Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 17 juni 2019 tot 18 juni 2019

Marije Langelaar, Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler, Ivan Gontsjarov

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Marije Langelaar werd geboren op 18 juni 1978 in Goes. Zie ook alle tags voor Marije Langelaar op dit blog.

 

Vrij

Hier is het donker, lawine, golf, grot.
Sinds een week of twee heb ik mij met de grootst mogelijke
concentratie naar de stad toe bewogen en nu lig ik hier voor een
uit steen gehouwen kade waarop illuminiserend licht valt.
Naast mij een dier,zo weinig opmerkzaam,zijn hartslag rilt
obsceen tegen mij aan.In die korte momenten waarin ik helder
ben vraag ik mij af: ben ik een wezenlijk deel van de rivier?
Wanneer ik ontsnap zal zij dan sterven? Is het de bedoeling dat ik
ontsnap? Zijn er daar soortgenoten? Kan ik daar leven en ben ik
daar eerder geweest?
Ik word korzelig van al die vragen –
terugzinken in de diepte tussen de makaziplanten of eruit kruipen?
Iets moet gebeuren,zodat ik mijn nek,wervels,tong
schrap zet alles doordrenk van mijn wilskracht uit het zwart te
geraken,ik zing wanneer ik door de buis door de adem door
de vlijmscherpe haken alles zo nauw en gevaarlijk maar ik zing
en gevaarlijk vrij op de grond stort

 

 

Stad

Op hoeven draaft de stad de nacht door
lange teugels om gebouwen zweepslagen op het plein
van opwinding luiden de klokken
bakstenen laten hun greep los
fietsen ratelen de straat op, fornuizen. Genoeg.
De stad strijkt neer bij een oever
door het rinkelen en gongen ontwaken de vissen
glad en radeloos

 

 2246782-c8c5f2d382919abe1ebe6aa35274542c.jpg

Marije Langelaar (Goes, 18 juni 1978)

 

 

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook alle tags voor Richard Powers op dit blog.

Uit: Tot in de hemel (Vertaald door Jelle Noorman)

“Het staatsburgerschap wekt honger naar de onontgonnen wereld. De twee pakken hun roerend goed bijeen en beginnen aan de landreis over de uitgestrekte, met weymouthdennen overdekte vlakten, via de donkere beukenwouden van Ohio, door de opener eikenbossen van het Middenwesten, helemaal naar de nederzetting bij Fort Des Moines in de nieuwe staat Iowa, waar de overheid land dat nog maar gisteren werd verkaveld weggeeft aan eenieder die het bewerken wil. Hun naaste buren wonen twee mijl verderop.
Dat eerste jaar beploegen en beplanten ze zo’n vijftig acres. Mais, aardappelen en bonen. Ze werken bikkelhard, maar voor zichzelf. Beter dan marineschepen bouwen voor welk natie dan ook.
Dan volgt de prairiewinter. De kou knaagt aan hun levenswil. In de blokhut vol kieren daalt hun bloed “s nachts naar het nulpunt.
Elke morgen moeten ze een wak slaan in de waskom om ten minste hun gezicht af te spoelen. Maar ze zijn jong, vrij en gedreven – de enige stutten van hun eigen bestaan. De winter krijgt hen er niet
onder. Nog niet. De zwartste wanhoop in hun hart wordt samengeperst tot diamant.
Wanneer het opnieuw tijd is om te planten, is Vi in verwachting. Hoel drukt zijn oor tegen haar buik. Ze moet lachen om zijn van ontzag vertrokken gezicht.‘Wat zegt het?’
Hij antwoordt in zijn hoekige, bonkige Engels‘Voed me!’
In mei dat jaar ontdekt Hoel zes kastanjes in een zak van de kiel die hij droeg op de dag dat hij zijn vrouw ten huwelijk vroeg. Hij duwt ze in de aarde van West-Iowa, op de boomloze prairie rond
de blokhut. De boerderij is honderden mijlen verwijderd van de natuurlijke habitat van de kastanje en duizend mijl van de kastanjefestijnen van Prospect Hill. Met elke maand die verstrijkt, kost
het Hoel meer moeite ze zich voor de geest te halen, die groene wouden in het oosten.
Maar dit is Amerika, waar mens en boom de wonderbaarlijkste omzwervingen maken. Hoel plant, begiet en denkt: Op een dag zullen mijn kinderen aan de stammen schudden en gratis kunnen eten.
Hun eerstgeborene sterft als zuigeling, gedood door iets wat nog geen naam heeft. Microben bestaan nog niet. God is de enige die kinderen wegneemt en zelfs, met ondoorgrondelijke regelmaat,
tijdelijke zielen meegrist van de ene wereld naar de ander.”

 

 2246782-2fae18e5e92681fca7559fffeda10b0c.jpg
Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)
Cover

 

 

De Franse schrijver Raymond Radiguet werd geboren op 18 juni 1903 in Saint-Maur-des-Fossés. Zie ook alle tags voor Raymond Radiguet op dit blog.

Uit: Le diable au corps

« Tandis que ma tante parlait d'une amie enfuie dès les premiers jours, après avoir enterré dans son jardin des pendules, des boîtes de sardines, je demandai à mon père le moyen d'emporter nos vieux livres ; c'est ce qu'il me coûtait le plus de perdre. Enfin, au moment où nous nous apprêtions à la fuite, les journaux nous apprirent que c'était inutile. Mes soeurs, maintenant, allaient à j... porter des paniers de poires aux blessés. Elles avaient découvert un dédommagement, médiocre il est vrai, à tous leurs beaux projets écroulés. Quand elles arrivaient à J..., les paniers étaient presque vides ! Je devais entrer au lycée Henri IV ; mais mon père préféra me garder encore un an à la campagne. Ma seule distraction de ce morne hiver fut de courir chez notre marchande de journaux, pour être sûr d'avoir un exemplaire du Mot, journal qui me plaisait et paraissait le samedi. Ce jour-là je n'étais jamais levé tard. Mais le printemps arriva, qu'égayèrent mes premières incartades. Sous prétexte de quêtes, ce printemps, plusieurs fois, je me promenai, endimanché, une jeune personne à ma droite. Je tenais le tronc ; elle, la corbeille d'insignes. Dès la seconde quête, des confrères m'apprirent à profiter de ces journées libres où l'on me jetait dans les bras d'une petite fille. Dès lors, nous nous empressions de recueillir, le matin, le plus d'argent possible, remettions à midi notre récolte à la dame patron esse et allions toute la journée polissonner sur les coteaux de Chennevières. Pour la première fois, j'eus un ami. J'aimais à quêter avec sa soeur. Pour la première fois, je m'entendais avec un garçon aussi précoce que moi, admirant même sa beauté, son effronterie. Notre mépris commun pour ceux de notre âge nous rapprochait encore. Nous seuls, nous jugions capables de comprendre les choses ; et, enfin, nous seuls nous trouvions dignes des femmes. Nous nous croyions des hommes. Par chance nous n'allions pas être séparés. René allait déjà au lycée Henri IV, et je serais dans sa classe, en troisième. Il ne devait pas apprendre le grec ; il me fit cet extrême sacrifice de convaincre ses parents de le lui laisser apprendre. Ainsi nous serions toujours ensemble. Comme il n'avait pas fait sa première année, c'était s'obliger à des répétitions particulières. Les parents de René n'y comprirent rien, qui, l'année précédente, devant ses supplications, avaient consenti à ce qu'il n'étudiât pas le grec. Ils y virent l'effet de ma bonne influence, et, s'ils supportaient ses autres camarades, j'étais, du moins, le seul ami qu'ils approuvassent. Pour la première fois, nul jour des vacances de cette année ne me fut pesant. »

 

 2246782-728a94a1b57e4158d5ab901a22448895.jpg
Raymond Radiguet (18 juni 1903 – 12 december 1923)
Cover Duitse uitgave

 

 

De Engelse dichter Geoffrey Hill werd geboren op 18 juni 1932 in Bromsgrove, Worcestershire. Zie ook alle tags voor Geoffrey Hill op dit blog.

 

Funeral Music

5

As with torches we go, at wild Christmas,
When we revel in our atonement
Through thirty feasts of unction and slaughter,
What is that but the soul’s winter sleep?
So many things rest under consummate
Justice as though trumpets purified law,
Spikenard were the real essence of remorse.
The sky gathers up darkness. When we chant
‘Ora, ora pro nobis’ it is not
Seraphs who descend to pity but ourselves.
Those righteously-accused those vengeful
Racked on articulate looms indulge us
With lingering shows of pain, a flagrant
Tenderness of the damned for their own flesh:

 

6

My little son, when you could command marvels
Without mercy, outstare the wearisome
Dragon of sleep, I rejoiced above all—
A stranger well-received in your kingdom.
On those pristine fields I saw humankind
As it was named by the Father; fabulous
Beasts rearing in stillness to be blessed.
The world’s real cries reached there, turbulence
From remote storms, rumour of solitudes,
A composed mystery. And so it ends.
Some parch for what they were; others are made
Blind to all but one vision, their necessity
To be reconciled. I believe in my
Abandonment, since it is what I have.

 

 2246782-30ae92093484c86c8b42757f23a66d97.jpg
Geoffrey Hill (18 juni 1932 – 30 juni 2016)

 

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bert Schierbeek werd geboren op 18 juni 1918 in Glanerbrug in Twente. Zie ook alle tags voor Bert Schierbeek op dit blog.

Uit: Weerwerk (Fragment)

denk je: dit is de aanloop
een eerste ademtocht
geen woord te vinden
om het uit te drukken

de eerste abstraktie van
die grote gele groene en bruine
vlakken en de sloten en het kanaal
er doorheen
een vlek vol vlekken
roep ik: trekt de schara voorbij
beneden platgeslagen in
zijn eigen spiegel
geel gezicht en doorrimpeld
vroeger rivieren en wouden
vol olifanten en reden de
jagers in tweewielige wagens
en schoten maar raak
kijk ik uit de kap van de molen
van Schiphoes en zie het dak
van de zolder van Oma waar de
aanstaande man van Totje Nachenus
zich ophing twee uur voor de bruiloft
en Totje het lijk sloeg en riep
jij loeder
doe deugnait
waarom
en Oma dan zegt heel kalm
aan deze haak hing ie
Opa haalde hem los
maar was dood

 

 2246782-27fb94a913e7ae84a53f9fa19ee0cdc1.jpg
Bert Schierbeek (18 juni 1918- 9 juni 1996)
Op de cover van de Parelduiker

 

 

De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

 

das licht dimmt langsam weg

/ die mauern halten fest
hinter glas bleibt er fremd / bär mit zerzausten augen
verausgabt in einem kampf / der nicht zu gewinnen ist
abgehalftert vertanzt
mahlt er kinnbacken ihm

klebt die welt an den fersen / das beste er setzt sich drauf
wer hat das programm gemacht / wer hat es in szene gesetzt

müde hebt er nicht
tatzen mehr nur lider

 

 

Futter I

hüllen sie sich in stimmen / nieseln auf geköpfte
platanen über pfützen / geduckte passanten
sie sitzen

an der theke, pastis / mahlen maschinen francs
spannen gerüchte aus / steigen auf pyrenäen
schlürfen sie

kaffee, sind helden von
vagem mut, ziehen los.

 

 2246782-1d6abaca42533c60e0431ea19ba576fb.jpg
Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

 

De Vlaamse schrijver Aster Berkhof (eig. Louis van den Bergh werd geboren in Rijkevorsel op 18 juni 1920. Zie ook alle tags voor Aster Berkhof op dit blog.

Uit Toen wij allen samen waren

‘Moeder hield er niet van dat in ons huis over “het gemeen volk” gesproken werd. Met gemeen volk bedoelde ze de fabrieksarbeiders. Het “goed volk” bestond uit de adel, de burgerij en de boeren. Hoewel de boeren ook met de handen werkten, was er voor haar geen enkele overeenkomst tussen hen en de arbeiders. Een boer bezat een hoeve. Hij bezat dieren en werktuigen. Hij was katholiek. Hij bad 's avonds het rozenhoedje. Hij ging zondags naar de hoogmis. Hij vloekte niet. Hij kwam niet in de kroegen. Hij was degelijk, welgesteld, behoudsgezind en betrouwbaar.’
(...)

‘Arbeiders waren voor hem, en zijn het altijd gebleven, kinderen aan wie men daarom niet te veel geld moest geven - ze wisten immers niet wat ze ermee moesten doen - en die men bij de hand moest houden.’
(...)

‘Als je haar hoort spreken, lijkt het of ze persoonlijk omgang heeft met de Heilige Theresia, Catharina, Elisabeth, Appolonia... Allemaal vrouwen. Ze bidt niet tot mannen. Zelfs niet tot de Heilige Jozef zei ze glimlachend. (...) In de loop van het gesprek prevelt ze voortdurend schietgebedjes. (...) Bij het afscheid prevelt ze ook haastig wat, zonder twijfel een gebedje om je op de terugweg te behoeden. Ze zegt nooit God, maar Onze-Lieve-Heerke. Ze glimlacht, terwijl ze die naam noemt en ze grijpt even naar haar rozenkrans, die ook ergens in haar kleren zit. Ze ziet haar Onze-Lieve-Heerke duidelijk als een kameraad. Ze is op weg naar hem. Ze ziet de dood zonder de minste angst tegemoet."

 

 2246782-ef855d1e19b9f3a44ff25ba60eb33edf.jpg
Aster Berkhof (Rijkevorsel, 18 juni 1920)
Cover

 

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Mirjam Pressler werd geboren op 18 juni 1940 in Darmstadt. Zie ook alle tags voor Mirjam Pressler op dit blog. Mirjam Pressler is op 16 januari jongstleden op 78-jarige leeftijd gestorven.

Uit: Dunkles Gold

„Ich war so naiv gewesen. Obwohl mir »naiv« damals als letztes Adjektiv eingefallen wäre, um mich zu beschreiben, ich hielt mich eher für misstrauisch und skeptisch, auf jeden Fall für klug genug, Zusammenhänge zu verstehen und einzuordnen. Trotzdem war etwas geschehen, was ich nicht verstand. Wenn man von früheren Ereignissen erzählt, erkennt man plötzlich Dinge, die man vorher nicht gesehen hat, findet manches wichtig, was man nur nebenbei wahrgenommen hat, oder man stellt fest, dass man sich grundlos aufgeregt oder geärgert hat, Überflüssiges gedacht und getan hat, und dass manches, was einem schrecklich vorkam, im Grunde nur banal war. Oder umgekehrt. Denn in dem Moment, in dem man eine Situation erlebt, ist es unmöglich zu wissen, ob sie später irgendeine besondere Bedeutung haben wird oder nicht. So geht es mir heute, wenn ich an die vielen Streitereien mit meiner Mutter denke, übers Aufräumen, nicht erledigte Aufträge, nicht eingehaltene Versprechungen. Es ist nicht so, dass ich mich jetzt nicht mehr über sie ärgere, aber manchmal denke ich, was soll’s, in einem Jahr sieht alles anders aus. Und ich glaube, meine Mutter empfindet es mir gegenüber ganz ähnlich. Wenn wir uns heute streiten, habe ich oft das Gefühl, als würden wir aus lauter Gewohnheit ein altes Spiel weiterführen, ein Spiel, über das wir manchmal sogar lachen können. Und wir können miteinander sprechen. Das ist erstaunlich, denn ich habe früher sehr wenig gesprochen. »Verschlossen wie eine Auster«, hat meine Mutter oft geklagt, »die Schalen schön fest geschlossen halten. Es könnte ja jemand auf die Idee kommen, sie aufzubrechen, um nach einer Perle zu suchen.« Man weiß auch nicht wirklich, an welcher Stelle der Geschichte man mit dem Erzählen anfangen soll, was nichts mehr mit ihr zu tun hat oder bereits dazugehört. Ich habe beschlossen, mit meiner fixen Idee anzufangen, auch wenn ich nicht sagen kann, wann genau sie entstanden ist. »Wie bist du eigentlich auf diese Idee gekommen?«, hat Alexej mich gefragt, als ich ihm zum ersten Mal einige zusammengeheftete Blätter überreicht habe. Ich habe nur mit den Schultern gezuckt. »Keine Ahnung. Manche Ideen sind plötzlich da, ohne dass man vorher darüber nachgedacht hat, es ist, als wären sie vom Himmel gefallen.« Doch eigentlich glaube ich das nicht. Vermutlich schleichen sich Ideen heimlich ein, sind anfangs nur flüchtige Gedankenfetzen, die aufblitzen und sofort wieder verschwinden, weil sie von anderen Überlegungen verdrängt werden oder sich in ihnen auflösen. Trotzdem bleiben sie in irgendwelchen Winkeln des Gehirns hängen und warten auf eine günstige Gelegenheit, um wieder aufzutauchen.“

 

 2246782-0f037f353c8e9b9c2923f3025b784fce.jpg
Mirjam Pressler (18 juni 1940 – 16 januari 2019)

 

 

De Russische schrijver Ivan Aleksandrovitsj Gontsjarov werd geboren op 18 juni 1812 in Simbirsk als zoon van een graanhandelaar. Zie alle tags voor Ivan Gontsjarov op dit blog.

Uit: Oblomov (Vertaald door David Magarshack)

“Though the bailiff had written identical letters to his master the year before and the year before that, this last letter had the same strong effect as any other unpleasant and unexpected piece of news. The whole thing was a great nuisance: he had to think of raising some money and of taking certain steps. Still, it is only fair to do justice to the care Oblomov bestowed on his affairs. Already, after receiving his bailiffs first unpleasant letter several years before, he had begun devising a plan for all sorts of changes and improvements in the management of his estate. According to his plan, various economic, administrative, and other measures would have to be introduced. But it was far from being thoroughly thought out, and the bailiffs disagreeable letters went on arriving every year, arousing in him the desire to do something and, consequently, disturbing his peace of mind. Oblomov, indeed, realized very well that he would have to do something decisive before his plan was worked out. As soon as he woke he made up his mind to get up, wash, and, after he had had breakfast, think things over thoroughly, come to some sort of decision, put it down on paper and, generally, make a good job of it. He lay for half an hour, tormented by this decision; but afterwards it occurred to him that he would have plenty of time to do it after breakfast, which he could have in bed as usual, particularly as there was nothing to prevent him from thinking while lying down. That was what he did. After breakfast he sat up and nearly got out of bed; glancing at his slippers, he even lowered one foot from the bed, but immediately put it back again. It struck half-past nine. Oblomov gave a start. `What am I doing?' he said aloud in a vexed voice. 'This is awful! I must set to work! If I go on like this — —`Zakhar!' he shouted. From the room separated from Oblomov's study only by a narrow passage came what sounded like the growl of a watch-dog on a chain, followed by the noise of a pair of legs which had jumped off from somewhere. That was Zakhar, who had jumped off the stove where he usually sat dozing.”       

 

 2246782-b501c65e97bf19301dd94b2c93808670.jpg
Ivan Gontsjarov (18 juni 1812 – 27 september 1891)
Scene uit een theaterbewerking van “Oblomov”, Mechelen, 2017

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn blog van 18 juni 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:28 Reageer op dit bericht

F. van Dixhoorn

De Nederlands dichter François Henricus Anthonie van Dixhoorn werd geboren in Hansweert op 17 juni 1948. Van Dixhoorn woonde tussen 1953 en 1972 in Vlissingen, daarna in Middelburg en Amsterdam en sinds 1996 weer in Middelburg. Van Dixhoorn publiceerde gedichten in Raster en De Revisor voordat hij in 1994 debuteerde met de dichtbundel “Jaagpad / Rust in de tent / Zwaluwen vooruit” (1994), die datzelfde jaar werd bekroond met de C. Buddingh'-prijs. Deze werd bekroond met de C. Buddingh'-prijs voor nieuwe poëzie. In 1997 verscheen Dixhoorns tweede bundel, “Armzwaai/ Grote keg/ Loodswezen I”, gevolgd door “Takken molenwater/ Kastanje jo/ Hakke tonen/ Uiterton/ Molen in de zon” (2000) en Dan op de zeevaartschool (2003). In 2007 verscheen “Twee piepjes”, dat werd genomineerd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2008. In 2012 verscheen “Zon in de pan & 4. De zon in de pan”. De bundel werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Eind september 2017 verscheen zijn zevende dichtbundel “Verre uittrap”. Gedichten van F. van Dixhoorn zijn verder verschenen in zelfstandige bundels en poëzietijdschriften en zijn vertaald in het Frans, Duits en Engels.

 

Grote keg

1. handen omhoog
2. jonge twijgen
buigen licht
achteraf roerloos
met uitgestrekte hals
3. in z'n geheel
omringd door water
alsof iemand een misdaad
heeft begaan
4. deels doe ik het
maak het af
het is gedaan
en vergeet het
1. een

 

 

Kastanje jo

1. deinende
grauwe ruggen
van olifanten
als gras in het voorbijgaan
schudden de struiken
sleuren een paar takken af
om bedachtzaam te vermalen
2. de kok
voor het eten
3. voor een westerling
welke westerling
heeft niet

 

 2246768-f647e63cebf9fa06d531c68f58bac98d.jpg
F. van Dixhoorn (Hansweert, 17 juni 1948)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Peter Rosei, Kamel Daoud, Gail Jones, Ron Padgett, Ward Ruyslinck, Max Dendermonde, Hanna Johansen, James Weldon Johnson, Tom Hofland

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Karst

„Wer kennt die Hohe Tatra nicht? Im Osten, an der Grenze zwischen Polen und der Slowakei gelegen, wird sie gern als kleinstes Hochgebirge der Welt bezeichnet. Niedrig ist sie dabei keineswegs. Das ganze Massiv ist allerdings bloß an die fünfzig Kilometer lang, also bald mit einem Blick zu über-schauen. Anders als etwa bei den Alpen gibt es keinerlei Vorberge, unvermittelt erheben sich die Gipfel aus der Ebene. Kahle Felspyramiden, bloß am Fuß von Wäldern und Wiesen eingefasst, erin-nern sie an Zeichnungen von Kinderhand: Gerade so, Zack neben Zack, stellen Kinder sich Rir ge-wöhnlich ein Gebirge vor. Unwahrscheinlicher Anblick der blauen und grünen Waldungen, die vor Ruhe und Frieden rauchen, der kahlen, zerrissenen Almgründe, der blanken, von der Sonne überstrahlten Felsen. Die Kleinstadt Poprad, in der Ebene draußen gelegen, ist Verwaltungsmittelpunkt hier, Sitz der Schulen und Behörden. Am Rand der Berge zieht sich lose eine Kette von Dörfern hin, von Kur-orten, früher der Sommerfrische, heute auch und vor allem dem Wintersport gewidmet: Sie sind durch eine Art von Lokalbahn miteinander verbunden.
Nicht nur die Existenz dieser seltsam unzeitge-mäß wirkenden Bahn, auch viele andere Kleinig-keiten deuten auf den Ursprung all dieser Einrich-tungen in einer längst verflossenen Ära hin, der Zeit der Monarchie, des ehemaligen Kaiserreichs. Freilich hat die mittlerweile vergangene Zeit mit ihren Kriegen, Revolutionen und Umbrüchen die alten Zusammenhänge vielfach zerstört, manches wurde ganz abgeschafft, vieles aber auch bloß um- und wieder aufs Neue umgewidmet und um-benannt. Ein trüber Glanz liegt über dem Ganzen wie der Schleier in einem alten Spiegel. Die spätere Jana Kelemen wurde als Jana Sou-kup in die damals noch kommunistische Volks-republik Tschechoslowakei hineingeboren. Ihr Vater, Jaroslav Soukup, war zuerst Verwalter im Hotel Elisabeth in Star, Smokovec gewesen, eine Art von besserem Hausmeister. Jetzt wirkte er dort als Direktor: Er war eben immer schon Kommu-nist und Parteimitglied gewesen. Das Hotel, ursprünglich nach Sisi, der Gemah-lin des Kaisers, benannt, war nun zum Gewerk-schaftsheim umfunktioniert und hieß Prdca, was auf Slowakisch so viel wie Arbeit heißt. Das Prdca, ein noch immer stattlicher, wenn auch etwas heruntergekommener Kasten, war in einer Art von Schönbrunnergelb gestrichen: Jedes Zimmer verfügte über einen eigenen Balkon. Im
Inneren verbinden mit roten Läufern ausgelegte Gänge die in feierlichem Weiß gehaltenen Räum-lichkeiten. Kein kleines Haus, das Prdca, o nein! Oben drüber, über dem von Rost gefleckten Blech-dach, prangte der fünfzackige, rote Stern. Es war allerdings die Gewohnheit des Herrn Direktor Soukup, viel und ausführlich im gleich gegenüber dem Prdca großartig auf einer kleinen Anhöhe platzierten Grandhotel sich aufzuhalten, ein freilich noch respektableres Haus.“

 

 2246572-426b1dc26becd54b8a37754b6f6b8e07.jpg
Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

 

 

De Algerijnse schrijver en journalist Kamel Daoud werd geboren op 17 juni 1970 in Mostaganem, Algerije. Zie ook alle tags voor Kamel Daoud op dit blog.

Uit: Zabor (Vertaald door Manik Sarkar)

“(Buiten is de maan een huilende hond die kronkelt van de pijn. De nacht is op het hoogtepunt van zijn duisternis en verzwaart het dorp met enorme, onbekende ruimtes. Iemand rammelt krachtig aan de klink van de oude deur; andere honden antwoorden. Ik weet niet wat ik moet doen, of ik moet ophouden of niet. De benarde ademhaling van de oude man dringt door in alle hoeken en maakt alles
beklemmend. Ik probeer een mentale afleidingsmanoeuvre, kijk naar iets anders.
Op de wanden van de kamer, tussen de kast en de foto van Mekka, hangt het oude, afgebladderde schilderij van de continenten. Droge zeeën met gaten. Droge wadi’s gezien vanuit de hemel. ‘Noen! Bij de pen en wat zij schrijven,’ zegt het Heilige Boek in mijn hoofd. Maar het heeft geen zin. De oude man heeft geen lichaam meer, alleen nog kleding. Hij zal sterven omdat het schrift van zijn leven
geen nieuwe bladzijden meer heeft.)
Schrijven is de enige list die werkt tegen de dood. Men heeft het geprobeerd met bidden, medicijnen, magie, onafgebroken recitaties en inertie, maar ik denk dat ik de enige ben die de oplossing
gevonden heeft. Ik zou continu moeten schrijven, onophoudelijk, nauwelijks pauzerend om te eten, mijn behoefte te doen, goed te kauwen of de rug van mijn tante te krabben terwijl ik uit de
losse pols de dialogen van de buitenlandse films voor haar vertaal omdat ze herinneringen bij haar losmaken aan de levens die ze nooit heeft geleid. Arme vrouw, die een boek verdient waarvan ze
honderd jaar oud zou worden.
Strikt gesproken zou ik nooit meer op moeten kijken en hier altijd blijven zitten, toegewijd en opgesloten, als een martelaar gebogen over diepzinnige redeneringen, krabbelend als een epilepticus en mopperend over de ongedisciplineerde woorden die zich steeds maar willen vermenigvuldigen.”

 

 2246572-9528e679b8f98d48894fb212acd32ffe.jpg
Kamel Daoud (Mostaganem, 17 juni 1970)

 

 

De Australische schrijfster Gail Jones werd geboren op 17 juni 1950 in Harvey. Zie ook alle tags voor Gail Jones op dit blog.

Uit: The Death of Noah Glass

“Wednesday. This was the day of the funeral. Today he must retrieve the suit he was married in and prepare himself. He must be cautious of his own precarious feelings, he must be manly, and upright, and not lose control, or weep. Martin kicked his legs free of the sheets. He turned from the window and struggled hungover from his bed. His body, always slim, felt abnormally heavy. He rubbed his face with both hands, then his stiff neck, then ruffled his receding and thin grey hair. He felt his skull and wondered with idle alarm about diminishment of memory. Only forty-three, he suspected that his brain was already fretted with holes. Almost every day he found evidence of incipient dementia or a biochemical dysfunction that had no name. Objects receded from definition. People became generalised. Book titles were often difficult to recall. It seemed a dopey belittlement. He was growing smaller in the world, and now, with his father gone, there was a dread, or humiliation, entering the texture of things, like the feeling of walking into a dark room, fumbling for a switch and finding the electricity gone.
In the bathroom, shaving, he barely recognised himself. He was tempted to say his own name aloud. Outside, in the world, he was oddly more credible, an artist who appeared in the newspapers, feted by collectors with a shrewd eye on the markets, linked to the burnished figures of the mysteriously rich. He tilted the mask of his face towards the mirror at a cubist angle. This, apparently, was what it meant to be parentless. One changed appearance, something was peeled away. Shaving cream spattered as he flicked his razor. Martin wiped it to a bleary swirl with the back of his forearm, turned on the tap, and watched the foam of his shaving mess circle and disappear. It would be a day sullied, he knew it, a day full of objects and substances turning into emotions and symbols.
When he heard the phone he started, as if it sounded his nervousness. He considered refusing the command, but realisedit was Evie, checking up onhim.
‘So how’s it going?’ he asked.
‘Did I wake you? Have you remembered?’ ‘No. Yes. Of course I remembered.’
‘You found the suit?’
‘Not yet, but I know it’s here somewhere. Fuck, Evie…’
Martin paused. He must not swear at his sister or sound exasperated. She’d seen him drunk the night before, wallowing in self-pity. She’d seen him stumble on the pavement and whine like a bullied boy, as though the death of their father, Noah, was a personal affront. He felt the grip of a juvenile shame.”

 

 2246572-fdd21cfd5436a77a05ebe6fb70fc2d9c.jpg
Gail Jones (Harvey, 17 juni 1950)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.

 

Poet as Immortal Bird

A second ago my heart thump went
and I thought, “This would be a bad time
to have a heart attack and die, in the
middle of a poem,' then took comfort
in the idea that no one I have ever heard
of has ever died in the middle of writing
a poem, just as birds never die in mid-flight.
I think.

 

 

Survivor Guilt

It's very easy to get.
Just keep living and you'll find yourself
getting more and more of it.
You can keep it or pass it on,
but it's a good idea to keep a small portion
for those nights when you're feeling so good
you forget you're human. Then drudge it up
and float down from the ceiling
that is covered with stars that glow in the dark
for the sole purpose of being beautiful for you,
and as you sink their beauty dims and goes out—
I mean it flies out the nearest door or window,
its whoosh raising the hair on your forearms.
If only your arms were green, you could have two small lawns!
But your arms are just there and you are kaput.
It's all your fault, anyway, and it always has been—
the kind word you thought of saying but didn't,
the appalling decline of human decency, global warming,
thermonuclear nightmares, your own small cowardice,
your stupid idea that you would live forever—
all tua culpa. John Phillip Sousa
invented the sousaphone, which is also your fault.
Its notes resound like monstrous ricochets.

But when you wake up your body
seems to fit fairly well, like a tailored suit,
and you don't look too bad in the mirror.
Hi there, feller! Old feller, young feller, who cares?
Whoever it was who felt guilty last night,
to hell with him. That was then.

 

 2246572-656e511d51e4bc56fad8571dbb8b49dc.jpg
Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)

 

 

De Vlaamse schrijver Ward Ruyslinck (pseudoniem van Raymond Charles Marie De Belser) werd geboren in Berchem op 17 juni 1929. Zie ook alle tags voor Ward Ruyslinck op dit blog.

Uit: De petitie

“De vrouw en de twee kinderen waren op slag dood. Het moet vreselijk zijn geweest. Het stond in alle morgenbladen en sommige gaven de gruwelijkste bijzonderheden. Van het meisje werd slechts de scalp teruggevonden, een lap schedelhuid met enkele plukjes blond haar er aan. Alleen de kanarie werd levend van onder het puin gehaald, de tralies van zijn kooi waren niet eens verbogen en toen hij het daglicht weerzag begon hij dadelijk te kwinkeleren. Dat zijn wondere dingen, je begrijpt niet hoe zo iets mogelijk is.
Vandaag is de man bij me geweest, de man met zijn gescheurd gezicht, de man die nooit meer zou lachen. Hij zamelde handtekeningen in. Dat mag nooit meer gebeuren, zei hij, het was geen ongeluk, ik weet zeker dat het geen ongeluk was, het was een aanslag, een moorddadige aanslag, en het gerecht blijft in gebreke. Ik begon me te schamen, want ik had reeds van de petitie gehoord en had me voorgenomen ze niet te ondertekenen, niet uit steilorigheid, maar uit principe, al wist ik niet goed uit welk principe. Principes zijn evengoed een kwestie van hart en van aandrang als van overtuiging en geweten. Maar toen ik de man vòòr me zag, de man met zijn blauw gescheurd gezicht, de man die naar puinen rook en nooit meer zou lachen, en toen ik zijn stem hoorde, toen het tot me doordrong wat hij zei en ik langzamerhand begreep waar het om ging, toén begon ik me een weinig te schamen. Ik sloeg de ogen neer, mijn blik viel op zijn schoenen. Ze zaten nog dik onder het steenstof, ze waren grijs bestoven, maar het kon natuurlijk wel stof van de straat zijn, want wie weet hoe lang kloste hij al in de stad rond met zijn petitie. Opletten, zei ik, hebt u bewijzen? Ik wilde hem niet ontmoedigen, maar ik kon nu eenmaal nooit nalaten schijnmanoeuvres te maken om mijn werkelijke gevoelens te verbergen. Ik keek over mijn handen naar hem op. In zijn ogen bewoog zijn ziel, zeer vlug, er dreven allerhande vreemde grijze stipjes (stofjes?) in rond als in een onzuivere vloeistof waarin geroerd wordt. Ik weet het zeker, herhaalde hij, ik heb geen bewijzen, maar ik weet het zeker, als u een geweten hebt geeft u me dan uw handtekening. Ik hàd een geweten, maar kon het geweten van één enkele mens of van enkele honderden mensen verhinderen dat men zou voortgaan met het plegen van misdadige aanslagen op weerloze vrouwen en kinderen?”

 

 2246572-6f5a8f19d4d0b10121886cb5895028e4.jpg
Ward Ruyslinck (17 juni 1929 – 3 oktober 2014)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Max Dendermonde (pseudoniem van Hendrik Hazelhoff) werd geboren op 17 juni 1919 in Winschoten. Zie ook alle tags voor Max Dendermonde op dit blog.

 

Bekentenis

Ik had zo graag een grote dichter willen zijn,
die in zijn vers gezonken tot de wereld trad.
Nu bloei ik 's avonds eenzaam achter het gordijn,
terwijl ik heenvlied in de nachtstem van de stad

en kleine tranen trek als regels op 't papier
De dingen van het leven in een vers gevat
doen mij de stille rol aanvaarden, die mij hier
gewezen is. Dan ga ik moedig langs het pad,

waarover God de nachten breekt in een gedicht,
en dat omhoogvoert boven alle wensen.
Maar 's daags verschrompel ik in 't helle licht
en voel ik mij in 't wreed gebaar der mensen
weer nietig en alleen, en weerloos zucht ik klein:
Ik had zo graag een grote dichter willen zijn...

 

 

Een hint

Ik liep nog es met Richard Minne langs de Leie,
een kleine Vlaamse man met felle, droge praet,
een kerel als een klepel in de schrijverij en
– hoewel ik nog maar een klein boekje had gemaakt –

hij praatte met mij als tegen een ouwe maat.
Jongens als ik kwamen in die aardige tijden
graag over de vloer, in een soort apostolaat,
bij hun grote exempels. Losjes, ingewijden,

begonnen wij ons in het natte gras te vlijen,
en de ouwe Richard zei zacht: Het is een staat
van de geest alleen, mijn jongen. Al dicht ik zelden,

zelden iets goeds, er gaat geen minuut zonder schrijven.
Dat geeft kracht. Als door je knar het zeldzame gaat,
kan je mooi, hoe klein je bent, bestaan zonder helden.

 

 

De schurk

Weer is het vrede, roept men wild om wijn,
heet, opgelucht na al het leed en bloeden.
Zij zegt: er zal nu nooit meer oorlog zijn…
en ik, afzijds van het rumoer en moede:

oorlogen, liefste, zullen blijven woeden
eeuwen nadat van Boston of Berlijn,
van stalen helmen en van hoge hoeden
de laatste resten niet meer vindbaar zijn.

What’s in a name? Onder de lichtste lucht
zullen wij, bloedig of onbloedig, vechten
om brood, om liefde, om vermeende rechten.

De oorlog, klein of groot, laat ons geen vlucht,
want zelfs tot in het lieflijkste gehucht
volgt in de spiegel ons de schurk, de echte.

 

 2246572-8b224f09e082b9d8ea1935ba3b833322.jpg
Max Dendermonde (17 juni 1919 – 24 maart 2004)
In 1985

 

 

De Zwitserse schrijfster Hanna Johansen (eig. Hanna Margarete Meyer) werd geboren op 17 juni 1939 in Bremen. Zie ook alle tags voor Hanna Johansen op dit blog.

 

Mein Rabe

Nachts kommen böse Räuber in mein Zimmer,
seit letzter Woche wird es immer schlimmer.
Sie haben lange Messer und Pistolen
und wollen mich in ihre Höhle holen.

»Du hast doch Pfeil und Bogen!« Kann das nützen,
wenn ihre Augen auf der Treppe blitzen?

»Die Tür abschließen!« Nein. Ich hab entdeckt,
wie einer sich schon unterm Bett versteckt.

»Ich seh nichts unter deinem Bett, mein Bester.«
Das ist mal wieder typisch große Schwester.
Sie hat noch gar nicht richtig nachgesehen,
sonst würde ihr das Lachen schon vergehen.

Wer kann mir helfen? Tiger schläft schon lange.
Und diese Räuber sind vor gar nichts bange.

»Stimmt nicht!« Krächzt jetzt mein Rabe auf dem Schrank.
»Hab keine Angst! Ich helf dir.« Gottseidank.

»Ich bin zwar klein und sage dir ganz ehrlich,
die Räuber hier sind groß und sehr gefährlich.
Doch du bist sicher, glaub nur deinem Raben,
weil Räuber nämlich Angst vor Raben haben.«

 

 2246572-3efeb2d70cebb80f2456f9a6753b43fc.jpg
Hanna Johansen (Bremen, 17 juni 1939)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en diplomaat James Weldon Johnson werd geboren op 17 juni 1871 in Jacksonville, Florida. Zie ook alle tags voor James Weldon Johnson op dit blog.

 

Morning, Noon And Night

When morning shows her first faint flush,
I think of the tender blush
That crept so gently to your cheek
When first my love I dared to speak;
How, in your glance, a dawning ray
Gave promise of love's perfect day.

When, in the ardent breath of noon,
The roses with passion swoon;
There steals upon me from the air
The scent that lurked within your hair;
I touch your hand, I clasp your form —
Again your lips are close and warm.

When comes the night with beauteous skies,
I think of your tear-dimmed eyes,
Their mute entreaty that I stay,
Although your lips sent me away;
And then falls memory's bitter blight,
And dark — so dark becomes the night.

 

 

To America

How would you have us, as we are?
Or sinking 'neath the load we bear?
Our eyes fixed forward on a star?
Or gazing empty at despair?

Rising or falling? Men or things?
With dragging pace or footsteps fleet?
Strong, willing sinews in your wings?
Or tightening chains about your feet?

 

 2246572-ac27531967edbed8819c8fc77416c06b.jpg
James Weldon Johnson (17 juni 1871 – 26 juni 1938)
Cover autobiografie

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter, schrijver en programmamaker Tom Hofland werd geboren in Apeldoorn in 1990. Zie ook alle tags voor Tom Hofland op dit blog.

Uit: Lyssa

“Ik strijk mijn uniform glad en gesp mijn sabel aan mijn riem. Terwijl ik mij, stommelend mijn evenwicht bewarend, richting de deuren van de trein begeef merk ik dat ik toch niet die eenzame reiziger ben die ik dacht te zijn: in een van de cabines, voor in de trein, zit een jonge vrouw. Ik wil geen vooroordelen over het militaire leven bevestigen, maar het is waar dat wij weinig vrouwelijk schoon zien in ons gehucht. Misschien is dit de reden dat ik het fatsoen niet kan opbrengen mijn blik meteen af te wenden. Ze zit aan het kleine tafeltje van haar coupé, keurig gekleed in een heel lichtroze zomerse jurk, bezet met kleine zwarte gestikte bloemen. Haar zwarte haren zijn opgestoken. Ze schrijft driftig. Een brief? Een reisverslag? Ik kan het niet zien, maar god! Wat ben ik benieuwd. Ze zit voorovergebogen waardoor ik haar gezicht slecht kan zien, maar ik zie haar voorhoofd: jeugdig glad. Ik zie haar neus: klein en verfijnd. Ze moet een jaar of negentien zijn, niet veel jonger dan ikzelf. Zij moet één station eerder zijn ingestapt, want ik heb haar niet eerder zien zitten. Ik besef dat ik nu al veel te lang schaamteloos sta te gluren; draai mij vlug om en loop wankelend verder richting de deuren. Ik moet zeggen dat ik, terwijl de trein tot een halt komt, mijzelf erop betrap nogal te treuzelen. Ik blijf een beetje hangen in het gangpad, strijk mijn uniform nog eens glad en speel met de gesp van mijn sabel. Dan valt me op dat de conducteur op het perron mij met opgetrokken wenkbrauwen gadeslaat. Hij komt naar mij toe en zegt nors: 'Het eindstation, mijnheer.' Ik lach een beetje idioot, alsof ik stond te dromen, en pak mijn koffer op om uit te stappen. Op dat moment schiet de deur van de cabine open en komt de vrouw haastig naar buiten, de papieren onder haar ene arm geklemd en een koffer in haar andere hand. In het voorbijgaan kijkt zij op naar mij, onze blikken kruisen elkaar, maar ze zegt niets en loopt langs mij heen. Ik mik haar parfum: een zoetige lucht die prikt in mijn neus en mij aan rijpe peren en kaneel doet denken. De conducteur neemt mij wantrouwend in zich op terwijl hij aan een pijp lurkt. Ik knik op mijn vriendelijkst naar hem en stap achter de onbekende vrouw aan de trein uit. Buiten is het nog aangenaam warm, de stenen van het perron gloeien nog na. Een nachtegaal zingt; de mysterieuze schone is al een eind van mij vandaan en ik moet aardig de pas erin houden om haar bij te houden. `Neemt u mij niet kwalijk, mevrouw,' zeg ik haastig. 'Maar kan ik die zware koffer voor u dragen?' Op dat moment blijkt het onmogelijke waar: ze kan nog sneller lopen, en ik heb dat talent zojuist in haar naar boven gehaald. Ze kijkt niet om terwijl ze antwoordt: 'Dat is zeer vriendelijk van u, maar niet nodig.' `Ik geloof dat u zich als reiziger wel raad weet,' zeg ik en moet een hupje maken om naast haar te kunnen blijven lopen.“

 

 2246572-552faa5d9fcdad4f1390e03e133a7c2e.jpg
Tom Hofland (Apeldoorn, 1990)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juni ook mijn blog van 17 juni 2018 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten