Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 6 juli 2019 tot 7 juli 2019

Ivo Victoria, Lion Feuchtwanger, Vladimir Majakovski, Clemens Haipl, Miroslav Krleza, János Székely

De Vlaamse schrijver Ivo Victoria (pseudoniem van Hans van Rompaey) werd op 7 juli 1971 geboren in Edegem (Antwerpen). Zie ook alle tags voor Ivo Victoria op dit blog.

Uit: Billie & Seb

“Het ziekenhuis lag een heel eind uit de kust, waar de landtong op zijn breedst was. De snelweg die vanuit het binnenland naar deze uithoek voerde hield precies ter hoogte van de vijf donkere torens waaruit het gebouw bestond op te bestaan en ging over in een magere asfaltbaan die zich verder door het ijzingwekkend vlakke landschap sleepte en uiteindelijk in Gaspel aankwam.
Vier van de vijf torens stonden twee bij twee, als de punten van een vierkant, en de vijfde stond daar pal voor, alsof hij de formatie aanvoerde. Billie, een veertienjarig meisje van Aziatische oorsprong, lag op de zevende verdieping van die vijfde toren, in een kamer aan de westkant. Het licht schemerde rustgevend. Regelmatige curves in groen, rood en blauw liepen over een monitor die naast haar bed op een roltafel stond, tevens de uitvalbasis van een wirwar aan plastic slangetjes die waren verbonden met een infuus of een zuurstofmasker, of zich anderszins vertakten en haar lichaam binnendrongen. Haar huid, die in betere tijden gloeiend bruin kon glanzen in de zon, leek van een vaalgele, gestolde olie te zijn gemaakt. Haar neusvleugels trilden onmerkbaar, haar oogleden waren roerloos.
‘Hoi, ik ben Billie, een geest.’ Dat waren de eerste woorden die ze tegen Seb had gezegd. Ze zag hem op een ochtend, op het schoolplein. Hij stond alleen, en zijn ogen volgden iets in de lucht wat voor andere leerlingen verborgen bleef. Een magere jongen die ziek oogde maar niet op een zielige manier. Een zieke uit overtuiging. Een dikke bos zwart haar lag wanordelijk over zijn hoofd gedrapeerd, alsof hij net uit bed kwam na een lange, droomloze slaap, en zijn huid was van een intense bleekheid die Billie deed vermoeden dat alle bloed en energie zich diep in hem hadden teruggetrokken en daar vol vuur om zijn hart heen dansten en klotsten omdat ze het nut er niet van inzagen zich op andere plekken in zijn lichaam op te houden, laat staan zijn vel te kleuren.
De wolken snelden voorbij, de zon ging uit en aan en deed zijn gezicht oplichten en uitdoven en Billie liep naar hem toe en zei: ‘Hoi, ik ben Billie, een geest. Wat ben jij?’
‘Ik ben Seb,’ zei Seb.
‘Maar wát ben je?’ vroeg ze.
‘Seb,’ had hij opnieuw gezegd. ‘Gewoon Seb.’
Daarna hadden ze samen een paar volstrekt vanzelfsprekende weken doorgebracht. Vaak trokken ze naar Billies huis, en spendeerden uren stuiterend op de trampoline in de tuin. Of ze sprongen op de fiets en zwierven door de wijde omgeving, zoals jongelingen in Gaspel van oudsher deden. Ze banjerden door de eindeloze weiden, hingen rond bij de leegstaande boerderij van Urbain of ze zwierven door de goud bloeiende gaspeldoornvelden, tot aan de rotsen en de zee. Billie meende iets in Seb te herkennen; als vierjarige was ze in Gaspel gearriveerd, geadopteerd door mensen die jarenlang vruchteloos hadden geprobeerd kinderen te krijgen.”

 

 2251110-0caf06fcb1b950a308e72b1f26bb1b1a.jpg
Ivo Victoria (Edegem, 7 juli 1971)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Lion Feuchtwanger werd geboren in München op 7 juli 1884. Zie ook alle tags voor Lion Feuchtwanger op dit blog.

Uit: Die Jüdin von Toledo

„Manche Juden aber blieben im moslemischen Spanien und bekannten sich zum Islam. Sie wollten auf diese Art ihr Vermögen retten und später, unter günstigeren Umständen, in die Fremde gehen und sich wieder zum alten Glauben bekennen. Allein die Heimat war süß, das Leben in dem holden Lande Andalüs war süß, sie zögerten die Ausreise hinaus. Und als nach dem Tode des Kalifen Jussuf ein weniger strenger Fürst zur Herrschaft kam, zögerten sie weiter. Und schließlich dachten sie nicht mehr an Auswanderung. Zwar blieb allen Ungläubigen der Aufenthalt im Andalüs verboten; aber es genügte als Glaubensbeweis, sich zuweilen in der Moschee zu zeigen und fünfmal täglich das Bekenntnis zu sprechen: Allah ist Gott und Mohammed sein Prophet. Heimlich konnten die früheren Juden ihre Bräuche weiter üben, und es gab in dem judenfreien Andalüs versteckte jüdische Bethäuser. Sie wußten indes, diese heimlichen Juden, daß ihre Heimlichkeit vielen bekannt war und daß ihre Ketzerei, brach ein neuer Krieg aus, ans Licht kommen mußte. Sie wußten, wenn ein neuer Heiliger Krieg ausbrach, waren sie verloren. Und wenn sie, wie ihr Gesetz es ihnen vorschrieb, alltäglich um die Erhaltung des Friedens beteten, taten sie es nicht nur mit den Lippen.
Als Ibrahim sich auf den Stufen der verfallenen Fontäne des innersten Hofes niederließ, spürte er seine Müdigkeit. Er war nun eine volle Stunde lang in diesem baufälligen Hause herumgegangen. Und er hatte doch wahrhaftig keine Zeit zu verlieren. Volle zehn Tage war er jetzt in Toledo, die Räte des Königs drängten mit Recht auf Bescheid, ob er nun die Generalpacht der Steuern übernahm oder nicht. Der Kaufmann Ibrahim aus dem moslemischen Königreich Sevilla hatte mehrmals mit christlichen Fürsten Spaniens Geschäfte getätigt, aber ein so ungeheures Unternehmen hatte er noch niemals angepackt. Es stand seit Jahren schlecht um die Finanzen des Königreichs Kastilien, und seitdem gar König Alfonso - das war nun fünfzehn Monate her - seinen leichtsinnigen Feldzug gegen Sevilla verloren hatte, war seine Wirtschaft vollends verfahren. Don Alfonso brauchte Geld, viel Geld, und sofort. Der Kaufmann Ibrahim von Sevilla war reich.“

 

 2251110-59cebf5f0d638e1302ae93261fb39d74.jpg
Lion Feuchtwanger (7 juli 1884 – 21 december 1958)
Cover

 

 

De Russische dichter Vladimir Majakovski werd op 7 juli 1893 in Baghdati, Imereti, Georgië, geboren. Zie ook alle tags voor alle tags voor Vladimir Majakovski op dit blog.

 

A Cloud In Trousers – Part I (Fragment)

I feel
my "I"
is much too small for me.
Stubbornly a body pushes out of me.

Hello!
Who's speaking?
Mamma?
Mamma!
Your son is gloriously ill!
Mamma!
His heart is on fire.
Tell his sisters, Lyuda and Olya,
he has no nook to hide in.

Each word,
each joke,
which his scorching mouth spews,
jumps like a naked prostitute
from a burning brothel.

People sniff
the smell of burnt flesh!
A brigade of men drive up.
A glittering brigade.
In bright helmets.
But no jackboots here!
Tell the firemen
to climb lovingly when a heart's on fire.
Leave it to me.
I'll pump barrels of tears from my eyes.
I'll brace myself against my ribs.
I'll leap out! Out! Out!
They've collapsed.
You can't leap out of a heart!

From the cracks of the lips
upon a smouldering face
a cinder of a kiss rises to leap.

Mamma!
I cannot sing.
In the heart's chapel the choir loft catches fire!

The scorched figurines of words and numbers
scurry from the skull
like children from a flaming building.
Thus fear,
in its effort to grasp at the sky,
lifted high
the flaming arms of the Lusitania.

Into the calm of the apartment
where people quake,
a hundred-eye blaze bursts from the docks.
Moan
into the centuries,
if you can, a last scream: I'm on fire!

 

 

Vertaald door Max Hayward en George Reavy

 

 2251110-3642ee9e2ae8b7dbc3a77523165f45ef.jpg
Vladimir Majakovski (7 juli 1893 – 14 april 1930)

 

 

De Oostenrijkse schrijver, cabaretier, tekenaar en muziekproducent Clemens Haipl werd geboren op 7 juli 1969 in Wenen. Zie ook alle tags voor Clemens Haipl op dit blog.

Uit: Ich scheiss mich an (Ganz Normal)

„Ich habe einmal in Amerika gelebt. Das tun an sich viele Menschen, die meisten davon sind aber Amerikaner und erwähnen das deswegen nicht extra. Ich nicht, darum erwähne ich es schon. Jedenfalls war eines der ersten Gastgeschenke, die ich nach meiner Ankunft im schönen Ohio erhalten habe, ein Ansteckbutton mit der Aufschrift „Why be normal?“ Die Menschen werden schon gewusst haben, warum sie den ausgerechnet mir geschenkt haben, und ich habe ihn ein Jahr lang mit Stolz getragen. Er war bei mir, als sich an der Kreuzung ein paar Rednecks einbremsten und in meine Richtung „What’s wrong with you, faggot?“ riefen (in etwa: „Was ist los mit dir, Homosexueller?“). Sie taten das, weil ich – für amerikanische Midwest-Verhältnisse eher unüblich – schwarz gefärbte, in den Mund hängende Haare und ca. sieben, acht silberne Ohrringe trug. Und der Button war auch bei mir, als mich die Highschoolblonde entgeistert ansah, „You’re so different!“ stammelte und mir hernach ihre Zunge in den Hals steckte.
Will sagen: Normal sein hat Vorteile, nicht normal sein aber auch. Es ist letztlich auch völlig irrelevant und ich habe überhaupt keine Lust auf Diskussionen mit oder über Menschen, die von sich selber behaupten, dass sie „total verrückt“ seien oder – noch schlimmer – dass „alle ihre Freunde finden, dass sie völlig crazy seien und irgendwas mit Kabarett machen sollten“. Wenn Sie solche oder ähnliche Ansammlungen von Vokalen und Konsonanten vernehmen, greifen Sie getrost zur Flasche. Sie können jeden erdenklichen Trost gebrauchen und haben mein vollstes Verständnis.
„Ich bin echt nicht normal“, „Ihr müsstet einmal bei uns in der Firma vorbeischaun, das ist Comedy pur“, „Was soll ich machen, ich bin halt eine Lachwurze“ und Ähnliches gelten übrigens auch. Was für ein Desaster …“

 

 2251110-a436e7c0c6f21d0583bed0bcfb420b43.jpg
Clemens Haipl (Wenen, 7 juli 1969)

 

 

De Kroatische schrijver Miroslav Krleza werd geboren op 7 juli 1893 in Zagreb. Zie ook alle tags voor Miroslav Krleza op dit blog.

Uit: On The Edge Of reason (Vertaald door Zora Depolo)

“Our domestic, autochthonous, so to speak national and racial top-hatted man, homo cylindriacus, who, as a rule, is at the head of some man-established institution, thinks of himself, in the glamour of his civic dignity, as follows: On behalf of the seven thousand doctors of all sorts, I stand at the head of my own branch of learning as its most outstanding representative, the most worthy of respect. Every word I have uttered up to this day has been right and proper in my highly learned dissertations, printed by our honorable academy. I am the chairman of twenty-three societies. In fact, the fairy guarding the cradle of every newborn infant predicted that I should be a patron and lawyer, honorary chairman and president, initiator, ideologist, funeral orator and speaker at unveiling ceremonies, and eventually have a bronze statue of myself erected in one of our parks. In the shadow of my top hat I have enjoyed the dignity of one whose name appears in our *Who’s Who *followed by four full lines of the titles and subtitles of my civil-service functions. I am a man who, on principle, has lived my orderly and honorable life within my income, without debts, without moral, civic, or other stain, without political suspicion, as an irreproachable patriot, as open as a tradesman’s books, accessible for inspection at any time, polite, composed, clear, helpful, a model both to myself and to my fellow citizens, a model citizen and toiler, a good husband who has never slept with anybody except his own wife, whom he promptly, during the first night of a happy marriage, made the mother of a future learned doctor and future chairman or future wearer of a top hat, for the Lord commanded: Be born, learned doctors, and beget future learned doctors, for that is why the universe was created, i.e., that we, wearers of top hats, might multiply.

Human intelligence today is but nervous restlessness, or rather neurasthenic fussing amid the postdiluvian conditions of reality. We neurotic individuals are surrounded by dullards, landlords, owners of soda-water factories, honorable citizens and petit-bourgeois folk wearing bowlers and felt hats as they attend one another’s funerals. Our top-hatted man is a model patriot, a member of the central committee of such and such a party, a city alderman, a town councilor, a factory owner, a benefactor and public worker who gives expression to his clever ideas in his party organ. His speech is allegorical. He protests publicly against motor transportation, yet lacks the true citizen’s courage to revolt against military parades. After the whole globe has been in flames, after who-knows-how-many-dozen European cities have been devastated in the thunderstorm that has shaken Europe like an old piece of torn newspaper, and after the whole of Asia has been plunged into bloodshed, plaque, fire, ruin, and catastrophe like a blasted stone-quarry, our *homo cylindriacus *protests against the use of ‘‘motor transport.’’

 

 2251110-19726f513f9d2e20e439a703d5c41ba7.jpg
Miroslav Krleza (7 juli 1893 – 29 december 1981)

 

 

De Hongaarse schrijver en draaiboekaureur János Székely werd geboren op 7 juli 1901 in Boedapest. Zie ook alle tags voor János Székely op dit blog.

Uit: Verlockung (Vertaald door Ita Szent-Iványi)

„Wir kommen auf das flache Land, ein kleines Dorf, wie klein, sollte die Hauptperson erst feststellen, als sie vierzehn Jahre später zum ersten Mal diese Ansammlung meist ärmlicher Hütten verläßt. Geboren wurde dieser Béla so um die 1912, man kann nicht gerade sagen, daß es ein Wunschkind war, Anna, die Mutter, damals selbst noch kaum erwachsen, sah den Vater des kommenden Knaben am Abend eines dieser schwülen Sommertage, an dem ein großes Sommerfest stattfand, zum ersten, am darauffolgenden, noch frühen Morgen zum letzten Mal… alle Versuche, sich des werdenden Lebens zu entledigen fruchteten nichts, und letztlich kam der Junge zur Welt und kurz darauf zu Tante Rozika, welche selbst ein bemerkenswertes Schicksal hatte…
Sie nämlich verkaufte früher Liebe gegen Geld und als sie merkte, daß sie in ein Alter kam, in dem sie für das gleiche Geld mehr an Liebe verkaufen musste, schulte sie um auf Hebamme, um mit diesem Wissen jedoch Engel zu machen. So waren die Zeiten. Später nahm sie dann die Bankerte auf, an denen es nicht mangelte, verköstigte sie nach der Höhe des Pflegegeldes, das ihr unglücklichen Mütter, die sich in Budapest oder sonstwo als Amme, als Dienstmädchen, als Magd verdingen mussten, schickten. Da Bélas Mutter stets im Rückstand war, litt der Knabe genauso stets an Hunger. Aber Hunger macht nicht nur erfinderisch, er macht auch Diebe: Béla blieb nichts anderes übrig, als stehlen zu lernen wie ein Rabe. Das Problem lag eher darin, daß es nicht viel zu stehlen gab. Als Sechsjähriger tat sich ihm eine andere Art des Geldverdienens auf: er machte eine Karriere als Miet-Schläger, soll heißen, er verprügelte im Auftrag Schwächerer deren Feinde….
Um die Schulpflicht kümmert sich Tante Rozika wenig, zumindest bei Béla . Nach einen sehr heftigen Streit mit dessen Mutter musste sich der Junge sein Essen durch Arbeit selbst verdienen, für solche Fisematenten wie Schule blieb keine Zeit – und überhaupt, wofür sollte sie bei so einem gut sein?
Doch Belá war äußerst neidisch auf die Kameraden, die von der Schule erzählten und als er lange Zeit später hörte, daß eigentlich Schulpflicht bestünde, ging er selbst zum Lehrer und bat untertänigst darum, in die Schule gehen zu dürfen, er würde das Schulgeld auch gerne abarbeiten….
Der Lehrer, sowohl Trunkenbold und Wüstling als auch ein genialer Pädagoge, redete ein ernstes Wort mit Tante Rozika, fortan durfte Béla in die Schule. Nach der Schule arbeitete er wie früher und nachts schlich er sich mit den Schulbüchern auf den Abtritt, um im Schutz von Dunkelheit und Gestank zu lernen. Ehrgeiz war ihm eigen und er wurde zum besten Schüler der kleinen Schule.“

 

 2251110-aab227a38d708d53f98229e9bfbcc0f1.jpg
János Székely (7 juli 1901 – 16 december 1958) 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e juli ook mijn vorige blog van vandaag.



Geschreven door Romenu om 13:23 Reageer op dit bericht

Reinhard Baumgart, Jeff VanderMeer, Kuno Bärenbold, Ludwig Ganghofer, Joseph Winckler

De Duitse schrijver, essayist en literatuurcriticus Reinhard Baumgart werd geboren op 7 juli 1929 in Breslau. Zie ook alle tags voor Reinhard Baumgart op dit blog.

Uit: Damals, ein Leben in Deutschland

„Das war im späten Frühjahr 1939, der Führer hatte schon sein und unser Österreich und auch das Sudetenland zurückgeholt ins Reich, und so stand ich neunjährig vor dieser Großvatergrube auf dem Friedhof von Fürstenau und trauerte weniger um ihn als für ihn: er tat mir leid, so leid, weil er unsere nun anbrechende große Zeit nicht mehr miterleben durfte, die mir als Heilmittel gegen seine Greisentrauer erschien. Nie sonst in meiner Kinderzeit bin ich von einem so theatralischen National- und Trauergefühl überwältigt worden. Wie gut, hörten wir später immer wieder, daß die feine, alte, aber eben schon etwas »seltsam« gewordene Familie der Mutter aufgefrischt worden war mit einer Zufuhr von gesundem Blut, so sagte man damals und meinte die Vitalität der sich im Dunkel der Unterschicht verlierenden Vaterfamilie. Aber wir Enkel pilgerten mit Andacht und Sehnsucht immer noch zum Gut Fürstenau, als dort schon der Nachfolger des Großvaters wirtschaftete, man führte uns in die dämmrigen Ställe, in den traurig geschrumpften Park, und dann saßen wir beklommen bei dünner Limonade im dunkel getäfelten Speisesaal, wo immer noch ein Diener servierte. Aber nicht mehr mit weißen Handschuhen, sagte meine Mutter auf dem Rückweg, und sie hätten damals an die tausend Schafe gehabt und nicht bloß dreioder vierhundert wie jetzt. Der alte Kutscher Mirke war immer noch im Dienst und durfte mich auf ein riesiges Reitpferd heben. Na ja, sie haben nur noch zwei, sagte meine Mutter, und Mirke setzte auch keinen Zylinder mehr auf, als er uns zurück zum Bahnhof kutschierte, und eine Gesellschafterin hatten sie auch nicht mehr, nur noch eine Kinderfrau, aber das war längst nicht mehr ihre Anna. Nur drüben auf Schloß Borganie, das wirklich »auf« einem Hügel mit seinen acht Renaissancegiebeln über der Landschaft thronte, schien alles noch beim alten, da empfing uns noch die Großmutter Scheller, meine Urgroßmutter, aufrecht, wie aufgebahrt im Lehnstuhl, als hätte der Tod sie dort vergessen, und ließ mir mit stummem Wink ein Riesenglas Buttermilch bringen, ganz frisch und schrecklich, aber aus Angst und Ehrfurcht vor der uralten Frau im Lehnstuhl begann ich es langsam, folgsam, würgend leer zu trinken.“

 

 2251107-40ddea94d2ab2fd62cb4e9cfe578da29.jpg
Reinhard Baumgart (7 juli 1929 – 2 juli 2003)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver Jeffrey Scott VanderMeer werd geboren op 7 juli 1968 in Belfont, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Jeff VanderMeer op dit blog.

Uit: Finch

“Just in time, sir?” Finch looked to the side, away from the liquid eyes with the green pupils and yellow where there should be white. “I came as soon as I got the message.”
“Where’s Gray?”
“Gray couldn’t come. He’s busy.”
Gray was sick, but didn’t seem to know from what. Finch knew from what, but didn’t want to.
“What’s the situation?”
Heretic smiled: rows and rows of needle lines set into a face a little like a squished-in shark’s snout. Finch couldn’t tell if the needle lines were gills or teeth, but they seemed to flutter and breathe a little. Gray said he’d seen tiny creatures in there, once.
Each time, a new nightmare. Another encounter to haunt his sleep. When he slept.
“Two dead bodies,” Heretic said.
“Two bodies?”
“One and a half, technically,” the Partial said, from behind Finch.
Heretic laughed. Finch ignored the comment.
“Do we know if the victims lived in the apartment?” Finch asked.
“No, they didn’t,” the Partial said.
Finch turned briefly to stare at the Partial, then back to Heretic.
Heretic stared at the Partial and he shut up, began to creep around the living room taking pictures with his eye.
“No one lived here,” Heretic said. “According to the photo records, no one has lived here for over a year.”
“Interesting,” Finch said. It didn’t interest him at all. All that interested him was that the Partial felt comfortable enough to answer a question meant for Heretic.
The curtains had faded from the sun. Tears in the sofa like knife wounds. The vase looked like someone had started a small fire inside it. Stage props for two deaths.
Was it significant that the window was open? For some reason he didn’t want to ask if one of them had opened it. Fresh air came in through the window. Just a hint of the marsh smell of the bay.”

 

 2251107-c3bfa88358f1f2b06bd489fe09a3e453.jpg
Jeff VanderMeer (Belfont, 7 juli 1968)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Kuno Bärenbold werd geboren op 7 juli 1946 in Pfullendorf. Zie ook alle tags voor Kuno Bärenbold op dit blog.

UIt: Endlich daheim

 „Johannes, Archivbote der Landesbildstelle, ein stiller und höf-licher Zeitgenosse, verwandelt sich seelenruhig in einen Taub-stummen, wenn die netten Kolleginnen wieder mal per Flur-funk über ihn tuscheln. Der überzeugte Veganer und Liebhaber klassischer Musik kümmert sich grundsätzlich nicht darum, was andere Menschen über seine äußere Erscheinung denken. Großen Kummer bereitet ihm nur die ausfransende Perücke, welche er versehentlich mit aggressivem Tönungsshampoo gewaschen hat. Ansonsten kleidet sich Johannes, wie es ihm gefällt; sei es im Dienst, beim Einkaufsbummel durch den Bio-laden oder zum Konzertbesuch wie an diesem Februarabend. Eigentlich ist's daheim gemütlicher, im Schaukelstuhl, mit einem Fläschchen 99er Chateau Latour neben sich und Mo-zarts Serenata notturna auf dem Plattenteller. Einige Augenbli-cke zaudert Johannes, was auf seine schon chronische Unent-schlossenheit zurückzuführen ist. Andererseits ist er neugierig auf das Benefiz-Konzert, zu dem die örtlichen Vertreter der Weltreligionen aus dem Islam, dem Juden- und Christentum eingeladen haben. Aufmerksam liest Johannes im Faltblatt das Vorwort des Kulturdezernenten: „Die täglichen Meldungen von gewaltsamen Übergriffen auf Menschen anderer Nationalität und Hautfarbe ermahnen uns, dass wir die Forderung der sozialen Kompetenz nicht aus den Augen verlieren dürfen. Fehlen Mitgefühl, Respekt und das Verstehen für unsere Mitmenschen, manifestiert sich Gewalt in jeglicher Form. Dies gilt es zu verhindern. Der Kultur kommt hierbei die Bedeutung zu, Wege aus der Gewalt zu einem fried-lichen Miteinander aufzuzeigen, einen Beitrag zu diesem bri-santen Thema zu leisten." Damit ist Johannes einverstanden, allerdings findet er, dass man es weniger geschwollen ausdrücken kann. Nach der ge-wohnten Katzenwäsche zieht er sich um. Seine Ausgehgarnitur bleibt stets dieselbe: bequeme Wanderschuhe, die bewährte wollene Jogginghose mit reißfesten Hosenträgern, darüber das blau-weiß gestreifte Flanellhemd mit aufgekrempelten Ärmeln. In der Armbeuge trägt er leger eine grüne Winterweste, die ihm Erika zum Abschied geschenkt hat. Von ihr trennte er sich friedlich nach unüberbrückbaren Differenzen in Mode-und Ernährungsfragen. Mächtig stolz ist Johannes auf seinen Wuschelbart, dessen buschige Kinnausläufer er je nach Lust und Laune zu einem kunstvollen Zopf zusammendreht, der dann locker verspielt vor ihm her baumelt. Nicht selten geschieht es, dass ihn die Kin-der vom nahen Spielplatz deswegen kichernd mit „Hallo Niko-laus!" begrüßen.“

 

 2251107-d2a9b5a11ec75d4d36a85b59bc47c0a4.jpg
Kuno Bärenbold (7 juli 1946 – 6 mei 2008)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Ludwig Albert Ganghofer werd op 7 juli 1855 geboren in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Ludwig Ganghofer op dit blog.

Uit: Der Dorfapostel

“Helle Mittagssonne überflimmerte die beschneiten Berge und das weiße Tal. Kaum ein Schatten in der Landschaft; alles in stille, leuchtende Sonne getaucht. Und alles weiß. Man sah von den Dächern keines; sie unterschieden sich im Schnee nicht mehr von den getünchten Mauern der Häuser und von der weißen Erde. Man sah den Kirchturm nicht; er war im Weiß verschwunden; nur die runden Luken seiner Glockenstube hingen wie große dunkle Augen in der Luft, und sein grünes, spitz aufgezogenes Dach, auf dessen steilen Kupferplatten der Schnee nicht haften konnte, schien unter dem Himmel zu schweben, als wär's die sichtbare Haube eines Riesen, der unsichtbar inmitten des weißen Tales stand.
Wie kalt die Nächte noch immer waren, das sah man an den großgeblätterten Kristallen, die überall im Nachtfrost aus der Schneedecke hervorgeblüht waren, als hätte auch der eisige Winter seine Blumen. Die glitzerten mit kaltem Schimmer über allem Grund; doch in den reinen, stillen Lüften, deren blaue Wunderglocke sich wolkenlos über die weißen Berge spannte, und in der linden Sonne der Mittagsstunden spürte man schon eine leise Ahnung des Frühlings, welcher kommen wollte.
Manchmal fielen kleine Schneeklumpen von den Bäumen nieder, immer wieder klang das den Bach bedeckende Eis, und an den verschneiten Hecken flogen die winzigen Schopfmeisen aus und ein.
»Die merken halt auch schon, daß die gute Zeit nimmer weit is!«
So schien der Waldhofer-Roman zu denken, als er auf der Straße stehenblieb, um lächelnd eine Weile das Spiel der kleinen Vögel zu betrachten, die sich der Sonne freuten und dabei im Schnee der Straße ihre Flügel badeten.
Ein junger Bursch, kräftig und schlank gewachsen. Und mit heißem Blut in den Adern. Trotz der Winterkälte trug er die Joppe an der Brust weit offen, als gäb es für ihn kein Frieren. Ein männlich hübsches Gesicht, noch gebräunt vom Sommer her, Kinn und Wangen mit Sorgfalt rasiert, ein braunes Bärtchen über den Lippen aufgezwirbelt, und ruhige, dunkelglänzende Augen. Ein wenig aus der Stirn geschoben saß ein leichtes Hütl mit weißen Adlerflaumen über dem kurz geschnittenen Braunhaar. An Romans ganzem Wesen war etwas von städtischem Schliff.“

 2251107-5af020ba9c8814d236f508de80064503.jpg
Ludwig Ganghofer (7 juli 1855 – 24 juli 1920)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Alfred Josef Werner Winckler werd op 7 juli 1881 in Bentlage bij Rheine geboren. Zie ook alle tags voor Josef Winckler op dit blog.

Uit: Der chiliastische Pilgerzug

„Ein Korps rodelnder Schnelläufer stob wie eine Koppel flinker Berberhunde, nur mit eisenbeschlagenen rasselnden Sandalen bekleidet, Schellen überm Haupte schwingend, in Wolken Stau-bes und brüllte durch Städte und Hütten: „Der reiche König kommt! Der reichste König kommt! Der allerreichste König kommt!" Und lagen an den Wassertrögen auf dem Bauch, soffen und stoben weiter in die Ferne. Da putzten die Leute zwar ungläubig und gar sehr noch zwei-felnd hinter den Türen ihre Nasen und traten hervor, neugierig sich zurufend: was geschehen sei? Und stedcten die Hälse bald wieder ein. Plötzlich schwoll bei offenem Himmel wie unsichtbares Ge-witter heranwandernder Donner. Trommelpauker auf Renntier-häuten mit Eschenschlägeln, die in rollenden Salven ein tiefes Getöse vollführten, und dazwischen Bläser mit langohrig ge-krümmten Instrumenten und dardistanischen Pfeifen, die sämt-lich auf den gleichen orgelnden Ton gestimmt waren. Und auch diese backenblähende Vorhut schwand in wirbelnder Wolke Staub vorbei. Es mochten siebenhundert Dromedarreiter sein. Dies beseitigte allerdings schon mehr der Zweifel, daß Außer-ordentliches bevorstehen müsse, und also hatten sich viele Be-wohner doch zusammengestellt und besprachen mit benomme-nen Stimmen das seltsame Ereignis. Die Stechpalmen an der Straße sirrten und fiederten in der sonnigen Stille. Der Mohn auf den Feldern duftete betäubend. Dic Hirse stand in Reife. Wanderer kamen und wußten von nichts. Sie ließen sich jedoch bewirten mit Dattelwein und Durrabrot und versprachen, Auffälliges sofort zu melden. Selbst die Kinder hatten ihre Spiele nun wieder aufgenommen, alle ärgerten sich, abermals verspottet zu sein von der Laune irgend-eines aberwitzigen Moguls, der im Lande tollen Mummenscherz treibe, seine grause Langeweile zu betäuben und die Ahnungs-losen naszuführen. Stunde auf Stunde verrann. Das Tagwerk neigte sich. Und wer nicht so arm war, daß er kein Warten scheute in seiner zweck-losen Einsamkeit, war auch längst wieder gegangen. Aber siehe, da humpelten in Lumpen scheußliche Weiber und schrillten: „Unser Wohltäter sei gepriesen! Harret seiner Gnade!" Und krochen vorüber.“

 

 2251107-266d8e6a8d308fe6d58401a6b78811f7.jpg
Josef Winckler (7 juli 1881 – 29 januari 1966)

Geschreven door Romenu om 13:23 Reageer op dit bericht

Nothing To Do (James Ephraim McGirt)

 

Bij de vierde zondag na Pinksteren

 

 

 2251106-80b12f48a17ce56cdb9b933f3ebb5a5c.jpg
Jezus zendt de tweeënzeventig uit door James Tissot, ca. 1896

 

 

Nothing To Do

The fields are white,
The laborers are few;
Yet say the idle,
There’s nothing to do.

Jails are crowded,
In Sunday Schools few;
We still complain
There’s nothing to do.

Drunkards are dying,
Your sons, it is true;
Mothers’ arms folded,
With nothing to do.

Heathens are dying,
Their blood falls on you;
How can you people
Find nothing to do?

 

 

 2251106-b68c1a01d4dae9c388ffb7068f9d62cb.jpg
James Ephraim McGirt (1874 – 3 juni 1930)
De Asbury Methodist Church in Robeson County, de geboorteplaats van James Ephraim McGirt

 

 

Zie voor de schrijvers van de 7e juli ook mijn twee volgende blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:22 Reageer op dit bericht

Naar de meet (Ingmar Heytze)

 

Dolce far niente – Bij de start van de Tour de France

 

 

 2250865-fbfc83ba3fcaaddbd3b9f1560019b665.jpg
Tour de France door Pierre Wuillaume, 2017

 

 

Naar de meet

Kom, ik stap maar weer eens op
Ik steek mijn hooivork in de grond,
neem een slok wijn uit eigen streek
en peddel rustig naar de meet.

Trainen vind ik net zo onsportief
als derailleurs, ik haal het zuiver uit
mijn eigen benen. Ik wil de krachten
meten die er zijn, niets minder,

niets meer. Een wedstrijd met
de elementen, straten vol scherven,
nachtelijk rijden en barricades,

niet dit doorgefokte rekenwerk
van wetenschap en ruimtevaart.
Ik start een volle eeuw te laat.

 

 2250865-8438cb1bb455493f2f698e86b459fe12.jpg
Ingmar Heytze (Utrecht, 16 februari 1970)
De Tour de France in Utrecht, 2015

 

 

Zie voor de schrijvers van de 6e juli ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:54 Reageer op dit bericht

Miquel Bulnes, Bodo Kirchhoff, Lucas Hirsch, William Wall, Hilary Mantel, Bernhard Schlink, Marius Hulpe, Peter Hedges

De Nederlandse schrijver Miquel Bart Ekkelenkamp Bulnes werd geboren op 6 juli 1976 in Bloomington, Indiana (Verenigde Staten van Amerika). Zie ook alle tags voor Miquel Bulnes op dit blog.

Uit: Openbaringen


“Langzaam drukt Xavi de zoutoplossing door het infuus. De laatste druppels witte vetemulsie verdwijnen in de aders van zijn linkeronderarm. Hij ademt uit.
Om een infuus bij jezelf te kunnen inbrengen moet je in de eerste plaats handig zijn. Zoals elke andere anesthesist ís Xavi dat. In de tweede plaats moet je je niet laten afleiden door een beetje pijn. Intraveneuze propofol – het medicijn bestaat niet als capsule of tablet – werkt ogenblikkelijk en binnen enkele seconden verkeert hij in een wereld die veel zachter, milder, vriendelijker, dromeriger is, een wereld waarin herinneringen geen onaangename gevoelens kunnen opwekken. De patiënten die er voor operaties mee in slaap worden gebracht hebben zonder uitzondering prettige dromen. In een lagere dosis brengt het blijdschap, verzacht het het bestaan. Een verslaving zou hij het niet willen noemen, dat heeft zo’n onaangename, pejoratieve bijklank. Je zegt van patiënten toch ook niet dat ze verslaafd zijn aan hun geneesmiddelen? Noem het liever afhankelijkheid. De propofol is een vereiste om te kunnen functioneren.Zie het als tegenwicht voor alle lelijkheid. Al die teleurstelling en al dat verval.
Xavi sluit het infuus af met een dopje. Hij zakt onderuit op de witleren bank die over twee jaar afbetaald zou moeten zijn en kijkt om zich heen. Zijn vloer van ebbenhout, zijn witte merinowollen
vloerkleed, zijn Italiaanse designtafel, de palmboom in de aluminium pot, de bronzen replica van een Miró: hij wordt er blij van. Wat mensen ook beweren, geluk schuilt vooral in dingen die je kunt tellen.”

 

 2250862-23d79a2cd3b91eedb65096aa0eaf2348.jpg
Miquel Bulnes (Bloomington, 6 juli 1976)

 

 

De Duitse schrijver Bodo Kirchhoff werd geboren op 6 juli 1948 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Bodo Kirchhoff op dit blog.

Uit: Widerfahrnis

„Diese Geschichte, die ihm noch immer das Herz zerreißt, wie man sagt, auch wenn er es nicht sagen würde, nur hier ausnahmsweise, womit hätte er sie begonnen? Vielleicht mit den Schritten vor seiner Tür und den Zweifeln, ob das überhaupt Schritte waren oder nur wieder etwas aus einer Unruhe in ihm, seit er nicht mehr das Chaos von anderen verbesserte, bis daraus ein Buch wurde. Also: Waren das Schritte, abends nach neun, wenn hier im Tal schon die Lichter ausgingen, oder war da etwas mit ihm? Und dann käme die Zigarette, die er sich angesteckt hatte; wenn nämlich sein ewiges Metallfeuerzeug aufschnappte, been-dete das Geräusch jeden Spuk, auch den von innen. Und mit der Zigarette im Mund holte Reither — genau an der Stelle hätte cr den Namen eingeführt — eine Flasche von dem apulischen Roten aus einem Karton im Flur, die vor-letzte. Der Wein um diese Stunde, das friedliche Laster, das einen entfernt von der Welt, all ihrem Elend, selbst was vor der eigenen Tür geschieht, muss man nicht wissen. Ja, das waren Schritte. Als würde dort wer, nachdenk-lich, auf und ab gehen. Reither holte noch seinen Korken-zieher und kniete sich damit im Wohnzimmer auf den Boden, weil dort erstens der Aschenbecher war und zwei-tens ein Buch lag, das er am frühen Abend entdeckt hatte. Aber eigentlich folgte er nur der Gewohnheit, Dinge, in die man sich hineinknien sollte, auch im Knien zu tun, wie noch im letzten Jahr in seinem Kleinstverlag, wenn er Entwürfe für neue Umschläge auf dem Parkett ausgebrei-tet hatte — auf einem Tisch bekam man keinen Blick für das Ganze, vom Bildschirm gar nicht zu reden. Und auch eins der wenigen Fotos von sich, die er gelten ließ, zeigt ihn kniend und mit Zigarette im Mund, beobachtet von einer Frau, wobei nur ihre Beine zu sehen sind. Alles an ihm ist zielgerichtet, der zu Boden gestreckte Arm, die im selben Winkel abwärtszeigende Zigarette, das von der Nase diktierte Profil unter noch dichtem Haar, der Blick auf das eigene Tun, mit dem Daumen etwas anzubringen an einem verrotteten Schild, das er als Umschlagmotiv gewählt hat und an das er noch letzte Hand anlegt, wie an jedes seiner Bücher in über dreißig Jahren, bis damit Schluss war. Vorigen Herbst hatte cr den Reither-Verlag samt angeschlossener Miniaturbuchhandlung liquidiert und die Parterreetage in einem Frankfurter Altbau ver-kauft; mit dem Erlös konnte er Schulden bei Druckereien bezahlen, der Großstadt den Rücken kehren und in die Wohnung mit Blick auf Wiesen und Berge ziehen, auch wenn auf den Wiesen Ende April noch Schnee lag. Dafür war man hier, im oberen Weissachtal, der Welt des müden Lächelns entkommen: für alles, was einer wie er zweimal im Jahr gedruckt und gebunden zu bieten hatte. Reither drehte den Dorn in den Korken der Flasche.“

 

 2250862-16e219fd75de3b8508c2984256c79628.jpg
Bodo Kirchhoff (Hamburg, 6 juli 1948)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter Lucas Hirsch werd geboren op 6 juli 1975 in Hilversum. Zie ook alle tags voor Lucas Hirsch op dit blog.

 

groei

er wordt huiswaarts gekeken, meer
taal gehaald nu er schapen op hun rug

nu er gekeild wordt, gevlijd
uit de stad geroepen is

zo pijnlijk elke dag is elke dag

wanneer de beesten in de regen, de kelen
droog van gras, gegooid het dorp aanspreken

is er niemand die het ziet, niemand die
de groei aangaat

 

 

De schrijver
Voor W.F. Hermans

Brievenschrijvende man
uit hardsteen opgetrokken
sigarettenroker

Willem Frederik Hermans
hield bijen onder zijn tong
was een hengelvis in het diepst
van mijn ziel

Hield met een hand slaap vast
met de ander paaide hij kirrend
zwarte kraaien kaaiend als
aan kattenkruit snuivende katten

Glansrijk geslaagde mensenhater
Driest bruiden roosterende man
die halleluja happy eenzaam de dag doorbracht
bij het avondmaal vis met bramen
op een bedje van aslaas serveerde
en at

Toen hij besloot te sterven
en ik achterbleef zonder slaap
met een fijngeknepen strot vol roet
naar lucht en tranen snakte

besloot ik in mijn diepste deel bijen te houden
naast de plek waar ooit mijn ziel zat
op mijn honingzoete tong een vis te leggen

Er huist een ronkende raaf in mijn hart
geboren uit wat Willem Frederik Hermans was

 

 2250862-a4e966aafe94c38e056c38c222607f14.jpg
Lucas Hirsch (Hilversum, 6 juli 1975)

 

 

De Ierse dichter en schrijver dichter William Wall werd geboren in Cork City in 1955. Zie ook alle tags voor William Wall op dit blog.

Uit: I Bought a Heart


“I bought a heart. It was a sheep’s heart. I intended to stuff it with bread, onion and thyme. It was raining outside but the market was covered. My jaw was killing me. It hurts more on wet days. The butcher was watching television. There was a small screen set on the wall to the left of the counter. Look at the fuckers, he said. Jimmy, I said, you shouldn’t say fuckers to customers. Sure you’re hardly a customer at all, he said, all you buy is fucking hearts, Jesus, if I was depending on you for a living. He pointed at the television. Look at the bastards, after screwing us for ten years and now we’re supposed to feel sorry for them. The sound was turned down. Do you know what I heard this morning? he said. Did you ever hear the expression stockbroker sentiment? Sentiment my arse. Put me down for two hearts next Thursday, I said, I’m expecting company. He wrote it in his book. Then I went away. I did not have an umbrella. I walked as near to the wall as I could because it’s drier there. There are awnings overhead from time to time. I thought about a quick pint but realised I didn’t have the money. The heart broke me. My mother is coming out for the day on Thursday and she still likes hearts. This is something I don’t understand. She doesn’t know my name. She doesn’t recognise me. She doesn’t remember that she has a child. But she still likes the taste of meat. She even remembers that she likes the taste. I sometimes think that the stomach has its own brain. When the rain got lighter I made a run for it. The pain in my jaw stopped when I ran. That’s a good one, I thought, if I could keep running I’d never get pain any more. But you can’t. Running would kill you quick enough.
Crossing the bridge the heavens opened. It was that straight down rain. It came down under my collar and through my clothes. I stood into the doorway of the funeral home. The rain made the river smooth. Then it stopped and in a minute the sun came out. That was when I noticed that she was behind me. She was crying. Are you all right, I said. Look, I said, I have a heart. She just looked at me. I’m going to stuff the fucker, I said. I don’t know why I said fucker. I suppose that was Jimmy coming out in me. Jimmy is a big influence. Even when we were kids my mother used to say you were out with that Jimmy Canty again, the tongue he has, I can hear him in you. The woman came forward. What kind of a heart, she said. Sheep, I said. I’m going to stuff it. Lovely, she said, do you cook yourself? I do. Good man, she said, I’m all for that. I said, Did someone die on you? My husband, she said. I’m sorry.”

 

 2250862-7c5604937bfd2ffc8e8c25d9d803ad20.jpg
William Wall (Cork City, 6 juli 1955)

 

 

De Engelse schrijfster, critica en advocate Hilary Mary Mantel werd op 6 juli 1952 als Hilary Mary Thompson in Glossop, Derbyshire, geboren. Zie ook alle tags voor Hilary Mantel op dit blog.

Uit: The Assassination of Margaret Thatcher

“That night my father took my mother aside. She kept walking away from him, in little aimless drifts, so he had to follow her down the hall and into the kitchen, saying listen to me Lillian. I went up to the bathroom and looked in the bathroom cabinet, which I normally avoided as the thought made me sick. I sorted through what was in there: a small bottle of olive oil, some oozing ointments, a roll of sticking plaster and some round-ended scissors with a rust spot at the junction of their blades: crepe bandages packed in cellophane. There was more provision for casualties than I had imagined. I pulled some cotton wool out of a packet, rolled it up into balls, and put it in my ears. I went downstairs. I watched my soundless feet go before me, like scouts. I didn't look through the kitchen door, though it had a glass panel. But after a while I sensed a vibration under my feet, as if the whole house were shaking.
I went into the kitchen. My father wasn't there and being quick on the uptake I deduced he must have slipped out through the back door. The room was filled with a dull thudding sound. My mother was beating on the edge of the kitchen table the ovenproof dish in which she usually shriveled his dinner. It was made of toughened glass and took a long time to break. When it shattered at last she left the wreckage on the floor and brushed past me on her way upstairs. I pointed to my ears, as if to warn her that any commentary on the situation was wasted on me. But left to myself I picked up all the shards of the dish, and carried on picking them up and placing them on the table. Not having the obliging tweezers by me I took up the fragments from the carpet tiles with my fingernails. This detailed work of recovery occupied a satisfactory amount of time. While the muffled evening continued on its way without me I arranged the jagged fragments so that the pattern of onions and carrots with which the dish had been decorated was complete again. I left it for her to find, but when I came down next morning it was gone as if it had never been."


 2250862-a136898efbb0861687329735f307d2d2.jpg
Hilary Mantel (Glossop, 6 juli 1952)

 

 

De Duitse schrijver en jurist Bernhard Schlink werd geboren in Großdornberg op 6 juli 1944. Zie ook alle tags voor Bernhard Schlink op dit blog.

Uit: Die Frau auf der Treppe

„Untere Stufe, der linke berührt noch die obere, setzt aber schon zum nächsten Schritt an. Die Frau ist nackt, ihr Körper blass, Schamhaar und Haupthaar sind blond, das Haupthaar glänzt im Schein eines Lichts. Nackt, blass, blond — vor einem graugrünen Hintergrund verschwommener Treppenstufen und -wände kommt die Frau dem Betrachter mit schwebender Leichtigkeit entgegen. Zugleich hat sie mit ihren langen Beinen, runden, vollen Hüften und festen Brüsten sinnliche Gewichtigkeit.
Ich ging langsam auf das Bild zu. Ich war verlegen, auch das wie damals. Damals war ich verlegen, weil mir die Frau, die mir am Tag davor in meinem Büro in Jeans, Top und Jacke gegenübergesessen hatte, im Bild nackt gegenübertrat. Jetzt war ich verlegen, weil mich das Bild an das erinnerte, was damals gesche-hen war, worauf ich mich damals eingelassen und was ich alsbald aus meinem Gedächtnis verbannt hatte.
„Frau auf einer Treppe"stand auf dem Schild neben dem Bild und dass es sich um eine Leihgabe handele. Ich fand den Kurator und fragte ihn, wer das Bild der Art Gallery geliehen habe. Er sagte, er dürfe den Namen nicht nennen. Ich sagte, ich kenne die Frau auf dem Bild und den Ei-gentümer des Bilds und könnte ihm voraussagen, dass es Streit um das Eigentum am Bild geben werde. Er runzelte die Stirn, blieb aber dabei, er dürfe den Namen nicht nennen.
Mein Rückflug nach Frankfurt war für Donnerstagnachmittag gebucht. Nachdem die Verhandlungen in Sydney am Mittwochvormittag ab-geschlossen waren, hätte ich auf Mittwochnachmittag umbuchen können. Aber ich wollte den Rest des Tags im Botanischen Garten ver-bringen.
Ich wollte dort zu Mittag essen, im Gras liegen und am Abend im Opernhaus Carmen hören. Ich mag den Botanischen Garten, an den im Norden eine Kathedrale und im Sü-den das Opernhaus grenzen, in dem die Art Gallery und das Konservato-rium stehen und von dessen Hügeln der Blick auf die Bucht geht. Der Garten hat einen Palmen-, einen Rosen- und einen Kräutergarten, Teiche, Lauben, Statuen und viel Rasen mit alten Bäumen, Großeltern mit Enkelkindern, einsamen Frauen und Männern mit ihren Hunden, Gruppen beim Picknick, Liebespaa-ren, Lesenden, Schlafenden. Auf der Loggia des Restaurants in der Mitte des Gartens ist die Zeit stehenge-blieben: alte eiserne Säulen, ein al-tes eisernes Geländer und ein Blick in Bäume mit Flughunden und auf einen Brunnen mit Vögeln mit buntem Gefieder und langen krummen Schnäbeln.“

 

 2250862-df87d37da3e92fc5f26c2865cee2a6bc.jpg
Bernhard Schlink (Großdornberg, 6 juli 1944)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Marius Hulpe werd geboren op 6 juli 1982 in Soest, Nordrhein-Westfalen. Zie ook alle tags voor Marius Hulpe op dit blog.

 

verwinkeltes areal

verwinkeltes areal der
scherbenhaufen meiner inneren optik
ausgelegt mit weißen rosen ihre dornen
sind stumpf geworden über die jahre im gegensatz
zur farbe der blüte kaum vergangen
scheint ein tag eine stunde
seitdem ich sie pflanzte ohne wurzel oben
aufgesetzt abgelegt gebettet ihre
blätter scheinen allmählich noch grüner
zu werden mein plexiglas
filtert licht schatten sorgt für
hinreichende bedingungen ein überleben
ist zumindest gesichert nur wie da
bleibt eben eine lücke

 

 

auf meinem knöchernen Rücke spielst du deinen Text aus,
und schmal stehe ich da, vor meinem Fenster: blinkendes Licht
unter Millionen winzigen Sternen, und ringsherum du,
schöne Schwarze, die über alles hinwegrollt, verwandelst
was tags düster grollt, die wippenden Köpfe (betäubt und sediert)
in flackernde Lichter. was bei Sonne sanft in Nervenbahnen döst,
das schlägst du hervor aus dem Dunkel (geheimniskrämerisch)
und hast nichts zu verschenken. vorbei der zähe Idealistendünkel
um die Tatsache Schlaf, das Gewitter bricht los, der Himmel
hält still, kein finsteres Ringen der Wolken, nicht eine Drohung,
das Firmament gibt sich heroisch, ein stabiler Pakt ehemals
kriegerischer Elemente, wie sie einander beflügeln in verräterischer
Klarheit, alles ein einziger Deal, ohne gewachsenes Subjektorgan,
hier drinnen stützt sich der Verstand auf dieser glatten Oberfläche
auf, kurz vorm Hyperventilieren nimmt er die Kurve ins Bett
des Vergessens. und während die Spatzen die Stille verjagen,
schon bald das Ausatmen der Zeit vergessen machen, dämmern
die zahlreichen Köpfe am Boden hinweg, in ein anderes All.“

 

 2250862-1706b2d9912392f7660cfea9ce676355.jpg
Marius Hulpe (Soest, 6 juli 1982)

 

 

De Amerikaanse schrijver, draaiboekauteur en regisseur Peter Hedges werd geboren in West Des Moines, Iowa, op 6 juli 1962. Zie ook alle tags voor Peter Hedges op dit blog.

Uit: An Ocean in Iowa

“The Judge had been standing at the top of the stairs, calling down to his wife for some time. "Joan," he said. "Come here." Joan pretended she hadn't heard him. "Honey," the Judge pleaded. Joan called back, "We're in the middle of dishes."
Claire, their older daughter, helped clear the table while Maggie played on the kitchen floor. "Honey, come here," the Judge begged. "It'll only take a minute." Joan looked at her daughters both occupied and the dishes half washed. Then she turned and headed out of the kitchen. She went because in West Glen, Iowa, in 1961, when called, wives went. "What is it?" Joan asked, climbing the stairs. Judge Ocean did not answer. "What do you want?" She looked for him in the bathroom. She walked into their bedroom. "Walter?" He was nowhere to be found. "This is no time for games." She sensed something behind her moving, so she turned in time to see the linen closet door swing open, only to find her husband standing in front of her, naked and erect. She removed her apron and bent over their bed. While he moved above her, she thought about the flowers she would plant the coming spring. When he finished, the Judge, gasping for breath, leaned over and stuck his tongue in her ear. "Don't," she said, and pulled up her underwear. That night Joan sat on the living room sofa. In the kitchen, the Judge made popcorn using a pressure cooker. The sound of kernels popping had the girls jumping up and down. "Mommy," they shrieked. "What are we!" Joan drew in on her cigarette and said nothing. "We're popcorn!" The girls slowed their dancing, then stopped. They studied their mother, who stared blankly at the turned-off TV, cigarette smoke leaking out her mouth. Claire asked, "Mommy, what is it?" "Nothing, honey." But it was hardly nothing. She knew it; she felt it deep inside. She had conceived. When the Judge rounded the corner with his nightly bowl full, his girls leapt toward him, their little hands reaching up for the corn. With a girl on either side, he settled into the sofa. He lifted up the saltshaker. "Let me," the girls squealed. As each daughter took their turn, Joan Ocean started to cry.”

 

 2250862-daae2a5e134c659ddbdb54703eae217b.jpg
Peter Hedges (West Des Moines, 6 juli 1962)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e juli ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:53 Reageer op dit bericht

Wadih Saadeh, Fabrice Colin, Tobias Sommer, Eino Leino, Serge Pey, Walter Flex, Paul Keller

De Libanees-Australische dichter en schrijver Wadih Saadeh werd geboren in Shabtin in Libanon op 6 juli 1948. Zie ook alle tags voor Wadih Saadeh op dit blog.

 

A Country

It took its name
from water
and started to flow
The foam we saw
riding the waves
was its people
The grass over the dunes
their ribs
A country
whose men all
had departed, and so
the women were wed
to trees

 

 

Genesis

With what meagre space
remaining between his hands
he tried to reconstruct
a universe: with a tear,
he drew a star, a moon with a glance,
and with a single touch, a sun.
When he closed his eyes,
people commuted to their work
on the sidewalk of his eyelids.

 

Vertaald door Sargon Boulus

 

 2250860-240f91f70f422e55ac4b97805b5e6636.jpg
Wadih Saadeh (Shabtin, 6 juli 1948)

 

 

De Franse schrijver Fabrice Colin werd geboren op 6 juli 1972 in Parijs. Zie ook alle tags voor Fabrice Colin op dit blog.

Uit: À vos souhaits

« Il bruinait comme jamais sur Phœnix Park et sur l’île aux pélicans où les grands oiseaux parlants retranchés sous les saules pleureurs devisaient en secret, leurs ailes duveteuses repliées dans la froidure.
Il pleuvait à verse sur Strawberry Circus, où le manège pour enfants tournait à vide depuis plusieurs jours, et quelques bonnes mal fagotées, tirant des poussettes soudain trop lourdes, s’arrêtaient un instant devant les fiers chevaux de bois qui tournaient et tournaient pour personne.
Il ruisselait en abondance sur les mégalodons luisants de Graymercy Square, stoïques dans leur mélancolie de bronze, sur la statue de l’astronome, et sur les lourds dragons de la City chargés de garder les portes antiques et qui n’avaient plus bougé depuis des siècles. Il tombait des cordes sur les hauteurs, nuages déchirés flottant dans les collines, et sur le cimetière de Veryhighgate, sombres allées, imaginais-je, où même les morts-vivants ne s’aventuraient qu’à tâtons, préférant aux bourrasques ingrates des allées le confort moussu de leurs cryptes séculaires.
Il pleuvait sur les boutiques du Pont de la Tour et sur les gnomes effarés qui recalculaient pour la énième dois leur chiffre d’affaires de la semaine, et songeaient à la mort. Il pleuvait sur les licornes du zoo royal, sur les grands stades de Quartek ouverts à tous les vents, sur les hauts parcs déserts plantés d’érables et de noyers, sur les bas quartiers et sur les demeures bourgeoises, dans les ruelles et les alcôves, il pleuvait sur les ogres mendiants, sur les gobelins asthmatiques, sur les belles elfes égarées, sur les dragons domestiques, il pleuvait sur les duels, sur les étreintes et sur les fuites, sur les espoirs et les amours, et les cloches de Newdon égrenaient patiemment ces heures de pluie sans fin »

 

 2250860-f53506a4a4edbd03f239cd0037274465.jpg
Fabrice Colin (Parijs, 6 juli 1972)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Tobias Sommer werd geboren op 6 juli 1978 in Bad Segeberg (Schleswig-Holstein). Zie ook alle tags voor Tobias Sommer op dit blog.

Uit: Edens Garten

„Ich zerstörte mit einem Wimpernschlag alle Traumgestal-ten und schwankte durch unser Haus. Lena versperrte mir den Weg zum Eisfach, das Licht aus dem Kühlschrank unterstrich ihre bleiche Haut, die dunklen Augenränder und das Pechschwarz ihrer Haare, jede Farbnuance war künstlich und gewollt, als machte sie sich auf zu einem Death-Metal-Konzert und nicht zum Treffen der europäi-schen Außenminister. Lena drückte Filterpapier in unsere Kaffeemaschine, löffelte das Pulver aus einem Meter Höhe dazu und schaute dabei aus dem Fenster, statt zu zählen, trällerte sie einen Song der Toten Hosen, sie sang mit tiefen, kratzenden Tönen, he rides and he rides, he looks through his window, what does he see? Sie war textsicher, und nicht nur das, sie übersetzte ihre Lieblingslieder in zehn Sprachen, sie erzählte gerne, mit den Rock- und Punksongs ihrer Ju-gend in einem Vorort von Budapest hätte sie das Dolmet-schen gelernt und den Job in Brüssel bekommen. Für Lena war diese Erklärung, obgleich übertrieben und falsch, zu schön, um sie zu verschweigen, sie war überzeugt: Hätte sie nicht den staatlichen Bildungsweg bis zum Erbrechen verfolgt, wäre sie die tonangebende Frontfrau einer Rock-band geworden, ihren Vorbildern war sie auf jeden Fall treu geblieben.Ihr Blick zeigte mir, sie hatte letzte Nacht Sex, auch wenn er nur in ihren Gehirnzellen stattgefunden hatte, der Höhepunkt hatte sich in ihren Augen festgezurrt. Unsere Oberschenkel und Hüften berührten sich, Lena antwortete mit der zweiten Strophe, he sees the bright and hollow sky, he sees the stars come out tonight. Ich nahm ihren Geruch auf, bevor er sich mit dem Kaffeearoma vermischen konnte, der Duft der vergangenen Nacht war weggespült, ihre Lotion überdeckte alles, Patschuli und eine Überdosis Cassis.Lena beobachtete vom Küchenfenster aus den beginnen-den Tag, sie suchte nach Sternstraßen oder Regenwolken und strich gedankenverloren mit den Fingern durch ihre kurzen Haare, die Stoppeln zeigten mithilfe von Gelspray in alle Himmelsrichtungen, Lena sagte grundlos, wusstest du, noch heute kann man Neil Armstrongs Fußabdruck auf dem Mond sehen.Wenn er wirklich oben war, ich sah in einen planetenlosen Himmel, morgens um 6.00 Uhr, hast du gut geschlafen?, ich küsste Lena auf die Wange und entschied mich für ein Glas Aspirinwasser mit drei Eiswürfeln.“

 

 2250860-289817a5cf9f801b490c9ec627fa9fae.jpg
Tobias Sommer (Bad Segeberg, 6 juli 1978)

 

 

De Finse dichter en schrijver Eino Leino (eig. Armas Eino Leopold Lönnbohm) werd geboren op 6 juli 1878 in Paltamo. Zie ook alle tags voor Eino Leino op dit blog.

 

Elegia

Youth fading like a rolling stream,
strings of gray push from the golden beam.
In vain, O in vain try I and seize the hour;
no joy in friends, my wine's going sour.

Gone are my proud days of will.
My spirit burned; now it lies still.
From all vales I rose; O why see I not another mile?
My heart's wish: less pain but a humble while.

O true I know, peace there is deep in the mold.
The path of a seeker did no mellow rest hold;
stormy clouds cloaking the sun going down,
a fainting red burns like the deepest wound.

Gone in the sea is the blossom of my dreams.
I'm a penniless man; dear the price of the song, it seems.
My all I gave, but a while did I brave,
a grave heart did the gold of my dreams pay.

Tired I am, O my heart to the depths!
More it is than a man and he takes?
Or I'm of them with the will and no more?
All winnings void, yield an undying throe.

So for none did I bear all trouble and ail,
broken chains, burnt dearest ships of sail?
Now I did fall when the demand was my all?
Freezing to ice, scarred to answer the call?

Hopeless the struggle to the divine gate,
heavenly song to its child coming too late.
Queen the winter tears me down with these quills.
In the quiet of the gorge this dying beast stills.

 

Vertaald door Jason Macfear

 

 2250860-ae55a3256ee60e9150e5df571bd0473f.jpg
Eino Leino (6 juli 1878 – 10 januari 1926)
Portret door  Axel Gallen-Kallela, 1917

 

 

De Franse dichter Serge Pey werd geboren in Toulouse op 6 juli 1950. Zie ook alle tags voor Serge Pey op dit blog.

 

Réveil

1
le ballon que je
pousse avec mes pieds
est une tête perdue
qui cherche au hasard
un corps décapité
pour l’habiter
avec le rire de sa bouche

Je ne peux toucher
ton rêve avec mes mains
car sa tête est un chemin
que tracent mes pieds
dans toutes mes chaussures

Parfois c’est ma tête
qui roule à mes pieds
et un gardien aveugle
la laisse passer dans le filet
quand la foule jette
son silence de vieil os
à un seul chien dans
la poussière

Tu le sais
quand nous jouons
ensemble nous avons deux
têtes
et nous ne savons laquelle
nous devons tirer dans le ciel
en titubant entre
nos pieds nus et nos souliers

Ce ballon que je tiens entre
mes mains
est la tête
que tu veux placer
sur un homme
pour inventer un dieu absent
dans la foule en cendre
d’un seul chapeau

La fenêtre dans laquelle
je tire devient doucement
le corps immense
de ce que je ne sais pas.

 

 2250860-06a33f5f9921e1bf5d23297b6d6bfd27.jpg
Serge Pey (Toulouse, 6 juli 1950)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Walter Flex werd geboren op 6 juli 1887 in Eisenach. Zie ook alle tags voor Walter Flex op dit blog.

Uit: Der Kanzler Klaus von Bismarck


„Das Sterbelied der Mark klang und klang... Seit dem rätselhaften Tode des großen Waldemars lag das Land vor den Hunden. Der landfremde Fürst aus Wittelsbachschem Blute, der das verwaiste Erbe der einheimischen Markgrafen aufgenommen hatte, war seinem verwilderten Volke lebenslang fremd geblieben. Im Sterben ließ er dem Bruder einen im tiefsten zerrütteten Staat und leere Kassen. Der neue Herr, Ludwig von Wittelsbach, kam ins Land, aber niemand horchte in Haß oder Hoffnung auf seine Schritte.
Die Pest fraß am Marke Brandenburgs. Hütten und Höfe verödeten. Geißelbruderschaften zogen, irre Lieder auf schäumenden Lippen, blutige Peitschen in Händen, durchs Land und trugen ihren gespenstischen Wahnsinn von Stadt zu Stadt. Das verzweifelte Volk, über dem der Todesvogel seine Kreise zog, raunte von vergifteten Brunnen und suchte in blindem, zähem Haß nach Schuldigen. Judenbrände flammten qualmend auf und warfen flackernde Schatten in die verödeten Gassen. Aber kein Gott sah gnädig auf die blutigen Opfer, die Haß und Verzweiflung ihm darbrachten.
In Haß und Hader war ein Kampf aller gegen alle entbrannt. In dem armen Lande, dem der Herr fehlte, waren die kleinen Herren mächtig geworden und rauften um die Fetzen des Fürstenmantels. Die schloßgesessenen Herren machten als Strauchritter die Straße unsicher und führten auf ihren Burgen von Raubbeute und erpreßtem Geld ein Schmarotzerleben. Kein Kaiser wehrte ihnen. Der Luxemburger Karl wartete, lauernd auf die Todesstunde der Markgrafenherrschaft, in der er als Erbe aufzutreten gedachte. Die Städte griffen zur Selbsthilfe, und die Zunftwehren lagen in zähem Haß um die festen Burgen. Aber innerer Hader machte auch die Städte hilflos und untüchtig. Eifersüchtig hüteten die alten Patriziergeschlechter, die ihre Abkunft von königlichem Schwertadel herleiteten, die ererbten Herrenrechte und wehrten den aufstrebenden Handwerkern Anteil an Rat und Gericht. Die Zünfte schlossen ihre Jungmannschaft zu streitbaren Fußwehren zusammen und zwangen in blutigem Aufruhr die Geschlechter nieder, deren Häupter unter Beil und Mordspieß fielen.“

 

 2250860-97d0341dcc03b9084877cd78f1724e89.jpg
Walter Flex (6 juli 1887 – 16 oktober 1917)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Paul Keller werd op 6 juli 1873 in Arnsdorf geboren. Zie ook alle tags voor Paul Keller op dit blog.

Uit: Ferien vom Ich (Nach meiner Heimkehr)

"Ich sagte ihr, was ich wusste, auch dass er ein braver Mensch geblieben sei, woran wir beide niemals gezweifelt hatten. Dann, dass er in einer geachteten Stellung und wohl ein reicher Mann sei oder es doch werde. Darauf hörte sie kaum, sondern schlug die Händchen zusammen und jammerte:
»Warum? Warum?«
Das war die schwere Frage, über deren richtige Beantwortung ich mir auf der Heimreise den Kopf zerbrochen hatte. Ganze Abhandlungen hatte ich in meinem Hirn ausgearbeitet, schlagende psychologische Begründungen für eine Mutter, die fragt: Warum gibt mein Sohn keine Nachricht? Warum kommt er nicht zurück? Warum lässt er mich in dieser furchtbaren Einsamkeit und Qual?
Da sagte ich ihr nur die wichtigsten Sätze, die Joachim gesprochen:
»Ich hab wohl hundertmal geschrieben und tausendmal schreiben wollen. Aber ich hab keinen Brief abgeschickt. Ich hatte eine schreckliche Angst, dann schreibt ihr wieder, und dann halte ich's nicht aus in der Fremde, dann muss ich zurück in diese verfluchte Heimat.«
Sie war ein wenig betäubt über diese Worte; aber dann glomm eine Hoffnung auf in ihren Augen, und sie sagte:
»Aber jetzt wird er schreiben?«
»Ja, jetzt wird er schreiben; das ist das einzige, was ich nach meinem langen Suchen erreicht habe.«
»Ich danke dir, lieber Fritz«, sagte sie und drückte mir schüchtern die Hand.
*
Nun bin ich beinahe eine Woche zu Hause und fange an, mich glücklich zu fühlen und zu freuen. Ich glaube, zu den Freuden, die schwer zu tragen sind, gehört die Heimkehr aus fremden Landen. Und nicht bloß mir in meinem besonderen Falle wird es so gehen, nein, allen, die lange draußen waren und wieder nach Hause kommen. Es ist viel Scheu, viel Bangigkeit in der Seele, die Quellen der Lust und des Schmerzes fließen zusammen wie in einen tiefen Bronnen, aus dem erst langsam, wenn sich der zitternde Spiegel beruhigt hat, das Himmelsgesicht des Glücks auftauchen kann."

 

 2250860-9145db4a0d1add6f78b4c25aa9a48213.jpg
Paul Keller (6 juli 1873 – 20 augustus 1932)
Een jonge Paul Keller

Geschreven door Romenu om 13:52 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten