Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 14 januari 2019 tot 15 januari 2019

Antoine Wauters, Maud Vanhauwaert, Tsjêbbe Hettinga, F. Springer, Etty Hillesum, Osip Mandelstam, Mihai Eminescu, Molière, Philip Snijder

De Belgische dichter en schrijver Antoine Wauters werd op 15 januari 1981 geboren in Luik. Zie ook alle tags voor Antoine Wauters op dit blog.

Uit: Moi, Marthe et les autres

« 1. Nous arpentons le boulevard SainGerm et inspectons les restes des combats de nuit. Nous regardons devant nous, nous agenouillons, Josh dit: y a que des macchabées par ici, Hardy, que de la chair carbonisée. Il prend ma main et nous nous en allons, empruntant les petites rues et le funicul nous menant en droite ligne chez nous.

2. Je n’aime pas quand Josh s’approche trop quand il parle. Une odeur de charogne, Josh, à chaque fois qu’il s’approche trop près. Le monde est un lieu terrible, dis-je à Ossip en me collant à lui de retour dans la grotte, mais la bouche de Josh est encore plus infecte. Ossip sourit et me prend dans ses bras: t’es bête, Hardy. On s’endort en fixant la lune. La lune est bleue.

3. Nous fouillons les poubelles. Entrons dans de vieux magasins. Marthe nous devance, obsédée à l’idée de trouver du lait pour nourrissons. Ça sert à rien, Marthe, on lui dit. Tu le sais bien. Mais nos petits vont mourir si les choses continuent! hurle-t-elle. Et elle verse des larmes à peine perceptibles, que nous ne regardons pas, que nous ne regardons plus: nous avançons

4. Ce qu’il y a de comestible, nous le mettons dans des sacs. Ce qu’il y a de pourri, nous n’y touchons pas. S’il y a le moindre doute, nous l’écartons aussi. Ainsi des vieux oignons, des œufs, de la farine. Nous épargnons les pâtes, le riz, quelques graines dont on ignore le nom. Nous emportons les sacs dans nos réserves mais n’informons personne de l’endroit où se trouvent exactement celles-ci.

5. Tiens, j’ai encore perdu une dent, dit Ossip en me la montrant. Une nouvelle dent. Puis il sort abattre un poulet, plaçant le cou en équilibre sur le tronchet, mais frappant avec un gourdin. La tête du poulet pend. Qu’y a-t-il en ce monde qui puisse être épargné? demande Begraaf. Et il sourit comme seuls sourient les gens qui ont beaucoup perdu. »

 

 2207974-45c662a56dec8db1260e0d6a79383125.jpg
Antoine Wauters (Luik, 15 januari 1981)

 

 

De Vlaamse dichteres en schrijfster Maud Vanhauwaert werd op 15 januari 1984 geboren in Veurne. Zie ook alle tags voor Maud Vanhauwaert op dit blog.

 

*

De jongen met droge lippen. Een maïsvliesje
het gat in zijn hoofd opgevuld met donkerpaars rubber maïsvliesje

overdag plastificeert hij uw documenten wijdbeens
in een steegje een afbladderende raffinaderij
maïsvliesje maïsvliesje

daarlangs rekt een accordeon zich uit
slomer past zich aan aan de sirene
maïsvliesje: plaveisel van de zomer

voor je het weet stookt hij met een dame tussen zijn tanden
smaakt de wijn hem 's avonds naar een pasgeteerd scheepsdek
trekken ze maïsvliesjes

over hun hoofden schommelend
met verlamde benen, nagellak op droge lippen, plakt
aan hun zolen een verbolgen kwal

 

 

[het eerste gedicht gaat over]

het eerste gedicht gaat over

het uitspansel dat in een zalfje
in onze oren kleeft

dijbenen zoals ‘rose’ wanneer
uitgesproken in Marseille
wijde dijen. wij zijn speels

kletsen een opgerolde theedoek
tegen bovenarmen, zwellen

als stervende sterren op

 

 

[het tweede gedicht gaat over]

het tweede gedicht gaat over

het haar dat je in een klitje
uit de borstel trekt

voorzichtig op de kale legt
tevreden, zolang je de borelingen
maar stevig schudt en niet

zoals wij, huiswaarts
de geschoten schaapjes slap

over de schouder hangt

 

 2207974-3d98837c13eb23fe205f05f19477f27d.jpg
Maud Vanhauwaert (Veurne, 15 januari 1984)

 

 

De Friese dichter en vertaler Tsjêbbe Piter Hettinga werd geboren in Burgwerd op 15 januari 1949. Zie ook alle tags voor Tsjêbbe Hettinga op dit blog.

 

Het wagenhuis (Fragment)

Achttien jaar (nee, ouder hoef je ook niet te worden), ronde ziel
En gevangen in een hart van vijftien - haar scherp gescheiden, ernstig
Bloed, verrukt van wilde krullen, milde ogen, de dichte poort
Van het wagenhuis der genaaste liefde, waar schaamte nog wangen
Heeft, kleren vol dieselolie die nooit meer uit worden gedaan
Nadien, dochter van een boer die geld en dagen telt, van een zomer
Die vlamt in twee vulkanen, van gloeiendhete klei en lava,
Zwem (en ze zwemt) aan de lijn van de stroom, in ploegend trekkerbloed, nu,
In de delta van blauw geweld en zeezilveren scharen, zwem,
Zuster, van een broer die Zondag heet, en van een voorjaar verrezen
Onder twee opgaande manen, van nacht, vleermuis, konijnevacht,
Eet (en ze eet) de dromen van pijn en de vleesgeworden hostie
In de slangekuil van de wellust, jouw innemendheid, eet ze;
Het wagenhuis, bevrijd van de hoeve vol ogen en zwepen, slaat
Van zijn ankers: wagen, bokkig gevoerd, van huis met houten kruis
En gouden lichtvenster, met zijn inhoud, liggend op de bodem, van
Krullen, ogen, aanvalligheid, stort monddood in, ver loeiend vee;
Bloed en afgewerkte olie kruipen naar kuilen in de aarde,
Die het zomers stof draagt, geur van instinct en gasolie, gemengd.
Vanaf de brug (de vaart ruikt naar grond en modderpaling) zie ik hoe
De vlammen in de natte spiegel doven, hoor, de deur van een
Bergschuur piept in de buurtschap het roestig scharnier van de zomer dicht;
Een vrachtwagen boordevol bieten schakelt voor de brug over
De Bottevaart terug; warme dieselwalm kruipt in een winterjas.

 

2207974-b5feae2c82e1f6bb827151af19e920ca.jpg 
Tsjêbbe Hettinga (15 januari 1949 – 7 maart 2013)

 

 

De Nederlandse schrijver en diplomaat F. Springer (eig. Carel Jan Schneider) werd geboren in Batavia op 15 januari 1932. Zie ook alle tags voor F. Springer op dit blog.

Uit: Teheran, een zwanezang

“Yvonne en ik hadden hem natuurlijk niet gezien, wij gingen op in elkaar. Iedere paar meter had ik iets grappigs gezegd waar zij om moest schateren, dus hem hadden we niet gezien. Nu wist hij voor eens en altijd... 'Ach nee, Alfred, verkeerde droom, zo'n komiek ben ik niet.' Maar hij knikte heel beslist. Ik bewonderde zijn gave om steeds weer nieuwe, nog martelender details voor onze openingsdialoog te bedenken. Zonder verdere omhaal begon hij vervolgens te vertellen over zijn oudste zoon, kei op school, en over de gezinsvakantie op 'het fascinerende eiland Madagascar', en over de moeilijke opdracht die hij in Brussel te vervullen had. Bij het bestuderen van de financiële stukken was hij op onregelmatigheden gestuit. Hij had weinig zin in de klus. Misschien moest hij wel tot faillissement adviseren. 'Je zult het vast heel goed en diplomatiek afwikkelen,' zei ik. (Voor zo'n delicaat karwei had hij precies de juiste, vertrouwen inboezemende, discrete, Zwitserse stem.) 'En jij?' vroeg hij terwijl we ons vastgespten. 'Ze hebben zich thuis rot gelachen om je laatste boekje waarin je ons onder meer Nietzsche voorschotelt, met dat dolle paard in Turijn, 1889, alsof je er zelf bij was dat wel, maar volgens mijn jongens klopt er geen fluit van je story.' Schor lachje. 'Geeft niks, Alfred, je kent mijn handelsmerk. Ik besprenkel bekende historische feiten met een fantasierijk lawaaisausje. Die bekende boekjes zijn niet voor slimme Zwitserse klokkenmakertjes bedoeld. Ik schrijf voor nitwits. Populair en geïllustreerd. Niets is zo gemakkelijk als geschiedschrijving.' 'Geschiedschrijving is wel een erg groot woord voor Toby Harrison's Illustrated Mirror of History & Culture,' zei hij droog. 'Je heb me trouwens nooit verteld hoe je aan dat pseudoniem komt.' 'Verzonnen door derden. Wat ik je allang had willen zeggen, ik wens ook door jou niet anders meer genoemd te worden.' `Ik ken je al honderd jaar, man! Doe niet zo gek. Je denkt toch niet dat ik opeens Toby tegen je kan zeggen? Toby Toby, dat krijg ik niet uit mijn bek.' 'Ik luister niet meer naar andere namen. Toby Harrison is ongemerkt wereldberoemd aan het worden. Vooral zijn biografieën van levende en dode personen van vorstelijken bloede doen het heel goed. Die Nietzsche met dat paard was een filosofisch tussendoortje.' Na een kwartier vliegen was hij bereid mij voortaan Tobias te noemen. Een vrij stijve naam die meer bij hem dan bij mij hoorde. 'Als jij vindt dat een schuilnaam bevorderlijk is voor de verkoop van je eh... geschiedenisboekjes wil ik geen spelbreker zijn. Dat is de enige reden waarom ik dan maar in godsnaam eh... Tobias zeg, maar Toby, dat nooit.'

 

 2207974-14bb9f2a4013ce78747e37e1f400860e.jpg
F. Springer (15 januari 1932 – 7 november 2011)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijfster Etty Hillesum werd geboren in Middelburg op 15 januari 1914. Zie ook alle tags voor Etty Hillesum op dit blog.

Uit: Het verstoorde leven

“Zondag, 9 maart [1941].
(...)

“Zoals ook bij het geslachtelijke verkeer de laatste bevrijdende schreeuw altijd schuw in de borst blijft steken. Erotisch ben ik geraffineerd en ik zou haast zeggen doorgewinterd genoeg om tot de goede minnaressen te behoren en de liefde lijkt dan ook volmaakt, maar toch blijft het Spielerei om het essentiële heen, er blijft diep in me iets gevangen. En zo is het ook met de rest. Intellectueel ben ik zo geoefend dat ik alles kan peilen, alles kan aanroeren met heldere formules, ik lijk zeer überlegen in vele problemen des levens, maar toch, daar heel diep zit een samengebalde kluwen, er houdt me iets vast in de greep en ik ben af en toe toch maar een angstige stakkerd, ondanks het heldere denken.
Laat ik het moment van vanochtend even vasthouden, hoewel het me nu al bijna weer ontglipt is. Door helder denkwerk had ik S. voor een ogenblik overwonnen. Zijn doorzichtige, reine ogen, zijn zware zinnelijke mond; zijn stierachtige, zware gestalte, en de vederlichte, bevrijde bewegingen. De strijd tussen stof en geest, die bij deze 54-jarige man nog in volle gang is. En het lijkt of ik verpletterd word onder het gewicht van die strijd. Ik word bedolven onder die persoonlijkheid en kan er niet onder uitkomen; mijn eigen problemen, die ik ongeveer als van dezelfde aard aanvoel, liggen daar maar wat te spartelen. Het is natuurlijk toch heel anders en het kan niet precies gezegd worden, de eerlijkheid is misschien nog niet onbarmhartig genoeg bij mij en om met woorden tot de bodem der dingen door te dringen valt ook niet mee.
Eerste indruk van enige minuten: geen zinnelijk gezicht, on-Hollands, type dat me toch ergens vertrouwd was, deed denken aan Abrascha, was me toch niet helemaal sympathiek.
Tweede indruk: verstandige, ongelofelijk verstandige, stokoude, grauwe ogen, die de aandacht van de zware mond voor korte tijd wisten af te leiden, maar toch niet helemaal. Zeer geïmponeerd door zijn werk: het peilen van mijn diepste conflicten door het lezen in mijn tweede gezicht: de handen. Ergens ook even heel onaangenaam getroffen: toen ik even niet oplette en dacht dat hij het over mijn ouders had: Nein, das alles sind Sie, philosophisch, intuitiv begabt en nog wat van die heerlijkheden, das alles sind Sie. Hij zei het op de manier zoals je een klein kind een koekje in de hand duwt. Ben je nou niet blij? Ja, al die mooie eigenschappen hebt u nou, bent u nou niet blij? Toen een kort moment van afkeer, ergens vernederd, misschien ook alleen maar geraakt in m’n esthetische gevoel, in ieder geval vond ik hem toen vrij misselijk.”

 

 2207974-c8548b9dbe2a104a98b1918f7f24042e.jpg
Etty Hillesum (15 januari 1914 – 30 november 1943)

 

 

De Russische dichter Osip Mandelstam werd geboren op 15 januari 1891 in Warschau. Zie ook alle tags voor Osip Mandelstam op dit blog.

 

Only to read childrens’ books

Only to read childrens’ books,
only to love childish things,
throwing away adult things,
rising from saddest looks.

I am wearied to death with life.
There’s nothing it has that I want,
but I celebrate my naked earth,
there’s no other world to descant.

A plain swing of wood;
the dark, of the high fir-tree,
in the far-off garden, swinging;
remembered by feverish blood.

 

 

A speechless sadness

A speechless sadness
opened two huge eyes.
A vase of flowers woke:
splashing crystal surprise.

The whole room filled,
with languor - sweet potion!
Such a tiny kingdom
to swallow sleep’s ocean.

Wine’s slight redness,
May’s slight sunlight –
fingers, slender, and white,
breaking wafer-fragments.

 

 

Silentium

She has not yet been born:
she is music and word,
and therefore the un-torn,
fabric of what is stirred.

Silent the ocean breathes.
Madly day’s glitter roams.
Spray of pale lilac foams,
in a bowl of grey-blue leaves.

May my lips rehearse
the primordial silence,
like a note of crystal clearness,
sounding, pure from birth!

Stay as foam Aphrodite – Art –
and return, Word, where music begins:
and, fused with life’s origins,
be ashamed heart, of heart!

 

Vertaald door A. S. Kline

 

 2207974-ec2ae7d0f14ebc9872542f32825bc862.jpg
Osip Mandelstam (15 januari 1891 – 27 december 1938)
Portret door Alexander Osmerkin.

 

 

De Roemeense dichter Mihai Eminescu (eigenlijk Mihail Eminovici) werd geboren op 15 januari 1850 in Botoşani bij Czernowitz. Zie ook alle tags voor Mihai Eminescu op dit blog.

 

Lucifer (Fragment)

Until one night with shower of rays  
He slips into her room,  
As though a strange and silver haze  
Did round about her loom.  

And when at last the child to rest  
Upon her sofa lies,  
He iays her arms across her breast  
And closes her soft eyes.  

While where his ray on mirror lands  
And is upon her couch redrifted,  
It falls upon her throat and hands  
And on her face uplifted.  

A smile is on her lips it seems ;  
He in the mirror trembles,  
For smooth his ray glides midst her dreams  
And round her soul assembles.  

And while she is in slumber gone  
She murmurs through her sighs :  
"Come down to me beloved one,  
Fair prince of the clear skies.  

Come down, good Lucifer and kind ,  
O lord of my aspire,  
And flood my chamber and my mind  
With your sweetest fire !"  

And Lucifer beams still more bright  
To hear her word's emotion ;  
Then like a comet in its flight  
Dives down into the ocean.  

 

 2207974-64775bd3b691593f49e50fa5947d8a87.jpg
Mihai Eminescu (15 januari 1850 – 15 juni 1889) 
Scene uit de Roemeense film “A Clod of Clay (Un bulgare de huma)” met Dorel Visan als Ion Creanga en Adrian Pintea als Mihai Eminescu uit 1989

 

 

De Franse toneelschrijver en acteur Molière (pseudoniem van Jean-Baptiste Poquelin) werd geboren in Parijs op 15 januari 1622. Zie ook alle tags voor Molière op dit blog.

Uit:  Le Misanthrope

« ALCESTE.
Non, elle est générale, et je hais tous les hommes:
Les uiis, parce qu'ils sont méchans et malfaisans;
Et les autres, pour être aux méchans complaisans,
Et n'avoir pas pour eux ces haines vigoureuses
Que doit donner le vice aux ames vertueuses.'
De cette complaisance on voit l'injuste excès
Pour le franc scélérat avec qui j'ai procès.
Au travers de son masque on voit à plein le traître:
Partout il est connu pour tout ce qu'il peut être;.
Et ses roulemens d'yeux et son ton radouci
N'imposent qu'à des gens qui ne sont point d'ici;
On sait que ce pied-plat, digne qu'on le confonde,
Par de sales emplois s'est poussé dans le monde,
Et que par eux son sort, de splendeur revêtu,
Fait gronder le mérite et rougir la vertu;
Quelques titres honteux qu'en tous lieux on lui donne,
Son misérable honneur ne voit pour lui personne:
Nommez-le fourbe, infâme, et scélérat maudit,
Tout le monde en convient, et nul n'y contredit.
Cependant sa grimace est partout bien venue,
On l'accueille, on lui rit, partout il s'insinue;
Et, s'il est, par la brigue, un rang à disputer,
Sur le plus honnête homme on le voit l'emporter.
Tétebleu! ce me sont de mortelles blessures
De voir qu'avec le vice on garde des mesures;
Et parfois il me prend des mouvemens soudains
De fur dans un désert l'approche des humains.!
PHILINTE.
Mon Dieu! des moeurs du temps mettons-nous moins en peine ,
Et faisons un peu grace à la nature humaine;
Ne l'examinons point dans la grande rigueur,
Et voyons ses défauts avec quelque douceur.
Il faut parmi le monde une vertu traitable;
A force de sagesse on peut être blâmable :
La parfaite raison fuit toute extrémité,
Et veut que l'on soit sage avec sobriété?
Cette grande roideur des vertus des vieux âges… »

 

 2207974-79c9d864514d15891740953155d19858.jpg
Molière (15 januari 1622 – 17 februari 1673)
Scene uit een opvoering in Avignon, 2014

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver Philip Snijder werd geboren in Amsterdam in 1956. Zie ook alle tags voor Philip Snijder op dit blog.

Uit: Zondagsgeld

“De dag dat ik als eerste op een dempie in de Bickersgracht stond, moet een dag in de late herfst of winter zijn geweest, want mijn opa lag in bed. Al speelt dit vele jaren geleden, ik herinner me met zekerheid dat het een van de dagen was waarop ik mijn vier sneetjes witbrood moest zien weg te krijgen in de walm van zijn ongewassen berenlijf, en dat ik krampachtig probeerde niet naar hem te kijken. Als ik keek, zou hij zijn gele tanden bloot grijnzen en mij tussen de klamme, vettige lakens bij zich noden. (`Kom lekker bij opa, pik...') Dan zou hij een arm om me heen slaan, me genoeglijk tegen zijn zweterige ondergoed trekken en mij laten mee-eten van de stukken brood die hij eerst diep in een klotsend bord jus doopte. Deze ontvangsten in bed waren zijn vertoon van grootvaderlijke tederheid, waarmee hij op quasi zachtmoedige momenten graag zijn publiek imponeerde. Maar als ik oogappel van dienst moest zijn, zou ik niet op tijd wegkomen om nog vóór het begin van de schoolmiddag met twee benen op het nieuwe dempie bij de Stenen Brug te staan. En als ik daar als eerste wilde zijn, was verder uitstel echt onmogelijk. Zeker nu ik had gezien dat er sinds een paar dagen een niet-lekke plastic bal op lag, die niemand nog had durven terug te halen. De hele winter hield mijn opa het bed. Niet dat hij ziek of invalide was. Tegen het eind van het najaar stapte hij op een ochtend gewoon niet meer uit het verzakte opklapbed dat een groot deel van het bedompte huiskamertje in beslag nam. Met de slappe kussens omhooggewerkt lag hij dan maandenlang tussen groezelige lakens en dekens het kamertje te vullen met de slaaplucht van zijn enorme lijf. Als een levend opgebaarde, misnoegde observator van zijn eigen wake. Van 's morgens tot 's avonds laat waren er, behalve mijn opa en opoe zelf, vele gasten in dat kamertje aanwezig. Zoons, dochters, kleinkinderen, buurvrouwen met tante-status, ze stroomden samen uit alle hoeken van het Bickerseiland om onderuitgezakt, gapend en zich krabbend, bij mijn opa en opoe hun dagen uit te zitten. Alle stoelen en leuningen waren continu bezet met hangend mensenvlees. Voor dit bezoek was geen andere aanleiding dan het instinctief zoeken van geruststellende broeierigheid. Als een nest bij elkaar wegschuilende muizen voelde deze permanente visite zich warm en veilig. De donderende scheldtirades waarmee mijn opa zich nu en dan over de bezoekers heen tot zijn vrouw richtte, brachten de schemertoestand in het kamertje niet in gevaar.”

 

 2207974-af655f615c32c70ebdf6e2731a3e8351.jpg
Philip Snijder (Amsterdam, 1956)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e januari ook mijn blog van 15 januari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:16 Reageer op dit bericht

J. Bernlef, Chris de Stoop, Edward St Aubyn, Anchee Min, Yukio Mishima, Martin Auer, Andreas Steinhöfel, John Dos Passos, Isaäc da Costa

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog..

Uit: Het wonder

“Het gebeurde op een zomeravond, toen ik tien jaar was. Ik kwam net op tijd voor het avondeten thuis en rende naar de keuken om mijn handen te wassen. Mijn moeder was bezig de aardappelen van de pan in een dekschaal te doen en haar gezicht was in een wolk van stoom gehuld.
‘Was je ze goed,’ vroeg ze, maar ik antwoordde niet.
Die middag was er een schoolgevecht geweest. Op een braakliggend terrein in de buurt van de school hadden wij gevochten tegen de jongens van de christelijke school, die een paar straten verderop stond. Ik was doodmoe. Al had ik geen zichtbare verwondingen, ik verbeeldde me, met een gevoel van verzaliging, dat al mijn botten gebroken waren. Mijn spieren deden pijn en ik trok wat met mijn rechterbeen waar ik een schop tegen had gehad, al overdreef ik het trekken natuurlijk wel. Ik kwam dus min of meer hinkend binnen. Mijn vader en mijn broertje zaten al aan tafel. Pietje probeerde zelf zijn slab om te binden, maar liet het lapje ten slotte met een kreet van onmacht voor zich op zijn bord vallen. Mijn vader zat voorovergebogen het vlees te snijden. In een van de ramen van de huizen aan de overkant van de straat zag ik de zon oranje ondergaan. Ik bleef stilstaan en keek naar het hoofd van mijn vader. Op het midden van de schedel zat een langwerpige kale plek aan alle kanten bebost door opspringend zwart haar, als een open plek in het bos omzoomd door struikgewas. Hij had mij niet horen binnenkomen. Ik boog mij voorover, legde mijn wijsvinger als een paar horens naast mijn hoofd en stoof op mijn broertje af, een afschuwelijk gebrul uitstotend. Pietje begon te huilen en verborg zijn gezicht in zijn handen. Mijn vader keek op, verbaasd en direct daarop vermanend.
‘Wil je...’ zei hij, maar hij brak zijn zin af toen mijn moeder binnenkwam en de schalen met aardappels en groente op tafel zette. Ik ging aan tafel zitten en mijn moeder schepte mijn bord vol.
‘Heb je fijn gespeeld,’ vroeg ze terwijl ze het bord voor mij neerzette. Ik propte mijn mond vol en zei:
‘Op het landje.’
Mijn vader keek van zijn bord op, zijn wenkbrauwen optrekkend.
‘Welk landje,’ vroeg hij.
Ik wees met een hand naar het raam. ‘Achter de school,’ zei ik, ‘we hebben gevochten met de Pro Rege. Ze zijn 'm gesmeerd en die schoften hadden stokken bij hun.’ Ik schoof van opwinding heen en weer over de zitting van mijn stoel. Mijn vader boog zich naar mij toe en tikte met zijn mes één keer scherp tegen de rand van mijn bord. Ik schrok want ik was alweer verloren in de oorlog van een paar uur geleden. Ik snoof weer de geur van vuil zand op, van zuring en visgraten in kranten verpakt, ik hoorde het geschreeuw en zag de blauwe ijsmuts van onze aanvoerder, Jopie de Boer uit de zesde, midden in een krioelende hoop jongens.”

 

 2207634-9a0fa479c96ae85691febd6637b8b1aa.jpg
J. Bernlef (14 januari 1937 – 29 oktober 2012)
Cover achterkant

 

 

De Vlaamse schrijver en journalist Chris De Stoop werd geboren op 14 januari 1958 in Sint-Gillis-Waas. Zie ook alle tags voor Chris de Stoop op dit blog.

Uit: Dit is mijn hof

“Ik heb er een diepvriezer voor gekocht en eet soms maanden koe tot het me de keel uit komt. Wat des te sneller gebeurtals ik de koe in kwestie nog goed gekend heb.
Uiteindelijk lukt het ons door de weidedraad op een andere plaats helemaal open te maken en de vaarzen zo via een omweg naar het erf te drijven – een vaak beproefde afleidingstactiek.
Mijn broer loopt met een riek hooi voor de beesten uit om hen tot in de stal te lokken. Als de laatste binnen is, doen we haastig de grendel in het slot. We leunen doodmoe tegen de muur,
waarvan de onderkant zwart ziet van de mest. We glimmen van het zweet en van het vuil.
Hoewel ik al twintig jaar gestopt ben met roken, rol ik nu een sigaret, samen met hem. Een dunne, want hij is zuinig op zijn tabak en kijkt me op de vingers. We roken en rochelen zonder
een woord te zeggen. Alle vee is nu van de wei en alleen de bulldozer blijft buiten achter in de regen, die gaandeweg overgaat in natte sneeuw. Binnen is het behaaglijk tussen de dampende koeienlijven.
Maar we praten niet zoals vroeger met voldoening na over de hele operatie, we rakelen niet eindeloos op hoe hachelijk het wel was en hoe wild ze waren en hoeveel geluk we hadden dat
we de beesten weer in de stal kregen, nee.
‘Het boeren is bijna afgelopen,’ zegt mijn broer voor de zoveelste keer, met op zijn gezicht een mengsel van schrik en wrok. ‘Ze willen ons weg.’
‘Nog lang niet,’ zeg ik.
We zwijgen weer en kijken de stal rond, waarin het verval stilaan merkbaar wordt in de kromme buizen en roestige drinkbakken. De koeien zijn al gaan liggen, dicht bij elkaar, met hun zware koppen op elkaars buik. Ze kijken met glanzende ogen naar ons terug. Hun adem is zichtbaar als wolken stoom. De jonge vaarzen zitten nog vol onrust. Soms kunnen ze het niet houden van de schurft en schuren ze zich tegen de muren. Soms krommen ze hun rug en steken ze hun staart omhoog om pletsend te pissen en te schijten. Het spat tot op ons gezicht.”

 

 2207634-20ef07a81213dc2e703bd01f07a5ace5.jpg
Chris De Stoop (Sint-Gillis-Waas, 14 januari 1958)

 

 

De Britse schrijver en journalist Edward St Aubyn werd geboren op 14 januari 1960 in Cornwall. Zie ook alle tags voor Edward St Aubyn op dit blog.

Uit: Dunbar

““We’re off our meds,” whispered Dunbar.
“We’re off our meds/ we’re off our heads,” sang Peter, “we’re out of our beds/ and we’re off our meds! Yesterday,” he continued in a conspiratorial whisper, “we were drooling into the lapels of our terry cloth dressing gowns, but now we’re off our meds! We’ve spat them out; we’ve tranquilized the aspidistras! If those fresh lilies you get sent each day . . .”
“When I think where they come from,” growled Dunbar.
“Steady, old man.”
“They stole my empire and now they send me stinking lilies.”
“Oh, you had an empire, did you?” said Peter, in the voice of an eager hostess, “you must meet Gavin in Room 33, he’s here in disguise, but his real name,” Peter lowered his voice, “is Alexander the Great.”
“I don’t believe a word of it,” grumbled Dunbar, “he’s been dead for years.”
“Well,” said Peter, now a Harley Street consultant, “if those troubled lilies were suffering from schizophrenic tendencies; tendencies, mind you, a little penchant for the schizoid, not the full-blown thing, their symptoms will have been mitigated with a minimum of fatal side effects.” He leant forward and whispered, “that’s where I put my dead meds: in the vase with the lilies!”
“I really did have an empire, you know,” said Dunbar. “Have I ever told you the story of how it was stolen from me?”
“Many times, old man, many times,” said Peter dreamily.
Dunbar heaved himself out of his armchair and after a couple of stumbling steps, straightened up, squinting at the strong light that slanted through the reinforced glass of his premium cell.
“I told Wilson that I would stay on as non-executive chairman,” Dunbar began, “keeping the plane, the entourage, the properties, and the appropriate privileges, but laying down the burden--” he reached over to the large vase of lilies and lowered it carefully to the floor, “laying down the burden of running the Trust from day to day. From now on, I told him, the world will be my perfect playground and, in due course, my private hospice.”
“Oh, that’s very good,” said Peter, “ ‘the world is my private hospice,’ that’s a new one.”
“ ‘But the Trust is everything,’ Wilson told me.” Dunbar grew more agitated as he moved into the story. “ ‘If you give that away,’ he said, ‘you’ll have nothing left. You can’t give something away and keep it at the same time.’ ”
“It’s an untenable position,” Peter cut in, “as R. D. Laing said to the Bishop.”

 

2207634-432152c73b33d87c7b7894d0a864aed9.jpg
Edward St Aubyn (Cornwall, 14 januari 1960)

 

 

De Chinese schrijfster Anchee Min werd geboren in Shanghai op 14 januari 1957. Zie ook alle tags voor Anchee Min op dit blog.

Uit: The Cooked Seed

“I entered a stall and closed the door. I had never seen such a spacious and clean toilet room. A roll of paper came into view. It was pure white and soft to the touch. I wondered how much it would cost. I would not use it if I had to pay. I sat down and pulled the paper a few inches. I looked around and listened. No alarm went off. I was not sure if I was allowed to use the paper. I dragged out a foot more, and then another foot. I put the paper under my nose and smelled a lovely faint scent. Perhaps it was free, I decided. Carefully, I wiped my behind with the paper. It didn't scratch my buttocks. What an amazing feeling. I grew up with toilet paper that felt like sandpaper. In fact, it was what I had packed in my suitcase—toilet paper made of raw straw.
People with different colored eyes, hair, and skin confirmed that I was no longer in China. I hoped my seaweed hairstyle didn't offend any-body. I inched forward in the line leading toward the immigration sta-tion. I heard the man behind the booth call, "Next!" My heart jumped out of my chest. I forced myself to step forward. My surroundings started to spin. I was face-to-face with an immigration officer. I wanted to smile and say, "Hello!" but my jaw locked. My mind's eye kept seeing one image—a group of peasants trying to haul a Buddha statue made of mud across a river. The Buddha statue was breaking apart and dissolving into the water. Shaking, I held out my right arm and presented my passport. The officer was a middle-aged white man with a mustache. A big grin crossed his face as he greeted me with what I later came to learn was "Welcome to America!" My mind went blank. I tried to breathe. Was the man asking me a question or was it a greeting? Did he mean "Where are you from?" or "How are you?" I had been studying a book called English goo Sentences. Accord-ing to the book, "How do you do?" would be the first words you would say when you met someone for the first time. Obviously, this was not what the officer had said. How do I respond? Should I say, "I am very well, thank you, and how are you?" or "I am from China"? What if it was a greeting? Did I hear "America"? I thought I did. "America" meant "United States," didn't it? Did he say, "Why are you in America?" I could feel the officer's eyes as they bore into me. I decided to give him my prepared response. Lifting my chin, I forced a smile. I pushed the words out of my chest the best I could: "Thank you very much!" The officer took my passport and examined it. "An ah Q?" he said. "Ah Q? A ... Kee? A ... Q?" On my passport, my first name was spelled "An-Qi." I had no say in choosing the spelling of my name. The Pinyin spelling system was in-vented by the Communist government. If the actual name was pro-nounced "Anchee," the Pinyin would spell it "An-Qi." The Communist official in charge of Chinese language reform believed that a foreigner would pronounce "Chee" when he read "Qi." No Chinese was allowed to spell their name any other way on their passport. Should I have answered "Yes, I am Ah-Q"? I didn't think so. "Ah-Q" was the name of a famous Chinese idiot. If it was "Ah-B" or "Ah-C," I would have gladly answered yes.”

 

 2207634-4084d1a999c03373b65d5c8e17ea9fc8.jpg
Anchee Min (Shanghai, 14 januari 1957)

 

 

De Japanse schrijver Yukio Mishima werd geboren op 14 januari 1925 in Tokyo. Zie ook ook alle tags voor Yukio Mishima op dit blog.

Uit: Spring Snow (Vertaald door Michael Gallagher)

“Released into the pond, they had bred rapidly. Once a snapping turtle got your finger in its beak, the servants told Kiyoaki, that was the end of it. There were several pavilions used for the tea ceremony and also a large billiard room. Behind the main house, wild yams grew thick in the grounds, and there was a grove of cypresses planted by Kiyoaki's grandfather, and intersected by two paths. One led to the rear gate; the other climbed a small hill to the plateau at its top where a shrine stood at one corner of a wide expanse of grass. This was where his grand-father and two uncles were enshrined. The steps, lanterns, and torii, all stone, were traditional, but on either side of the steps, in place of the usual lion-dogs, a pair of cannon shells from the Russo-Japanese War had been painted white and set in the ground. Somewhat lower down there was a shrine to Inari, the harvest god, behind a magnificent trellis of wisteria. The anniversary of his grandfather's death fell at the end of May; thus the wisteria was always in full glory when the family gathered here for the services, and the women would stand in its shade to avoid the glare of the sun. Their white faces, powdered even more meticulously than usual for the occasion, were dappled in violet, as though some exquisite shadow of death had fallen across their cheeks. The women. No one could count exactly the multitude of women who lived in the Matsugae mansion. Kiyoaki's grand-mother, of course, took precedence over them all, though she preferred to live in retirement at some distance from the main house, with eight maids to attend to her needs. Every morn-ing, rain or shine, Kiyoaki's mother would finish dressing and go at once with two maids in attendance to pay her respects to the old lady.”

 

 2207634-f33b724aed28e152cfceb6aff84e9253.jpg
Yukio Mishima (14 januari 1925 – 25 november 1970)

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver, musicus en cabaretier Martin Auer werd geboren op 14 januari 1951 in Wenen. Zie ook alle tags voor Martin Auer op dit blog.

 

Zufall

Wenn statt mir jemand anderer
auf die Welt gekommen wär'.
Vielleicht meine Schwester
oder mein Bruder
oder irgendein fremdes blödes Luder -
wie wär' die Welt dann,
ohne mich?
Und wo wäre denn dann ich?
Und würd' mich irgendwer vermissen?
Es tät ja keiner von mir wissen.
Statt mir wäre hier ein ganz anderes Kind,
würde bei meinen Eltern leben
und hätte mein ganzes Spielzeug im Spind.
Ja, sie hätten ihm sogar
meinen Namen gegeben!

 

 

Kim denkt

Wenn die Mäuse so groß wie Hunde wären,
dann müßten die Katzen so groß wie Tiger sein.
Und die Tiger wären dann so groß
wie Elefanten.
Aber die Elefanten wären so groß
wie Walfische, und die Walfische
so groß wie Ozeandampfer.
Und überhaupt müßte dann alles
viel größer sein, die ganze Welt, und die Häuser, die Bäume
und die Menschen, und Papa und Mama
und ich auch natürlich.
Alles müßte dann viel größer sein, damit alles
zusammenpaßt.
Aber wenn alles viel größer wäre,
dann würde man das
ja gar nicht merken.
?
Vielleicht sind die Mäuse wirklich so groß wie Hunde?

 

 2207634-424f74f1c35dfc06d85531085993e0ab.jpg
Martin Auer (Wenen, 14 januari 1951)

 

 

De Duitse schrijver en vertaler Andreas Steinhöfel werd geboren op 14 januari 1962 in Battenberg. Zie ook alle tags voor Andreas Steinhöfel op dit blog.

Uit:Rico, Oskar und die Tieferschatten

“Die Nudel lag auf dem Gehsteig. Sie war dick und geriffelt, mit einem Loch drin von vorn bis hinten. Etwas getrocknete Käsesoße und Dreck klebten dran. Ich hob sie auf, wischte den Dreck ab und guckte an der alten Fensterfront der Dieffe 93 rauf in den Sommerhimmel. Keine Wolken und vor allem keine von diesen weißen Düsenstreifen. Außerdem, überlegte ich, kann man Flugzeugfenster nicht aufmachen, um Essen raus zu werfen. Ich ließ mich ins Haus ein, zischte durch das gelb getünchte Treppenhaus rauf in den Dritten und klingelte bei Frau Dahling. Sie trug große bunte Lockenwickler im Haar, wie jeden Samstag. »Könnte ‘ne Rigatoni sein. Die Soße ist auf jeden Fall Gorgonzola«, stellte sie fest. »Lieb von dir, mir die Nudel zu bringen, Schätzchen, aber ich hab sie nicht aus dem Fenster geworfen. Frag mal Fitzke.« Sie grinste mich an, tippte sich mit dem Finger an den Kopf und verdrehte die Augen nach oben. Fitzke wohnt im Vierten. Ich kann ihn nicht leiden und eigentlich glaubte ich auch nicht, dass die Nudel ihm gehörte. Frau Dahling war meine erste Wahl gewesen, weil sie öfters mal was aus dem Fenster wirft, letzten Winter zum Beispiel den Fernsehapparat. Fünf Minuten später schmiss sie auch noch ihren Mann raus, den allerdings nur aus der Wohnung. Danach kam sie zu uns, und Mama musste ihr ein Schlückchen Gutes einschenken.
»Er hat eine Geliebte!«, hatte Frau Dahling verzweifelt erklärt. »Wenn die blöde Kuh wenigstens jünger wäre als ich! Schenken Sie mal nach!« Weil die Glotze jetzt im Eimer und der Mann weg war, hatte sie sich am nächsten Tag zum Trost einen todschicken Flachbild-Fernseher und einen DVD-Player gekauft. Seitdem gucken wir uns zusammen manchmal einen Liebesfilm an oder Krimis, aber nur an den Wochenenden, wenn Frau Dahling ausschlafen kann. Unter der Woche steht sie bei Karstadt am Hermannplatz hinter der Fleischtheke. Sie hat immer ganz rote Hände, so kalt ist es da. Während des Fernsehens essen wir Müffelchen mit Wurst und Ei oder Lachs. Bei Liebesfilmen schnieft Frau Dahling mindestens zehn Tempos voll, aber am Schluss schimpft sie dann immer los, von wegen, nun hätten der Kerl und die Frau sich also gekriegt und jetzt ginge das Elend erst richtig los, aber das würden die natürlich nie zeigen in den Filmen, so ein total verlogener Scheiß – noch ein Müffelchen, Rico? »Bleibt es bei heute Abend?«, rief Frau Dahling mir nach, als ich rauf in den Vierten rannte, immer zwei Stufen auf einmal. »Klar!«

 2207634-9c67631f5e27572477109512acb3209f.jpg
Andreas Steinhöfel (Battenberg, 14 januari 1962)

 

 

De Amerikaanse schrijver John Dos Passos werd geboren op 14 januari 1896 in Chicago. Zie ook alle tags voor John Dos Passos op dit blog.

Uit: The Big Money

"You know it's quite dreadful here," Ollie's voice went on. "Prohibition and all that, it's worse than the wildest imagination could con-ceive. I'll come and pick you up with a cab." All right, Ollie, I'll be in the lobby." Charley put on his tunic, remembered to leave off his Sam Browne belt, straightened his scrubby sandy hair again, and went down into the lobby. He sat down in a deep chair facing the revolving doors. The lobby was crowded. There was music coming from somewhere in back. He sat there listening to the dancetunes, looking at the silk stockings and the high heels and the furcoats and the pretty girls' faces pinched a little by the wind as they came in off the street. There was an expensive jingle and crinkle to everything. Gosh, it was great. The girls left little trails of perfume and a warm smell of furs as they passed him. He started counting up how much jack he had. He had a draft for three hundred bucks he'd saved out of his pay, four yellowbacked twenties in the wallet in his inside pocket he'd won at poker on the boat, a couple of tens, and let's see how much change. The coins made a little jingle in his pants as he fingered them over. Ollie Taylor's red face was nodding at Charley above a big camels-hair coat. "My dear boy, New York's a wreck. . . . They are pouring icecream sodas in the Knickerbocker bar...." When they got into the cab together he blew a reek of highgrade rye whiskey in Charley's face. "Charley, I've promised to take you along to dinner with me.... Just up to ole Nat Benton's. You won't mind ... he's a good scout. The ladies want to see a real flying aviator with palms." "You're sure I won't be buttin' in, Ollie?" "My dear boy, say no more about it." At the club everybody seemed to know Ollie Taylor. He and Char\ley stood a long time drinking Manhattans at a dark-paneled bar in a group of whitehaired old gents with a barroom tan on their faces. It was Major this and Major that and Lieutenant every time anybody spoke to Charley. Charley was getting to be afraid Ollie would get too much of a load on to go to dinner at anybody's house. At last it turned out to be seventhirty, and leaving the final round of cocktails, they got into a cab again, each of them munching a clove, and started uptown. "I don't know what to say to 'em," Ollie said. "I tell them I've just spent the most delightful two years of my life, and they make funny mouths at me, but I can't help it." There was a terrible lot of marble, and doormen in green, at the apartmenthouse where they went out to dinner and the elevator was inlaid in different kinds of wood. Nat Benton, Ollie whispered while they were waiting for the door to open, was a Wall Street broker. They were all in eveningdress waiting for them for dinner in a pinkishcolored drawingroom. They were evidently old friends of Ollie's because they made a great fuss over him and they were very cordial to Charley and brought out cocktails right away, and Charley felt like the cock of the walk. There was a girl named Miss Humphries who was as pretty as a picture.”

 

 2207634-dd03d996b034cf282b1fb1a6389d8abc.jpg
John Dos Passos (14 januari 1896 – 28 september 1970)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Isaäc da Costa werd geboren in Amsterdam op 14 januari 1798. Zie ook alle tags voor Isaäc da Costa op dit blog.

 

De barre rots

Met het hoofd in de wolken,
de voet in de kolken,
staat bij golvengeklots
naakt en eenzaam de rots
Tevergeefs op zijn toppen
zijgen morgendaauwdroppen!
Tevergeefs ziet de maan
lieflijk starend hem aan!
En geen zomerluchtzwoelte
en geen avondwindkoelte
vermag iets op de aard
van het ijskoud gevaart’
waar zich bloemen noch bladen mosgroen op tonen,
en geen plant wordt gezien,
om des kruidkenners vlijt met een schat te belonen,
of de zeemeeuw een nest voor zijn jongen te biên!

Sombre steenrots! de lente keert weder,
’t dorre veld wordt bestrooid,
maar op u blikt zij vruchteloos neder!
op uw kruin past, voor krans
een verhevener glans
’k Zag een leger van golven de aanval beginnen
Zij liepen u aan,
met schelden en slaan,
met schuimende woede! Maar zouden zij ’t winnen?
Of ook over u heen heel haar menigte gaat,
zij breken, — gij staat.
Zij breken, zij wijken,
van veerkracht beroofd.
Daar verheft gij het hoofd;
statig ziet men het prijken
met paarlen van ’t zeenat, met edelgesteent’
als van ziltige tranen bij ’t zonlicht geweend.

Dus ook menig in God vastgeworteld gemoed!
wen der tegenheên vaak overstelpende vloed
voor een ogenblik tijds is geweken,
zij de bloesem van vroegere weelde vergaan,
zij ’t voor altijd op aard met vreugde gedaan,
voel’ zich ’t hart bij herhaling nog breken; —
toch verheft zich in vrede de geest naar omhoog,
bij de daauwdrop der smeltende smart in het oog,
en men beurt uit ons werelds gewemel,
als die eenzame rots
uit het golvengeklots,
naakt maar blinkend de kruin op ten hemel.

 

 2207634-4db515396628f5a03ca37f822b628290.jpg
Isaäc da Costa (14 januari 1798 – 28 april 1860)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e januari ook mijn blog van 14 januari 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:32 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten