Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 2 juni 2019 tot 3 juni 2019

Allen Ginsberg, Philippe Djian, Maarten van Buuren, Solomonica de Winter, Monika Maron, Larry McMurtry, Norbert Gstrein, Wolfgang Cordan, Gerhard Zwerenz

De Amerikaanse dichter Irwin Allen Ginsberg werd geboren in Newark, New Jersey, op 3 juni 1926. Zie ook alle tags voor Allen Ginsberg op dit blog

Uit: Howl (Fragment)

“…and the last fantastic book flung out of the tenement window, and the last door closed at 4 a.m. and the last telephone slammed at the wall in reply and the last furnished room emptied down to the last piece of mental furniture, a yellow paper rose twisted on a wire hanger in the closet, and even that imaginary, nothing but a hopeful little bit of hallucination--
ah, Carl, while you are not safe I am not safe, and now you're really in the total animal soup of time--
and who therefore ran through the icy streets obsessed with a sudden flash of the alchemy of the use of the ellipse the catalog the meter & the vibrating plane, who dreamt and made incarnate gaps in Time & Space through images juxtaposed, and trapped the archangel of the soul between 2 visual images and joined the elemental verbs and set the noun and dash of consciousness together jumping with sensation of Pater Omnipotens Aeterna Deus to recreate the syntax and measure of poor human prose and stand before you speechless and intelligent and shaking with shame, rejected yet confessing out the soul to conform to the rhythm of thought in his naked and endless head, the madman bum and angel beat in Time, unknown, yet putting down here what might be left to say in time come after death, and rose reincarnate in the ghostly clothes of jazz in the goldhorn shadow of the band and blew the suffering of America's naked mind for love into an eli eli lamma lamma sabacthani saxophone cry that shivered the cities down to the last radio with the absolute heart of the poem butchered out of their own bodies good to eat a thousand years.”

 

 2243111-2f9ba71a5fee0408c49b5f346d258ef3.jpg
Allen Ginsberg (3 juni 1926 – 6 april 1997)
In 1955

 

 

De Franse schrijver Philippe Djian werd geboren in Parijs op 3 juni 1949. Zie ook alle tags voor Phiippe Dijan op dit blog.

Uit: Les Inéquitables

« Mais il voulait qu' elle enlève ses mains. qu'elle cesse de le toucher, qu'elle s'écarte. disparaisse. il essayait de lui dire de ficher le camp. de rentrer, mais il avait la bouche pleine de sang et elle refusait de le lâcher. Prends mon mouchoir. dit-elle. Il la repoussa brusquement. Elle trébucha, fit quelques pas en amère et s'immobilisa dans le halo du lampadaire qui éclairait la nie encore mouillée. Il la fixa durant quelques secondes et la trouva si belle qu'il en oublia un instant la douleur, le feu qui courait sur son visage. Diana approchait de la cinquantaine. Parfois. il n'en croyait pas ses yeux. Elle était plus belle que toutes les femmes qu'il avait connues. Il baissa la tête. La plupart de leurs sorties se terminaient par des coups de poing dans la gueule, il y avait toujours un type qui la voulait, un type qui devenait fou après avoir posé le regard sur elle. Pour finir, il se laissa choir sur le siège du passager et boucla sa ceinture. Me touche pas s'il te plaît. dit-il. Conduis.
La route sinuait. longeant l'océan — la lune filait sur la crête des vagues, en contrebas —, ce qui n'empêchait pas Nana de tendre une main pour lui caresser la joue dans un virage ou de l'interroger du regard en mordant sur le bas-côté. Il ouvrit son carreau pour cracher. Du bout de la langue, il sentait sa dent qui bougeait. Ma couronne est foutue, je crois. Elle poussa un soupir. On va regarder ça. Il dit je suis fatigué. Elle dit je vais te donner un truc pour la nuit. Elle gara la voiture devant la maison. Il déclara qu'il n'avait pas besoin de son aide pour monter à l'apparu ment. Elle le fit tout de même passer par le cabinet, se rincer la bouche. Elle l'installa sur le fauteuil. enfila des gants de latex et put constater que la prémolaire de Marc effectivement branlait. Bon, ça peut attendre demain. décida-t-elle. Je te pren-drai en urgence. Il vida son gobelet de plastique et cracha un jet de sang mêlé à du bleu au parfum mentholé. Dehors le vent souf-flait, ronflait derrière les vitres. Elle éteignit sa lampe frontale. jeta ses gants dans une corbeille. Tu aurais pu éviter ça. dit-elle. Ce n'était pas néces-saire. monta à l'appartement, puis dans sa chambre. 11 avait mal partout, il grimaçait, était d'une humeur de chien, il avait sous-estimé la carrure du gars en raison de la pénombre et il n'avait dù la vie qu'à l'intervention de Diana qui les avait séparés après qu'il s'était pris une méchante droite, un vrai missile qui l'avait gelé sur place."

 

 2243111-73e428a5e9704af5f83592db30e97cdb.jpg
Philippe Djian (Parijs, 3 juni 1949)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijver en letterkundige Maarten van Buuren werd geboren op 3 juni 1948 in Maassluis. Zie ook alle tags voor Maarten van Buuren op dit blog.

Uit: Rijdt het paard van Sinterklaas nog wel over het dak?

“Door de week werd er maar één kachel gestookt, meestal de achterkamerkachel, want dit was de eetkamer waar, na het eten, spelletjes werden gedaan. De kachel moest elke ochtend worden aangemaakt. Daartoe moest eerst het middelste deurtje worden geopend en as uit de kachel in de asla worden geschud. Sintels die te groot waren moesten van het rooster worden gepakt en in de asla gelegd. Daar was een knijper voor, maar in de praktijk gebeurde dat met de hand. Als de asla geleegd was en in de kachel teruggezet, werden op het rooster proppen krantenpapier gelegd. Daaroverheen kwam een laagje houtjes (afkomstig van een sinaasappelkistje, of van takken, het deed er niet toe, als het maar droog en hout was), desnoods besprenkeld met wat petroleum uit de vierkante petroleumbus uit de bijkeuken, tenslotte werd er kolengruis gestrooid over het hout, dan ging de fik erin en als het geheel goed brandde, schudde vader voorzichtig een beetje antraciet op het vuur.
De kolenkit moest regelmatig worden gevuld. Achterin de schuur waar ook de fietsen stonden had vader een kolenkist getimmerd die aan de onderkant uitliep in een soort trog waar de antraciet in stroomde. In de lange keten van handelingen waaruit het stoken van een kachel bestaat, was dit de enige schakel die aan mij werd toevertrouwd. ‘Kolen scheppen’ betekende dat ik ‘s avonds door de tuin naar de schuur moest lopen en me een weg moest banen langs de vijf fietsen die een aaneengesloten versperring vormden. Ik deed dat duwend en schoppend, het was toch donker, maar schopte ook weer niet zo hard dat spatborden of kettingkasten werden ontzet. De trog was precies breed en diep genoeg om er de kolenkit doorheen te halen die, als ik het goed deed, in een keer vol was.
Onze kolen werden aan huis bezorgd door kolenboer Jan Van Heyst. Hij had zijn opslagplaats aan de Haven. In de jaren vijftig leverde hij de bestellingen af met een hondenkar, dat was een handkar, voortgetrokken door een enorme zwarte hond waar ik als de dood voor was, ook al zat hij stevig gevangen in een leidsel onder de kar. Het gebruik van hondenkarren was verboden, maar Van Heyst stoorde zich daar blijkbaar niet aan.
In de jaren zestig kocht Van Heyst een bestelauto. Hij maakte handig gebruik van deze wagen door op de maandag wasmachines rond te brengen. Hij had een stuk of dertig wasmachines gekocht die hij in Maassluis en omgeving verhuurde. Op maandag leverde hij ze in alle vroegte af; aan het begin van de avond haalde hij ze weer op. ‘s Maandagsmorgens wachtte mijn moeder ongeduldig tot Van Heyst de wasmachine naar boven had gesjouwd.”

 

 2243111-592d922cf0a77077203b28451d594e4f.png
Maarten van Buuren (Maassluis, 3 juni 1948)

 

 

De Nederlandse schrijfster Solomonica de Winter werd geboren op 3 juni 1997 in Bloemendaal. Zie ook alle tags voor Solomonica de Winter op dit blog.

Uit: Die Geschichte von Blue (Vertaald door Anna-Nina Kroll)

„Als wir am Hotel ankamen, ließ Daisy mein Handgelenk los. Ein großes Schild mit der Aufschrift palace hotel hieß uns willkommen. Ich musste vorgehen, wie immer. Daisy hatte Angst, ich würde kehrtmachen und weglaufen, wenn sie einen Raum oder ein Gebäude vor mir betrat. Der Teppichboden war sandfarben. Der dicke Mann hinter der braunen Rezeptionstheke sah nicht auf. Als wir näher kamen, hob er langsam den Blick. Ich wusste, dass er keine Lust hatte. Ich sah es. »McGregor, ich habe angerufen«, sagte Daisy. Der Mann kratzte sich am Kinn und fragte: »Wie?« »McGregor.« Er überflog eine Liste, dann nickte er leicht. »Alles klar«, sagte er. »Macht zweihundertfünfzig.« »Am Telefon haben Sie zweihundert gesagt.« »Sie wollten ein Zimmer mit Bad. Das macht fünfzig extra.« »Muss ich sofort bezahlen?« »Ja. Nur Barzahlung. Hotelrichtlinien.« »Das war es dann wohl mit dem Essen für diese Woche«, murmelte Daisy, während sie die Scheine einzeln aus ihrer Tasche zog. Er holte einen Schlüssel vom Schlüsselbrett. »Nummer achtundzwanzig. Treppe hoch, Ende des Gangs. Paar Regeln: Machen Sie nicht alles kaputt. Bringen Sie niemanden um und verstecken die Leiche hinterm Duschvorhang. Wenn mit dem Zimmer was nicht in Ordnung ist, melden Sie sich bei mir. Verstanden?« Ich sah Daisy an. Ich las in ihren Augen, dass sie nicht wusste, wie sie reagieren sollte, aber dann sagte sie einfach »okay« und nahm ihre Koffer, ehe dem Mann noch mehr einfallen konnte. Ich ging hinter ihr her nach oben und den Gang entlang. Die niedrigen Decken schienen näher zu kommen, und die Lampen hingen so tief, dass mich ihr Licht blendete. Daisy setzte ihre Koffer ab und schloss die Tür auf. Der Teppich war hier oben genauso sandfarben wie unten. Die Wände waren weiß. An eine Wand geschoben, stand eine schmale Couch. Ich stellte meinen Koffer ab und ließ den fremden, stillen Raum auf mich wirken. Die rosa Badewanne gefiel mir besonders. Der Spiegel war von gelben Glühbirnen umrahmt wie in den glamourösen Fünfzigern. Hinter dem Duschvorhang lag keine Leiche. Ich ging zum Fenster und sah auf die Straße hinaus. Dann setzte ich mich auf die Couch und starrte ins Nichts. Wie ein Kätzchen drückte ich mein Buch fest an die Brust. Mein Buch.“

 

 2243111-c44080ffe30de8b31d8bfccbb85338a2.jpg
Solomonica de Winter (Bloemendaal, 3 juni 1997)
Cover

 

 

De Duitse schrijfster Monika Maron werd geboren op 3 juni 1941 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Monika Maron op dit blog.

Uit: Munin oder Chaos im Kopf

„Sie war eine robuste, man könnte auch sagen derbe Person von schwer schätzbarem Alter, aber auf keinen Fall jung, mit einem ihrer Erscheinung unangemessenen Hang zu divenhaften Auftritten, zu denen, da große Bühnen ihr offenbar verwehrt geblieben waren, ihr nun ein höchstens zwei Quadratmeter großer Balkon dienen musste, den sie mit künstlichen Blumen, Schleierfetzen, einem pinkfarbenen Luftballon und allerlei Firlefanz ausgeschmückt hatte. Sobald ihr irgendein Straßengeräusch die Anwesenheit von Publikum signalisierte, und sei es nur ein einsamer Spaziergänger mit seinem Hund, betrat sie mit durchgedrücktem Kreuz und gerecktem Kinn den Balkon, führte einen Arm schwungvoll von der Brust seitwärts in die Luft und begann, lauthals Töne aneinanderzureihen, deren harmonischer oder auch disharmonischer Zusammenhang ihr Geheimnis war. Einmal habe ich gesehen, wie ein Hund stehen blieb und interessiert zu ihr aufsah, was der Sängerin, die, wie ich erfuhr, Hunde eigentlich hasste, ein glückliches Lächeln abrang. Es rührte mich. Das war zu Beginn des vorletzten Sommers, und damals sah ich in der Sängerin noch eine wundersame und erheiternde Episode. Als ich einige Tage später an ihrem Haus vorbeikam und sie gerade etwas sang, was ich entfernt als eine Melodie aus dem Weißen Rössl identifizierte, machte ich es wie der Hund. Ich blieb stehen und sah zu ihr hoch. Ich lächelte sogar, was sie ermutigte, das Einzige, was sie zum Gesang befähigte, ihr überaus leistungsstarkes Stimmorgan, mit voller Kraft einzusetzen. Danach lief ich nur noch mit gesenktem Kopf durch die Straße, sobald sie sich auf dem Balkon blicken ließ. Obwohl ich schon über zehn Jahre in dieser Straße wohnte, kannte ich außer den Bewohnern meines Hauses die meisten Menschen nur vom Sehen, grüßte mich mit einigen, kannte aber weder ihre Namen noch ihre Berufe. Manchen allerdings hatte ich Berufe zugeordnet, von denen ich meinte, dass sie zu ihnen passten. Nur mit Frau Wedemeyer aus dem Nachbarhaus sprach ich manchmal, weil ihre blonde, hochbeinige Mischlingshündin, animiert durch ein Fleischpaket in meiner Hand, mich einmal mit ihren regennassen, sandigen Pfoten angesprungen und dabei meine weißen Jeans gründlich eingesaut hatte.“

 

 2243111-c6f24ff920664e7b5e48cd916931ae7b.jpg
Monika Maron (Berlijn, 3 juni 1941)

 

 

De Amerikaanse schrijver Larry Jeff McMurtry werd geboren op 3 juni 1936 in Wichita Falls, Texas. Zie ook alle tags voor Larry McMurtry op dit blog.

Uit: The Last Kind Words Saloon

“Just then they heard a faint sound from the empty plains to the south of town. "There's supposed to be a herd coming in today from Texas—I 'spect that's it," Doc said. "Where's your six-shooter?" "It might be behind the bar," Wyatt said. "It's too heavy to carry around. If I see trouble springing up I can usually borrow a weapon from Wells Fargo or somebody." "Bat Masterson claims you're the best pistol shot in the West," Doc said. "He says you can hit a coyote at four hundred yards." "Hell, I couldn't even see a dang coyote if it was that far away, unless they painted it red," Wyatt said. "Bat should let me do my own bragging, if he can't manage to be credible." "All right then, what's the farthest distance you could hit a fat man?" Doc persisted, determined to get at least the elements of conversation out of the taciturn Wyatt, who ignored the question. In the distance it was just possible to see mounted figures, urging their horses at a dead run toward Long Grass. "Those cowboys have probably been on the drive thirty or forty days," Doc said. "They're gonna want whiskey and whores, and want them quick." Just then there was a piercing whistle, followed moments later by a train from the east; the train had many empty boxcars and two passenger cars and a caboose. As soon as it came to a complete stop a skinny young man got off, carrying a satchel. "There stands a dude, of sorts," Doc said. "I wonder what the state of his molars might be." "Now, Doc, don't be yanking teeth out of tourists," Wyatt said, turning pale again at the mere suggestion of dentistry. The rumble to the south had diminished; for a time it faded altogether. "The cattle smelled the water—they're over at the river, filling up," Doc said. "The whores can sleep a little longer." "If you had twenty pearls would you give at least one or two to Jessie?" Doc inquired. Wyatt ignored the question. His wife's taste for finery was none of Doc's business, that he could see. One of the passenger cars was considerably fancier than the other. It was painted a royal purple. The skinny young dude took a moment to get his bearings and then came resolutely up the street. "I wonder who's in that blue car," Doc said. "You don't often see a car that fancy in these parts." He happened to glance to the south, where he saw two riders approaching. Wyatt noticed the same thing. "Uh-oh," Doc said. "It's that damn Charlie Goodnight and his nigger." "You're right—he was in that fracas in Mobetie," Wyatt said. "They say that nigger is the best hand in the West at turning stampedes —it's a rare skill." Just then Doc Featherston, owner of the bouncing bowler, walked out of the Orchid and fell flat on his face in the street. "I guess San Saba likes the Doc," Wyatt said. "Women sure are odd."

 

2243111-3ad802d2ccbec256e0f01990fb31f402.jpg
Larry McMurtry (Wichita Falls, 3 juni 1936)

 

 

De Oostenrijkse schrijver Norbert Gstrein werd geboren op 3 juni 1961 in Mils bei Imst, Tirol. Zie ook alle tags voor Norbert Gstrein op dit blog.

Uit: Die kommenden Jahre

„Wir wurden immer nach Grenzwerten gefragt, soundso viele Grad wärmer bedeuteten soundso viele Zentimeter Anstieg der Ozeane, natürlich eine Vereinfachung, aber sobald die Journalisten dazukamen, malte sich aus schierer Angstlust einer aus, was passierte, wenn das Eis an den Polen ganz abschmelzen würde, und welche Gebäude etwa in Manhattan dann überhaupt noch ab dem wievielten Stockwerk aus der grenzenlos sich ausbreitenden Wasserwüste ragten. Dabei war das mit den Zahlen so eine Sache, und Tim hatte sich einmal in Schwierigkeiten gebracht, als er sagte, dass man über die wirklich wichtigen Parameter, von denen alles abhänge, viel zu wenig spreche. Er hatte auf die Frage eines Interviewers, was er global für die zwei wichtigsten Maßnahmen im Umweltschutz halte, durchaus ernst, wenn auch flapsig geantwortet, die Erdbevölkerung drastisch zu verringern und bei dem dann übrigbleibenden Haufen den durchschnittlichen Intelligenzquotienten ebenso drastisch zu erhöhen, und war dadurch ins Visier von Studenten seiner Universität geraten, die ihm Zynismus vorwarfen, mit Transparenten vor seinem Institut aufmarschierten und eine öffentliche Entschuldigung verlangten. Ich hatte Tim Anfang der neunziger Jahre des vergangenen Jahrhunderts bei dem großen Forschungsprojekt auf dem Juneau-Eisfeld in Alaska kennengelernt. Wir waren zwei junge Wissenschaftler gewesen, beide bei unserem ersten internationalen Feldeinsatz, und die gemeinsam auf dem Eis verbrachten Sommerwochen, Hitze und Kälte schweißten und froren uns bleibend zusammen. Man muss nicht soweit gehen zu sagen, dass diese Art Arbeit einen bestimmten Menschenschlag anzieht, aber in der Isolation der Wildnis, in der Gleichförmigkeit der Tage ohne die Annehmlichkeiten oder auch nur Ablenkungen einer Stadt wird doch jeder zum Charakter. Für Tim, der manchmal Wochen allein in den Bergen verbrachte, aber unter Leuten dann nichts davon ausstrahlte und sich bis zur Selbstverleugnung umgänglich gab, galt das doppelt. Hinter ihm auf Skiern auf den fernen Horizont zuzulaufen, der bloß durch ein paar aus der schier endlosen weißen Fläche ragende weiße Spitzen markiert war, ließ einen ahnen, dass es ihn über den letzten sichtbaren Punkt hinauszog und nur die Vorgaben der Arbeit ihn daran hinderten, weiter und weiter zu gehen.“

 

 2243111-51834ebfdee516ebb56473341d0db10e.jpg
Norbert Gstrein (Mils, 3 juni 1961)

 

 

De Duitse dichter, schrijver, vertaler, antropoloog en verzetsstrijder Wolfgang Cordan (pseudoniem van Heinrich Wolfgang Horn) werd geboren op 3 juni 1909 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Wolfgang Cordan op dit blog.

Uit: Popol Vuh. Das Buch des Rates

„Ximenez hat den Text getreulich kopiert, doppelspaltig schreibend, indem er dem links erscheinenden Quiché-Wortlaut rechtsspaltig seine spanische Übersetzung beigibt. Danach reichte er das Original den Besitzern zurück. Wir haben Anlaß, sein Vorhandensein in den Händen einer altadligen Quiché-Familie noch heute zu vermuten.
Die Rückgabe dieses dämonischen Textes, der in die Hände der Inquisition gehört hätte, wirft ein helles Licht auf die moralische Qualität des Padre.
Was seine Übersetzung betrifft, so kann ich der seither erhobenen Kritik nicht beipflichten. Er stand, ein Geisteskind des beginnendenden XVIII. Jahrhunderts, ohne die Hilfsmittel moderner Reigionswissenschaft und moderner Linguistik gegenüber einem fremdartigen, vielschichtigen Mythos. Er kannte nicht einmal das Wort und den Begriff Mythos — er kannte ja nur »die Wahrheit«. Aber er sprach besser Quiché als irgendeiner von uns allen nach ihm, und er hatte die Liebe. Er hat sich immer und immer wieder um den Stoff bemüht, und ich gestehe, daß ich nicht ohne Rührung auf seine Korrekturen der ersten Reinschrift blickte, die auf dem Bildschirm der Bibliothek in Guatemala groß und deutlich erschienen. Ximenez hat seine erste Niederschrift durchaus im Bewußtsein dessen, was er tat, zu Papier gebracht. In Großbuchstaben steht auf der ersten Seite:
 
EMPIEZAN LAS HIS
TORIAS DEL ORIGEN DE LOS INDIOS DE
ESTA PROVINCIA DE GUATEMALA . . .
 
(Es beginnen die Geschichten vom Ursprung der Indios in dieser Provinz Guatemala etc.)

Nach einem kurzen »Prologo« folgen fünf »Salutaciones« in Quiché-Sprache, jedenfalls vom Padre verfaßt.
Und dann beginnt die »Präambel« des indianischen Erzählers mit den seither berühmt gewordenen Worten, wiederum in Majuskeln:

ARE V XE OHER
tzih . . .
(Das ist die alte Überlieferung)“

 

 2243111-96da3c65e19d07d5ff15590a29e7f5ff.jpg
Wolfgang Cordan (3 juni 1909 – 29 januari 1966)
Hier in Mexico

 

 

De Duitse schrijver en essayist Gerhard Zwerenz werd geboren op 3 juni 1925 in Crimmitschau in Saksen. Zie ook alle tags voor Gerhard Zwerenz op dit blog.

Uit: Die Verteidigung Sachsens und warum Karl May die Indianer liebte

„Als sich 2004 die Todesanzeigen für im 2. Weltkrieg Gefallene in der Presse häuften, verwunderte mich das nicht nur wegen der oft peinlichen nationalen Sprüche unserer Späthinterbliebenen. Im Jahr 2005 eskalierten die Trauerbekundungen, einer zeigte gar seinen toten Verwandten aus dem 1. Weltkrieg an. Wer wollte da mit neunzigjähriger Verspätung wen informieren? Wenn dahinter der noch nicht überwundene Schmerz als Antriebskraft steckte, warum blieb er nicht individuell und nutzte den Totensonntag oder Volkstrauertag? Weshalb die teure Veröffentlichung? Spielt Schuld, vielleicht verdrängte, eine Rolle? Ist die kollektive öffentliche Trauer nicht selbst eine schiere Verdrängung? Wird sie der Kirche und dem Staat per Ritual überlassen, statt dem Tod den Versuch rationaler Reflexion oder das Licht der Vernunft entgegenzusetzen?
In der Zeitschrift Ossietzky, der ich mich schon wegen des Namens eng verbunden fühle, ließ ich meinen Protest gegen die neudeutschen Zustände einrücken. Unter der Titelzeile Deutsche Opfer. Neue Nachrufe hieß es: Sie fielen für den Staat, steht da zu lesen. Er opferte sein Leben für sein Vaterland. Das Vaterland jedoch achtet sein Opfer nicht. Wer aber opferte sich da für welchen Staat? Für welches Vaterland? Hier werden Tote für die Politik von heute benutzt. Der Krieg geht weiter als Schlacht um die Erinnerung. Der Fisch beginnt am klugen Kopf zu stinken. Immerhin wurde das Eiserne Todeskreuz vom Hakenkreuz befreit, auf das die toten Soldaten ihren Eid leisteten, als sie noch lebten. Welch ein Fortschritt. Wir dürfen hoffen. Freilich - noch fehlt die stolze Trauer, mit der von 39 bis 45 der Tod angezeigt wurde. Immerhin sind wir schon beim Bekennermut angelangt.”

 

 2243111-12d4cf22af9ba0a8f057f133effad3f4.jpg
Gerhard Zwerenz (3 juni 1925 –13 juli 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e juni ook mijn blog van 3 juni 2018 en ook mijn blog van 3 juni 2018 deel 2.



Geschreven door Romenu om 18:17 Reageer op dit bericht

James Ephraim McGirt

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichter, schrijver, uitgever en zakenman James Ephraim McGirt werd geboren in 1874 in Robeson County in North Carolina. McGirt werkte op de boerderij van zijn familie en volgde de Allen Private School voor Afro-Amerikanen en later de openbare scholen in Greensboro. In 1895 behaalde hij een BA van Bennett College. McGirt werkte tot 1903 als handarbeider tot hij naar Philadelphia verhuisde en McGirt's Magazine lanceerde. Als redacteur en uitgever publiceerde McGirt zijn eigen proza ​​en poëzie samen met geschriften van vooraanstaande Afro-Amerikanen." Na zes succesvolle jaren daalde de maandelijkse oplage en McGirt stopte met de uitgave in 1909. In 1910 keerde hij terug naar Greensboro en vestigde de succesvolle Star Hair Grower Manufacturing Company. McGirt stierf aan nefritis na geworsteld te hebben met alcoholisme. Tot McGirt's poëziebundels behoren ”Avenging the Maine” (1899), “Some Simple Songs” (1901) en “For Your Sweet Sake” (1906). Hij schreef honderden gedichten over onderwerpen, variërend van de Spaans-Amerikaanse oorlog tot slavernij, discriminatie, liefde, natuur en jongensjaren. McGirt schreef ook dialectvers en gedichten die formeel waren beïnvloed door Britse en Amerikaanse poëzie uit de 18e en 19e eeuw. In 2004 werd McGirt door het North Carolina Writers 'Network opgenomen in de Literary Hall of Fame. Hoewel hij tijdens zijn leven zelf geen literaire erkenning kreeg had McGirt een belangrijke publicatiemogelijkheid voor andere Afrikaanse schrijvers uit de vroege 20e eeuw in het leven geroepen..

 

Born Like the Pines

Born like the pines to sing,
The harp and song in m’ breast,
Though far and near,
There’s none to hear,
I’ll sing as th’ winds request.

To tell the trend of m’ lay,
Is not for th’ harp or me;
I’m only to know,
From the winds that blow,
What th’ theme of m’ song shall be.

Born like the pines to sing,
The harp and th’ song in m’ breast,
As th’ winds sweep by,
I’ll laugh or cry,
In th’ winds I cannot rest.

 

 

A Slothful Youth

Beside the road in youth I sat in slumber,
The passers hailed and told me it was day;
'But, ah!' said I, 'my days are great in number.'
And soundly slept, regardless of their say.

Now, here I sit; the night has come upon me;
I fain would go, but darkness hides my way.
I'd turn toGod that He would look upon me;
I've now forgot the prayer I used to pray.

Yet, while I sit and vainly wait, the morning,
I yearn to tell, but ah! it is too late.
That he who sleeps at day and fails the warning,
Shall wake at night, the dreadful ultimate.

 

 2251105-6ddf8ebc5b897a2070ac7874b8df83fd.jpg
James Ephraim McGirt (1874 – 3 juni 1930)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Jim Knipfel, Marcel Reich-Ranicki, Sibylle Berg, Carol Shields, Jean Nelissen, Thomas Hardy

De Amerikaanse schrijver Jim Knipfel werd geboren op 2 juni 1965 in Green Bay, Wisconsin. Zie ook alle tags voor Jim Knipfel op dit blog.

Uit: The Blow-off

"Why do you suppose they call that one the Black Hole?" Annie shouted into his ear in an effort to be heard over the tedious, thumping rhythms of the ride's soundtrack—some insipid pop tune or another—blasting at jet engine levels. The "ride" itself appeared to be nothing more than a small wooden shack capable of holding no more than five or six people at a time, so long as none of those people moved. Yet there was a line of ticket holders twenty or thirty long, eagerly awaiting a chance to step inside. "You'd be surprised," he shouted back. The Saturday night crowd was a swamp of hairy arms and soiled logo T-shirts, wailing children, haggard sundresses, droop-ing bellies, body odor, and cigar smoke. "What's with you, you hit your head on something?" Annie asked once the noise had faded to tolerable levels. She'd noticed his face and it worried her. At first she thought he might be having a stroke. "What's wrong?" "You're smiling." Hank stopped walking to assess what his face was up to, exam-ining it with his free hand. She was right. The smile dropped away. "Sorry," he said. He looked around. "C'mon, let's find a beer stand. Maybe that Chinaman who was here last year's still around someplace." She twisted the flesh of his upper arm again. She wasn't fooling around. "Ow! Christ," he yelped, yanking his arm away and rubbing the point of assault. "Why do you keep doing that?" "Don't use that word in public." Her whisper was fierce. "Take a look around you. You shouldn't even use it at home." "What word? That's the fourth time tonight and I don't even know what I'm saying."
Despite the repeated attacks, Henry ("Hank") Kalabander was in his element. It might have been his second or third element in terms of priorities, but it was without question one of the top five. He brought Annie to the Meadowlands Fair every year. Be-fore Annie, he'd brought his first wife. And before his first wife, he brought whoever was handy. Or he came alone. Annie had caught him smiling the first year he'd brought her here, too. It was the first time she'd seen him do that in public. "But you hate crowds," she'd pointed out back then. "Yes . . . yes I do. But I live in New York." "And you hate New York. So why do you like it here? It's more crowded than Midtown, and you haven't been to Midtown in sev-enteen years." "I'm not so inflexible that there can't be exceptions to the rule." "Bullshit." "Okay then, I'm not so inflexible that there can't be this one single exception to the rule. More going on here than in goddamn Times Square." "I might almost accept that," she finally conceded. That was some seven or eight years back. He knew in his heart it wasn't a real explanation, that nothing had been settled, and that he'd be back the following year and the year after that (as he had been ever since), trying to figure out the answer for himself. "Where's that fuckin' Chinaman?" He was swinging his head from side to side, peering through the crowds, the rides, the game booths with each futile pass in search of a beer shack. Annie refrained from pinching him this time, afraid she might do some real damage. "Hank, we talked about this a few months ago, remember? It was on the news. They don't sell beer here any-more. Some kind of statute—like they did in the city with the street fairs."

 

2242849-7365af001fea2be245e03c6eba643400.jpg
Jim Knipfel (Green Bay, 2 juni 1965)

 

 

De Duitse schrijver en literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki werd geboren op 2 juni 1920 in Włocławek, Polen. Zie ook alle tags voor Marcel Reich-Ranicki op dit blog.

Uit: Meine Geschichte der deutschen Literatur

„Und weil das Herz, wie man schon im Mittelalter zu wissen glaubte, eben verschließbar ist, kann es gewisse Schwierigkeiten und auch Möglichkeiten geben – nämlich mit dem Schlüssel. In einem der ältesten und schönsten deutschen Liebesgedichte, in jenem, das aus nur sechs Versen besteht und mit den Worten beginnt: »Du bist min, ich bin din: /Des solt du gewis sin«, ist die oder der Geliebte im Herzen verschlossen, zu dem es ein Schlüsselein gibt; aber es ist abhanden gekommen, und so muss sie oder er immer darin, im Herzen also, bleiben.
Es gibt kaum ein Substantiv, das die Menschen, jedenfalls in Europa, so häufig und in so vielen Verbindungen gebrauchen wie dieses eine: das Herz. Es gibt auch kaum ein Eigenschaftswort, das man nicht früher oder später mit der Vokabel »Herz« gekoppelt hätte. Ein Herz kann warm und weich sein, treu und traurig, klein und kalt, heiß und hart, gütig und großzügig, stolz und steinern. Kurz: Es kann alles sein. Groß ist auch die Zahl der deutschen Adjektive, die aus dem Wort »Herz« gebildet wurden. Wir sprechen von barmherzigen, engherzigen und hartherzigen, von herzlichen und herzhaften, von herzlosen und herzgläubigen Menschen.
Mehr noch: Das Herz, ein Körperteil, kann seinerseits, so wollen es manche Dichter, und nicht die schlechtesten, ebenfalls Körperteile haben, zumindest Knie. Jedenfalls schrieb Kleist am 24. Januar 1808 an Goethe, dem er das erste Heft des »Phoebus« zuschickte: »Es ist auf den ›Knien meines Herzens‹, daß ich damit vor Ihnen erscheine.« Allerdings hat Kleist die Wendung »Knien meines Herzens« mit Anführungszeichen versehen.
Woher stammen diese Worte? Wir wissen es nicht, doch wurde vermutet, er habe jenen Autor zitiert, den die Schriftsteller am liebsten zitieren – nämlich sich selbst. Denn in seiner »Penthesilea« heißt es: »O du, /Vor der mein Herz auf Knien niederfällt …« Es kann aber auch sein, dass Kleist – fleißige Germanisten haben es nachgewiesen – artigerweise seinen Adressaten zitiert hat, dem diese Wendung schon in frühen Jahren unterlaufen ist. Nur hat auch Goethe die »Knie des Herzens« keineswegs erfunden, es gab sie schon bei Petrarca. Und auch dieser hat sie entliehen, nämlich aus der Bibel.“

 

 2242849-6a9c0fcdd333d548028a2b61ccbea7fc.jpg
Marcel Reich-Ranicki (2 juni 1920 – 18 september 2013)
Włocławek, Polen

 

 

De Duitse schrijfster Sibylle Berg werd geboren in Weimar op 2 juni 1962. Zie ook alle tags voor Sibylle Berg op dit blog.

Uit: Ein paar Leute suchen das Glück und lachen sich tot (Tom geht weg)

„Vera und Helge sind verheiratet. Schon lange. Wissen sie eigentlich gar nicht, warum. Sie sitzen draußen, auf dem Balkon. Es ist ein Sommerabend. Die Luft fleischwarm und macht im Menschen das Gefühl, daß er etwas unternehmen müßte, in dieser Nacht, das ihr gerecht wird, in der Aufregung, die sie verursacht. Was kann ich machen, mit so einer schönen Nacht, denkt sich Vera und weiß keine Antwort. Und eigentlich auch keine Frage. So eine Nacht ist eben eine Nacht. Die will gar nichts gemacht kriegen. Vera sieht Helge an. Der sitzt neben ihr und ist tausend Gedanken entfernt. Sie würde gerne rübergehen, zu ihm. Aber sie weiß nicht wie. Sie schaut in den Himmel und sucht dort den Satz. Der alles ändert. Ein Satz nur. Himmel, schenk mir einen. Der Himmel bleibt stumm und schön, und Wunder gibt es eben nicht. Wunder muß es aber geben, denkt Vera und guckt stur in den Himmel. Und dann guckt sie zu Helge rüber und der guckt geradeaus. Helge trinkt Bier. »Helge …« Helge trinkt Bier. »Ein schöner Abend.« Helge bleibt stumm, und Vera könnte gut tot umfallen. So leer fühlt sie sich an und weiß gar nicht, warum sie noch hier sitzen soll, oder aufstehen, oder weiterleben. Der Himmel ist ein Verräter, und einen Gott gibt es nicht. Vera nimmt ihre Hand und legt sie auf die von Helge. Da liegt sie dann so. Helges Hand bewegt sich nicht. Sie fühlt, daß ihre Hand weglaufen möchte. Sie mag das schwitzige Ding nicht anfassen müssen. Nichts ist peinlicher als eine Hand, die man anfaßt und die sich nicht bewegt, denkt Veras Hand, sondern nur atmet. Vor lauter Widerwillen laut atmet. Das denkt sich Veras Hand so, und Vera selbst schämt sich und nimmt ihre Hand weg, um sich eine Strähne aus dem Gesicht zu wischen. Sie steht auf und geht in die Küche. Der Abwasch steht noch da. Vera bindet sich die Schürze um. Sie wäscht ab und überlegt sich, was sie morgen ins Büro anziehen soll. Dann fällt ihr ein, daß Nora bald Geburtstag hat, und sie schüttelt den Kopf. Es gibt doch wirklich wichtigere Sachen als so einen blöden, warmen Abend und eine Hand, die nicht von ihr angefaßt werden will.“

 

 2242849-c610de18c079b5cd02d1197cc6233cc2.jpg
Sibylle Berg (Weimar, 2 juni 1962) Cover

 

 

De Canadese schrijfster Carol Shields werd op 2 juni 1935 in Oak Park, Chicago, geboren als Carol Warner. Zie ook alle tags voor Carol Shields op dit blog.

Uit: The Stone Diaries

“Only bread seems to ease her malaise, buttered bread, enormous slabs of it, what she's heard people in this village refer to as doorsteps. She eats it fresh from the oven, slice after slice, sometimes not bothering with the knife, just tearing it off in handfuls. One day, alone in this kitchen, she consumed an entire loaf between noon and supper. (one of the loaves burned, she explained to her husband, anxious to account for the missing bread—as though a man of my father's dreamy disposition would notice so small an item, as though any man would notice such a thing.) Frequently she sprinkles sugar on top of the buttered bread. The surface winks with brilliance, its crystals working between her teeth, giving her strength. She imagines the soft dough entering the bin of her stomach, lining that bitter bloated vessel with a cottony warmth that absorbs and neutralizes the poisons of her own body. Her inability to feel love has poisoned her, swallowed down along with the abasement of sugar, yeast, lard, and flour; she knows this for a fact. She tries, she pretends pleasure, as women are encouraged to do, but her efforts are punished by a hunger that attacks her when she's alone, as she is on this hot July day, hidden away in a dusty, landlocked Manitoba village (half a dozen unpaved streets, a store, a hotel, a Methodist Church, the Canadian Pacific Railway Station, and a boarding house on the corner of Bishop Road for the unmarried men). She seems always to be waiting for something fresh to happen, but her view of this "something" is obscured by ignorance and the puffiness of her bodily tissue. At night, embarrassed, she gathers her nightdress close around her. She never knows when she blows out the lamp what to expect or what to make of her husband's cries, which are, thankfully, muffled by the walls of the wood-framed company house where she and my father live. Two rooms up, two down, a privy out back. She knows only that she stands apart from any coherent history, separated from the ordinary consolation of blood ties, and covered over and over again these last two years by Cuyler Goodwill's immense, unfathomable ardor. Niagara in all its force is what she's reminded of as he climbs on top of her each evening, a thundering let loose against the folded interior walls of her body. It's then she feels most profoundly buried, as though she, Mercy Goodwill, is no more than a beating of blood inside the vault of her flesh, her wide face, her thick doughy neck, her great loose breasts and solid boulder of a stomach. Standing in her back kitchen, my mother's thighs, like soft white meat (veal or chicken or fatty pork come to mind) rub together under her cotton drawers—which are wet, she suddenly realizes, soaked through and through. There are double and triple ruffles of fat around her ankles and wrists, and these ridged extremities are slick with perspiration. Her large swollen fingers press into the boards of the kitchen table, and her left hand, her wedding ring buried there in soft flesh, is throbbing with poison.”

 

 2242849-8b9554c9422a99f0025ddb4330744eab.jpg
Carol Shields (2 juni 1935 – 16 juli 2003)
Cover

 

 

De Nederlandse sportjournalist en schrijver Jean Nelissen werd geboren in Geleen op 2 juni 1936. Zie ook alle tags voor Jean Nelissen op dit blog.

Uit: De Bijbel van 100 jaar Tour

“Ik heb Joop gevraagd of hij met mij wil rijden. 'Ik kom: belooft hij. De gentlemankoers is een heuse happening. een manie van topsporters. de mediawereld en de coureurs Martijn Lindenberg en ik besluiten om een dag eerder naar Hummelo af te reizen. Dan zijn we tenminste op tijd en fit voor de race. We huren een kamer in De Gouden Karper. En besluiten ėen afzakkertje te nemen en dan vroeg te gaan slapen- En dan geschiedt het ongeluk: we komen Wim Oorlog tegen. directeur van Vredestein en sponsor van de yentlemankoers 'Ha. de mannen, kom ik schenk een borrel!' Hij gaat ons voor en giet pure whisky in limonadeglazen van Hero Het wordt laat en ik heb het idee dat ik pas een halfuur in bed lig als Joop op de deur bonst. Hij is om drie uur in de nacht uit Parijs vertrokken en roept 'Opstaan. warmrijden'' Ik kom half overeind en roep 'Die vervloekte Oorlog.' Joop haalt zwarte koffie In het restaurant. Ik neem een koude douche en trek mijn koerskleding aan. Joop vraagt. 'Hoe gaan we rijden?”'

 

 2242849-df13cabb5039b5aac9bd904876d1e817.jpg
Jean Nelissen (2 juni 1936 – 1 september 2010)

 

 

De Engels romanschrijver en dichter Thomas Hardy werd op 2 juni 1840 geboren in Higher Bockhampton, bij Dorchester. Zie ook alle tags voor Thomas Hardy op dit blog.

Uit: Far from the Madding Crowd

“What possessed her to indulge in such a performance in the sight of the sparrows, blackbirds, and unperceived farmer who were alone its spectators,--whether the smile began as a factitious one, to test her capacity in that art,--nobody knows; it ended certainly in a real smile. She blushed at herself, and seeing her reflection blush, blushed the more.
The change from the customary spot and necessary occasion of such an act--from the dressing hour in a bedroom to a time of travelling out of doors--lent to the idle deed a novelty it did not intrinsically possess. The picture was a delicate one. Woman's prescriptive infirmity had stalked into the sunlight, which had clothed it in the freshness of an originality. A cynical inference was irresistible by Gabriel Oak as he regarded the scene, generous though he fain would have been. There was no necessity whatever for her looking in the glass. She did not adjust her hat, or pat her hair, or press a dimple into shape, or do one thing to signify that any such intention had been her motive in taking up the glass. She simply observed herself as a fair product of Nature in the feminine kind, her thoughts seeming to glide into far-off though likely dramas in which men would play a part--vistas of probable triumphs--the smiles being of a phase suggesting that hearts were imagined as lost and won. Still, this was but conjecture, and the whole series of actions was so idly put forth as to make it rash to assert that intention had any part in them at all.
The waggoner's steps were heard returning. She put the glass in the paper, and the whole again into its place.
When the waggon had passed on, Gabriel withdrew from his point of espial, and descending into the road, followed the vehicle to the turnpike-gate some way beyond the bottom of the hill, where the object of his contemplation now halted for the payment of toll. About twenty steps still remained between him and the gate, when he heard a dispute. It was a difference concerning twopence between the persons with the waggon and the man at the toll-bar.
"Mis'ess's niece is upon the top of the things, and she says that's enough that I've offered ye, you great miser, and she won't pay any more." These were the waggoner's words.
"Very well; then mis'ess's niece can't pass," said the turnpike-keeper, closing the gate.
Oak looked from one to the other of the disputants, and fell into a reverie. There was something in the tone of twopence remarkably insignificant. Threepence had a definite value as money--it was an appreciable infringement on a day's wages, and, as such, a higgling matter; but twopence--"Here," he said, stepping forward and handing twopence to the gatekeeper; "let the young woman pass." He looked up at her then; she heard his words, and looked down.”

 

 2242849-6b7d07c6f802a860291d1fc18a36708c.jpg
Thomas Hardy (2 juni 1840 – 11 januari 1928)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e juni ook mijn blog van 2 juni 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:24 Reageer op dit bericht

Jesus Loves Me (John R. Rice)

 

Bij de 7e zondag van Pasen

 

 2242847-0929b4dd006ca959c6bfdb09868a5d9a.jpg
In The Arms Of His Love door Greg Olsen, 2012

 

 

Jesus Loves Me

Jesus is such a Saviour,
Jesus is such a Friend.
Never forsakes nor leaves me,
Nor fails my needs to send.
Jesus who died to save me,
Jesus who sought for me,
Now with His love surrounds me,
Oh, what a Friend Is He.

Now in His love I glory,
Rest and rejoice in Him.
Blood-bought and dear to Jesus,
My Joy is full within.
Nothing then, I'm persuaded,
Can take me from His hand,
Nor height nor depth, nor powers,
Satan, nor self, nor man.

Why should you slight the Saviour?
Why turn from Him away?
Where will you find forgiveness,
Loving care, night and day
Nobody else could save you,
Nobody else could pay
Sin's debt for poor, lost sinners,
He would be yours today.

What can I do for Jesus?
NOW may I Him repay?
Oh, to tell all the story,
Of His salvation's way.
Never a theme for singing,
Never a truth for praise
As Jesus' love for sinners,
I'll sing it all my days.

Jesus loves me,
Yes, Jesus loves me;
For me He died,
And the crimson tide
Proves that He loves me,
That Jesus loves me;
So sing it again,
That Jesus loves me

 

 2242847-5ff464113cb750b7d494254eed01f5d6.jpg
John R. Rice (11 december 1895 – 29 december 1980)
Marysville Baptist Church in Cooke County, de geboorteplaats van John R. Rice

 

 

Zie voor de schrijvers van de 2e juni ook mijn volgende blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 16:02 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten