Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 9 april 2018 tot 10 april 2018

Leo Vroman, Jan van Mersbergen, Paul Theroux, Claudio Magris, Bella Akhmadulina, Stefan Heym, Richard Wagner, Marcel van Maele, Eric Knight

De Nederlandse dichter Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook alle tags voor Leo Vroman op dit blog.

 

Veelheden hoe

Een half petje kip,
een popotamus hip,
twee muisjes vleer
vier hanen weer,
acht beelden voor,
zestien kijkjes door,
tweeëndertig vliegjes vuur,
vierenzestig kastjes muur,
honderd achtentwintig fouten druk,
een kippetje tuk?
tweehonderd zesenvijftig stokken tover,
vijfhonderd twaalf tochten over,
en ongeveer,
duizend minnen meer.

 

 

Nacht

Dieper naar voren kan ik mij niet buigen
over de wereldrand, spaarzaam verlicht.
Met het gelaat op blinde duisternis gericht
kan ik mij van Gods glans niet overtuigen.

De verste nadering betracht ik in de vele
gedachten die ik naar dat hol gebied
uitzend; talrijke keren niet,
doch ik verlies mij in dit koppig spelen

en in de pijn die tot een lust verdooft
om hun verminkte wederkomst waaraan
'k een wreed en zeker teken hecht van Gods bestaan:
dat ginds een wand is waar wat in hem gelooft
en tot zijn licht vliegt blindelings op stuit.

Doch wellicht hoort hij in de stilste nachten
het zieke ritselen van mijn gedachten
die zich te pletter fladderen buiten op zijn ruit.

 

 

Een psalm voor het smelten

Nu ik weet dat ijs-hoge
torens die het menselijk woelen
in al die kantoren
van bazen en bazinnen
liefde en onvermogen
van binnen niet voelen of horen,
dat die kunnen smelten
in luttele seconden
de pratende omzetten
in pruttelend vlees
en de haatvolle hitte
die hele lieve bevolking
om kan zetten tot een
dikke witte wolk
die na dagen zout en zacht
vredig neerzinkt als een grijze vacht
zodat de nu overtollige
tafels en stoelen, kopjes en borden
binnen verre huizen
mollige wezentjes worden,
en ver buiten de stad
op het gras, het verlaten speelgoed,
het poeder blijft praten
over wie het zopas nog,
al pratende, was,
nu ik dat weet, Systeem,
nu weet ik niets meer

 

 2136984-919ea24ceea78fc9ee5ff276ca16d940.jpg
Leo Vroman (10 april 1915 - 22 februari 2014)
Beeld van Leo Vroman op het dak van de stadsbibliotheek Gouda.

 

 

De Nederlandse schrijver Jan van Mersbergen werd geboren in Gorinchem 10 april 1971. Zie ook alle tags voor Jan van Mersbergen op dit blog.

Uit: Uiterwaarden

“Ik moet nog heel vaak denken aan het eendenkuiken dat door een snoek gegrepen werd, en opgegeten. Ik zag het vanaf de kant, en in het water dreef een kano, dat kwam in die tijd net op, kanovaren. Nu had je bij ons een klein riviertje, en verder wat kanalen, en niemand van ons kwam op het idee om daar met een kano doorheen te gaan. We kenden de omgeving, die zag er vanaf het water net zo uit. En voor de ontspanning hoefden we het ook niet te doen. Dat bestond daar niet, ontspanning. Bijna alles wat we deden was erop gericht de spanning te verhogen: met buksen schieten, appels jatten, ’s nachts over de dijk scheuren, ruzie zoeken in een van de boerendisco’s in andere dorpen, behalve misschien vissen, maar ook daar vonden we wel iets van spanning in, zeker toen die snoek dat eendje greep. De mensen in de kano waren verbijsterd. Dat waren een man en een vrouw, een gillende vrouw. Ik zat daar met een vriend langs de kant en die jongen zei tegen die vrouw dat ze niet zo moest schreeuwen, daar hielden wij niet van en de vissen ook niet. En de man stampte met zijn gehuurde pedel in het water om de snoek te verdrijven – die natuurlijk al lang en breed vertrokken was – en met dat gestamp verjoeg hij nu de rest van de vissen, dus dat we nog iets vingen konden we hier wel vergeten, en dus gooiden we kluiten losse aarde naar de kano, of beter nog, vlak ervoor.
Ik doorkruiste de uiterwaarden in de richting van de rivier die daar achter de wilgen lag, het was warm, er waren veel vliegen en een enkele vlinder, en de koeien stonden in de verte, in de schaduw. Ze zagen me. De eerste zette zich in beweging, liep op me af, en de andere koeien volgden, heel rustig. Ik wachtte tot ze bij me waren. Ze begroetten me met hun staarten en de voorste snuffelde aan mijn hand. Ze waren heel zachtmoedig. Drie keer per dag werden ze gemolken. Ik zag ze nooit naar de boerderij lopen en ik zag ook nooit een mobiele melkwagen die ik bij andere boeren wel eens gezien had, handig als de koeien ver weg grazen. Deze koeien leken bejaarden. Ze waren er, ze stonden hier en dat was het. Ik kende ze al lang, ze stonden al jaren in deze uiterwaarden. Je kon zwemmen bij de rivier, op de strandjes tussen de golfbrekers, er was haast nooit iemand. Als je er ’s avonds kwam dan stonden de koeien dicht tegen elkaar aan of lagen ze te slapen. Er werd verteld dat je ze om kon duwen als ze stonden te slapen, maar dat heb ik nooit geprobeerd. Een koe omduwen, daar zag ik niks in.”

 

 2136984-bc67cce475872727e5ec2b3cfc3f0c02.jpg
Jan van Mersbergen (Gorinchem, 10 april 1971)

 

 

De Amerikaanse schrijver Paul Edward Theroux werd geboren op 10 april 1941 in Medford, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Paul Theroux op dit blog.

Uit: The Pillars of Hercules, A Grand Tour of The Mediterranean

"The Greeks had not taken very much interest in their past until Europeans became enthusiastic discoverers and diggers of their ruins. And why should they have cared? The Greeks were not Greek, but rather the illiterate descendants of Slavs and Albanian fishermen, who spoke a debased Greek dialect and had little interest in the broken columns and temples except as places to graze their sheep.
(...)

The Turks had brought their whole culture, their language, the Muslim religion, and their distinctive cuisine not only here but throughout the Middle East and into Europe, as far as Budapest. The contradiction persists, even today: Greek food is actually Turkish food, and many words we think of as distinctively Greek, are in reality Turkish kebab, doner, kofta, meze, taramasalata, dolma, yogurt, moussaka, and so forth; all Turkish.
(...)

"Signs at the entrance to Delphi said, Show proper respect ... I saw a pair of rambunctious Greek youths being reprimanded by an officious little man, for flinging their arms out and posing for pictures. The man twitched a stick at them and sent them away. Why was this? It was just what you would expect to happen if you put a pack of ignoramuses in charge of a jumble of marble artifacts they had no way of comprehending. They would in their impressionable stupidity begin to venerate the mute stones and make up a lot of silly rules. This Show proper respect business and No posing [in front of the ancient stones] was an absurd and desperate transfer of the orthodoxies of the Greeks' tenacious Christianity, as they applied the severe prohibitions of their church to the ruins. Understanding little of the meaning of the stones, they could only see them in terms of their present religious belief; and so they imposed a sort of sanctity on the ruins. This ludicrous solemnity was universal in Greece. Women whose shorts were too tight and men wearing bathing suits were not allowed to enter the stadium above Delphi, where the ancients had run races stark ballocky naked."

 

 2136984-9d0fe14016f15e1b9ff2a0a4f45024ff.jpg
Paul Theroux (Medford, 10 april 1941)
Cover

 

 

De Italiaanse schrijver en vertaler Claudio Magris werd geboren op 10 april 1939 in Triëst. Zie ook alle tags voor Claudio Magris op dit blog.

Uit: Danube (Vertaald door Patrick Creagh)

“In a little town between Ivanovo and Ruse there was once a stork which always built its nest on the lamp-post, unaware of the danger or the damage that might ensue. Having several times chased it away in vain, the Council, by official decree, erected another lamp-post, power the delirium of the age, which dazzles and distorts the vision of the world. Amongst all these odds and ends, in the mystery that is always present in every space hewn out of the formless universe, something irrecoverable has been lost. Even Canetti's childhood has vanished, and his derailed autobiography dots not succeed in grasping. it. We send a postcard to Canetti in Zurich, but I know that he will not appreciate this intrusion into his dominions, this attempt to seek out his hiding place and identify it. In his autobiography, which was probably the determining factor in his winning of the Nobel Prize, Canetti goes hunting for himself, for the author of Auto-da-fi . The Nobel committee awarded prizes to two writers, the one of the past, who is in hiding, and the one of the present, who is reappearing. The first is a mysterious and anomalous genius, maybe vanished beyond recall; he it was who in 1935, at the age of thirty, published one of the great books of the century, his only truly great book, Auto-daft, which almost at once disappeared from the literary scene and remained forgotten for some thirty years. This impossible, unmanageable book makes no concessions and refuses to be assimilated by the cultural establishment; it is a grotesque parable of the delirium of the intelli-gence which destroys life, a terrible picture of the lack of love and of bewilderment. The republic of letters, with its benign historical approach, was the book's ideal mediator, but it rejected the work for the most obvious reason — the absolute and radical greatness was more than it could take:This book, which sheds light on our life as very few others do, was for a long rime virtually ignored, and Canetti bore this neglect with a firmness of character which perhaps concealed, in its courteous modesty, a stubborn awareness of his own genius. “

 

 2136984-1e9a3a918c304b5bb67b9750772e3c47.png
Claudio Magris (Triëst, 10 april 1939)
Cover

 

 

De Russische dichteres Bella Akhmadulina werd geboren op 10 April 1937 in Moskou. Zie ook alle tags voor Bella Akhmadulina op dit blog.

 

The Saint Bartholomew's Night (Fragment)

Used to abundance of the death and blood,
you, worthy people, always fight and swear,
you so boldly nurse your own child,
as if he doesn’t raise your sense of fear.

If from his sleep, he cries and wakes, alarmed,
don’t be in trouble – it’s his fault, entire:
a gentle gum is, maybe, slightly harmed
by milk-eye-teeth of your sinless vampire.

And if, through branches, once, would something gaze
at you in ways, which make you twitch and shiver,
don’t be afraid! – this is a little face
of any child, bred in the evil sphere.

But maybe, midst deep fits or Heaven plains,
this cry’s high honour to the other choices,
and this little throat fiercely complains
about its frugality and losses

with all its tunes, too deep for world of strings,
with all its awe, too great for lines’ discretion.
But yet, in whole, what a trifling thing!
Just thirty thousand killed Huguenots, in question.

 

Vertaald door Yevgeny Bonver

 

 2136984-d53ed4e6587adaf8eb4cf02ccbecd0e8.jpg
Bella Akhmadulina (Moskou, 10 April 1937)
 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Stefan Heym (eig. Hellmuth Flieg) werd geboren op 10 april 1913 in Chemnitz. Zie ook alle tags voor Stefan Heym op dit blog.

Uit: 5 Tage im Juni

„Sonnabend, 13. Juni 1953 19.00 Uhr lag Witte auf seinem Bett, halbnackt, das Kissen zerknüllt von sei-nen ruhelosen Kopfbewegungen. Der Wind, der gegen Abend auf-gekommen war, hatte keine Abkühlung gebracht. Der Wind trug den Staub von den Ruinen an der Straße durch das offene Fenster herein, dazu die Straßengeräusche — ein Wochenendsäufer, der aus einer Kneipe grölte, ein paar Weiber, die von Balkon zu Balkon schnatterten. Möglich, daß er ein Verfahren bekam. Aus Bangganz' Andeutun-gen sprach schon die Anklage: Mißachtung von Parteibeschlüssen, Verstoß gegen die Parteidisziplin, Mangel an Vertrauen zur Partei-führung. Und dann würde alles wieder aufgebrüht werden — der lei-dige Fall Kasischke, der zu einem Fall Witte hochgespielt worden war; seine Bekanntschaft mit Genossen, die aus schwer ersichtli-chen Gründen in Verruf geraten waren; bis zurück in die Zeit noch vor Hitler, ins Jahr 1932, wo er sich, seine Jugendsünde, geweigert hatte, Seite an Seite mit den Faschisten Streikposten zu beziehen ge-gen die sozialdemokratischen Verkehrsarbeiter. Nein, das würden sie wohl doch übergehen; der Verkehrsstreik war inzwischen still-schweigend als Fehler anerkannt worden. Er entschloß sich aufzustehen. Ein sehr müdes Gesicht, Schatten unter den Augen, starrte ihm aus dem Spiegel entgegen. Die Stun-den, die er wach gelegen, hatten einen stumpfen Schmerz im Kopf hinterlassen; er preßte die Fingerspitzen gegen den Schädel; dann strich er sich durch das Haar, das an den Schläfen schon grau wurde. Einundvierzig erst, dachte er; aber da waren Jahre gewesen, die für zehn zählten. Er rasierte sich, obwohl er keine Pläne für den Abend hatte. Die Wand zum Nebenzimmer war dünn; dort wurde ein Kommoden- fach aufgezogen und wieder zugeschoben. Er hörte die Schritte der jungen Frau. Anna hieß sie und war die Schwiegertochter der Frau Hofer, bei der er zur Untermiete wohnte. Manchmal, heute zum Beispiel, war es ihm tröstlich, daß ein anderes menschliches Wesen in der Nähe existierte — hustete oder gähnte oder einen Pantoffel zu Boden fallen ließ. Natürlich konnte er sich aufmachen und zu Greta gehen. Greta würde überrascht sein, sehr zurückhaltend, würde ihn aber auffor-dern einzutreten, in die Wohnung, wo es nach Essen roch und nach frischer Wäsche. Die Kinder würden sich freuen, besonders die Kleine, Claudia, die so nach Zärtlichkeit hungerte; der Junge zeigte seine Gefühle weniger, aber auch der hing schon, mehr als gut war, an ihm; arme Kerlchen, beide, der Vater vermißt irgendwo bei Wi-tebsk und die Mutter auf Arbeit bei VEB Merkur.“

 

 2136984-717e3b2cd980df46ac78c5755fb92a78.jpg
Stefan Heym (10 april 1913 – 16 december 2001)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Richard Wagner werd geboren op 10 april 1952 in Lovrin, in Roemenië. Zie ook alle tags voor Richard Wagner op dit blog.

Uit: Miss Bukarest

„Razvan hielt sich bedeckt. Wenn Erika was auffiele, solle sie sich doch kurz melden. Unter dieser Telefonnummer. Und er diktierte ihr eine unserer Informanten-Nummern.
Erika erzählte mir die Sache sofort. Sie fragte mich, was ich davon halte. »Schwer zu sagen«, meinte ich. »Mal sehen. Erzähl es noch nicht weiter. Vielleicht war es Zufall, Routine. Wenn er tatsächlich was will, hörst du bestimmt noch von ihm.«
Mit diesem letzten Satz hatte ich wirklich die Wahrheit gesagt. Ich berichtete Saracu von Erikas Reaktion auf die Begegnung mit Razvan, und Saracu verfügte, daß Razvan und ich nun in der Sache Erika Binder, Deckname »Parfum«, zusammenarbeiten sollten. Ich arbeitete ungern mit Razvan zusammen. Aber was sein mußte, mußte sein. Befehl ist Befehl, wie die Deutschen sagen.
Zwischen mir und Razvan war es mehrmals zu unangenehmen Vorfällen gekommen. Es ging nicht bloß um Meinungsverschiedenheiten. Zum Beispiel in der Benjamin-Sache. Razvans große Blamage. Er führte sie auf mich zurück. Und das kam so:Razvan hatte einen Schreibmaschinentext aus der Szene bekommen. Der Titel lautete: »Der Engel der Geschichte«. Verfasser war keiner angegeben. Razvan tippte auf Martin oder Richartz. Eher auf Richartz. Razvan hatte den Text übersetzen und interpretieren lassen. Von einem unserer Möchtegern-Literaturwissenschaftler, der bei der Securitate gelandet war, weil ihn sonst keiner wollte.
Im Text stand der Satz: »›Es gibt ein Bild von Klee, das Angelus Novus heißt.‹«
»Wer ist Klee«, fragte Saracu.
»Irgendein Maler«, sagte Razvan und las weiter: »›Ein Engel ist darauf dargestellt, der aussieht, als wäre er im Begriff, sich von etwas zu entfernen, worauf er starrt.‹«
»Ein Engel«, sagte Razvan. »Angelus Novus. Das ist Latein. Muß also mit den Katholiken zu tun haben.«
»Seit wann ist denn Richartz religiös?«
»Der und religiös«, sagte Razvan, »der will uns damit ärgern. Vielleicht ist es auch eine Anspielung auf die verbotenen Unierten, die Griechisch-Katholischen. Vielleicht will er sagen, daß bei uns Kirchen verboten sind.«

 

 2136984-52bd75ef36d94f0a1f81af5be0ffc346.jpg
Richard Wagner (Lowrin, 10 april 1952)

 

 

De Vlaamse dichter en beeldhouwer Marcel van Maele werd geboren in Brugge op 10 april 1931. Zie ook alle tags voor Marcel van Maele op dit blog.

 

En zo dromen zij...

Schuifelend over de binnenwand,
luisterend naar de geluiden van buiten,
trekken zij de wereld rond en krom.
In deze rimpelloze duisternis,
geen wind, geen regen. Weer-loos.

Zo hadden zij reeds,
hun tellen kwijt, het noorden zoek,
in ruil voor een liever weten
hun duimen gelegd.
Dat verre verleden, die kommerloze ogenblikken.
En ook de buitenkant der dingen.
Hoe in een grijnzend heelal
de zon in de zee verzinkt,
hoe dorre handen in onvruchtbare aarde
wroeten. Regen en wind. Weer-zin.

Zo richt hij zijn revolver
vanuit het holst van de nacht
naar de smachtende maan
en blaffen blaffen maar.

 

 2136984-f8d300c78b5fe9ca41312cc7df3c27c2.jpg
Marcel van Maele (10 april 1931 - 24 juli 2009)
Marcel Van Maele: Gebottelde gedichten

 

 

De Amerikaanse schrijver Eric Knight werd geboren op 10 april 1897 in Menston in Yorkshire, Engeland. Zie ook alle tags voor Eric Knight op dit blog.

Uit: Lassie Come-Home

“Lassie whirled to look for him, but her senses were drawn to something else—the warm, blood smell of the rabbit that lay on the path. For a long time she regarded it. She came nearer, bending her head warily, as if ready to spring away. For, though the blood smell of food was there, the scent of the weasel still lingered, too. Carefully her nose came nearer and nearer until it touched the freshly killed quarry. She drew back and walked around it. Then she came near, bent her head, and picked up the game. She lifted her head again and waited.
It was as if, in the wild land, far from all human beings, she was expecting the sudden call of the master: "No, Lassie! Drop it! Drop it!" But no sound came. She stood indecisively for almost a half minute, and then it was over. Carrying the rabbit, she trotted along. She quested to right and left as she went. Then she saw what she wanted—a thick tangle of gorse that made a sort of den. She walked to it, coiled herself close so that she was protected on three sides. She dropped to the ground, letting the rabbit fall before her. She smelled it again. It smelled good. It was food. After that she had a newly acquired sense. She had learned the smell of rabbit. Instinct told her the rest. As she traveled along, whenever her keen nose told her of the nearness of game, she became a hunter. She scouted and ran and caught it, and she ate. It was the sensible law of nature. She did not kill wantonly as man often does. She killed to live, and no more. Such food was just sufficient to sustain life, but that was all. Now there were no keen eyes to watch Lassie, to note her weight, to look at the color of her gums, to eye the quality of her coat. There was no one to say: "She's off a couple of pounds—give her a little more beef liver in her dinner!" "She doesn't seem quite up to snuff—better start giving her a bowl of milk in the morning. You might just drop a raw egg in it if she'll take it!"

 

 2136984-e450fac56e1cbc74e039f8f84d9589b9.jpg
Eric Knight (10 april 1897 – 14 januari 1943)
Lassie en Timmy (Jon Provost), Lassies tweede baasje in de tv-serie (1957-1965)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e april ook mijn blog van 10 april 2016 deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 10 april 2007 en ook mijn blog van 10 april 2008 en eveneens mijn blog van 10 april 2009.

Geschreven door Romenu om 18:27 Reageer op dit bericht

Charles Baudelaire, Jelle Brandt Corstius, Karel Jonckheere, Joolz Denby, Albert von Schirnding, Johannes Bobrowski, Bernard-Marie Koltès, Arnold Stadler, Yaël Vinckx

De Franse dichter Charles Baudelaire werd geboren in Parijs op 9 april 1821. Zie ook alle tags voor Charles Baudelaire op dit blog.

 

Le rebelle

Un ange furieux fond du ciel comme un aigle,
Du mécréant saisit à plein poing les cheveux,
Et dit, le secouant : " Tu connaîtras la règle !
(Car je suis ton bon Ange, entends-tu ?) Je le veux !

Sache qu'il faut aimer, sans faire la grimace,
Le pauvre, le méchant, le tortu, l'hébété,
Pour que tu puisses faire, à Jésus, quand il passe,
Un tapis triomphal avec ta charité.

Tel est l'Amour ! Avant que ton coeur ne se blase,
A la gloire de Dieu rallume ton extase ;
C'est la Volupté vraie aux durables appas !"

Et l'Ange, châtiant autant, ma foi ! qu'il aime,
De ses poings de géant torture l'anathème ;
Mais le damné répond toujours : " Je ne veux pas !"

 

 

Mens en zee

U, vrije mens, vereert de zee het allermeest.
Zij is uw spiegelbeeld: u kunt uw ziel ontwaren
In het oneindig deinen van haar zilte baren,
Al even bitter als de afgrond van uw geest.

U duikt diep in uw evenbeeld vol zelfbehagen;
Uw oog en arm omvademen het, en uw hart
Vergeet soms het gejammer van zijn eigen smart
In het geluid van haar ontembaar woeste klagen.

Steeds zult u beiden even duister en gesloten zijn:
Mens, niemand kan de diepten van uw geest doorgronden;
Zee, niemand heeft de schatten in uw schoot gevonden,
Zo angstvallig bewaart u beiden uw geheim.

En desondanks gaat sedert onheuglijke tijden
Uw tweekamp ongenadig en verbeten voort,
Zozeer bent u verknocht aan slachting en aan moord,
Die onverbiddelijk als broers elkaar bestrijden.

 

Vertaald door Paul Claes

 

 

Der Mensch und das Meer

Du freier Mensch, du liebst das Meer voll Kraft,
Dein Spiegel ist's. In seiner Wellen Mauer,
Die hoch sich türmt, wogt deiner Seele Schauer,
In dir und ihm der gleiche Abgrund klafft.

Du liebst es, zu versinken in dein Bild,
Mit Aug' und Armen willst du es umfassen,
Der eignen Seele Sturm verrinnen lassen
In seinem Klageschrei, unzähmbar wild.

Ihr beide seid von heimlich finstrer Art.
Wer taucht, o Mensch, in deine letzten Tiefen,
Wer kennt die Perlen, die verborgen schliefen,
Die Schätze, die das neidische Meer bewahrt?

Und doch bekämpft ihr euch ohn' Unterlass
Jahrtausende in mitleidlosem Streiten,
Denn ihr liebt Blut und Tod und Grausamkeiten,
O wilde Ringer, ewiger Bruderhass!

 

Vertaald door Stefan George

 

 2136592-5ac36fad4f9e331e04db08d56ff0b6a9.jpg
Charles Baudelaire (9 april 1821 – 31 augustus 1867)
Foto door Nadar

 

 

De Nederlandse schrijver, correspondent en programmamaker Jelle Brandt Corstius werd geboren in Bloemendaal op 9 april 1978. Zie ook alle tags voor Jelle Brandt Corstius op dit blog.

Uit: Arctisch Dagboek

“Ik heb het ook vaak gehad bij het interviewen van Russische officials. Aanvankelijk onderbrak ik hun monologen, waarna zij getergd korte en onbruikbare antwoorden gaven. En ik had hun wodka ook al afgeslagen! Later werd ik wijzer en liet ik zo’n man rustig zijn monoloog houden. Nadat ik een wodka achterover had geslagen en een augurk had gegeten, keek ik zo’n man aan en knikte af en toe op de juiste momenten, zonder te horen waar hij het over had – een handigheid van onschatbare waarde. In de tussentijd dacht ik aan andere dingen, bijvoorbeeld wat ik ging koken die avond, of nam ik rustig nog een augurk. Als de official na een halfuur was uitgepraat zette ik de recorder aan en startte ik het echte interview.
De man was tevreden dat hij zijn zegje had kunnen doen, en ik zat met een man die zin had om te praten. Iedereen blij. De man ratelde verder over zijn vrindje, of god weet waarover, en ik moest denken aan de reis met Jeroen naar de Sami. De leider van de rendierbrigade had ons meegenomen naar zijn kudde, een paar uur reizen per rendierslee over bevroren meren en bevroren toendra. Op een meer stopten wij, en de rendierman en Jeroen vertrokken om de rendieren te zoeken. Ik bleef achter op het ijs.
Er stond geen wind, er waren geen vogels, nergens was een spoor van beschaving. Er waren zelfs geen bomen, alleen maar ijs, dat vloeiend overging in een melkachtige lucht. Voor de eerste keer in mijn leven maakte ik complete stilte mee. Het was zo stil dat ik het bloed door mijn aderen hoorde stromen. Die twintig minuten totdat Jeroen en de rendierhouder terugkwamen waren angstig en fantastisch tegelijk.
Ik werd uit mijn gedachten gehaald toen de man zijn arm van mijn schouder haalde, en onmiddellijk drong een vrouw zich aan mij op. Zij stelde me wat impertinente vragen over mijn zus Aaf, die ze alleen maar kende als columnist uit de Volkskrant. Toen ik daar geen antwoord op gaf vertelde ze dat zij zelf geen cent te makken had, maar dat een rijke vriendin de reis had betaald. Ze wees naar een vrouw in de hoek van de zaal met een indrukwekkend permanentje, dat deed denken aan de boeg van een ijsbreker.”

 

 2136592-a0a6949475f946bd36e71dd9d40d7632.jpeg
Jelle Brandt Corstius (Bloemendaal, 9 april 1978)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Karel Jonckheere werd geboren in Oostende op 9 april 1906. Zie ook alle tags voor Karel Jonckheere op dit blog.

 

Roofbouw op het ijle

Nu ik nog ben wil ik de dood beleven
te meer daar hij als waarde niet bestaat,
ik pleeg geen roofbouw op een later staat
waar ik als ziel of schim subtiel zou zweven.

Niet eens een lokkend omgekeerd verleden
is het hiernamaals met zijn eeuwigheid,
die dwaze som van korte stukjes tijd
waaraan wij, mens na mens, ons bloed besteden.

Geen syndicaat bij sterven, geen misdeelden,
het grote niets is hedendaags jolijt
verrijs gerust eer ge begraven zijt:
de dood is slechts afwezigheid in beelden.

 

 

Gesprek voor het inslapen

Ach, niet de dood alleen is afscheid van het leven,
maar elke droom, die sterft maakt ons verkleumd en oud,
en hij, die eenzaam is en met het leed vertrouwd,
weet dat geen enkle God wat heen is weer kan geven.

'k Had u een huis gebouwd met bloemen om de muren
naar ouden Vlaamschen aard; mijn boeken, uw klavier;
er zouden kindren zijn, een hond, een goed vat bier,
gij zoudt mijn glimlach zijn en ik uw avonturen.

We hadden 't saam beslist, we leerden beiden wachten
en zoenden ons den mond bij 't minste twijfelwoord;
zoo teeder heeft geen man ooit aan een vrouw behoord
en niemand werd zoo mild in louterend verwachten.

Maar wie zijn droom verhaalt ziet dezen droom ook sterven
en dit is onze straf, en het is niemands schuld,
nu gaan wij onzen weg, het hart is onvervuld,
maar geen van beiden kan het beeld van d'ander derven.

Is er geen droom, mijn kind, die ons nog saam doet hooren,
ons rest nog innigheid, wij pleegden geen verraad,
houdt ieder voor zich zelf de pijn, die 't leven slaat,
wij hebben 't paradijs maar niet ons hart verloren.

 

 2136592-989c39e5e965c0a9391dd1164af7a584.jpg
Karel Jonckheere (9 april 1906 - 13 december 1993)
Naar een tekening van Marc Neels

 

 

De Engelse dichteres, schrijfster en “spoken-word artist” Joolz Denby werd geboren op 9 april 1955 in Colchester. Zie ook alle tags voor Joolz Denby op dit blog.

 

Bradford (Fragment)

I fill my bag with fruit and wander on,
window-shopping, my eye caught by the fabric shops
that burst with rolls and bolts of lace, and lamé
metallic and dangerous as deep water,
with satin, crepe and polyester
crusted with sequins, bullion and tiny mirrors,
foil stamped, hologrammed and photo-printed,
fabric patterned in every possible way;
striped and checked, hazy with impossible flowers,
stark with calligraphic motifs repeating and repeating
unknown phrases in an unknown tongue.

Brilliant as some dead caliph’s treasure
the windows blaze with textile gems;
sapphire and emerald; ruby, heavy turquoise
and white that glimmers with the blue sheen of
Chomolungma’s distant snows.
One window is all pinks; from summer
’s dusky rose
through bubblegum, Shocking to a
shell pink so faint it’s hardly breathing.
And best of all, so beautiful it makes me sigh,
a half unrolled length of pure, gleaming
silk that fades from blood red to the pink
of a desert sunset and back again.

But I walk on, down into the valley and the
secret stone puzzle that
’s the City.
Above me far overhead, wind-driven clouds unfurl
like great tattered banners, whipping through the blue
like flying prayers; they twist and roil like a time-lapse film,
cinematic, impossible and always with us in
this place so dominated by vast, untameable skies.

 

 2136592-2aaf2a9e539ea85d2c830518caba4dc1.jpg
Joolz Denby (Colchester, 9 april 1955)

 

 

De Duitse dichter, schrijver, essayist en criticus Albert von Schirnding werd geboren op 9 april 1935 in Regensburg. Zie ook. Zie ook alle tags voor Albert von Schirnding op dit blog.

Uit: Thomas Mann

“In einem langen Brief vom 23. Juni 1950 an den Literaturwissen-schaftler Hans Mayer, den Autor des Buches Thomas Mann. Werk und Entwicklung, wehrt sich der Dichter gegen das Prädikat des «Ungeliebten», das ihm der Verfasser der Monographie in einem Kapitel über «Gerhart Hauptmann oder die Persönlichkeit» zugesprochen hatte. Die Leser, so Hans Mayer, empfanden ihm gegenüber Bewunderung, nicht aber Ehrfurcht oder gar Liebe. Und erst recht sei diese Distanz bei den schreibenden Zeitgenossen spürbar. «Allenthalben war Fremdheit. Ihnen allen war Thomas Mann der Ungeliebte.» Der Brief-schreiber halt entgegen: «Unbeliebt soll man sich machen bei den Dummen und Schlechten, und ich habe es immer unbedenklicher, rücksichtsloser getan, je alter ich wurde. Aber ungeliebt war ich nicht, bin ich nicht, will ich nicht sein, leugne, es zu sein.» Der Verfasser des vorliegenden Buches weiß aus eigener intensiver Erfahrung, wie we-nig schon in den fünfziger Jahren, als er zwanzigjährig seine ersten Begegnungen mit dem Zauberberg, dem Joseph, dem Doktor Faustus, dem Felix Krull absolvierte, Bewunderung und Liebe für den «Zau-berer» einander auszuschließen brauchten. Aber diese Liebe mußte auch in den Jahrzehnten, die folgten, erstaunt und irritiert zur Kennt-nis nehmen, daß keiner der großen Schriftsteller des zwanzigsten Jahrhunderts bei allem Weltruhm stärkere allergische Reaktionen hervorgerufen hat als Thomas Mann. Die Gründe dafür sind sehr verschieden; sie scheinen mir aber mehr bei den Kritikern und in den Zeitumständen zu liegen als in der Person und im Werk des Ge-schmähten. Der Erzähler wurde als selbsterwählter Repräsentant einer verfaulten bürgerlichen Kultur, als herzloser Ironiker und selbstgefälliger Manierist beschimpft. Dem Verfasser einer der «For-derung des Tages», der nach wie vor auch der unsere ist, Genüge leistenden politischen Essayistik wurden Ahnungslosigkeit, Blind-heit, Opportunismus, Verrat nachgesagt. Der Autor der Tagebücher mußte sich von hoher moralischer Entrüstungswarte Antisemitis-mus, Narzißmus, Eiseskälte seinen nächsten Angehörigen gegenüber, feig unterdrückte Homosexualität vorwerfen lassen.“

 

 2136592-3e6a18104d76e197a30e05aaf25cf874.jpg
Albert von Schirnding (Regensburg, 9 april 1935)
Thomas Mann

 

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

 

Anruf

Wilna, Eiche
du –
meine Birke,
Nowgorod –
einst in Wäldern aufflog
meiner Frühlinge Schrei, meiner Tage
Schritt erscholl überm Fluß.

Ach, es ist der helle
Glanz, das Sommergestirn,
fortgeschenkt, am Feuer
hockt der Märchenerzähler,
die nachtlang ihm lauschten, die Jungen
zogen davon.

Einsam wird er singen:
Über die Steppe
fahren Wölfe, der Jäger
fand ein gelbes Gestein,
aufbrannt’ es im Mondlicht. –

Heiliges schwimmt,
ein Fisch,
durch die alten Täler, die waldigen
Täler noch, der Väter
Rede tönt noch herauf:
Heiß willkommen die Fremden.
Du wirst ein Fremder sein. Bald.

 

 

Die Frauen der Nehrungsfischer

Wo das Haff
um den Strand lag
dunkel, unter der Nacht noch,
standen sie auf im klirrenden
Hafer. Draußen die Boote
sahen sie, weit.

Wenn sie kamen – die Alten
wachten am Ruder, die Söhne,
wirr vor Schlaf, in den Armen
des Netzzugs Last –,
ging durch den Himmel ein heller
Streif und hing um die Dächer.
Droben
wenige Rufe
trieben im Wind.

Und gering war der Fang.
Vor Zeiten, sagt man, umglänzte
hundertschwärmig der Hering
draußen die Meerbucht, silbern
schwand er. Die Närrin
schreit es am Waldrand hin, –
altes Lied, Gewitter
reißt’s aus der Bläue.

 

 2136592-2b6c9e0345c14c340b2ea00a1bc9fc1e.jpg
Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)
Hier met  Günter Grass (lins) in 1964

 

 

De Franse toneelschrijver Bernard-Marie Koltès werd geboren in Metz op 9 april 1948. Zie ook alle tags voor Bernard-Marie Koltès op dit blog.

Uit: Roberto Zucco

"Une voix - Par où as-tu filé? Donne-nous la filière.
Zucco - Par le haut. Il ne faut pas chercher à traverser les murs, parce que, au-delà des murs, il y a d'autres murs, il y a toujours la prison. Il faut s'échapper par les toits, vers le soleil. On ne mettra jamais un mur entre le soleil et la terre.
Une voix - Et les gardiens?
Zucco - Les gardiens n'existe pas. Il suffit de ne pas les voir. De toute façon, je pourrais en prendre cinq dans une seule main et les écrase d'un coup.
Une voix - D'où te vient ta force,Zucco, d'où te vient ta force?
Zucco - Quand j'avance, je fonce, je ne vois pas les obstacles, et, comme je ne les ai pas regardés, ils tombent tout seuls devant moi. Je suis solitaire et fort, je suis un rhinocéros.
(...)

Zucco - Je ne suis qu'un garçon normal et raisonnable monsieur. Je ne me suis jamais fait remarquer [...]. J'ai toujours pensé que la meilleure manière de vivre tranquille était d'être aussi transparent qu'une vitre, comme un caméléon sur la pierre, passer à travers les murs, n'avoir ni couleur ni odeur ; que le regard vous traverse et voie les gens derrière vous comme si vous n'étiez pas là. C'est une rude tâche d'être transparent ; c'est un métier ; c'est un ancien, très ancien rêve d'être invisible. Je ne suis pas un héros. Les héros sont des criminels. Il n'y a pas de héros dont les habits ne soient pas trempés de sang, et le sang est la seule chose au monde qui ne puisse pas passer inaperçue. C'est la chose la plus visible au monde. Quand tout sera détruit, qu'un brouillard de fin du monde recouvrira la terre, il restera toujours les habits trempés de sang des héros."

 

 2136592-24c9a2eb8eae79a0ca82bdd737a47e85.png
Bernard-Marie Koltès (9 april 1948 – 15 april 1989)

Scene uit een opvoering in Avignon, 2017

 

 

De Duitse schrijver Arnold Stadler werd geboren op 9 april 1954 in Meßkirch. Zie ook alle tags voor Arnold Stadler op dit blog.

Uit:Rauschzeit

„Und das ist gut so, dachte sie schon fast vergnügt an ihre Tante Mausi, die schon früh, das heißt in einem Alter, in dem sie selbst jetzt war, gesagt hatte: »Ik hab abjedankt. Sollen die
Jungen mal ran!«
In solchen Romanen war es dann so, als wären die Frauen von einem Mann ausgedacht, seine Geschöpfe, und als hätte Gott zu den Männern gehört. In den Liebesopern war es genauso.
Immer nur Männer, oftmals alte, die diese dicken Romane und Opern geschrieben hatten, und über die Jahrhunderte und Jahrtausende waren es Frauen, die sich von den Männern erklären
lassen sollten, was die Liebe war.
Also ein blonder Däne, der neben ihr mitanhören und mitansehen müsste, wie Tosca singend in den Tod sprang. So hatte es Puccini verfügt, geschrieben in Rom, in ein paar Monaten des Jahres 1899, und zum ersten Mal gehört ebenda, Anno 1900, zum dreißigsten Geburtstag Italiens und der Eroberung Roms durch die Italiener. Das war nun über zweieinhalbtausend Jahre nach der Eroberung Italiens durch die Römer. So viel Geschichte musste sein.
Puccini ließ eine Frau in den Tod springen, von der Engelsburg, die gerade noch die Zuflucht des Papstes gewesen war, auf der Flucht vor den päpstlichen Männern und Folterern. Das erwartete sie. Mehr wusste Mausi nicht. Sie lebte gerne, es war Freitag, der 25. Juni 2004. Jetzt wurden die Tage wieder kürzer. Friedrich Gulda (sonst war es immer Lili Kraus) spielte gerade für sie das Andante con variazioni in fa minore von Franz Joseph Haydn. Alain war in Köln.
Die Welt war der Ort, wo uns die Zeit davonlief, von diesem Satz in meinem Kopf war ich schon gleich nach 5 Uhr aus dem Bett getrieben worden, und mit den Sätzen von Mausi, die sie mir mit auf den Weg nach Köln gegeben hatte, stand ich nun vor meinem Morgenspiegel: Dass du wie ein Waldschrat aussiehst, weißt du. Und außerdem hatte sie mich kurz darauf auch noch gefragt: »Sollten wir nicht ins Vegetarische wechseln?
« Das setzte die Geschichte von Menschen voraus, deren große Zeit vorbei war.“

 

 2136592-6c6ce2b0dcff2a0f7c32097df270215a.jpg
<Arnold Stadler (Meßkirch, 9 april 1954)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijfster, journaliste en presentatrice Yaël Vinckx werd geboren in Hazerswoude in 1968. Zie ook alle tags voor Yaël Vinckx op dit blog.

Uit: De oorlog van mijn moeder

“In de stationshal droop de condens van de muren.
De vluchtelingen verdrongen zich voor de loketten; ze stampten op elkaars tenen, elleboogden zich naar voren, snauwden elkaar af. Inge zat op de arm van Hubertina, maar algauw moest zij haar dochter op de grond zetten om hun plek met heel haar lichaam te verdedigen. De natte zomen sloegen het kind in het gezicht, terwijl grote koffers haar dreigden te verpletteren en plunjezakken zich elk moment als een metershoge vloedgolf over haar uit konden storten. Ze werd verzwolgen door een zee aan zware, doorweekte jassen. In die vloed gleed haar hand, bijna onopgemerkt, uit die van moeder.
Het duurde even voor Hubertina zich realiseerde dat ze haar dochtertje niet langer beet had. In paniek riep ze haar naam. Ergens tussen het gebrul van de metershoge zoomgolven door hoorde Inge haar stem. Die klonk gesmoord, zoals iedere zaterdag als Hubertina haar hoofd onder water duwde in de wastobbe in de keuken, om haar bruine krullen te wassen.
‘Inge? Inge! Waar ben je?’ Wanhopig trok Hubertina haar zoon uit de rij, sleepte de tassen naast hem en viel op haar handen en knieën. Zo kroop ze langs de mensen terwijl ze de naam van haar verloren dochter schreeuwde. Inge wilde roepen, maar was bang dat als ze haar mond zou openen ze in de natte zomen zou stikken. Opeens trok een grote man haar tussen zijn voeten vandaan en gaf haar over de hoofden van de andere wachtenden aan Hubertina. Zij drukte haar dochter tegen zich aan en streek de natte haren uit Inges gezicht. ‘Dat mag je nooit meer doen!’
Iedereen keek nu naar de vrouw en de twee kinderen, maar niemand maakte plaats. Uiteindelijk moest Hubertina Inge opnieuw op de grond zetten om samen met Carl jr. de koffers naar het einde van de rij te slepen, waar het gezin voor de tweede keer aansloot.”

 

 2136592-27610e30246796060223713e4b02c269.jpg
Yaël Vinckx (Hazerswoude, 1968)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e april ook mijn blog van 9 april 2017 deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 9 april 2007 en ook mijn blog van 9 april 2008 en eveneens mijn blog van 9 april 2009.

Geschreven door Romenu om 18:52 Reageer op dit bericht

Eva Gerlach

De Nederlandse dichteres en vertaalster Eva Gerlach (pseudoniem van Margaret Dijkstra werd geboren in Amsterdam op 9 april 1948. Haar vader was schrijver en scenarist van beeldverhalen. Hij verliet het gezin toen Gerlach vier was; zij werd verder opgevoed door haar moeder, een lerares Nederlands, en haar stiefvader, een geoloog. Van 1953 tot 1966 verbleef Gerlach met haar ouders in Paramaribo in Suriname waar zij haar middelbareschooldiploma haalde. Terug in Nederland volgde ze verschillende studies: Spaans, culturele antropologie en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze had vele banen en bijbanen: van zweminstructeur tot magazijnhulp. Ook vertaalde ze gebruiksaanwijzingen, assisteerde ze bij het maken van catalogi en hielp ze toneelgezelschappen. Gerlach debuteerde in 1977 met gedichten in Hollands Maandblad en daarna verscheen poëzie in Raster, Tirade en het Nieuw Wereld Tijdschrift. Haar debuutbundel “Verder geen leed” verscheen in 1979 en werd goed ontvangen. Hij werd meteen maar liefst twee keer bekroond: met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de J.B. Charlesprijs. Behalve voor volwassenen schrijft Eva Gerlach incidenteel ook voor kinderen. In 1983 verscheen de bundel “Een kopstaand beeld” en in 1984 “Dochter”. Haar werk werd diverse keren bekroond. In 1988 ontving zij de A. Roland Holst-Penning voor haar gehele oeuvre en in 1995 de Jan Campert-prijs “voor Wat zoekraakt”.Voor haar bundel jeugdpoëzie “Hee meneer Eland” (1998) kreeg ze de Zilveren Griffel en de Nienke van Hichtumprijs. In 2000 werd haar gehele oeuvre bekroond met de P.C. Hooftprijs. Vanaf 2001 schrijft Gerlach ook columns voor De Morgen, waarvan ze er een aantal bundelde in “Losse bedrading” (2003).

 

Dubbelganger

Een man die fietste zo hard dat wij hem bijna niet zagen
kwam langs en riep met schorre stem pas op
maar voor wij iets konden doen was hij al weer voorbij
en voor wij hem na konden kijken was hij al zowat weg.

Het moet een beroeps zijn geweest als je zag hoe hij onder
het viaduct verdween, bijna doorzichtig, een wolkje
stof, niet dat dat opwoei van het asfalt maar hijzelf
dunner en dunner van steeds zichzelf in te halen.

 

 

Gelukkig gedicht

Ze kwam bij me in de gedaante van een hond van
onduidelijk ras, er was niemand thuis in dat dorp.
Ze kwam zo sloom als honden eigenlijk niet
kunnen naast me lopen, raakte me met geen
haar aan, keek niet omhoog. Bij het korenveld zei ik

ga weg en ze antwoordde niet maar
liet haar tanden zien. Ik zal je niet zal je
nooit verlaten. Bofkont die ik was. Nam haar
mee naar mijn huis bij de zee met water en brood,
steekmuggen, leerde haar koken,

schoonmaken, zingen. En nu met de zwaluwen, die ze
sinds ze terug zijn nazwemt tot achter de zon
is ze wanneer ze haar klittenvacht buiten hangt en
denkt dat ik niet kijk een vrouw uit dat dorp,
glad als een rots in zee, ze worden niet ouder,

verbazend dunne benen, zware enkels.

 

 

Drukte

Het is raar gesteld met de doden,
schuiven in je aan, zitten met hun
holtes in je knieën, hun kootjes
in je vingers een brief te schrijven,
even sloom als jezelf, even beperkt op de hoogte
van weerbericht en genade, twijfel en kostprijs

en als het etenstijd, bedtijd,
tijd is om de honden uit te laten,
tijd om een kind te krijgen, een man te begraven,
altijd lopen zij, meegaand,
volgzaam, met hun kammen en doornen hun schaambeen
boven je geslacht hun schedelpan rond je
zinnen hun graat om je merg

in je door, tiktiktik, alleen
je vel dempt hun drukte een beetje.

 

 2221682-cc0665ad6c37996f2054a838dec8b610.jpg
Eva Gerlach (Amsterdam, 9 april 1948)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten