Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 8 september 2018 tot 9 september 2018

C. O. Jellema, Wim Huijser, Cesare Pavese, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook alle tags voor C. O. Jellema op dit blog.

 

Een nacht

Ik maak een vers opdat ik aan je denken kan
niet met herinneringen die verouderd zijn
want zoveel dichters spreken er al van
maar met het vers dat zichzelf loswringt uit mijn brein

er zijn momenten van een vreemde vrede 's nachts
vooral, de treingeluiden en het wapperend gordijn
de smaak van nacht en wind en onverwachts
besef ik dat ik blij kan zijn en zonder angst voor pijn

dan misschien ben je al nabij

en als het vers daaruit ontstaat moeizaam
met woorden die er eigenlijk niet moesten zijn
omdat zij afstand zijn en overwonnen pijn
dan ben je er en wordt het vers een naam

een glimlach dat wij ooit zo eenzaam konden zijn
met zoveel angst voor alles dat toch nietig is
en buiten ons - en het ontmoedigend gemis
wordt opgehelderd in het rijm

doordat ik bij je ben en jij bij mij

maar is het vers uit mij vandaan en wordt het koud
op het papier, dan groeit in mij het dagelijks verdriet
alsof ik nooit echt jong zal zijn zo oud
ik strek mijn hand uit maar je bent er niet

ik hoor een trein die binnenloopt en weer vertrekt
ik huiver om het wapperend gordijn
de dingen denken zelfs niet aan elkaar, zij zijn volstrekt
alleen - als jij en ik, zo klein

hoe vaak ik wakend denk aan jou of jij aan mij

 

 

Lezende in de kamer

Telkens als je een bladzij omslaat van je boek
hoor ik de heldere slag van een uurwerk
niet luider dan het tiktak van de slinger

telkens als je een voet verschuift of het haar
wegstrijkt van je voorhoofd -
ik heb nog geen letter gelezen

ik zie een lijn die er altijd geweest moet zijn
lopende diagonaal van een poot van mijn stoel
over bepaalde figuren in het kleed naar jouw voeten

de avond wordt zeer lang er is bijna
geen overeenkomst meer tussen ons

 

 

Stedelijke idylle

Wij stonden aan de rand van een woestijn
er waren huizen die op huizen leken
omdat ze scheel door hun vitrages keken
het konden ook gestrande arken zijn

en waar men straten kon vermoeden waren kreken
maar uitgedroogd en met dor kroos in 't zand
en mensen liepen er met schuwe ogen langs de kant
alsof het water zomaar uit de grond kon breken

de bomen gerooid de bloemen afgesneden
gazons betegeld en de lucht ontsmet
van wolken en geen maatregel vermeden:
op elke viersprong was een crucifix gezet

wij stonden en zo lang was het geleden
dat wij tot bloei geraakten: één wit en één rood
en dunne wortels strekkend naar de dood
bloeiden wij om te worden afgesneden

 

2176076-ed1aac374584a23b4679e445f8514ac6.jpg
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)

 

 

De Nederlandse publicist, schrijver en biograaf Wim Huijser werd geboren op 9 september 1960 in Ridderkerk. Zie ook alle tags voor Wim Huijser op dit blog.

Uit: Dichter bij Dordt. Biografie van C. Buddingh’

“Naar zijn idee was het de ‘buddingheer’ van de Frankische tijd toegestaan een eigen schild en wapen te voeren. Zijn symbool was een rode schaar, het zinnebeeld van leven en dood, het werktuig waarmee de levensdraad werd afgesneden. De overerfde functie was met titel, schild en wapen in de familie gebleven en zo tot geslachtsnaam geworden. In zijn talrijke publicaties plaatste Derk Buddingh’ de apostrof weer zelfbewust achter zijn naam, waarna verschillende van zijn geslachtsgenoten hem daarin volgden.
Hoe plausibel Derk Buddingh’s verklaringen over de familienaam ook mochten klinken en hoe verdienstelijk hij zich ook op andere gebieden had gemaakt, volgens dialectoloog Johan Winkler (1840–1916) beging hij als ‘woordafleidkundige’ de ‘grootste flaters’. Waar Derk Buddingh’ in zijn 
Mirakel-geloof en Mirakelen in de Nederlanden (1845) veel fantastische overleveringen naar het rijk der fabelen had verwezen, had hij er volgens Winkler met zijn gezochte verklaring van zijn familienaam zelf een geschapen. In zijn standaardwerk De Nederlandsche geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en beteekenis (1885) wees hij erop dat de geslachtsnaam Budding een patroniem is van een oud-Germaanse mannennaam Buddo, terwijl het achtervoegsel ‘ing’ als betekenis had: tot de familie behorend van. De Budding(h’)s behoorden volgens Winkler tot een oud geslacht van ‘schaarmeesters’: opzichters over de gemeenschappelijke weide, die het aantal schaarbeesten bepaalden dat iedereen daar mocht laten grazen. De schapenschaar in het familiewapen sloot daar helemaal op aan. Op de kaart met ‘erfnamen’ in Overijssel en Gelderland situeerde hij het ‘Budding-erf’ ergens boven het Twentse Denekamp.”

 

 2176076-c3bcc2a207dd04315694888bc39bee63.jpg
Wim Huijser (Ridderkerk, 9 september 1960)

 

 

De Italiaanse dichter en schrijver Cesare Pavese werd geboren in Santo Stefano Belbo op 9 september 1908. Zie ook alle tags voor Cesare Pavese op dit blog.

Uit: Het leren jack (Vertaald door Anton Haakman)

“Mijn vader vindt het goed dat ik mijn dagen doorbreng in het paviljoen aan de steiger, want zo heb ik een tijdverdrijf waarmee ik ongemerkt een vak leer. Nu is er een dikke bazin die altijd schreeuwt, en ik hoef maar naar een boot te wijzen of ze ziet me, al is ze in de kelder, en dan schreeuwt ze dat hij niet van mij is. Achter het paviljoen staan de tafeltjes en de stoelen voor de klanten, maar die bazin laat zich niet meer helpen, en als ik bij haar kom met een bestelling zegt ze meteen tegen haar zoon dat hij de glazen moet meenemen. In het paviljoen kom ik al een poosje niet meer en nog langer kom ik niet meer boven om vanuit het venster van Ceresa te kijken naar het water en de boten. Hier komt nu niemand meer, en vader heeft pech als hij denkt dat ik het vak nog kan leren.
Deze mevrouw Pina heeft er geen flauw benul van: ze doen nu tegen de klanten al net als tegen mij. Het is niet genoeg om een leren jack aan te hebben als je een steiger wilt beheren; de mensen moeten graag willen komen en aan het gezicht van de bazin zien dat ze plezier heeft in de boten en de Po en dat het leuk is om je te amuseren. Ceresa, dat was er zo een: het leek wel alsof hij met iedereen meespeelde en hij zat zelf nog meer op de boten dan de klanten. Toen Ceresa er nog was viel er altijd wel wat te lachen: je stond in je zwembroek in het water, je maakte de teer klaar, je hoosde de boten leeg, en in het seizoen zat je 's middags onder de struiken te eten met de druivenemmer op tafel. De meisjes die de boten ingingen hielden stil om een grapje te maken onder het afdak, en er was er eentje die wou dat Ceresa met haar de Po opging. Ceresa zei dan altijd dat hij niet wegkon vanwege de steiger en het café en dat ze maar de volgende ochtend vroeg moest komen, voor zonsopgang. Op een mooie ochtend was dat stomme kind nog gekomen ook en toen zei Ceresa dat ze elke dag maar zo vroeg moest opstaan, dan raakte ze meteen van haar hoofdpijn af. Het leren jack dat die ouwe nu over haar schouders gooit als het regent had Ceresa altijd aan, en ik herinner me dat hij het een keer toen we in de boot zaten en er een onweer losbrak, uitdeed en aan mij gaf om het aan te trekken. Eronder was hij altijd in zijn blote bast en hij zei dat ik, als ik aan de Po leefde, wanneer ik groot was net zulke spieren zou hebben als hij. Hij had een klein snorretje en hij was blond doordat hij zoveel in de zon was.
Vorig jaar kwamen sommige mensen niet terug, vanwege Nora. Nora was eerst de serveerster, die de mensen hun drankjes bracht en 's avonds wegging; maar vorig jaar bleef zij toen het zo laat was dat ik naar huis ging nog in het paviljoen, en toen ik de volgende ochtend terugkwam zag ik haar al uit het raam kijken.”

 

 2176076-3691813be228236f11df762ccf680160.jpg
Cesare Pavese (9 september 1908 – 27 augustus 1950)
Cover dagboeken

 

 

De Russische schrijver Leo Tolstoj werd geboren op 9 september 1828 op het landgoed Jasnaja Poljana, in de buurt van Toela. Zie ook alle tags voor Leo Tolstoj op dit blog.

Uit: Anna Karenina (Vertaald door Halbo C. Kool)

“Het ene geluk lijkt altijd op het andere, maar elk ongeluk heeft zijn eigen kenmerken.
Het huis Oblonski was in rep en roer. Toen de vorstin tot de ontdekking was gekomen, dat haar man een verhouding had met een voor kort ontslagen Franse gouvernante, had zij verklaard, dat zij niet langer met hem onder één dak wilde wonen. Deze toestand duurde nu al drie dagen en was uiterst pijnlijk voor de beide echtgenoten, evenals voor alle andere leden van het gezin, ja zelfs voor de bedienden. Ieder had het gevoel dat een willekeurig gezelschap cafébezoekers onderling nauwer verbonden was dan de huidige bewoners van het huis Oblonski. De vrouw kwam haar kamer niet uit; de man kwam overdag niet thuis; de kinderen waren aan hun lot overgelaten en liepen van de ene kamer naar de andere; de Engelse gouvernante had ruzie gehad met de huishoudster en naar een vriendin geschreven, of zij niet een andere betrekking voor haar wist; de kok was de vorige avond zonder toestemming op etenstijd uitgegaan; het keukenmeisje en de koetsier hadden opgezegd.
Drie dagen na de twist met zijn vrouw werd vorst Stefan Arkadjewitsj Oblonski, Stiwa, zoals hij in de wandeling werd genoemd, wakker op zijn gewone tijd, om acht uur 's morgens, niet in zijn slaapkamer, maar op een leren sofa in zijn studeervertrek. Hij draaide zich om op de veren van zijn divan, trachtte zijn slaap te rekken, sloeg beide armen om zijn kussen heen en drukte er zijn wang in; daarna kwam hij plotseling overeind, ging zitten en deed zijn ogen open.
„Ja, ja, hoe was het ook weer?" dacht hij en trachtte zich zijn droom te herinneren. „Hoe was het ookweer? 0 ja, Alabin gaf een diner in Darmstadt; nee, niet in Darmstadt, maar in iets Amerikaans. 0 ja. er was ook een Darmstadt in Amerika. Alabin gaf een diner aan glazen tafels en de tafels zongen: „I1 mio tesoro," nee, het was mooier dan „Il mio tesoro" en er waren kleine karafjes en dat waren vrouwen."
De ogen van Stefan Arkadjewitsj schitterden vrolijk en hij zei glimlachend: „Ja, het was aardig, erg aardig, maar het is niet na te vertellen en je weet niet eens meer precies, hoe het was, als je wakker bent." Hij zag een streep daglicht, die de kamer binnendrong door een kier van het gordijn, zette zijn voet op de grond en tastte zo als gewoonlijk, naar zijn marokijnen, met goud geborduurde pantoffels, een verjaarsgeschenk van zijn vrouw; daarna stak hij, volgens een negenjarige gewoonte, zonder op te staan, zijn hand uit, om zijn sjamberloek te grijpen, waar die gewoonlijk hing. Toen pas herinnerde hij zich, dat en waarom hij in zijn studeerkamer was; de glimlach verdween van zijn lippen en hij fronste zijn wenkbrauwen. „Och, och, och!" zuchtte hij, toen hij zich herinnerde, wat er gebeurd was. En in zijn geest zag hij de twist met zijn vrouw tot in de kleinste finesses en de hopeloze toestand, waarin hij zich door zijn eigen schuld bevond.”

 

 2176076-fa457dec4827aa7fb00143d1c8853b4f.jpg
Leo Tolstoj (9 september 1828 – 20 november 1910)
Cover DVD

 

 

De Vlaamse dichter en componist Gentil Theodoor Antheunis werd geboren te Oudenaarde op 9 september 1840. Zie ook alle tags voor Gentil Th. Antheunis op dit blog.

 

De Koffie (Fragment)

In 't Oosterland zijt gij geboren,
In 't zonnig, 't weeldrig Oosterland,
O koffie, kostelijke pand,
O koffie uitverkoren.

Opgelet!
Wij hebben hem zelf op het vuur gezet,
En eerst de bonen uitgekozen:

En langzaam en langzaam de trommel gedraaid,
De nijdige, blakende vlamme gepaaid
Bij pozen.
Daar rolt hij nu glanzend en bruin uit zijn kluis,
En rokend
En smokend
Vervult hij met bals'mende geuren het huis.

Tokkelend,
Pakkend,
Brokkelend,
Knakkend
Draait de molen, spuwt en spat;
't Boontje keert zich,
't Boontje weert zich,
Onder 't rad;
't Boontje voelt zich,
't Boontje woelt zich
Moe en mat;

Maar het wordt er, klein of grof,
Dra tot gruis en stof.

Luister!
'k Hoor daar buiten zingen.
Zacht geheimvol is de stem;
Zij heeft kracht noch klem,
En nochtans ik voel ze dringen
Door mijn oor in 't herte mijn,
Als de zang van 't vogelijn
In de lente....

 

 2176076-0b8ada6820e84de225a616935568dac9.jpg
Gentil Th. Antheunis (9 september 1840 – 5 augustus 1907)
Coffee Shop door Jonelle Summerfield, 2013

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 11:02 Reageer op dit bericht

Gaston Durnez, Meyer Sluyser, Edward Upward, Hana Androníková, Bas Jongenelen

De Vlaamse schrijver, dichter en journalist Gaston Cyriel Durnez werd geboren in Wervik op 9 september 1928. Zie ook alle tags voor Gaston Durnez op dit blog.

 

Mijn overgrootva

Mijn overgrootva is lang dood.
Hij was precies één kop te groot.
Men kon hem over 't hoofd niet zien
en bracht hem naar de giljotien.
O vrienden lief, o vrienden mijn,
wat kan de mens toch kleintjes zijn!

Mijn overgrootva werd onthoofd
nog voordat hij zich had verloofd.
En vóór zijn dood en ook nadien
heeft hij zijn bruidje nooit gezien.
O vrienden lief, o vrienden mijn,
wat kan de mens kortzichtig zijn!

Zo heeft hij nooit een zoon gehad
die op zijn beurt geen zoon bezat
die ik thans vader noemen kan.
Ik ben dan ook een self-made man.
O vrienden lief, o vrienden mijn,
wil één van U mijn vader zijn?

Ik ben een man van eigen bloed
die gans alleen door 't leven moet
en hoofdpijn heeft en die daarvan
geen enkle nacht meer slapen kan.
O vrienden lief, o vrienden mijn,
ik wou een kopje kleiner zijn!

 

 2176073-f3f8413b39bd5b3f8ece718da22e4cc3.jpg
Gaston Durnez (Wervik, 9 september 1928)

 

 

De Nederlandse schrijver, journalist en radiocommentator Meyer Sluyser (officiële naam luidt: Meijer Sluijser) werd geboren in Amsterdam, 9 september 1901. Zie ook alle tags voor Meyer Sluyser op dit blog.

Uit: Voordat ik het vergeet

“Wat vertelt U me daar, heeft U nog nooit van Kerpel gehoord? U moest zich schamen. Dat wil over opera's meespreken en heeft nog nooit van Kerpel gehoord.'
Zegt de ander:
'Als U het mij vraagt, doet zijn stem me even aan Isal-berti denken.'
'Isalberti? Isalberti? Hoe komt U daarbij? Valt me waar-achtig-als-God nog mee, dat U niet zegt, dat zijn stem op Else Grassau lijkt. Die stem... er is maar één stem, waar die jongen me aan doet denken. Weet U het niet? Nou raad U eens, U weet het niet, nou goed, dan zal ik het U even zeggen. Aan Sjaak Urlus, jawel, aan niemand anders dan aan Sjakie Urlus.'
'Nou U dat zegt, U hebt gelijk, Sjaak Urlus. Niemand anders. Als twee druppels water Sjaak Urlus, maar een beetje Orelio zit er ook wel in.'
De vrijwillige aria's op het schellinkje worden nooit aangekondigd. Ze borrelen uit een van muzikaliteit overvloeiend gemoed. De spontane zanger is de stem van het publiek waarvan hij een deel is. Wie het verschil niet voelt tussen Verdi en Bizet, mist een van zijn zintuigen. Zij kennen alle melodieën uit het hoofd. Soms is de tekst gecompliceerd. Maar dan helpen ze zichzelf uit de nood. Als het officiële libretto eist, dat er gezongen wordt:
'Daar komen zij, de landelijke schó-ó-ó-ó-nen...'
...dan zingen zij gemakshalve:
'Daar komen zij de schandelijke ló-ó-ó-ó-nen.'
De zeer populaire aria's veranderen de galerij in een geseculariseerde synagoge. De vrijwillige zanger is de cantor; de gemeente zingt de recitatieven van de proloog van Paljas.
Cantor: 'Ja״• wij zijn mensen ook...'
Gemeente: 'Van vlees en van benen...'
Of het te danken is aan de afkomst van de componist, of aan de bijzondere zangerigheid van de melodie, of misschien wel alleen aan de inhoud, maar geen fragment is voor samenzang zo gewild als de aanhef van de 'Hugenoten' van Meyerbeer.”

 

 2176073-fab660db7e48a34f23b470d139db54a9.jpg
Meyer Sluyser (9 september 1901 – 26 januari 1973)

 

 

De Engelse schrijver Edward Falaise Upward werd geboren in Romford op 9 september 1903. Zie ook alle tags voor Edward Upward op dit blog.

Uit: The Railway Accident and Other Stories

`Thanks no, really.' But Gunball had already signalled with a slow regardless movement of his forefinger to the girl wheeling a dumb-waiter on rubber tyres quietly through the tin wailing of milk-cans and the drawl of trolleys. I leant on the wood of the lowered carriage window, observing with the sharpened pleasure of an anticipated farewell the metropolitan morning striking down through risen straw specks, dust of horse dung, beneath the glass arch of the Terminus roof. A horse-drawn mail-van flickered red at the interstices of the platform barrier, there was frost in the air and I had, not intellectually but sensationally, a conviction of warmth which remembrance of the falsely tender coaching lithographs in Gunball's sitting-room would not have destroyed, since they would have been irrelevant to what seemed an impression quite unassociated with the past. Beyond the barrier a soldier in khaki carrying full marching kit was watching one of the horses. Another soldier had passed the ticket collector and had begun to walk up the platform. More were coming. `What's the idea, I wonder?' `Idea or no, the whole pack of them are getting on your train,' said Gunball. He carried two cups of coffee. I took both while he fetched out a flask from one of his angler's pockets and poured more than a little brandy into my cup. `You'll need it. There's a nip in the air this morning. Spring-cleaning the gravestones. Well, I wish I were you. Give them all my love and tell them how sorry I am to miss the Treasure Hunt. My word, you'd not know we were in sight of the first of May.' Nevertheless he wore no overcoat, seemed warm, and I recognized in his remark that advertisement, blatant or discreet, of the power of the weather which is necessary to most sportsmen who have left the country even for a few hours. Through the roof panes the sun froze whey-white on steam columns from the waiting engines. Other insignia of the bogus, curt and modern cathedral ceremony which in my daydream, induced partly by the cold, I had begun to arrange were the reverberating stammer of slipping driving-wheels on suburban trains and the fussing haste of porters loading the guard's van with wooden crates. Outside the station the air would be warm and I should remember clock-golf in the rectory garden, or there would be heavy snow recalling the voluntarily ascetic life I had often planned: there would be crocuses or vultures, it would not be the same as it was here. Immediately the train started everything would be changed.
`Just like the rector to have forgotten where he'd hidden the thing.' `And then to have lost the plans.' `Isn't it?' He guffawed without spite. 'All the same, beggared if I'd travel up there myself on a day like this solely in order to remind him. Besides, we could have done that by wire.' He smiled, ostentatiously shrewd. `Who's the skirt?'

 2176073-4794f8cb0a0cf491a1e284c13f5f8005.jpg
Edward Upward (9 september 1903 – 13 februari 2009)

 

 

De Tsjechische schrijfster Hana Androníková werd geboren op 9 september 1967 in Zlín. Zie ook alle tags voor Hana Androníková op dit blog.

Uit: Herz an der Angel (Vertaald door Rolf Simmen)

„Mit achtzehn schaffte ich mit Ach und Krach das Abitur und zog von zuhause fort. Mutter wäre beinahe durchgedreht. Seit jeher strotzte sie nur so von Organisationstalent, sie hatte bloß nicht oft Gelegenheit, es umzusetzen. So entlud sie sich an mir und dem Stiefvater. Sie hatte sich viel in den Kopf gesetzt. Für mich war alles vorgezeichnet, von der Wiege bis zum letzten Atemzug. Als ich von daheim abgehauen war, schrumpfte ihr Wirkungsfeld um die Hälfte, was für sie ein Schlag aufs Sonnengeflecht war. Ich packte meine Sachen mit dem freudigen Gefühl, ihr damit weh zu tun. Als sie anfing zu heulen, ging ich ostentativ mit meinen beiden Koffern an ihr vorbei. Die Hausschlüssel legte ich auf die Glasplatte des Tisches. Es klirrte wie zum Abschied. „So, das wär’s gewesen hier“, sagte ich. Und so war’s das gewesen. Türenknallen als Wendepunkt im Leben.
Ich zog zu einer Freundin in ihre Einzimmerwohnung und überlegte, wie weiter mit dem angebissenen Leben. Ich hatte keine Lust zu arbeiten, aber ich hatte auch keine Lust, vor Hunger zu krepieren oder auf den Strich zu gehen – das wollte ich am allerwenigsten. Solche Dinge widerten mich an. Ich war Ästhetin. Von zartem Alter an hatte ich ein ausgeprägtes künstlerisches Empfinden. Design, Interieurentwürfe, modische Exzentritäten. Das war die Welt, die mich anzog.
Die Freundin vermittelte mir Arbeit in einem Kostümverleih. Ich nahm meinen verkümmerten Mut zusammen und ging da hin. Erstaunlicherweise stellten sie mich ein. Von weitem sah es nach Vergnügen aus, aber in Wirklichkeit nähte ich meistens Knöpfe und abgerissene Kragen an. Und Geld gab’s dafür keins. Es reichte gerade für die Miete, etwas Essen und Zigaretten.
Der Verleih sah trostlos aus. Ein Warenlager. Ein unterirdischer Raum voller Staub und Chemie, mit der die Kostüme gereinigt wurden. Eingefressener Schmutz und ein sonderbarer Geruch. Düstere Reihen alter Kleider in einem Lagerraum ohne frische Luft, hier und da eine giftige Glühbirne.
Ab und zu hatte ich auch nachts Dienst, vor allem während der Ballsaison. Das war gar nichts Angenehmes. Der Hauch der muffigen Stoffe und die Einsamkeit umfingen mich. Wie in einem Verlies. Die einzige Begleitung, einzige Streicheleinheit und Ansporn war die Musik.“

 

 2176073-80a2f40b036b645e3556d1ace628ec90.jpg
Hana Androníková (Zlín, 9 september 1967)

 

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter Bas Jongenelen werd in 1968 geboren in Roosendaal. Zie ook alle tags voor Bas Jongenelen op dit blog.

 

Herinnering aan Holland

De Nederlandse dorpen lijken soms een grap:
bijvoorbeeld Zwarte Haan of Zwarte Ruiter, Buil,
of Raar, of Vuilendam, of Vuile Riete, Vuil-
pan, Monster, Belgenhoek, Lakei of Scheveklap.
Je komt in Nederland soms rare namen tegen,
o land van mest en mist, van vuile koude regen
.
O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen,
o Bartje, Ketelbinkie, Sjaalman, Frits van Egters,
o brug bij Bommel, oude rietenmattenvlechters,
o spruitjes. Nederland, jij bent mijn kampioen en
des avonds komt een ieder immer ongelegen,
o land van mest en mist, van vuile koude regen.

Het is hier waarlijk alle dagen altijd zo’n
geweldig toffe boel, vol met gezelligheid,
een land van koeien, varkens, Brahman zonder meid,
van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoôn.
Mijn lege hart, verloren zijn de prille wegen,
o land van mest en mist, van vuile koude regen.

Prins Bernhard hield van Neerlands trots: van frikandellen,
en ook de Candy liet hem flink zijn hart versnellen,
al wordt dit door de RVD geheel verzwegen,
o land van mest en mist, van vuile koude regen.

 

 2176073-093ebc5c79b41d4313244501fad368af.jpg
Bas Jongenelen (Roosendaal, 1968)



Geschreven door Romenu om 11:00 Reageer op dit bericht

Effeta (Wiel Kusters)

 

Bij de 23e zondag door het jaar

 

 

2176066-c6977b5d8a92e1aef2987e392e03b307.jpg
Christus geneest een doofstomme man door Domenico Maggiotto, 18e eeuw

 

 

Effeta

Ik lees in je brieven dat de dag begint,
en als ik opkijk denk ik dat ik leef.
Terwijl het licht zich door de kieren wringt,
komen de woorden die je schreef op dreef.

De nacht is stil en stom voorbijgegaan.
Ik zag dat iedere letter van jou zweeg,
in wat daar stond kon ik je niet verstaan.
Ik sprak wat in mijzelf, de oren leeg.

Nu is het buiten dag. Als daar bij jou.
Je letters drijven zich als duivels uit,
elk ding roept zacht een ander bij zijn naam.

De blinden open nu, ik hou, het raam.
Wat telt is enkel nog jouw stemgeluid,
de rest is licht en wit, van jou.

 

 

 2176066-f9366b856bcac7b5bc1a3c4e059c7d23.jpg
Wiel Kusters (Spekholzerheide, 1 juni 1947)
De Sint Martinuskerk in Spekholzerheide

 

 

 

Zie vooor de schrijvers van de 9e september ook mijn twee volgende blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 10:59 Reageer op dit bericht

Elly de Waard, Siegfried Sassoon, Anthonie Donker, Clemens Brentano, Wilhelm Raabe, Eduard Mörike

De Nederlandse dichteres, vertaalster, recensente en popcritica Elly de Waard werd geboren in Bergen (NH) op 8 september 1940. Zie ook alle tags voor Elly de Waard op dit blog.

 

De zomerstoelen waarin wij nog kortgeleden zaten

De zomerstoelen waarin wij nog kortgeleden zaten
staan zo geschikt alsof ze bij het opstaan
weggeschoven door ons zijn verlaten.
Het riet kraakte, niet meer van ons, maar van
de najaarsregens en de zittingen vergaarden
om zich toe te dekken blad dat
daar zelf in een vluchtpoging belandde.
Weerloze hoek is het, die geen beschutting
aan zichzelf kan bieden en,
niet voor de overwintering gemaakt,
ook geen verlichting geven zal aan anderen,
noch aan degene die hem plaatste.

O pijnlijk is het, onverdraaglijk,
het weinig zichtbare verschil dat soms bestaat
tussen de dierbaarste momenten en de desolaatste.

 

 

Potret 3

Wijdbeens. Rokend. Een lach
en een pot sterke koffie altijd
in de warme aanslag -

Hoogblond opgetoupeerd en leergejast
De struise vormen in
een glanzend trainingspak -

Zelden alleen. Want steeds
luidkeelse kinderen, kaartvolk of
vriendinnen om zich heen -

Wie staat hier opgesierd en
uitgedost en neergepoot, kortom?
het Hollands vrouwendom.

 

 

Ik sloot mijn ogen en was in

Ik sloot mijn ogen en was in
een donker bos, zodat ik ze
weer kon openen; de rechte
stammen stonden ordelijk en

los, het loof was zwaar en hing tot
op gelijke hoogte, de kruinen
grepen op gesloten wijze
in elkaar en het was er vochtig

en verademend; een ruimte
waar ik mijn ziel bevrijden kon
uit het on-eigene en wat haar
inspon en verstikte en waar

ik ook zelf mijn ik te eigenen
leggen kon, in aarde zijn en
zich vertakkend loof en ondoor-
dringbaar zijn in eigenwaarde.

 

 2175895-93606ff0874dda41338e73fd05bffdad.jpg
Elly de Waard (Bergen, 8 september 1940)

 

 

De Engelse dichter Siegfried Sassoon werd geboren op 8 september 1886 in Brenchley, Kent. Zie ook alle tags voor Siegfried Sassoon op dit blog.

 

Counter-Attack

WE’D gained our first objective hours before
While dawn broke like a face with blinking eyes,
Pallid, unshaved and thirsty, blind with smoke.
Things seemed all right at first. We held their line,
With bombers posted, Lewis guns well placed,
And clink of shovels deepening the shallow trench.
The place was rotten with dead; green clumsy legs
High-booted, sprawled and grovelled along the saps
And trunks, face downward, in the sucking mud,
Wallowed like trodden sand-bags loosely filled;
And naked sodden buttocks, mats of hair,
Bulged, clotted heads slept in the plastering slime.
And then the rain began,—the jolly old rain!

A yawning soldier knelt against the bank,
Staring across the morning blear with fog;
He wondered when the Allemands would get busy;
And then, of course, they started with five-nines
Traversing, sure as fate, and never a dud.
Mute in the clamour of shells he watched them burst
Spouting dark earth and wire with gusts from hell,
While posturing giants dissolved in drifts of smoke.
He crouched and flinched, dizzy with galloping fear,
Sick for escape,—loathing the strangled horror
And butchered, frantic gestures of the dead.

An officer came blundering down the trench:
‘Stand-to and man the fire-step!’ On he went...
Gasping and bawling, ‘Fire-step ... counter-attack!’
Then the haze lifted. Bombing on the right
Down the old sap: machine-guns on the left;
And stumbling figures looming out in front.
‘O Christ, they’re coming at us!’ Bullets spat,
And he remembered his rifle ... rapid fire...
And started blazing wildly ... then a bang
Crumpled and spun him sideways, knocked him out
To grunt and wriggle: none heeded him; he choked
And fought the flapping veils of smothering gloom,
Lost in a blurred confusion of yells and groans...
Down, and down, and down, he sank and drowned,
Bleeding to death. The counter-attack had failed.

 

 

The Rear-Guard

(HINDENBURG LINE, APRIL 1917)

GROPING along the tunnel, step by step,
He winked his prying torch with patching glare
From side to side, and sniffed the unwholesome air.

Tins, boxes, bottles, shapes too vague to know;
A mirror smashed, the mattress from a bed;
And he, exploring fifty feet below
The rosy gloom of battle overhead.

Tripping, he grabbed the wall; saw some one lie
Humped at his feet, half-hidden by a rug,
And stooped to give the sleeper’s arm a tug.
‘I’m looking for headquarters.’ No reply.
‘God blast your neck!’ (For days he’d had no sleep,)
‘Get up and guide me through this stinking place.’

Savage, he kicked a soft, unanswering heap,
And flashed his beam across the livid face
Terribly glaring up, whose eyes yet wore
Agony dying hard ten days before;
And fists of fingers clutched a blackening wound.

Alone he staggered on until he found
Dawn’s ghost that filtered down a shafted stair
To the dazed, muttering creatures underground
Who hear the boom of shells in muffled sound.
At last, with sweat of horror in his hair,
He climbed through darkness to the twilight air,
Unloading hell behind him step by step.

 

 2175895-ebfc54dfbf9af0003b311fe50006aa67.jpg
Siegfried Sassoon (8 september 1886 – 1 september 1967)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter, letterkundige, schrijver, essayist en literair vertaler Anthonie Donker (Nicolaas Anthonie Donkersloot ) werd geboren in Rotterdam op 8 september 1902. Zie ook alle tags voor Anthonie Donker op dit blog.

 

Het zieke meisje

Zij sloot haar ogen voor de wrede zon en
Ontvoer volkomen de aanwezigheid
Der anderen. Zij heeft zich diep bezonnen,
Zij was alleen geweest ten allen tijd.

Achter haar warme oogleden begonnen
De fluisteringen van de eeuwigheid.
Waarom was zij niet eerder overwonnen
En van haar liefde en haar smart bevrijd?

- Toen zij haar ogen eind'lijk opende
Waren er stemmen en zij zocht bevreesd
De zachte streling van een teed're hand.

Zij glimlachte, maar sprak niet van het land
Waarin zij diep verloren was geweest,
Want zij bevond zich weder hopende.

 

 

De violist

Langzaam speelt de grijze muzikant
Bij mijn raam, in den egalen regen
Met zijn smalle, aderblauwe hand
Al het leed, dat wij vandaag verzwegen.

Alle droomen werden spiegelbeeld
Op den bodem van een troebel glas.
Roem en rijkdom zijn door hem verspeeld
Van een adellijk, lichtzinnig ras.

En hij speelt in den egalen regen
Zijn onzuiv're en navrante wijs,
Al het leed, dat wij vandaag verzwegen:

Ongehavend wordt geen sterveling grijs.
Hart en snaren springen in den regen
Aan het eind van een verloren reis.

 

 2175895-2b26feb25d50357fb10e767c915b941c.jpg
Anthonie Donker (8 september 1902 – 26 december 1965)
A. Roland Holst, Ed. Hoornik en Anthonie Donker.

 

 

De Duitse dichter en schrijver Clemens Brentano werd geboren op 8 september 1778 in Ehrenbreitstein. Zie ook alle tags voor Clemens Brentano op dit blog.

 

Am Rheine schweb ich her und hin...

Am Rheine schweb ich her und hin
Und such den Frühling auf
So schwer mein Herz, so leicht mein Sinn
Wer wiegt sie beide auf.

Die Berge drängen sich heran,
Und lauschen meinem Sang,
Sirenen schwimmen um den Kahn,
Mir folget Echoklang.

O halle nicht, du Widerhall,
O Berge kehrt zurück,
Gefangen liegt so eng und bang
Im Herzen Liebesglück.

Sirenen tauchet in die Flut,
Mich fängt nicht Lust nicht Spiel,
Aus Wasserskühle trink ich Glut,
Und ringe froh zum Ziel.

O wähnend Lieben, Liebes Wahn,
Allmächtiger Magnet,
Verstoße nicht des Sängers Kahn,
Der stets nach Süden geht.

O Liebes Ziel so nah so fern,
Ich hole dich noch ein,
Die Frommen führt der Morgenstern,
Ja all zum Krippelein.

Geweihtes Kind erlöse mich,
Gib meine Freude los,
Süß Blümlein ich erkenne dich,
Du blühest mir mein Los,

In Frühlingsauen sah mein Traum
Dich Glockenblümlein stehn,
Vom blauen Kelch zum goldnen Saum,
Hab ich zu viel gesehn,

Du blauer Liebeskelch in dich
Sank all mein Frühling hin,
Vergifte mich, umdüfte mich,
Weil ich dein eigen bin.

Und schließest du den Kelch mir zu
Wie Blumen abends tun,
So lasse mich die letzte Ruh
Zu deinen Füßen ruhn.

 

 

In dem Lichte wohnt das Hell...

In dem Lichte wohnt das Hell,
Doch der Pfad ist uns verloren
Oder unerklimmbar steil,
Wenn wir außer uns ihn steigen
Werden wir am Abgrund schwindeln
Aber in uns selbst, da zeigen
Klar und rein die Pfade sich
Glauben, Hoffen, Lieben, Schweigen,
Laß uns diese Pfade steigen,
Daß wir nicht am Abgrund schwindeln.
Wollte Gott herab sich neigen
Und uns seine Hände reichen,
Sieh den Gottessohn in Windeln!

 

 2175895-ef635db7b63dde29fb2b50c89106bb4d.jpg
Clemens Brentano (8 september 1778 – 28 juli 1842)
Monument voor de « Rheinromantiker” Victor Hugo, Clemens Brentano en Heinrich Heine in Bacharach

 

 

De Duitse schrijver Wilhelm Raabe werd op 8 september 1831 in Eschershausen geboren. Zie ook alle tags voor Wilhelm Raabe op dit blog.

Uit: Der Hungerpastor

»O Frau Gevatterin – Gevatterin Tiebus, es ist doch wirklich, wirklich einer? Sagt's noch einmal, daß Ihr Euch nicht irrt – daß dem wirklich, wirklich so ist!«
Die Wehemutter, welche bis jetzt mit selbstbewußtem, lächelndem Kopfnicken der ersten zärtlichen Begrüßung zwischen Vater und Sohn zugesehen hatte, hob nun ebenfalls ihre Nase sehr ruckartig, verscheuchte mit einer unnachahmlichen Bewegung beider Arme alle Geister und Geisterchen des Wohlwollens und der Zufriedenheit, von welchen sie bis jetzt umflattert wurde, stemmte die Fäuste in die Seite, und mit Hohn, Verachtung und beleidigtem Selbstgefühl sprach sie:
»Meister Unwirrsch, Ihr seid ein Narr! Laßt Euch an die Wand malen! . . . Ob es einer ist? – Hat die Welt je so was gehört von solchem alten, verständigen Menschen und Hausvater? . . . Ob es einer ist!? Meister Unwirrsch, ich glaube, nächstens verlernt Ihr noch, einen Stiefel von einem Schuh zu unterscheiden. Da sieht man's recht, was für ein Leiden es ist, wenn die Gottesgabe so spät kommt. Ist das kein Junge, den Ihr da haltet? Ist das wirklich kein Junge, kein richtiger, echter Junge? Jesus, wenn die alte Kreatur nicht das arme Geschöpf in den Armen hielte, so möchte ich ihr schon eine Tachtel um solch 'ne nichtsnutzige, fürwitzige Frage stechen! Kein Junge!? Wohl ist es ein Junge, Gevatter Pechdraht – zwar keiner von die schwersten, aber doch 'n Junge wie was! Und wieso, ist's kein Junge? Ist nicht der Buohnohpartch, der Nahpohlion wieder unterwegens übers Wasser, und gibt's nicht Krieg und Katzbalgerei zwischen heut und morgen, und braucht man etwan keine Jungen, und werden nicht etwan in jetziger gesegneter und geschlagener Zeit mehr Jungen als Mädchen drum in die Welt gesetzt, und kommen nicht auf ein Mädchen drei Jungen, und kommt Ihr mir so, Gevatter, und wollt einer gewickelten und gewiegten Perschon nichtswürdige Fragen stellen? Laßt Euch an die Wand malen, Gevatter Unwirrsch, und drunter schreiben, wofür ich Euch halte. Gebt her den Jungen, Ihr seid gar nicht wert, daß er sich mit Euch abgibt – marsch, fort mit Euch zu Eurer Frau – am Ende fragt Ihr die auch noch, ob's – ein – Junge – ist!«
Unsanft wurde das Wickelkind aus den Armen des verachteten, niedergeschmetterten Vaters gerissen, und nach abermaligem Atemholen humpelte der Meister Anton Unwirrsch in die Kammer zu seiner Frau, und die Glocken des Feierabends läuteten immer noch; wir aber wollen weder die beiden Ehegatten noch die Glocken stören – sie sollen ihre Gefühle ausklingen lassen, und niemand soll dreinreden und -schreien dürfen. –
Arme Leute und reiche Leute leben auf verschiedene Art in dieser Welt; aber wenn die Sonne des Glücks in ihre Hütten, Häuser oder Paläste scheint, so vergoldet sie mit ganz dem nämlichen Schein die hölzerne Bank wie den Samtsessel, die getünchte Wand wie die vergoldete, und mehr als ein philosophischer Schlaukopf will bemerkt haben, daß, was Freude und Leid betrifft, der Unterschied zwischen reichen und armen Leuten gar so groß nicht sei, wie man auf beiden Seiten oft, sehr oft, ungemein oft denkt.“

 

 2175895-1a3f3dde2a408e3db2686afac4024d13.jpg
Wilhelm Raabe (8 september 1831 – 15 november 1910)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Eduard Mörike werd geboren op 8 september 1804 in Ludwigsberg. Zie ook alle tags voor Eduard Mörike op dit blog.

Uit: Mozart auf der Reise nach Prag

„Im Herbst des Jahrs 1787 unternahm Mozart in Begleitung seiner Frau eine Reise nach Prag, um Don Juan daselbst zur Aufführung zu bringen.
Am dritten Reisetag, den vierzehnten September, gegen eilf Uhr Morgens, fuhr das wohlgelaunte Ehepaar noch nicht viel über dreißig Stunden Wegs von Wien entfernt, in nordwestlicher Richtung, jenseits vom Mannhardsberg und der deutschen Thaya, bei Schrems, wo man das schöne Mährische Gebirg bald vollends überstiegen hat.
„Das mit drei Postpferden bespannte Fuhrwerk,“ schreibt die Baronesse von T. an ihre Freundin, „eine stattliche, gelbrothe Kutsche, war Eigenthum einer gewissen alten Frau Generalin Volkstett, die sich auf ihren Umgang mit dem Mozartischen Hause und ihre ihm erwiesenen Gefälligkeiten von jeher scheint etwas zu gut gethan zu haben.“ – Die ungenaue Beschreibung des fraglichen Gefährts wird sich ein Kenner des Geschmacks der achtziger Jahre noch etwa durch einige Züge ergänzen. Der gelbrothe Wagen ist hüben und drüben am Schlage mit Blumenboukets, in ihren natürlichen Farben gemalt, die Ränder mit schmalen Goldleisten verziert, der Anstrich aber noch keineswegs von jenem spiegelglatten Lack der heutigen Wiener Werkstätten glänzend, der Kasten auch nicht völlig ausgebaucht, obwohl nach unten zu kokett mit einer kühnen Schweifung eingezogen; dazu kommt ein hohes Gedeck mit starrenden Ledervorhängen, die gegenwärtig zurückgestreift sind.
Von dem Costüm der beiden Passagiere sei überdieß so viel bemerkt. Mit Schonung für die neuen, im Koffer eingepackten Staatsgewänder war der Anzug des Gemahls bescheidentlich von Frau Constanzen ausgewählt; zu der gestickten Weste von etwas verschossenem Blau sein gewohnter brauner Ueberrock mit einer Reihe großer und dergestalt façonnirter Knöpfe, daß eine Lage röthliches Rauschgold durch ihr sternartiges Gewebe schimmerte, schwarzseidene Beinkleider, Strümpfe und auf den Schuhen vergoldete Schnallen. Seit einer halben Stunde hat er wegen der für diesen Monat außerordentlichen Hitze sich des Rocks entledigt und sitzt vergnüglich plaudernd, baarhaupt, in Hemdärmeln da. Madame Mozart trägt ein bequemes Reisehabit, hellgrün und weiß gestreift; halb aufgebunden fällt der Ueberfluß ihrer schönen, lichtbraunen Locken auf Schulter und Nacken herunter; sie waren Zeit ihres Lebens noch niemals von Puder entstellt, während der starke, in einen Zopf gefaßte Haarwuchs ihres Gemahls für heute nur nachlässiger als gewöhnlich damit versehen ist.
Man war eine sanft ansteigende Höhe zwischen fruchtbaren Feldern, welche hie und da die ausgedehnte Waldung unterbrachen, gemachsam hinauf und jetzt am Waldsaum angekommen.
„Durch wie viel Wälder,“ sagte Mozart, „sind wir nicht heute, gestern und ehegestern schon passirt! – Ich dachte nichts dabei, geschweige daß mir eingefallen wäre, den Fuß hinein zu setzen. Wir steigen einmal aus da, Herzenskind, und holen von den blauen Glocken, die dort so hübsch im Schatten stehen. Deine Thiere, Schwager, mögen ein bischen verschnaufen.“

 

 2175895-62752277424786589981aa8111a12841.jpg
Eduard Mörike (8 september 1804 – 4 juni 1875)
Cover luisterboek

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 14:18 Reageer op dit bericht

Perikles Monioudis, Franz Hellens, Joaquin Miller, Frederic Mistral, Grace Metalious, Ludovico Ariosto

De Zwitserse schrijver Perikles Monioudis werd geboren op 8 september 1966 in Glarus. Zie ook alle tags voor Peikles Monoudis op dit blog.

Uit: Frederick

„Ganz hinten bei den Klappstühlen haue man ihn sitzen heißen, und da saß der kleine Junge auch, er starrte nach vorn auf die Bühne. Frederick tat so, als würde ihn das alles kalt lassen, die freudige Erwartung des Publikums vor jeder Num-mer,die Ovationen für die halbnackten Damen, die halbnack-ten Damen selbst, die Verhöhnung des iheren Tanzpaars, die schlüpfrigen Einlassungen des Direktors, der, ganz Impresa-rio, es sich nicht nehmen ließ, die Nummern selbst anzusagen, um immer gleich von sich zu sprechen. Die Leute im düsteren Saal tobten ob seiner vulgären Gesten — Frederick nicht, er verzog keine Miene. Er wollte damit nicht etwa erwachsen er-scheinen. es nahm ohnehin kein Mensch Notiz von dem klei-nen Jungen im ausgebeulten Tweedanzug. Es ging Frederick einzig um seine zweieinhalb Jahre ältere Schwester Adele, die sich neben ihm auf dem Klappstuhl vor Lachen kaum mehr halten konnte. Sie weinte Tränen der Verzückung. So wie seine Schwester mochte er sich unter keinen Um-ständen geben, nicht einmal hier und jetzt, bei seinem not-gedrungen ersten Vaudeville-Besuch. Sein kindlicher Instinkt. ein aufkeimender Stolz ließen ihn Abstand nehmen von dem Geschehen, den feixenden Junggesellen in der ersten Reihe, den älteren Damen an den ihnen vorbehaltenen, mit Telefo-nen versehenen Tischchen. Frederick konnte das Klingeln im Lärm des Saals zwar nicht hören, ihm blieb aber nicht verborgen, daß die mit rotem Damast bezogenen Apparate ununterbrochen Anrufe empfingen; manche verfügten über ein gelbes Lämpchen, das bei Anruf aufflackerte. Die älteren Damen schauten sich, den Hörer ans Ohr gedrückt, im Saal um. Frederick folgte ihren Blicken; die Anrufer schwenkten, den Hörer am Ohr, ihr Taschentuch, kurz, aus dem Handgelenk. Die Damen wink-ten zurück oder legten auf oder taten beides auf einmal, ganz verstand er die Sache nicht. Peinlich war Frederick nur, daß Adele sich neben ihm vor Lachen krümmte; es brachte ihn auf, denn er fühlte sich ver-raten. In ihrer kindlichen Ausgelassenheit unterschied sie sich von den anderen Besuchern nicht im geringsten. Gerade deswegen wollte er sie zurechtweisen — wenngleich er wußte, daß sie sich nichts bieten ließ, schon gar nicht von ihrem jüngere, Bruder. Frederick gab sich weiter unbeteiligt, ließ sich nichts von seiner wachsenden Abscheu anmerken, auch dann nicht, als er über das Gesicht seiner Mutter, die neben Adele saß und ihren Hut auch jetzt nicht abnehmen wollte, ein Lächeln huschen sah.“

 

 2175892-62ff6b0afa6868240652926bb39fc5bd.jpg
Perikles Monioudis (Glarus, 8 september 1966)

 

 

De Frans-Belgische schrijver Franz Hellens (pseudoniem van Frédérique van Ermenghem) werd op 8 September 1881 uit Vlaamsche ouders in Brussel geboren. Zie ook alle tags voor Franz Hellens op dit blog.

Uit: Mijn Hollanders

“De Hollandse schrijvers en vrienden die ik nu schriftelijk wil herdenken heb ik niet in Holland, niet in hun natuurlijke omgeving, ontmoet. De herinnering echter die ik van hun aanwezigheid en aan hun omgang heb bewaard werden nimmer uitgewist. Mijn ontmoetingen met hen vielen bovendien samen met de meest bewogen en vruchtbaarste periode van mijn leven als mens en als schrijver. Doch hoe levendig het beeld dat ik bewaar van een Jan Greshoff, een Eddy du Perron, een Slauerhoff en van die goede vriend en uitgever A.A.M. Stols ook moge zijn, het kan slechts versterkt worden en zich levendiger handhaven op het strak gespannen koord van de herinnering, wanneer ik het voor mijn genoegen teken met de pen op een witte bladzijde, bladzijde die voor hen besproken schijnt te zijn tot nu, na meer dan vijftien jaar van zwijgen en stilte. Ik kwijt mij dus met welbehagen niet van deze taak, maar van deze soort van wederopwekking die een der zonnen van mijn vergevorderde leeftijd is gebleven.
Ik kan wel zeggen dat ik door tussenkomst van Jan Greshoff in aanraking ben gekomen met de schrijvers en vrienden die ik zo even noemde. Het feit alleen hun namen op deze bladzijde neer te schrijven brengt hen mij als bij toverslag voor ogen. Zij zijn hier bij mij teruggekeerd in een verdubbelde aanwezigheid, niet weerkaatst in de vele facetten van de spiegel der herinnering, maar in de éne verhelderende spiegel van de vriendschap. Maar waarom dat woord ‘spiegel’ gebruiken wanneer de werkelijkheid zich bij mij aanmeldt in haar meest onmiddellijke vorm? Ik zie hen weer terug, ik praat met hen, ik stel hun vragen. Zij geven mij antwoord. Ik zal dus niet zozeer over hun werk spreken, als wel over hun persoonlijkheid.
Na het noodlottige jaar 1940 heb ik alleen Greshoff en Stols teruggezien; de anderen zijn gestorven. Maar de doden hebben op de levenden voor dat zij omgeven worden door een soort van dubbele glorie: die van hun aards voorbijgaan onder het licht der werkelijkheid en die van hun onsterfelijk bestaan, mogelijk gemaakt door de volledige samensmelting van het wezen met de oneindigheid.
Dit wil geenszins zeggen dat Greshoff uit Kaapstad teruggekeerd naar zijn land van herkomst en Stols die uit het noorden was vertrokken naar de overkant van de Atlantische Oceaan onder de keerkringen, mij niet beiden, najaar '55, verschenen zijn gelijk aan zichzelf en onder de gunstigste belichting! Kaapstad is ver van Parijs waar ik Greshoff heb weergezien voor hij weer naar Amerika vertrok. Dit alles leek mij zó ver dat ik het gevoel had dat een brief aan zijn adres een reis om de wereld moest maken op gevaar van onderweg verloren te raken. Daardoor zijn er talloze onderbrekingen in onze briefwisseling geweest.”

 

 2175892-87afcdf0a23347f0d4ec019ebc754e01.jpg
Franz Hellens (8 september 1881 – 20 januari 1972) 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Joaquin Miller werd geboren op 8 september 1839 in Liberty, Indiana. Zie ook alle tags voor Joaquin Miller op dit blog.

 

In Southern California

Where the cocoa and cactus are neighbors,
Where the fig and the fir tree are one;
Where the brave corn is lifting bent sabres
And flashing them far in the sun;

Where maidens blush red in their tresses
Of night, and retreat to advance,
And the dark, sweeping eyelash expresses
Deep passion, half hush'd in a trance;

Where the fig is in leaf, where the blossom
Of orange is fragrant as fair,-
Santa Barbara's balm in the bosom,
Her sunny, soft winds in the hair;

Where the grape is most luscious; where laden
Long branches bend double with gold;
Los Angelos leans like a maiden,
Red, blushing, half shy, and half bold.

Where passion was born and where poets
Are deeper in silence than song,
A love knows a love, and may know its
Reward, yet may never know wrong.

Where passion was born and where blushes
Gave birth to my songs of the South,
And a song is a love-tale, and rushes,
Unchid, through the red of the mouth;

Where an Adam in Eden reposes,
I repose, I am glad, and take wine
In the clambering, redolent roses,
And under my fig and my vine.

 

 2175892-2cad751c185a66df5d65ad99159ae82a.jpg
Joaquin Miller (10 maart 1839 – 17 februari 1913)

 

 

De Franse (Occitaanse) dichter en schrijver Frederic (Frédéric) Mistral werd geboren op 8 september 1830 in Maillane. Zie ook alle tags voor Frederic Mistral op dit blog.

Uit: Mireio. A Provencal poem (Fragment)

CANTO I.
Lotus Farm.

 

"And here we are!" the boy cried. "I can see
The straw-heaped threshing-floor, so hasten we!"
"But stay!" the other. "Now, as I'm alive,
The Lotus Farm 's the place for sheep to thrive,—
The pine-woods all the summer, and the sweep
Of the great plain in winter. Lucky sheep!

"And look at the great trees that shade the dwelling,
And look at that delicious stream forth welling
Inside the vivary! And mark the bees!
Autumn makes havoc in their colonies;
But every year, when comes the bright May weather,
Yon lotus-grove a hundred swarms will gather."

"And one thing more!" cried Vincen, eagerly,
"The very best of all, it seems to me,—
I mean the maiden, father, who dwells here.
Thou canst not have forgotten how, last year,
She bade us bring her olive-baskets two,
And fit her little one with handles new."

 

 2175892-9617288a588f9be21b9f34ddbe787f0f.jpg
Frederic Mistral (8 september 1830 – 25 maart 1914) 
Portret door Paul Saïn, 1896

 

 

De Amerikaanse schrijfster Grace Metalious werd geboren in Manchester, New Hampshire, op 8 september 1924. Zie ook alle tags voor Grace Metalious op dit blog.

Uit: Peyton Place

“Dr. Swain drank his second drink. He was honest enough to real-ize that the struggle he fought with himself now would leave its mark on him for the rest of his life, and he knew that no matter what his decision, he would always wonder if he had made the right one. It was true that he had never broken any of the laws of the land before, unless a weekly game of five-and-ten poker with friends in a state that prohibited gambling could be looked upon as breaking the law. No exceptions now, Matthew, he cautioned himself. Poker at Seth's is against the laws of this state, so you have broken the law before. But not in my work, protested another part of his mind. Never in my work. No, not in your work. Rules are rules and you have always abided by them. Certainly, you are not going to start breaking them now, at your age, and that's the end of it. Rules are rules. But what about the exceptions to the rules? There aren't any exceptions in your business, Doctor. You re-port syphilis, you tell the police if a man with a bullet wound approaches you, and you isolate the sick over protest. No excep-tions, Matthew. But if this child of Selena's is born, it will ruin the rest of her life. That's none of your affair, Matthew. Go to the police. See that this man Lucas is brought to justice. But keep your hands off Selena Cross. She is only sixteen years old. She has the beginnings of a prett) good life mapped out for herself. This would ruin her. You might kill her. Nonsense. I'd do it in the hospital with all sterile precautions. Are you mad? In the hospital? Have you gone stark, raving mad? I could do it. I could do it so no one would know. I could do it tonight. The hospital is practically empty. People just haven't been sick this month. In the hospital? Are you mad? Are you really mad? Yes, goddamn it, I aml Whose hospital is it, anyway? Who built the goddamn place, and nursed it, and made it go if it wasn't me? What do you mean, your hospital? That hospital belongs to the people of this community whom you are solemnly bound to serve to the best of your ability. The state says so, and this country says so, and that oath you stood up and took more years ago than you care to remember says so. Your hospital. Humph. You must be mad.
Matthew Swain threw his empty whisky glass against the hearth of the empty fireplace. It shattered noisily and crystal slivers flew out in a circle. "Yes, goddamn it, I'm madl" said the doctor aloud, and stamped out of his living room and up the stairs that led to the second floor. But all the while the silent voice pursued him. You've lost, Matthew Swain, it said. You've lost. Death, venereal disease and organized religion, in that order, eh? Don't you ever let me hear you open your mouth again. You are setting out de-liberately this night to inflict death, rather than to protect life as you are sworn to do. "Feeling better, Selena?" asked the doctor, stepping into the darkened bedroom. "Oh, Doc," she said, staring at him with violet-circled eyes. "Oh, Doc. I wish I were dead." "Come on, now," he said cheerfully. "We'll take care of every-thing and fix you up as good as new."

 

 2175892-c864155e95c0b2628e140f69a8ee18e5.jpg
Grace Metalious (8 september 1924 – 25 februari 1964)
Ed Nelson speelde Dr. Rossi (in de roman Dr. Swain) in de tv-serie (1964 – 1969)

 

 

De Italiaanse dichter, toneelschrijver Ludovico Ariosto werd geboren in Reggio Emilia op 8 september 1474. Zie ook alle tags voor Ludovico Ariosto op dit blog.

Uit: Der rasende Roland (Vertaald door Friedrich Schiller)

 

Erster Gesang.

Denn bald (so leicht kann sich der Mensch betrügen)
Sah er die Schöne sich entwandt,
Die Schöne, die er sich mit heldenkühner Hand
Von Ost bis West bewahrt mit zahlenlosen Siegen,
In Freundes Schoos, im Vaterland,
Und ohne Schwerdtschlag, sich entwandt.
Denn um der Zwietracht Flammen zu ersticken
Entrückte sie der Kaiser seinen Blicken.

8.
Schon hatte ihrer Reitze Macht
Im Busen seines Anverwandten
Dasselbe Feuer angefacht,
Daß Roland und Rinald in Eifersucht entbrannten,
Besorgt, durch diesen unglücksvollen Streit
Zwey tapfre Krieger zu verlieren,
Ließ Karl die Zauberinn, die dieses Paar entzweit,
Vom Baierfürst von dannen führen;

9.
Und setzte sie zum Preiß des Heldenmuths
Für den, der sie in nächster Schlacht erkämpfte,
Mit Strömen Sarazenenbluts
Den Uebermuth der Feinde dämpfte.
Doch der Erfolg sprach der Erwartung Hohn,
Geschlagen flieht das Christenheer davon,
Der Baier wird gefangen von den Mohren,
Viel Ritter noch mit ihm, und sein Gezelt verloren.

 

 2175892-65f5c31167725c16289b187f466b1d60.jpg
Ludovico Ariosto (8 september 1474 – 6 juli 1533)
Cover

Geschreven door Romenu om 14:18 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten