Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 25 februari 2024 tot 26 februari 2024

George Barker

De Engelse dichter George Granville Barker werd geboren op 26 februari 1913 in Loughton, Essex. Zie ook alle tags voor George Barker op dit blog.

 

True Confession

1
Today, recovering from influenza,
I begin, having nothing worse to do,
This autobiography that ends a
Half of my life I’m glad I’m through.
O Love, what a bloody hullaballoo
I look back at, shaken and sober,
When that intemperate life I view
From this temperate October.
To nineteen hundred and forty-seven
I pay the deepest of respects,
For during this year I was given
Some insight into the other sex.
I was a victim, till forty-six,
Of the rosy bed with bitches in it;
But now, in spite of all pretexts,
I never sleep a single minute.

O fellow sailor on the tossing sea,
O fleeting virgin in the night,
O privates, general in lechery,
Shun, shun the bedroom like a blight:
Evade, O amorous acolyte,
That pillow where your heart can bury –
For if the thing was stood upright
It would become a cemetery.

I start with this apostrophe
To all apostles of true love:
With your devotion visit me,
Give me the glory of the dove
That dies of dereliction. Give
True love to me, true love to me,
And in two shakes I will prove
It’s false to you and false to me.

Bright spawner, on your sandbank dwell
Coldblooded as a plumber’s pipe –
The procreatory ocean swell
Warming, till they’re over ripe,
The cockles of your cold heart, will
Teach us true love can instil
Temperature into any type.

Does not the oyster in its bed
Open a yearning yoni when
The full moon passes overhead
Feeling for pearls? O nothing, then,
Too low a form of life is, when
Love, abandoning the cloister,
Can animate the bedded oyster,
The spawning tiddler, and men.

Thus all of us, the pig and prince,
The prince and the psychiatrist,
Owe everything to true love, since
How the devil could we exist
If our parents had never kissed?
All biographies, therefore,
– No matter what else they evince –
Open, like prisons, with adore.

Remember, when you love another,
Who demonstrably is a bitch,
Even Venus had a mother
Whose love, like a silent aitch,
Incepted your erotic itch.
Love, Love has the longest history,
For we can tell an ape his father
Begot him on a mystery.

I, born in Essex thirty-four
Essentially sexual years ago,
Stepped down, looked around, and saw
I had been cast a little low
In the social register
For the friends whom I now know.
Is a constable a mister?
Bob’s your uncle, even so.

Better men than I have wondered
Why one’s father could not see
That at one’s birth he had blundered.
His ill-chosen paternity
Embarrasses the fraternity
Of one’s friends who, living Huysmans,
Understandably have wondered
At fatherhood permitted policemen.

So I, the son of an administer
Of the facts of civil laws
Delight in uncivil and even sinister
Violations. Thus my cause
Is simply, friend, to hell with yours.
In misdemeanours I was nourished –
Learnt, like altruists in Westminster,
By what duplicities one flourished.

At five, but feeling rather young,
With a blue eye beauty over six,
Hand in hand and tongue to tongue
I took a sin upon my sex.
Sin? It was pleasure. So I told her.
And ever since, persisting in
Concupiscences no bolder
My pleasure’s been to undress sin.

What’s the point of a confession
If you have nothing to confess?
I follow the perjuring profession
– O poet, lying to impress! –
But the beautiful lie in a beautiful dress
Is the least heinous of my transgressions:
When a new one’s added, ‘O who was it? ‘
Sigh the skeletons in my closet.

Ladybird, ladybird, come home, come home:
Muse and mistress wherever you are.
The evening is here and in the gloom
Each bisexual worm burns like a star
And the love of man is crepuscular.
In the day the world. But, at night, we
Lonely on egoes dark and far
Apart as worlds, between sea and sea,

Yearn on each other as the stars hold
One another in fields together.
O rose of all the world, enfold
Each weeping worm against the cold
Of the bitter ego’s weather;
To warm our isothermal pride
Cause sometimes, Love, another
To keep us by an unselfish side.

The act of human procreation
– The rutting tongue, the grunt and shudder,
The sweat, the reek of defecation,
The cradle hanging by the bladder,
The scramble up the hairy ladder,
And from the thumping bed of Time
Immortality, a white slime,
Sucking at its mother’s udder –

The act of human procreation
– The sore dug plugging, the lugged out bub,
The small man priming a lactation,
The grunt, the drooping teat, the rub
Of gum and dug, the slobbing kiss:
Behold the mater amabilis,
Sow with a saviour, messiah and cow,
Virgin and piglet, son and sow:

The act of human procreation,
– O crown and flower, O culmination
Of perfect love throughout creation –
What can I compare it to?
O eternal butterflies in the belly,
O trembling of the heavenly jelly,
O miracle of birth! Really
We are excreted, like shit.

 

Op de ontsnapping van een vriend aan de verdrinkingsdood voor Holland’s kust

Kwam koud die zee op bij Katwijk die zijn graf voor hem dolf
langszij terwijl hij zich
wild vocht naar de kust, maar voorlangs sloeg de golf
brandingzwart hem terug
en hij zag zijn kastelen bouwende zoon op het reddende strand.
Toen rees het wuivende duin
voor het laatst voor zijn oog. En hij schreeuwde het uit,
maar een klauwende luim
van de zee smoorde de angstkreet waarin hij verdronk
als een stervende vlieger. En zij,
die naast haar zoon op het zandloperzand in slaap verzonk,
werd gewekt door wie wist
dat dit het uur nog niet was en die haar de dood
in de ogen liet zien
van die haar zoon verwekt had. Op sprong zij
en wierp zich in de muil
van het monster waar hij zijn leven al sloot
voor haar die zo rijk hem gebed had.
Maar zij dreef zich door zijn verdrinken als Orpheus en trok
aan zijn haren terug
haar ontsnappende bruigom. En op het strand
stond lachend hun zoon
die toch bijna een wees was. Toen lagen de drie terneer
op dat koude zand,
ieder de ander houdend bij een levende hand.

 

Vertaald door Jan Zitman

 

George Barker (26 februari 1913 – 27 oktober 1991)
In 1936

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e februari ook  mijn blog van 26 februari 2022 en ook mijn blog van 26 februari 2019 en eveneens mijn blog van 26 februari 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Marijke Schermer

De Nederlandse schrijfster Marijke Schermer werd op 25 februari 1975 geboren in Amsterdam, groeide op in Groningen, en studeerde aan de Toneelschool Arnhem om actrice te worden. Ze kreeg wel haar diploma maar speelde daarna nooit meer toneel. Ze schreef toneelstukken en libretto’s en regisseerde haar eigen en andermans werk. In 2009 ontving ze de Charlotte Kohlerprijs. Ze schreef de romans “Mensen in de zon” (2013), “Noodweer” (2016) en “Liefde, als dat het is” (2019). “Noodweer” stond op de shortlist van de ECI-Literatuurprijs 2017, en “Liefde, als dat het is” stond op de shortlist van de Libris Literatuurprijs 2020 en werd in het Duits en Engels vertaald. In juni 2021 verscheen “Gods wegen” in de serie Van Oorschot Terloops. In februari 2022 werd haar roman “Love, If That’s What It Is” uitgegeven door World Editions. In april 2023 verscheen “Breakwater”, wederom bij World Editions.

Uit: In het oog

“Vlak voor Bee begon aan haar verhaal waarin ze me onder meer verweet dat ik haar niet zag, zat ik haar juist te bekijken. Uitgerekend die laatste minuten bekeek ik hoe ze met één been over de leuning en één op de vensterbank, scheef in de lelijke stoel zat te lezen. Een lelijke beschadigde neplederen fauteuil is het, maar comfortabeler dan welke andere stoel in ons huis ook en daarom al jaren detonerend in een verder verantwoord en smaakvol interieur. Ze bewoog snel met haar wijsvinger over haar bovenlip, in opperste concentratie. Toen sloeg ze haar boek dicht met een vinger ertussen en legde haar hoofd achterover op de leuning, met gesloten ogen. Ze denkt na, dacht ik, weet ik nog. Ik weet niet meer wat ik voelde. Misschien voelde ik me neutraal jegens haar, registreerde ik zonder veel gevoelens haar spectaculair mooie gezicht, de lange donkere haren die langs de stoelleuning omlaaghingen, het been in de zijden broekspijp, de blote voet met de gelakte teennagels. Of misschien zag ik haar inderdaad niet, niet bewust, had ik geen gedachten over haar, omdat ik in de greep was van mijn eigen gedoe. Misschien waren mijn ogen eenvoudigweg, macht der gewoonte, in haar richting scherp gesteld. Ik had net een telefoongesprek gevoerd waarin ik Miranda, mijn PhD-student, vertelde dat mijn onderzoeksaanvraag afgewezen was en dat ik geen idee had hoe dit nu verder moest. Bee had dat allemaal gehoord en achteraf bekeken had ze niet zitten lezen maar had ze met stijgende verbazing geluisterd naar de dingen die er in mijn leven speelden en waar ik haar geen deelgenoot van had gemaakt. Het bleek allemaal de druppel in een emmer waarvan ik niet wist dat hij bestond, wat op zichzelf al een teken aan de wand was, volgens haar. En dat waren nog maar twee van de zegswijzen die zij in ons gesprek gebruikte. Ik zeg ‘gesprek’ maar ik denk eigenlijk dat het een ruzie was. Dat er een volle emmer was werd in elk geval wel duidelijk. Ze had van alles opgekropt, refereerde aan dingen die ik gezegd of juist niet gezegd had, soms in gesprekken van maanden geleden en soms door mij helemaal niet herkend als iets wat had plaatsgevonden. Zij zei altijd tegen mij dat ik zo secundair in mijn reacties was, maar iemand die je ineens op detailniveau van alles wat allang voorbij is begint te verwijten kan zelf ook nauwelijks bogen op een talent voor primaire reacties. Als ze dat toen gezegd had, had ik het toen kunnen oplossen, of weerspreken, of beantwoorden, of wat het ook was wat ik had kunnen doen.”

Marijke Schermer (Amsterdam, 25 februari 1975)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Amin Maalouf, Stephen Spender

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit: De ontregeling van de wereld (Vertaald door Eef Gratama)

“Na de val van de Berlijnse Muur waaide er een wind van hoop over de wereld. Doordat er een einde was gekomen aan de confrontatie tussen het Westen en de Sovjet-Unie, werden we niet langer bedreigd door de kernramp die ons al veertig jaar lang boven het hoofd hing; vanaf dat moment zou de democratie zich geleidelijk aan over de hele wereld gaan verspreiden, dachten we; de barrières tussen de verschillende regio’s op aarde zouden worden opgeheven en het vrije verkeer van mensen, goederen, beelden en ideeën zou ongehinderd op gang komen en een tijdperk van vooruitgang en welvaart inluiden. Op elk van deze fronten werden aanvankelijk enkele opmerkelijke stappen vooruit gezet. Maar hoe verder we kwamen, hoe meer we het spoor bijster raakten.
De Europese Unie is in dit opzicht een schoolvoorbeeld. Voor de Unie was het uiteenvallen van het Sovjetblok een triomf. Van de twee wegen die voor de volken op het Europese continent waren opengesteld, bleek er een afgesloten te zijn, terwijl de andere zich uitstrekte zo ver het oog reikte. De voormalige Oostbloklanden kwamen allemaal bij de Europese Unie aankloppen; de landen die nog niet zijn toegelaten, hopen hier nog steeds op.
Maar juist op het moment dat Europa zijn triomfen beleefde en zo veel volken er gefascineerd en verbluft op afkwamen alsof dit het paradijs op aarde was, is het zijn bakens kwijtgeraakt. Wie moest het nog onder zijn hoede nemen, en met welk doel? Wie moest het buitensluiten, en om welke reden? Meer nog dan in het verleden stelt Europa zich vandaag de dag vragen over zijn eigen identiteit, zijn grenzen, zijn toekomstige instellingen, zijn plaats in de wereld, zonder te weten wat het daarop moet antwoorden.
Ook al weet Europa precies waar het vandaan komt, welke tragische gebeurtenissen de volken van dit continent hebben overtuigd van de noodzaak om zich te verenigen, het weet niet meer zo goed welke kant het op moet gaan. Moet het de vorm aannemen van een bondsstaat, vergelijkbaar met die van de Verenigde Staten van Amerika, bezield door een ‘continentaal patriottisme’ dat het patriottisme van de naties waaruit het bestaat zou overstijgen en zou opnemen, en dat behept zou zijn met de status van een wereldmacht, niet alleen in economisch en diplomatiek, maar ook in politiek en militair opzicht? Zou het bereid zijn om zo’n rol op zich te nemen, en de daarmee gepaard gaande offers en verantwoordelijkheden te aanvaarden? Of zou het zich eerder moeten beperken tot een soepel partnerschap tussen naties die angstvallig hun soevereiniteit bewaken, en op het overkoepelende vlak een ondersteunende kracht moeten blijven?
Zolang het continent nog in twee vijandige kampen was verdeeld, waren deze dilemma’s niet aan de orde. Sindsdien doen ze zich op een hardnekkige manier voor. Nee, natuurlijk zullen we niet terugkeren naar de tijd van de grote oorlogen, noch naar die van het IJzeren Gordijn. Maar wie gelooft dat dit slechts gaat om geruzie tussen politici of tussen politicologen, vergist zich. De toekomst van het continent is in het geding.”

 

Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

 

De Engelse dichter, essayist en schrijver Stephen Spender werd geboren op 28 februari 1909 in Londen. Zie ook alle tags voor Stephen Spender op dit blog.

 

GEESTELIJKE OEFENINGEN

We vliegen door een nacht vol sterren
Wiens afgelegen, bevroren tongen
Een spiegeltaal spreken, mineraal Grieks
Schitterend door de ruimte, de een tegen de ander –
O Venus en Mars, jullie droom
In een holle koepel van uitgestorven leven, ver ver ver
Weg van onze oorlogen.

1
Onder hun naaktheid zijn ze nog steeds naakt.
In de geest ontbloten mythen en sterren
De kwetsbaarheid van hun schedels. Een nieuwe dageraad waait
hutten en papyri van hun wil weg.
Het heelal vult in centimeters, minuten
Hun tongen en ogen, waar naam en afspiegeling zichtbaar zijn,
Met woorden en beelden. Ster en berg weten
Dat ze bestaan, in deze levens die het leven doodt.
Draaiend met de rand van de aarde door de nacht,
Verpakt in hun afzonderlijke huiden, met pulserende adem,
Verdeeld in hun lot, maar toch verenigen ze zich allemaal
Op die ene reis naar geen plaats of datum
Waar, naakt onder naaktheid, onder
Het leven, in één mensheid, zij wachten op
De veelsoortige eenzaamheid van de dood.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e februari ook mijn blog van 25 februari 2019 en ook mijn blog van 25 februari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten