Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 13 juni 2019 tot 14 juni 2019

Alex Boogers, Lieve Joris, Allard Schröder, John van Ierland, Susanne Röckel, Peter O. Chotjewitz, Harriet Beecher Stowe, Hermann Kant, Thomas Graftdijk

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit:Onder een hemel van sproeten

“Het begon met een afwijzing.
Ik lag bij mijn moeder op haar borst, na een bevalling van drie-entwintig uur. De verloskundige had haar met een opgeluchte en vreugdevolle blik aangekeken, maar het was mijn vader die als
eerste sprak: ‘Dat gedrocht is niet van mij.’ Daarna verliet hij de kraamkamer.
Ik was te groot en te zwart, zei mama, en ik had geen karakteristieke familietrekken die mijn vader kon herkennen. Hij was lichtgekleurd, verfijnd, pezig, en hoewel mama donkerder was dan hij, was ook zij slank, met de armen en benen van een balletdanseres, en een hoog, rimpelloos voorhoofd, zoals Nefertiti, de koningin van het oude Egypte.
‘Papa was vooral bang,’ zei mama. In de jaren daarna gaf hij mij veel namen, maar nooit die van zoon, en ook noemde hij mij niet bij mijn echte naam. Mama zegt dat ik me dit onmogelijk kan herinneren, maar dat ligt eraan, denk ik. Als iemand hard en lang genoeg iets bij je naar binnen ramt, laat dat een litteken na, een stempel, een afdruk. Hoewel je niet meer precies weet hoe je eraan bent gekomen, blijft het weefsel hard, stug en weinig elastisch. Het gevoel dat je had toen je het litteken kreeg zit in het weefsel opgesloten, en dat blijft bij je. Dat voel je. Je kunt het lezen, als braille.
Je geeft het gevoel door aan je kinderen. Het wordt een erfenis, zoals de striemen op de ruggen van onze voorouders. Je wordt er elk moment weer aan herinnerd. Mama zei: ‘Je bent mijn knappe
jongen.’
Mama geloofde dat ik voorbestemd was om grootse daden te verrichten, maar mijn vader wilde er niets van weten. ‘De grootse daden in deze buurt bestaan uit moord, diefstal en ongewenste
zwangerschappen. We passen er perfect tussen.’
We woonden in een lange, fantasieloze straat met grofvuil dat elke week tegen de lantarenpalen voor onze flat werd gezet zodat de vuilniswagen het kon ophalen. Veel troep werd op straat gegooid, ook als er geen vuilniswagen langskwam. Soms werden er op de hoek van de straat verroeste fietsframes neergezet, of doorgezakte, versleten bankstellen waarvan de voering er op allerlei plekken uitstak. Die rommel werd niet meegenomen door de vuilnismannen, zodat die troep soms maanden buiten bleef staan en de kinderen uit de buurt ermee gingen spelen.”

 

 2245820-2f2b169f592f2ca17634180da9029131.jpg
Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)

 

 

De Vlaamse schrijfster Lieve Joris werd geboren op 14 juni 1953 in Neerpelt. Zie ook alle tags voor Lieve Joris op dit blog.

Uit: Terug naar Neerpelt

“Mijn vader belt. Hij heeft van zichzelf al een doodgraversstem, maar nu klinkt die extra somber. Onze Fonny heeft een accident gehad. Eergisternacht, op zijn verjaardag. Hij ligt in coma op de intensieve.
‘Weten de anderen het al?’
‘Ja, ja, behalve ons Nicole. En Hildeke – die hoeft het nog niet te weten.’
Op de weg van Hasselt naar Tongeren is Fonny’s auto tegen een boom gevlogen en twee keer over de kop gegaan. Fonny was onder invloed, natuurlijk, maar dat vertelt mijn vader er niet bij.
‘Hier is ma,’ kan hij nog net uitbrengen voor zij hem de hoorn uit de hand grist. Fonny zag er zo goed uit die ochtend. Wel had ze ruzie met hem gemaakt. Toen het ziekenhuis belde, hoopte ze dat hij dood zou zijn, maar inmiddels wil ze dat hij erdoor komt. Als hij invalide wordt, zal ze tot het einde van haar leven voor hem zorgen. ‘Ik ben zo sterk als een paard,’ zegt ze, met een snik in haar stem. ‘Ik werk, ik jank en ik bid tot mijne God.’
Dan is ze weer weg.
‘De verpleegsters hebben Fonny’s bebloede hemd meegegeven,’ vervolgt papa, een beetje geheimzinnig, ‘dat is ze in de bergplaats aan het wassen, in een emmer. Haar tranen druppen in het water – net een mater dolorosa.’
Niet alleen met mama, ook met zijn vriendin Annie heeft Fonny op zijn verjaardag onenigheid gehad. Hij heeft een ruit van haar appartement ingegooid en kwam ’s nachts om halftwaalf thuis aan: of papa zijn bed bij Annie wilde weghalen. Onze pa, welja, een gepensioneerde belastingontvanger van bijna zeventig jaar.”

 

 2245820-f7ca080a915765288b153047f962e1ae.jpg
Lieve Joris (Neerpelt, 14 juni 1953)
Cover achterkant

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Allard Schröder werd geboren in Haren op 14 juni 1946. Zie ook alle tags voor Allard Schröder op dit blog.

 

Supermarktgedicht

Eindeloze rijen bonen in blik daar blinkend staan,
waar traag het karretje langs de schappen rijdt
waar cornflakes, bruine suiker, sudderlappen
tot aan wollig witbrood en de doodvermoeide moeder;
haar handen bij de fijne vleeswaren op de tast, aan de rok
het voorgebakken jengelkind met korting wegens misgebakken –
en zij, voor haar meeëters verbeten leeftocht zoekend…
Waar een blonde pracht de zachte merken kiest, fel nog
haar leven vol hooggehakte, glansgelakte lichte plekken
en ’s ochtends snel de blanke yoghurt uitgelepeld,
dan werkwaarts, het fris selderijhart vol klare zouten,
de dood woont nog in het gootsteenkastje bij de oude spons…
Waar de zot bij ontbijtkoek te tobben staat
– intussen zijn onbegrijpelijk leven overwegend –
hij vraagt me de prijs – godsallejezus de prijs met die zware stem
alsof een ander uit hem spreekt: ‘Wat kost ontbijtkoek?’
Een blauwe engel in stofjas wordt hem gewezen,
eens ijzige godin der lege flessen, thans inquisiteur
van een zot bij koek die hij nooit betalen kan…
Waar de oude dame met porseleinen hand vanillevla inlaadt.
Spoedig zal ze sterven, al kan vanillevla barmhartig zijn.
Wie weet dat niet? ‘Wat kost ontbijtkoek?’
Waarom weet je dat niet? ‘Wil jij hem voor me kopen?’
Zal de zot tot de kassa naast me lopen
als een zoon, de hand aan de kar, de blik op koek…
Waar een donker voorbijgaand wicht naar abrikozen ruikt.
Ineens verlang ik naar vanillevla met haar,
maar alles heeft zijn loop al, zacht soezend in mijn kar –
louter geborgenheid van aardappels en het wijs besluit
van de scharrelmens te midden van frambozen bessen.
Daarnaast de zot, de goede zotzoon met zijn koek,
wachtend bij de kassa-engel, tot er voor hem wordt afgerekend.
Zegels.

 

 

Het is tijd

Het is tijd de dieren te vertellen wie we zijn;
voorzichtig, hun huid niet aanraken en geduld bewaren.
Aan woorden zijn ze niet gewend.
We zullen onze schoenen voor hen uittrekken
en het bittere van onze geur verbergen,
een beetje buigen als het zover is.
Een menuet dansen – een menuet is het beste –
bijna geruisloos, zonder hen
aan te kijken – vooral dat niet.
We zullen dansen in stilte, dat doet hen goed.
Dan samen voorzichtig een krant beginnen
eerst maar zonder woorden.
Daarna nog altijd sprakeloos tegenover elkaar zitten.
Blikken van elkaar wegdraaien.
Wanneer komt het ruimteschip?

 

 2245820-da27cce5fc18e86d58f2cd1340d98913.jpg
Allard Schröder (Haren,14 juni 1946)

 

 

De Nederlandse schrijver en uitgever John van Ierland werd op 14 juni 1964 geboren in Breda. Zie ook alle tags voor John van Ierland op dit blog.

Uit: Kasseien

“Dat verstaan wij Jordanezen niet.”
Het was de gevleugelde uitspraak die steevast als repliek diende wanneer de kinderen weer eens vroegen om de brug over te steken.
“Ze benne d’r heel anders dan wij, we kunnen er niet aarden.”
De hele familie Mulder hield heel lang vast aan de eigen vertrouwde Jordaan, daar hadden ze meer dan genoeg aan. Het was het meest kostbare bezit van hun leven. Ze wisten niet beter. Ondanks de betrekkelijke armoede, het harde werken om het hoofd boven het water van de omliggende grachten te houden, kwam het bij hen niet op dat ze wellicht geluk konden vinden op de oevers van de onbekende wereld van de overkant. Nu is die wereld niet meer zo onbekend, niet zo gevaarlijk en is iedereen er goed te verstaan. Zijn broers en zussen hebben de stap al gemaakt, zij zijn al vele malen de brug overgegaan. Maar Freek, de oudste van de kinderen, bevindt zich nog in de ongewisse schemerzone. Hij weet nog niet goed wat hij aan moet met de vooruitgang. Links ligt volgens hem alles wat zich buiten de grachten bevindt, hij noemt het de vernieuwing, en rechts ligt de warme geborgenheid van zijn Jordaan.
Tegen het vallen van de avond is hij vaak te vinden aan de kanten van een gracht, de Prinsengracht is daarbij veruit zijn favoriete stek. Met zijn benen bungelend over de rand loopt hij in gedachten van links naar rechts. Hij wil heel graag vooruit, zich verbeteren, maar de Jordaan ligt hem erg na aan het hart. Voor de wal liggen schepen in het roetzwarte grachtenwater. Volgens hem lijken ze op donkere beesten met een gekleurd vachtje dat rul oogt. In de schemering ziet hij er gele lichtjes glimmen in de volgens hem knusse kajuitjes. De schepen deinen op het Amsterdamse water dat zachtjes stroomt tussen de gemetselde walmuren. Hij vangt met zijn neus, lichtjes tegen de wind ingedraaid, de rook op van grijze turfsmook die her en der opdwarrelt uit de roestige pijpen. Hij is gewend aan de geluiden van het dorp in de stad, van het ratelen van de karren, het brullen van de motoren van de auto’s en het slaan van de klokken van de Noorderkerk. Ondanks die gewenning kijkt hij door de galm van het stevige bronzen geluid toch weer om naar het imposante gebouw. Hij ziet het silhouet van de na zeven slagen weer zwijgende kerk dat opdonkert tegen de loodgrauwe lucht. Een torentje met een parmantige koperen windhaan, een grijsblauw leiendak boven een samenstel van nissen en schaduwhoeken die zachtjesaan qua vorm vervagen door de invallende duisternis”.

 

 2245820-683c360d38ea6d3bc75c458335c9d0fd.jpg
John van Ierland (Breda, 14 juni 1964)

 

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Susanne Röckel werd geboren op 14 juni 1953 in Darmstadt. Zie ook alle tags voor Susanne Röckel op dit blog.

Uit: Der Vogelgott

„… Es war, wie mir bald klar wurde, jene sagenhafte Gegend, von der ich bei den Großen meines Fachs schon so viel gelesen hatte. Während die ramponierte Lok in irgendein Depot geschleppt
wurde, erhielt ich mehrere Angebote ortsansässiger Taxifahrer mit Schnauzbärten und schmutzigen Gummistiefeln, die wünschten, mich über die kurvigen und schlaglochreichen Bergstraßen zum nächsten Bahnhof zu fahren, doch nach einem Blick gen Himmel, der ungewöhnlich hell und rein zu werden versprach, beschloss ich, an Ort und Stelle zu bleiben und mir in dem Dorf Z., das mir gezeigt wurde – wie es unregelmäßig und schief zwischen den Felszacken hing, ähnelte es dem Brutplatz eines Wanderfalken –, eine Unterkunft zu suchen.
Der Weg schlängelte sich zwischen Wiesen, Wäldchen und Äckern in sanfter Steigung aufwärts. Auf den ersten Blick war mir die Landschaft malerisch erschienen, doch während ich mit meinem schweren Gepäck voranrückte, bemerkte ich, dass mir die Erinnerung an die gelesenen Bücher den Blick getrübt hatte. Pechstein und von Boettiger hatten vom abwechslungsreichen Anblick der bestellten Felder geschwärmt, von grünen Hügeln, sprudelnden Quellen, reizenden Hainen, von der erhabenen Silhouette der Felsenberge am Horizont. Droste hatte – besonders diese Stelle seiner Lustreisen eines Vogelnarren war mir im Gedächtnis geblieben – den melodiösen Gesang der fleißigen Bäuerinnen beschrieben, der sich mit dem frommen Jubel der Lerchen mischt. Ich fand nichts von alldem.
Neben dem monotonen Grillengezirp ließen sich weder menschliche noch Vogelstimmen hören, und die Felder wurden offenbar schon seit Jahren nicht mehr bestellt. Ich sah die Reste von Zäunen, Heuschobern, Unterständen für Tiere und ähnliche Anzeichen ehemaliger landwirtschaftlicher Tätigkeit, doch waren sie sämtlich bis zum Boden eingesunken und von Disteln, Quecken, Brennnesseln überwuchert. Ein einst schmuckes Bienenhaus mit farbig gestrichenen Anflugbrettern
hatte man offenbar zu zerstören und in Brand zu setzen versucht; die herausgerissenen Kästen steckten halb vermodert in der Erde.“

 

 2245820-f36c29f4bfd0098a3804e6d0f8c39c27.png
Susanne Röckel (Darmstadt, 14 juni 1953)

 

 

De Duitse schrijver, vertaler en jurist Peter O. Chotjewitz werd geboren op 14 juni 1934 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Peter O. Chotjewitz op dit blog.

Uit: Mein Freund Klaus

„Es war so. Eines Tages hatten die zwei Geschäftsfrauen den Plan, Klaus und Linde zu verkuppeln.
Man warf sich also in Schale, stieg ins Auto und fuhr los.
In dem üblichen Ausflugslokal angekommen, gingen die zwei Alten ein wenig auf und ab, während die zwei Jungen auf Vorschlag der zwei Alten einen Spaziergang absolvierten.
»Nun und, wie war’s?« drängele ich.
»Es war schrecklich«, gesteht Linde.
»Der reife, ältere Student aus der Großstadt Heidelberg und das dumme junge Gänschen aus dem Frankenland. Ich war hoffnungslos overdressed.«
»Und Klaus? Wie war der?«
»Der hat bestimmt einen Anzug angehabt.«
»Einen Anzug?«
»Ja. Nehme ich an.«
»Habt Ihr’s getrieben?«
»Wo denkst du hin?«
»Hat er wenigstens gebaggert?«
»Was für ein Ausdruck. Dafür war er viel zu gebildet. Viel zu elegant.«
»Ihr habt nichts gemacht?«
»O, doch, natürlich.«
»Was?«
Nach ihrer Erinnerung hätten sie Konversation gemacht.“

 

 2245820-8344a217c0845a57788ff4c94db11be7.jpg
Peter O. Chotjewitz (14 juni 1934 – 15 december 2010)

 

 

De Amerikaanse schrijfster en abolitioniste Harriet Beecher Stowe werd geboren in Litchfield, Connecticut, op 14 juni 1811. Zie ook alle tags voor Harriet Beecher Stowe op dit blog.

Uit: Uncle Tom’s Cabin

“He was waited upon over the factory, shown the machinery by George, who, in high spirits, talked so fluently, held himself so erect, looked so handsome and manly, that his master began to feel an uneasy consciousness of inferiority. What business had his slave to be marching round the country, inventing machines, and holding up his head among gentlemen? He'd soon put a stop to it. He'd take him back, and put him to hoeing and digging, and "see if he'd step about so smart." Accordingly, the manufacturer and all hands concerned were astounded when he suddenly demanded George's wages, and announced his intention of taking him home.
"But, Mr. Harris," remonstrated the manufacturer, "isn't this rather sudden?"
"What if it is?--isn't the man _mine_?"
"We would be willing, sir, to increase the rate of compensation."
"No object at all, sir. I don't need to hire any of my hands out, unless I've a mind to."
"But, sir, he seems peculiarly adapted to this business."
"Dare say he may be; never was much adapted to anything that I set him about, I'll be bound."
"But only think of his inventing this machine," interposed one of the workmen, rather unluckily.
"O yes! a machine for saving work, is it? He'd invent that, I'll be bound; let a nigger alone for that, any time. They are all labor-saving machines themselves, every one of 'em. No, he shall tramp!"
George had stood like one transfixed, at hearing his doom thus suddenly pronounced by a power that he knew was irresistible. He folded his arms, tightly pressed in his lips, but a whole volcano of bitter feelings burned in his bosom, and sent streams of fire through his veins. He breathed short, and his large dark eyes flashed like live coals; and he might have broken out into some dangerous ebullition, had not the kindly manufacturer touched him on the arm, and said, in a low tone,
"Give way, George; go with him for the present. We'll try to help you, yet."
The tyrant observed the whisper, and conjectured its import, though he could not hear what was said; and he inwardly strengthened himself in his determination to keep the power he possessed over his victim.
George was taken home, and put to the meanest drudgery of the farm. He had been able to repress every disrespectful word; but the flashing eye, the gloomy and troubled brow, were part of a natural language that could not be repressed,--indubitable signs, which showed too plainly that the man could not become a thing.”

 

 2245820-ae4c7da03a1de6b4f2a7197a78c11709.jpeg
Harriet Beecher Stowe (14 juni 1811 – 1 juli 1896)
Cover 

 

 

De Duitse schrijver Hermann Kant werd op 14 juni 1926 in Hamburg geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Kant op dit blog.

Uit: Lebenslauf, zweiter Absatz

„Aus einigen der kleinen Fenster fiel sanftes gelbes Licht in den noch fast unberührten Schnee auf der Straße - es trat so ruhig und sicher durch die Scheiben, als wollte es für alle Ewigkeit weiterleuchten. Die alte Haushälterin, der ich sagte, ich sei der Elektriker, wiederholte die Berufsbezeichnung in einem Ton, der mir sogleich klarmachte, daß das in diesem Hause ein Schimpfwort war. Ich hatte Herrn Buttewegg schon öfter gesehen, darum erschrak ich nicht, als er die Stiege heruntergetrippelt kam. Er sah aus, als wollte er auch mit seiner äußeren Erscheinung deutlich machen, daß zwischen einem Fabrikanten feinsten Branntweins und einem vulgären Bierbrauer ein Unterschied weit wie der Himmel liege. Bierbrauer sind - zumindest ist das eine weitverbreitete Ansicht - in Statur und Gemüt den Pferden, die ihr Produkt vom Hof weg in die Kneipen schleppen, ähnlich, sie sind grobknochige, breitschultrige, dickwänstige Kerle, die gar nicht wissen, wohin mit all ihrer Gesundheit.
Nicht so Herr Buttewegg. Er war ein Hänfling, und ein häßlicher obendrein. Statt meinen Gruß zu erwidern, musterte er mich scharf und sagte mit einer Stimme, die irgendwer mit einer Schrotfeile bearbeitet zu haben schien: »Ihr Chef sprach von einem Spezialisten ...« »Und er weiß, was er sagt«, antwortete ich. »Deliziöse Antwort«, raspelte er und schickte sich an, mir die Geschichte seiner Leiden zu erzählen. Als er das erste Mal »und dann passierte es« gesagt hatte, unterbrach ich ihn, was mir einen Blick mit einer tüchtigen Ladung Strychnin darin einbrachte. »Herr Buttewegg«, sagte ich und versuchte wie ein ergrauter Spezialist für Kurzschlüsse dreinzuschauen, »ersparen Sie mir diese Quisquilien; was Sie da mit dem wohl eher ins Medizinische greifenden Ausdruck >periodische Malaise< zu bezeichnen suchen, ist nichts weiter als ein ordinärer schleichender Kurzschluß ...« Ich glaube, hätte ich ihm auf die Schulter geschlagen und »Das werden wir bald haben, Sie häßlicher kleiner Giftmischer!« gesagt, er hätte nicht geschockter aussehen können. Er trat einen Schritt zurück und eine Stufe der Treppe hinauf, um mir gerade in die Augen starren zu können, dann fragte er fast sanft: »Sie haben Bildung genossen?« »Ist das jetzt relevant?« fragte ich zurück und zog dabei die Augenbrauen so hoch, daß mir geradezu anzusehen war, welch eine piekfeine Bildung ich genossen hatte. Aus meiner Brust aber flog ein Segensspruch jenem Fleischerlehrling nach, von dem ich vor langer Zeit ein Fremdwörterbuch gegen einen alten Akku eingehandelt hatte. Das Buch war immer scharfer Konkurrent von Edgar Wallace, und wenn es mich überkam und ich daheim in der Küche mit meinen Lesefrüchten aufwartete, bedurfte es erst eines Machtwortes meiner Mutter, daß ich dem »karierten Gefasel« ein Ende setzte.“

 

 2245820-783e71dc84684e7a782131553f72d6d3.jpg
Hermann Kant (14 juni 1926 – 14 augustus 2016)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en vertaler Thomas Graftdijk werd geboren in Amsterdam op 14 juni 1949. Zie ook alle tags voor Thomas Graftdijk op dit blog.

 

Natuurlijk verdwaalde ik
op de terugweg. Tekeningen, foto's,
films van mijn leven tot nu toe
werden onbegrijpelijke sferen
die ik onmogelijk kon herkennen. Ik
had ze godverdomme toch
nog nooit gezien.

           

*          

Het is eigenlijk niet belangrijk meer
wat ik heb willen zeggen
en af en toe heb ik de dingen gedaan
alsof het allemaal maar vanzelf sprak,
maar toch was het nooit meer dan: laten
we weggaan, laten we het proberen.

         

*          

Soms wil ik beleefd zijn
en geef vrolijk grijnzend iedereen
een hand. Soms praat ik zelfs urenlang.
met de ongelofelijke slijmerd
die ik steeds weer
overal tegenkom.

Soms loopt de spoorrails
van mijn argeloosheid
dood waar de zomer voor de zoveelste
keer begint. Maar als er
weer eens oorlog komt

 

 2245820-6996d19402047796b93185c6e4c30cb7.jpg
Thomas Graftdijk (14 juni 1949 – 10 februari 1992)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e juni ook mijn blog van 14 juni 2018 en ook mijn blog van 14 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:20 Reageer op dit bericht

Fernando Pessoa, Thomas Heerma van Voss, Gerwin van der Werf, Willem Brakman, Virginie Despentes, William Butler Yeats, Tristane Banon, Marcel Theroux, Steven Membrecht

De Portugese dichter en schrijver Fernando António Nogueira Pessoa werd geboren in Lissabon op 13 juni 1888. Zie ook alle tags voor Fernando Pessoa op dit blog.

 

Sonnet VIII

How many masks wear we, and undermasks,
Upon our countenance of soul, and when,
If for self-sport the soul itself unmasks,
Knows it the last mask off and the face plain?
The true mask feels no inside to the mask
But looks out of the mask by co-masked eyes.
Whatever consciousness begins the task
The task's accepted use to sleepness ties.
Like a child frighted by its mirrored faces,
Our souls, that children are, being thought-losing,
Foist otherness upon their seen grimaces
And get a whole world on their forgot causing;
⁠And, when a thought would unmask our soul's masking,
⁠Itself goes not unmasked to the unmasking.

 

 

Sonnet IX

Oh to be idle loving idleness!
But I am idle all in hate of me;
Ever in action's dream, in the false stress
Of purposed action never act to be.
Like a fierce beast self-penned in a bait-lair,
My will to act binds with excess my action,
Not-acting coils the thought with raged despair,
And acting rage doth paint despair distraction.
Like someone sinking in a treacherous sand,
Each gesture to deliver sinks the more;
The struggle avails not, and to raise no hand,
Though but more slowly useless, we've no power.
⁠Hence live I the dead life each day doth bring,
⁠Repurposed for next day's repurposing.

 

 

Sonnet X

As to a child, I talked my heart asleep
With empty promise of the coming day,
And it slept rather for my words made sleep
Than from a thought of what their sense did say.
For did it care for sense, would it not wake
And question closer to the morrow's pleasure?
Would it not edge nearer my words, to take
The promise in the meting of its measure?
So, if it slept, 'twas that it cared but for
The present sleepy use of promised joy,
Thanking the fruit but for the forecome flower
Which the less active senses best enjoy.
⁠Thus with deceit do I detain the heart
⁠Of which deceit's self knows itself a part.

 

 2245695-c4e22738d1993281882da273103dc31b.JPG
Fernando Pessoa (13 juni 1888 – 30 november 1935)
Portret door Antonio Guimaraes, 2009

 

 

De Nederlandse schrijver Thomas Heerma van Voss werd geboren in Amsterdam op 13 juni 1990. Zie ook alle tags voor Thomas Heerma van Voss op dit blog.

Uit: De derde persoon (Het weerzien)

“Als ik thuiskom van mijn werk, anderhalf uur later dan gebruikelijk, heeft Claire de tafel al gedekt. Ze zet twee koekenpannen neer en serveert spaghetti bolognese, en pas nadat ik mijn eerste hap heb genomen, zegt ze: ‘Ik moet je iets vertellen.’
Ik zag de bezorgdheid al in haar ogen toen ik binnenkwam, maar ik dacht: eerst eten, haar onrust verdwijnt vanzelf wel.
‘Natalja komt hierheen,’ zegt Claire. Aan de toonloze, helder gearticuleerde manier waarop ze spreekt hoor ik dat ze de woorden heeft ingestudeerd. ‘Ze belde net. Gisterochtend vroeg is ze gaan liften uit Moskou en iets na tienen wordt ze afgezet bij de Warschauer Straße. Ze wil het land in, naar een paar oude vriendinnen, maar vanavond komt ze niet verder dan Berlijn. Ik heb haar gezegd dat ze vannacht hier kan logeren.’
‘Hier?’ vraag ik. ‘In ons appartement, bedoel je? Ik ken haar helemaal niet.’
‘Je kent haar best.’
‘Welnee, ik heb die vrouw nog nooit gezien. Kan ze geen hotel boeken?’
‘Ze heeft nauwelijks geld, dat weet je toch?’
‘Kennelijk wel genoeg om op vakantie te gaan.’
‘Toe, ik heb je laatst toch gezegd dat ze huwelijksproblemen heeft? Ze wil Moskou even uit en kent verder niemand hier. Als jij mij zou vragen of een vriend hier kon blijven slapen, zou ik daar altijd mee instemmen.’
‘Maar ik heb geen Russische vrienden. En ik ken niemand van boven de veertig die nog lift.’
Natalja. Kom nou, zo’n naam wens je niemand toe. Wat heeft ze hier te zoeken, in mijn woonplaats, mijn straat, mijn huis? Zij was degene die Claire, toen die als verlegen meisje uit de provincie begon met studeren, zomaar aansprak in een café. Een aangeschoten, zesentwintigjarige vrouw met Russische ouders en een vlotte babbel. Wil je wat drinken; hoe heet je; wat doe je hier in Berlijn? Ze bouwden een vriendschap op, intiemer dan veel relaties of familiebanden. Bijna elke dag waren ze samen. Natalja had geld vanwege een erfenis, en ze trakteerde Claire op diners, buitenlandse reizen en met alcohol doordrenkte nachten. Officieel werkte ze voor een Russisch telecombedrijf, in de praktijk hing ze voornamelijk aangeschoten rond in cafés. Ze schonk Claire cadeaus: bloemen en horloges, boeken en kettingen. Tijdens een van hun laatste gemeenschappelijke vakanties schreef ze Claire zelfs een uitvoerige brief – echt waar, een brief aan degene die naast haar zat, hoe verzin je het?”

 

 2245695-c7f82f2a0934825916204cc92895ac59.jpg
Thomas Heerma van Voss (Amsterdam, 13 juni 1990)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver, columnist en muziekdocent Gerwin Friso van der Werf werd geboren in De Meern op 13 juni 1969. Zie ook alle tags voor Gerwin van der Werf op dit blog.

Uit: Luchtvissers

“Ik ga het redden, verdomd, ik ga het redden, ik durf het niet alleen te denken maar nu ook te fluisteren. Nog een uur, hooguit, en dan ben ik alleen. Hoe lang ik hier al sta - verscholen achter het muffe gordijntje - ik heb er geen benul meer van, maar het kan me niet schelen, want het wachten zal niet tevergeefs zijn. Soms doe ik mijn ogen dicht, duw mijn wang tegen het kozijn, dan voel ik de hoofdpijn kloppen tegen mijn linkeroog. Ik probeer al een tijdje onverschilligheid bij mijzelf op te roepen, als een kind dat verstoppertje speelt -'rat maakt het uit, als ze je vinden, dan ben je erbij, nou en?' – maar ik slaag er niet meer in. Ik ben ten prooi gevallen aan dit heilig willen. Het moet lukken. Het moet. Twee stalen bedden en een tafeltje, dat is al het meubilair in deze kamer. Als ik het vaalrode gordijn opzij duw kan ik de westelijke zijde van het eiland overzien, tot de vuurtoren, die zo'n twee kilometer verderop staat. Bij het transformatorhuisje zijn werklui bezig, weldra zal er geen stroom meer zijn. Daarachter zie ik het begin van de lange betonnen trap die omlaag naar de pier leidt. Vanochtend heb ik die beklommen, traag, opzichtig om mij heen speurend, in een poging zo veel mogelijk te lijken op de andere vier of vijf toeristen die lucht hadden gekregen van deze laatste trip naar Lundines. Straks, als de veerboot uit zicht is, dan ga ik het eiland verkennen. Mijn eiland.
Eerst heb ik een poos op bed gelegen, uitgeput maar niet in staat te slapen. liet is die eeuwige hoofdpijn die mij in staat stelt te geloven dat alles echt gebeurd is. 'Je bent er,' zegt de hoofdpijn, le bent er nog steeds.' Maar niet geklaagd, de pijn is draaglijk, zij wordt gewiegd in de armen van Ibuprofen, mijn lief, die zo goed voor mij zorgt. De hele tijd hoorde ik voetstappen langs het huis gaan, het piepen van karretjes en steekwagens. De geluiden maakten me zo nerveus dat het me beter leek gewoon toe te kijken, verscholen achter het gordijn, als een uitgerangeerde acteur die stiekem in de coulissen wacht tot het toneel leeg is en het publiek naar huis. Iets wat ik werkelijk niet verwacht had: ik heb een bed met een schoon laken. Wat is dat voor gerommel achter het huis? Gebonk op de muren, het hele huis trilt mee en versterkt het geluid, zodat ik niet kan bepalen waar het vandaan komt. Een klap, alsof er een deur dichtgesmeten wordt. Een scheut hoofdpijn jaagt door mijn kop, mijn ogen lopen vol met traanvocht, niet braken, diep ademen. De pijn zakt terug. Net als ik onder het bed wil kruipen is alles alweer voorbij. Niets aan de hand, niemand is binnengekomen. Rustig wacht ik tot de misselijkheid is weggezakt. Acht pakken Sultana's heb ik in mijn rugzak zitten, één daarvan maak ik open. Twee koeltjes, tegen het lege, misselijke gevoel. De kruimels klop ik van het bed, met de neus van mijn schoen duw ik ze tussen de kieren in de plankenvloer.”

 

 2245695-4eb5a824de2d1b32899508b43d45cef8.jpg
Gerwin van der Werf (De Meern, 13 juni 1969)

 

 

De Nederlandse schrijver Willem Brakman werd geboren op 13 juni 1922 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Willem Brakman op dit blog.

Uit: Vestdijk en pantoufles

“Eenmaal ben ik op zijn werkkamer geweest waar ik nog geen briefkaart had kunnen schrijven. Het was er donker, op zijn tafel lag alles netjes geordend, een klein raampje met breed kozijn was haast volgestapeld met stenen die hij had gevonden in zijn leven. In een kast verwonderlijk weinig boeken, veel Simenons. De trap, de leuningen en de deur naar deze kamer waren in een afschuwelijk geel geschilderd. Hij was zonder meer een slecht causeur, luisterde liever en als het kon naar roddel. Eenmaal heb ik hem gevraagd of hij beschikkend over afluisterapparatuur die verbinding gaf met alle slaapkamers van Doorn deze ook zou gebruiken, waarop hij antwoordde: "Wat wil je, ik ben schrijver." Nee, ik heb dat geel van de overloop naar zijn kamer nooit meer ergens aangetroffen, het was de idee geel in al haar verschrikkingen. Hij was een slecht causeur; wat hem ook werd aangedragen als mogelijke structuur of thema van zijn werk, zijn antwoord was steevast: "Neu zeg", en dat terecht: vraag geen schrijver naar zijn bedoelingen, dat is een zonde tegen de heilige geest der literatuur, tenminste toen.
Toen ik tijdens mijn diensttijd in het militair hospitaal was opgenomen en om verschillende redenen op rantsoen moest wat het lezen betreft, kwam zijn boek De verminkte Apollo uit. Ik las in de ochtend twee bladzijden, 's middags dezelfde twee en's avonds idem. Dat was pas lezen en hij was me in die tijd een ware troost.
Later, als arts, heb ik stad en land voor hem afgelopen en aan alle psychiaters gevraagd naar de laatste ontwikkelingen op het gebied van de endogene depressie. Zeer vele artsenmonsters zond ik zijn kant uit en dat heeft hem dankbaar gestemd. Een keer vroeg ik hem of een middel had geholpen. "Nee," zei hij, "maar ik heb er nu minder last van." Nog een echt Vestdijk-antwoord.
Op Schiermonnikoog denk ik altijd aan Roland Holst en Vestdijk. Deze twee schimmen vergezellen mij daar overal. De laatste omdat ik er een huis ken dat precies het huis is van zijn geboorte. Soms, heel alleen ergens in de duinen en al fietsend, want dan kan er veel, vraag ik aan die hemel boven mij: "Simon, ben je daar?" en zijn antwoord is dan altijd: "Neu zeg."

 

 2245695-75266a3d60982f93381e2e85a7f090b6.jpg
Willem Brakman (13 juni 1922 – 8 mei 2008)
V.l.n.r de schrijvers Henk Barnard, Hugo Claus, Willem Brakman en de dichter Roland Jooris

 

 

De Franse schrijfster en filmmaakster Virginie Despentes werd geboren in Nancy, Meurthe-et-Moselle, op 13 juni 1969. Zie ook alle tags voor Virginie Despentes op dit blog.

Uit: Bye Bye Blondie (Vertaald door Sian Reynolds)

“He’d announced, with that confidence possessed only by kids under twenty, that “it’s the most beautiful name in the world.” He was wearing   a white Perfecto leather jacket. A dark-haired boy with broad shoulders, fleshy lips, and a piercing gaze. Possibly it wasn’t piercing at all, perhaps he was just nearsighted, but she had thought this was someone who could fathom the depths of your soul and caress its vice. Whatever, he’d blown her mind, and starting the next day she had told every new person she met: “Hi, I’m Gloria.” And the name had stuck. Because twenty years later, that’s still what peo- ple are calling her.
Jérémy sweeps by grandly, carries off her glass and brings it back full. He’s humming, walking with shoulders a little bent, his low-slung, hyperbaggy jeans exposing a band of belly: smooth golden skin, young man’s skin. With one hand, Gloria hoicks up his trousers, scolding: “Hey kid, get your ass back inside your pants.”
Jérémy wanders off, delighted that someone in this place has protested yet again about his trousers.
Two men have just arrived, and now they’re hardwired to the counter. Difficult to put an age on the older one, he’s so destroyed by drink. A caricature of the wine-bibbing Frenchman: strawberry nose, puffy face, sepulchral voice, rotten yellow teeth. With him is a hulking, ruddy-faced youngster, head sunk into his shoulders, probably his son.
The old man is yelling, he’s already plastered, and now he’s furious: “I don’t believe it! You got a brain or what? God should’ve given you another asshole, you’re so full of shit.”
Gloria exchanges a quick glance with Jérémy. They both roll their eyes and turn away to hide a smile.
Every day, these two come into the Royal, just to shout at each other all afternoon. Around aperitif time, off they go to the betting shop, the old one still yelling at the young one. Gloria predicts, as she watches them stagger away every night at about seven, that one day they won’t be back: the young one will have chucked the old one out the window.
The young one blows his nose, making a hell of a noise. Gray-and-red tracksuit, picked up on sale, no doubt, and he has these enormous feet. Gloria can’t get used to how big young boys’ feet are, she wonders if there’s some plan up there in the cosmos for the human race. Should it be planning to go and live underwater, growing long flippers? The kid’s jaw drops when he sees her, he looks truly impressed.”

 

 2245695-f744270dfb9d31cd671a6aed107f8c24.jpg
Virginie Despentes (Nancy, 13 juni 1969)

 

 

De Ierse dichter, toneelschrijver en mysticus William Butler Yeats werd geboren in Sandymount bij Dublin op 13 juni 1865. Zie ook alle tags voor William Butler Yeats op dit blog.

 

Three Songs To The Same Tune

I
GRANDFATHER sang it under the gallows:
' Hear, gentlemen, ladies, and all mankind:
Money is good and a girl might be better.
But good strong blows are delights to the mind.'
There, standing on the catt,
He sang it from his heart.
Those fanatics all that we do would undo;
Down the fanatic, down the clown;
Down, down, hammer them down,
Down to the tune of O'Donnell Abu.
'A girl I had, but she followed another,
Money I had, and it went in the night,
Strong drink I had, and it brought me to sorrow,
But a good strong cause and blows are delight.'
All there caught up the tune:
'On, on, my darling man'.
Those fanatics all that we do would undo;
Down the fanatic, down the clown;
Down, down, hammer them down,
Down to the tune of O'Donnell Abu.
'Money is good and a girl might be better,
No matter what happens and who takes the fall,
But a good strong cause' -- the rope gave a jerk there,
No more sang he, for his throat was too small;
But he kicked before he died,
He did it out of pride.
Those fanatics all that we do would undo;
Down the fanatic, down the clown;
Down, down, hammer them down,
Down to the tune of O'Donnell Abu.

 

 

Veronica's Napkin

THE Heavenly Circuit; Berenice's Hair;
Tent-pole of Eden; the tent's drapery;
Symbolical glory of thc earth and air!
The Father and His angelic hierarchy
That made the magnitude and glory there
Stood in the circuit of a needle's eye.
Some found a different pole, and where it stood
A pattern on a napkin dipped in blood.

 

2245695-b30c0a78c157f2ef8e57a1aad9f8deda.jpg 
William Butler Yeats (13 juni 1865 – 28 januari 1939)
Portret door Augustus John, 1907

 

 

De Franse journaliste en schrijfster Tristane Banon werd geboren op 13 juni 1979 in Neuilly-sur-Seine. Zie ook alle tags voor Tristane Banon op dit blog.

Uit:Daddy frénésie

« Vingt-cinq ans qu'elle a cessé de le chercher à la maison. Vingt ans à croire que c'était peut-être sa faute, dix ans à le poursuivre, le transposer, le déceler chez tous les hommes de sa vie, dix ans à espérer qu'il soit chercheur d'or et pas juste lâche... Vingt-sept ans sans père, sur vingt-sept, ça suggère beaucoup de désordre mental.
Et pourtant, cinq ans peut-être, ou bien sept, pas plus, qu'elle devine que sa mort lui serait égal.
Cinq ans qu'elle entend : «Tu dis ça, mais au fond...» Mais au fond, même très au fond, au sous-sol d'elle-même, elle en est persuadée. Qu'en savent-ils, du fond, les gens ? Sont-ils allés fouiller derrière ses entrailles, dans ses tripes, pour parler en son nom ? Qu'en coassent-ils de ce qu'elle a au fond, eux qui ont des pères a appeler quand ça ne va pas ? Elle balance «ça», comme ils disent, et elle le pense. Elle choque parfois, et elle assume Elle a toujours su que parler de la mort était quelque chose de tabou, elle découvre que s'y montrer indifférente est une preuve d'inhumanité difficile a défendre. Pire, ne pas souffrir par avance du décès, pourtant certain, à court ou moyen terme, de son géniteur serait proche du parricide mental. Pourtant, réalisatrice de ce finale programmé pour chacun d'entre nous elle voit bien la scène. Alors ne la forcez pas le jour venu, a participer aux au revoir. Elle sait sa réaction. Elle entre dans l'église parce qu'on l'y a obligée, elle s'avance jusqu'au corps parce qu'on la pousse, elle regarde son visage paisible et elle se dit : «Pour un lâche il a le sommeil profond.» Elle sort et on ne veut plus la voir. Ça ne la dérange pas, on ne l'a jamais vraiment vue jusqu'alors, et elle n'a véritablement manqué à personne. Elle ne sera pas là pour rappeler le souvenir de celui qu'elle ne connaît pas. »

 

 2245695-37865df37053e2f9d4bf490ed0b68f61.jpg
Tristane Banon (Neuilly-sur-Seine,13juni 1979)

 

 

De Britse schrijver en presentator Marcel Theroux werd geboren op 13 juni 1968 in Kampala, Oeganda. Zie ook alle tags voor Marcel Theroux op dit blog.

Uit:Strange Bodies

“Nicky stepped out of the shadows. He looked much worse than when I’d last seen him: unshaven, tired, and badly dressed, but also more like his old self; he’d lost weight and his face had some of its shape back.
He told me he needed a place to stay. I explained about the book group and warned him that Babette was waking a lot in the night, but he didn’t look like he had many other options. He sagged into the passenger seat like an old man.
From Ludlow to Barbrook is a twenty-minute drive, assuming you don’t get stuck behind a tractor or a tourist. Nicky ignored my questions and didn’t seem in any mood to talk. I found myself filling the silence by chattering on about my day, but by the time we got to Cleehill I couldn’t pretend anymore. I pulled over just beyond the pub. The locals call it the Kremlin because they claim it’s the highest point between there and the Urals, and in the old days the jukebox used to pick up Radio Moscow. The rain had stopped. The moon was out and beyond the hills we could make out the vague orange glow of Birmingham. I turned to Nicky and asked him what was going on.
“It’s a long story,” he said. “I was in the Maudsley for a while.”
“Studying?” For some reason, I assumed it was a college.
“Sectioned,” he said. And then by way of explanation: “It’s a loony bin outside Croydon.”
Hailstones pounded on the roof of the car. We’d have to drive home the long way round, because the ford would be too dangerous to cross.
“Does Leonora know you’re alive?”
“The Nicky she knew is dead.” He said it matter-of-factly, with no real venom, but the hopelessness of it shocked me. And in the yellow rays of the Kremlin’s outside light, his teeth looked crooked and broken. Suddenly, it struck me that he was, after all, really a stranger, and I was seized by a panicky feeling.”

 

 2245695-ada7dd6242bb7b329fb344b4f2b859ac.jpg
Marcel Theroux (Kampala, 13 juni 1968)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Steven Membrecht (pseudoniem van Jochem van Beek) werd geboren in Amersfoort op 13 juni 1937. Zie ook alle tags voor Steven Membrecht op dit blog.

Uit: De ruime gevangenis (een brief)

“De reden dat ik je schrijf, Abel, is dat ik gisteravond een opzienbarende ontdekking heb gedaan, die zo ingrijpend voor ons beiden is, dat ik je haar niet wilde onthouden.
Het hele proces dat tegen jou gevoerd is en waartegen ik niet het minste kon inbrengen, krijgt er een heel andere betekenis door. Wat dat betreft kan ik kort zijn: het is onwaar, vol afschuwelijke misverstanden. Maar ook is het van het allergrootste belang voor ons. Gisteravond drong dat onmiddellijk na wat ik gezien had tot mij door. Hoewel ik je nog in deze brief zal verklaren wat ik heb ontdekt moeten mij eerst enkele opwellende gevoelens van het hart.
Ik kreeg geen kans je nog te spreken nadat het levenslang over je was uitgesproken. Ik denk dat die malle rechters dat niet toestonden omdat ze maar al te goed gemerkt hebben dat wij tweelingen zijn, zelfs eeneiïge tweelingen en in hun domme kortzichtigheid verwisseling van veroordeelde wilden voorkomen.
Hoewel het proces door mij even afschrikwekkend beleefd werd als door jou, gaf onze gelijkenis er in zekere zin een vrolijke noot aan. Het zal jou namelijk ook vast wel opgevallen zijn hoe de rechters, de officier van justitie en zelfs jouw advokaat vaak in de grootste verwarring hun blikken lieten afdwalen naar de publieke tribune, waar ik zat. Het was dan alsof zij dezelfde overtuiging toegedaan waren als ik: die beklaagde, die daar zojuist nog zat, kunnen wij nauwelijks naar eer en geweten ondervragen of beschuldigen, want hij is niet volledig. Er ontbreekt veel van hem waardoor wij tijdens het proces slagen in de lucht doen; een hagedis zonder staart trachten te vangen. (Dat ik juist dit beeld gebruik zal je spoedig duidelijk zijn).
Hoe prijs ik mijzelf sinds gisteravond dat die overtuiging volkomen gerechtvaardigd was en geenszins alleen op grond van onze fabuleuse gelijkenis. Toch veracht ik mezelf ook dat ik hun de juistheid van hun weifelende gedachte niet al tijdens het proces heb kunnen toeschreeuwen, waardoor grote verwarring zou zijn ontstaan en jij wellicht heel anders beoordeeld zou zijn. Het was dan zelfs niet onmogelijk geweest dat ze je hadden vrijgesproken. Was dat een feit geworden, dan moet ik je echter teleurstellen door te zeggen dat ik toch nooit meer met jou onder één dak had kunnen leven.”

 

 2245695-04365878706e297f0461dfecd0f2870b.jpg
Steven Membrecht (13 juni 1937 – 17 december 2016)
Cover achterkant

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2018 en ook mijn blog van 13 juni 2017 en mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:36 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten