Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 26 februari 2024 tot 27 februari 2024

Cynan Jones, Elisabeth Borchers

De Welshe schrijver Cynan Jones werd geboren op 27 februari 1975 in Aberystwyth, Wales. Zie ook alle tags voor Cynan Jones op dit blog.

Uit: De lange droogte (Vertaald door Jona Hoek)

“HET KALF
Hij was eerder wakker geworden en naar buiten gegaan om bij de koeien te kijken. De nacht was stil geweest en hij had weer niet kunnen slapen door alle gedachten die de stilte van de bewegingloze nacht vulden; dus was hij opgestaan en de heldere, stille ochtend in gelopen. Een hele tijd lang was het heel stil geweest. Dat was voordat het licht werd.
Met het licht van de zaklamp vond hij het doodgeboren kalf in het stro van de stal. Hij wreef over het stompje van zijn ontbrekende vinger. Hij kon de adem van de koeien zien in de ochtendlucht – die zelfs toen koud was – en de warme damp die van sommige lichamen af sloeg. De moeder van het doodgeboren kalf was ernaast neergeknield en loeide zacht en treurig. De andere dieren sisten en briesten en kauwden stro.
Hij pakte het dode kalf bij de enkels en tilde het uit het stro dat bebloed was geraakt door de geboorte, niet door de dood van het kalf. Het was vreemd omdat de moeder het kalf had schoongelikt. Hij dacht aan hoe de moeder haar kalf likte en maar niet begreep waarom het niet onhandig opstond, de poten buiten proportie, de ogen wijd. Waarom het ongelooflijke wankele nieuwe leven ervan uitbleef.
Hij droeg het kalf de stal uit, telde ondertussen de koeien binnen, en ging het veld in. Kate zou verdriet hebben om het kalf. Er stierven maar zelden kalveren bij hen.
Boven de heuvels achter de boerderij begon het langzaam licht te worden. Het was slechts een dunner worden van de erg zwarte nacht waardoor de sterren meer schitterden, vibreerden als de hals van een vogel en een licht verspreidden dat schreeuwerig was vergeleken met hun nietigheid. Hij had gezien dat er een koe ontbrak.
Hij hoopte dat ze de stal uit was geglipt en het veld in was gegaan, waar andere koeien met oudere kalveren stonden. Ze stond op het punt te kalven en was zwaar en was mogelijk vertrokken vanwege de verschrikking van het doodgeboren kalf.
In het donker kon hij de koe nergens zien en hij droeg het dode kalf over het veld, zwaar begraasd omdat het niet had geregend. Ergens, in de buurt van het land waar hij zijn oog op had laten vallen, ging een grote vrachtwagen grommend over de weg. Hij liet het kalf in de put achter in het veld vallen omdat hij niet wilde dat Kate het zou zien en omdat het duur was dode kalveren op te sturen om te laten uitzoeken waaraan ze gestorven waren. Je raakt er altijd een paar kwijt, wist hij. Er is geen reden voor. Je raakt er gewoon een paar kwijt. Hij hoopte dat de koe niet verdwenen was.”

 

Cynan Jones (Aberystwyth, 27 februari 1975)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

Montmartre

De wolken zwermen uit
de wind beweegt de kronen
Brancusi’s kus, nog steeds
tot in de dood.
De regen verblindt mij
en mijn ingewanden
het hart is van steen
en nog zwaarder
Ik wil dat je het zachter maakt
bespreek het zoals op de jongste dagen.
De klok van de Saint-Jean
is gemaakt van plaatstaal.
Hoe moet het verder
als de brokstukken vallen
Het is pas twee
en dan al drie uur.
Het is het wachten
dat mij moe maakt
en ziek.
Hoe lang nog
tel ik de poorten van de hemel.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor de schrijvers van de 27e februari ook mijn blog van 27 februari 2021 en ook mijn blog van 27 februari 2019 en eveneens mijn blog van 27 februari 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

George Barker

De Engelse dichter George Granville Barker werd geboren op 26 februari 1913 in Loughton, Essex. Zie ook alle tags voor George Barker op dit blog.

 

True Confession

1
Today, recovering from influenza,
I begin, having nothing worse to do,
This autobiography that ends a
Half of my life I’m glad I’m through.
O Love, what a bloody hullaballoo
I look back at, shaken and sober,
When that intemperate life I view
From this temperate October.
To nineteen hundred and forty-seven
I pay the deepest of respects,
For during this year I was given
Some insight into the other sex.
I was a victim, till forty-six,
Of the rosy bed with bitches in it;
But now, in spite of all pretexts,
I never sleep a single minute.

O fellow sailor on the tossing sea,
O fleeting virgin in the night,
O privates, general in lechery,
Shun, shun the bedroom like a blight:
Evade, O amorous acolyte,
That pillow where your heart can bury –
For if the thing was stood upright
It would become a cemetery.

I start with this apostrophe
To all apostles of true love:
With your devotion visit me,
Give me the glory of the dove
That dies of dereliction. Give
True love to me, true love to me,
And in two shakes I will prove
It’s false to you and false to me.

Bright spawner, on your sandbank dwell
Coldblooded as a plumber’s pipe –
The procreatory ocean swell
Warming, till they’re over ripe,
The cockles of your cold heart, will
Teach us true love can instil
Temperature into any type.

Does not the oyster in its bed
Open a yearning yoni when
The full moon passes overhead
Feeling for pearls? O nothing, then,
Too low a form of life is, when
Love, abandoning the cloister,
Can animate the bedded oyster,
The spawning tiddler, and men.

Thus all of us, the pig and prince,
The prince and the psychiatrist,
Owe everything to true love, since
How the devil could we exist
If our parents had never kissed?
All biographies, therefore,
– No matter what else they evince –
Open, like prisons, with adore.

Remember, when you love another,
Who demonstrably is a bitch,
Even Venus had a mother
Whose love, like a silent aitch,
Incepted your erotic itch.
Love, Love has the longest history,
For we can tell an ape his father
Begot him on a mystery.

I, born in Essex thirty-four
Essentially sexual years ago,
Stepped down, looked around, and saw
I had been cast a little low
In the social register
For the friends whom I now know.
Is a constable a mister?
Bob’s your uncle, even so.

Better men than I have wondered
Why one’s father could not see
That at one’s birth he had blundered.
His ill-chosen paternity
Embarrasses the fraternity
Of one’s friends who, living Huysmans,
Understandably have wondered
At fatherhood permitted policemen.

So I, the son of an administer
Of the facts of civil laws
Delight in uncivil and even sinister
Violations. Thus my cause
Is simply, friend, to hell with yours.
In misdemeanours I was nourished –
Learnt, like altruists in Westminster,
By what duplicities one flourished.

At five, but feeling rather young,
With a blue eye beauty over six,
Hand in hand and tongue to tongue
I took a sin upon my sex.
Sin? It was pleasure. So I told her.
And ever since, persisting in
Concupiscences no bolder
My pleasure’s been to undress sin.

What’s the point of a confession
If you have nothing to confess?
I follow the perjuring profession
– O poet, lying to impress! –
But the beautiful lie in a beautiful dress
Is the least heinous of my transgressions:
When a new one’s added, ‘O who was it? ‘
Sigh the skeletons in my closet.

Ladybird, ladybird, come home, come home:
Muse and mistress wherever you are.
The evening is here and in the gloom
Each bisexual worm burns like a star
And the love of man is crepuscular.
In the day the world. But, at night, we
Lonely on egoes dark and far
Apart as worlds, between sea and sea,

Yearn on each other as the stars hold
One another in fields together.
O rose of all the world, enfold
Each weeping worm against the cold
Of the bitter ego’s weather;
To warm our isothermal pride
Cause sometimes, Love, another
To keep us by an unselfish side.

The act of human procreation
– The rutting tongue, the grunt and shudder,
The sweat, the reek of defecation,
The cradle hanging by the bladder,
The scramble up the hairy ladder,
And from the thumping bed of Time
Immortality, a white slime,
Sucking at its mother’s udder –

The act of human procreation
– The sore dug plugging, the lugged out bub,
The small man priming a lactation,
The grunt, the drooping teat, the rub
Of gum and dug, the slobbing kiss:
Behold the mater amabilis,
Sow with a saviour, messiah and cow,
Virgin and piglet, son and sow:

The act of human procreation,
– O crown and flower, O culmination
Of perfect love throughout creation –
What can I compare it to?
O eternal butterflies in the belly,
O trembling of the heavenly jelly,
O miracle of birth! Really
We are excreted, like shit.

 

Op de ontsnapping van een vriend aan de verdrinkingsdood voor Holland’s kust

Kwam koud die zee op bij Katwijk die zijn graf voor hem dolf
langszij terwijl hij zich
wild vocht naar de kust, maar voorlangs sloeg de golf
brandingzwart hem terug
en hij zag zijn kastelen bouwende zoon op het reddende strand.
Toen rees het wuivende duin
voor het laatst voor zijn oog. En hij schreeuwde het uit,
maar een klauwende luim
van de zee smoorde de angstkreet waarin hij verdronk
als een stervende vlieger. En zij,
die naast haar zoon op het zandloperzand in slaap verzonk,
werd gewekt door wie wist
dat dit het uur nog niet was en die haar de dood
in de ogen liet zien
van die haar zoon verwekt had. Op sprong zij
en wierp zich in de muil
van het monster waar hij zijn leven al sloot
voor haar die zo rijk hem gebed had.
Maar zij dreef zich door zijn verdrinken als Orpheus en trok
aan zijn haren terug
haar ontsnappende bruigom. En op het strand
stond lachend hun zoon
die toch bijna een wees was. Toen lagen de drie terneer
op dat koude zand,
ieder de ander houdend bij een levende hand.

 

Vertaald door Jan Zitman

 

George Barker (26 februari 1913 – 27 oktober 1991)
In 1936

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e februari ook  mijn blog van 26 februari 2022 en ook mijn blog van 26 februari 2019 en eveneens mijn blog van 26 februari 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten