Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 20 oktober 2024 tot 21 oktober 2024

Martin Bril, Samuel T. Coleridge

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook alle tags voor Martin Bril op dit blog.

Uit: Suburbia Blues

“Ik ben in een buitenwijk geboren, het Kanalen Eiland in Utrecht, en het dreunen van heimachines is de soundtrack van mijn jeugd en de vooruitgang. Die dingen hangen onlosmakelijk samen, ik kan er niets aan doen. Die jeugd speelde zich af in het begin van de jaren zestig, toen Nederland de handen uit de mouwen had gestoken voor een toekomst die nu eens geen droom was, maar een werkelijkheid om de hoek, voor iedereen bereikbaar die maar wilde werken.
In mijn jeugd werd altijd gewerkt. En alleen maar. Iedere ochtend reden alle vaders de straat uit, iedere avond kwamen ze terug, de een na de ander, sommigen pas als het donker was. Als de vaders weg waren, en de straten leeg, waaide er zand door mijn jeugd en moeders duwden hun kinderwagens tegen de wind in naar de noodwinkel die in een keet was gevestigd, terwijl verderop het winkelcentrum uit de grond werd gestampt. Ik hoor nog de wielen knarsen in het zand, de
heimachines in de verte, de zwarte rook die in aandoenlijke pufjes boven de daken van de overburen omhoog werd gedreven. Zaterdag was de enige dag dat alle vaders thuis waren. Ze wasten hun auto’s, reden moeder naar de stad om te winkelen, speelden ’s middags met hun zonen die alles van auto’s wilden weten. Iedereen eindigde gebogen over de motor van de nieuwste Taunus uit de straat. Er was in mijn jeugd altijd sprake van nieuwe auto’s.
Ik geloof dat ik een gelukkige jeugd heb gehad, in ieder geval hing er een sfeer van optimisme en daadkracht overheen, van frisse lakens aan alle balkons op iedere maandagmorgen, van woensdag gehaktdag en mannen die met het bovenste knoopje van hun overhemd los en de stropdas omlaaggeschoven verfrommeld thuis kwamen, te laat voor het eten dat klaar stond om vuurvast te worden opgewarmd. Daarna gingen de kinderen naar bed en zaten pa en ma in de huiskamer te rekenen, want ze wilden verder, naar een nieuw huis, een groter huis, een eigen huis. Eerst een flatje, dan een rijtjeshuis, liefst eentje op een hoek, vervolgens twee onder één kap, tot slot iets dat vrijstaand was, een bungalow, een villa of een kasteel.
Volgens die logica zagen de ouders van mijn jeugd het leven, en velen slaagden erin die logica aan hun wilskracht te onderwerpen. Vooruitgang bestond, als je maar werkte. De buitenwijk was een
startpunt van al die dromen, het was de bakermat van de stijgende lijn – het ideaal van het eigen bezit, onafhankelijkheid. Vrijheid. Zo zie ik het. Zo heb ik het beleefd. Het kan zijn dat het beeld
vertekend is door jeugdsentiment, heimwee en, melancholie, ongetwijfeld, maar dat doet er niet
toe. Het is een beeld dat staat, als het spreekwoordelijke huis.
Buitenwijken zijn er nog steeds.”

 

Martin Bril (21 oktober 1959 – 22 april 2009)

 

 

De Engels dichter en criticus Samuel Taylor Coleridge werd geboren op 21 oktober 1772 in Ottery St. Mary, Devonshire. Zie ook alle tags voor Samuel T. Coleridge op dit blog.

 

 

Kubla Khan

In Xanadu liet Kubla Khan
een statig lustpaleis ontstaan:
waar Alphs heilige waterstromen
door grotten waar geen mens kan komen
zonloos ten onder gaan.
Met muur en torens in het rond
omgordde hij tien mijlen grond:
daar waren kronkelbeekjes zonder tal
in tuinen vol van geurig wierookhout;
en zonnige priëlen overal,
omringd door donkere wouden, eeuwenoud.

Maar o, hoe dat romantische ravijn
dwars door een diepgroen cederbos zich kliefde!
Een woeste plek! Betoverend moest het zijn
als ooit onder bestorven maneschijn
bezocht door vrouw en haar demoon-geliefde.
Aan dit ravijn ontsprong, alsof de aarde
hijgend en keer op keer zichzelve baarde,
een ziedende fontein bij tijd en wijle;
en in die wild bruisende waterpijlen
als hagelstenen dansend stukken rots,

gelijk de tarwe onder dorsers knots:
en tussen die dansende rotsen hier
spoot telkens weer de heilige rivier.
Vijf mijl meanderden de waterstromen
in hun door bos en dal verborgen baan
om zich door grotten waar geen mens kan komen
te storten in een dode oceaan:
te midden van dit daverend geweld
werd Kubla tijd van oorlogen voorspeld.
De schaduw van het lustpaleis
zweefde midden op het water,
daar mengde zich de dubbele wijs
van grotten en fonteingeklater.
Hoe zeldzaam was de aanblik die dat schonk:
een zonnig lustoord met een ijsspelonk!

Ooit zag ik in een visioen
een donker meisje met een harp.
Ze kwam uit ’t Abessijnse land
en speelde harp met lichte hand,
zingend van de berg Abora.
Kon ik haar wonderschoon gezang
herwinnen in mijn fantasie,
zó stralend was mijn euforie –
ik bouwde zingend, luid en lang,
dat lustoord in de lucht; zie daar,
dat zonneoord! die grot van ijs!
Wie horen kon werd ze gewaar
en schreeuwde luid, Gevaar! Gevaar!
Zijn flitsend oog, zijn wapperend haar!
Omdans hem driemaal kringsgewijs,
vrezend zijn heilige overmoed:
hij is met honingdauw gevoed
en dronk de melk van het Paradijs.

 

 

Vertaald door Klaas de Wit

 

 

Samuel T. Coleridge (21 oktober 1772 – 25 juli 1834)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e oktober ook mijn blog van 21 oktober 2020 en eveneens mijn blog van 21 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:26 Reageer op dit bericht

Hans Warren, Arthur Rimbaud

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek (Deel 2)

“3 jan. 1945 – Haar vader begroette mij met gedempte stem en gaf me met omzichtigheid een hand. Dat deed hij de laatste tijd wel vaker en ik had geen voorgevoelens. Alleen de kat Peet was er niet, de fluwelig zwarte met zijn ogen van lichtend groen vuur. Ettie snelde de trap op om Sibylle te roepen. Ze kwam binnen, bleek, er sprong niets over, het was de sleur. Ik vroeg alleen: ‘Waarom heb je niets van je laten horen?’
‘Heb je mijn brief dan niet ontvangen? Ik had je vóor Kerstdag geschreven en de brief met marechaussee S. meegegeven die juist naar Borssele moest.’
‘Die brief heb ik nooit gekregen, maar waarom ben je niet gekomen?’
‘Dat kan ik niet in twee woorden zeggen. Zullen we even omlopen? Het duurt nog wel een kwartier eer we gaan eten, kom je mee?’
Buiten hing een kille natte damp die soms tot spetters verdichtte, net op de grens van vorst. Ik schoof mijn arm onder de hare, maar nauwelijks hadden we onze passen geregeld of ze zei: ‘Geef me geen arm, dan zullen de mensen zeggen: die meid liep alweer gearmd door de stad!’
‘Wat is er dan toch?’
‘Wel, ik had het uitgeschreven en wilde toen niet meer naar jullie toekomen.’
Ik vatte niet onmiddellijk de betekenis van ‘uitgeschreven’.
‘In m’n brief stond dat ik het niet meer vol kon houden, ik kàn dat ook niet langer en dan is het beter nu te breken, direct.’
‘Je wilt dus zeggen dat je het uitmaakt tussen ons. Moet dat zo, in dit kwartier, hier op straat in dit ellendige weer, zonder enig verder overleg? Jij bent al met de gedachte vertrouwd, maar mij overvalt het. Luister, sta me dit nog toe. Het is vandaag de dertigste.
Ga vanavond mee naar Borssele, blijf een dag, of een paar voor de jaarwisseling, zoals je wilt, dan kunnen we alles nog eens bepraten.’
‘O, dat mag ik niet meer. Ze weten thuis dat ik het uitgemaakt heb en dan vinden ze het onbehoorlijk als ik met je meega, tegenover jou, je ouders. Bovendien: wat heeft het voor zin, alles nog eens en nog eens te overwegen. We weten het nu wel, het is toch altijd precies hetzelfde? Ik kàn het echt niet langer volhouden.’
O.’
Stilte. We liepen naast elkaar door het natte park. Zij had de handen in de zakken van haar bontjas, ik hield de mijne stijf op de rug. Ook m’n benen voelden stijf aan, ze schuurden onwillig over het grint, of ik er geen controle over had.
Haar gezicht stond diep ongelukkig. Ik vreesde geen stem te zullen hebben als ik weer wat zeggen wou. Eindelijk: ‘Weet je heel goed wat je doet?’
Ze knikte.
‘Hoe is het zo ineens gekomen?’
‘Niet ineens – het is toch al lang mis. Het zou misschien wel goed komen wanneer we altijd bij elkaar konden zijn, maar dat gaat immers niet, en dan nog jaren dit gedoe, met telkens onze vervreemdingen, de scènes, het is veel beter er nu direct een eind aan te maken.”

 

 

slips hom

Meinacht heet op het plein. Laurier.
Zie je, zei hij, ik vind die slips
voor mannen die echte mannen zijn
wel fijn staan, ik heb een witte
en een bleu marine, maar zie je,
ik heb zo vaak last van een stijve
door ’t wiegen in bus of trein, en ook
achter ’t stuur, en ze zijn
zo krap en smal.

Hij liet het sportwagentje open, strompelde,
waarschijnlijk met een stijve, naar de tabac,
kwam terug, met sigaretten, postzegels,
zijn hemd helemaal losknopend,
een veel te duistere filmheld, met een lachje
dat van alles kon betekenen, nutteloos.
De rand van het slipje, bijzonder wit
zichtbaar boven zijn knellende broek.

 

 

Mijn laatste hond

Hij stond op de steiger toen ik wegvoer,
mijn enorme afghaan, vast geplant, niet gelovend
dat ik wegging, niet écht gelovend.
De avondbries streek het haar in zijn gezicht
en zijn ogen, liefhebbender, hunkerender
dan ooit mensenogen, en ook mooier,
lonkten en straalden in de ondergaande zon.
Pas toen duidelijk was dat ik werkelijk wegging,
eens en voorgoed, weerklonk zijn wanhoopsgeblaf.
Nooit wil ik meer een hond.

 

 

Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)
Cover

 

 

De Franse dichter Arthur Rimbaud werd geboren op 20 oktober 1854 in Charleville. Zie ook alle tags voor Arthur Rimbaud op dit blog.

 

Au cabaret-vert, vijf uur ’s middags

Een week lang had ik mijn laarzen versleten
Op ’t grint toen ik Charleroi binnenkwam.
– Au Cabaret-Vert: ik vroeg om te eten
Wat boterhammen en halfkoude ham.

Toen ik mijn benen uitgestrekt had onder
De groene tafel, keek ik in mijn schik
Naar het naïef behang. – En een bijzonder
Rondborstig meisje met een felle blik

– Zo eentje die zich voor geen zoen zou schamen! –
Bracht opgewekt mijn boterhammen samen
Met lauwe ham in een gekleurde schaal,

Wat roos en wit doorregen ham die geurde
Naar look, – en schonk een pul die schuimend kleurde
Tot goud in een verlate zonnestraal.

 

 

Vertaald door Paul Claes

 

 

Arthur Rimbaud (20 oktober 1854 – 10 november 1891)
Een generatief A. I. portret van Arthur Rimbaud

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e oktober ook mijn blog van 20 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten