Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 24 juli 2018 tot 25 juli 2018

Nate Pritts, Lieke Marsman, Sytze van der Zee, Robyn Carr, Annette Pehnt, Jovica Tasevski – Eternijan, Elias Canetti, Louise Boege

 

Dolce far niente

 

 2165141-f8fe31e8da045e636c2a89218a4a62a8.jpg
Endless Summer door Emilie Arnoux, z.j.

 

 

Endless Summer

. . .
It was the summer I fucked up the summer fucked up me
fucked up a fuck-up in the summer & I spent time laying under stars
too much time I wasted the stars you lied to me under the stars
& the summer was endless the summer endless it was an endless summer
. . .
. . .
endless & I said things like “If I ever see you again”
but I’ll never see you again I never saw you again I made sure of that
& I circled the lake I went in circles the lake was endless it was
summer I fucked up too much time & I never saw you again & I
. . .
. . .
circled & it was endless & the stars lied to me the summer
light moving so slowly I saw the summer light move endless
& when I see you the trees will cluster green rage green trees raging
with love endless love & I’ll never see you again I made sure of that
. . .
. . .
wasted under the stars the slow summer light the endless fuck-up
& you never again you lovely you summer you everything that is now
never again whatever that may be the rage I loved me under the stars
then & now endless wasting away me haze wandering around endless
. . .
. . .
haze it was endless too much time & you lied to me & I said things like
I can’t describe the air on my skin can you can you please I know it was
important & the light from stars moved so slowly & you moved off
forever how can you save everything everything important endless
. . .
. . .
summer light the fuck-up the lake a circle circling the lake
how can you save everything how can I answer you the light of summer
stars I’m sorry for my light the endlessness of my endless & my fuck-up
the me that is now looking back & thinking & this summer circling

 

 2165141-d8328d13db4cb9128cae7239d36888c7.jpg
Nate Pritts (Syracuse, 27 september 1974)
Syracuse

 

 

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

 

Woensdag

1
Dit is onze slaapkamer. Al sliepen er veel mensen voor ons,
al sliepen er veel mensen met ons - onze slaapkamer.
Een ruimte is van wie er vannacht het vaakst heeft geademd.
Iemand zegt: toen mijn vader stierf, was het huis voor altijd
van hem. Wij erfden het, maar hij had er het vaakst niet geademd.
Zijn huis. Hier kan mijn theorie niet tegenop. Stel je voor,
je hebt je mooiste rok aangetrokken, je hebt eindelijk opgezocht
hoe je Dvořák uit moet spreken, op de radio klinkt Jens Lekman's
farewell song to Rocky Dennis en het huis zal de hele dag
niet het jouwe zijn.


2
We zijn heel stil terwijl ik haast voor het eerst een gedicht schrijf
waarin ik niet begin met enkel ‘ik’ - in het gedicht is plaats voor
iemand anders. Hij is stil. Dan zegt hij dat onze lieve heer
vreemde kostgangers heeft en begrijp ik dit maar al te goed.
De stad, bijvoorbeeld, is als het ware een kind aan huis,
staat iedere ochtend voor mijn deur. De keuken van de heer
krijgt het nog druk vandaag, geeft schone borden aan de obers mee.
En ook de taal is vreemd wreed, zegt dingen als: wanneer je je
alleen voelt, kun je wachten tot je een ons weegt.


3
De tijd lijkt maar niet verder dan drie uur te willen zijn, de stad
verlaat mijn stoep. Ik kijk haar door de brievenbus na
om te zien hoe de fietsers als naaimachines haar straten aaneenrijgen.
In de gordijnen hangen gordijnen een metafoor voor moeheid
te zijn, ik draag mijn droefheid als een polshorloge. Het bandje
maak ik los voor ik het bad in stap, de wijzers van het klokje
zet ik stil tot ik weet wie. In de keuken knettert stroom
als vliegen door de lampen. Er staat een kabinet waarin ik achter glas
mijn angst bewaar als relikwie. En dan is zij er nog, die wat ze is
met een horloge vergelijkt en wat ze zegt met poëzie.

 

 2165141-1391decd42c0cb3389a2bf59a24fcdac.jpg
Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

 

De Nederlandse journalist en schrijver Sytze van der Zee werd geboren op 25 juli 1939 in Hilversum. Zie ook alle tags voor Sytze van der Zee op dit blog.

Uit: Harer Majesteits loyaalste onderdaan

“Dominee Laurens van 't Sant stond bekend als een rustige, beminnelijke man, zeker geen scherpslijper in de leer, qua religieuze opvattingen binnen de Nederlands-hervormde kerk vrijzinnig. Toen hij eenmaal een standplaats in Heiloo had gekregen, trouwde hij in 1870 op stand met de domineesdochter Néline Francois. In het naslagwerk Nederland's Patriciaat, ook wel het Blauwe Boekje genoemd, gaat haar stamboom terug op de schoolmeester Joseph Francois, rond 1715 geboren in het Franse stadje Nemours. Diens zoon, Joseph, vestigde zich na zijn studie theologie in Amsterdam als predikant van de Waalse kerk. In de daaropvolgende decennia steeg de familie snel op de sociale ladder. Van zijn kant kon de dominee bogen op een stamvader, ene Hendrik, die het in de zeventiende eeuw tot schepen in het Noord-Brabantse Sleeuwijk had gebracht. In april 1871 beviel Néline van hun eerste kind, waarna er de daaropvolgende jaren nog negen bij kwamen. Een ervan overleed acht weken na de geboorte. Nadat dominee Van 't Sant in Heiloo, Oterleek en Akersloot had gestaan, volgde in februari 188o een beroep naar Den Helder, of eigenlijk Helder: pas in 1929 zou de stad per Koninklijk Besluit Den Helder gaan heten. De stad telde bij de komst van het echtpaar Van 't Sant zo'n 25.000 inwoners. Eens de bloeiende, drukbezochte voorhaven van Amsterdam raakte Den Helder na de opening in 1876 van het Noordzeekanaal in verval. De Koninklijke Marine en de rijksmarinewerf vormden nog de voornaamste bron van inkomsten.' Het echtpaar betrok een woning in de Koningstraat op nummer io8 (later 9o), waar Francois op It februari 1883 als achtste in de reeks werd geboren. Tot hun buren behoorde Cornelis Dito, een visser en vletterman, die tal van schipbreukelingen redde. Een paar huizen verderop woonde Henri ter Hall, toen nog muzikant bij de marine, later oprichter van de Neutrale Partij, lid van de Tweede Kamer voor de Liberale Staatspartij 'De Vrijheidsbond' en directeur van het destijds befaamde Eerste Nederlandsche Revuegezelschap 'Henri ter Hall'.

 

 2165141-6d61b3eb78608213d12d4b6dc9975e9d.jpg
Sytze van der Zee (Hilversum, 25 juli 1939)
Cover 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Robyn Carr werd geboren op 25 juli 1951 in Minnesota. Zie ook alle tags voor Robyn Carr op dit blog.

Uit: The Family Gathering

“Dakota was just about finished mopping the floor when Sid handed him a cup of coffee. “Thanks,” he said. “Is this my coffee date? Because I was really hoping for a little pie to go with this. Like from a coffee shop or diner or maybe we could go crazy and hit a Denny’s.”
She laughed. “We could do that. Let’s head back toward Timberlake and go to the Denny’s on the highway.”
He followed her all the way to the restaurant, a little afraid she might ditch him on the long drive, but she waited by the door while he parked. They had no trouble getting a table, late as it was. They sat across from each other in a booth, ordered coffee, and Dakota asked for a moment to look at the menu. But he didn’t. Instead, he looked at Sid and asked, “Soup kitchen?”
“I guess you don’t meet too many of your potential girlfriends at a soup kitchen?”
He lifted his eyebrows. “You’ve upgraded your status,” he said. “I thought I was going to have to work much harder for that.”
“I feel sorry for you,” she said with a smile.
“Whatever ticks your clock. Just explain the soup kitchen. Is it some kind of a test? To see if I’m charitable?”
“It actually has nothing to do with you. After my divorce I needed counseling. I struggled with depression. I think that’s not unusual or unexpected. After some months of talking about myself and my feelings, the counselor gently suggested I might want to take the focus off myself and see what I could do for the less fortunate. She gave me an intimidating list of places that needed help. I just couldn’t bring myself to cuddle terminally ill toddlers, and if I’d worked at an animal shelter, I would have brought them all home. I went to the soup kitchen and Sister Mary Jacob tried to feed me. She couldn’t wrap her head around me as a server, that’s how bad I must have looked.”
“Must have been worse than just a bad divorce,” he said.
She paused for a moment as if considering how much personal information she’d give him on this, their first date. It made him smile for two reasons. One, it wasn’t much of a date and two, she was very protective of her privacy. When she continued, he decided she must have at least branded him as a good guy.”

 

 2165141-e2500a66c3eab69f2e2c7bb576bae695.jpg
Robyn Carr (Minnesota, 25 juli 1951)

 

 

De Duitse schrijfster Annette Pehnt werd geboren op 25 juli 1967 in Keulen. Zie ook alle tags voor Annette Pehnt op dit blog.

Uit: Ich muss losIch muss los Ich muss los Ich muss los Ich muss los

„Als Kind sagte Dorst die Wahrheit. Wenn die Mutter ihn fragte, schmeckt es, sagte er oft ja. Manchmal auch nein. Dann konnte es passieren, daß sich die Augen der Mutter mit Tränen füllten. Das tat Dorst leid, aber er konnte ja nichts dafür. Er sagte dann, tut mir leid, Mami.
Schlimmer war es, wenn Omi fragte, und hast du denn deine Omi lieb, Spätzchen. Omi hatte eine laute Stimme, jammerte über Wasser in den Beinen und küßte Dorst zum Abschied gern auf die Lippen. Nein, sagte Dorst, nicht so doll. Omi tat so, als hätte sie nicht verstanden, und legte den Kopf schräg. Nein, sagte Dorst laut und deutlich. Omi ließ die Kaffeetasse auf den Tisch fallen und verbrühte sich. Sie rief nach der Mutter, und die Mutter sagte, sicher hat er dich lieb, Kinder können das nicht so ausdrücken. Gell, Schatz, du hast Omi lieb, und sie legte einen Arm um Dorst und führte ihn aus dem Wohnzimmer.
Als Peter in der Schule auf seiner Geige ein Stück vorspielte, fragte die Lehrerin die Kinder, hat er das nicht gut gemacht. Ja, sagte Dorst, aber er machte dabei immer so ein komisches Gesicht. Die anderen Kinder lachten. Peter lachte nicht. Dorst bekam eine Strafarbeit auf und einen Brief für die Mutter mit nach Hause. Darin stand, Ihr Kind ist taktlos und hat wenig Gefühl für andere. Bald merkte Dorst, daß niemand die Wahrheit mochte. Er beschloß, von nun an nicht mehr die Wahrheit zu sagen. Also schwieg er. Seitdem knackte sein Kiefergelenk beim Gähnen.
Später mit Elner versuchte er es noch einmal. Sie saßen zusammen unter ihrer Kamelhaardecke und tranken heißes Kräuterblut. Dorst öffnete und schloß den Mund vorsichtig, um das Knacken zu vermeiden, wie ein Fisch auf dem Trockenen. Ist dir zu heiß, fragte Elner und schlug die Kamelhaardecke zurück. Ich muß los, sagte Dorst. Elner wußte, daß seine Wohnung leer und die Arbeit getan war. Warum denn jetzt noch, sagte sie. Es wird Zeit, sagte Dorst. Er stellte seine Tasse auf einen Bücherstapel. Nicht auf die Bücher, sagte Elner. Er warf sie auf den Boden, nicht heftig, beinahe behutsam. Sie kreiselte hohl über das Parkett, ohne Schaden zu nehmen. Elner richtete sich auf, stellte beide Füße auf den Boden und schloß die Augen. Dann schrie sie. Was willst du eigentlich, schrie sie, du Arschgesicht. Dorst staunte. Ja, guck nur. Du glaubst wohl, du könntest nach Belieben kommen und gehen. Pension Elner, liebevolle Betreuung ohne Aufschlag, Frühstück bis zehn. Gib den Schlüssel her. Der Herr will frische Luft schnappen, und ich sitz dann allein da. Mitkommen darf man auch nicht. Rück sofort den Schlüssel raus. Dann haben wir wenigstens beide unsere Ruhe. Elner, sagte Dorst, hob die Tasse auf und stellte sie auf eine Armlehne.“

 

 2165141-8cc65d0b04009d18d1b4c1cde016086f.jpg
Annette Pehnt (Keulen, 25 juli 1967)

 

 

De Macedonische dichter Jovica Tasevski – Eternijan werd geboren op 25 juli 1976 in Skopje. Zie ook alle tags voor Jovica Tasevski – Eternijan op dit blog.

 

From Above

The angel brandish
       with readings aflame
in the locks of the night
       spreading
       like a cloak

Ready to lie down
on the frail shoulder

A boundless verb
      with a crystal pin
the bruises in the cold bed
       that long ago covered
       the child

From above it takes them out
singed

To leave
the gates of the vault
behind its hard heels

 

Vertaald door Marija Girevska

 

 2165141-24e1e4b0bb8cc3c47869c513ca1ba93c.jpg
Jovica Tasevski – Eternijan (Skopje, 25 juli 1976)
Skopje, de oude bazaar

 

 

De Duitstalige schrijver Elias Canetti werd geboren op 25 juli 1905 in Russe in Bulgarije. Zie ook alle tags voor Elias Canetti op dit blog.

Uit: Het boek tegen de dood (Vertaald door Ria van Hengel)

‘In het struikgewas hadden ze een man gevonden die dodelijk gewond was geraakt door een speer, en ze brachten hem naar de missiepost terwijl hij stervende was. Ik zag hoe twee lekenbroeders met de brancard naar een van de hutten liepen, met een horde inboorlingen in hun kielzog. Het viel mij op dat ze hun last vreemd hoog hielden. Plotseling, toen ze hem lieten zakken om de hut binnen te gaan, stortten de om hen heen dringende inboorlingen zich tot mijn schrik op het lichaam van de stervende en drukten ze hun lippen op de zijne, in een bruut verlangen zijn laatste adem op te zuigen. Zij geloofden dat ze daarmee zijn kracht en zijn deugd, ja, zijn levensvonk zelf in zich opnamen, en alle waarschuwingen van de “witte vader” konden hen daar niet van weerhouden. De man was natuurlijk dood toen we hem uit hun handen bevrijdden, en het was een spookachtig gezicht toen de gelukkige “ademvanger” zijn wangen hol maakte bij het inslikken van de “zielenadem”, die hem dubbele kracht gaf om te jagen.’
(...)

‘Het dienstmeisje van Fröhlich vertelt dat ze, toen haar vader was gestorven, “van wie ze zoveel had gehouden”, en zij bij het wassen en aankleden van het lijk had geholpen, de koude stijfheid van dat lijk verschrikkelijk had gevonden. Toen had ze gedacht: als een “jong, gezond iemand” bij hem zou gaan liggen, misschien zou hij van die warmte dan weer bijkomen. Toen ’s nachts dus iedereen sliep, was ze opgestaan, was bij haar vader in bed gekropen en daar de hele nacht blijven liggen. Toen men haar ’s ochtends miste en overal zocht, werd ze ten slotte half verstijfd bij het lijk gevonden. Een flink pak slaag was de beloning voor deze allopathische poging tot genezing. Er zit iets afschuwelijks, maar ook iets heroïsch in deze liefdevolle onnozelheid.”

 

 2165141-8529d98fb761f543eb1713f6ccc6d9be.jpg
Elias Canetti (25 juli 1905 – 14 augustus 1994)
Cover

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse dichteres en schrijfster Louise Boege werd geboren in 1985 in Würzburg. Zie ook alle tags voor Louise Boege op dit blog.

 

„hier können sie noch mit dm bezahlen“   

als das geld abgeschafft worden war
warfen die betroffenen spieler
ihre zähne in die glücksautomaten
tranken aus ihrer haut die zugleich
haus war bis man sie selbst hinauswarf

draußen war wie drinnen randvoll glas
die spieler interessierten diese strukturen kurz
dann brechteten sie zusammen

 

 2165141-882a8c0ee873ad46289970301013c043.jpg
Louise Boege (Würzburg, 1985)
Würzburg

 

 

Zie voor meer schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2017.

Geschreven door Romenu om 16:51 Reageer op dit bericht

Judith Herzberg, Robert Graves, Johan Andreas der Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Katia Mann, Junichirō, Tanizaki, Betje Wolff

 

Dolce far niente

 

 2164925-ff5eaad891e829269a827e018e514fcf.jpg
All Summer In A Day door Peter Graham, 2015

 

 

Er is nog zomer en genoeg

Er is nog zomer en genoeg
wat zou het loodzwaar
tillen zijn wat een gezwoeg
als iedereen niet iedereen
terwille was
als iedereen niet iedereen
op handen droeg.

 

 2164925-faba20b804f3f2c72a95cfd3743419e4.jpg
Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)
Amsterdam op een zomeravond

 

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Uit: I, Claudius

“I came into the inner cavern, after groping painfully on all-fours up the stairs, and saw the Sibyl, more like an ape than a woman, sitting on a chair in a cage that hung from the ceiling, her robes red and her unblinking eyes shining red in the single red shaft of light that struck down from somewhere above. Her toothless mouth was grinning. There was a smell of death about me. But I managed to force out the salutation that I had prepared. She gave me no answer. It was only some time afterwards that I learnt that this was the mummied body of Deiphobe, the previous Sibyl, who had died recently at the age of 110; her eyelids were propped up with glass marbles silvered behind to make them shine. The reigning Sibyl always lived with her predecessor. Well, I must have stood for some minutes in front of Deiphobe, shivering and making propitiatory grimaces - it seemed a lifetime. At last the living Sibyl, whose name was Amalthea, quite a young woman too, revealed herself. The red shaft of light failed, so that Deiphobe disappeared - somebody, probably the novice, had covered up the tiny red-glass window - and a new shaft, white, struck down and lit up Amalthea, seated on an ivory throne in the shadows behind. She had a beautiful mad-looking face with a high forehead and sat as motionless as Deiphobe. But her eyes were closed. My knees shook and I fell into a stammer from which I could not extricate myself. `O Sib ... Sib ... Sib ... Sib ... Sib ...' I began. She opened her eyes, frowned, and mimicked me: 'O Clau Clau Clau… ‘
That shamed me and I managed to remember what I had come to ask. I said with a great effort: '0 Sibyl: I have come to question you about Rome's fate and mine.' Gradually her face changed, the prophetic power overcame her, she struggled and gasped, and there was a rushing noise through all the galleries, doors banged, wings swished my face, the light vanished, and she uttered a Greek verse in the voice of the God:
Who groans beneath the Punic Curse And strangles in the strings of purse, Before she mends must sicken worse.
Her living mouth shall breed blue flies, And maggots creep about her eyes. No man shall mark the day she dies. Then she tossed her arms over her head and began again: Ten years, fifty days and three, Clau - Clau - Clau shall given be A gift that all desire but he."

 

 2164925-fa57102e55c3ddb0c2f452bfb90149ed.jpg
Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)
Cover biografie

 

 

De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd geboren op 24 juli 1863 in Westervoort. Zie ook alle tags voor Johan Andreas dèr Mouw op dit blog.

 

Nagelaten Verzen

1
'T is lang geleden; 'k was nog maar een kind.
Toen dacht ik: Als ik maak, dat ik nooit meer
Ondeugend ben, en dat 'k op school goed leer,
Dan word ik vast ‘een kind, van God bemind’.

En - dacht ik - als ik dood ga, nou, dan vind
Ik in de lucht bij onze Lieven Heer
De menschen, waar 'k van hou, allemaal weer,
Mijn vader en mijn moeder en mijn vrind.

In ons salon, boven 't antiek buffet,
Hing aan de muur een prachtig-mooi portret,
Van hoe een moeder slaapt; ze is zeker moe;

En naast haar ligt een kindje dood in 't bed;
Een engel hangt erbij; 'k begreep niet, hoe;
En draagt het kindje naar de hemel toe.

 

2
Zoo zou ik eenmaal naar de hemel gaan,
En vleugels krijgen, wit als een kapel,
En vliegen door de lucht, zoo hoog, zoo snel,
Sneller dan vogels, hooger dan de maan;

En 'k zou misschien op Zondag mogen staan
Vlak bij de troon van God, naast Gabriël;
Jesus vond 't zeker goed: die wist het wel,
Dat ik op school mijn best zoo had gedaan.

En dan zongen ze vast een kerkgezang;
Alleen: als 't licht maar niet te helder was:
Zoo dicht bij God - een heele Zondag lang -

Als 'k daaraan dacht, werd 'k om mijn oogen bang.
Maar groen is goed voor de oogen: een stuk glas
Hield men zich voor 't gezicht, daar, groen als gras.

           

3
Maar - één ding was er, dat 'k niet prettig vond:
Ik kende een plaat, waarop een neger vloog
Met de armen om een blanke, in 't donker. Hoog
Zag je veel licht; beneden was de grond.

Werd hij nu ook een engel? Met zoo'n mond?
En met dat griez'lig witte van zijn oog?
Ik hoopte, dat grootmoeder zich bedroog,
En hij niet was bij God, als ik er stond.

Grootmoeder zei - 'k hoor nog haar lieve stem -:
De kleur was niets; God zag alleen de harten;

En was dàt goed, dan kwam je vast bij Hem;
Hij hield niet meer van blanken dan van zwarten.

En ik begreep 't: gelijk zijn al de dooden,
De menschen en de negers en de Joden.

 

 2164925-328414b424d7c9dbd736b535af9d341b.jpg
Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)
Cover

 

 

De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto werd geboren op 24 juli 1964 inTokyo. Zie ook alle tags voor Banana Yoshimoto op dit blog.

Uit: The Lake (Vertaald door Michael Emmerich)

"No, I know that, it's just ... I know I can't express it very well, no matter how I phrase it, but you're just right. This sounds kind of odd, but your proportions are just right." I sort of knew what he was trying to say. Considering how smart Nakajima was, I bet he could have found a way to express more precisely what it was like to push his body to the limit while studying, or his perspec-tive on the way my emotions were structured inside me. He was just being nice, communicating on my level. That's what made it sound vague. Still, I had the sense that right then it helped for him to be talking about something, and so I decided to draw him out. I intentionally cocked my head slightly, feigning puzzle-ment. "I mean, for you love is more important than anything else, right, Chihiro?" Nakajima said. "But you don't try to control other people, do you?" "I guess that's pretty true," I replied. "And you cherish the memory of your mother? Of course, everyone has little knots in their hearts, no matter what their families are like—but wouldn't you say that in your case you feel love and hate in ordinary, healthy amounts? Even if one may seem a bit stronger at times?" "Yeah, I'd agree with that." "And you don't hate your father, do you?" "No, I don't. If anything I think he's kind of lovable. The environment we lived in wasn't ideal, but I suspect that it actually made it easier for us to express our love than in your average family. We didn't fit into any ready category, so we all had to work that much harder." "Exactly—you don't have that sense that you can take your family for granted, that's why I feel so comfortable with you. You see your family members for what they are, and you look at me in an ordinary way, without wishing that I was some-how different," Nakajima said, his tone very level. "That's what I like about you. I'm extremely, almost pathologically sensitive to violence, and I pick up on it immediately when something violent is happening. Most people are constantly perpetrating little acts of violence on others, even when they don't mean to. You almost never do that, Chihiro." "How about you?" I asked. "I've never been able to discuss this before," Nakajima said, "but honestly, I felt oppressed the whole time until my mother died, because of the way she was always fretting over me—no one else mattered.”

 

 2164925-f7345a34f72e2cc9ddde2e03dc084e61.jpg
Banana Yoshimoto (Tokyo, 24 juli 1964)

 

 

De Duitse schrijfster Rosemarie Schuder werd geboren op 24 juli 1928 in Jena. Zie ook alle tags voor Rosemarie Schuder op dit blog.

Uit: In der Mühle des Teufels

„Je mehr Furcht und Schmerz Siegmund verspürte, desto frecher redete er, er wollte sich selbst Mut machen.
“Gut, daß ihr gekommen seid”, rief er dem Hauptmann zu, “ich wollte sowieso zum Statthalter. Nun komme ich viel schneller hin. Und so vornehm zu Pferde.”
“Was wolltest du denn bei ihm?” fragte einer der Reiter. Sie hatten Spaß an ihren Gefangenen.
“Was Wichtiges sagen”, rief Siegmund, “was sehr Wichtiges.” Er wollte sich wertvoll machen, vielleicht würden sie ihn besser behandeln und die Stricke nur ein ganz klein wenig lockern.
“Kennst du Anführer?” fragte der Hauptmann, aufmerksam geworden.
Siegmund bedachte sich kurz.
“Ja, ich kenne sie alle”, sagte er entschlossen.
“Willst du darum zum Statthalter?” vergewisserte sich der Hauptmann.
“Ja”, sagte Siegmund schroff, “aber eh wir da sind, werd ich vor Schmerzen tot sein. Dann kannst du Herrn Adam einen schönen Gruß von mir bestellen.”
“Nehmt ihm die Fesseln ab!” ordnete der Hauptmann an. Er berechnete rasch, daß für ihn auf alle Fälle etwas dabei herausspringen würde; es wäre wirklich dumm gewesen, wenn der Mann vorher unbrauchbar zu einer Aussage geworden wäre.
Der Färbergeselle atmete auf. Er vermied es, hinzusehen zu dem Wirt von Baumgarting. Der war auch gefragt worden:
“Kennst du Namen von Anführern?”
“Nein!” hatte der geschrien. Und man hatte seine Fesseln noch enger zusammengezogen.
Während des Rittes nach Vöcklabruck, wo der Statthalter Quartier genommen hatte, sprach Siegmund kein Wort mehr. Die Reiter, die ihn ins Gespräch zu ziehen versuchten, fertigte er mit einem Knurren ab. Er mußte viel denken. Anne, dachte er, Anne Preiner, ich könnt deinen Mann angeben, dann wärst du los und ledig. Er spielte weiter mit dem Gedanken. Ich könnte dann hingehen zu dir und sagen, nun muß ich dich beschützen. Niemand wird wissen, daß ich den Namen gesagt hab. Dem Wirt hast du pfui gesagt, entgegnete er sich selbst, ihn Verräter genannt.“

 

 2164925-4fa52426886a803d55a4b788d53fa0e8.jpg
Rosemarie Schuder (Jena, 24 juli 1928)

 

 

De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook alle tags voor Katia Mann op dit blog.

Uit:Katia Mann: Meine ungeschriebenen Memoiren

„Meine Eltern machten, wie man sagt, ein ziemliches Haus. Sie hatten ein ganz angesehenes und vielfältig besuchtes Haus und gaben große Gesellschaften.
Durch den Beruf meines Vaters und seine persönlichen Neigungen war es ein wissenschaftliches Haus mit musikalischen Interessen. Zur Literatur hatte er kein sehr lebhaftes Verhältnis, im Gegensatz zu meiner Mutter. Es kamen sehr viele Leute in die Arcisstraße, auch Literaten, besonders aber Musiker und Maler. Richard Strauss kam zu uns und Schillings, es kamen Fritz August Kaulbach, Lenbach, Stuck und viele andere aus Münchens gesellschaftlich-künstlerischen Kreisen. Mein Vater war ein begeisterter Früh-Wagnerianer und hatte auch seine Eltern veranlaßt, Anteilscheine, Patronatsscheine nannte man sie, für den Bau des Theaters in Bayreuth zu nehmen. Er kannte Wagner persönlich und besaß einen oder zwei Briefe von ihm, die seine Heiligtümer waren. 1876 bei den Proben für den >Ring< war er in Bayreuth, aber er hat nie intim in Wahnfried verkehrt. Weil er sich einmal Wagners wegen in Bayreuth duellierte, hatte er sich seine persönliche Beziehung zu Wahnfried verscherzt. Es hatte sich in einem Restaurant irgend jemand in seiner Nähe abschätzig über Wagner geäußert, und da mein Vater sehr jähzornig war, schlug er diesem Mann mit seinem Bierglas auf den Kopf und wurde darauf der »Schoppenhauer« genannt. Der andere forderte ihn, es kam zu einem Pistolenduell, welches aber unblutig verlief. Nun, in Wahnfried haben sie sich darüber furchtbar geärgert. Das wollten sie nicht; sie wollten keinen Skandal. Aber mein Vater blieb zeit seines Lebens ein leidenschaftlicher Wagnerianer und hat eine Menge Sachen für Klavier, auch zu vier Händen, gesetzt. Diese Arrangements wurden dann bei uns zu Hause gespielt. Bei uns wurde sehr viel und sehr oft Hausmusik gemacht. Wir hatten einen sehr hübschen Musiksaal. Es kamen oft erste Sänger von der Oper. Da gab es eine hervorragende Wagnersängerin, die Primadonna, sie nannte sich Ternina, und mein Vater verehrte sie über alle Maßen.“

 

 2164925-64ff53fb8e3660f64c72c96184474ec2.jpg
Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)
V.l.n.r. Alfred en Hedwig Pringsheim (Katia’s ouders), Katia, Thomas, Elisabeth, Monika en Golo Mann in 1931

 

 

De Japanse schrijver Junichirō Tanizaki werd geboren in Tokio op 24 juli 1886. Zie ook alle tags voor Junichirō Tanizaki op dit blog.

Uit: Kinderjaren. Herinneringen (Vertaald door Tinke Davids)

“Ik heb twee of drie herinneringen die lijken te stammen uit de tijd dat ik vier of vijf jaar was, maar het is geen gemakkelijke opgave uit te zoeken welke daarvan de allereerste is.
De mensen beginnen meestal redelijk duidelijke herinneringen te krijgen vanaf de leeftijd van een jaar of vijf; er zijn er een paar die zich dingen uit hun vierde jaar herinneren, maar die zijn relatief zeldzaam. En er is nauwelijks iemand die veel weet op te halen uit zijn derde jaar -- afgezien van Yoshitsune zoals beschreven in de scène van `Kumagais kamp'. Hoewel ik er niet helemaal zeker van ben dat ik destijds vier was, herinner ik me dat ik op een dag, heel lang geleden, in een riksja reed, en op en neer hupte op mijn moeders schoot; we kwamen bij een huis in de wijk Yanagiharain het district Kanda, in het centrum, een gebouw van rode baksteen, wat nog ongewoon was in het laatnegentiende-eeuwse Japan. We stapten uit de riksja en gingen naar binnen, en daar zagen we Vader zitten aan een toonbank, met tralies voor zich.
Moeder en ik bogen en begroetten hem van bij de ingang -- dat alles herinner ik me, weliswaar vaag, maar niet als een droom -- als werkelijkheid. Wat ik me herinner, dat is dat gebouw van rode baksteen, de uitdrukking op mijn vaders gezicht, de toonbank met de tralies, de hoge drempel van de tatami-kamer daarachter, en het feit dat het mooi weer was. Ik herinner me niet wat ik of mijn moeder of vader voor kleren droegen, of welk jaargetijde het was.
Toch weet ik om de een of andere reden dat het kantoor in de wijk Yanagihara in Kanda lag, en dat het was in de periode dat mijn vader een agentschap voor lantarenopstekers had. Waarschijnlijk hebben mijn moeder en mijn verzorgster me dat destijds verteld.
Toch heb ik me lange tijd afgevraagd waar Moeder en ik die dag vandaan waren gekomen: woonden we misschien bij mijn vader in Yanagihara en waren we net teruggekomen van een tochtje naar een of andere tempel, of van een bezoek aan het familiehuis in de wijk Kakigara-cho in Nihombashi? Maar goed, omdat mijn herinneringen aan dat huis in Yanagihara beperkt blijven tot dit fragment van één dag (als één enkele opname uit een scène in een film), vermoed ik dat ze dateren uit mijn vierde jaar, en dat ze dus mijn `allervroegste' herinneringen zijn. Toen ik bij de voorbereidingen voor dit boek naar deze dingen informeerde bij mijn jongste oom, de enige die nog leeft, en bij mijn inmiddels overleden neef, vertelden ze me dat het gebouw in Yanagihara de plaats was waar mijn vader hoofdzakelijk werkte, niet waar hij woonde; en dat wij destijds woonden in het familiehuis in Kakigaracho, vanwaar Vader elke dag naar zijn werk ging.”

 2164925-d85dbd9ffefa6a28250becfffac02124.jpg
Junichirō Tanizaki (24 juli 1886 – 30 juli 1965)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijfster Betje Wolff (eig. Elizabeth Bekker) werd geboren in Vlissingen op 24 juli 1738. Zie ook alle tags voor Betje Wolff op dit blog.

Uit:Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (Samen met Aagje Deken)

“Veele deezer menschen, ik spreek van de besten uit de zôô, meenden dat haar grimmige uitkyk, haar grommig voorkomen, haar nutteloze berisping, de zoete vrugtjes waren van eene naauw gezette godsvrugt. Die goede Slooven dagten, dat Tante los was van de Waereld, om dat de wyze schikkingen der Voorzienigheid nooit de eer hadden van haar Wel Edele te voldoen. Hoe zeer zy ook de Fyne uithing, zy beviel evenwel méér aan de Zusjes, dan aan de Broedertjes: men moet bekennen, dat Juffrouw Holland juist niet heel oogelyk is. Met myn zesde jaar hielt ik al meé Oeffening by Tante. De Vriendjes hadden veel met my op. Men zag wat goeds in my. Ik hielt ook veel van Tantes Oeffening; want, met myn zak en peperhuizen vol Lekken, kwam ik altoos thuis, zie daar de genoegzame rede Hoe zeidt WOLFF, de ratio sufficiens der dingen? Zo veele middelen bleven niet ongezegend. Ik verlangde altoos naar Tantes oeffendag. Wat zal ik meer zeggen? Gy kent my: medelydend, meëgaande, en zo voords. Toen kon ik al geene droefheid zien zonder ook te kryten; en er werdt ook meest altyd eens geweent, (waarom weet Joost; want me dunkt, dat zy het nog al zo taamlyk wél hadden.) Deeze weekheid behaagde. Myne Tante zelf, of schoon ik hare gehaate Zusters dochtertje was, kreeg my, op hare wys, recht lief. Zy mydde ons huis niet meer, om dat ik me'è oeffening hield, en me'è huilde Twaalfjaren leefde ik zo gelukkig, als een gehoorzaam en gelieft kind leven kan. Toen keerde myn lot. Myn waarde Vader, zich op eenen heten dag, door het inpakken en afzenden van Thee, zeer verhit hebbende, kreeg een pleuris, en stierf binnen drie dagen, nog geen veertig jaren oud zynde. Geene V AN MERKEN zou u kunnen afbeelden, hoe groot myner Moeders en myne droefheid was. Wy verloren alles, en myne tederlievende Moeder voelde alles wat zy verloor; meer zeg ik niet. Oordeel nu. Myne Moeder deedt den handel aan iemand onzer Kantoorbedienden over, vertrok naar de .... gragt, en hielt maar eene onzer meiden; daar leefden wy stil en proper. Maar haar verlangen naar stilte was te gunstig voor haar, om toch onafgebroken aan haar Overledenen te denken! Myne Ouders hadden elkander hartlyk bemint: de dood myn's Vaders stortte haar in de aller diepste zwaarmoedigheid. Zy sneedt alle uitspanningen af, zag niemand, sprak weinig, zuchtte veel, en stortte veele droeve tranen.”

 

 2164925-9231c477b01266868e45558f7b7a8abe.jpg
Betje Wolff (24 juli 1738 – 5 november 1804)
De schrijfkamer in het Betje Wolff Museum in Middenbeemster

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2017 en ook mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 14:45 Reageer op dit bericht

John Newton

De Britse dichter en Anglicaans priester John Henry Newton werd geboren in Londen op 24 juli 1725. Zijn jeugd werd gekenmerkt door onzekerheden in het geloof en onbeheerst gedrag. Newton had vervolgens meerdere ervaringen waarbij hij oog in oog stond met de dood. Zo miste hij eens de boot die hem en zijn vrienden naar een oorlogsschip moest brengen; vanaf de oever zag hij de boot kantelen en de volledige bemanning verdrinken. Toch bleef hij na zo'n 'overleving' het geloof afwijzen en raadde hij het ook andere mensen af. Na een korte tijd bij de Royal Navy begon Newton in 1748 in de slavenhandel te werken op het schip The Greyhound, waar hij de gruwelijkheden zag die de slavernij kenmerkten. Pas later nam hij hiervan afstand en werd hij er tegenstander van. Ondanks dat hij het geloof niet wilde aannemen, las Newton “De Imitatione Christi” van Thomas à Kempis. Hij zette de eerste stap in de richting van aanname van het geloof tijdens een hevige storm op zee. Nadat hij het dek had verlaten sloegen de zeelui die zijn plek daar hadden ingenomen overboord. Hijzelf overleefde de storm, maar besefte, zo vertelde hij later, dat hij hulpeloos was en dat alleen God hem kon redden. Na zijn bekering schreef Newton verschillende liederen, waarvan naast Amazing Grace nog meerdere gezongen worden. In 1780 werd hij dominee van de St. Mary Woolchurch in Londen, waar hij een gemeente leidde. Hier had hij veel invloed op mensen, waaronder William Wilberforce. Newton preekte en bleef dat doen tot zijn dood, ondanks het feit dat hij blind geworden was. Newton correspondeerde onder meer met Helperus Ritzema van Lier, predikant te Kaapstad. De gedachtewisseling met hem leidde tot het boek “The power of grace illustrated” (Afrikaanse titel: Die krag van genade) uit 1792.

 

Amazing grace

Amazing grace! (how sweet the sound!)
That sav'd a wretch like me!
I once was lost, but now am found;
Was blind, but now I see.

'Twas grace that taught my heart to fear,
And grace my fears reliev'd;
How precious did that grace appear,
The hour I first believ'd!

Thro' many dangers, toils, and snares,
I have already come;
'Tis grace has brought me safe thus far,
And grace will lead me home.

The Lord has promis'd good to me,
His word my hope secures;
He will my shield and portion be,
As long as life endures.

Yes, when this flesh and heart shall fail,
And mortal life shall cease;
I shall possess, within the veil,
A life of joy and peace.

This earth shall soon dissolve like snow,
The sun forbear to shine;
But God, who call'd me here below,
Will be for ever mine.

 

 

Time How Short

Time, with an unwearied hand,
Pushes round the seasons past,
And in life's frail glass, the sand
Sinks apace, not long to last:
Many, well as you or I,
Who last year assembled thus;
In their silent graves now lie,
Graves will open soon for us!

Daily sin, and care, and strife,
While the Lord prolongs our breath,
Make it but a dying life,
Or a kind of living death:
Wretched they, and most forlorn,
Who no better portion know;
Better ne'er to have been born,
Than to have our all below.

When constrained to go alone,
Leaving all you love behind;
Ent'ring on a world unknown,
What will then support your mind?
When the Lord his summons sends,
Earthly comforts lose their pow'r;
Honours, riches, kindred, friends,
Cannot cheer a dying hour.

Happy souls who fear the Lord
Time is not too swift for you;
When your Saviour gives the word,
Glad you'll bid the world adieu:
Then he'll wipe away your tears,
Near himself appoint your place;
Swifter fly, ye rolling years,
Lord, we long to see thy face.

 

 2210748-ff7f660fe589c46ec054f723c0ddbd6e.jpg
John Newton (24 juli 1725 – 21 december 1807)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten