Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 29 maart 2018 tot 30 maart 2018

Golgotha (Theo Thijssen)

 

Bij Goede Vrijdag

 

 2133641-0d6a382f6e4f7c8863c3b60d91c389fc.jpg
Golgotha door Mihály Munkácsy, 1884

 

 

Golgotha

De Man der Smarte
Hangt aan het hout,
Geschuwd door allen
En uitgejouwd.

De middagzonne
Straalt brandend heet
Zij schroeit de Heiland:
Hem schut geen kleed.

Het volk verguist Hem,
Bespot Hem luid:
‘Gij, valse Godsman,
Uw spel is uit!’

Hij hoort zijn stemme
Zo vlijmend koud:
‘Kom nu, Verlosser,
Kom af van ’t hout!’

De overpriestren
Aanschouwen 't blij:
De Waarheid zieltoogt,
Zij zijn nu vrij!

Daar hangt Hij bloedend
Aan 't merk der schand;
Hij, d'eeuwge Koning
Van 't Godlijk Land.

Zijn wonden schrijnen
En 't drupplend bloed
Vergaart zich samen
Aan 's kruises voet.

Maar 't Hart des Heilands
Het bloedt nog meer,
Zijn ziele buigt zich
Bedroefd terneer.

Maar van Zijn lippen
Ruist 't warm gebed:
‘Vergeef 't hun, Vader!
O! Red hun! Red!...'

De Man der Smarte
Hangt aan het kruis;
Zijn ziele smacht naar
Het Vaderhuis.

Voor het brekend oge
Wordt 't donkre nacht.
Zijn lippen staamlen:
‘Het is volbracht!’.

Het hoofd nu buigend,
Geeft Hij de geest,
De grote Christus!...
Hij is geweest!...

Maar Englenreien
Verkonden ’t lied:
‘De eeuw’ge Christus,
Hij sterreft niet!

Zij Geest blijft leven,
Trotseert de dood,
Na zwarte nacht groet
Hij ’t morgenrood!

Zijn Geest van Liefde
Wordt niet geblust;
In Zijn naam vindt eerst
De Sterv’ling rust!’

En Englenkoren,
Zij heffen aan:
‘Wat eeuwig goed is
KAN niet vergaan!’

 

 2133641-abd0301aa347d13e4a920f957b7a272c.jpg
Theo Thijssen (16 juni 1879 - 23 december 1943)
De Vondelkerk in Amsterdam, de geboorteplaats van Theo Thijssen

 

 

Zie voor de schrijvers van de 30e maart ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 10:56 Reageer op dit bericht

Gerrit Komrij, Paul Verlaine, Milton Acorn, Erika Mitterer, Uwe Timm, Tom Sharpe, Gert Heidenreich, Theo Breuer, Luise Hensel

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus, polemist en toneelschrijver Gerrit Komrij werd geboren op 30 maart 1944 in Winterswijk. Zie ook alle tags voor Gerrit Komrij op dit blog.

 

Praagse Mist

De Karlsbrücke. Een decembermorgen.
Een klok. Het is op slag van tienen.
Ik voel zijn jas van gaberdine,
Zijn dunne lijf daarin verborgen.

Ik denk aan sinaasappelbomen.
Zijn bed vannacht rook naar seringen.
Hij rilt. Hoort hij de krekels zingen?
We zien de zwarte Moldau stromen.

Ik weet maar weinig van zijn dromen.
Zal straks zo tegen vieren, vijven,
Een mantel op het water drijven?
Hij had hem pas nog laten stomen.

 

 

Zomaar wat woorden

Zomaar wat woorden bij een open vuur.
Ze haken niet naar eeuwigheid noch malen
Ze om iets hoogs en schimmigs als cultuur.
Men doodt de tijd met oeroude verhalen.

Niet kunst schept vorm, de vormen scheppen kunst.
Men luistert hoffelijk hoe zich uit wind,
Gebaar en ritme -woorden zijn een gunst-
Opnieuw het al zo vaak gehoorde ontspint.

Niets slijt waar alles steeds opnieuw begint.
De woorden vliegen uit en hangen even
Als in het vlindernet van een broos kind
Dat ze snel vrijlaat. Het wil zelf ook leven.

 

 

Het stervensuur van een veertigjarige tot zijn verzamelde vrienden:

Wacht u voor een natuurlijke dood; het bot
Draagt haast zijn starheid over; ik ervaar
Een kwalijk gevoel. Mij wacht eenzelfde lot
Als de pier, de kemel en de ooijevaar.

‘Je zal de stem des drijvers niet meer horen,
Het kwaad zal je niet naken’ - ach wat, besproei
Mijn as met tranen, als ik zielsverloren
Door Charon naar de schimmen word geroeid.

Een zelfde lot als de wurm, de pimpel en de
Kneu... Ik ga, maar weet, ik ga in wrok.
Immers, waarom moet ik naar onbekende
Oevers, met niet één mazel, niet één pok?

 

 2133637-78e7278adef8a64dcff4310c1ad12326.jpg
Gerrit Komrij (30 maart 1944 - 5 juli 2012)
Hier met zijn partner Charles Hofman (rechts) in 2000

 

 

De Franse dichter Paul Marie Verlaine werd geboren in Metz op 30 maart 1844. Zie ook alle tags voor Paul Verlaine op dit blog.

 

De kades

De Seinekades van weleer! Ik was agiel
En ging, modest, niet onder geldgebrek gebukt…
Ik was nog jong en ben strijdvaardig opgerukt,
Een ware iconografobibliofiel.

De connaisseur te spelen vond ik infantiel,
Zelfs toen! Maar ieder ogenblik heeft mij verrukt,
Of ik nu mazzel had of danig werd geplukt!
En zonder dat ik in verbittering verviel!

De Seine ging – en gaat – haar eindeloze gang…
Gelijk een zwart-, smaragd- en goudgevlekte slang…
Als immer ruist de wind… Een lieflijk vergezicht!

Maar jagen? Nee, die dagen zijn voorgoed vervlogen.
Door handelsstropers is een puinhoop aangericht:
Elk boekenkistje staart ons aan met lege ogen.

 

Vertaald door Martin Hulseboom

 

 

Mon rêve familier

Je fais souvent ce rêve étrange et pénétrant
D'une femme inconnue, et que j'aime et qui m'aime,
Et qui n'est chaque fois, ni tout à fait la même
Ni tout à fait une autre, et m'aime et me comprend.

Car elle me comprend, et mon coeur transparent
Pour elle seule, hélas! cesse d'être un problème
Pour elle seule, et les moiteurs de mon front blême,
Elle seule les sait rafraîchir, en pleurant.

Est-elle brune, blonde ou rousse? - Je l'ignore.
Son nom? Je me souviens qu'il est doux et sonore
Comme ceux des aimées que la Vie exila.

Son regard est pareil au regard des statues,
Et pour sa voix, loin taine, et calme, et grave, elle a
L'inflexion des voix chêres qui se sont tues.

 

 

Wehmütiges Zwiegespräch

Im alten Park, der einsam und verschneit,
Sah ich zwei Schatten gehn in Dunkelheit.

Tot ist ihr Aug', von welken Lippen beben
Die leisen Worte, die in Nacht entschweben:

Der alte Park ist einsam und verschneit,
Zwei Schatten wecken die Vergangenheit.

– Gedenkst du noch der Wonne einst'ger Liebe?
– Wie willst du, dass mir die Erinn'rung bliebe?

– Schlägt immer noch dein Herz für mich allein?
Kommt meine Seel' im Traume zu dir? – Nein.

– O sel'ges Glück in jenen hellen Tagen,
Da Mund auf Mund geruht! – Wer kann es sagen?

Blau war der Himmel, gross der Hoffnung Macht!
– Die Hoffnung floh besiegt in schwarze Nacht.

So schritten sie durchs Gras den Pfad, den schlimmen,
Und nur die Nacht erlauschte ihre Stimmen.

 

Vertaald door Graf Wolf von Kalckreuth

 

 2133637-77613e79a47558b8fedf1a211bbd7b40.jpg
Paul Verlaine (30 maart 1844 - 8 januari 1896) 
Hier met Arthur Rimbaud (rechts)

 

 

De Canadese dichter Milton James Rhode Acorn werd geboren op 30 maart 1923 in Charlottetown, Prince Edward Island. Zie ook alle tags voor Milton Acorn op dit blog.

 

Hummingbird

One day in a lifetime
I saw one with wings
a pipesmoke blur
shaped like half a kiss
and its raspberry-stone
heart winked fast
in a thumbnail of a breast.

In that blink it
was around a briar
and out of sight, but
I caught a flash
of its brain
where flowers swing
udders of sweet cider;
and we pass as thunderclouds or,
dangers like death, earthquake, and war,
ignored because it's no use worrying ....

By him I mean. Responsibility
Against the threat of termination
by war or other things
is given us as by a deity.

 

 2133637-cba2355b5a2450070843d8cbc459f6f7.jpg
Milton Acorn (30 maart 1923 – 20 augustus 1986)
 

 

 

De Oostenrijkse schrijfster en dichteres Erika Mitterer werd geboren op 30 maart 1906 in Wenen. Zie ook alle tags voor Eika Mitterer en voor E. Mitterer op dit blog.

 

Einem Dichter (Rilke)

Verschwiegnen Klanges einen Bronnen tief
Hast aus dem Meer der Schönheit du gerettet
Du, nach dem lange Gottes Stimme rief
Hast Licht an Nacht und Nacht an Licht gekettet

Was andre säten und was niemals sie
Geerntet haben, weil sie müde waren –
Du hattest Zeit und du versagtest nie
Und hast des Erntens schwere Lust erfahren

Die Früchte reifen nun in unserm Schoße
In den du, uns vertrauend sie gesenkt ....
– – – Und wir begreifen jetzt die übergroße
Tiefheilge Liebe, die uns Gott geschenkt.

 

 

O bilde mich wie einen Klumpen Ton

O bilde mich wie einen Klumpen Ton,
vergiß, daß ich schon je Gestalt besaß,
ball mich zusammen, daß kein Merkmal von
dem Gestern spricht, das gerne ich vergaß.

Ich will Dich schauen, wie die Blumen frühe
die Welt besehn: erstaunt und doch verwandt;
und dennoch Feuer sein! Denn sieh: ich glühe,
und glühe rot Dich an, geliebtes Land.

Doch willst Du, daß ich sei, so wisse: ganz
bin ich nur eins, und dies in seltnen Stunden:
die Sich-Verlierende, die sich im Glanz
von fremden Sonnen strahlender erfunden.

Die Sich-Verschweigende, die gern Erkannte,
die Selige, die sich zu früh ergab;
die beinah Wankende, der die verwandte
trostreiche Stimme Berg zugleich und Stab.

 

 2133637-1366be2c968240227a68b840d9ccc15c.png
Erika Mitterer (30 maart 1906 – 14 oktober 2001)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Uwe Timm werd geboren op 30 maart 1940 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Uwe Timm op dit blog.

Uit: Heißer Sommer

„Mach doch das Fenster auf, sagte Ullrich, draußen ist es schon kühler. Er versuchte, möglichst wenig von dem warmen Mief einzuatmen, der in dem abgedunkelten Zimmer stand.
Du tropfst, Lothar zeigte auf den Fußboden.
Ullrich rieb sich die nassen Beine mit einem Zipfel seines Bademantels ab.
Lothar zog die Heftzwecken heraus, mit denen er die beiden Handtücher am Fensterrahmen festgepinnt hatte.
An heißen Sommertagen schloß Lothar schon frühmorgens das Fenster und verhängte es mit feuchten Handtüchern. Auch die Zimmertür mußte verschlossen bleiben. Dadurch sei es in seinem Zimmer am kühlsten, behauptete Lothar. In Lothars Zimmer sei es am heißesten, behauptete Ullrich.
Lothar hatte das Fenster geöffnet und faltete sorgfältig die feuchten Handtücher zusammen.
Was macht dein Referat, fragte Ullrich, bist du weitergekommen.
Ja, es ging, sagte Lothar und wischte sich die Hände an dem Unterhemd ab, das er trotz der Hitze trug. Er raffte die Manuskriptseiten zusammen, vor denen Ullrich stehengeblieben war. Er stieß die drei Blätter sorgfältig auf Kante und legte ein Buch darauf. Dann ein weiteres. Langsam und genau stapelte er immer mehr Bücher darauf.
Und du, was hast du gemacht, fragte Lothar.
Ullrich ging zum Fenster. Er rubbelte sich mit einem Ärmel seines Bademantels die Haare trocken. Die Dächer der gegenüberliegenden Häuser lagen noch immer im Licht. Die Straße unten war schon im Schatten.
Das Herz ist wach, doch bannt und hält in
Heiligem Zauber die Nacht mich immer.
Hemmt die erstaunende Nacht mich immer, sagte Ullrich. Wieso erstaunt die Nacht? Die werden bald
auch noch ausgraben, was der schrieb, als er im Turm hauste, rostige Nägel sammelte und jeden mit Eure Heiligkeit ansprach.
Mit Untertänigkeit Scardanelli, Ullrich machte eine leichte Verbeugung.
Lothar lachte.
Von den Göttern geschlagen, hatte Ziegler in die überfüllte Aula gerufen und dabei mit der rechten Hand auf das riesige Mosaik an der Rückwand gezeigt, wo Phöbus vier Pferde mit Jugendstilaugen lenkte.
Die Pferde mit den Basedow-Augen, hatte Ingeborg Ullrich einmal zugeflüstert.“

 

 2133637-fc96ae7f93522dcadd261ed54e662818.jpg
Uwe Timm (Hamburg, 30 maart 1940)
Cover

 

 

De Engelse schrijver Tom Sharpe werd geboren op 30 maart 1928 in Londen. Zie ook alle tags voor Tom Sharpe op dit blog.

Uit: Puppenmord (Vertaald door Benjamin Schwarz)

“Wenn Henry Wilt den Hund zu einem Spaziergang ausführte, oder richtiger, wenn der Hund ihn ausführte, oder um genau zu sein, wenn Mrs. Wilt beiden sagte, sie sollten bloß sehen, dass sie aus dem Hause kämen, damit sie ihre Yogaübungen machen könne, schlug er stets denselben Weg ein.
Das heißt, der Hund folgte dem Weg, und Wilt folgte dem Hund. Sie gingen am Postamt vorbei, über den Spielplatz, unter der Eisenbahnbrücke durch und zum Fußweg am Fluss. Eine Meile am Fluss lang, dann wieder unter der Eisenbahn durch und durch Straßen zurück, in denen die Häuser größer als Wilts halbes Doppelhaus, die Bäume und Gärten riesig und alle Autos Rovers und Mercedesse waren.
Und hier verrichtete Clem, ein rassereiner Neufundländer mit Stammbaum, der sich in dieser Gegend offenbar heimischer fühlte, sein Geschäft, während Wilt dastand und sich ziemlich nervös umsah, weil er wusste, dass das nicht seine Gegend war, und er doch wollte, sie wäre es. Das war während des Spazierganges ungefähr das einzige Mal, dass er sich überhaupt seiner Umgebung bewusst wurde. Den ganzen übrigen Weg begaben sich seine Gedanken auf die Reise und schlugen Richtungen ein, die mit seinem Äußeren auf dem Weg überhaupt nichts zu tun hatten. Es war eine Reise voller Wunschträume, eine Pilgerfahrt auf den Spuren entfernter Möglichkeiten, wie zum Beispiel, dass Mrs. Wilt für immer verschwände, dass er plötzlich reich und mächtig wär, und was er täte, wenn er zum Erziehungsminister oder, besser noch, zum Premierminister ernannt würde.
Zum Teil setzte sich das aus einer Reihe verzweifelter Ausflüchte zusammen, zum Teil aus einem stummen Dialog, sodass jeder, dem Wilt aufgefallen wäre (aber den meisten fiel er nicht auf), hätte bemerken können, wie sich hin und wieder seine Lippen bewegten und sein Mund sich zu einem
Lächeln kräuselte, was er albernerweise für sardonisch hielt, während er Streitpunkte erörterte oder mit unglaublicher Schlagfertigkeit Gegenargumente parierte.“

 

 2133637-6c6590e4afb0e16a51af9362a7bdf64e.jpg
Tom Sharpe (30 maart 1928 – 6 juni 2013)
Cover DVD

 

 

De Duitse dichter, schrijver en (radio)journalist Gert Heidenreich werd geboren op 30 maart 1944 in Eberswald. Zie ook alle tags voor Gert Heidenreich op dit blog.

Uit: Die vertriebene Zeit

“Jenen Augenblick werde ich nicht vergessen: Auf einer Reise durch die algerische Sahara stand ich eines Mittags weit ab von allen Pistenspuren und noch über hundert Kilometer von der großen Oasenstadt In Salah entfernt in einem kleinen Tal zwischen Dünen. Die Sonne senkrecht über mir, mein Schatten versammelt um meine Füße. Nichts als das leise Sirren der Hitze und das blendende Blau über den Graten der Sandberge. In der Erinnerung dehnt sich die Stille noch immer in mir aus und trägt mit sich das Gefühl, das ich damals hatte: Behütet zu sein und unbegrenzt Zeit zu haben. Zu stehen, zu schauen, wahrzunehmen, dass sich nichts ereignete. Es war die Erfahrung einer herrlichen Langeweile, und hier lange zu verweilen, war die Einladung der Wüste zur allmählichen Verfertigung meiner Gedanken.  
Wochen zuvor war ich aus unserer Ablenkungsgesellschaft aufgebrochen, und einige Wochen später kehrte ich wieder in sie zurück. Dass die Zeit in der Wüste langsamer vergeht, als in unseren Städten, in denen wir unaufhörlich von Angeboten zur Beschäftigung unserer Sinne umschrien werden, ist eine Erfahrung, die viele Menschen gemacht haben. Erstaunlich aber, dass sie auf den ersten Blick den Untersuchungen widerspricht, die in der Gehirnforschung angestellt wurden. Offenbar gibt es keine Zellen oder kein Areal in unserem Gehirn, wo die Zeit objektiv bestimmt wird. Vielmehr nehmen wir die Dauer eines messbaren Vorgangs je anders wahr, wenn wir uns während seines Verlaufs geistig mit ihm auseinandersetzen oder nicht: Je intensiver unser Denken dabei beschäftigt ist, um so länger erscheint uns der Vorgang. Je weniger er uns zu denken aufgibt, desto kürzer kommt dieselbe messbare Dauer uns vor. Hinzu kommt ein statistischer Faktor: die Zeitrelation. Ein Baby, das einen Tag alt ist und sechzig Minuten auf seine Mutter warten muss, wartet dabei etwa vier Prozent seines Lebens. Schon für einen Zehnjährigen beträgt die selbe Zeitspanne, bezogen auf sein Leben, nur noch ein Tausendstel Prozent. In der Lebensmitte spielt diese Rechnung kaum eine Rolle mehr, erst gegen Ende tritt eine neue Relation zum absehbaren Rest unserer Zeit ein. Man könnte solchen Untersuchungen zufolge annehmen, dass die Vielzahl von wechselnden Angeboten in den Straßen einer Stadt unser Denken kräftig anregt, darum die gefühlte, uns subjektiv zur Verfügung stehende Zeit verlängert – und im Gegenschluss, dass wegen der geringen Menge unterschiedlicher Eindrücke in der Wüste uns die Zeit rasch verfliegt.“

 

 2133637-17312a43ec35341bf9dcb2dc11b1188f.jpg
Gert Heidenreich (Eberswald, 30 maart 1944)

 

 

De Duitse schrijver en dichter Theo Breuer werd geboren op 30 maart 1956 in Zülpich. Zie ook alle tags voor Theo Breuer op dit blog.

Uit: Auf dem Teppich bleiben.Im BücherHerbst 2008

„30. September. Aus drei Manuskriptseiten sind am Ende neun geworden. Wer hätte das gedacht? Die spätsommerlichen Sonnentage haben sich indessen verabschiedet: »Schlechtwetterfront« las ich schmunzelnd im »Neubuch«. Was lese ich nun als nächstes?
Wenn der Postmann zweimal klingelt
Die Lust, gute Bücher zu lesen, um in diesen auf brillante Bilder, sensible Sätze und wesenhafte Wörter zu stoßen, die mich faszinieren, fesseln und verzücken, ist nicht nur ungebrochen, sie will weiterhin bedrohlich anschwellen. So, wie der Publikationsfluß im deutschen Sprachraum tagtäglich weiter anzuschwellen scheint. Die Veröffentlichungswut hat eine Dauerflutwelle von gigantischen Ausmaßen ausgelöst. Vor diesem Szenario erscheint es mir nicht überzogen, auch künftig wenigstens ein Buch (eine Literaturzeitschrift, ein Künstlerbuch o. ä.) pro Tag aus der Verpackung schälen zu wollen. Es gibt so viele schöne Dinge, denke ich nur an das weiße Schächtelchen von Patricia Collins, in dem ich vier zeitungs¬papier¬umwickelte Kiesel mit den Buchstaben P, O, E, M in einem Nest von Schnipseln fand. Ich habe die Kiesel eben wieder einmal in die Hand gelegt: mein Gedicht von heute.
Wehe, der Postbote hat nichts dabei. Meine Frau fürchtet diese glück¬licher¬weise einigermaßen seltenen Momente, in denen ich mit vollkommen leeren Händen und dem Gesichtsausdruck eines Orks ins Haus zurückkehre. Heute, am 10. Oktober verwöhnt mich die Post mit Christopher Eckers Roman »Madonna« (Mitteldeutscher Verlag, Halle 2007), Richard Doves »Am Fluß der Wohlgerüche« (Rimbaud, Aachen 2008) und dem Reader »Brinkmann. Schnitte im Atemschutz« (edition text + kritik, München 2008). Ich möchte über alle drei Bücher gleichzeitig herfallen. Nun ja, ich entscheide mich, alles andere einfach mal unterbrechend, und lese Richard Doves Gedichte in einem Rutsch mit weit aufgerissenen Augen und bin nach dieser lyrischen Weltreise ans andere Ende des nicht immer nur blauen Planeten ziemlich hinter Atem. Die Blitze zucken, Fluggäste stöhnen, / die Nacht lacht respektlos.”

 

 2133637-7081269d0688d0dc798ff6172a87890c.jpg
Theo Breuer (Zülpich, 30 maart 1956)

 

 

De Duitse dichteres Luise Hensel werd geboren op 30 maart 1798 in Linum nabij Fehrbellin (Brandenburg). Zie ook alle tags voor Luise Hensel op dit blog.

 

Entschluß

Nach dir nur will ich trachten,
Mein Heiland, Jesus Christ!
Will kühn die Welt verachten,
Die deine Feindin ist,
Hinweg die Augen wenden
Von ihrem Zauberlicht;
Ihr Feuer kann nur blenden,
Erleuchten kann es nicht.

Oft will es mich gelüsten,
Die Falsche ganz zu fliehn,
In Wälder und in Wüsten
Mit dir allein zu ziehn;
Denn ich will dein mich freuen
In echter Innigkeit,
Muß ich ihr Treiben scheuen,
Das immer mich zerstreut.

Du, Jesus, meine Sonne,
Mein Leben, meine Welt.
Du meines Herzens Wonne,
O, sei mir treu gesellt!
Dir sei es hingegeben,
Der ganzen Erde tot,
Du meines Lebens Leben,
Du, meiner Seele Brot!

 

 2133637-bd979e46e34a7de7d4f83a4404aa566e.jpg
Luise Hensel (30 maart 1798 – 18 december 1878)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e maart ook mijn blog van 30 maart 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 30 maart 2007 en ook mijn blog van 30 maart 2008 en eveneens mijn blog van 30 maart 2009.

Geschreven door Romenu om 10:55 Reageer op dit bericht

Gethsemane (Jacqueline van der Waals)

 

Bij Witte Donderdag

 

2133427-53d3345ef17e9db4cff32eefba755a60.jpg
Gethsemane door Carl Bloch, 1875

 

 

Gethsemane

Jezus, de laatste der nachten,
Ging naar de hof der olijven,
Liet zijn discipelen blijven
Buiten de duistere gaard;
Toen koos Hij drie uit hun midden,
Met Hem te waken, te bidden,
Maar door het bidden en wachten
Werden hun ogen bezwaard.

Kon dan niet één met Hem waken ?
Eén in die smartelijke uren
Met Hem de droefheid verduren
Van Zijn verwerping, Zijn smaad ?
Moest Hij, die zwartste der nachten,
Eenzaam de kruisdood verwachten,
Eenzaam de bitterheid smaken
Van de triomf van het kwaad?

'k Wil bij Uw droefheid verwijlen,
In Uwe smarten verzinken,
Gij, die de beker moest drinken,
Die de verzoening ons bracht,
Wie zal de angsten doorgronden
Van deze nachtelijke stonden ?
Wie zal de duisternis peilen
Van deze duistere nacht ?

 

 2133427-3d5d3a688d02239c87fa670e447b81f8.jpg
Jacqueline van der Waals (26 juni 1868 – 29 april 1922)
De Elandkerk (O.L.V. Onbevlekt Ontvangen) in Den Haag, de geboorteplaats van Jacqueline van der Waals

 

 

Zie voor de schrijvers van de 29e maart ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 16:09 Reageer op dit bericht

Geert van Istendael, Wim Brands, Ernst Jünger, Eric Walz, Georg Klein, Yvan Goll, R. S. Thomas, Jacques Brault, Denton Welch

De Vlaamse schrijver, dichter en essayist Geert van Istendael werd geboren in Ukkel op 29 maart 1947. Zie ook alle tags voor Geert van Istendael op dit blog.

 

Brievenweger

Jij kunt niets anders dan geheimen wegen,
één per keer, verzegeld in papier.
De benen open, even. Overwegen.
De prijs bepalen. Dun, metalig dier,
wie meet exacter, wie heeft meer verzwegen?

Jij weet van niets. Jij bent getal van alles.
Een kleine sprong en het gewicht kan gaan.
Jij wacht, onaangedaan, op nieuw bericht.

 

 

Rachida

De was is stijf bevrozen.
't Is zeker weer min tien.
'k Moet zien da'k er geen stukken afbreek.
Da's hier zijn schoonste hemd.
Ik was er nog zo fier op
toen ik het gekocht heb in de solden.
Min zeventig procent, 't is gene prijs,
dan kan 'ne mens
zich een folieke permitteren.
Amai, het is hier koud,
koud in dat windgat hier.

Die handdoeken,
dat zijn juist plankskes.
Maar droog, dat wel,
de zon staat er vlak op.
in de zomer
hangt uwe was nog niet goed op of
ge kunt de lakens er al af pakken.
Ze zijn dan nog niet helegans droog,
maar 'k heb dat feitelijk liever,
zo'n beetje vochtig,
dat strijkt veel beter.
Vooruit, Rachida,
een beetje rapper, maske,
ge krijgt hier anders nog
een dubbel fleurus seffens.

 

 

Wie schrijft vergeet

Dit zal ik van de steden 's zomers leren.
Op lanen stoeten auto's in de zon
en, met dik potlood ver geschetst,
flanerend, opgetogen, meisjes, heren.

Wat willen steden 's zomers aan mij kwijt?
Van zenuwknoop tot zenuwknoop verdwalen
en telkens het verschil: lijdzame straten,
terrassen, schelle pleinen, vuiligheid.

Maar tussen wat daar is en mij staat glas. Ik weet
dat wat ik zie, ruik, hoor, hermetisch is.
Een stad blijft onvoltooid. Op dit papier
staat orde, dus bedrog. Wie schrijft vergeet.

 

 2133425-e204c128197afddfcab46ed24a756fc5.jpg
Geert van Istendael (Ukkel, 29 maart 1947)

 

 

De Nederlandse dichter, journalist en presentator Wim Brands werd geboren in Brummen op 29 maart 1959. Zie ook alle tags voor Wim Brands op dit blog.

 

Hij is een jager

Hij is een jager die het goede moment kent,
weet wanneer het in een winkel
druk is,

want hij leeft van oeverloze verhalen,
dus nog mooier als de kassa stuk is
en hij zich in de rij langer

kan onderdompelen in een binnenzee
van geluid en misschien wel even
verdwijnt in andermans huid;

dagen waarop hij meer dan anders beleeft,
blij naar huis gaat, zijn schoenen
voor de deur zet,

zodat wij denken dat hij bezoek heeft.

 

 

Ik heb hem in één jaar tijd zien slinken

Ik heb hem in één jaar tijd zien slinken
van redelijk gezond tot een
scharminkelige.

In de Albert Heijn trekt een lege plastic
tas hem bijna moeiteloos naar
de grond.

Wat 'm rest is een mooie stem voor
de dagen waarop het vuilnis aan
de stoeprand staat.

Hoe hij dan tegen de open zakken praat:
mis me straks, mis me, hoewel ik
jullie niet ken.

Als dan de wind meespeelt ziet
hij een vertrouwde
stem.

 

 2133425-e21024afdb6d06b4327c9557fa04694d.jpg
Wim Brands (29 maart 1959 – 4 april 2016)

 

 

De Duitse schrijver Ernst Jünger werd geboren in Heidelberg op 29 maart 1895. Zie ook alle tags voor Ernst Jünger op dit blog.

Uit: Kriegstagebuch 1914-1918

“16.I.15.
Morgens geschantzt, Nachmittags Gewehr reinigen. Am Abend abgerückt in die vor|dere Linie. Wir kamen in das »Granatloch« [zum, gestrichen] als Unteroffi ziersposten. Es wurde abwechselnd
eine Stunde gewacht und eine Stunde geschlafen also ganz angenehm.
Ich zog immer mit Priepke zusammen auf. Das Granatloch ist ein Loch, welches von einer Granate aufgerissen ist und zum Postenloch ausgearbeitet ist. Man befi ndet sich ziemlich nahe am Feinde und es wird viel geschossen. 3 Meter|von unserm Unterstande ragte ein Fuß mit Schuh aus der Erde, der ziemlichen Gestank verbreitete. Die Nacht war wenigstens trocken.

17.I.15.
Den Tag im Graben verbracht. Nachts wieder im Granatloch.

18.I.15.
Heute hinterm Graben im Unterstande gelegen. Ich bekam die erste Karte von Daheim.|Am Abend zogen wir in Reservestellung. Ich bekam das erste Paket von zu Haus und von Großmutter.

19.I.15.
Tagsüber geschanzt. Der Unteroffi ziersposten, [den, gestrichen] an dem wir gestern standen, hat heute einen Mann durch einen Granatsplitter verloren.

22.I.15.
Heute [wurde, gestrichen] fand rechts von Oranville eine sehr interessante Fliegerbeschießung statt. Die Deut|schen Abwehrkanonen schossen sich sehr gut ein, jedoch der Flieger entkam. Zuletzt
standen an 30 Shrapnellwölkchen am blauem Himmel.“

 

 2133425-530b1a3ba71b57c46969597c949cfea1.jpg
Ernst Jünger (29 maart 1895 - 17 februari 1998)
Cover Franse uitgave

 

 

De Duitse schrijver Eric Walz werd geboren op 29 maart 1966 in Königstein im Taunus. Zie ook alle tags voor Eric Walz op dit blog.

Uit: Schwule Schurken (Friedrich der Große. Der Kriegsherr)

„Um 1729 herum lernen die beiden jungen Männer sich kennen, vermutlich auf dem Kasernenhof, wo Friedrich sich zumeist aufhält. Katte ist Leutnant im Garderegiment des Königs, ein hübscher, sechsundzwanzigjähriger Bursche mit gewinnendem Wesen, heiter, intelligent, musisch, ein Lebemann wie aus dem Bilderbuch, dessen einziger sichtbarer Fehler seine übergroße Eitelkeit ist. Er stellt etwas dar und er weiß es. Für Friedrich ist Katte ein Vorbild. Er hängt an seinen Lippen, egal, was er sagt. Es gibt keine eindeutigen Zeugnisse dafür, aber womöglich ist es Katte, der Friedrich in die Geheimnisse der Sexualität einweist — und sei es nur verbal, da Friedrich unter strenger Aufsicht steht. Je wichtiger Katte für den Prinzen wird, je mehr Sonne er in seine schnöden Tage bringt, desto stärker erscheint Friedrich der Kontrast zwischen dem Leben, das er zu führen genötigt ist, und dem, das er führen könnte. Niemand weiß, ob Katte der letzte Auslöser für das geheime Vorhaben Friedrichs ist, oder ob es ohnehin stattgefunden hätte: Friedrich, der Kronprinz, plant die Flucht aus seinem eigenen Land, und Katte wird sein Komplize. Am 5. August 1730 versucht das Paar nach Frankreich zu fliehen, doch sie werden gestellt und dem König vorgeführt. Friedrich Wilhelm I. ist in dieser Situation nicht mehr Herr seiner Sinne. Er gerät dermaßen in Aufwallung, dass er seinen Säbel zieht und versucht, den Sohn zu durchbohren, doch ein hoher Offizier kann ihn davon im letzten Augenblick abhalten. Dennoch fliegen wieder einmal die Fäuste des Despoten, er schleudert den Sohn von einer Ecke in die andere und beendet sein blutiges Werk erst, als seine Kräfte ermatten. Danach lässt er Friedrich und Katte in die Festung Küstrin einsperren, wild entschlossen, beide als Deserteure hinrichten zu lassen. Es kommt anders. Bestürmt von der Familie, von den auswärtigen Botschaftern und seinen Ministern und Generälen legt der König für Friedrich eine Kerkerhaft auf unbestimmte Zeit in der Festung Küstrin fest. Doch die schlimmste Strafe ist eine andere. Von zwei Grenadieren festgehalten, das Gesicht an das Kerkerfenster gepresst, soll Friedrich mit ansehen, wie im Hof unten Hans Hermann von Katte mit dem Schwert enthauptet wird.“

 

 2133425-d8bb48a15e242a8db9559c5d3c41b656.jpg
Eric Walz (Königstein im Taunus, 29 maart 1966)
De executie van Hans Hermann von Katte in Küstrin. Kopergravure uit 1790

 

 

De Duitse schrijver Georg Klein werd geboren op 29 maart 1953 in Augsburg. Zie ook alle tags voor Georg Klein op dit blog.

Uit: Roman unserer Kindheit

„Die Mutter weiß zu ihrem Glück nicht, wie viel an ihrem Tun und Lassen, an ihrem mütterlichen Entscheiden und Vermeiden für ihre neunmalklugen Söhne bereits durchschaubar ist. Unten im Keller, in der nach abgelaugtem Fichtenholz duftenden Luft der Waschküche, ahnen die Zwillinge und der Ältere Bruder sehr wohl, dass die Mutter oben seufzend noch einen Extralöffel Instantpulver auf den Grund des hohen, gerippten Glases rieseln lässt. Die größte Tasse ist ihr längst zu klein. Von morgens bis abends trinkt sie heißen, lauen, auch kalt gewordenen, aber immer starken Kaffee aus dem dickwandigen Saftglas, von dem es nur ein Exemplar im Schrank gibt und das die Brüder bloß als das Kaffeeglas der Mutter kennen. Sie nimmt nur wenig Zucker und gerade so viel Kondensmilch, dass die Schwärze sich in ein dunkles Braun verwandelt. Zwei Runden des Minutenzeigers auf der Küchenuhr wird sie jetzt solo sein, alleine mit dem Radio, allein mit dem amerikanischen Soldatensender und einer Sendung, die siebenmal in der Woche, immer zu dieser Stunde, ausschließlich Goldene Schallplatten aus drei Jahrzehnten spielt.
Die Schicke Sybille gautscht auf dem Böhm?schen Ball herum, ihr Kleid umhüllt die Kugel, verbirgt das matte Schwarz des Gummis, aber man kann ihn auf den Fliesenrillen quarren hören. Keiner der anderen fragt, wozu sie ihren Ball mit in die Waschküche genommen hat. Am großen Tisch vor dem Kellerfenster spielen die Zwillinge Tierquartett mit dem Wolfskopf und mit Sybilles Schwester. Der fehlt zu den bereits gesammelten drei dunklen Bären, den braven Allesfressern, nur noch der vierte Artverwandte, der schreckliche, der weiße, sie ahnt sogar, in wessen Hand der Räuber die Zähne fletscht, aber just, als sie ihn herauszupft, spürt sie, dass sie auch heute, in diesem Spiel nicht und in keinem der noch folgenden, als Erste ihre letzten vier Karten auf den bleichen Holztisch pfeffern darf, und die Zwillinge, die sie aus leidvoller Erfahrung kennen und noch besser kennenlernen werden, müssen gleich die ersten Wuttränchen in ihren Augenwinkeln glitzern sehen.
Der Schniefer hat in einem Obstkistchen eine Auswahl aus seiner Autosammlung mitgebracht, die weißblonden Geschwister Fröhlich aus dem vorderen Block dürfen die eisenschweren Modelle brummelnd über den Boden schieben, dürfen sie sausen und kurven und rückwärtsrollen lassen, aber absolut keinen Unfall, nicht einmal den zartesten Zusammenstoß mit den makellosen Automobilchen simulieren.“

 

 2133425-b38b86904a87e8027f5082fd01bd3ad3.jpg
Georg Klein (Augsburg, 29 maart 1953)

 

 

De Duits-Franse dichter en schrijver Yvan Goll (eig. Isaac Lang) werd geboren in Saint-Dié-des-Vosges op 29 maart 1891. Zie ook alle tags voor Yvan Goll op dit blog.

Uit: Sodom And Berlin (Vertaald door D. Nicholson-Smith)

„Odemar Müller was just back from the front. The train of defeat had deposited him in the city after a painful journey across a country paralysed by fear and want. And here he was in Berlin, the fevered head of a great sick body, starving and covered with sores: the Germany that had just lived through four years of heroism, four years of desolation, during which a great European people, having reached the very pinnacle of civilization, was plunged into a life more wretched than that of a Stone Age tribe, obliged to live on turnips, dress in foliage, and do without any form of heating or any means of contact with the outside world.
How welcome revolution was! Perhaps one would be able to breathe again, and see a little more clearly? Clarity at all costs! Long live Red and ever more Red after so many years of grey! Time to breathe in great lungfuls of air after so much burrowing into the mud!
Officers and men flooded by their thousands into Berlin. Following an order from somewhere—the last no doubt for a long time—they tore the black, white and red cockades from their kepis and the epaulettes from their greatcoats. Without distinction of rank, the defeated heroes returned to the homeland. What was there to be sad about? An East wind, the wind of freedom, was cooling their fevered brows.
The leaden downpour—the last volley from the clouds of war—was over now on Potsdamer Platz. The crowds, held back for twenty minutes, would soon be able to move. But at the very moment when the way forward opened up once more, when men who had been transformed into automata by the war were once more masters of their choices and desires and able to go to either left or right, as they wished—at that very moment, a great anxiety took hold of Odemar.
Where should he go? What should he do? Whom or what should he embrace?
There was nothing now for him in the place of his birth. His father, the old but valiant woodsman Müller, had fallen before Ypres as a captain of reserves; his mother had not survived the privations and solitude that the war had visited upon her. What reason did he have for returning to his sweet Thuringia?”

 2133425-ecd2d517f99b468ac68d3be1e10f7263.jpg
Yvan Goll (29 maart 1891 – 27 februari 1950)
Cover Duitse uitgave

 

 

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas werd geboren op 29 maart 1913 in Cardiff. Zie ook alle tags voor R. S. Thomas op dit blog.

 

Forest Dwellers

Men who have hardly uncurled
from their posture in the
womb. Naked. Heads bowed, not
in prayer, but in contemplation
of the earth they came from,
that suckled them on the brown
milk that builds bone not brain.

Who called them forth to walk
in the green light, their thoughts
on darkness? Their women,
who are not Madonnas, have babes
at the breast with the wise,
time-ridden faces of the Christ
child in a painting by a Florentine

master. The warriors prepare poison
with love’s care for the Sebastians
of their arrows. They have no
God, but follow the contradictions
of a ritual that says
life must die that life
may go on. They wear flowers in their hair.

 

 

Acting

Being unwise enough to have married her
I never knew when she was not acting.
‘I love you’ she would say; I heard the audiences
Sigh. ‘I hate you’; I could never be sure
They were still there. She was lovely. I
Was only the looking-glass she made up in.
I husbanded the rippling meadow
Of her body. Their eyes grazed nightly upon it.

Alone now on the brittle platform
Of herself she is playing her last rôle.
It is perfect. Never in all her career
Was she so good. And yet the curtain
Has fallen. My charmer, come out from behind
It to take the applause. Look, I am clapping too.

 

 2133425-bc8cecb1036d9c156668058f560b0b8d.jpg
R. S. Thomas (29 maart 1913 – 25 september 2000)

 

 

De Canadese dichter, schrijver en vertaler Jacques Brault werd geboren op 29 maart 1933 in Montreal. Zie ook alle tags voor Jacques Brault op dit blog.

Uit: Chemins perdus, chemins trouvés

« …on s’éloigne en direction des Appalaches si longuement rêvées du haut de la montagne quand l’adolescence tournait à l’abandon, et on n’est pas encore arrivé à son éloignement qu’on regrette, on se promet de regagner les faveurs de la désirable, peine perdue, désormais on est vraiment condamné à l’amour de loin comme on ne sait plus quel troubadour à propos d’on ne saura jamais quelle dame, et chaque semaine on vient, on s’amène juste au milieu du pont Champlain qui enjambe le fleuve impassible, on s’arrête, on regarde le laideron à l’heure du crépuscule, et Dieu qu’elle est belle ainsi avec le soleil comme un énorme pavot sur l’épaule du Mont-Royal, on jurerait qu’en contrebas la Catherine bariolée, longue artère d’errances nocturnes et de plaisirs stupéfiés, va se dresser à la verticale dans le noir et, planche à laver multicolore, va lessiver l’espace entre les étoiles où glissent les avions venus de Paris, de New York et du songe, ou bien, toujours sur le tablier du pont et interdit de séjour, on choisit un matin de janvier où il gèle dur, où l’air sonne franc et net comme un juron de souche québécoise, et l’on entend la neige qui crisse sous les pas perdus, on écoute la ville marcher dans sa vie, on murmure la rengaine des jours qui n’en finissent plus d’hiverner, mais au moindre soleil givré les travailleurs girouettent de la tête comme tournesols évadés des parterres rue Christophe-Colomb où l’on fréquentait une école presque buissonnière, espérant le cri des jeunes corneilles, le signal rauque des outardes, la chanson timide des gouttières au dégel, on s’emmêle dans ses souvenirs et ses espoirs, on confond lescarrefours, les squares et les places, on les invente au besoin comme on le fait des silhouettes disparues qui eurent un nom, un lieu, un moment, et on voudrait épouser l’ombre de ces ombres… »

 

 2133425-d8d079a2db1644cc4018cb1fcbd6432d.jpg
Jacques Brault (Montreal, 29 maart 1933)

 

 

De Engelse schrijver Maurice Denton Welch werd geboren op 29 maart 1915 in Sjanghai. Zie ook alle tags voor Denton Welch op dit blog.

Uit: Good Night, Beloved Comrade: The Letters of Denton Welch to Eric Oliver

“p.m. 21 Dec. 1943 Kent
Dear Eric,
My love, D.
I don't think I shall be going away after all (at least not on Christmas day, perhaps the next) so do come over for lunch if you've nothing better to do and if you don't mind meagre fare. There may be nothing but Christmas pudding!
If you decide to come, I hope you'll be able to come, I hope you'll be able to get over. Someone tells me there won't be any buses on Christmas day, but perhaps you can borrow a byke.
I've been reading the transcript of my book all this morning,`' so feel quite addled.
Noel Adeney and her son turned up here yesterday suddenly. If she turns up again at Christmas when you're there I think you will like her; but she may be up in London with her family.
Hope to see you Christmas Day Love D.


1943 Dec 28th Tuesday
My dear Eric,
How I hope you got home safely after Christmas celebrations! I thought after you left that I should not have let you go; but in one way perhaps it was just as well, as yesterday I woke up with a particularly bad feverish attack and lay all day languishing with a most appalling head-ache. I am better today, thank the Lord, but still rather groggy, and am staying in bed. Isn't it awful to be at the mercy of bodies in this way! I do hope that you aren't feeling ill or worn out too. You must drink less Eric, else I feel that you'll absolutely ruin your health. You'd so hate to be invalidish. Do take warning. I feel so terribly sad about your drinking, perhaps there is no need, and you won't thank me for it, but there it is. I think, as you suggest, better not come over for a little, as I would be telling you this all over again, and the one thing I will not be taken for is a bore and a lecturer. It just isn't my line. We both as very different people, have to muddle our way thro' life as best we can. I probably at times get messed up and in a turmoil just as much as you do. You know I would do whatever I could for you if you ever got into any unpleasant jam, so don't feel to [sic] lonely unless you want to!
Love D”.

 

 2133425-cbcf0dfff3acb61979906f06df50bcc1.jpg
Denton Welch (29 maart 1915 – 30 december 1948)
Zelfportret, 1943

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e maart ook mijn blog van 29 maart 2015 deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 29 maart 2007 en ook mijn blog van 29 maart 2008 en eveneens mijn blog van 29 maart 2009.

Geschreven door Romenu om 16:01 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten