Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 13 december 2018 tot 14 december 2018

Gerard Reve, Boudewijn Büch, Hervé Guibert, Paul Eluard, Helle Helle, Regina Ullmann, Shirley Jackson, Andreas Mand, Christian Huber

De Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve werd op 14 december 1923 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Gerard Reve op dit blog.

Uit: Nader tot U (Brief door tranen uitgewist)

“Greonterp, 14 oktober 1964. Van de bomen rond het kerkhof zijn de meeste bladeren al af, en in de tuin is bijna alles uitgebloeid; slechts de heilige bloem, een eenzame krisant, is kortelings begonnen te bloeien ten teken dat we weer, met forse tred, het grote feest van Allerzielen naderen. Een verre hond blaft, over een dak heen daalt, voor enkele ogenblikken, de geur neer van een vroeg aangemaakt fornuis, en even onontkoombaar als altijd zijn de gedachten en herinneringen aan vroeger. Ik moet denken aan allen die ik gekend heb, en die nu dood zijn.
Dit is geschreven in ongekende zwaarmoedigheid en immer toenemende wanhoop; toen de schrijver 3½ dag niet had gedronken; nadat hij zich als een krankzinnige gedragen had. Voor de orkestmeester. Een herfstlied, of avondzang. Ik zou wel willen, dat deze brief vol zachtheid en tederheid kon zijn, met somtijds huiveringen van stilte en Aandacht, en geheel zonder gramschap jegens enig schepsel; ik zou willen dat hij een ieder die hem leest stil moge maken, en sommigen zelfs aan het schreien moge brengen - want dat is het hoogste. Dat verlang ik en hoop ik, terwijl ik aan het raam zit en naar buiten staar. Het is helder weer, en windstil, maar toch is het soms, of ik van verre een ijle, klagende stem hoor, als van de wind door de toppen van een duister naaldwoud. (Kom je gauw? Ja hoor, ik kom zo. Warte nur, warte nur.)
Het licht, en de kleur van de hemel doen me denken aan het weer van misschien een maand of vier geleden, toen ik, op een zaterdagmiddag denk ik, bij Wimie langs ging om wat dingen uit te zoeken die Prijsdier en hij apart hadden gezet omdat ze er geen waarde meer aan hechtten, terwijl ik ze misschien nog wilde hebben. Na de gewone, altijd een beetje overdreven begroeting, klom ik die middag meteen de ladder op naar het boven de zogenaamde studio gelegen ‘martelkamertje voor jonge Duitse toeristen’, waar ze de niet meer gewenste voorwerpen hadden neergezet. Toen ik boven was gekomen en de voorwerpen op de vloer zag staan in het schrale, oude zonlicht dat door het stoffige raam aan de voorzijde naar binnen viel, ging ik, na het luik bovenaan de ladder achter me te hebben gesloten, op de lege, indertijd nog door mij getimmerde brits zitten en begon ik, huiverend en doodstil, voor me uit te staren.Alles was die middag anders dan vandaag - het vertrek en het uitzicht, over enkele verweerde pannen daken, evenzeer, maar toch was alles hetzelfde. Ik bleef lange tijd boven. Toen ik weer beneden kwam, vroeg Wimie, wat ik in godsnaam al die tijd gedaan had. Ik zei, dat ik me als een razende aan het voortplanten was geweest, en dat was ook zo, twee maal, maar, als altijd, was ik er alleen maar geiler door geworden. ‘Laten we naar bed gaan.’ Dat kon niet, om een of andere reden. Hindert ook niet, zei ik, ik red me wel en jij hoeft niks te doen, als je je broek maar wat openmaakt en naar beneden doet, of je mag hem aanhouden en dicht laten ook, als je maar zo gaat staan dat hij spant, verder maakt het niks uit, Geil Beest, Wrede Prins, Eénsporige Jongensruiter, ik zal je opgeilen en strelen en bewonderen terwijl je die en die Jongen berijdt, etc. Ik had wel iets gedronken, thuis, maar haast niks, echt niet de moeite waard. Toen werd er gebeld en petroleum gebracht, en het was ook nogal laat in de middag geworden, beseften we, dus gingen we maar gewoon zitten en begonnen we wat te praten."

 

 2200410-b6cb6c6669770238cc74f92951eab605.jpg
Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en televisiemaker Boudewijn Maria Ignatius Büch werd geboren op 14 december 1948 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Boudewijn Büch op dit blog.

 

Weerzien

De zomers speelden in Arcadië.
Vlinders - in soorten die al lang
niet meer bestaan - vlogen zenuwachtig
en geluidloos in grillige lijnen
langs de droge struiken. Soms stak mijn vaders
donkere hoofd boven de duinpan uit
maar altijd was zijn vlindernet te zien
dat driftig gaten sloeg in schijnbaar niets,
op zoek naar razendsnel onzichtbaarheid.

Nu zijn zomers winterlang

Nergens in het zand - dat zachte
dreunen van de zee - hoor ik hem jagen.

Er zijn geen vlinders meer in Wassenaar;
overal staat Toegang die Verboden is.

 

 

Out of Time
[The Rolling Stones]

dit is voorbij
het uur
van kruisdroom
& kwetsuur

o vader, meisje
aan het lied
onttrokken
verenig dood &
jongen onverschrokken
want hier zingt
het tweevoud
van de pijn

ik ben verdriet

zo moet het zijn

 

 2200410-9df279df3c55b4478a638c224f5ce7b3.jpg
Boudewijn Büch (14 december 1948 – 23 november 2002)

 

 

De Franse schrijver Hervé Guibert werd geboren op 14 december 1955 in Saint-Cloud. Zie ook alle tags voor Hervé Guibert op dit blog.

Uit: The Mausoleum of Lovers (Vertaald door Nathanaël)

“In the bus, I sit down beside a young man, with straight black hair, that he doesn't stop combing, interminably, with a small comb of imitation tortoise shell, the yellow plastic case for which he is holding, as well as the file that completes the set, with his left hand. First I try to determine whether the moments when the man leaves his hair and lets his hand fall into the air, while still clutching the comb, bear any relation to the bus stopping, at red lights for example. Then I tell myself: it would take next to nothing for this man's gesture to start exasperating me, and for me to change places, but I am quite calm this morning, and that won't happen. Still, I cannot detach myself from this gesture, and be attentive in my field of vision to the repetitive movements of the comb in his hair. I watch him furtively, and he ends up catching my eye, he smiles at me, he asks me: "You okay?" and I answer: "Yes, I'm okay," and I smile in turn, blushing. I then develop a sentence that would say: "You have beautiful hair, but don't you think you'll end up tiring it, by always combing it thus?", this sentence which is developed and perfected (I remove for example, the "very" from "beautiful hair" so as not to give it a flattering turn) remains in my head and plagues me, during the whole trip it becomes a necessity, yet I prevent myself from speaking it, by simple prudence, I tell myself: it might cause the comb's teeth, instantly, to pierce my face with so many little red points. It would take very little for this ceaselessly manipulated comb, passed through his hair over and over, to become an object of aggression. Finally he gets up, and I watch him get off the bus with relief, but instead of losing itself, of dismounting with him, my sentence remains embedded, and that is why I am writing this.”

 

 2200410-33706fdd98244b6d638aed5e8edc7c1c.jpg
Hervé Guibert (14 december 1955 – 27 december 1991)
Cover Franse uitgave

 

 

De Franse dichter en schrijver Paul Eluard werd geboren op 14 december 1895 in Saint Denis. Zie ook alle tags voor Paul Eluard op dit blog.

 

De geliefde

Zij staat over mijn oogleden
en haar haren zijn in de mijne,
zij heeft de vorm van mijn handen,
zij heeft de kleur van mijn ogen,
zij verzinkt in mijn duister
als een steen op de hemel.

Zij heeft haar ogen altijd open
en laat mij niet slapen.
Haar dromen in het volle licht
slaan wolken uit de zonnen,
laten mij lachen, huilen en lachen,
en praten zonder iets te hoeven zeggen.

 

Vertaald door Hans van Straten

 

 

Tegen middernacht

Deuren openen zich ramen maken zich bekend
Een stil vuur ontvlamt en verblindt me
Alles wordt beslist ik ontmoet
Wezens die ik niet gewild heb

Hier de gek die brieven kreeg uit het buitenland
Hier de kostbare ring die hij van zilver waande
Hier de praatgrage vrouw met het grijze haar
Hier het onstoffelijke meisje
Onaf en lelijk badend in nacht en misère
Met malven geblanket en met absurde maagdenpalmen
Haar naaktheid haar kuisheid gevoelig van alle kanten
Hier de zee en schepen op speeltafels
Een vrij man nog een vrij man en het is dezelfde
Razende dieren voor de met modder gemaskerde angst
Doden gevangenen gekken alle afwezigen

Maar jij waarom ben jij er niet om mij te wekken.

 

2200410-b0c28886d8773a61e2e5a687a210820f.jpg           
Paul Eluard (14 december 1895 – 18 november 1952)
Portret door Man Ray, 1929

 

 

De Deense schrijfster Helle Helle werd geboren als Helle Krogh Hansen in Nakskov op 14 december 1965. Zie ook alle tags voor Helle Helle op dit blog.

Uit: Down To The Dogs (Vertaald door Mark Kline)

“A hoop of ivy and an oil lamp in every window. She opens the front door. The hallway is narrow, with a pine stairway at the rear. They take their shoes off and we walk into the living room. A fire is burning in the woodstove. I stand in the middle of the floor. She walks out and comes back a little while later with a glass of water, which she hands me.
“Why are you both wearing coveralls?” I say.
“We just got back from the dogs,” she says.
She has turned on the tv, now she’s sitting on the sofa. The weather is on, she leans all the way forward.
“You think the fence will hold?” she says.
“Else we’ll figure something out,” he says, and then to me: “Sit down, sit.”
I drink my water while they chitchat. I don’t really hear what they say. Putte gets up to fetch the local paper. She flips through the pages with her feet up, her thighs are a bit stocky. John mumbles while he follows along from over her shoulder.
“They should have already got that done last year,” Putte says, and shakes her head.
“Yeah, but, you know,” John says.
“Anyway.”
They go through the entire paper this way. Then she folds it up and gives him a little slap on the knee with it: “What’s on the menu?”
“Con carne.”
John chops onions and sniffles out in the open kitchen, Putte unbuttons her coveralls and throws them over a chair. She has on leggings and a loose checkered shirt underneath. Ski socks outside the leggings. She takes a cigarette out of a pack lying on the shelving, lights it and walks over to John, sticks the cigarette in his mouth.
“There’ll be no crying now,” she says to me.
She sits down and watches tv. Yawns a bit. Stretches out halfway on the sofa, reaches for a throw and pulls it over herself. We watch the local news. She falls asleep."

 

 2200410-ccdd29b47f954ae3c5600858e4be54b3.jpg
Helle Helle (Nakskov, 14 december 1965)

 

 

De Oostenrijks – Zwitserse dichteres en schrijfster Regina Ullmann werd op 14 december 1884 in St. Gallen geboren. Zie ook alle tags voor Regina Ullmann op dit blog.

Uit: De landweg (Vertaald door Josephine Rijnaarts)

“Een paar jaar geleden stond er in een verborgen uithoek van Stiermarken nog een oude herberg. Op een plek waar je het nooit zou verwachten, stond hij daar met zijn ene verdieping, alsof hij onbewoond was en geëtst door een geest die een andere geest wilde uitleggen wat een huis eigenlijk is. Boven de deur hing een bord waarop een prachtig hert was geschilderd. Het sprong met zijn voorpoten het bos in, terwijl zijn achterpoten stilstonden, zodat het tussen zijn voor- en achterpoten een kerktoren en een paar huizen kon laten zien. Een hele wereld, met aan het andere einde een knielende jager, een nietig figuurtje met een jachtgeweer in zijn hand. Hij mikte en mikte, alsof hij pas achteraf op het idee was gekomen, toen het hert er allang vandoor was. (Zo gaat het soms bij mensen, en niet alleen met wild in het bos.) Het bord moest ongetwijfeld de kracht en schoonheid van het dier tonen en voorbijgangers het als herberg bedoelde huis in het geheugen prenten, dat midden in de bossen gereedstond om gasten te ontvangen. Maar hooguit een jager of boswachter, een kolenbrander of een alpenherder die weer op huis aanging, vond de weg in die woestenij, en zij kwamen niet voor wijn of bier, maar om hun keel te smeren met een glaasje schnaps uit een grote doorzichtige fles. Er werd dan niets gezegd omdat er toch niemand was, behalve een hardhorende oude vrouw, die de gast samen met het glas ook de fles toeschoof. Want zij kon zo'n drankje niet meer druppel voor druppel inschenken zonder te beven en te trillen. Ja, ze moest ook bijna blind zijn, want als er dan toch eens een vreemdeling kwam die haar liet inschenken, omdat hij de gewoonten van het huis niet kende, goot ze de schnaps op de tafel, heel behoedzaam, dat wel, maar toch gewoon op de tafel. En ze zei niets terwijl ze dat deed, omdat het toch geen zin had, omdat ze doof was. Leeg was ze als een onbewoond huis, waar je staat te roepen en te roepen zonder dat er iemand verschijnt. Doof was ze. En ze was zo oud dat een achterkleinzoon, een volwassen kerel, zich het beverige slaapliedje nog kon herinneren dat ze voor hem had gezongen toen hij klein was. Ze was zo oud dat het leek alsof de dood in haar geval pas bij een hoog getal was beginnen te rekenen en nu doortelde, tot boven de honderd en verder. 0, die vrouw was legendarisch. Of ze iets deed? Zeker, ze deed iets. Ze deed wat er in zo'n huis, waar zo weinig leven was, zoal gedaan moest worden. Ze hield het vuur in de kachel brandend en maakte gierstepap klaar. Veel meer was er bij haar namelijk niet te krijgen, behalve de melk die een kleine herdersjongen 's ochtends en 's avonds bracht. Natuurlijk dronken ook haar mensen af en toe schnaps, maar dat was dan niet haar zaak. Ze leek het leven te bedienen zoals het leven haar bediende. Met het vee bemoeide ze zich ook al een hele tijd niet meer. Daar zorgden de mannen voor, haar kleinzoons en de knechten, die 's ochtends, 's middags en 's avonds rond het huis in de weer waren. Die jodelden ook weleens, maar meer voor zichzelf en voor de akkers en de alpenweiden waar ze telkens weer naartoe klommen; de oude vrouw dekte de tafel toch niet sneller en schoof ook de stoelen niet op hun plaats als de mannen al zo dicht in de buurt waren, want ze hoorde het niet.”

 

 2200410-f482d5c75eeb396bfaa0bbcdec755e74.jpg
Regina Ullmann (14 december 1884 – 6 jannuari 1961)
St. Gallen in de Adventstijd

 

 

De Amerikaans schrijfster Shirley Jackson werd geboren in San Francisco op 14 december 1916. Zie ook alle tags voor Shirley Jackson op dit blog.

Uit: We Have Always Lived in the Castle

"Good morning, Mary Katherine," Stella always said, reaching over to wipe the counter with a damp rag, "how are you today?"
"Very well, thank you."
"And Constance Blackwood, is she well?"
"Very well, thank you."
"And how is he?"
"As well as can be expected. Black coffee, please."
If anyone else came in and sat down at the counter I would leave my coffee without seeming hurried, and leave, nodding goodbye to Stella. "Keep well," she always said automatically as I went out.
I chose the library books with care. There were books in our house, of course; our father's study had books covering two walls, but I liked fairy tales and books of history, and Constance liked books about food. Although Uncle Julian never took up a book, he liked to see Constance reading in the evenings while he worked at his papers, and sometimes he turned his head to look at her and nod.
"What are you reading, my dear? A pretty sight, a lady with a book."
"I'm reading something called _The Art of Cooking_, Uncle Julian."
"Admirable."
We never sat quietly for long, of course, with Uncle Julian in the room, but I do not recall that Constance and I have ever opened the library books which are still on our kitchen shelf. It was a fine April morning when I came out of the library; the sun was shining and the false glorious promises of spring were everywhere, showing oddly through the village grime. I remember that I stood on the library steps holding my books and looking for a minute at the soft hinted green in the branches against the sky and wishing, as I always did, that I could walk home across the sky instead of through the village."

 

 2200410-3c59b5112558e744b7eb035c016993ad.jpg
Shirley Jackson (14 december 1916 – 8 augustus 1965)
In 1938

 

 

De Duitse schrijver Andreas Mand werd geboren op 14 december 1959 in Duisburg. Zie ook alle tags voor Andreas Mand op dit blog.

Uit: Der zweite Garten

„Wie schwer es ist, ein Buch zu schreiben, das neben seinem Anspruch auf Wahrhaftigkeit und Vollständigkeit nicht nur mir und den Lesern, sondern auch allen Mitspielern gefallen soll. Es werden Leute lesen, die kannten Uwe als alten Mann? Anzunehmen, dass Miriam kein Interesse hat, ihre Magen-Darmprobleme verhandelt zu sehen. Aus ihrer Sicht wird das ein trostloses Wochenende. „Nichts Schönes", sagt sie, weil sie die Navid Kermani Veranstaltung als öde Pflicht begreift. Nichts Schönes habe auch ich zu erwarten, nämlich von Kermani abgesehen die üblichen dissonanten Schulechos. Gestern zu sehen, wie sie Uwe behandelt, der heute die Englischarbeit schreibt, war echt zum Kotzen. Bezweifelt niemand, dass sie Stress hat, aber wenn sie hier herumläuft wie ein losgerissener Benotungsautomat? Vielleicht wird das Ergebnis meines Nachdenkens sein: dass die Kerbe längst vorhanden war, in die sie täglich hackt? Dabei wäre es so leicht, das Leben zu genießen in der höchst angenehmen Gesellschaft unserer Söhne zum Beispiel. Dass einer von ihnen heute Morgen mal wieder nicht die Klobürste benutzt hat? Da mosere ich pflichtgemäß, weil ich ihnen das noch abgewöhnen will, aber im Grunde ist es mir egal. Dass Moritz erkennt, „Chemie ist nicht mein Fall"? Gratuliere zur Selbsterkenntnis! Statt den Sackgassenblues anzustimmen, kann man an diesen schönen Vorfrühlingstag auch mal aus dem Haus gehen und sagen, so. Ich würde Miriam gern von ihren Belastungen befreien, aber ich habe es nicht in der Hand. Ich kann ihr nur weiter entgegen kommen, wie ich ihr jahrelang entgegen gekommen bin, aber der Erfolg scheint zweifelhaft. Wenn ich zum Beispiel an ihrer Stelle mit Uwe Englisch übe, kann das sehr gut dazu führen, dass es ihm völlig unerträglich wird. Spät abends sieht sie Frau TV, wo es passend um die soziale Absturzgefahr von Hausfrauen geht. Super, lasst uns alle WDR-Moderatorinnen werden. Vielleicht ist das der Grund, warum mir ein Katalog für Wetterjacken und Zelte heute so interessant vorkommt. Oder liegt es an der jugendlichen Mitarbeiterin, die da mit ins Zelt durfte? Isolationsmessung Wie aus früheren weltpolitischen Krisen geläufig, macht einen der Dauerbeschuss aus Sondersendungen und Themenseiten irgendwann verrückt. Dritter Tag des Testabos: Titelseite Kommentar, Rückseite blöde Witze. Drucken aus, was sie sowieso im Kopf haben. Kernschmelze gehört zur Kernkompetenz. Gestern gab es hier einigen Unfrieden. Begann mit elterlichem Genöle darüber, dass die Jungen morgens nur schwer aus dem Bett fanden.“

 

 2200410-732912b89cb0ae19be16a426edec9ef2.jpg
Andreas Mand (Duisburg, 14 december 1959)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver, componist en muziekproducent Christian Huber werd geboren in 1984 in Regensburg. Zie ook alle tags voor Christian Huber op dit blog.

Uit: Fruchtfliegendompteur

„Ich habe ein Problem. Das glaube ich zumindest. Vielleicht ist »Problem« aber auch der falsche Ausdruck. Ich bin kein ­Mediziner. Aber »Leiden« klingt schon wieder so weinerlich, und es »eine Qual« zu nennen, ist vielleicht ein bisschen übertrieben. Und ich übertreibe nicht, wenn es um meine Gesundheit beziehungsweise um eine vermeintliche, eventuell schwere Krankheit geht. Ich bin ein Mann und kann einiges ab.
Doch seit etwa einem Monat habe ich ein mal etwas stärkeres, mal etwas schwächeres Schwindelgefühl. Ein bisschen so, als würde sich das Sichtfeld zu einem schwammigen Tunnel verengen und langsam nach hinten kippen, während man in ­einem abstürzenden Fahrstuhl in atemberaubender Geschwindigkeit einen stickigen Schacht hinunterrast.
Nur nicht ganz so schlimm.
»Das Wetter! Sicher bist du wetterfühlig«, habe ich am Anfang ­gedacht. Das liest und hört man ja ständig. Alte Menschen ­spüren in den morschen Knochen, wenn das Wetter umschlägt und der Körper auf jede noch so marginale Klimaveränderung reagiert. Kopfschmerzen, Kreislaufprobleme. Wenn die wulstige Kriegsnarbe im Bein zieht, wird es morgen wieder drückend schwül von der Westfront her. Nun war ich nie im Krieg, und im eigentlichen Sinne alt bin ich mit dreißig auch noch nicht. Schwül war es die letzten Wochen ebenso wenig gewesen. Eher heiß. Sehr heiß. Keine Wolke am Himmel. Jahrhundertsommer!
Mein Unwohlsein musste also eine andere Ursache haben.
Das für den Menschen lebenswichtige Vitamin D erhält der ­Körper zum größten Teil durch Sonneneinstrahlung direkt über die Augen. Etwa 45 Minuten soll man sich draußen auf­halten, um den täglichen Bedarf an Vitamin D zu decken. ­Möglichst ohne Sonnenbrille. Generell kein Problem in einem Jahrhundertsommer, aber um hier auch wirklich nichts dem Zufall zu überlassen, lag ich jeden Tag etwa drei Stunden in der prallen Sonne und starrte in den Himmel. Das Wetter konnte also ebenso wenig der Grund für meinen Schwindel sein.
»Vielleicht ernähre ich mich nicht ausgewogen genug!«, war mein nächster Gedanke. Stichwort Mangelernährung. Werden dem Körper nicht alle nötigen Nahrungsbestandteile zugeführt, kommt es zu mitunter massiven Beschwerden. Das lernt man schon in der Grundschule. Leider ernähre ich mich recht ­gesund. Schon zum Frühstück esse ich eine große Portion Obst und Gemüse. Also, genauer gesagt: Vitaminpillen. Obst und ­Gemüse schmecken mir nicht sonderlich, und warum soll ich meinen Körper mit etwas quälen, was mir nicht schmeckt, wenn ich über 250 Prozent meines täglichen Bedarfs an Vita­minen auch mit fünf geschmacksneutralen Tabletten und ­bunten Geleekapseln decken kann?“

 

 2200410-71ad8b055eb107918c3b27a5a4fd1bdc.jpg
Christian Huber (Regensburg, 1984)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e december ook mijn blog van 14 december 2017 en ook mijn blog van 14 december 2014 deel 1 en eveneens deel 2.



Geschreven door Romenu om 18:46 Reageer op dit bericht

José Eduardo Agualusa, Anton H.J. Dautzenberg, Jack Hirschman, Adrian Chivu, Heinrich Heine, Kenneth Patchen, Jean Rouaud, Ida Vos, William Drummond

De Angolese schrijver José Eduardo Agualusa werd op 13 december 1960 in Huambo geboren. Zie ook alle tags voor José Eduardo Agualusa op dit blog.

Uit: A General Theory of Oblivion (Vertaald door Daniel Hahn)

“I’ve died,” thought Jeremias. “I’ve died, and that gecko is God.”
Even supposing that the gecko was indeed God, he would appear to be hesitating about what fate to assign to him. To Jeremias this indecision was even stranger than finding himself face-to-face with the Creator and the fact that He had taken on the form of a reptile. Jeremias knew, and had known for quite some time, that he was destined to burn for all eternity in the flames of Hell. He had killed, he had tortured. And if he’d started off doing those things out of duty, obeying orders, he had later acquired a taste for it. He only felt awake, whole, when he was racing through the night, in pursuit of other men.
“Make your mind up,” said Jeremias to the gecko. Or rather, he tried to say, but all that came out of his mouth was a dull, tangled thread of sounds. He made a second attempt, and, as in a nightmare, the dark rush of noise came again.
“Don’t try to talk. Actually, you’re not going to talk ever again.” Jeremias believed, for some moments, that it was God who was condemning him to eternal silence. Then he turned his eyes toward the right and saw a hugely fat woman leaning against the door. Her hands, with tiny, fragile fingers, danced before her as she spoke:
“Yesterday they announced your death in the newspapers. They published a photograph, it was quite an old one, I almost didn’t recognize you. They said you were a devil. You died, you were reborn, and you have another chance. Make the most of it.”
Madalena had been working at the Maria Pia Hospital for five years. Before that she had been a nun. A neighbor had witnessed the shooting of the mercenaries at a distance and had notified her. The nurse drove to the site on her own. One of the men was still alive. A bullet had passed through his chest, on a miraculous, perfect course that hadn’t hit a single vital organ. A second projectile had gone into his mouth, shattering his two upper incisors, then perforating his throat.
“I don’t understand what happened. Were you trying to catch the bullet in your teeth?” She laughed, her body shaking. The light seemed to laugh with her. “Yes, sir, those are some good reflexes. And it wasn’t even such a bad idea, either. If the bullet hadn’t found your teeth, it would have taken a different direction. It would have killed you or left you paralyzed. I thought it best not to take you to the hospital. They would take care of you and then when you were recovered they’d only shoot you again. So be patient, and I’ll look after you myself with what little resources there are. I just have to get you out of Luanda. I don’t know how long I’ll be able to hide you. If the comrades find you, they’ll shoot me, too. As soon as possible we’ll travel south.”

 

 2200227-7c7fe13dda78690d54d1d6d0ea39e746.jpeg
José Eduardo Agualusa (Huambo, 13 december 1960)

 

 

De Nederlandse schrijver Anton H.J. Dautzenberg werd geboren in Heerlen op 13 december 1967. Zie ook alle tags voor Anton H. J. Dautzenberg op dit blog.

Uit: Ik bestaat uit twee letters

“13 december 2016 [Tilburg, Carré] Vandaag over een jaar word ik vijftig. Het Jaar van Abraham is begonnen. Ik kan me er nog maar weinig bij voorstellen – vijftig. Een mijlpaal, volgens velen. Ik zie vooral een constructie, een gecultiveerd symbool dat nauwelijks te negeren valt. We hebben blijkbaar behoefte aan piketpaaltjes om het leven te structureren, van betekenis te voorzien.
Dertien vond ik een spannende leeftijd, dat weet ik nog goed, mijn tienertijd was begonnen. En die zou nog lang gaan duren: dertien, veertien, vijftien, zestien, zeventien, achttien, negentien. Er lag een tijdspanne voor me die ik niet kon overzien. De broer van een vriend van me was negentien, hij leefde in een wereld waarvan ik me geen voorstelling kon maken. Eenentwintig, dat getal luidde wéér een nieuwe fase in, of móést een nieuwe fase inluiden. Daarna kwam dertig, drieëndertig, veertig en nu dus vijftig.
Eerlijk gezegd heb ik die laatste ‘mijlpalen’ helemaal niet gevoeld. Misschien komt dat ook doordat ik mijn verjaardag al meer dan dertig jaar niet vier. Gefeliciteerd worden met iets waar ik niets voor heb moeten doen, dat beviel en bevalt me niet. Ik vind het sowieso niet fijn om felicitaties in ontvangst te nemen, ik heb de neiging om ‘prestaties’ tussen aanhalingstekens te zetten. Wellicht een residu van de ziekelijke verlegenheid waarmee ik lang heb geworsteld: let maar niet op mij, ik ben er niet. Vreemd genoeg bleven de prestaties toch komen, een gevolg van een geldingsdrang die ik niet heb kunnen beteugelen en die zich niets van de schaamte lijkt aan te trekken.
Negenenveertig jaar geleden werd ik dus geboren. 13 december 1967. Op een woensdag. Het was een donkere en koude dag lees ik op Datum.nl. ‘Een donkere en koude (max 7,0 °C) dag zonder zon. De lucht was geheel bewolkt, er woei een zwakke wind (2 Bft) met matige windstoten (3 Bft).’ Ik floepte om ongeveer 7.15 uur naar buiten, achteloos achter mijn broer aan. Althans, dat zegt mijn moeder altijd, dat ik moeiteloos naar buiten gleed.
‘Je hebt je broer het werk laten doen en je glipte er daarna gewoon uit.’ Telkens wanneer ze dit zegt – en dat is minimaal één keer per jaar – krijg ik de indruk dat ik daar indertijd bewust voor heb gekozen en dat ik als foetus al wist hoe ik mijn krachten moest verdelen. Ik ben inderdaad assertiever dan mijn broer, dus dat zal ze wel op de geboorte projecteren. Ik liep bijvoorbeeld al na negen maanden, mijn broer pas na vijftien maanden. Misschien was dat een gevolg van mijn baarmoederstrategie: doe jij het zware werk, maak jij de weg maar voor mij vrij. Drie minuten na Hub floepte ik er dus uit, in de Vroedvrouwenschool in Heerlen.”

 

 2200227-072fbe1af009578fe628a52ee070a15c.jpg
Anton H.J. Dautzenberg (Heerlen, 13 december 1967)

 

 

De Amerikaanse dichter en sociaal activist Jack Hirschman werd geboren op 13 december 1933 in New York. Zie ook alle tags voor Jack Hirschman op dit blog.

 

The Sacificial Lamb

As I slept I heard
you call me in the voice
of our former life,
womanly, resonant, dark
eyelid of voice, voice with child,
voice of older passion, of
our lust and obscenities,
mimosa voice of vining power,
voice of blood and storm

And I went on sleeping,
I could no longer rise to that woman,
she had been wept away,
many tissues at the bedside
of a broken promise of wood,
many tissues in the broken
toilets of the hotel heart

She had arrived at you
called me in the voice of this life,
a girl's voice, a voice at once
thin as a crik, as a hope like thread,
a fresh whisper of this new karma
of love

I see your confusion clearly
and when I am wide awake
and kiss you,
I pass through the light
water of the mask
and touch that dark ecstasy
again,
who is silent who is otherwise
wiser for the seachange,
who holds us both
loving orphans of her thrall
loving kisses of her continual
rebirth
gathered by our lips from
the scattered rags of air
where she flung herself
one garment-demented day.


1976

 

 

Calligraph
for Ruth

Her hair hysterical, thrown back at the sight
Of the rose my throbbing boyhood brought,
Incensed, how the man in me leaped from my blush
And struck a trembling smile upon her mouth,

And how, drawing a tattered kimono close,
With fingers soft as pounded paraffin,
She bent and lifted up a thin-necked vase
To put the flower in.


1956

 

 2200227-0da27a714824e16c689c0ba42f3ebcb1.jpg
Jack Hirschman (New York, 13 december 1933)

 

 

De Roemeense dichter en schrijver Adrian Chivu werd geboren op 13 december 1975 in Boekarest. Zie ook alle tags voor Adrian Chivu op dit blog.

Uit: The Street (Vertaald door Alistair Ian Blyth)

“…and he said no but it was obvious there was something wrong and I asked him have you caught syphilis? because that’s what Cip told us that you can catch it by kissing somebody and you can only get rid of it if you have injections and Romeo said let’s go round the back of the house for a bit and I told him hang on I’ll just drop off my satchel and then I’ll come back and he said bring it with you and I said no wait a bit I’ll be right back and I ran home but neither my mother nor sister were there and I left my satchel in the hall I took a piece of cheese from the fridge I stuffed it in my mouth I went outside and I went with Romeo behind the house and Romeo lit a cigarette leaned against a tree and looked at me frowning and I didn’t know what to do and I put my hands in my pockets and I waited for him to say something and he asked me what are you playing at? and we both heard my auntie calling him Romeo Romeo and he said we’ll talk later and he threw away the cigarette and he was going inside but I followed him and asked what do you mean? and he didn’t answer and my auntie’s top lip was swollen and when she saw me she covered her mouth with her hand and I looked away and she asked me how is it going at school? and she lowered her hand and smiled at me and I said all right and she asked me would you like some syrup? and I said yes thanks and I followed her into the kitchen and I jumped up on to a stool and she opened the fridge and took out the bottle of syrup and Romeo asked her from the doorway what do you want? and my auntie told him not to use that tone and Romeo asked her again in the same tone and she said I don’t want anything and if you’ve got something to say and she poured the syrup into my glass and Romeo said I haven’t got anything to say and my auntie told him I would have explained it to you myself and Romeo said I don’t need you to explain anything to me…”

 

 2200227-e1a805456fb01a7d0e673d1a3bcc589f.jpg
Adrian Chivu (Boekarest, 13 december 1975)

 

 

De Duitse dichter Heinrich Heine werd geboren in Düsseldorf op 13 december 1797. Zie ook alle tags voor Heinrich Heine op dit blog.

 

Dass du mich liebst

Dass du mich liebst, das wusst ich,
ich hatte es längst entdeckt;
doch als du mir gestanden,
hat es mich tief erschreckt.

Ich stieg wohl auf die Berge
und jubelte und sang;
ich ging ans Meer und weinte
beim Sonnenuntergang.

Mein Herz ist wie die Sonne
so flammend anzusehn,
und in ein Meer von Liebe
versinkt es groß und schön.

 

 

Der Hirtenknabe

König ist der Hirtenknabe,
Grüner Hügel ist sein Thron;
Über seinem Haupt die Sonne
Ist die große, goldne Kron.

Ihm zu Füßen liegen Schafe,
Weiche Schmeichler, rotbekreuzt;
Kavaliere sind die Kälber,
Und sie wandeln stolzgespreizt.

Hofschauspieler sind die Böcklein;
Und die Vögel und die Küh,
Mit den Flöten, mit den Glöcklein,
Sind die Kammermusici.

Und das klingt und singt so lieblich,
Und so lieblich rauschen drein
Wasserfall und Tannenbäume,
Und der König schlummert ein.

Unterdessen muß regieren
Der Minister, jener Hund,
Dessen knurriges Gebelle
Widerhallet in der Rund.

Schläfrig lallt der junge König:
"Das Regieren ist so schwer,
Ach, ich wollt, daß ich zu Hause
Schon bei meiner Kön′gin wär!

In den Armen meiner Kön′gin
Ruht mein Königshaupt so weich,
Und in ihren schönen Augen
Liegt mein unermeßlich Reich!"

 

 

Die Jahre kommen und gehen

Die Jahre kommen und gehen,
Geschlechter steigen ins Grab,
Doch nimmer vergeht die Liebe,
Die ich im Herzen hab.

Nur einmal noch möcht ich dich sehen,
Und sinken vor dir aufs Knie,
Und sterbend zu dir sprechen:
"Madame, ich liebe Sie!"

 
 2200227-7dc51c2044daf9cc21b71b0b776e9f72.jpg

Heinrich Heine (13 december 1797- 17 februari 1856)
Cover biografie

 

 

De Amerikaanse dichter Kenneth Patchen werd geboren op 13 december 1911 in Niles, Ohio. Zie ook alle tags voor Kenneth Patchen op dit blog.

 

The Artist's Duty

So it is the duty of the artist to discourage all traces of shame
To extend all boundaries
To fog them in right over the plate
To kill only what is ridiculous
To establish problem
To ignore solutions
To listen to no one
To omit nothing
To contradict everything
To generate the free brain
To bear no cross
To take part in no crucifixion
To tinkle a warning when mankind strays
To explode upon all parties
To wound deeper than the soldier
To heal this poor obstinate monkey once and for all

To verify the irrational
To exaggerate all things
To inhibit everyone
To lubricate each proportion
To experience only experience

To set a flame in the high air
To exclaim at the commonplace alone
To cause the unseen eyes to open

To admire only the abrsurd
To be concerned with every profession save his own
To raise a fortuitous stink on the boulevards of truth and beauty
To desire an electrifiable intercourse with a female alligator
To lift the flesh above the suffering
To forgive the beautiful its disconsolate deceit

To flash his vengeful badge at every abyss

To HAPPEN

It is the artist’s duty to be alive
To drag people into glittering occupations

To blush perpetually in gaping innocence
To drift happily through the ruined race-intelligence
To burrow beneath the subconscious
To defend the unreal at the cost of his reason
To obey each outrageous inpulse
To commit his company to all enchantments.

 

 2200227-6b410aff1035d92c3344a0562bd0ace6.jpg
Kenneth Patchen (13 december 1911 – 8 januari 1972)

 

 

De Franse schrijver Jean Rouaud werd geboren op 13 december 1952 in Campbon (Loire-Atlantique). Zie ook alle tags voor Jean Rouaud op dit blog.

Uit:The World More or Less (Vertaald door Barbara Wright)

“I who dread the company of men, whose conversations weary me, it was just my luck, after eight years of strict boarding-school discipline (the only femi-nine presence being provided by three old nuns with adolescent moustaches), to find myself now among the members of the Logreean Club's reserve team, in the bleak rustic changing room erected alongside what you would have thought was a ploughed field, were it not for its chalk lines and goalposts. And this without any particular incli-nation on my part, unless, for want of anything better, as a time-honoured cure for Sunday boredom. But the weather was fit to freeze the tail off a brass monkey. Hence the haste of most of the players, when the final whistle blew, to take refuge within the four jerry-built walls of the shack, everyone making a point of knocking the mud off his boots against the concrete doorstep, thus leaving the ground strewn with cakes of earth punched full of stud holes, before making his way to his place, indicated by the hunchbacked peg his clothes are hanging on, and sitting down more or less wearily, according to his real or suggested state of fatigue, on the communal bench run-ning round the little room that reeks of the combined effluvia of camphorated oil and perspiration. A makeshift shelter: it has rectangular patches of cement between grooved uprights, a green metal door with wired glass which, with the little skylight in the comer over by the showers, allows in the feeble grey light of the winter afternoon, a single-sloping corrugated roof made of some composite material, but this provides sufficient protection against the Atlantic's blend of wind, intense cold and rain, which paralyses the rare spectators now huddling under the awning of the refreshment bar, who make one wonder what pleasure they can possibly derive from such less than fascinating events.

 

 2200227-b69e31623464cdbff6478be88f5e516c.jpg
Jean Rouaud (Campbon, 13 december 1952)

 

 

De Nederlandse schrijfster Ida Vos (meisjesnaam Gudema) werd geboren in Groningen op 13 december 1931. Zie ook alle tags voor Ida Vos op dit blog.

Uit: Terugkeer

"Jij mag straks, Sallo. Eerst ik.
‘...Leise flehen meine Lieder durch die Nacht...’
Ik moet eten.
Ik heb geen honger.
Mamma propt stukjes brood in mijn mond.
Ik wil niet! Ik bijt in mamma's hand.
‘Au verdomme, nog allemaal echt,’ zegt mamma.
Ik ben echt.
Ik hou mijn mond stijf dicht.
‘Als je niet eet ga je dood, Claartje.’
Mamma, in haar slagersjas, is sterk.
Ik moet mijn mond open doen.
‘Vieze meid. Alles over mijn schone jas. Hou op. Als je niet eet...’
Ik eet wel weer. Ben ik lief, mamma? Ik zal het niet meer doen. Ik zal nooit meer overgeven.
Daar zit Sophie. Waarom zeg je niks?
Rechtop, Sophie. Hang niet zo scheef in je kinderwagentje.
Wacht, ik zal je helpen. Ga je mee naar school? Gil niet zo, Sophie. Ik ben het. Ik doe je geen kwaad.
Is het vrijdag? Dan moet ik gauw naar huis. De kip opzetten. Pappa komt thuis.
‘Waar gaan we naar toe, Claartje?’
‘Naar huis, mamma. Het is bijna sjabbes.Ik moet de kip opzetten.’
‘Ik doe het wel. Jij hebt de hele week gewerkt. Rust maar lekker uit.’ Mamma legt mijn hoofd tegen haar jas. De jas ruikt wit.
‘Kusje mamma. Ben ik lief?’
‘Je bent een schatje, Claartje. Kusje.’
Mamma heeft warme lippen en warme borsten... melk voor Sallo.
‘Niet knijpen, Claartje. Je moet niet zo hard in mijn borst knijpen. Dat doet pijn. Stoute Claar.’
‘Stoute mamma.’

 

 2200227-335e32fd60c0d3ef01b80369e8002fa4.jpg
Ida Vos (13 december 1931 – 3 april 2006)
Groningen in de Adventstijd

 

 

De Schotse dichter William Drummond werd geboren op 13 december 1585 in Hawthornden, in de buurt van Edinburgh. Zie ook alle tags voor William Drummond op dit blog.

 

De Bell Of St. Michel

Go 'way, go 'way, don't ring no more, ole bell of Saint Michel,
For if you do, I can't stay here, you know dat very well,
No matter how I close ma ear, I can't shut out de soun',
It rise so high 'bove all de noise of dis beeg Yankee town.

An' w'en it ring, I t'ink I feel de cool, cool summer breeze
Dat's blow across Lac Peezagonk, an' play among de trees,
Dey're makin' hay, I know mese'f, can smell de pleasant smell
O! how I wish I could be dere to-day on Saint Michel!

It's fonny t'ing, for me I'm sure, dat's travel ev'ryw'ere,
How moche I t'ink of long ago w'en I be leevin' dere;
I can't 'splain dat at all, at all, mebbe it's naturel,
But I can't help it w'en I hear de bell of Saint Michel.

Dere's plaintee t'ing I don't forget, but I remember bes'
De spot I fin' wan day on June de small san'piper's nes'
An' dat hole on de reever w'ere I ketch de beeg, beeg trout
Was very nearly pull me in before I pull heem out.

An' leetle Elodie Leclaire, I wonner if she still
Leev jus' sam' place she use to leev on 'noder side de hill,
But s'pose she marry Joe Barbeau, dat's alway hangin' roun'
Since I am lef' ole Saint Michel for work on Yankee town.

Ah! dere she go, ding dong, ding dong, its back, encore again
An' ole chanson come on ma head of 'a la claire fontaine,'
I'm not surprise it soun' so sweet, more sweeter I can tell
For wit' de song also I hear de bell of Saint Michel.

It's very strange about dat bell, go ding dong all de w'ile
For when I'm small garçon at school, can't hear it half a mile;
But seems more farder I get off from Church of Saint Michel,
De more I see de ole village an' louder soun' de bell.

O! all de monee dat I mak' w'en I be travel roun'
Can't kip me long away from home on dis beeg Yankee town,
I t'ink I'll settle down again on Parish Saint Michel,
An' leev an' die more satisfy so long I hear dat bell.

 

 2200227-8839c53a2602754ebc222f477361c718.jpg
William Drummond (13 december 1585 – 4 december 1649)
Anniem portret uit 1609

 

 

Zie voor nog meer de schrijvers van de 13 december ook mijn blog van 13 december 2017 en ook mijn blog van 13 december 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:30 Reageer op dit bericht

In Memoriam Wilhelm Genazino

 

In Memoriam Wilhelm Genazino

 

De Duitse schrijver Wilhelm Genazino is gisteren op 75-jarige leeftijd overleden. Wilhelm Genazino werd geboren op 22 januari 1943 in Mannheim. Zie ook alle tags voor Wilhelm Genazino op dit blog.

Uit: Tarzan am Main

“Ich vergesse nicht, wie es war, als ich Anfang der siebziger Jahre nach Frankfurt kam – natürlich aus beruflichen Gründen wie fast alle, die sich in Frankfurt ansiedeln.
Und auf Menschen traf, die, genau wie ich selbst, allesamt Provinzler waren, die ihre Heimat verlassen hatten, um Anschluss »nach oben« zu finden. Erst später habe ich verstanden, dass sich in diesem merkwürdigen Zusammentreffen vieler, ein wenig scheuer Neubürger etwas sehr Frankfurt-Typisches ausdrückte: Die Stadt war und ist bis zur Grenze ihrer Belastbarkeit offen für Fremde und Flüchtlinge aller Art, was ihr oft angekreidet wird; freilich nicht von den Zugewanderten selbst, die die Herbergs- Atmosphäre der Stadt zu schätzen wissen. Vielsprachigkeit und Übernationalität verhindern, dass die dickflüssige lokale Eppelwoi-Welt dominant wird. Stattdessen kann man beobachten, dass auf den Holzbänken der Sachsenhäuser Kneipen inzwischen Deutsch sprechende Amerikaner, Japaner und Koreaner Platz genommen haben und austesten, ob der Eppelwoi vielleicht auch ihr Hausgetränk werden könnte. Das erfreut die Lokalpatrioten; auf den Gedanken, dass sie, die Einheimischen, inzwischen selbst die Exoten geworden sind, können sie (oder dürfen sie) nicht kommen. Das wiederum fällt anderen, nicht zufällig ausländischen Beobachtern auf, zum Beispiel der türkischen Soziologin und Islamkritikerin Necla Kelek. Sie hat sich mit dem Integrationskonzept der Stadt beschäftigt, das am 30. September 2010 in der Stadtverordnetenversammlung verabschiedet wurde. Frau Kelek zählt Frankfurt zu den Gemeinden, die »einen besonders hohen Bevölkerungsanteil mit Migrationshintergrund« haben. Und: »In einigen Stadtteilen Frankfurts ist absehbar, dass die autochthone deutsche Bevölkerung zukünftig in der Minderheit sein wird.« Das war neu: Inzwischen machen sich Ausländer darüber Sorgen, dass es zu viele Ausländer in der Stadt gibt. Frau Kelek hat ausgerechnet, dass »von den mehr als 670 000 Einwohnern mehr als ein Drittel, etwa 200 000, einen Migrationshintergrund haben. Bei den Vierzehn- bis Achtzehnjährigen bereits jeder Zweite«. Sie verbindet ihre Beobachtungen mit dem Vorwurf an die deutschen Verwaltungen, diese sähen das Immigrationsdefizit ausschließlich als »Bringschuld« der deutschen Behörden – und versäumten, die Ausländer selbst zu fordern. Die Deutschen, so Frau Kelek (in der FAZ), »formulieren Erwartungen an die deutsche Gesellschaft; Erwartungen an die Migranten, ein Teil Deutschlands zu werden, gibt es nicht«. Und: »Migranten sind keine Mündel, wir müssen sie fordern. Sie sind auch keine Kinder, die vor Überforderung geschützt werden müssen."

 

 2200523-2417cfd3a50a0ff2b42ec923d3b7c896.jpg
Wilhelm Genazino (22 januari 1943 - 12 december 2018)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten