Hoe prachtig weet TORQUAAT zijn GODEFROOY te malen,
    ’t Geloof en ’t Ongeloof te stellen in een perk,
En schoonder dan de Zon op Libanon doen pralen,
    Het Heir, daar ’t al voor zwicht, wijl’t dingt om Christus Kerk.

 

Vertaald door Joan Dullaart

 

 2127782-c31388f8dc0541a30f116fbddb8f5e32.jpg
Torquato Tasso (11 maart 1544 – 25 april 1595)
Torquato Tasso und die beiden Leonoren door Carl Ferdinand Sohn, 1839

 

 

De Duitse dichter en essayist Georg Maurer werd geboren op 11 maart 1907 in Siebenburgen (Roemenië). Zie ook alle tags voor Georg Maurer op dit blog.

 

Dem Kosmonauten ist wieder hyazinthen das Meer der Griechen

Dem Kosmonauten ist wieder hyazinthen das Meer der
      Griechen
und eine schimmernde Muschel die Welt, aus der Venus stieg.
Denn von den Eltern kommen wir immer. Und ein Strom der
      Schönheit,
stürzt sich das Menschengeschlecht in das regenbogenfarbene
      All.
Ach, von dorther mag ein Rubin sein das Blut der Erschlagenen.
Und wir küssen ihn und tragen ihn am Finger
als Kostbarkeit auf fremde Sterne. Denn nicht leicht fliegen wir.
Die Schwere der Erde ist unser Flug – und
wie das Opfer die Freude.
Das aber muß uns sagen das Wort.
Denn das ist der Zusammenprall des Herkules mit dem Löwen,
in dem Gewitter schwingend. Wir hören es und gedenken der Ahnen.
Denn auch dies ist unser, daß wir durch die Zeiten fühlen
und den Toten gönnen ein großes Leben und sie verstehen
als Unsere, die das Unsrige förderten in Nächten und Opfern.
Denn wer da aufstand und ins Fließen sah und in den schweren Glutball
und mehr als rauschen vernahm und mehr empfand als Hitze,
daß er meinte, ein Gott spräche aus ihm, der war ein Tor nicht,
sondern ein Lehrender noch für uns, die wir das Wort suchen,
um ganz zu sagen, was wir sind, und mehr noch als nur
befreit von den Herrn – und mehr zu hören
als das Rauschen der Motoren und mehr zu empfinden
als die Hitze der Hochöfen. Denn schwer genug sind die.
Aber der Flug ist ’s der Schwere, der den Menschen
zum Menschen macht, zum Sohn der schwebenden Masse.

 

 2127782-e4e5fe6f9dadc7d31914296dc6ab62bf.jpg
Georg Maurer (11 maart 1907 – 4 augustus 1971)
De Georg-Maurer-Bibliothek in Leipzig

 

 

De Duitse schrijver Josef Martin Bauer werd geboren op 11 maart 1901 in Taufkirchen. Zie ook alle tags voor Josef Martin Bauer op dit blog.

Uit:Kranich mit dem Stein

„An Seine Eminenz wurden die Weissagungen jenes Mühlknechtes erst herangetragen, als längst jeder Pfarrer und jeder noch nicht sehr erfahrene Kaplan, von seinen Gläubigen und vor allem in den Religionsstunden von den Kindern um Auskunft bedrängt, sich mit der Sache auseinandersetzen mußte. Petuel hörte, was aus mündlich durchgegebenen Einzelvoraussagen zusammengefaßt worden war, ruhigen Gesichtes an. Der Ton, die Fassung, die Formulierung der Aussprüche hatte in manchem etwas Biblisches. Der Volksmund, an der Bibel im Sprachlichen sehr deutlich geschult, hatte manchem Spruch eine sprachliche Wucht gegeben, die auch einen Mann wie Petuel nicht ohne Eindruck ließ. Die Formulierungen waren schön dunkel gehalten, wie das Volk so etwas liebt, und über die Umstände des Lebens und Sterbens jenes von der Sehergabe geschlagenen oder begnadeten Mühlknechts wurde auch so überzeugend ungenau berichtet, wie es dem Vertrieb der Gesichte günstig war. Die Versuchung lag nahe, die zuweilen an apokalyptische Bilder gemahnenden Gesichte, die ihn schon so bitter geplagt hatten, mit den nicht minder apokalyptischen Bildern zu vergleichen, die dieser Mühlknecht vor hundert Jahren von eben dieser heutigen Zeit gemacht haben sollte. Weil Petuel aber an der Sprache der Bibel tiefgründig geschult war, begann er den Satzprägungen dort zu mißtrauen, wo sie am geschicktesten auf diesen altertümelnden Wortklang abgestimmt waren.
Und wenn einer, so wie Petuel, noch so ehrlich in sich selbst die Ahnungen und Gesichte nachprüfte, so tat er besser, wenn er sich selbst mit Vorbehalten glaubte und vor den Menschen, für die er Gort verantwortlich war, den Mut predigte und die Kraft, die sich nicht auch in ihrem letzten Rest noch lähmen lassen durfte durch ein tatenloses Hinstarren auf den angeblich schon am Horizont sichtbaren Jüngsten Tag.
Millionäre von vorgestern stocherten in den Mülltonnen, und Reichsgrafen, die ihren Stammbaum ungebrochen bis auf Karl den Großen zurückführen konnten, trugen ihren letzten guten Anzug auf, während sie, zum Betteln zu stolz, ihre Hilflosigkeit den Vermögenderen anboten, die vielleicht Wert darauf legten, sich in ein paar Sprachen unterrichten zu lassen.“

 

 2127782-4029661e549d14239ed3c5b96a101f56.jpg
Josef Martin Bauer (11 maart 1901 – 15 maart 1970)
Taufkirchen

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse dichteres Maartje Smits werd geboren in Amsterdam in 1986. Zij studeerde ’beeld en taal’ aan de Gerrit Rietveld Academie en  voltooide eveneens een Master in Design aan het Sandberg Instituut. In 2015 debuteerde ze met Als je een meisje bent bij uitgeverij De Harmonie.  Voor deze tweede bundel ontving Maartje de debutantenbeurs van het Nederlandse Letterenfonds. Smits is docente aan de Gerrit Rietveld Academie en ArtEZ en schrijft columns voor De Groene Amsterdammer.

 

Achterover opgroeien

het begint met onderwaterlikken
koprollen de tong naar buiten
elkaar proberen te raken
achterover opgroeien maar desgevraagd
het gevolg ervan binnenstebuiten
keren
borsten wegbidden
een jaar lang vergeving vragen
uitdijen tot stilstand verzuipen
het zwembad heet nu spleasure centrum
de abdicatie van je vrouwelijkheid
de haak
de badmeester
de buurjongen
vergeten
vergeten

 

 2127782-ca2b320dd64e04930449c5808eba8f75.jpg
Maartje Smits (Amsterdam, 1986)

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 11 maart 2007 en ook mijn blog van 11 maart 2008 en eveneens mijn blog van 11 maart 2009.

Geschreven door Romenu om 12:08 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten