Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 19 februari 2019 tot 20 februari 2019

David Nolens, P. C. Boutens, Sally Rooney, Ellen Gilchrist, Julia Franck, Georges Bernanos, William Carleton, Cornelis Sweerts, Johann Heinrich Voß

De Vlaamse schrijver David Nolens werd geboren in Antwerpen op 20 februari 1973. Zie ook alle tags voor David Nolens op dit blog.

Uit:De kunst van het wachten

“Nadat Jack de laatste hand had gelegd aan een campagne voor de push-upslip voor mannen, die een pronte bips beloofde, ging hij woedend over zoveel banaliteit de straat op. Dat hij zich had gespecialiseerd in dit soort campagnes en dat hij daar goed zijn geld mee verdiende, was hem een doorn in het oog. Hij was inmiddels midden dertig en wat had hij bereikt? Hij was partner in een succesvol reclamebureau. Hij woonde in een mooi en ruim appartement in het centrum van Brussel. Hij was vrijgezel en werd begeerd. Als hij zijn aandeel in het agentschap zou verkopen, zou hij op voorwaarde van een sobere levensstijl kunnen rentenieren. Dit korte lijstje was de mantra waarmee hij zich steeds weer het geluk aanpraatte. Een soort rationeel geluk, louter gebaseerd op de feiten van zijn comfort. Hoe hard hij ook nadacht, hij vond geen noemenswaardig probleem dat het geluk ondergroef. Maar de pushupslip had vreemd genoeg iets in hem losgemaakt. Hij had enkele dagen voordien zelf de push-upslip aangepast en er een hele dag in rondgelopen, om zich zo in zijn product in te leven. Sindsdien was er iets veranderd. Hij had het verschrikkelijke gevoel gehad dat hij als volwassen man een luier droeg. En dat gevoel had hij niet van zich af kunnen schudden, ook niet nadat hij de push-upslip had uitgedaan. Zelfs naakt werd hij nog de dikke met siliconen gevulde stof op zijn achterwerk gewaar. ’s Nachts droomde hij van zichzelf aIs baby en overdag leek het of elke volwassene hem spottend toegrijnsde.
Vanuit die onmachtige woede ging hij, in een ruimte van mutsen, sjaals en bottines, de straat op. De eerste voorbijganger, een man met een zwart hoedje op zijn hoofd, gaf hij een klap in het gezicht, hard genoeg om zijn hand te voelen nagloeien, en vervolgens wandelde hij verder, zonder naar hem om te kijken.
Hij had zijn schaatsmuts tot ver over zijn oren getrokken en zijn handen diep in zijn zakken gestoken. Maar tegelijk was hij verheugd over wat hij had gedaan en moest hij onwillekeurig denken aan al die meisjes, die eindeloze rij blanke wichtjes met purperen lipjes die dagelijks in hun arm krasten, om het gevoel te hebben dat ze leefden. Precies dat gevoel nam ook bij Jack de overhand, met dit verschil dat hij iemand anders en niet zichzelf pijn had gedaan. Er hingen donkere wolken boven de stad en het begon zacht te druppelen. De straatwandelaars gingen gehaaster lopen, maar de man vóór hem op het voetpad hield halt en draaide zich om, waarop Jack tegen hem aanbotste.
Nog voor de man zich kon verontschuldigen, riep Jack: ‘Wat is dat toch met u?!’ Het was een deftige man, type kunstdocent. Eerst keek hij hem geschrokken aan, maar toen begon de man te lachen om Jacks absurde uitspraak en Jack besefte, alsof hij hem tot diep binnenin kon lezen, dat hij wist dat hij niet hem maar zichzelf had toegeroepen, dat hij eigenlijk had bedoeld: ‘Wat is dat toch met mij?!’

 

 2217501-88d1b9ca39ce9020327ebd2b88c4afc2.jpg
David Nolens (Antwerpen, 20 februari 1973)

 

 

De Nederlandse dichter Pieter Cornelis Boutens werd geboren in Middelburg op 20 februari 1870. Zie ook alle tags voor P. C. Boutens op dit blog.

 

In 't huis van Smart

In 't huis van Smart, waar ik belandde
Bij 't jammerlijkste dansjolijt,
Zag 'k Zorg en Ouderdom en Spijt
Dansen of zij 't van buiten kenden.

De Tamboerijn, bij naam Ellende,
Gaf, hoog bevel, de stok respijt
In 't huis van Smart, waar ik belandde
Bij 't jammerlijkste dansjolijt.

In huilgezangen brak de bende
Buiten muziek en maat en tijd -
Verveeld, van angst mijzelve kwijt,
Sliep 'k in, vóór het nog erger endde,
In 't huis van Smart, waar ik belandde.

 

 

Uit: Strofen en andere verzen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe

 

Tiende strofe (Fragment)

Die lichte god bemint de heimlijkheid
van jonge menschenzielen, in het donker
der teedre harten viert hij zijn geboorten;
en, wreede zegen zijnen uitverkoornen,
wijdt hij hun leven tot een zalige onrust,
éen wrange jeugd van onvervuld verlangen,
éen bloesem naar geluk. Verdwaasd en eenzaam
dolen zij door dit ruchtig volk waar elk
uit troeblen waan van zelfvergetelheid
puurt de openbaring van zijn poovre zelf,
en dan met loomer voet die leêge vondst
te ontloopen zoekt in altijd schaamler schijn,
tot nergens toevlucht blijft dan in den dood..
Maar zij gaan eenzaam, buiten elk verband.
Door roep van liefdeloosheid en verwijt
van zelfzucht dragen zij hun duistren schat,
levend-albasten glansdoorschenen lijven
van zulk een zuiversterke lieflijkheid
als nimmer de armoê dezer wereld kan
erkennen voor haar rijkst voldragen wonder.
Ook duldt hun jeugd den blinden kommer niet
dier goddlijk-zwangere verlorenheid,
maar doet zich zelf het smartlijkst ongelijk:
de wanhoop naar 't ontastbaar na geluk
benijdt der anderen vreemdroode liefden,
en strekt de hand naar den gereeden beker;
maar de éene teug van overkruiden wijn
prikkelt met duur van overwakkre ellende
de moede wake van hun eeuwgen droom.

 2217501-dd931a7096e319e9d37a10ccb8a572c1.jpg
Pieter Cornelis Boutens (20 februari 1870 – 14 maart 1943)
Portret door Chris de Moor, 1942

 

 

De Ierse schrijfster Sally Rooney werd geboren op 20 februari 1991 in Castlebar. Zie ook alle tags voor Sally Rooney op dit blog.

Uit: Normal People

“After the first time they had sex, Marianne stayed the night in his house. He had never been with a girl who was a virgin before. In total he had only had sex a small number of times, and always with girls who went on to tell the whole school about it afterwards. He’d had to hear his actions repeated back to him later in the locker room: his errors, and, so much worse, his excruciating attempts at tenderness, performed in gigantic pantomime. With Marianne it was different, because everything was between them only, even awkward or difficult things. He could do or say anything he wanted with her and no one would ever find out. It gave him a vertiginous, light-headed feeling to think about it. When he touched her that night she was so wet, and she rolled her eyes back into her head and said: God, yes. And she was allowed to say it, no one would know. He was afraid he would come then just from touching her like that.
In the hallway the next morning he kissed her goodbye and her mouth tasted alkaline, like toothpaste. Thanks, she said. Then she left, before he understood what he was being thanked for. He put the bedsheets in the washing machine and took fresh linen from the hot press. He was thinking about what a secretive, independent-minded person Marianne was, that she could come over to his house and let him have sex with her, and she felt no need to tell anyone about it. She just let things happen, like nothing meant anything to her.
Lorraine got home that afternoon. Before she’d even put her keys on the table she said: Is that the washing machine? Connell nodded. She crouched down and looked through the round glass window into the drum, where his sheets were tossing around in the froth.
I’m not going to ask, she said.
What?
She started to fill the kettle, while he leaned against the countertop.
Why your bedclothes are in the wash, she said. I’m not asking.
He rolled his eyes just for something to do with his face.
You think the worst of everything, he said.
She laughed, fixing the kettle into its cradle and hitting the switch. Excuse me, she said. I must be the most permissive mother of anyone in your school. As long as you’re using protection, you can do what you want.”

 

 2217501-433aa485569daf90182e5343e5357b35.jpg
Sally Rooney (Castlebar, 20 februari 1991)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Ellen Gilchrist werd geboren op 20 februari 1935 in Vicksburg, Mississippi. Zie ook alle tags voor Ellen Gilchrist op dit blog.

Uit:Falling Through Space. The Journals of Ellen Gilchrist

“This is my home. This is where I was born. This is the bayou that runs in my dreams, this is the bayou bank that taught me to love water, where I spent endless summer hours alone or with my cousins. This is where I learned to swim, where mud first oozed up between my toes. This is where I saw embryos inside the abdomens of minnows. This is where I believed that if I was vain and looked too long into the water I would turn into a flower. This is where I learned the legend of the greedy dog. There was an old dog on a raft and he had a bone in his teeth and he looked down into the water and saw a dog carrying a bone and he dropped the one he was holding to snatch the other dog's bone away and so lost both bones, the real and the imaginary. That's a new bridge. The one that was here when I was small had a beautiful elaborate scaffolding on top. I thought I must be a princess, of royal blood, to have such a bridge with such a magnificent top. To have such land with so many bugs and a bayou with so many fish and mussels and gars and maybe even alligators. This is the porch that at one time ran all the way around the house. My grandfather built this house and my mother came here when she was four years old. My brother was born in that front bedroom. I was born forty miles away in a hospital and only came here three days later.
The ghost of Eli Nailor walks these halls. He was a black boy who was adopted by my great-great-grandmother when he was orphaned as a child. The woman I am named for raised him. He was the cook in this house all the days of his life and had a cabin beside the kitchen and the gardens and the henhouse and the chickenyard. This was a good life. There were never slaves here. The black people came here after the Civil War; they were free people from Natchez. Black people and white people lived and worked here in harmony. My grandfather thought of himself as an Englishman. He was tall and proud and brave and civilized.
Here is where my Aunt Roberta raised angora rabbits during the Second World War and there is the chickenhouse where I spied on the Broad Jump Pit when my brother and my cousins were training for the Olympics. This is the richest land in the world. The topsoil goes thirteen to eighteen feet in some places. You could grow anything here.”

 

 2217501-baff0df94c82cbbc38417b7135ea9d95.jpg
Ellen Gilchrist (Vicksburg, 20 februari 1935)

 

 

De Duitse schrijfster Julia Franck werd geboren op 20 februari 1970 in Oost-Berlijn. Zie ook alle tags voor Julia Frank op dit blog.

Uit: Bauchlandung

“Ich knie auf dem Parkett vor dem Sofa und beobachte Luise, wie sie schläft. Sie schläft sich den Rausch ihres Geburtstags aus. Draußen Zionskirchplatz ohne Verkehr, auch von der Kastanienallee höre ich wenig. Luise schmatzt im Schlaf, ganz leise, fast unhörbar. Ich streiche über den Saum des Chiffons, der rauh ihren Hals umschließt, rieche sie, ihren vertrauten Geruch, der mich an frischgeschnittenes Gras erinnert, ziehe die rotblonde Locke aus der Falte, die sich am Hals gebildet hat, und suche die glatte Haut ihrer Wangen ab – ob sich schon im entspannten Zustand eine Spur ihrer Grübchen entdecken läßt? –, ihre Haut ist von blassen Sommersprossen übersät. Ich liebe Luise. Und noch etwas: Sie ist meine Schwester. Es klingelt, sie regt sich nicht. Als ich aufstehe, knarrt das Parkett unter meinen nackten Füßen. Über der Lehne des Sofas hängt ihr schwarzes Lederbustier, ich nehme es, der warme Geruch steigt in meine Nase, ich ziehe es an. Meine Brüste haben Platz in den Schalen, beim Gehen stoßen sie vorn an das Leder. Draußen im Flur schlüpfe ich in ihre Schuhe: leichte altmodische Schuhe mit Absätzen, die laut sind und das Parkett zerkratzen, ich drücke auf den Summer und gehe in die Küche, wo über dem Stuhl mein Kleid hängt. Ich streife es über und bemerke, daß die langen Träger des Kleides viel von dem Bustier sehen lassen, aber es ist zu spät, etwas anderes zu suchen. Ich bleibe hinter der angelehnten Tür stehen und lausche in das Treppenhaus, bis ich die Schritte auf dem letzten Absatz höre. Ich öffne. »Was machst du hier?« frage ich Olek, fast möchte ich sagen: Sie empfängt noch nicht. »Zu Luise«, sagt er hastig, er möchte zu Luise, fährt sich durch die kurzen verklebten Haare, ich lasse ihn herein, und sein nackter Arm berührt meinen. »Sie schläft noch«, sage ich und lehne mich an den Rahmen der Küchentür. »Dann weck sie, es ist wichtig, ich muß sie sehen.« »Und warum warst du dann gestern nicht da?« »Bei ihrem Geburtstag? Sie hat mich ausgeladen.« Olek möchte an mir vorbei, ich suche die zufällige Berührung, aber er weicht aus und tritt in die Küche. Der Kragen seines T-Shirts ist etwas schmuddelig, die Sonne hat seinen Nacken gerötet. Ich schließe die Wohnungstür. Sein Blick fliegt über die benutzten Gläser, die überall auf den Fensterbrettern und Regalen stehen.
Er dreht sich zu mir um, die Unruhe in seinen Augen amüsiert mich, ich muß an die zwei anderen Liebhaber denken, die gestern unter den Gästen waren und Luiseden Abend versüßt haben, bevor sie nacheinander gegangen sind. »Was ist es denn, was dich so aufregt?« frage ich mit leichtem Spott. »Der Hund, er wurde angefahren.« Olek sieht mich nicht an, ich erinnere mich, daß Luise ihm vor wenigen Tagen ihren Hund anvertraut hat, damit die Geburtstagsgäste nicht gestört würden. Er knetet seine Hände, und ich sehe die Adern an seinen Unterarmen hervortreten.“

 

 2217501-99e52ef5486fe2fe805705102821e8a0.jpg
Julia Franck (Oost-Berlijn, 20 februari 1970)

 

 

De Franse schrijver Georges Bernanos werd geboren in Parijs op 20 februari 1888. Zie ook alle tags voor Georges Bernanos op dit blog.

Uit: Journal d’un curé de campagne

« Mais enfin j’étais très fier d’avoir à leur parler d’autre chose que des problèmes de fractions, du droit civique, ou encore de ces abominables leçons de choses, qui ne sont en effet que des leçons de choses et rien de plus. L’homme à l’école des choses ! Et puis j’étais délivré de cette sorte de crainte presque maladive, que tout jeune prêtre éprouve, je pense, lorsque certains mots, certaines images lui viennent aux lèvres, d’une raillerie, d’une équivoque, qui brisant notre élan, fait que nous nous en tenons forcément à d’austères leçons doctrinales dans un vocabulaire si usé mais si sûr qu’il ne choque personne, ayant au moins le mérite de décourager les commentaires ironiques à force de vague et d’ennui. À nous entendre on croirait trop souvent que nous prêchons le Dieu des spiritualistes, l’Être suprême, je ne sais quoi, rien qui ressemble, en tout cas, à ce Seigneur que nous avons appris à connaître comme un merveilleux ami vivant, qui souffre de nos peines, s’émeut de nos joies, partagera notre agonie, nous recevra dans ses bras, sur son cœur.
J’ai tout de suite senti la résistance des garçons, je me suis tu. Après tout, ce n’est pas leur faute, si à l’expérience précoce des bêtes – inévitable – s’ajoute maintenant celle du cinéma hebdomadaire.
Quand leur bouche a pu l’articuler pour la première fois, le mot amour était déjà un mot ridicule, un mot souillé qu’ils auraient volontiers poursuivi en riant, à coups de pierres, comme ils font des crapauds. Mais les filles m’avaient donné quelque espoir, Séraphita Dumouchel surtout. C’est la meilleure élève du catéchisme, gaie, proprette, le regard un peu hardi, bien que pur. J’avais pris peu à peu l’habitude de la distinguer parmi ses camarades moins attentives, je l’interrogeais souvent, j’avais un peu l’air de parler pour elle. La semaine passée, comme je lui donnais à la sacristie son bon point hebdomadaire – une belle image – j’ai posé sans y penser les deux mains sur ses épaules et je lui ai dit : « As-tu hâte de recevoir le bon Jésus ? Est-ce que le temps te semble long ? – Non, m’a-t-elle répondu, pourquoi ? Ça viendra quand ça viendra. » J’étais interloqué, pas trop scandalisé d’ailleurs, car je sais la malice des enfants. J’ai repris : « Tu comprends, pourtant ? Tu m’écoutes si bien ! » Alors son petit visage s’est raidi et elle a répondu en me fixant : « C’est parce que vous avez de très beaux yeux. »
Je n’ai pas bronché, naturellement, nous sommes sortis ensemble de la sacristie et toutes ses compagnes qui chuchotaient se sont tues brusquement, puis ont éclaté de rire. Évidemment, elles avaient combiné la chose entre elles. »

 

 2217501-1ea932793529fa57f8e3dda3cf9ecbad.jpg
Georges Bernanos (20 februari 1888 – 5 juli 1948)
Cover

 

 

De Ierse schrijver William Carleton werd geboren op 20 februari 1794 in Glogher, in het graafschap Tyrone. Zie ook alle tags voor William Carleton op dit blog.

Uit:The Emigrants Of Ahadarra

“On the drawing-room stairs there lay what had once been a carpet, but so inseparable had been their connexion that the stairs were now worn through it, and it required a sharp eye to distinguish such fragments of it as remained from the colour of the dirty boards it covered and the dust that lay on both. On entering the kitchen Peety and his little girl found thir-teen or fourteen, in family labourers and servants of both sexes, seated at a long deal table, each with a large wooden noggin of buttermilk and a spoon of suitable dimensions, dig-ging as if for a wager into one or other of two immense wooden bowls of stirabout so thick and firm in consistency that, as the phrase goes, a man might dance on it. This however was not the only picture of such enjoyment that the kitchen afforded. Over beside the dresser was turned upon one side the huge pot in which the morning meal had been made, and at the bottom of which, inside of course, a spirit of rivalry equally vigorous and animated, but by no means so harmonious', was kept up by two dogs and a couple of pigs, which were squab-bling and whining and snarling among each other, whilst they tuned away at the scrapings or residuum that was left behind after the stirabout had been emptied out of it. The whole kitchen, in fact, had a strong and healthy smell of food—the dresser, a huge one, was covered with an immense quantity of pewter, wood, and doff; and it was only necessary to cast one's eye towards the chimney to perceive by the weighty masses of black hung beef and the huge sides and flitches of deep yellow bacon which lined it, that plenty and abundance, even to overflowing, predominated in the family. The " chimney brace" nrn!reqri Car out over the fireplace towards the floor, and under it on each side stretched two long nobs or chimney conisr seats, on which nearly a dozen persons could sit of a winter evening.”

 

 2217501-0cfa9c08e8816cc4ba4b09b989ce6a97.jpg
William Carleton (20 februari 1794 – 30 januari 1869)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter, liedtekstschrijver, toneelschrijver en boekhandelaar Cornelis Sweerts werd geboren in Amsterdam op 20 februari 1669. Zie ook alle tags voor Cornelis Sweerts op dit blog.

 

O welvernoegde zinnen

O welvernoegde zinnen,
Gy baart een zaligheid,
Die Minnaars niet beminnen,
Wiens vryheid neder leit.
Hoe vlieten uwe dagen,
In zoete rust voorby
Wyl haar de min doet klagen,
Van smert en razerny,
Ik wil gelyk de blinden,
Myn vryheid aan geen kroon,
Noch gulde ketens binden,
Geen goud en blinkt zo schoon.

 2217501-e44dea16818da964b83db75809c835af.jpg
Cornelis Sweerts (20 februari 1669 – 23 maart 1749)
Gezicht op de Dam met het stadhuis in aanbouw door Johannes Lingelbach, 1656

 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Johann Heinrich Voß werd geboren op 20 februari 1751 in Sommersdorf / Mecklenburg. Zie ook alle tags voor Johann Heinrich Voß op dit blog.

 

Willkommen im Grünen!

Willkommen im Grünen!
Der Himmel ist blau,
Und blumig die Au,
Der Lenz ist erschienen!
Er spiegelt sich hell
Am luftigen Quell,
Willkommen im Grünen!
Willkommen im Grünen!
Das Vögelein springt
Auf Sproßen und singt:
Der Lenz ist erschienen!
Im säuselt der West
Ums heimliche Nest,
Willkommen im Grünen!

 

 

Stand und Würde

Der adliche Rat 
Mein Vater war ein Reichsbaron!
Und Ihrer war, ich meine...? 

Der bürgerliche Rat 
So niedrig, daß, mein Herr Baron,
Ich glaube, wären Sie sein Sohn,
Sie hüteten die Schweine.

 

 

Schlaue Liebe

Mein Weibchen traun verschenkt' ich nicht,
Wär's auch erlaubt; denn Paulus spricht:
Was Ihr verschenkt, Ihr lieben Brüder,
Bekommt ihr doppelt wieder.

 

 2217501-d3475cca429d8290f06194240d7ff9fd.jpg
Johann Heinrich Voß (20 februari 1751 – 29 maart 1826)
Monument in Penzlin

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e februari ook mijn blog van 20 februari 2018 en ook mijn blog van 20 februari 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:09 Reageer op dit bericht

Michiel Stroink, Siri Hustvedt, Jonathan Lethem, Helen Fielding, Jaan Kross, Helene Hegemann, Björn Kuhligk, Thomas Brasch, Dmitri Lipskerov

De Nederlandse schrijver Michiel Stroink werd geboren in Oss op 19 februari 1981. Zie ook alle tags voor Michiel Stroink op dit blog.

Uit: Exit

“Ze onderging de gedaanteverwisseling in een fractie van een seconde. Haar gebruikelijke, frivole gefladder sloeg als een bromvlieg tegen het raam te pletter, en terwijl ik me afvroeg wie ik het beste kon bellen om een terrasje mee te pakken, gooide ze het eerste voorwerp naar mijn hoofd. Het was de donkerblauwe koffiemok die ik om de een of andere reden nooit had weggegooid. Ik overwoog het iedere verhuizing, maar het lukte me niet. De mok was een cadeautje van mijn vader. Een ruim twintig jaar oud souvenir. De mok miste mijn hoofd en viel vier verdiepingen lager in de tuin van het kinderdagverblijf in honderdduizend doodsoorzaken voor kruipende baby's uit elkaar. De mok was het enige object in het appartement dat echt van mij was. Alle mierzoete Ikea-confectiemeuk waarmee het is ingericht heeft ze zorgvuldig bij elkaar gezocht. Alsof de reclamefolder bij ons op de vloer een miskraam heeft gehad. Merkstoelen die nagebraakt zijn door talentloze ontwerpers en gemaakt door incomplete kinderhandjes uit Bangladesh. Het was me niet eerder opgevallen dat ik ruim vier jaar in BARBIE'S DREAMHOUSE © voor amateurvolwassenen heb gewoond. Eigenlijk was ik meer een bezoeker. Verlaat de gevangenis zonder te betalen.
Ze zocht de mok bewust uit, en daarom weet ik zeker dat de waanzin gespeeld was. En omdat ik wel van een spelletje houd, leek het me leuk om nog wat olie op het vuur te gooien. `Gefeliciteerd,' zei ik zo kalm mogelijk. 'Nu ben je dus eindelijk echt krankzinnig geworden.' Lizes geestesgesteldheid is haar achilleshiel. Ze loopt al jaren bij een psycholoog, en daar mogen geen grapjes over worden gemaakt. Maar nu was het nodig, ze had tenslotte mijn lievelingsmok kapotgegooid. En ik presenteerde de woorden — mijn rode lap — als een matador: met een kleine buiging. Respecteer je tegenstander alleen als je zeker weet dat je gaat winnen. Voor nieuwe ammunitie stampte ze naar de keuken. Ik was hem helemaal vergeten, maar de inboedel herbergde inderdaad nog een item dat mij toebehoorde: een oude stereotoren. Een tijdje terug had ik die nog willen weggooien, maar hij was zo vet en stoffig dat ik me direct bedacht.
Omdat ruziemaken een gezamenlijke activiteit is, liep ik gemoedelijk achter Lize aan. Ik hield mijn handen bewust in de zakken van mijn trainingsbroek, omdat dat de lusteloze uitstraling die ze zo haat versterkt. Terwijl ze de micro-stereotoren oppakte, ontdekte ze dat de stekker nog in het stopcontact zat. Met veel gevoel voor drama rukte ze die los en liet in één moeite door de nooit-gelezen Jamie Olivers op de plastic zwart-wit geblokte keukenvloer vallen. De vettige stereotoren boven haar hoofd gaf haar even iets vertederends. Lizes bovenkamer heeft het niet makkelijk. Er wonen drie puppy's, die het zelden met elkaar eens zijn. Ze kunnen nooit alle drie tegelijkertijd rustig zijn, en als ze elkaar totaal hebben opgefokt, is ze helemaal een ongeleid projectiel.”

 

2217220-6f8be2f64b49e678f26eae6e0bf23772.jpg
Michiel Stroink (Oss, 19 februari 1981)

 

 

De Amerikaanse schrijfster en essayiste Siri Hustvedt werd geboren op 19 februari 1955 in Northfield, Minnesota. Zie ook alle tags voor Siri Hustvedt op dit blog.

Uit: A Woman Looking at Men Looking at Women

“A woman novelist, on the other hand, is in double trouble. If she writes imaginary stories, such soft stuff is made all the softer by her female identity, and if she writes about her own experience in a memoir of domestic life, about the trials of having and caring for babies and children, about bor-ing encounters with fellow parents at the daycare center or nursery school, about her peevish irritations and grievously lost independence, she may well vanish without a trace or be relegated to the ghetto that is woman's writing. Then again, she may not. The reception of fiction is fickle. If pub-lishers could recognize success in manuscript form, publishing would be a very different business. Because I write fiction and nonfiction and have an abiding interest in neurobiology and philosophy (still mostly male disciplines), I embody the masculine/feminine, serious/not-so-serious, hard/soft divide in my own work. When I publish a paper in a science journal or lecture at a confer-ence in the sciences, I find myself on male terrain, but when I publish a novel, I stay squarely in female land. The audiences at public events vary accordingly, from about 80 percent male in the sciences and philosophy to exactly the reverse at a literary reading or event. This gendered geography becomes the context for one's work and for its perception. Where exactly does competition come in? Undisguised competition in the form of verbal sparring, one-upmanship, and the blow-by-blow dismantling of a paper are common in the sciences and philosophy, and they are certainly not unheard of in the humanities. I once gave a lecture on trauma and literature at the Sorbonne in Paris, and the questions came hard and fast once I had finished speaking. I loved it. For one thing, in these worlds, knowledge counts. The more you know, the better off you are, and I revel in the lively combat of ideas that takes place in these sequestered but intense worlds of the intellect. Further, I have learned a lot from such robust encounters. I have had my mind changed by them. Fighting about ideas is fun, and if you really know your stuff, instant respect may be granted and offers to share papers and perhaps engage in an email dialogue soon follow.”

 

 2217220-b966af12f7016fb91a423f6c4eb3151f.jpg
Siri Hustvedt (Northfield, 19 februari 1955)

 

 

De Amerikaanse schrijver Jonathan Allen Lethem werd geboren op 19 februari 1964 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Jonathan Lethem op dit blog.

Uit: A Gambler’s Anatomy

“It was there when he woke up. Presumably also when he slept. The blot. Standing alone at the back of the sparsely populated ferry to Kladow, mercifully sheltered behind safety glass against the chill of the lake at evening, Alexander Bruno could no longer deny the blot that had swollen in his vision and was with him always, the vacancy now deforming his view of the receding shore. It forced him to peer around its edges for glimpses of the mansions and biergartens, the strip of sand at the century-­old lido, the tarpaulined sailboats. He’d come to Berlin, half the circumference of the world, two weeks ago, whether to elude his fate or to embrace it he couldn’t know.
He’d been biding his time in Charlottenburg, breakfasting at the quiet cafés, watching the days grow steadily longer, overhearing more spoken English than he’d have preferred, running through his last funds. His tuxedo had remained in its hanging bag, his backgammon case latched. All the while the blot had been with him, unacknowledged. Bruno its carrier, its host. He’d passed through customs with the innocence of the accidental smuggler: Nothing to declare. It was only after having at last called the number provided him by Edgar Falk and consenting to visit the rich man’s house in Kladow, only upon his waking, this very day on which he’d dusted off tuxedo and backgammon case, that the blot had insisted he grant its existence. An old friend he’d never met but recognized nevertheless.
Why get too fancy about it? He might be dying.
Under the circumstances of Bruno’s dread, the slide of the S-­Bahn through the endless roster of stations from Westend to Wannsee had seemed as long as his voyage from Singapore to Berlin. The German city, with its graffiti and construction sites, its desultory strips of parkland and naked pink water pipes, had its own sprawl and circumference. Berlin wended through time. On the S-­Bahn toward Wannsee the tall girls in black leggings with bicycles and earbuds, so prevalent in Charlottenburg and Mitte, had thinned out, replaced by dour Prussian businessmen and staring grandmother types, slouching home with briefcases and shopping bags. By the time of the ferry there was little to defeat the irresistible illusion that the city was newly vanquished and carved into sectors, that the prevailing silence and gloom derived from remorse and privations not seventy years past but fresh as smoldering rubble.”

 2217220-e42e76f52ce1659b5cc04856fcbbc865.jpg
Jonathan Lethem (New York, 19 februari 1964)

 

 

De Engelse schrijfster Helen Fielding werd geboren in Morley, Yorkshire op 19 februari 1958. Zie ook alle tags voor Helen Fielding op dit blog.

Uit: Bridget Jones' baby, de dagboeken (Vertaald door Titia Ram)

“Maandag 13 november
10.15 uur.
Studio van Sit Up Britain. Net op mijn werk gearriveerd. Ik kan dit niet. Ik kan absoluut geen
hele dag werken met de volgende dingen in mijn lijf:
1) Steeds groter wordende baby die gebakken aard-ppels, kaas, augurken en – ineens – wodka wil.
2) Volledig verward en gebroken hart. Waarom heeft Mark me die brief geschreven? Terwijl het
er juist allemaal zo lieflijk aan toeging toen we in de auto terug van Grafton Underwood zaten?
Waarom? Wat is er gebeurd? Waarom reageert hij niet op mijn sms’jes? Misschien vindt hij me
echt een ordinaire slet en herinnert Daniel hem aan het deel van mij dat hij niet leuk vindt.
Onder mijn bureau stiekem Tom gefacetimed.
‘Je bent niet ordinair en je bent geen slet,’ zei Tom op FaceTime. ‘Je bent een succesvolle nieuwsproducer en je leeft zo ongeveer als een non. Je moet even een spelletje Maar... tenminste doen. Weet je nog? Wat je hebt voorgedaan toen ik werd gekweld door Pretentieuze Jerome? Maar... tenminste? Maar... ik heb tenminste nog dit of dat. Voelt dat beter?’
‘Ja! Ja!’ zei ik, en ik voelde me helemaal opgefleurd.
‘Dank je, Tom.’
Klikte FaceTime uit.
FaceTime sprong weer tevoorschijn: Tom.
‘Bridge, dat je het even weet: je kunt beter geen mensen facetimen vanuit die hoek.’
Tom verdween en plopte vervolgens weer in beeld:
‘Ben ik een vreselijk mens?’
‘Bridget, ga eens wat doen,’ zei Richard Finch, die langs mijn bureau kwam lopen en naar mijn borsten gluurde.
Stuurde snel een sms naar Tom: ‘Nee, goed mens,’ waarna ik als een bezetene begon te typen en geconcentreerd naar het beeldscherm tuurde. Het leek net of ik heel hard aan het werk was.”

 

 2217220-532881282d1056afaf66319314769f61.jpg
Helen Fielding (Morley, 19 februari 1958)
Cover

 

 

De Estlandse schrijver Jaan Kross werd geboren op 19 februari 1920 in Tallin. Zie ook alle tags voor Jaan Kross op dit blog.

Uit: Tussen drie plagen (Vertaald door Frans van Nes en Jesse Niemeijer)

“Komt dat zien! Komt dat zien! Een mirakel zoals u nog nooit gezien hebt. Een mirakel dat u maar één keer in uw leven kunt aanschouwen!' Een knaap met wat dons op de kin, een kwajongen nog met zijn neus nat van het zweet en met felle grote ronde ogen, rukte een vuurrode hoed met een vergulde band van zijn warrige haardos. In één beweging veegde hij met zijn gerafelde mouw de zweetdruppels van zijn neus en liet hij zijn rood-gouden hoed een machtige boog door de blauwe lucht maken. `Ein ersam rad! Schiine frawn! Tichtig junkfer!3 Metselaars en schoenmakers! Haast u! Komt het zien!' Eigenlijk hoefde de heraut niet langer zo schril in drie talen te schreeuwen en met zijn hoed omhoog te wijzen. Want al het volk dat zich door de Grote Zeepoort in de richting van de Lijnbaansheuvel wurmde, staarde toch al met halftoegeknepen ogen naar de wolkeloze voorjaarshemel. Midden in de drom mensen die uit de Zeepoort stroomde, liep raadsheer Vegesack met rode wangen, die in zijn haast zijn waardigheid vergat, en zelfs zijn verlepte vrouw naast hem had blosjes op haar wangen. Er liepen nog meer raadsheren met hun vrouwen, kooplieden en winkeliers, ambachtslieden met bierbuiken en hun sproetige gezellen, opgewonden burgermeisjes en hun voorname moeders, flinke dienstmaagden, raadssoldaten in blauwe wambuizen en grijs werkvolk. En alle mensen staarden voortdurend omhoog, ze draaiden hun halzen naar links. Verder naar rechts denderde een troep matrozen uit Lbeck met zo veel geweld over een loopplank dat die ervan kraakte. Ook voor de matrozen was dit een eenmalig gebeuren. Aan de linkerkant haastte het volk uit Kalamaja zich in groepjes de Lijnbaansheuvel omhoog met een gigantische stofwolk op hun hielen. En toen het volk uit de poort ver genoeg over de brug over de gracht was om de puntgevels van de buitenste stadshuizen boven de stadsmuur te kunnen zien, zagen ze dat alle dakluiken openstonden en dat daarvandaan talloze wijd opengesperde ogen naar de hemel staarden. De knechten van één koopmanshuis waren zelfs met z'n drieën op een hijsbalk geklauterd en zaten daar op een rijtje als dorpsjongens op een hek. Ze keken zelf naar de lucht terwijl ze met hun benen boven de peilloze diepte schommelden; op ieder ander moment was het doodeng geweest om ze zo te zien zitten.”

 

 2217220-d199ce70f48d597a0282fd19b5c58db7.jpg
Jaan Kross (19 februari 1920 – 27 december 2007)

 

 

De Duitse schrijfster, regisseuse en actrice Helene Hegemann werd geboren in Freiburg im Breisgau op 19 februari 1992. Zie ook alle tags voor Helene Hegemann op dit blog.

Uit: Bungalow

“Ich war siebzehn, wir durften das Haus nicht verlassen wegen Ozonwarnung, Hitzefrei für Erwachsene, mir gefiel das immer, obwohl die Strahlung uns draußen nach fünf Minuten mit blauer Haut und Tränen in den Augen in die Knie gezwungen hätte. Den ganzen Tag rummachen bei geschlossenen Vorhängen und »University Challenge« streamen, eine Sendung, in der die besten Studenten britischer Eliteuniversitäten Fragen zu antiker Architektur oder dem Aufbau des endo plasmatischen Retikulums oder der Sonatenhauptsatzform beantworten müssen und die vor zehn Jahren abgesetzt wurde, alles wie immer, aber an diesen Tag erinnere ich mich besser als an andere. Mein Oberkörper liegt auf der Waschmaschine, Georg steht hinter mir, ich trage die horizontal gestreifte Strickjacke, in der Maria normalerweise den Müll wegbringt, und muss an das Blut und die Hautfetzen denken, die nach dem Scheren der Merinoschafe in ihrer Wolle hängen bleiben, daran, wie man Schafe ins Gesicht schlägt, um ihren Widerstand zu brechen. Maria hängt zu dem Zeitpunkt kiffend auf dem Sofa, die Tür steht offen. Ihr ist langweilig. Mir auch. Ihm auch, obwohl er kurz davor ist, zu kommen. Ich drehe mich um und schubse ihn weg, das ist weder Intuition noch ein klarsichtig gesteuerter Akt sexuellen Einfallsreichtums, einfach was Überlebenswichtiges, zu dem ich mich überwinden muss. Er stolpert über seine Hose, anthrazitgrau, die doppelt paspelierte Arschtaschen hat und ihm in den Kniekehlen hängt. Dann knallt er mit dem Hinterkopf an die Holzregale. Ich lege meine Hände um seinen Hals und meine Daumen auf die Stelle zwischen den Schlüsselbeinen, dorthin, wo die Kehle beginnt. Für zwei Sekunden ist er ohnmächtig. Ich knie auf seinen Oberschenkeln. Vielleicht habe ich ihn umgebracht. Als er die Augen wieder öffnet, sieht er mich genauso an wie früher, ganz früher, als ich ihm mit elf zum ersten Mal »Guten Tag« gesagt und an seinem Ausdruck festgestellt habe, dass er irgendwas interessant an mir findet. Ich ging nicht davon aus, dass er es mochte, keine Luft mehr zu kriegen. Ich habe das auch nie wieder gemacht. Also, ihn würgen. Wäre vergleichbar mit einem Stück Schwarzwälder Kirschtorte gewesen, von dem er seiner Tante irgendwann mal höflichkeitshalber gesagt hat, es würde ihm schmecken, und dann kriegt er das sein Leben lang bei jedem Besuch serviert. Es ging da nicht um die Abwandlung irgendeiner Routine, nur darum, dass Maria wegen uns den Fernseher ausmachen sollte. Sie machte ihn aus. Wir waren zufrieden.”

 

 2217220-714524a10b3d0fba216a43bb44543f43.jpg
Helene Hegemann (Freiburg im Breisgau, 19 februari 1992)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Björn Kuhligk werd geboren op 19 februari 1975 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Björn Kuhligk op dit blog.

Uit: Die Sprache von Gibraltar

 

Prolog des Affen

Churchill hat uns nachgeholt
wir sind legal, Großbritanniens Garantie
meine Herkunft: von der anderen
Seite, ich bin für keinen Feind
eroberbar, ich bin der Weltschmerz
auf dem Fels, ich bin, woraus ihr
kommt, ich laufe über eure Autos
ich bin der Spott, der Hohn, und hocke
auf dem Fels, ich sehe die Schmuggler
Flugzeuge starten und landen, das Geld
das sich allein bewegt, ich bin euch
Zumutung, das Wrack, das ihr streichelt
ich sitze auf dem Fels und seh Besitz
und hör die Kontinente driften.

 

1
Am Tag, an dem die ersten Blütenblätter
der Lilien auf den Wohnzimmertisch fallen
an einem Montag der Unruhe
fliege ich an die Grenze Europas
mit 520 km/h in 4000 Meter Höhe
überquere ich um siebzehn Uhr fünfzehn
in einem nicht fassbaren Zustand
mit einer Erkältung, die eine Angst ist
den 36. Breitengrad, die Sonne ballert

das Ende Europas, Europas Ende
die Möwen mit ihren Möwenhirnen
die Affen mit ihren Affenhirnen
wissen nichts davon, wir sind die Minderheit
die Lebenden, das Ende Europas ist da
wo der Anfang Afrikas ist, dort draußen
auf dem Wasser, in Sichtweite

 

 2217220-bc46e0b5bf3ac9e7365c82457eb282eb.jpg
Björn Kuhligk (Berlijn, 19 februari 1975)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Brasch werd geboren in Westow,Yorkshire (Engeland) op 19 februari 1945. Zie ook alle tags voor Thomas Brasch op dit blog.

Uit: Vor den Vätern sterben die Söhne

“Robert schob ihm das Kissen unter den Kopf und deckte ihn zu. Dann ging er zur Tür.
Ich kann ihm auch nicht helfen. Warum sollte ich dableiben. Irgendwo muß dieser verdammte Fahrstuhl gewesen sein.
Suchen Sie jemand, hörte Robert hinter sich eine Stimme.
Die grauhaarige Frau stand in der Wohnungstür und trocknete sich die Hände an einem Geschirrtuch ab.
Ich wollte zu Herrn Werner.
Von dort kommen Sie doch gerade, oder?
Ich habe vielleicht das Schild übersehen. Vielleicht habe ich den Namen falsch gelesen.
Die Frau schob das Geschirrtuch unter ihre Schürze.
Was wollen Sie denn von Herrn Werner.
Ich soll ihm was bringen, von seiner Schwester.
Sie trat einen Schritt auf ihn zu.
Was denn, eine Schwester hat der? Das kann doch nicht wahr sein. Das ist der Gipfel. Die sollte lieber mal selber kommen, statt jemanden herzuschicken. Ihr Bruder machts nicht mehr lange, das können Sie ihr sagen. Der ist schon jetzt nicht mehr ganz bei sich. Hier oben, meine ich. Den ganzen Tag marschiert er im Stechschritt durchs Zimmer. Oder er holt fremde Leute in die Wohnung. Jetzt hat er auch noch angefangen, nachts zu singen. Singen, was sage ich. Er krächzt. Und plötzlich stellt sich heraus, er hat eine Schwester. Sagen Sie ihr mal, sie soll … Robert drehte sich um und ging zurück.“

 

 2217220-29beb649fead77d5b40d9b5892b631f3.jpg
Thomas Brasch (19 februari 1945 – 3 november 2001)
Scene uit een opvoering van het gelijknamige theaterstuk in Dessau, 2013

 

 

De Russische schrijver Dmitri Lipskerov werd geboren op 19 februari 1964 in Moskou. Zie ook alle tags voor Dmitri Lipskerov op dit blog.

Uit: Léonid doit mourir (Vertaald door Raphaëlle Pache)

“Au vingt-sixième jour, le coeur se mit à battre.
Le petit amas de cellules, accroché Dieu sait comment à la chair, palpitait déjà en continu, prêt à se décrocher d'un instant à l'autre pour être emporté par un flot de liquides dans le Tartare. Et voilà que le coeur, cette pompe puissante qui envoyait on ne savait trop quoi ni où pour le moment, rendait encore plus problématique le développement futur de l'embryon.
Toutefois, ce n'était qu'un danger abstrait perçu de manière floue, d'autant que seul l'embryon avait connaissance de sa propre existence. Comment quelques centaines de cellules pouvaient-elle détenir cette information ? Pas moyen de l'expliquer de manière humaine, rationnel le. Pourtant, les opposants à l'avortement affirment que dès sa première seconde d'existence, le foetus est capable de pressentir très nettement l'approche de son exécution - son évacuation forcée de l'utérus -et qu'il en éprouve une souffrance insupportable. Mais comment est-ce possible sans matière grise, autrement dit sans vecteur de la pensée et par conséquent de la peur ? Voilà qui échappe à l'entendement. Pourtant les faits sont irréfutables : la souffrance éprouvée par le produit d'un accouplement récent est bel et bien insupportable, de même que le fruit de cet accouplement peut parfois s'avérer monstrueux, réduisant à néant la pâte divine dont l'homme est issu. Les sceptiques ne voient là que des sornettes, à quoi leurs adversaires - des femmes pour la plupart - exigent qu'on leur explique alors comment s'engendre la vie. C'est une question sans réponse, et tous comprennent qu'elle le restera jusqu'à la fin des temps, si bien qu'ennemies et partisans de l'avortement se séparent toujours fâchés à mort.
Cela étant, les premières ont raison, même s'il y a parmi elles nombre de créatures extrêmement désagréables et même pas mères, virulentes jusqu'à rechercher le coup de poing et perdant souvent toute féminité dans la bagarre. Mais que va-t-on se soucier des apparences ? Le principal n'est-il pas de lutter pour une juste cause ?
Donc au vingt-sixième jour, son coeur se mit à battre et naquit chez lui un semblant de pensée. Qui consistait en ceci : s'il y a une première pensée, il y en a une dernière.
Ce premier raisonnement ne suscita pas d'émotion, parce qu'il entraîna aussitôt une deuxième pensée : nul ne sait si sa fin est proche ou lointaine, et si la dernière pensée n'est pas en fait le début d'un nouvel être doté d'une faculté de pensée alternative. »

2217220-f7d26e0382aaa0e0a628849356f2d99f.jpg
Dmitri Lipskerov (Moskou, 19 februari 1964)
Cover Russische uitgave

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e februari ook mijn blog van 19 februari 2017 deel 1 en ook deel 2.



Geschreven door Romenu om 18:18 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten