Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 12 november 2018 tot 13 november 2018

Christine Otten, Inez van Dullemen, Frank Westerman, Timo Berger, Hadjar Benmiloud, Nico Scheepmaker, José Carlos Somoza, Peter Härtling, Bert Leston Taylor

De Nederlandse schrijfster en journaliste Christine Otten werd geboren in Deventer op 13 november 1961. Zie ook alle tags voor Christine Otten op dit blog.

Uit: Rafaël

“Ik zit op papa’s schouders. We lopen langs de weg, op het smalle stukje asfalt tussen de rijbaan en de woestijn. Met zijn grote handen houdt hij mijn benen vast. Mama’s sigaretten zijn op en bij de benzinepomp kunnen we nieuwe kopen.
Vanaf deze hoogte kan ik alles zien: de rotonde met de benzinepomp, de stad in de verte, de flats met de wapperende witte vitrages en de gele huizen met de platte daken en de palmbomen en de fabriek met de roestige pijpen waaruit dikke bruine rook komt. En nog verder weg een dunne streep blauw, dat is de zee. Of de lucht.
Als ik omkijk, zie ik het huis van opa en oma steeds kleiner worden. Het is grijs en lijkt op een fort omdat er geen ramen in zitten. Het staat langs de snelweg, midden in de woestijn. De woestijn is van niemand, zegt papa. Daarom staat het huis daar. En daarom ligt er ook zoveel troep, afval, plastic zakken, plastic flessen, oude kranten, wc-papier, glas, autobanden, kippenbotjes, karkassen van geiten, kapotte radio’s, vieze pampers. Er staan ook olijfbomen en er grazen geiten. Het is heet en droog. Telkens als er een auto of een vrachtwagen voorbijflitst, stuift er zand op en stof en dan doe ik even mijn ogen dicht. Ik hou me vast aan papa’s krullen, en doe alsof ik op de rug van een kameel zit en langzaam heen en weer schommel.
Ze denken dat ik niks begrijp van hun gesprekken en verhalen, maar ik hoor alles, ik voel alles, ik zie alles. In het donker is het verkeer op de snelweg net een rivier van glinsterende lichtjes.
We zijn op vakantie bij opa en oma, maar mama zegt dat ze zich iets anders voorstelt bij vakantie. Ze gaat altijd als eerste naar bed. Ze wacht tot de zon helemaal onder is en de avondwind de ergste hitte uit de slaapkamer heeft verjaagd en dan pakt ze mij op en gaan we samen de trap op. Papa komt meestal wat later.
Gisteravond hoorde ik hem praten met opa op de binnenplaats.
‘Ben je gelukkig daar in het Noorden, Nizar?’ vroeg hij aan papa.
‘Ja.’
‘Heb je genoeg geld?’
Weer ja. Het klonk nogal kortaf. Ik denk dat hij niet wilde dat opa hem vragen stelde”

 

.2192437-173a6857d2995c652aa4b8f6e3b15c3c.jpg
Christine Otten (Deventer, 13 november 1961)

 

 

De Nederlandse schrijfster Inez van Dullemen werd op 13 november 1925 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Inez van Dullemen op dit blog.

Uit:De twee rivieren

“De dierentuin van Tokyo. Sneeuwvlokken vielen op de uitgebloeide rozen. Een grote stroom bezoekers werd door geniformeerde beambten in de richting van de afgeschermde pandahokken gedirigeerd waarin een pasgeboren panda, de nieuwe heilige van Japan, sluimerde. Drommen toeschouwers schuifelden voorbij alsof ze op weg waren naar een voetbalwedstrijd. In diezelfde dierentuin ontmoette ik een doofstomme man.
Eenzaam stond hij daar, starend naar het water, met zijn handen klemde hij zich vast aan het hek. Over dat hek gebogen observeerde hij de watervogels, twee waterhoentjes kwamen naar hem toe zwemmen in de hoop brood te vangen. Gefascineerd was hij door hun geluidloze bewegingen. Wat was de relatie van deze doofstomme man tot de zintuiglijk normaal begaafde dierentuinbezoekers? Dikwijls voelde ik mijzelf een doofstomme tussen de sprekenden en een sprekende tussen de doofstommen. Niet alleen omdat ik de taal niet sprak, maar vooral ook omdat hun normen en gedragscode zo verschillend waren van de onze.
Een winterse dag. Terwijl ik naar mijn bevroren tuin kijk, duikt het beeld op van een rondzwervende Amerikaan die ik tegenkwam midden in de in brand staande jungle in Nepal. Een pauw waarvan de veren vlam gevat hadden, probeerde vergeefs zijn vleugels uit te slaan en omhoog te vluchten. Ik nam de vogel in mijn armen en drukte het nog levende dier stijf tegen me aan: de pauw, de nationale vogel van Nepal.
Nog één keer zou ik Mount Fuji willen beklimmen. Samen met Erik besteeg ik de met sneeuw bedekte berg toen daar onverhoeds een totaal wit paard opdook. De ontmoeting staat in mijn geheugen gegrift, het moment dat ik geconfronteerd werd met dit langharig Mongoolse paard met zijn grote hoofd vol onvertaalbare nostalgie.”

 2192437-70f8a79d4234620c51b567bf978070e4.jpg
Inez van Dullemen (Amsterdam, 13 november 1925)
Hier met partner Erik Vos (rechts)

 

 

De Nederlandse schrijver en journalist Frank Martin Westerman werd geboren in Emmen op 13 november 1964. Zie ook alle tags voor Frank Westerman op dit blog.

Uit: Stikvallei

“Het was de tijd van de grote volksverhuizingen. De Kom kwamen uit het oosten. Niemand weet waarom ze hun bonenveldjes en bedden met cocoyams op een dag in de steek lieten. Was het vanwege de kamelendrijvers uit Darfoer, die vrouwen en kinderen roofden? Heerste er rivierblindheid?
Op een dag tilden de Kom hun potten en pannen, hun schoffels en hun voorraden maniok en mais op hun hoofd. Ze gingen lopen, evenwijdig aan de evenaar, westwaarts. Alle vrouwen en meisjes droegen een peuter of baby in een doek op hun rug. Voorzichtig wadend, met een boog om de badende nijlpaarden heen, staken ze de rivier over die hun land begrensde. Soms moest er even worden gestopt, dan werd er iemand begraven of geboren en konden de anderen uitrusten.
Aan de overkant van de rivier trokken de Kom de bergen in, achter elkaar lopend in een lange sliert. Het bos brak open, maakte plaats voor bergachtig savanneland met af en toe, verscholen tussen het olifantsgras, een nederzetting. Hun leider, de Fon, zond aldoor verkenners vooruit, krijgers die waren uitgerust met speren. Bij geritsel of gevaar doopten zij de ijzeren punten in cobragif. Maar ze droegen ook kalebassen met palmwijn bij zich. Kwamen ze een vredelievend volk tegen (wat je van verre kon horen aan de kalmte van het tromgeroffel), dan lieten ze de kalebas rondgaan en lachte iedereen.
Op de vlakte van Ndop, waar veel raffiapalmen groeien, liepen de Kom de Bamessi tegen het lijf. De hoofdman van het Bamessi-volk bereidde de landverhuizers een uitbundig welkom, en nodigde hen uit om in zijn land te komen wonen. Hoeveel manen waren ze onderweg geweest? Niemand die het nog wist.
In de nacht na de aankomst had de maan ‘haar gelaat achter een bananenblad verborgen’, een verschijnsel dat volgens oude kalenders van eclipsen is terug te voeren op een volledige maansverduistering in 1735. In dat jaar moeten de Kom zijn neergestreken op de vlakte van Ndop. Het hart van Afrika was nog ongeschonden, maar de Portugezen, de Denen en de Hollanders vraten al overal aan de boorden van het continent, als vleesetende vissen. De slavenjacht van het ene inheemse volk op het andere drong almaar dieper landinwaarts.
Konden de Bamessi versterking gebruiken? Zochten ze geborgenheid in het getal? Als dat de opzet was van de Fon van de Bamessi, dan leek hij daarin te slagen. De Kom vermenigvuldigden zich en werden talrijk. Hun vruchtbaarheid was enorm, het leek of ze een inhaalslag waagden om de schaarste aan geboorten tijdens hun omzwerving weg te werken. De eerste tien, vijftien jaar verliep in harmonie, maar daarna raakten de Bamessi bevreesd dat hun gasten van een minderheid zouden uitgroeien tot een meerderheid.”

 

 2192437-f5c8d2e98dbde4b860e72a75731af3eb.jpg
Frank Westerman (Emmen, 13 november 1964)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Timo Berger werd geboren op 13 november 1974 in Stuttgart. Zie ook alle tags voor Timo Berger op dit blog

Uit: Statement on translating poetry

„Was das Meer ist“, lautet der Titel eines der ersten Gedichte, die ich von 2003 bis 2005 für eine Veröffentlichung ins Deutsche übertrug. Der argentinische Dichter Sergio Raimondi blickt darin auf den Ozean in seiner Gesamtheit aber nicht in seiner Ganzheit – will sagen, er zählt die Phänomene, die ihm in Brackwasser, Hafenanlagen und langen Fluren der Fischereibehörden begegnen, minutiös auf, lässt sie aber nicht hinter einer romantischen Evokation von Erhabenheit verschwinden. Raimondis maritime Anti-Ode ist ein zeitgenössisches skeptisches Gedicht, dass den Anspruch, eine Essenz zu fassen oder einen Gegenstand philosophisch zu  überhöhen weit von sich weist. Und dennoch ist sein Gedicht auf eine ganz besondere Art emphatisch und welthaftig. Emphatisch, weil man beim Lesen die Zärtlichkeit des Dichters, der sich selbst nie ins lyrische Ich setzt, dennoch spürt, und welthaltig, weil man Dinge wiedererkennt und Neues erfährt. Gerade diese Welt-Zugewandtheit stellt eine besondere Herausforderung an die Übersetzung dar.
Bevor ich mich an die Übertragung ins Deutsche machen konnte, musste ich mich deshalb erst mit den Realien beschäftigen. So manche auf den ersten Blick dunkle Metapher, erwies sich nach Recherche als enggeführter Mythos oder verballhornter Markenname. Die Methoden der Gegenwartspoesie sind vielfältig, die der Übersetzung hinken ihr immer einen Schritt hinterher. Während Raimondi in seinen Gedichte Produktionszyklen von polymeren Kohlenwasserstoffen in Versen schmiedet, rang ich erst einmal damit, mir das grundlegende chemische Verständnis und den historischen Kontext zu erschließen.
Als Übersetzer von Gedichten sind wir permanent überfordert. Wir lesen laut und hören den Klang, die Alliterationen und Rhythmen, den Takt, die Prosodie, wir messen buchhalterisch mit dem Lineal die graphematischen Komponenten des Gedichts aus, wir spüren den Metaphern und Metonymien nach, wir entdecken Intertextualitäten und idiomatische Wendungen. Sprich: Wir kommen regelmäßig zu der Erkenntnis, dass ein Gedicht in seiner Ganzheit eigentlich nicht übersetzbar sei.“

 

 2192437-86f450e05b2bafa81f5cc4fcc6ac9d28.jpg
Timo Berger (Stuttgart, 13 november 1974)

 

 

De Nederlandse schrijfster, columniste en radiopresentatrice Hadjar Benmiloud werd geboren in Amsterdam op 13 november 1989. Zie ook alle tags voor Hadjar Benmiloud op dit blog.

Uit:Logomania in Afrika (Column)

“Een paar kennissen besloten ‘Afrika te bezoeken’ om daar wat ongedragen kleren te brengen. Daar was het beter toeven dan in een koude loods waar kleding voor vluchtelingen werd ingezameld en straks was iedereen Afrika vergeten. „Het is ook een heel groot land.” En ze hadden nog nog wel een idee voor een startup-project met kralenbandjes, waar ik verder niet cynisch over wil doen, want ik geloof persoonlijk dat kralenbandjes het erg goed gaan doen komend modeseizoen.
‘In Afrika’ aangekomen (ze waren na een discussie over Ghana en Kenia waar ze beiden niets van wisten, maar spontaan voor Mozambique gegaan omdat die naam veel mooier klonk - yolo) bleek het in het dorpje waar ze een bed&breakfast hadden geregeld, al redelijk goed geregeld qua kleding. Dit was het inzamelpunt van alle kleding voor de regio - die in vodden liep omdat het distribueren van de kleding zo slecht geregeld was, door allemaal zelfstandig opererende ‘redders’. De lokale bevolking vertelde zelfs dat de eigen kledingindustrie altijd prima liep en ook een rijke culturele traditie kende, totdat een paar tegen elkaar in werkende goede doelen die hele plaatselijke economie om zeep kwamen helpen. Gelukkig waren ze wel blij om de zakken kleding te zien komen- een ware run ontstond vrijwel direct op het privilege van de eerste selectie. Want in Afrika was kleding niet langer kleding sinds de blanken hun mode waren komen showen. Eigenlijk in alle derde wereldlanden is de trend om zoveel mogelijk, zo groot mogelijke westerse logo's te dragen... want dat is wat we ze koloniaal hebben geleerd. Zelfs de ontwerpers van deze merken zullen moeten toegeven dat dit een stuk slechter en lelijker is dan de traditionele kleding, die daar nu toch niet meer wordt geproduceerd.
Gelukkig hadden mijn kennissen veel grote logo's bij zich, vooral DKNY en Nike, want het tonen van westerse decadentie door middel van grote logo's was thuis allang niet hip meer sinds de jaren '00. Veel modieuzer is duurzaam bewuste, ecologische, en het liefste vintage kleding.”

 

 2192437-a38b542fb883e485a3bdc2dce4a729ed.jpg
Hadjar Benmiloud (Amsterdam, 13 november 1989)

 

 

De Nederlandse dichter, journalist en columnist Nico Scheepmaker werd geboren in Amsterdam op 13 november 1930. Zie ook alle tags voor Nico Scheepmaker op dit blog.

 

Pom heeft gelijk

Je hebt gelijk, Pom: bloemen maken moe.
Maar zwemmen ook. En fietsen op een fiets
met wind pal tegen, dat is ook niet niets.
En wat mij ook zo moe maakt is een koe.

Bloemen en koeien, samen in de wei:
zij maken mij moe, zo moe als een hond.
Die loopt in dezelfde wei in het rond,
een moemaker meer kan er ook nog wel bij.

Bloemen en koeien en honden tezamen
maken mij moe, en dan noem ik met name
de Friese roodbonte, de Vlaamse bouvier,
en niet te vergeten de rode cyclamen,
die achter de potdichte Hollandse ramen
het kenteken zijn van een propere plee.

 

 

Pom-pom-pom

Het rijmt, dat scheelt, dan is het poëzie
hoewel er mensen zijn die dat betwisten.
Zij rekenen de lagen en de listen
van rijm en metrum tot een parodie
op wat er waarlijk in een vers moet gisten.
Alsof niet ooit een dichterlijk genie
in een met kroos bedekte vijver viste,
met overdaad aan rijm en prosodie
Maar mooi! Zo mooi, dat ik mijn exegeten
per ommegaande graag wil laten weten
dat ik mij niet met pom-pom-pom wil meten.

Dus daarom, ter vermijding van de schijn,
laat ik dit vers, al is het ook met pijn,
mijn onvoltooide pom-pom-pom-pom zijn.

 

 2192437-3b1348a7dbd736f60105186daa988d22.jpg

Nico Scheepmaker (13 november 1930 – 5 april 1990)
Martinus “Pom” Nijhoff

 

 

De Spaanse schrijver José Carlos Somoza werd geboren in Havana, Cuba op 13 november 1959. Zie ook alle tags voor José Carlos Somoza op dit blog.

Uit: Das Rätsel des Philosophen (Vertaald doorKlaus Laabs en Joachim Meinert)

»Die Mutter ist bereits verständigt«, verkündete der Hauptmann. Mit seinem entschiedenen Tonfall brachte er die Kommentare zum Verstummen. »Ich wollte ihr noch keine Einzelheiten sagen, sie weiß lediglich, dass ihr Sohn tot ist. Und sie wird den Leichnam nicht zu Gesicht bekommen, ehe Daminos von Klazobion eingetroffen ist: Er ist jetzt der einzige Mann in der Familie und wird entscheiden, was zu tun ist.« Er sprach mit machtvoller Stimme, an Gehorsam gewöhnt, die Beine breit in den Boden gerammt, die Fäuste auf den kurzen Rock unter seinem Umhang gestemmt. Dem Anschein nach sprach er zu den Soldaten, doch war zu spüren, wie sehr er die Aufmerksamkeit des gewöhnlichen Volks auskostete. »Was uns betrifft, wir haben unsere Arbeit getan!« Und an die Gruppe der Zivilpersonen gewandt, setzte er hinzu: »Nun denn, Bürger, geht nach Hause! Hier gibt es nichts mehr zu sehen! Versucht noch ein wenig zu schlafen, wenn ihr könnt … Noch ist es Nacht!« Der kleine Menschenauflauf zerstreute sich, so wie in einer vom launischen Wind gezausten dichten Mähne jedes einzelne Haar in einer anderen Richtung flattert; manche schritten in Grüppchen davon, noch immer in erregtem Gespräch über das schreckliche Geschehnis, andere allein, stumm für sich. »Es stimmt, auf dem Lykabettos wimmelt es von Wölfen, Hämodoros. Ich habe gehört, dass sie schon über etliche Bauern hergefallen sind …« »Und nun … dieser arme Ephebe! Wir müssen in der Volksversammlung darüber reden.« Ein untersetzter, stark beleibter Mann hatte sich nicht vom Fleck gerührt, als die Übrigen auseinandergingen. Er stand zu Füßen des Leichnams, betrachtete ihn mit halb geschlossenen Augen, leidenschaftslos, ohne den geringsten Ausdruck auf dem vollen, wiewohl nicht unschönen Antlitz. Es sah aus, als schliefe er im Stehen. Die davoneilenden Männer wichen ihm aus, sie gingen dicht an ihm vorbei, ohne ihn anzuschauen, als ob er eine Säule oder ein Stein wäre. Ein Soldat trat zu ihm und zupfte ihn an seinem Umhang. »Geh nach Hause, Bürger. Los, du hast doch unseren Hauptmann gehört.« Der Mann schien sich nicht angesprochen zu fühlen: Er blickte unverwandt in eine Richtung, wobei er sich mit den dicken Fingern sacht über den sorgfältig gestutzten silbergrauen Bart strich. Der Soldat dachte, er sei taub, gab ihm einen leichten Knuff und sprach lauter: »He, du, mit dir spreche ich! Hast du unseren Hauptmann nicht gehört? Scher dich nach Hause!«
»Entschuldige«, sprach der Mann in einem Ton, der nicht im Geringsten verriet, dass ihn die Aufforderung des Soldaten völlig gleichgültig ließ. »Ich geh ja schon.« »Was guckst du denn so?« Der Mann blinzelte kurz und löste dann den Blick von der Leiche, die ein anderer Soldat nun wieder zudeckte. »Ach, nichts. Ich dachte nur nach«, sagte er.“

 2192437-7380525916027b847c964a2319f0516f.jpg
José Carlos Somoza (Havana, 13 november 1959)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Peter Härtling werd geboren op 13 november 1933 in Chemnitz. Zie ook alle tags voor Peter Härtling op dit blog.

Uit: Verdi

„Er war im Dunkeln aus dem Bett gestiegen, ein paar Schritte gegangen und hatte sich verirrt. Er hörte sich atmen und dachte, es ist wie der Atem eines Kindes. Hilf mir, Peppina!, rief er in die schwarze Wand, blieb stehen und horchte. Er müsste das Zimmer doch kennen, in dem er bei jedem Neapel-Aufenthalt logierte. Aber es wies ihn ab. Er wagte keinen Schritt mehr. Peppina, ich bitte dich! Ihr Lachen hörte sich an, als käme eine Taube ins Zimmer geflogen. Er riss die Augen auf, cs wurde noch dunkler. Was ist mit dir, mein Verdi?, hörte er, und die Tau-be gurrte der Frage nach. Hilf mir, bitte. Ich finde mich nicht zurecht. Sie kam, ihre Schritte waren sicher. Er schüttelte sich etwas unwillig. Sie schob ihn vor sich her, bis er mit dem Knie gegen den Bettrand stieß. Ich kann dir das alles nicht erklären. Peppina half ihm, sich hinzulegen, deckte ihn zu. Er rückte zur Seite: Leg dich zu mir. Du nimmst dir zu viel vor. Ihre Wärme teilte sich ihm mit. Wir werden älter, sagte sie. Er antwortete ihr nicht. Sie atmeten miteinan-der. Er fürchtete, sie könnte einen Satz mit »damals« beginnen, und drehte sich zur Seite. Wieder gurrte die Taube. Ich weiß schon, sagte er, ich bin kindisch und lä-cherlich alt. Beides?, fragte sie. Beides, gab er ernst zur Antwort. Sie hatte die Abigail im »Nabucco« gesungen, und wenn sie so nahe war wie jetzt, hörte er sie, die Pri-madonna Giuseppina Strepponi. Sie war, als er sie kennenlernte, einunddreißig, berühmt und hochmü-tig, Mutter eines Sohnes, Cainillo, und ihre Stimme hielt nicht mehr. Sie verschwand, versuchte sich, wie er später erfuhr, in Paris als Gesangslehrerin. »Wir sind überzeugt, dass sich diese hervorragende Künstlerin in diesem Winter in der eleganten Welt von Paris großer Beliebtheit erfreuen wird.« Er wuss-te diesen albernen Satz auswendig. Ich kann ihn noch immer, sagte er und lachte vor sich hin. Sie sendete ihre Wärme aus: Was kannst du noch immer?“

 

 2192437-486684df8d0686ebfee96e0581b2e329.jpg
Peter Härtling (13 november 1933 – 10 juli 2017)

 

 

De Amerikaanse dichter, columnist en humorist Bert Leston Taylor werd geboren op 13 november 1866 in Goshen, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Bert Leston Taylor op dit blog.

 

Children

Sometimes our welcome has no tongue;
Children are often in the way.
We tolerate them while they are young,
And do not always share their play.

We play our games and they play theirs.
And when a dozen years have flown
They have, we find, their own affairs
And all their interests are their own.

They are, we reason, in our debt,
And wistfully we look for pay:
They give us what we ask -- and yet
We feel we are rather in the way.

Our love, now fond, would manifest
Itself in every act and word;
But we are wont to veil it, lest
We feel a little bit absurd.

More fond we grow, and duteous;
We only live for them, we say.
They too would live -- but not for us; --
So runs this pleasant world away.

 

 2192437-088ddd003a1c641d96ea66c68129113c.jpg
Bert Leston Taylor (13 november 1866 – 19 maart 1921)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e november ook mijn blog van 13 november 2017 en eveneens mijn blog van 13 november 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:14 Reageer op dit bericht

Daniël Dee, Lize Spit, Frank Witzel, Johnny van Doorn, Cristina Peri Rossi, Naomi Wolf, Malcolm Guite, Jacobus Bellamy

De Nederlandse dichter Daniël Dee werd geboren op 12 november 1975 in Empangeni, Zuid-Afrika. Zie ook alle tags voor Daniël Dee op dit blog.

 

Een kwestie van acceptatie

ik brand mijn vingers
nu al driemaal daags
opzettelijk aan de vlam van het fornuis
en niet slechts tijdens het koken
maar ook wanneer ik er de behoefte voor voel
dit is geen bizarre Japanse volhardingssport
die als trend is komen overwaaien
want ik hou niet eens van sport
maar ik wil alvast aan mijn crematie wennen
ook ik zal moeten sterven
daar ben ik me terdege van bewust
zeker met mijn levensstijl
(luie zak sta eens op en doe eens wat
maar ik hou niet eens van sport)
ik moet het alleen nog accepteren
en mijn vingers branden is dus eigenlijk
een soort acceptatietherapie
al wou ik wel dat ik gekozen had
om begraven te worden
dan had ik tenminste zoals ik al zo vaak doe
in mijn nest kunnen blijven rotten
maar ik zal niet klagen
want ik ben allang blij
dat ik geen zeemansgraf verkies
want dan had ik elke dag
naar het sportfondsenbad gemoeten
en ik hou niet eens van sport

 

 

Dit huis is mijn verhaal...

dit huis is mijn verhaal ik adem oppervlakkig en zacht
geen omwonende zal weten wanneer ik sterf

tot die tijd verschans ik me hier niemand meer tot last hier valt
genoeg te horen te zien te ruiken terwijl ik op mijn tenen ijsbeer

ik hoor de bovenbuurvrouw zingen en de studenten
van hiernaast houden weer een biergelag

mijn gordijnen zitten voorgoed potdicht sinds die dag
de dag waarop de laatste vrouw dit pand verliet

ze riep bij het sluiten van de deur dat ik een kakkerlak
was die vertrapt diende te worden

deze kakkerlak is vertrapt wat rest zijn de eitjes
die uit mijn schild spatten deze woorden

 

 2192241-5ca0a538f1792f1482fc058b73bd9991.jpg
Daniël Dee (Empangeni, 12 november 1975)

 

 

De Vlaamse schrijfster Lize Spit werd geboren in Viersel op 12 november 1988. Zie ook alle tags voor Lize Spit op dit blog.

Uit: Het smelt

“In het vijfde leerjaar kregen we eens een onaangekondigde toets Aardrijkskunde. Ik kon België niet aanduiden op een kaart van Europa en kreeg een nul op tien. Ik was de enige in de klas die toen nog geen televisie had. De juf stelde mij een herkansing voor. Ik kreeg twee weken de tijd om de landen van Europa met alle hoofdsteden uit het hoofd te leren. Omdat ik aanvankelijk dacht dat Europa alles was behalve Amerika, had ik ook Afrika, Azië en de zeeën erbij genomen. De achterstand die ik ooit had, stelt mij nog steeds in staat als enige bepaalde dingen te weten: bijvoorbeeld dat de Noordzee grenst aan de Atlantische zee en dat die allemaal hetzelfde water bevatten.
Ik kruip dichterbij, om door de kleine spleet te kunnen kijken. Laurens en Pim zitten zij aan zij, met hun rug tegen de wand van het kamp, tegenover me.
Dit is dus wat Laurens bedoelde met 'jongens onder elkaar'.
Ik probeer me zo goed mogelijk gedeisd te houden. Ik adem zacht, wil het spektakel niet verstoren.
Pim kijkt even om zich heen, trekt dan uit een spleet in de wand achter hem een plastieken zak. Daarin zit een stapeltje magazines. Een voor een legt hij ze in Laurens' schoot.
'Waar heb je die vandaan?' Laurens laat zijn ogen over het blaadje glijden, gretig vooruit en achteruit bladerend, net als vroeger in een speelgoedcatalogus van Bart Smit tijdens de Sinterklaasperiode.
'Maakt dat uit? Heb jij ook meegenomen wat ik gevraagd heb?'
Er klinkt geritsel. Laurens doorzoekt zijn rugzak die naast hem in het stro ligt. Er komen een handdoek en zwembroek boven, een pakje snoep en ten slotte een zakje van de beenhouwerij. Hij pakt het zorgvuldig uit. Er komt een plak donkerroze paté tevoorschijn.
'Perfect.' Pim neemt de plak van hem over, breekt er een stukje af.
'Ogen dicht, mond open,' zegt hij. 'Om vier uur komt Eva. We moeten opschieten.'
'Moest je nu echt Eva ook bellen?' Laurens zucht met gesloten ogen.
Mijn maag knijpt zich samen. Pim gaat er niet op in.
'Bakkes open, Lau.'

 

 2192241-072c3f7119a76373b1bf5c66e456621d.jpg
Lize Spit (Viersel, 12 november 1988)

 

 

De Duitse schrijver, illustrator, radiopresentator en muzikant Frank Witzel werd geboren op 12 november 1955 in Wiesbaden. Zie ook alle tags voor Frank Witzel op dit blog.

Uit: Direkt danach und kurz davor

“Natürlich gab es einen Garten. Einen Garten, den wir nicht betre-ten durften. Nicht weit entfernt von der Stadt. Mit dem Rad eine halbe Stunde. Einen staubigen Weg entlang. An Telegraphenmas-ten vorbei. Manche mit, die meisten ohne Drähte. Im Gegenlicht meinte man, da hängt noch einer. Wir traten in die Pedale und hielten die Köpfe gesenkt. Aber es war nur ein vergessener Kittel. Verschlissen. Wir hielten an und blinzelten in die Sonne. Wir stell-ten uns vor, dort oben zu baumeln. Der Bach gurgelte. Der Körper schlackerte hin und her. Hin und her. Der Wind fuhr in die Na-senlöcher. Das Blut rauschte in den Ohren. Es waren die weit ent-fernten Stimmen der Mädchen, die in der Aula das Lacrimosa üb-ten. Es war der Schiefer, der sich in dünnen Blättchen vom Felsen hinter dem Nahrthalerfeld löste und nach unten glitt. Bevor man stirbt, wird der Körper noch einmal heiß. Dann kalt. Dann wieder heiß. Man meint, ein Gesicht ganz nah vor dem eigenen zu sehen. Mit aufgerissenen roten Augen. Dann kommt der Tod.
Wir hatten das Zählen verlernt. Die Zahlen wollten uns einfach nicht mehr über die Lippen. Wir dachten immer nur: Eins und eins und eins. Weiter kamen wir nicht. Manche Einwohner erkannte man wieder. Andere nicht. Vieles blieb fremd. Gebräuche änderten sich unmerklich. Auch deshalb ging nichts mehr gedankenlos von der Hand. Selbst am Weihwasserbecken gab es ein unwillkürliches Zögern. Begann das Kreuzzeichen wirklich an der Stirn?
Ein Mädchen stand im Mittelschiff und rührte sich nicht. Es sind dünne Fäden, die der Herr von seinen Wundmalen zu unseren noch unversehrten Gliedmaßen führt und an denen er uns durch das Leben führt. Unsere Großväter hatten es noch erlebt. Unse-re Väter hatten es noch gesehen. Wir kannten es nur vom Hören-sagen. Das Mädchen im Mittelschiff trug ein weißes, frisch gestärktes Kleid. Zum ersten Mal sahen wir etwas makellos Reines vor uns. Wir zögerten. Überlegten, wie eine Kniebeuge ging, und machten sie dann. Wir stellten uns dahin, wo früher die Bänke gestanden hatten.“

 

 2192241-ea65201caf18b18f6614c25361e796c9.jpg
Frank Witzel (Wiesbaden, 12 november 1955)

 

 

De Nederlandse dichter Johnny van Doorn (The Selfkicker) werd geboren op 12 november 1944 in Beekbergen en groeide op in Arnhem. Zie ook alle tags voor Johnny van Doorn op dit blog.

Uit: Gevecht tegen het zuur (Maandag)

'Rij-ijk!'
Ik snelde hem puffend achterna, dieper de Concertgebouwbuurt in. 'Rij-ijk!'
Het leek erop dat de man stokdoof was geworden. Ik had 'm ingehaald.. draaide me naar zijn gezicht toe en ik schrok me wezenloos... ik keek in een verschrikkelijk puisterige brillekop van een wildvreemde. 'Pardon, een vergissing, meneer.'
Pijnlijk... en alles deed me al pijn. Ik kon wel janken. Dat kwam van de overgevoeligheid door drank en kater, zwaarder dan ooit na het jarenlange gelummel.
Ik vermande me, ofschoon het somber in me doorknaagde.. hoe raakte ik uit die poel?
Toen (wenn der Not am höchsten ist, ist die Rettung am nächsten) hoorde ik het luchtalarm van de BB loeien; de bafaamde sirenes, klokke twaalf, op de eerste maandag van de maand. Ik vond het een zeer opbeurend geluid.
De sirenes deden me aan een avontuur denken. Of eigenlijk een avontuurtje waaruit de onopgesmukte gezelligheid sprak van de tijd dat ik me pas in de hoofdstad had gevestigd.
Tijdens het luchtalarm bedreef ik de liefde. En de nacht daarvoor.... Er zat een hele geschiedenis aan vast die zich in luttele seconden weer aan mij ontvouwde.
De opmonterende kracht van het scherpe geheugen... maar geen geklets nu. Laat ik het verhaal vertellen dat evengoed gisteren gebeurd had kunnen zijn. 'n Momentje bladstilte.
Het begon zo. Ik was ingepalmd door een beeldschone, zij het gehuwde vrouw. Het zou volkomen hemels zijn geweest indien haar man los van de affaire had gestaan.
Ik kende het echtpaar al een paar dagen.
Die nacht hadden ze me geïntroduceerd op de kunstenaarssociëteit De Kring. Zij bood me een Calvados aan en wees mij, vol naïeve trots, op enige bekende schrijvers en toneelspelers. Rijk was er ook bij. De bloeitijd van het toneel was nog niet ten einde - ze voelden zich nogal wat. Gevoileerde stemmen, en stemmen als buiken.”

 

 2192241-29a6f9da9e90cbff1d717752c56b2aaf.jpg
Johnny van Doorn (12 november 1944 – 26 januari 1991)
In 1969

 

 

De Uruguayaanse dichteres, schrijfster, vertaalster en journaliste Cristina Peri Rossi werd geboren op 12 november 1941 in Montevideo. Zie ook alle tags voor Christina Peri Rossi op dit blog.

 

Astonishment (Fragment)

natural is the astonishment
natural is the surprise
natural is to live as if just arrived
to the world
the alleys of Córdoba and its arches
to the plazas of Paris
the humidity of Barcelona
the doll museum
in the old wagon standing
on the dead train tracks of Berlin

natural is to die
without having walked hand in hand
through the portals of an unknown city
nor to have felt the perfume of the white jasmines in bloom
at three in the morning
Greenwich meridian

natural is that s/he who has walked hand in hand
through the portals of an unknown city
won’t write about it
would bury it in the casket of forgetfulness

Life blooms everywhere

blood relative
inebriated
exaggerated Bacchante
on nights of turbid passions
but there was a fountain that clucked
languidly
and it was difficult not to feel that life can be beautiful
sometimes
like a pause
like a truce
that death grants to joy.

 

 

Vertaald door Diana Decker

 

 2192241-031d488aa846c32b832071ff2f4fbb38.jpg
Cristina Peri Rossi (Montevideo, 12 november 1941)

 

 

De Amerikaanse, feministische schrijfster Naomi Wolf werd geboren in San Francisco op 12 november 1962. Zie ook alle tags voor Naomi Wolf op dit blog.

Uit: How I was arrested at Occupy Wall Street

“We were taken in a van to the seventh precinct – the scary part about that is that the protesters and lawyers marched to the first precinct, which handles Hudson Street, but in the van the police got the message to avoid them by rerouting me. I understood later that the protesters were lied to about our whereabouts, which seemed to me to be a trickle-down of the Bush-era detention practice of unaccountable detentions.
The officers who had us in custody were very courteous, and several expressed sympathy for the movements' aims. Nonetheless, my partner and I had our possessions taken from us, our ID copied, and we were placed in separate cells for about half an hour. It was clear that by then the police knew there was scrutiny of this arrest so they handled us with great courtesy, but my phone was taken and for half an hour I was in a faeces- or blood-smeared cell, thinking at that moment the only thing that separates civil societies from barbaric states is the rule of law – that finds the prisoner, and holds the arresting officers and courts accountable.
Another scary outcome I discovered is that, when the protesters marched to the first precinct, the whole of Erickson Street was cordoned off – "frozen" they were told, "by Homeland Security". Obviously if DHS now has powers to simply take over a New York City street because of an arrest for peaceable conduct by a middle-aged writer in an evening gown, we have entered a stage of the closing of America, which is a serious departure from our days as a free republic in which municipalities are governed by police forces.
The police are now telling my supporters that the permit in question gave the event managers "control of the sidewalks". I have asked to see the permit but still haven't been provided with it – if such a category now exists, I have never heard of it; that, too, is a serious blow to an open civil society. What did I take away? Just that, unfortunately, my partner and I became exhibit A in a process that I have been warning Americans about since 2007: first they come for the "other" – the "terrorist", the brown person, the Muslim, the outsider; then they come for you – while you are standing on a sidewalk in evening dress, obeying the law.”

 

 2192241-9231c477b01266868e45558f7b7a8abe.jpg
Naomi Wolf (San Francisco, 12 november 1962)

 

 

De Engelse dichter, singer-songwriter, Anglicaans priester en academicus Ayodeji Malcolm Guite werd geboren op 12 november 1957 in Ibadan in Nigeria. Zie ook alle tags voor Malcolm Guite op dit blog.

 

This Table

The centuries have settled on this table
Deepened the grain beneath a clean white cloth
Which bears afresh our changing elements.
Year after year of prayer, in hope and trouble,
Were poured out here and blessed and broken, both
In aching absence and in absent presence.

This table too the earth herself has given
And human hands have made. Where candle-flame
At corners burns and turns the air to light
The oak once held its branches up to heaven,
Blessing the elements which it became,
Rooting the dew and rain, branching the light.

Because another tree can bear, unbearable,
For us, the weight of Love, so can this table

 

 

The six days world transposing in an hour

Twenty-four seven in ‘the six days world’,
In endless cycles of unnerving news,
Relentlessly our restless hurts are hurled
Through empty cyber-space. Is there no muse
To make of all that pain an elegy,
Or in those waves of white noise to discern
Christ’s inner cantus firmus, that deep tone
That might give rise at last to harmony?

We may not seal it off or drown it out,
Nor close our hearts down in the hour of prayer,
But listening through dissonance and doubt,
Wait in the space between, until we hear
A change of key, a secret chord disclosed,
A kind of tune, and all the world transposed.

 

 2192241-db3016c52f37cde7b64589b756095e64.jpg
Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957)

 

 

De Nederlandse dichter Jacobus Bellamy werd geboren in Vlissingen op 12 november 1757. Zie ook alle tags voor Jacobus Bellamy op dit blog.

 

Roosje (Fragment)
Een vertelling

Dit meisje werd wel schielijk groot;
zij was de roem der stad;
geen vader die haar voor zijn zoon
niet reeds gekozen had!

Wat was dat lieve meisje schoon!
Wat had ze een nette leest!
Wat was zij aardig en beleefd,
zo deugdzaam, zo vol geest!

Zo vriendlijk als de schone maan
als ze opkomt uit de zee
en op de blanke duinen schijnt,
zo vriendlijk was ze mee!

Haar lieflijke ogen waren bruin;
niet vurig - kwijnend, zacht.
Haar lachje was als 't morgenrood
dat aan de kimmen lacht.

Wanneer zij met de Zeeuwse jeugd
een luchtje schepte aan 't strand,
dan las ze op elke tred haar naam
geschreven in het zand.

Geen jongeling die niet voor haar
met eerbied was bezield,
haar niet voor de allerschoonste bloem
der Zeeuwse meisjes hield!

 

 2192241-e8166de584b682edd7e34f3e3ccf74f8.jpg
Jacobus Bellamy (12 november 1757 – 11 maart 1786)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e november ook mijn blog van 12 november 2017 deel 1 en eveneens deel 2.



Geschreven door Romenu om 18:32 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten