Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 23 november 2018 tot 24 november 2018

Jules Deelder, Wanda Reisel, Marlon James, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Thomas Kohnstamm, Hans Sahar

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Zie ook alle tags voor Jules Deelder op dit blog.

 

Der Untergang des Abendlandes

gezeten in het hemelsblauwe bad
neemt hij nadenkend de grote
zilveren zonnebril af en staart
door de kleine gouden zonnebril
die hij daaronder blijkt te dragen
naar de prehistoriese loopvogel
die aan het voeteneind
verschenen is

en terwijl hij stilaan vervliegt
tot een gas van onbekende
samenstelling
welt uit z'n kristallen keel
nog koel
de Waanzinsaria

- kijk eens in
m'n reet of
het theewater
kookt

een veelkleurige hagedis
verlaat vervolgens geruisloos
z'n navel

 

 

Enquête

opengereten in de Final Blast
gekookte hersens op je wangen?
verkoold verkruimeld weggesmolten
In Verzengende Winden?
of
langzaam leeggezogen
met een gebarsten leesbril
achter een krant van jaren her
rottend in een ziekenhuis
de bleke middagzon in je verschoten ogen
kraaiend boven een prentbriefkaartenverzameling
een zakje onder het hart voor de ontlasting
pratend over de paardetrem tegen een opgezette parkiet
bloedend op de overloop
na een week pas ontdekt
omdat de melk alsmaar blijft staan?

is dat dan de ideale staat to meet Thy Maker?!
is dit dan de Doem van Doodskoppenland?!

 

 

Kunst

‘Wie van de aanwezigen
houdt er van kunst?’

‘Ikke.’

‘Prachtig! Dan kunt u
mij vast wel even helpen
met het ophangen van de
schilderijen.’

 

 2195057-66c28ed0e3c1a7c9770877cff51eaeb0.jpg
Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

 

 

De Nederlandse schrijfster Wanda Reisel werd geboren in Willemstad (Curaçao) op 24 november 1955. Zie ook alle tags voor Wanda Reisel op dit blog.

Uit:Plattegrond van een jeugd

“Hier begint het: Amsterdam, Van Eeghenstraat 100, vijf verdiepingen, zestien kamers, zesentwintig vaste kasten. Kolenhok en prieel in de tuin, grenzend aan het Vondelpark.
Maar wat begint er eigenlijk? Wat er om je heen en met je gebeurt, wat er over je en aan je verteld wordt, alles wat je van horen zeggen hebt, dat alles zijn draden familiegeschiedenis, vergeelde fotoboeken, dozen vol dia’s en 8 mm-films, een web van vroegere anekdotes en die welke nog wekelijks opduiken uit het brein van een bejaarde tante of oom, de verbindingen daartussen en het beeld dat jij ervan maakt… Dat gebruik je om het verhaal van je eigen leven op te tuigen. Ja, jij ook. Want zeg nu eerlijk: jou is het toch ook maar verteld?
Het leven van horen zeggen, dat kennelijk het mijne is, begint eerst ver weg met mijn geboorte in de West. Ik heb liefhebbende, fotograferende en filmende ouders. Mijn moeder, die graag met schaar en Lerolijm in de weer is en toegewijd baby’s en babyboeken produceert, schrijft bij de foto’s uitgebreide onderschriften: ‘Kralen rijgen met grote houten kralen vind je leuk, maar niet te lang. Dan ga je ermee gooien. Net zo is het met tekenen. Je krabbelt wat op een papiertje, maar als ik niet oplet, zit even later alle ballpoint of potlood op deuren en muren. De meeste mensen zeg je uit jezelf goedendag. Speciaal de gekleurde bevolking bejegen je erg vriendelijk.’
Maar hier, in deze straat met bomen, begint het voor mij pas echt. Het is zomer en ik ben vijf jaar. Voor het huis staan de twee kratten zo groot als een kamer, waaruit een berg verse houtwol komt met daarachter verstopt meubels, schilderijen, lampen, beelden (waarvan één gebroken). Wij, mijn vriendje Mario en andere kinderen uit de buurt, staan er met onze fietsjes bij. Ik ben opgewonden want die grote kisten, die zo’n bekijks trekken, zijn van ons en wat erin verstopt zit, zijn onze spullen, die nu onbeschut op straat staan. Ik ben dus een van de hoofdpersonen van deze gebeurtenis, maar in wezen ben ik net zo benieuwd als de buurtkinderen, want ook ik weet niet wat er tevoorschijn zal komen. De spullen zijn misschien wel een jaar of langer geleden ingepakt en nu pas afgeleverd. Hoe die kratten hier zijn neergeplant, vraag ik me niet af. De dingen zijn er, dat is genoeg. Ik weet niet of ik ze nog herken, maar ze horen bij ons. En straks, als ze een plek hebben, bij het huis.
Kom maar wat dichterbij, dan hoef ik niet zo hard te praten. Gek dat ik niet weet wat dit voor bomen zijn. Ik heb geen verstand van de natuur. Ik woon hier vanaf mijn kleutertijd tot en met mijn achttiende jaar.”

 2195057-3c0994ec3631e3af5caae7488e792608.jpg
Wanda Reisel (Willemstad, 24 november 1955)

 

 

De Jamaicaanse schrijver Marlon James werd geboren op 24 november 1970 in Kingston, Jamaica. Zie ook alle tags voor Marlon James op dit blog.

Uit: A Brief History of Seven Killings

“Listen.
Living people wait and see because they fool themselves that they have time. Dead people see and wait. I once asked my Sunday school teacher, if heaven is the place of eternal life, and hell is the opposite of heaven, what does that make hell? A place for dirty little red boys like you, she said. She’s still alive. I see her, at the Eventide Old Folks Home getting too old and too stupid, not knowing her name and talking in so soft a rasp that nobody can hear that she’s scared of nightfall because that’s when the rats come for her good toes. I see more than that. Look hard enough or maybe just to the left and you see a country that was the same as I left it. It never changes, whenever I’m around people they are exactly as I had left them, aging making no difference.
The man who was father of a nation, father to me more than my own, cried like a sudden widow when he heard I had died. You never know when people’s dreams are connected to you before you’re gone and then there’s nothing to do, but watch them die in a different way, slow, limb by limb, system by system. Heart condition, diabetes, slow-killing diseases with slow-sounding names. This is the body going over to death with impatience, one part at a time. He will live to see them make him a national hero and he will die the only person thinking he had failed. That’s what happens when you personify hopes and dreams in one person. He becomes nothing more than a literary device.
This is a story of several killings, of boys who meant nothing to a world still spinning, but each of them as they pass me carry the sweet-stink scent of the man that killed me.
The first, he screams his tonsils out but the scream stops right at the gate of his teeth because they have gagged him and it tastes like vomit and stone. And someone has tied his hands tight behind his back but they feel loose because all the skin has rubbed off and blood is greasing the rope. He’s kicking with both legs because right is tied to left, kicking the dirt rising five feet, then six, and he cannot stand because it’s raining mud and dirt and dust to dust and rocks. One rock claps his nose and another bullets his eye and it’s erupting and he’s screaming but the scream runs right to the tip of his mouth then back down like reflux and the dirt is a flood that’s rising and rising and he cannot see his toes. Then he’ll wake up and he’s still dead and he won’t tell me his name.”

 

 2195057-5ca9aa6fa18d2d80a5e3ad033b142594.jpg
Marlon James (Kingston, 24 november 1970)

 

 

De IJslandse schrijver Einar Kárason werd op 24 november 1955 geboren in Reykjavík. Zie ook alle tags voor Einar Kárason op dit blog.

Uit: Feindesland (Vertaald door Helmut Lugmayr)

„Ich hatte bei ihm zu Hause in Reykholt viele Kostbarkeiten gesehen, die er aus den Händen des Königs oder von Fürsten empfangen hatte: Gold und wertvolle Kleinodien als Lohn für seine Dichtung und die Treue zu seinen Verwandten unter den norwegischen Herrscherfamilien. Und so glaubte ich, als ich vor einigen Wintern hierher kam, es würde reichen, Snorris Namen zu nennen und zu sagen, dass ich sein Neffe sei, um sogleich mit offenen Armen aufgenommen zu werden.
Ich hatte mir als Kind immer ausgemalt, wie Snorri an den Königshof kam und ihm eine Schar fürstlich gekleideter Männer entgegenging, die ihn vor den König geleiteten, während das ganze Volk in Respekt und Bewunderung das Haupt vor diesem großartigen Mann neigte.
Aber das waren natürlich nichts als Hirngespinste und lächerliche Kindereien. Denn in Norwegen betrachtet man Snorri Sturluson auch nur als gewöhnlichen isländischen Bauernlümmel. Als einen dieser sonderbaren, vom Wind zerzausten Isländer, über die man sich vielleicht noch lustig machen kann und die man bei Geschäften gerne über den Tisch zieht. Die Leute hier wissen nämlich, dass die Isländer am liebsten mit Geld um sich werfen und weder handeln noch feilschen – denn das ist nur die Sitte von Habenichtsen.
Man lässt sie deshalb für alles den doppelten Preis bezahlen, was sie auch freudig und mit stolzgeschwellter Brust tun. Hinterher lachen sich die Einheimischen ins Fäustchen, wenn sie ihr Geld zählen.
Ich habe meinen Onkel Snorri einmal getroffen, seit ich hierher nach Norwegen kam. Man hatte mich mit ein paar anderen im Auftrag des Königs nach Bergen gesandt – es war eine belanglose Mission und das Anliegen völlig unbedeutend. Dort angekommen begann ich, unter den Leuten am Hof von Skúli Jarl nach Snorri zu fragen. Immerhin, die meisten kannten ihn – lächelten bei dem Gedanken an ihn. »Ja, der Dichter!«, sagten sie. Nein, sie wüssten nicht, wo er sich aufhielte. »Sieh aber heute Abend in der Schenke nach!« Ich kenne solche Orte, man kann dort Bier und Met kaufen, und dahin ging ich am Abend – wäre ohnedies hingegangen ...“

 2195057-59257f3a92dcefe729196e8cb062f830.jpg
Einar Kárason (Reykjavík, 24 november 1955)

 

 

De Ivoriaanse schrijver Ahmadou Kourouma werd geboren op 24 november 1927 in Togobala. Zie ook alle tags voor Ahmadou Kourouma op dit blog.

Uit: Allah Is Not Obliged (Vertaald door Frank Wynne)

“I was running around on all fours and maman was chasing me. I was going faster than she was. She was chasing after me, her right leg stuck up in the air, moving on her arse in fits and starts, leaning on her arms. I went too far, too fast, 'cos I was trying not to get caught. I made a dash and fell on to the glowing embers.The fire did its job and grilled my arm. It grilled the arm of a poor little kid because Allah doesn't have to be fair about everything he does here on earth. I still have the scar, on my arm, in my head, in my belly like the Black Africans say, and in my heart. It's still there in my heart, in my whole being, like the smell of my mother. My body is saturated with maman's nauseating smell. (According to the Larousse,'nauseating' means 'capable of arousing aversion or disgust' and 'saturated' means 'drenched or soaked with liquid'.)Gnamokode!Anyway, even back when I was a cute kid, back in my childhood, there was this ulcer eating into maman's right leg and rotting it. An ulcer that steered my mother (to 'steer' is 'to guide someone somewhere').An ulcer that steered my mother and the rest of the family. And, around my mother and her ulcer was the hearth. The hearth that grilled my arm. The hearth always belching smoke or sparks; it spits sparks when you poke the fire to get it going. All round the hearth there were kanaris (according to the Glossary,a kanaris is a handcrafted earthenware jar). There were kanaris and more kanaris, and every one of them filled with decoctions (that means liquid obtained from the action of boiling plants).The decoctions were used for flushing maman's ulcer.There were more kanaris lined up along the wall at the back of the hut. Between the kanaris and the hearth, there was my mother and her ulcer wrapped up in a pagne. There was me, and there was the marabout, hunter and healer, Balla. Balla was maman's healer.Balla was a great guy and totally extraordinary. He knew all these countries and other stuff. Allah had given him hundreds of incredible destinies, and talents and opportunities. He was a freedman - according to Larousse, that's what they called someone who used to be a slave but is now free. And he was a donson ba, that's the name we give to a master huntsman who has killed black game and at least one malevolent djinn, according to the Glossary. Balla was a kaffir - that's what you call someone who refuses to believe in Islam and keeps his grigris. (According to the Glossary, a 'grigri' is 'a protective amulet, often a piece of paper inscribed with magical incantation kept in a small leather purse which is tied above the elbow or around the neck'.) Balla refused to burn his false idols, so he wasn't a Muslim, he didn't perform the five daily prayers, or fast for one month every year.”

 

 2195057-3fbcdb674734adb461cd39383c954611.jpg
Ahmadou Kourouma (24 november 1927 – 11 december 2003)

 

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Kohnstamm werd geboren in Seattle, Washington op 24 november 1975. Zie ook alle tags voor Thomas Kohnstamm op dit blog.

Uit: Do Travel Writers Go to Hell?

“I mistakenly thought that having an MA would open some doors, but I couldn't even get a callback from office temp agencies. In early 2002, I washed up as a retail employee at Club Monaco—a slightly fancier version of the Gap—up on 5th Av-enue and 55th Street in the middle of Manhattan. Even better, I was assigned to the women's dressing room. A key part of my job was to ask female customers if they needed a smaller size. If they came back to the dressing room with a size 6, I'd ask "Are you sure that I can't grab you a 4?" If they came back with a 4, I'd ask about a 2. It was just that simple. One day, while I was expertly folding jeans and fitted T-shirts, the assistant store manager, a Jersey boy with LA hair and a fake tan, asked me, "Do you think that you'll ever get your act together and go to college?" "I have a master's from Stanford and started a DPhil at the London School of Economics," I answered and went on folding. "Yeah right, man. There isn't even such a thing as a dee fill.
You should really try a jay cee instead. It helped me to get this job," he stated with the resolute authority of a Club Monaco assistant manager. I told him that I would consider it.
Every boom is followed by a bust and, in America, someone will always find a way to make money off of the bust—most likely lawyers. When I heard that a Wall Street firm was hiring re-searchers to work on high-profile, undisclosed cases, I was so eager to get out of retail that I didn't slow down enough to really understand what the job entailed. I was told only that they represented, among other concerns, a little-known firm called Cerberus Capital Management that was buying up dis-tressed debt. The fact that the company was named after the three-headed guardian clog of I-lades and that the papers re-ferred to distressed debt as "vulture investing" did not raise any red flags. I was racing toward thirty and most of the once-wide-open doors of opportunity had already slammed in my face. Maybe it was time to take the LSAT or the GMAT and get on with forg-ing a dependable career. These were the new realities. Law seemed respectable enough: something to use your brain, make a solid income; something that I could be proud of at col-lege reunions. Once hired, I worked with Cerberus on a couple of cases, but I specialized in the assorted legal problems of a once-prominent research analyst who had been the foremost opin-ion on telecommunications companies, most notably World-Corn. Research analysts are supposed to give unbiased opinion to the public on which stocks were worth buying. But during the telecom bubble, some analysts just worked hand in hand with the bankers and the telecom CEOs to promote the companies.”

 

 2195057-36a6a9b7448dff3bf5f73ab5bdcde1b2.jpg
Thomas Kohnstamm (Seattle, 24 november 1975)

 

 

De Nederlandse schrijver van Marokkaanse afkomst Hans Sahar (pseudoniem van Farid Boukakar) werd geboren in Al Hoceima, Marokko, op 24 november 1974. Zie ook alle tags voor Hans Sahar op dit blog.

Uit: Zoveel liefde

‘Hou je van gabberhouse? Dan zit je hier goed.’ Dat was het enige wat de jongen had gezegd van wie Rash de kamer had overgenomen, de huisbaas had niks verteld over de andere huurders, alleen dat het er vijf waren en dat ze de keuken en de douche deelden. Het kon Rash niet veel schelen dat er naast hem een gabber zat, want zijn eigen rap en trance draaide hij ook niet echt zachtjes.
Hij was benieuwd hoe het zou gaan, voor het eerst van zijn leven was hij op kamers. Op kamers! Deze ene kale ruimte met een bed, een tafel en twee stoelen. Hij had een paar posters op de muur geprikt van Public Enemy en om zich heen staan kijken van: dit is dan het nieuwe begin, eindelijk vrij, zelfstandig, niet meer dat eeuwige gezeik thuis van pa, van de kinderen met al hun problemen waar hij altijd voor op moest draaien, vrij!
Maar hij voelde ook dat andere, waar hij de laatste nachten thuis wakker van had gelegen: alleen, alleen, zonder iemand, terwijl hij altijd in een huis vol drukte en mensen had gezeten, waar je alles met iedereen deelde.
Het waren bloedhete en benauwde dagen in september. Het raam van de kamer moest je met veel gekraak en gepiep omhoogtrekken en dan bleef het hangen aan halfvergane touwen. De eerste keer dat hij het deed, zag hij beneden op de hoek van de Ruysdaelstraat een jongetje, dat schrok van die herrie en omhoog keek maar toch zijn werk afmaakte: het slot forceren van de fiets die aan de lantaarnpaal vastzat. Rash kende de Schilderswijk goed genoeg om te weten dat het niks bijzonders was. Maar toch bleef het een tijdje door zijn kop spelen, niet dat het hier een crimineel zootje was – wat maakte dat hem uit – maar dat iedereen alleen met zichzelf bezig is.
Hij had de jongen even nagekeken toen hij op de fiets sprong en om de hoek verdween. Weg. Zo flits je hierheen en daarheen en je bent bezig met je eigen dingen. Zo’n fiets. Verkopen. Een paar tientjes. Geld opmaken. Verder maar weer. Maar zo’n leventje was niks voor Rash. Kleine criminaliteit is té klein. De rotmoeite niet. Hij zat lekker hier, dicht bij zijn school en zijn stageplaats – nee, hij zou echt geen fatsoenlijk mannetje worden – , en dan maar kijken wat het wordt.
Door het dunne, houten wandje hoorde hij de gabbersound van zijn buurman. Of was het happy hardcore? Het bleek dj Paul te zijn: ‘Don’t leave me alone.’ Het volume ging steeds harder. Het eentonige ritme stampte. Rash stond midden in zijn kamer en liet het maar eens lekker door zijn oren bonken. Best wel relaxed. Hij had zin om te gaan dansen, maar om zo op je eentje een nieuwe kamer in te wijden, nee. Er werd geklopt en een schorre stem riep op de gang: ‘Hé vriend, hoe is het?’

 

 2195057-d5bda14865233e21e69c5a063adff9d1.jpg
Hans Sahar (Al Hoceima, 24 november 1974)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e november ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 11:31 Reageer op dit bericht

Wen Yiduo, Laurence Sterne, Cissy van Marxveldt, Arundhati Roy, Carlo Collodi, Gerhard Bengsch, Ludwig Bechstein

De Chinese dichter en schrijver Wen Yiduo werd geboren op 24 november 1899 in Xishui, Hubei. Zie ook alle tags voor Wen Yiduo op dit blog.

 

Red Candle
                Tears will dry only when the candle burns out. — Li Shangyin

Oh, red candle!
So red a candle!
Oh, poet!
Show your heart to compare
Are they of the same color?

Oh, red candle!
Who is it that made the wax — gave you a body?
Who is it that lighted it — kindled your soul?
Why should the wax be burnt
To give out the light?
One wrong after another;
To contradict! To conflict!

Oh, red candle!
No wrong, no wrong!
Your light should be “burned” out —
This is just a natural way.

Oh, red candle!
Once made, just burn it!
Burn, just burn!
Break the dream of the world,
Boil the blood of the world —
To save their souls,
To destroy their hell!

Oh, red candle!
The time when your heart is kindled
Is the day your tears begin to run.

Oh, red candle!
The craftsman made you
Just for burning.
Why are you hurt and tearful?
Aha! I know it!
It is the remaining wind that disturbs your light,
You are reduced to tears
When your light sways!

Oh, red candle!
Just let your tears run! How can you hold them back?
Please let your essence
Ceaselessly run into the human world,
To bring about the consulate flowers
And to produce happy fruit!

Oh, red candle!
Each tear you drop, each fraction of heart you will break.
Heartbreak and tears are your result,
But creating light is your cause.

Oh, red candle!
“Ask not for gains, but for pains.”

 

 2195052-09beb0696de07cb0e66ac7a2b5900f70.jpg
Wen Yiduo (24 november 1899 – 15 juli 1946)
Cover

 

 

De Engels-Ierse schrijver Laurence Sterne werd geboren op 24 november 1713 in Clonmel, Tipperary, Ierland. Zie ook alle tags voor Laurence Sterne op dit blog.

Uit: The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman

“—De gustibus non est disputandum;—that is, there is no disputing against Hobby-Horses; and for my part, I seldom do; nor could I with any sort of grace, had I been an enemy to them at the bottom; for happening, at certain intervals and changes of the moon, to be both fidler and painter, according as the fly stings:—Be it known to you, that I keep a couple of pads myself, upon which, in their turns, (nor do I care who knows it) I frequently ride out and take the air;—though sometimes, to my shame be it spoken, I take somewhat longer journies than what a wise man would think altogether right.—But the truth is,—I am not a wise man;—and besides am a mortal of so little consequence in the world, it is not much matter what I do: so I seldom fret or fume at all about it: Nor does it much disturb my rest, when I see such great Lords and tall Personages as hereafter follow;—such, for instance, as my Lord A, B, C, D, E, F, G, H, I, K, L, M, N, O, P, Q, and so on, all of a row, mounted upon their several horses,—some with large stirrups, getting on in a more grave and sober pace;—others on the contrary, tucked up to their very chins, with whips across their mouths, scouring and scampering it away like so many little party-coloured devils astride a mortgage,—and as if some of them were resolved to break their necks.—So much the better—say I to myself;—for in case the worst should happen, the world will make a shift to do excellently well without them; and for the rest,—why—God speed them—e'en let them ride on without opposition from me; for were their lordships unhorsed this very night—'tis ten to one but that many of them would be worse mounted by one half before tomorrow morning.
Not one of these instances therefore can be said to break in upon my rest.—But there is an instance, which I own puts me off my guard, and that is, when I see one born for great actions, and what is still more for his honour, whose nature ever inclines him to good ones;—when I behold such a one, my Lord, like yourself, whose principles and conduct are as generous and noble as his blood, and whom, for that reason, a corrupt world cannot spare one moment;—when I see such a one, my Lord, mounted, though it is but for a minute beyond the time which my love to my country has prescribed to him, and my zeal for his glory wishes,—then, my Lord, I cease to be a philosopher, and in the first transport of an honest impatience, I wish the Hobby-Horse, with all his fraternity, at the Devil.
'My Lord, I maintain this to be a dedication, notwithstanding its singularity in the three great essentials of matter, form and place: I beg, therefore, you will accept it as such, and that you will permit me to lay it, with the most respectful humility, at your Lordship's feet—when you are upon them,—which you can be when you please;—and that is, my Lord, whenever there is occasion for it, and I will add, to the best purposes too. I have the honour to be,
My Lord,
            Your Lordship's most obedient,
            and most devoted,
            and most humble servant,
            Tristram Shandy.'

 

 2195052-65f74730248bce513d3c0bf83e42b6cf.jpg
Laurence Sterne (24 november 1713 – 18 maart 1768)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijfster Cissy van Marxveldt werd geboren in Oranjewoud op 24 november 1889. Zie ook alle tags voor Cissy van Marxveldt op dit blog.

Uit: Joop en haar jongen

“Schoonpapa van Dil zei: „Nee maar, nu geloof ik zeker, dat hij in zijn slaap gelachen heeft."
Leo zei. „Papa, als U dat lachen noemt, dan heeft hij tegen mij verleden week wakker al gelachen."
Grietje zei uit de veiligheid van haar keuken sottovoce : „Hij lachte al, toen hij veertien dagen was."
En ik boog me over het roode knuistje van Hans van Dil, oud vijf weken, en kuste het.
„Kom Papa," zei Leo, en hij nam Schoonpapa onder zijn arm, „gaat U weer mee achter in de tuin zitten? Of wilt U liever een stoel vlak naast de wagen van Uw kleinzoon hebben?"
',pat mag hij niet eens," zei ik en stak een hand door Schoonpapa's nog vrije arm. „Zoo'n kleine schat moet rust hebben. En als jullie aldoor over die wagen hangt — de lieve dot kan wel onder hypnose raken." Schoonpapa schaterde het uit. Hij heeft zoo'n volle lach, die uit zijn buik schijnt te komen. Hij klapte me op mijn hand. „Je neemt me niet kwalijk, he Jopie? Maar die nieuwe waardigheid van jou wind ik zoo verdraaid aardig."
„Hoe zou U het vinden," informeerde ik, „wanneer Tante Suzanna aldoor over Uw aanschijn hing, als U slaap hadt? En dan als maar lofliederen tong op Uw neus en Uw lach en Uw haar?"
Schoonpapa streek over zijn gansch kale schedel.
„Over dit laatste zou anders weinig te zingen zijn. Maar ik geef je toe, dat ik het toch criant vervelend vinden zou."
„O zoo," zei ik, „nu zoo denkt Uw naamgenoot er precies over."
Leo trachtte achter Schoonpapa's rug om aan mijn oor to trekken. ,
„Joost, je bent verschrikkelijk."
Ik knipoogde tegen hem, en plofte met een zucht van verrukking neer in een van onze witte tuinstoelen.”

 

 2195052-7920b7cefe3fefb05e7e1f4c31c05acc.jpg
Cissy van Marxveldt (24 november 1889 – 31 oktober 1948)
Cover

 

 

De Indiase schrijfster Arundhati Roy werd geboren op 24 november 1961 in Shillong. Zie ook alle tags voor Arundhati Roy op dit blog.

Uit: The God of Small Things

“And these are only the small things.
Anyway, now she thinks of Estha and Rahel as Them, because, separately, the two of them are no longer what They were or ever thought They'd be.
Ever.
Their lives have a size and a shape now. Estha has his and Rahel hers.
Edges, Borders, Boundaries, Brinks and Limits have appeared like a team under their eyes and they are as old as Ammu was when she died. Thirty-one.
Not old.
Not young.
But a viable die-able age.
They were nearly born on a bus, Estha and Rahel. The car in which Baba, their father, was taking Ammu, their mother, to hospital in Shillong to have them, broke down on the winding tea-estate road in Assam. They abandoned the car and flagged down a crowded State Transport bus. With the queer compassion of the very poor for the comparatively well off, or perhaps only because they saw how hugely pregnant Ammu was, seated passengers made room for the couple, and for the rest of the journey Estha and Rahel's father had to hold their mother's stomach (with them in it) to prevent it from wobbling. That was before they were divorced and Ammu came back to live in Kerala.
According to Estha, if they'd been born on the bus, they'd have got free bus rides for the rest of their lives. It wasn't clear where he'd got this information from, or how he knew these things, but for years the twins harbored a faint resentment against their parents for having diddled them out of a lifetime of free bus rides.
They also believed that if they were killed on a zebra crossing, the Government would pay for their funerals. They had the definite impression that that was what zebra crossings were meant for. Free funerals. Of course, there were no zebra crossings to get killed on in Ayemenem, or, for that matter, even in Kottayam, which was the nearest town, but they'd seen some from the car window when they went to Cochin, which was a two-hour drive away.”
of trolls on their separate horizons. Short creatures with long shadows, patrolling the Blurry End. Gentle half-moons have gathered

 

 2195052-7bfab0f3e4c55a357dbdf68c931e9b95.jpg
Arundhati Roy (Shillong, 24 november 1961)

 

 

De Italiaanse schrijver Carlo Collodi werd als Carlo Lorenzi op 24 november 1826 in Florence geboren. Zie ook alle tags voor Carlo Corrodi op dit blog.

Uit: Pinocchio (Vertaald door Carol Della Chiesa)

“Mastro Cherry grew dumb, his eyes popped out of his head, his mouth opened wide, and his tongue hung down on his chin.
As soon as he regained the use of his senses, he said, trembling and stuttering from fright:
"Where did that voice come from, when there is no one around? Might it be that this piece of wood has learned to weep and cry like a child? I can hardly believe it. Here it is--a piece of common firewood, good only to burn in the stove, the same as any other. Yet-- might someone be hidden in it? If so, the worse for him. I'll fix him!"
With these words, he grabbed the log with both hands and started to knock it about unmercifully. He threw it to the floor, against the walls of the room, and even up to the ceiling.
He listened for the tiny voice to moan and cry. He waited two minutes--nothing; five minutes--nothing; ten minutes--nothing.
"Oh, I see," he said, trying bravely to laugh and ruffling up his wig with his hand. "It can easily be seen I only imagined I heard the tiny voice! Well, well--to work once more!"
The poor fellow was scared half to death, so he tried to sing a gay song in order to gain courage.
He set aside the hatchet and picked up the plane to make the wood smooth and even, but as he drew it to and fro, he heard the same tiny voice. This time it giggled as it spoke:
"Stop it! Oh, stop it! Ha, ha, ha! You tickle my stomach."
This time poor Mastro Cherry fell as if shot. When he opened his eyes, he found himself sitting on the floor.
His face had changed; fright had turned even the tip of his nose from red to deepest purple.”

 

 2195052-3c30f267e9f88527fcdf745b1e3ae7c9.jpg
Carlo Collodi (24 november 1826 – 26 oktober 1890)

 

 

De Duitse schrijver Gerhard Bengsch werd geboren op 24 november 1928 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Gerhard Bengsch op dit blog.

Uit: Der Colonel von Cattenberg

"Deine Ironie zieht bei mir nicht", gab Jutta zurück. "Tatsache ist, dass uns Karl Ernst Hasselbach in der ersten Zeit alle Wege geebnet hat. Der kennt ja Gott und die Welt. Regierungsräte, Staatssekretäre, alles, was Einfluss hat auf dem Wirtschaftssektor."
Während Jutta noch ihr Loblied auf Hasselbach sang, trat der Gelobte selber vor uns hin, und Bruno machte uns bekannt. Hasselbach war ein Mann in mittleren Jahren mit merkwürdig fahler Gesichtsfarbe und nikotingelben Fingern. Man sah ihm auf den ersten Blick den starken Raucher an, und tatsächlich, kaum saß er, zündete er sich schon die erste Zigarette an. Essen wollte er nichts, nur was trinken. Er verfluchte die Hitze, tupfte sich Schweiß von der Stirn und fragte, ob der Vorschlag erlaubt sei, sich ins Haus zu setzen, dort sei es voraussichtlich kühler.
Hasselbachs Wunsch war den Gastgebern Befehl. Sollte das kaufmännische Wissen, das er in die Firma eingebracht hatte, tatsächlich soviel wert sein, dass ihm diese Aufmerksamkeit zustand?
Wir saßen noch nicht lange im Wohnzimmer, einem fünf mal zehn Meter großen Raum mit wuchtigen Korbsesseln und einem breiten Fenster mit Blick zum See, da zog Hasselbach das Gespräch an sich. Bier war sein Thema, Bier aller Sorten und Brauarten. Untergäriges und obergäriges Bier. Einfach-, Schank-, Voll- und Starkbier. Lager-, Export-, Märzen-, Nähr-, Malz- und Diätbier. Und das Reinheitsgebot. Und die Verletzung dieses Gebots durch die Brüsseler Bestimmungen, die für ihn ein liberaler Schwachsinn waren, ein Verbrechen am Bier. Überhaupt Brüssel. Hasselbachs fahles Gesicht wurde rot vor Zorn. Die deutschen Interessen kämen in der EU entschieden zu kurz, auch in der Plastikbranche.“

 2195052-7e3de3e20eb9f65d65cb85b296c5ab6a.jpg
Gerhard Bengsch (24 november 1928 – 11 maart 2004)

 

 

De Duitse dichter, schrijver, bibliothecaris en archibaris Ludwig Bechstein werd geboren op 24 november 1801 in Weimar. Zie ook alle tags voor Ludwig Bechstein op dit blog.

 

Alter Mann

"Mein Frühling ist verblüht,
Mein Sommer ist verglüht,
Mein Herbst ging schon zur Ruh,
Mein Winter ruft mir zu:
Nun schlafe!"

"Mein zitternd Haupt ist kahl,
Mein Lebenswein ist schaal,
Die Neige leert' ich aus,
Und schleiche still nach Haus,
Und schlafe."

„Ich suchte Glück und fand
Nur Jammer oder Tand.
Komm her, mein Wanderstab,
Nun such' ich mir ein Grab,
Und schlafe."

"Es hat recht tief geschneit,
Es ist nun Schlafenszeit,
Der morsche Stamm zerfallt,
Gut' Nacht, gut' Nacht o Welt!
Ich schlafe!" —

 

 

Mein Geburtstag

Ja, heut'' ist mein Geburtstag,
Heut' zähl' ich dreissig Jahr.
Schon dreissig, und ein Mann schon!
Es dünkt mir wunderbar.

Meine Träume waren kindisch,
War knabenhaft, was ich sann;
Mein Herz fühlt Jünglingswärme,
Mein Leib — ist schon ein Mann.

Ich sitze traurig und trübe
Einsam im Stübchen hier,
Und niemand will sich zeigen
Und will Glück wünschen mir.

Will auch nichts hören von Wünschen,
Will auch nichts wissen vom Glück,
Meine hingemordete Jugend
Gibt mir kein Wunsch zurück.

Nur eine heiße Zähre
Mir über die Wange rinnt,
Das ist zu meinem Geburtstag
Mein einziges Angebind.

 

 2195052-daa8b5fafb7dfa06f9d5cff0044cde4f.jpg
Ludwig Bechstein (24 november 1801 – 14 mei 1860)
Naar een lithografie van G. Bach, ca. 1840

Geschreven door Romenu om 11:30 Reageer op dit bericht

Paul Celan, Marcel Beyer, Max Goldt, Jennifer Michael Hecht, Sipko Melissen, Henri Borel, Sait Faik Abasıyanık, Nigel Tranter, Guy Davenport

De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celan op dit blog.

 

Stimmen

Stimmen, ins Grün
der Wasserfläche geritzt.
Wenn der Eisvogel taucht,
sirrt die Sekunde:

Was zu dir stand
an jedem der Ufer,
es tritt
gemäht in ein anderes Bild.

*

Stimmen vom Nesselweg her:

Komm auf den Händen zu uns.
Wer mit der Lampe allein ist,
hat nur die Hand, draus zu lesen.

*

Stimmen, nachtdurchwachsen, Stränge,
an die du die Glocke hängst.

Wölbe dich, Welt:
Wenn die Totenmuschel heranschwimmt,
will es hier läuten.

*
Stimmen, vor denen dein Herz
ins Herz deiner Mutter zurückweicht.
Stimmen vom Galgenbaum her,
wo Spätholz und Frühholz die Ringe
tauschen und tauschen.

*

Stimmen, kehlig, im Grus,
darin auch Unendliches schaufelt,
(herz-)
schleimiges Rinnsal.

Setz hier die Boote aus, Kind,
die ich bemannte:

Wenn mittschiffs die Bö sich ins Recht setzt,
treten die Klammern zusammen.

*

Jakobsstimme:

Die Tränen.
Die Tränen im Bruderaug.
Eine blieb hängen, wuchs.
Wir wohnen darin.
Atme, daß
sie sich löse.

*

Stimmen im Innern der Arche:

Es sind
nur die Münder
geborgen. Ihr
Sinkenden, hört
auch uns.

*

Keine
Stimme – ein
Spätgeräusch, stundenfremd, deinen
Gedanken geschenkt, hier, endlich
herbeigewacht: ein
Fruchtblatt, augengroß, tief
geritzt; es
harzt, will nicht
vernarben.

 

 

Schibboleth

Met al mijn stenen,
de grootgehuilde
achter de tralies,

sleepten ze mij
naar het midden van de markt,
daarheen,
waar de vlag openrolt, waarbij ik
geen enkele eed zwoer.

Fluit,
dubbele fluit van de nacht:
gedenk het donkere
tweelingsrood
in Wenen en Madrid.

Hijs halfstok je vlag,
herinnering.
Halfstok
voor heden en altijd.

Hart:
maak je ook hier bekend,
hier, in het midden van de markt.
Roep 't, het schibboleth, roep 't
de vreemdheid des vaderlands in :
Februari. No pasaran.

Eenhoorn:
je weet van de stenen,
je weet van de wateren,
kom,
ik leid je hier weg
naarde stemmen
van Estremadura.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 2194821-93bb5d4a8bff4c3f6be9c3190bc63553.jpg
Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)
Hier op een pasfoto uit 1938

 

 

De Duitse dichter, schrijver en essayist Marcel Beyer werd op 23 november 1965 in Tailfingen / Württemberg geboren. Zie ook alle tags voor Marcel Beyer op dit blog.

Uit: Das blindgeweinte Jahrhundert

„Photographieren heißt sterben lernen, rede ich laut vor mich hin, während ich eines Nachmittags in einer alten Ausgabe des LIFE-Magazins blättere und in der Leserbriefspalte an drei kleinen Photos hängenbleibe. Das erste zeigt einen Schimpansen im Zoologischen Garten in Berlin, wie er eine LEICA vor seinem Bauch hält und neugierig, wenn auch ein wenig ratlos zu untersuchen scheint. Bei den beiden anderen dagegen, das geht aus dem kurzen Begleitbrief des Einsenders hervor, handelt es sich um Schnappschüsse, die der Schimpanse selbst mit ebenjener LEICA gemacht hat. Aber ein Tier, und sei es ein Menschenaffe, sage ich fast noch im selben Augenblick, kann nicht sterben lernen, auch wenn er zu einer Kamera greift und es versteht, aus seinem Käfig heraus die Gesichter der hinter den Stäben sich drängelnden Zoobesucher abzulichten. Die Menschen – Frauen in hellen Kleidern, Männer mit Hut, für den Sonntagsausflug herausgeputzte Kinder – lachen, und wer würde nicht wenigstens lächeln müssen, wenn er beim Zoorundgang das Affenhaus erreicht und, noch ehe er die eigene Kamera in Anschlag bringen kann, feststellt, daß der Schimpanse seinerseits eine Kamera auf ihn richtet. Hinter der Menschenwand Sträucher und alte Bäume, auf dem dichten Laub liegt Sonnenlicht, niemand trägt einen Mantel, es herrscht Sommerstimmung in Berlin. Längst habe ich weitergeblättert, überfliege Artikel, betrachte Anzeigen, lese wie mit dem angefeuchteten Daumen, doch die Affenphotographien gehen mir nicht aus dem Kopf. Auf dem einen Schnappschuß, dem leicht verwackelten, erinnere ich mich, erscheint am linken Rand ein dunkler Schatten, ein Schatten in Menschenform, so nah am Käfig, daß ich ihn im ersten Moment nicht bemerkt habe. Tatsächlich steht dort ein Mann, hält seine Kamera hoch, schaut durch den Sucher und scheint in derselben Sekunde abzudrücken, da auch der Schimpanse abdrückt. Denn sterben lernen heißt einen photographierenden Menschenaffen mit der LEICA ablichten, und es wirkt, je länger ich das Bild betrachte, als sei das Auge des Photographen nicht hinter dem Sucherfenster verborgen, als blinzele es über die LEICA hinweg. Dies ist kein zufällig vor dem Schimpansenkäfig stehender Zoobesucher, wird mir klar, dies ist der Einsender der Bilder selbst, und wenn er in seinem Begleitbrief behauptet, der Affenwärter habe die Idee gehabt, seinem Schützling die LEICA in die Hand zu drücken, dann lügt er, um nicht unbescheiden dazustehen, zumal er auf einem der Photos abgebildet ist. Hilmar Pabel, so lautet die Unterschrift unter dem Leserbrief, der Name sagt mir nichts, und damit ist dieser mir unbekannte Mann aus dem LIFE-Magazin vom 5. September 1938 im Gedränge verschwunden.“

 

 2194821-11a16d0edf9bc88524c335bf775ea3c7.jpg
Marcel Beyer (Tailfingen, 23 november 1965)

 

 

De Duitse schrijver en muzikant Max Goldt (pseudoniem van Matthias Ernst) werd geboren op 23 november 1958 in Weende (nu Göttingen). Zie ook alle tags voor Max Goldt op dit blog.

Uit: Lippen abwischen und lächeln

„Schon schön, ein paar Tage auf Kosten zwar vermutlich unsympathischer, aber freigiebiger Funktionäre in einem RitzCarlton-Hotel zu verbringen. Schon schön, in der VIP-Etage von einem Konsortium internationaler junger Service-Damen, von Tove aus Schweden, Anna aus Prag, Laura aus Mexiko und Lorna aus Malaysia unentwegt bemuttert und betuddelt zu werden. You want ingwer musli? Yes! You want red wine? Yes! You want the Neue Zürcher Zeitung? Yes! Schon schön, in monsterweichen Riesensesseln zu versinken, in der Hauptstadt eines Gasstaates, den man wenige Wochen zuvor auf dem Globus nur mit Mühe hätte ausfindig machen können. Man schaut sich um, der Look ist einem durchaus nicht unbekannt. Auch in Deutschland gibt es Hotels, die sich bereits vollkommen dem Geschmack des Mittleren Ostens unterworfen haben, das Adlon in Berlin etwa oder der Breidenbacher Hof in Düsseldorf. In der VIP-Lounge gab es Buchregale, durch die sich lange Reihen prächtig ledergebundener, hundert Jahre alter, eigenartigerweise allerdings ausnahmslos schwedischer Konversationslexika zogen. Nicht lange dauerte es, bis uns auch der Fußballspieler Stefan Effenberg in Begleitung einer mit engen Dingen bekleideten Dame erschien. Er selbst trug kurze bunte Kinderhöschen und ließ Rotwein kommen. Die Kinderhöschen erregten mein Mißfallen. Wohlgefallen erregten natürlich hingegen die Zimmer. Man hatte uns tatsächlich in zweien der insgesamt sieben Präsidenten-Suiten untergebracht. Sie sahen aus wie Möbellager, die auf ein in einen farbenblinden Zweig der Gothic-Szene verlegtes Remake von «Ein Käfig voller Narren» warten. Auch in den dortigen feisten Betten hätte man sich der Lektüre antiquarischer schwedischer Nachschlagewerke widmen können, sie standen meterlang zur Verfügung.“

 

 2194821-0efc9e721c27e3a63ec33413cb86aae8.jpg
Max Goldt (Weende, 23 november 1958)

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Jennifer Michael Hecht werd geboren op 23 november 1965 in New York. Zie ook alle tags voor Jennifer Michael Hecht op dit blog.

 

Steady, Steady

I believe you can build a boat.
I believe you can get to water.
I do not believe you can get the boat on water.

How do other people bear
what you are still afraid of? The answer
is that when big things happen
you do go through the looking glass,
but it is still you who goes through,
the inner text is all still right to left,
so you just keep reading.

Because there is no boat and there is no water.
I stare at my tiny baby's face
but he so wriggles he can't quite be seen.
He grows steadier, more the blur
is gone; joins us in the myth of the stable.

Of the quakiness of infancy and old age
we shimmer and shimmy into being
and out again. In the mean-
time, we're horses in the stable of the myth.

A quick check of the ocean, or any fire,
is a reminder of how things seem;
I can't seem to see them.

You're on the beach and you find out the secretary
of defense thinks calico cats are agents of the devil.
Your friend asks if they get 10 percent.
She was funny, your friend.
The water in this metaphor
is unreal because of the way time passes,
so you can't quite get the boat on water,
but you can build the boat,

and a boat is good for a lot of things
not just on water.

Will we, without the boat on water,
always feel that we are missing
something basic to the picture?

No. That is what I'm trying to say.
It is important to let sense quiver;
even in this stable of the myth of stable,
even living aboard a boat mired
in mud in view of the sea.

Who wants yet another world?
It's enough already.

 

 2194821-1cfe1a6a1a3765f72ba2e1c00a72410f.jpg
Jennifer Michael Hecht (New York, 23 november 1965)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Sipko Melissen werd geboren in Scheveningen op 23 november 1944. Zie ook alle tags voor Sipko Melissen op dit blog.

Uit: Een kamer in Rome

“Die donderdagmiddag was ik op weg naar een café in de binnenstad waar ik een afspraak had met Stijn om te praten over The Real Life of Sebastian Knight. Stijn zou mij helpen het referaat om te werken tot een artikel voor The Nabokovian, het tijdschrift van The International Vladimir Nabokov Society. Mijn conclusie dat Nabokov zijn eerste in het Engels geschreven roman had gebruikt om een literaire beginselverklaring af te leggen, vond hij de moeite waard om aan een select publiek van geïnteresseerden voor te leggen.
Ik had de fiets laten staan en was gaan lopen in de hoop de onrust kwijt te raken die al dagenlang beslag op mij legde. De drie jongens voor mij hadden er de vaart in en aan hun manier van lopen was te zien dat ze plezier hadden. Ze stootten elkaar met de schouders aan, bogen zich tijdens het lopen naar elkaar toe zodat ze bijna struikelden. De jongen in het midden met lang blond haar tot op de schouders had het hoogste woord en lachte het uitbundigst. Ik bleef achter hen lopen alsof ik werd meegezogen en moest kijken naar de tekst op het t-shirt, alsof kijken kon leiden tot inzicht:
Niets is werkelijker dan het Niets. Beckett. Hoewel ik de betekenis niet onmiddellijk vatte, wist ik dat deze zin de grond wegnam onder de voeten van het winkelende publiek. Die zin van Beckett was een korte samenvatting van de meeste van mijn gedichten, zag ik ineens. Die gedichten gingen over de dood, niet omdat ik ervaring had met de dood of er bang voor was. De dood was een metafoor voor dat Niets waar alles het tegen aflegt, ook de werkelijkheid. Ook dit moment in de Leidsestraat, hoe werkelijk het ook leek. Over een seconde bestond het al niet meer.
Bij de Keizersgracht sloegen de jongens rechtsaf. Ik moest rechtdoor, naar de afspraak in Kapitein Zeppos, en voelde mij vrolijk worden en licht als een schip dat alles overboord heeft gegooid.
Niets is werkelijker dan het Niets. Als die uitspraak waar was, en hij was waar, waar maakte ik mij dan druk om? Ik was er nog niet aan toe om samen te wonen, had Carola gezegd en waarschijnlijk had zij gelijk.
Ik zou wel zien waar ik aan toe was.
Opgewekt, alsof ik zojuist bericht had gekregen geslaagd te zijn voor een belangrijk examen, kwam ik het café binnen waar Stijn al klaar zat achter een tafeltje met mijn artikel voor zich. De aantekeningen in de marge beloofden dat we hier nog wel even zouden zitten. Hoewel iedere Amsterdammer die het zich maar even kon permitteren, op dit uur en bij dit weer, op een terras was neergestreken, zaten wij binnen omdat literatuur het daglicht niet kon verdragen. Dixit Stijn Ravel.”

 

 2194821-0de4b24af8821e0a05181c972eb4bbe5.jpg
Sipko Melissen (Scheveningen, 23 november 1944)
Scheveningen, Kurhaus

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en journalist Henri Jean Francois Borel werd geboren in Dordrecht op 23 november 1869. Zie ook alle tags voor Henri Borel op dit blog.

 

Van eenzaamheid. Sonnetten.

I.
Uit Liefde's Lijden is omhoog gebeefd
Mijn reine ziel, ééns lief en warm gevangen
In banden van zacht gloeiend lijfsverlangen,
Waar ze' in een zoete slavernij geleefd ...

O! Lichte droomen, die mijn ziel verzweefd'!
Die avend-zachte oogen, bloeme-wangen,
Die lelieë-blanke handen! Lente-zangen
Van Liefste's stem! O Zaligheid doorleefd!

Toen is het àl verloren ... 'k Weet mijn klagen
Dat ik dit wreed Leed niet vermeet te dragen ...

En nu, mijn Ziel? Zoo eenzaam en verlaten,
Een eind'loos Schoon van vlakken, stillen stroom ...

Waar zijt gij nu, die u zoo droef-verwaten
Met mij opleefde' in éénen schoonen droom? ...

           

II.
Mijn ziel, zoo onbewust, in eeuwig droomen
Leeft heerlijk schoon in statiglijk bewegen,
Mijn ziel, die groote zee, waar langs veel wegen
De menschen eenmaal plachten gaan en komen.

O Vrienden, die zoo zacht en zoetjes plegen
U lucht te wieg'len op míjn mooie droomen,
Waar wáárt gij toen het Lijden was gekomen,
In stormen van hoog, grootmachtig bewegen?

Wáár was het zoete Lief? ... En al die vrinden? ...
Ik kon aan verren horizon niets vinden.

Zijt gij dan allen eeuwig, diep verzonken
In mijne ziel, dat ik nu eenzaam ben

In deez' immenze zee, licht opgeblonken,
Zóó groot, dat ik mijn gansche Zelf niet ken?

 

 2194821-7a588aa5ff148e9c02a0b481330ab773.jpg
Henri Borel (23 november 1869 – 31 augustus 1933)

 

 

De Turkse schrijver Sait Faik Abasıyanık werd geboren op 23 november 1906 in Adapazarı. Zie ook alle tags voor Sait Faik Abasıyanık op dit blog.

Uit: Hisht, Hisht!… (Vertaald door Ufuk Özdağ)

“When are you gonna cut the horsebeans?”
“They need some more time,” he said.
Like breathing air, I said, “hisht.”
And again, he gazed suspiciously at the sea, suspiciously at the sky, suspiciously at myself.
“It must be the birds,” I said.
“I, too, hear a swishing sound,” he said, “but from where? I am hard of hearing these days, in this ear.”
“You should get your ear washed out,” I said, “I too was hard of hearing a while ago . . . ”
“Did you have your ear washed out?”
“No, I did not. There was no need, I saw a doctor. He cleaned it all out, saying it was just dirt.
“How are the kids?” I asked.
“They’re fine,” he said. “It’s down to eight now, used to be nine. Y’know the story with the ninth . . .”
“Oh, don’t tell me,” I said. “Breaks my heart. Goodbye then, may God be with you.”
“So long.”
Just after I walked a few steps away:
Hisht hisht.
This time I got him. It was the gardener. It was him! It was him!
“Now, now, I got you this time!” I said.
“No, I swear,” he said, “I swear I haven’t cut the horsebeans yet. Why would I keep that from you? Don’t I take your money for them?”
“Didn’t you go ‘hisht hisht’?”
“I, too, keep hearing something, but from where?”
Let it come from wherever, it does not matter . . . from the mountains, from the birds, from the sea, from humans, from animals, from grass, from insects, from flowers. From wherever it comes, it doesn’t matter, as long as it is here with us! When no being cries hisht hisht, that is truly bad. As long as it is with us, hurray for the flowers, the insects, human beings —
Hisht hisht!
Hisht hisht!
Hisht hisht!
1A mysterious bird found in this story only.
2A rocky beach at Burgazada, the third largest of the Princes’ Islands in the Sea of Marmara, off the shore of Istanbul.”

 

 2194821-f21011d108dbf02dbdb20dd7d3f7bbed.jpg
Sait Faik Abasıyanık (23 november 1906 – 11 mei 1954)

 

 

De Schotse schrijver en historicus Nigel Tranter werd geboren op 23 november 1909 in Glasgow. Zie ook alle tags voor Nigel Tranter op dit blog.

Uit:The Bruce Trilogy

“With a choking, bubbling groan, the other collapsed sideways against the altar, handsome features contorted, limbs writhing, and slid to the stone floor.
Dazed, unseeing, Robert Bruce stood, panting for breath. The horrified shouting of the watchers by the door changed to action. Sir Robert Comyn, nearest, came running forward, drawing his sword. Nigel Bruce sprang after him, but the two clerics threw themselves in his way; while young Thomas stood appalled, paralyzed. Not so Seton. A veteran soldier, he knocked Master William to the ground with a single blow, and leaping over him, raced after Sir Robert.
Comyn's uncle, cursing in fury, rushed on Bruce, who stood unmoving, as though stunned by what he had done. He did not attempt to parry or even dodge the blow which the older man aimed at him.
The other's sword-thrust was rageful rather than shrewd. And Bruce, unlike his fallen enemy, had anticipated that this might be a day in which armour would he a wise precaution, and was clad in a jerkin of light chain-mail. The slashing angry swipe drove him staggering backwards against the altar, in turn, but the steel did not penetrate the mail.
With a great roar, Seton hurled himself upon Sir Robert, his own blade high. Down it crashed, not in any wild swiping but in sheerest expert killing, on the unprotected neck of the older man. Head all but severed by that one stroke, Robert Comyn fell, spouting fountains of blood, over the body of his nephew.
Nigel came running to his brother now. "Robert!" he cried. "You are hurt? Stricken? Curse him! Robert speak I God's mercy ---are you sore hurt?"
Bruce did not answer, did not so much as shake his head.
"Rob-answer me!" Nigel was running over his brother's steel-girt torso with urgent hands.
"He is but dazed, man," Seton panted. "His harness would save him ....
"Quick!" Thomas Bruce exclaimed, hurrying to them, and pointing backwards. "They have gone. The churchmen. To tell the others. The Comyns. They will be back. Seeking blood let us away from here."
"Aye," Seton agreed grimly. "That is sense, at least. Come. Take his arm. An arm each. He will be well enough. The other door. To the street. Haste you!"

 

 2194821-b2a1781bf662855816d6425b949bf551.jpg
Nigel Tranter (23 november 1909 – 9 januari 2000)
 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler, schilder en illustrator Guy Mattison Davenport werd geboren op 23 november 1927 in Anderson, South Carolina. Zie ook alle tags voor Guy Davenport op dit blog.

 

There's nothing now

There's nothing now
We can't expect to happen!
Anything at all, you can bet,
Is ready to jump out at us.
No need to wonder over it.
Father Zeus has turned
Noon to night, blotting out
The sunshine utterly,
Putting cold terror
At the back of the throat.
Let's believe all we hear.
Even that dolphins and cows
Change places, porpoises and goats,
Rams booming along in the offing,
Mackerel nibbling in the hill pastures.
I wouldn't be surprised,
I wouldn't be surprised.

 

 

Percussion, salt and honey

I
Percussion, salt and honey,
A quivering in the thighs;
He shakes me all over again,
Eros who cannot be thrown,
Who stalks on all fours
Like a beast.


II
Eros makes me shiver again
Strengthless in the knees,
Eros gall and honey,
Snake-sly, invincible.

 

 2194821-1f9b4e55689d8dff91de70a5c6a74c9b.jpg
Guy Davenport (23 november 1927 – 4 januari 2005)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e november ook mijn blog van 23 november 2017 en eveneens mijn blog van 23 november 2014 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:17 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten