Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 29 november 2018 tot 30 november 2018

Dennis Gaens, Christophe Vekeman, James Worthy, Y.M. Dangre, Reinier de Rooie, David Nicholls, Yasmine Allas, Jan G. Elburg, Jesús Carrasco

De Nederlandse dichter Dennis Gaens werd geboren in Susteren op 30 november 1982. Zie ook alle tags voor Dennis Gaens op dit blog.

 

Deze regels

Ik had niet verwacht jou hier aan te treffen, maar: gezellig, wees welkom.
Drinken staat in de koelkast, bier ligt in de groentela. Daar is de doos met foto’s.
Je bandjes heb ik ook nog ergens, maar het ontbreekt hier aan een manier om ze
af te spelen.

Zaten we vroeger niet dichter op elkaar? In auto’s van ouders onderweg naar iets
anders? Ik herinner me dat we veel hebben gepraat. Over later, over nu.

Er was die keer dat we Sebastiaan in de greppel langs het park hebben gegooid.
Er lagen stenen in. Sebastiaan had vel los hangen in zijn gezicht. Het zag er
niet uit. We dronken veel.

Is dat park er nog?

Hoe dan ook. De dingen lopen.
Je wil niet vechten, maar je moet.

Je moet of je verdwijnt.

 

 

Let them eat cake

Ouders praten met andere ouders; aan hun handen kinderen
die de tijd meten in plakkerigheid en ongeduldig hun vingers
uitstrekken naar de volgende attractie.

     Mijn vingertoppen jeuken.

Bij de botsauto's draait Danny sjekkies met één hand. Met de
andere houdt hij zich in evenwicht op de bumper van een auto
waarin een meisje van zestien zit. Aan zijn lippen hangen
stukjes vloei die geen speeksel kan losweken.

     Er worden constant muntjes in de grijpers gegooid.

De ogen van de draaimolenpaarden blijven je volgen, waar je
ook naartoe gaat. Jongetjes in vluchtauto's toeteren vergeefs
achter ronddraaiende koffiekopjes. Even verder wil een
vliegtuig niet opstijgen en staakt de piloot zijn pogingen na een
vooraf overeengekomen aantal rondjes.

     Om hier te overleven moet je kleurenblind worden.

Er komt een dag dat iedereen een standpunt in moet nemen;
een dat veilig, noch politiek, noch populair is. Omdat het moet.

Ik zoek iets schoons om suikerspinnen mee te roeren.

 

 2196790-f5042431a5cf6875c31bd4a7bb0487ce.jpg
Dennis Gaens (Susteren, 30 november 1982)

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter en performer Christophe Vekeman werd geboren in Temse op 30 november 1972. Zie ook alle tags voor Christophe Vekeman op dit blog.

Uit: Leven is werk

“Impotentie als ideaal OverJ.-K Huysmans

Toen begin 1988 in het Nederlandse Schiedam een tentoonstelling rond de figuur van J.-K. Huysmans gereed was voor de opening, ging een en ander op de valreep niet door. Een actiegroep had protest aangetekend tegen het evenement wegens het vermeend racistische karakter van Huysmans' boeken, en het gemeentebestuur van de stad in kwestie besloot dan maar, naar eigen zeggen om 'schadelijke discussies' te vermijden, te zwichten voor de uitgeoefende druk en de hele zaak af te gelasten. Dat in het Nederland van de jaren tachtig, zeg maar het pre-Fortuyntijdperk bij uitstek, de dolste spokenjagerij haast een nationaal kenmerk was, daarvan getuigt onder meer ook het feit dat in de loop van dit decennium W. F. Hermans door de stad Amsterdam tot persona non grata gebombardeerd werd. Ook Hermans was immers een malafide racist, dat viel als het ware zwart op wit te bewijzen, zo meenden de Amsterdammers in ernst. Maar barstte Hermans bij het vonnis allicht niet in hete tranen uit, Huysmans zal zich van het krakeel destijds nog minder hebben aangetrokken. Niet alleen was hij al meer dan tachtig jaar dood, bovendien had hij zijn leven lang ruimschoots de gelegenheid gehad om aan het fenomeen van de controverse te wennen. Het begon al bij zijn debuut, Marthe, het op naturalistische leest geschoeide relaas over een jonge prostituee en haar onafwendbare ondergang. De korte, naar toenmalige normen uiterst obscene roman met het platvloerse onderwerp verscheen in 1876 illegaal in Brussel. Korte tijd later werd de schrijver door de douane betrapt toen hij een koffer vol exemplaren over de grens wilde smokkelen. In 188o zag Croquis Parisiens het licht, een verzameling essays en artikels waarvan Le Gousset de meeste ophef veroorzaakte. Hierin poogt Huysmans de verscheidene geuren die een vrouwenoksel kan uitwasemen, gedetailleerd onder woorden te brengen. Ook als kunstcriticus zorgde hij steevast voor beroering, mede door zijn inconsequentie of althans drastisch veranderende smaak en opinies. Maakte hij in zijn roman En ménage uit 1881 de Venus van Milo zowat met de grond gelijk en noemde hij het Gare du Nord een even grote bezienswaardigheid als het Parthenon, geen tien jaar later zou hij in Certains (dat in 2001 bij uitgeverij Voetnoot onder de titel Voorkeuren in Nederlandse vertaling verscheen) tegen ieders verwachting in de Eiffeltoren verketteren en zijn collega-kunstenaars oproepen zich af te zetten tegen de moderne tijd en 'terug te keren naar het verleden'. Zelf schreef hij in deze periode een deels in de Middeleeuwen spelende grote roman, Là-bas (vertaald als Uit de diepte), die gezien het onderwerp — satanisme — opnieuw veel lezers en critici schokte.”

 

 2196790-065e15ddf0f4f9a3a8eebe08947f1bb2.jpg
Christophe Vekeman (Temse, 30 november 1972)

 

 

De Nederlandse schrijver James Worthy werd geboren in Amsterdam op 30 november 1980. Zie ook alle tags voor James Worthy op dit blog.

Uit: Zwarte Sylvester

“U hebt nog veertig niezen te leven,' zegt dokter Stroosnijder terwijl hij met de vingers van zijn linkerhand over de rode scheerbultjes in zijn hals gaat. `Dus mijn zoon gaat dood? Deze jongen hier, mijn knul, Sylvester, doe die zonnebril af! Deze jongen hier, mijn knul, Sylvester, ik vraag het nog één keer.' Rufus Opperman breekt in duizend kleine stukjes op de blauwe gymzaalvloer van het ziekenhuis. `Meneer Opperman, er zit een tumor in uw schedel. Een bijzonder snelgroeiend en onbehandelbaar stukje nieuwvorming. Door deze groei drukt de tumor steeds meer hersenweefsel weg en raken de hersens bekneld. Uw schedel staat op springen. U hebt nog veertig niezen te leven en dan is het einde oefening,' vervolgt de dokter zichtbaar aangedaan. Sylvester plukt de zonnebril van zijn neus en draait er rondjes mee. 'Dus jullie kunnen niets meer voor mij doen? Ik ben een soort Srebrenica? De mannen in witte jassen gaan met een bedroefd gezicht toekijken hoe ik langzaam maar zeker in de richting van een massagraf word gesleept? All that's necessaryfor the farces of mi to win in the world isfor enoughgood men to do nothing. Bent u bekend met het werk van Edmund Burke?' Sylvester zet zijn zonnebril weer op en steekt een mentholsigaret aan met een lucifer. `Meneer Opperman, u mag hier niet roken. We zijn in een ziekenhuis.' `Wilt u stoppen met dat gemeneer. Ik ben zeventien jaar en stervende, ik zal nooit een meneer worden.' `Sylvester, ik vraag het vriendelijk, doe die sigaret alsjeblieft nu uit.' `Vriendelijk? U, meneer, bent geen vriend. U bent de boodschapper van Magere Hein, de loopjongen van de duivel, u dealt in de dood. Deze vrouw hier naast mij, dat is pas een vriend.' `Wie is dat eigenlijk?' vraagt Rufus aan Sylvester, die over de knie van de vrouw wrijft. `Ik had al een slecht voorgevoel over vandaag. Pa, ken je het gevoel dat je voor de eerste keer de badkamer van een vrouw betreedt? Dat gevoel had ik vanochtend. Ik wist dat ik vandaag op iets verontrustends zou stuiten. Aambeienzalf, iets tegen schimmel, of zeven tandenborstels. Waarom heeft een alleenstaande vrouw in godsnaam zeven tandenborstels in huis?”

 

 2196790-fd70adc900fab3a8eebc99ffa8d4b591.jpg
James Worthy (Amsterdam, 30 november 1980)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Y.M. (Yannick) Dangre werd op 30 november 1987 geboren in Kapellen. Zie ook alle tags voor Y.M. Dangre op dit blog.

 

Ons worden

Wij worden oud en kinderlijk en denken
dat het went, dit stilzitten in elkaars mond,
met versleten tongen en zere knieën
wachten tot één van ons eindelijk begint
te lekken en de woorden sijpelen
op het tapijt, op de verleerde lippen
die de ander niet meer wil oprapen.
Nooit meer.

Wij worden oud en kinderlijk en denken
niet meer aan knielen tussen elkaars kiezen,
aan moedwillig aanspoelen in elkaars hemel
en gehemelte, want een zee van liefde
is verdroogd in dit salon van wij
die geen regenseizoen meer kennen.

Wij worden oud en kinderlijk en denken
het zonder moeite te weten: dit huis van liefde
staat al eeuwen onder water.

 

 

Oud recept

's Avonds, na het vele werken en beminnen
van andermans huizen, komen wij in elkaar
weer thuis, op onze tenen lopend
in elkaars stem, allebei dover en banger
om gesproken te worden.

Verschanst in onze keukens en zetels
en onvoltooide recepten voor minnaressen,
wachten wij dan het uur af, onze klokslag
wanneer wij elkaar met uitgerafelde gebaren
uitnodigen aan tafel, zwijgen en blijven
eten wat verzwegen wordt.

Zo sterft de avondmaaltijd elke dag
onze stille dood en worden wij
langzamerhand deze tafel, de houten
koppen van het geluk, blind voor onze
splinters en vlekken, want al tijden dekken wij
elkaar niet meer.

 

2196790-3b8ce5dbce43b26f2958036c81e884cf.jpg
 Y.M. Dangre (Kapellen, 30 november 1987)

 

 

De Nederlandse dichter Reinier de Rooie werd geboren op 30 november 1961 in Hengelo. Zie ook alle tags voor Reinier de Rooie op dit blog.

 

Kwatrijnen van klacht

laat de gedrochten hun geloofwaardigheid middels doekoes
maar donderpreken in deze grammaticale kerk waar de rat
snuffelt aan die table de téléphone en godganselijk tuuttuuttuut
het bewustzijn doordringt als lege tabakszak en idem kruik

dat je gemeden wordt als de pest is tot daaraan toe
- lolita zag ook ooit dat pukkels krabbaar zijn -
gruwzamer is dat neusje van paniek als staan de potten
pronkzuchtig te smeken om zon

september gehad en onder najaarslucht slinkt
de zoetgevooisde trol die nog wat nakucht
en hoest met de kachel maar mamma
het gaat al stukken beter kijk toch niet om

vloeibaar is wat ik aanhang vluchtig voorbij
zo elk moment kent duizend doden drieduizend
gemankeerde manieren van vaarwel en good goan
zo elk moment kan tijden duren onherhaalbaar

 

 

hij ging

hij ging met een afwerend gebaar
voorbij aan de laatste wisselwerking
en sprak in vloeiend mandarijn:
who shi yi tiao he
en ik zag hem verder stromen
onbewust van de vele stemmen langs zijn oevers
en elk kanaal werd mij een schaamte

 

 2196790-ee3df4f2d697eac114f1e840b405de9e.jpg
Reinier de Rooie (Hengelo, 30 november 1961)

 

 

De Engelse schrijver David Nicholls werd geboren op 30 november 1966 in Eastleigh, Hampshire. Zie ook alle tags voor David Nicholls op dit blog.

Uit: Us

“Our son Albie would be leaving the family home in October and all too soon afterwards so would my wife. The events seemed so closely linked that I couldn't help thinking that if Albie had flunked his exams and been obliged to retake, we might have had another good year of marriage.
But before I say any more about this and the other events that took place during that particular summer, I should tell you a little about myself and paint some sort of 'portrait in words'. It shouldn't take long. My name is Douglas Petersen and I am fifty-four years old. You see that intriguing final `e' in the Petersen? I'm told it's the legacy of some Scandinavian heritage, some great-grandfather, though I have never been to and have no interesting stories to tell about Scandinavia. Traditionally, Scandinavians are a fair, handsome, hearty and uninhibited people and I am none of those things. I am English. My parents, both deceased now, raised me in Ipswich; my father a doctor, my mother a teacher of biology. 'Douglas' came from her nostalgic affection for Douglas Fairbanks, the Hollywood idol, so there's another red herring right there. Attempts have been made over the years to refer to me as 'Doug' or Bougie' or Boogie'. My sister, Karen, self-proclaimed possessor of the Petersen's sole 'big personality', calls me 'D', 'Big D', 'the D-ster' or 'Professor D' — which, she says, would be my name in prison — but none of these have stuck and I remain Douglas. My middle name, incidentally, is Timothy, but it's not a name that serves anyone particularly well. Douglas Timothy Petersen. I am, by training, a biochemist. Appearance. My wife, when we first met and felt compelled to talk constantly about each other's faces and personalities and what we loved about each other and all of that routine, once told me that I had a 'perfectly fine face' and, seeing my disappointment, quickly added that I had 'really kind eyes', whatever that meant. And it's true, I have a perfectly fine face, eyes that may well be 'kind' but are also the brownest of browns, a reasonable-sized nose and the kind of smile that causes photographs to be thrown away. What can I add? Once, at a dinner party, the conversation turned to 'who would play you in the film of your life?' There was a lot of fun and laughter as comparisons were made to various film stars and television personalities. Connie, my wife, was likened to an obscure European actress, and while she protested — 'she's far too glamorous and beautiful', etc. — I could tell that she was flattered.”

 2196790-87c73289f6268bb0ce30e4216a205989.jpg
<David Nicholls (Hampshire, 30 november 1966)

 

 

De Nederlandse schrijfster en actrice Yasmine Allas werd geboren op 30 november 1967 in Mogadishu in Somalië. Zie ook alle tags voor Yasmine Allas op dit blog.

Uit: A Handed-Down History (Een nagelaten verhaal, vertaald door Joni Zwart)

‘Tradition... a man without tradition is a man without balls,’ the grey Lucifer said to him. He rasped as if his vocal cords were made of sand paper.
‘Dear Sirs, before you sits my friend. I speak on his behalf,’ Guuleed said.
‘We have come because my friend wishes to declare his love for your beloved daughter. We have come to ask your consent for his marriage to her. Please do not cherish the hope that very many or very long words shall be used in doing so. It is not in my friend’s nature to speak much.’
‘Love?’ said the Lucifer, raising his left eyebrow. ‘What do you mean by “love”? Perhaps I should make it clear that this is a matter of respect. Namely, what a man has to offer a woman and her family. This is about his good name and above all his ancestry. Surely you know that a wise man who wants to start a family, who wants to build a future, has no misconception that love has anything to do with it? What self-respecting man would even use the word?
Character, respect, power and above all honour: these are what men are valued for. It is different, of course, for a woman. For women, life is about fertility, beauty, modesty and sacrifice.’
Then Diiriye turned to the Stranger. ‘This concerns you. You are the man who has come to ask for my daughter’s hand, but you haven’t said a word yet.’
‘As you have heard,’ the Stranger answered, ‘Guuleed, my friend and a member of my clan, has expressed my wishes.’
‘What do you have to offer my daughter?’ Diiriye persisted.
The Stranger slowly shook his head. He seemed deep in thought.
‘Nothing,’ he said after a long while. ‘I need your daughter’s help to get to know life. Besides that, I very much wish to love her.’
‘In that case, gentlemen,’ said Diiriye, ‘seeing as I am Zeyneb’s father after all, I shall now make the decision. I shall be brief.’
He turned toward the Stranger, who looked straight ahead.
‘I am sorry; I cannot grant to you something that I have already given away.
As my kind, but wilful daughter has probably told you, I have promised her to another man. To a young man who knows what he has to offer both my daughter and her family. He is the son of Dhahar and a member of our family.’

 

 2196790-c4eb367067160d3909d9f935aaea9611.jpg
Yasmine Allas (Mogadishu, 30 november 1967)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan G. Elburg werd geboren op 30 november 1919 te Wemeldinge. Zie ook alle tags voor Jan G. Elburg op dit blog.

 

Hoe...

Hoe noem ik mijzelf als het groen wier regent,
als de lente losbreekt, de zon nog stamelt?
Regis de Appelsap, ruwaart, regent
van het duifkoerend grijs van mijn liefstes waterland?
Ik zal mij de minnaar noemen!

Heb ik gedacht aan de mond die ook nu niet
boterham eten kan, prijzen den Heer?
Ja ik, sinds langen tijd, zonder verschiet
dat nu de groenen zaait in de laagvenen.
Mocht ik de feestvierder eerder niet wezen?
Neen ik, geenszins.

Neem ik het land als de mussen de pannekoek
- pik van mijn vensterbank - cheerful aanvaarden?

Neem ik de optochten bomen tot aan de
uitwegen, 't opgroeiend kroos van de bladeren
aan in mijn bloed?

Hoe noem ik mijn schoenen wanneer de grintpaden
weer hart voor mij hebben, de dorpen aanschouwen
van achter zonlichts geribbelde paarden?
Herwaarts en Derwaarts, mijn open landauers.
Hoe noem ik mijzelf als de weerhanen slapen?
Ik zal mij de minnaar noemen.

 

 

Pijlsnel

Stilzitten, door moeders
in de wandeling kouvatten genoemd
en paps met de vlieger in touw.

ik hoop dat dit overkomt
zoals het werd opgelaten:
losse hoest, een gemakkelijke code
codeïne gelijk
voor ongeneselijke opgevers.

sprekend dit heer hier,
halverwege de elfde regel
alweer in staat om weg te spuiten

omziend naar minder verouderend emplooi
gekonfronteerd met eigen
pijlsnel achterhaalde beelden.

 

 2196790-f1dded5382607ee654654f119ba0d5a6.jpg
Jan G. Elburg (30 november 1919 – 13 augustus 1992)
Cover 

 

 

De Spaanse schrijver Jesús Carrasco werd geboren in Badajoz, Extremadura, op 30 november 1972. Zie ook alle tags voor Jesús Carrasco op dit blog.

Uit: De vlucht (Vertaald door Arie van der Wal)

“Dat de familie voor de zoveelste keer in het ongeluk was gestort en dat God zojuist een stuk van zijn vlees had losgerukt. Hij schudde zijn hoofd, dat hij tussen zijn knieën had gestoken, alsof hij daarmee die gedachten van zich af kon zetten. Het beeld van zijn vader, zorgzaam en onderdanig, kwam weer bij hem boven, in gezelschap van de dorpsrechter. Een scène die als geen andere allerlei onlustgevoelens in zijn lichaam opriep. Hij spitste zijn oren zo goed hij kon maar vond geen spoor van de stem van de rechter, en zelfs die afwezigheid maakte hem bang. Hij stelde zich voor hoe hij met een sigaret in zijn mond achter de rij mannen aan liep die op dat moment de olijfboomgaard uitkamden, schoppend tegen de kluiten aarde of zich lusteloos bukkend om een olijf op te rapen die na het laatste schudden van de bomen was blijven liggen. De horlogeketting die onder zijn jas uitkwam. De bruine vilthoed, het strikje, de stijve boord, de rijkelijk met suikerwater bewerkte snor.
De stem van een man op een paar meter van de kuil haalde hem uit zijn overpeinzingen. Het was de schoolmeester. Hij praatte met iemand een eindje verderop. De jongen voelde zijn hart sneller kloppen en het bloed omhoogstuwen in zijn lichaam. De pijn, na uren in elkaar gedoken te hebben gezeten, dwong hem naar buiten. Hij overwoog de mogelijkheid er op dat moment mee te stoppen en zo zijn ongerief op te heffen. Hij had niemand vermoord, niets gestolen en de naam van God niet ijdel gebruikt. Hij stond op het punt de takken die zijn schuilplaats bedekten opzij te schuiven en de aandacht te trekken van de mannen die het dichtstbij waren. Een van hen zou dan de ander vragen stil te zijn en daarna zijn hoofd draaien om zich te oriënteren op de richting van het geluid. Ze zouden blikken wisselen en heimelijk naar de hoop twijgen lopen, twijfelend of dat wat ze zouden aantreffen een konijn of de vermiste jongen zou zijn. Dan zouden ze de takken wegtrekken en hem ineengekrompen op de bodem zien liggen. Hij zou net doen of hij bewusteloos was en dat zou, gevoegd bij de kleiresten, zijn vochtige kleren en zijn vuile haar, het beeld van zijn triomf vormen. Hij zou zich op zijn minst verzekeren van een glorieus moment. Honger maakt rauwe bonen zoet.”

 

 2196790-174af3ad273affa68c633202678aa462.jpg
Jesús Carrasco (Badajoz, 30 november 1972)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e november ook mijn blog van 30 november 2016 en ook mijn blog van 30 november 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:12 Reageer op dit bericht

Mario Petrucci, George Szirtes, Jean Senac, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis, Wilhelm Hauff, Louisa May Alcott, Franz Stelzhamer

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook alle tags voor Mario Petrucci op dit blog.

 

Fence

This side of the fence
is clean. That side
dirty. Understand?

You must forget
that soil is like skin.
Or interlocking scales

on a dragon. Dirty
Clean - is all that matters
here. Imagine a sheet

of glass coming down
from the sky. It's easy
no? On this side

you can breathe
freely. Your cow can
eat the grass. You can

have children. That side
you must wear a mask
and change the filter

every four hours.
You ask - What if my cow
leans over the fence?

Personally I say
it depends which end. But
we have no instructions

for that. It is up to you
to make sure your cow
is not so stupid.

 

 

Halves

the blade drops
& both half-oranges
rock upon their backs as

beetled species made
zestful but without
the frantic legs

enlarged in heat
to overbrightly dribble
sap in that broken moment

after insect sex which could be
love yet dictates each rolls
apart to undercarriage

straight-grained ex
-posed in falling apart
where one gains access

to tarter matters animal
or vegetable softly to
be consumed for

rind is hard on us
unscooped or what
the starveling leaves

behind or am I for
getting I was once in
heart fruit-perfect & un-

halved?

 

 2196482-d13c80048f552f2b00efc22a625a9fe4.jpg
Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)

 

 

De Britse dichter en schrijver George Szirtes werd geboren op 29 november 1948 in Boedapest. Zie ook alle tags voor George Szirtes op dit blog.

 

My Fathers, Coming And Going

Moustaches and grey homburgs: our fathers were
Defined by properties acquired by chance—
Or by divine decree. Standing behind her

In rooms, on stairs, figures of elegance,
They came and went in a murmur of soft voices,
Objects of bewilderment and romance.

How many of them on the premises?
Some worked twelve hours a day in an office
In the city, some placed bristly kisses

On our brows, some would simply embarrass
Us for no particular reason. Their age
Was indeterminate. They would promise

Anything befitting their patronage.
Were all these fathers one? And was it you,
My father, who pushed me in that carriage

I can't remember now before time flew
And took her away as it will take us all?
I feel myself flying. It's like passing through

Clouds in an aeroplane in its own bubble
Of air, a slightly bumpy ride down
Towards a runway as we rise and fall

Above the brilliant lights of a big town.

 

 

Like A Black Bird

Like a black bird against snow, he flapped
Over the path, his overcoat billowing
In the cold wind, as if he had trapped

The whole sky in it. We watched trees swing
Behind him, lurching drunkenly, blurred
Bare twigs and branches, scrawny bits of string,

And as we gazed ahead the snowflakes purred
In our ears, whispering the afternoon
Which grew steadily darker and more furred.

His face was in shadow, but we'd see it soon.
As he approached it slowly gathered shape:
His nose, in profile, was a broken moon,

His hat a soft black hill bound round with tape,
His raised lapels held his enormous eyes
Between them. The winter seemed to drape

Itself about him as if to apologise
For its own fierceness, hoping to grow warm
Through physical contact, and we, likewise,

Ran towards him, against a grainy storm
Of light and damp. It was so long ago
And life was then in quite another form,

When there were blacker days and thicker snow.

 

 2196482-3ef30eb8a53a01d7a7280006e0e2c45b.jpg
George Szirtes (Boedapest, 29 november 1948)

 

 

De Algerijnse, Franstalige, dichter en schrijver Jean Senac werd geboren op 29 november 1926 in Beni Saf in de regio Oran. Zie ook alle tags voor Jean Senac op dit blog.

 

Out Of My Algeria

Out of my Algeria
they made the prisons taller
than the schools.
They sullied the nocturnal roots
of the People,
the serious Tree
of the remote Berbérie...
They denied the certainty of our Land,
they tore apart Islam, its color,
its fantastical tribes, even the shame
that makes them live.
They denied the Vital Fire, our Flag
They exiled the humble joys of our huts
slow at the return of corn...
Blind! Blind!
On my Infinite People
they applied the whip without understanding
the power of books,
the rhythm of our blood,
our right to sacrifice,
to impatience.
Our whole body refused it.
Prisoners of their forfeiting
they listen to the dark crashes of the sticks
that mingle with the wind
following powder.
Without sight and without words
they assign the precise patrol
among raisins,
its halt under the dark pride of pines
at the detour of furious crossings,
the resumed cry of the Patriots
from which freedom falls like an eagle.

 

 

Miroir de l'églantier

Feu de sarments dans tes yeux
Feu de ronces sur tes joues
Feu de silex sur ton front
Feu d'amandes sur tes lèvres
Feu d'anguilles dans tes doigts
Feu de laves sur tes seins
Feu d'oranges dans ton coeur
Feu d'oeillets à ta ceinture
Feu de chardons sur ton ventre
Feu de glaise à tes genoux
Feu de bave sous tes pieds
Feu de sel et feu de boue
un incendie réel
tout droit sur la falaise
un faisceau de saveurs
où je me reconnais

Mère ma ténébreuse

 

 2196482-ff32bc16281a320c197abe1b48aab794.jpg
Jean Senac (29 november 1926 – 30 augustus 1973)
Cover

 

 

De Italiaanse schrijver, schilder, arts en politicus Carlo Levi werd geboren op 29 november 1902 in Turijn. Zie ook alle tags voor Carlo Levi op dit blog.

Uit: Christ Stopped at Eboli (Vertaald door Frances Frenaye)

“No one has come to this land except as an enemy, a conqueror, or a visitor devoid of understanding. The seasons pass today over the toil of the peasants, just as they did three thousand years before Christ; no message, human or divine, has reached this stubborn poverty. We speak a different language, and here our tongue is incomprehensible. The greatest travelers have not gone beyond the limits of their own world; they have trodden the paths of their own souls, of good and evil, of morality and redemption. Christ descended into the underground hell of Hebrew moral principle in order to break down its doors in time and to seal them up into eternity. But to this shadowy land, that knows neither sin nor redemption from sin, where evil is not moral but is only the pain residing forever in earthly things, Christ did not come. Christ stopped at Eboli.
I arrived at Gagliano one August afternoon in a rattling little car, I was wearing handcuffs and I was escorted by two stalwart servants of the State with vertical red bands on their trousers, and expressionless faces. I arrived reluctantly and ready for the worst, because sudden orders had caused me to leave Grassano where I had been living and where I had learned to know the region of Lucania. It had been hard at first. Grassano, like all the villages hereabouts, is a streak of white at the summit of a bare hill, a sort of miniature imaginary Jerusalem in the solitude of the desert.
I liked to climb to the highest point of the village, to the wind-beaten church, where the eye can sweep over an endless expanse in every direction, identical in character all the way around the circle. It is like being on a sea of chalk, monotonous and without trees. There are other villages, white and far away on the tops of their hills, Irsina, Craco, Montalbano, Salandra, Pisticci, Grottole, Ferrandina, the haunts and caves of the brigands; and beyond the reach of vision lies the sea, and Metaponto, and Taranto. I felt that I had come to understand the hidden virtues of this bare land and to love it; I had no mind to change. I am by nature sensitive to the pangs of separation and for this reason I was anything but well disposed toward the new village where I had to adapt myself to living. I looked forward, however, to the trip from one locality to the other and to the chance of seeing places I had heard so much about, and had pictured in fancy, beyond the mountains hemming in the Basento Valley.”

 

 2196482-51d12f4fdf39180113450f3d62bc4f81.jpg
Carlo Levi (29 november 1902 – 4 januari 1975)
Poster voor de gelijknamige film uit 1979

 

 

De Belgische schrijver Jean-Philippe Toussaint werd op 29 november 1957 geboren in Brussel. Zie ook alle tags voor Jean-Philippe Toussaint op dit blog.

Uit: De waarheid omtrent Marie (Vertaald door Marianne Kaas)

“Later, terugdenkend aan de duistere uren van die gloeiend hete nacht, drong het tot me door dat we, Marie en ik, op hetzelfde moment de liefde hadden bedreven, maar niet met elkaar. Op een bepaald tijdstip van die nacht – het was de eerste warme periode van het jaar, die abrupt had ingezet, drie dagen achtereen 38°C in Parijs en omstreken, en de temperatuur kwam nooit onder de 30°C – bedreven Marie en ik de liefde in Parijs, in appartementen hemelsbreed op nauwelijks een kilometer van elkaar verwijderd. Aan het begin van de avond kwam de gedachte uiteraard niet bij ons op, en ook later niet, of op enig ander moment, het was simpelweg ondenkbaar, dat we elkaar die nacht zouden zien, dat we voor het aanbreken van de dag samen zouden zijn, en dat we elkaar zelfs even zouden omhelzen in onze flat, in de donkere gang waar alles verstoord was. Gezien het tijdstip waarop Marie thuiskwam (in ons huis, of eigenlijk in haar huis, ik zou nu haar moeten zeggen, want al bijna vier maanden woonden we niet meer onder hetzelfde dak), en gezien het feit dat ik om vrijwel dezelfde tijd was teruggekeerd, niet alleen, ik was niet alleen – maar met wie ik was doet weinig ter zake, daar gaat het niet om – in de kleine tweekamerflat waarin ik sinds we uit elkaar waren gegaan mijn intrek had genomen, zal het naar alle waarschijnlijkheid bij benadering twintig over een, op z’n laatst halftwee ’s nachts zijn geweest toen Marie en ik die nacht in Parijs op hetzelfde moment de liefde bedreven, beiden lichtelijk aangeschoten, onze warme lichamen in het schemerduister, het raam waardoor geen zuchtje frisse lucht de kamer binnenkwam, wijd open. De lucht, die roerloos was, zwaar, onweersachtig, koortsig haast, verkoelde de atmosfeer niet, maar versterkte de lichamen eerder in het passieve en extreme gevoel van benauwdheid veroorzaakt door de hitte. Het was nog voor twee uur ’s nachts – dat weet ik, ik heb gekeken hoe laat het was toen de telefoon ging. Maar wat de precieze chronologie van die nacht betreft houd ik me maar liever op de vlakte, want het gaat toch om het lot van een man, of om zijn dood, nog lang zou niet bekend zijn of hij in leven zou blijven of niet.”

 

 2196482-adf481fc2534ee727cae190f6c4e91ee.jpg
Jean-Philippe Toussaint (Brussel, 29 november 1957)

 

 

De Ierse schrijver C. S. Lewis werd geboren op 29 november 1898 in Belfast. Zie ook alle tags voor C. S. Lewis op dit blog.

Uit: The Business of Heaven

“Restoration of the Bible on Its Own Terms
January 29
Unless the religious claims of the Bible are again acknowledged, its literary claims will, I think, be given only 'mouth honour' and that decreasingly. For it is, through and through, a sacred book. Most of its component parts were written, and all of them were brought together, for a purely religious purpose. It contains good literature and bad literature. But even the good literature is so written that we can seldom disregard its sacred character. It is easy enough to read Homer while suspending our disbelief in the Greek pantheon; but then the Iliad was not composed chiefly, if at all, to enforce obedience to Zeus and Athene and Poseidon. The Greek tragedians are more religious than Homer, but even there we have only religious speculation or at least the poet's personal religious ideas; not dogma. That is why we can join in. Neither Aeschylus nor even Virgil tacitly prefaces his poetry with the formula 'Thus say the gods'. But in most parts of the Bible everything is implicitly or explicitly introduced with 'Thus saith the Lord'. It is, if you like to put it that way, not merely a sacred book but a book so remorselessly and continuously sacred that it does not invite, it excludes or repels, the merely aesthetic approach. You can read it as literature only by a tour de force. You are cutting the wood against the grain, using the tool for a purpose it was not intended to serve. It demands incessantly to be taken on its own terms: it will not continue to give literary delight very long except to those who go to it for something quite different. I predict that it will in the future be read as it always has been read, almost exclusively by Christians.

What Are We to Make of Christ?
February 1
`What are we to make of Christ?' There is no question of what we can make of Him, it is entirely a question of what He intends to make of us. You must accept or reject the story. The things He says are very different from what any other teacher has said. Others say, 'This is the truth about the universe. This is the way you ought to go', but He says, 'I am the Truth, and the Way, and the Life.' He says, 'No man can reach absolute reality, except through Me. Try to retain your own life and you will be inevitably ruined. Give yourself away and you will be saved.' He says, 'If you are ashamed of Me, if, when you hear this call, you turn the other way, I also will look the other way when I come again as God without disguise. If anything whatever is keeping you from God and from Me, whatever it is, throw it away. If it is your eye, pull it out. If it is your hand, cut it off. If you put yourself first you will be last. Come to Me everyone who is carrying a heavy load, I will set that right. Your sins, all of them, are wiped out, I can do that. I am Rebirth, I am Life. Eat Me, drink Me, I am your Food. And finally, do not be afraid, I have overcome the whole universe.” That is the issue.”

 

 2196482-9af64a152816fa7580b9b945a4332f0a.jpg
C.S. Lewis (29 november 1898 – 22 november 1963)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Wilhelm Hauff werd geboren inStuttgart op 29 november 1802. Zie ook alle tags voor Wilhelm Hauff op dit blog.

Uit: Der junge Engländer oder Der Affe als Mensch

„Im südlichen Teil von Deutschland liegt das Städtchen Grünwiesel, wo ich geboren und erzogen bin. Es ist ein Städtchen, wie sie alle sind. In der Mitte ein kleiner Marktplatz mit einem Brunnen, an der Seite ein kleines altes Rathaus, umher auf dem Markt das Haus des Friedensrichters und der angesehensten Kaufleute, und in ein paar engen Straßen wohnen die übrigen Menschen. Alles kennt sich, jedermann weiß, wie es da und dort zugeht, und wenn der Oberpfarrer oder der Bürgermeister oder der Arzt ein Gericht mehr auf der Tafel hat, so weiß es schon am Mittagessen die ganze Stadt. Nachmittags kommen dann die Frauen zueinander in die Visite, wie man es nennt, besprechen sich bei starkem Kaffee und süßem Kuchen über diese große Begebenheit, und der Schluß ist, daß der Oberpfarrer wahrscheinlich in die Lotterie gesetzt und unchristlich viel gewonnen habe, daß der Bürgermeister sich »schmieren« lasse, oder daß der Doktor vom Apotheker einige Goldstücke bekommen habe, um recht teure Rezepte zu verschreiben. Ihr könnet Euch denken, wie unangenehm es für eine so wohleingerichtete Stadt wie Grünwiesel sein mußte, als ein Mann dorthin zog, von dem niemand wußte, woher er kam, was er wollte, von was er lebte. Der Bürgermeister hatte zwar seinen Paß gesehen, und in einer Kaffeegesellschaft bei Doktors geäußert, der Paß sei zwar ganz richtig visiert von Berlin bis nach Grünwiesel, aber es stecke doch was dahinter; denn der Mann sehe etwas verdächtig aus. Der Bürgermeister hatte das größte Ansehen in der Stadt; kein Wunder, daß von da an der Fremde als eine verdächtige Person angesehen wurde. Und sein Lebenswandel konnte meine Landsleute nicht von dieser Meinung abbringen. Der fremde Mann mietete sich für einige Goldstücke ein ganzes Haus, das bisher öde gestanden, ließ einen ganzen Wagen voll sonderbarer Gerätschaften, als Öfen, Kunstherde, große Tiegel und dergleichen hineinschaffen und lebte von da an ganz für sich allein. Ja, er kochte sich sogar selbst, und es kam keine menschliche Seele in sein Haus als ein alter Mann aus Grünwiesel, der ihm seine Einkäufe in Brot, Fleisch und Gemüse besorgen mußte. Doch auch dieser durfte nur in die Flur des Hauses kommen, und dort nahm der fremde Mann das Gekaufte in Empfang.
Ich war ein Knabe von zehen Jahren, als der Mann in meiner Vaterstadt einzog, und ich kann mir noch heute, als wäre es gestern geschehen, die Unruhe denken, die dieser Mann im Städtchen verursachte. Er kam nachmittags nicht wie andere Männer auf die Kugelbahn, er kam abends nicht ins Wirtshaus, um wie die übrigen bei einer Pfeife Tabak über die Zeitung zu sprechen.“

 

 2196482-5d732a504c28c558563f3870b6599318.jpg
Wilhelm Hauff (29 november 1802 – 18 november 1827)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijfster Louisa May Alcott werd geboren op 29 november 1832 in Germantown, Pennylvania. Zie ook alle tags voor Louisa May Alcott op dit blog.

Uit: Little Men. Life at Plumfield With Jo's Boys

“While Nat takes a good long sleep, I will tell my little readers something about the boys, among whom he found himself when he woke up.
To begin with our old friends. Franz was a tall lad, of sixteen now, a regular German, big, blond, and bookish, also very domestic, amiable, and musical. His uncle was fitting him for college, and his aunt for a happy home of his own hereafter, because she carefully fostered in him gentle manners, love of children, respect for women, old and young, and helpful ways about the house. He was her right-hand man on all occasions, steady, kind, and patient; and he loved his merry aunt like a mother, for such she had tried to be to him.
Emil was quite different, being quick-tempered, restless, and enterprising, bent on going to sea, for the blood of the old vikings stirred in his veins, and could not be tamed. His uncle promised that he should go when he was sixteen, and set him to studying navigation, gave him stories of good and famous admirals and heroes to read, and let him lead the life of a frog in river, pond, and brook, when lessons were done. His room looked like the cabin of a man-of-war, for every thing was nautical, military, and shipshape. Captain Kyd was his delight, and his favorite amusement was to rig up like that piratical gentleman, and roar out sanguinary sea-songs at the top of his voice. He would dance nothing but sailors' hornpipes, rolled in his gait, and was as nautical in conversation to his uncle would permit. The boys called him "Commodore," and took great pride in his fleet, which whitened the pond and suffered disasters that would have daunted any commander but a sea-struck boy.”

 

 2196482-42305ac9b1151870082e9fd7b7350947.jpg
Louisa May Alcott (29 november 1832 – 6 maart 1888
Cover

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Franz Stelzhamer werd geboren in Großpiesenham op 29 november 1802. Zie ook alle tags voor Frans Stelzhammer op dit blog.

Uit: Der blinde Knabe

„Wilhelm war ein lieber, gemütlicher Knabe. Er mochte jetzt sieben Jahre alt sein und machte seinen guten Eltern, vorzüglich der Mutter, die er den ganzen Tag nicht verließ, ebenso viele Freude als heimlichen Kummer. Freude machte ihnen seine Folgsamkeit und sanfte Manier, den Kummer aber verursachte ihnen des Knaben von Geburt mitgebrachtes Unglück – denkt euch Kinder, der sonst so wohlgestaltete, liebenswürdige Wilhelm war blind geboren.
Wenn seine Geschwister und die anderen Kinder im Frühlinge auf dem weichen Grase herumsprangen, bunte Blümchen pflückten oder den schönen Schmetterlingen nachjagten, mußte Wilhelm allein im Grase sitzen bleiben und froh sein, wenn Bruder August oder des Nachbars flinkes Lenchen in der Eile ihm einige Blumen zuwarfen, die er dann mit seinen kleinen Händchen so leise und verständig betastete und abgriff, daß ihm von der Wurzel bis an das Ende der Krone kein Blättchen noch so fein, kein Staubfaden, wie zart er auch war, entgehen konnte.
Wenn er dann alles um ihn herum so fleißig befühlt und abgetastet hatte, war er oft so freudig im Herzen bewegt, daß er vom Boden aufspringen, im kleinen Kreise auf dem Grase herumtrippeln und mit den Händen wedeln mußte, als wenn er laufen und hurtig herumfliegen wollte vor Frühlingsluft und innigem Entzücken.
»August!« rief er dann, »Lenchen! kommt her zu mir, ich muß euch etwas sagen, etwas zeigen!« – Aber du mein Himmel, wo waren indessen August und Lenchen hingesprungen?
Da eilte dann die Mutter zu ihm und fragte wehmütig-mild: »Was denn Wilhelm, was ist denn?« Und, nach ihr langend, der allzeit Guten und Getreuen, und ihren Hals umschlingend, jubelte er: »o Mutter, die Blumen sind so weich, weicher noch als dein Samtkissen und so zart und fein wie deine Wangen!« Dann küßte er sie und streichelte die Blumen.
Dann aber, wenn sein Freudentaumel vorüber war, ging es an ein Fragen, was dies, das und jenes sei. Gleich darauf kamen »Wie?« und »Warum?« so häufig und mannigfach, daß die gute Mutter ein Gelehrter mit etlichen Zungen hätte sein müssen, um dem wißbegierigen Knaben alles vollständig zu beantworten.
Am allerschwersten, wie leicht zu denken, ging es ihr, wenn die andern Kinder plötzlich ausriefen: »Ach, das ist so schön rot, blau, gelb u. dgl.!« Und sie hätte dann dem kleinen Wilhelm begreiflich machen sollen, was – rot, blauweiß usw. sei. Oder, wie Sonne, Mond und Sterne aussehen; wie groß sie seien und wie das Weltmeer, wovon neulich der Lehrer etwas erwähnte, eigentlich beschaffen. – Was denn der Bach für Füße habe, daß er so schnell läuft, und warum er – der Bach – nicht deutlicher spreche usw. Das waren fürwahr Aufgaben für die Mutter!“

 

 2196482-8e400e2b8ea48f22e4a63a3fbe303fc5.jpg
Franz Stelzhamer (29 november 1802 – 14 juni 1874)
Stelzhamers geboortehuis in Großpiesenham

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e november ook mijn blog van 29 november 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

 

Geschreven door Romenu om 18:24 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten