Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 22 februari 2025 tot 23 februari 2025

Robert Gray

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags  voor Robert Gray op dit blog.

 

A Garage

In one of the side streets
of a small hot town
off the highway

we saw the garage,
its white boards peeling
among fronds and palings.

The sun had cut a blaze
off the day. The petrol pump
was from the sixties—

of human scale
and humanoid appearance
it had a presence,

seemed the attendant
of our adventures on the road,
the doorman of our chances.

We pulled in, for nostalgia,
onto concrete. From where
did that thing’s almost

avoidable sense of
sacrifice, or remorse,
arise? One felt it

as though a line
in the hand, drifted far off
somewhere, unweighted.

Who was this, in faded
cream outfit, with badge,
expressionless small head,

and rubbery hose laid
on the breast, dutifully
or out of diffidence?

Were arms being shown, and in
servitude or consent?
The stoic discomforts,

suggests a rebellion.
Elusively, such feelings
are wafted through us, but how

interpret them? A person
relied upon and yet
dangerous. Was this

another, or oneself?
Were we familiars of something
never to be known? I looked

down a blank street, of pines,
lightpoles, old houses
in shady yards, where it made

a genuflection, in approaching
the gentian-coloured hills;
then at the long workshop, a dim

barn, or empty corridor,
in the galaxy, with somewhere
far along it one star

crackling and bursting.
Then at the greasy
dog, in its narrow shade;

and at the old bowser—
a sense still proclaimed but
ungrasped, though everything

lay open. Someone shouted
acknowledgement, so we sat
quietly. The light

had become an interest
of this place, pronounced
in contrast with the peculiar

matt blackness of sump-oil
that was soaked widely
on earth, gravel, and cement—

an obscurity as opaque
as the heart’s, which was keeping on
with its tunnelling there.

 

 

IN STRIJKEND LICHT (Fragment)

Mijn moeder, negentig al, moet aan haar rolstoel
worden vastgegespt, en leunt toch nog vervaarlijk opzij;
ze steekt uit, als gebroken,
en kan iemand die dichtbij komt
met haar aanblik doorklieven. Ze hangt scheef
als haar scheve mond, in haar wazige
waardigheid, en zegt dat ze
het prima maakt. Het is onmogelijk haar een verwijt
te ontlokken of haar aandacht langer dan een seconde
op iets te vestigen. Vergeleken bij haar ziet Stephen Hawking
er nog gezond uit. Het is of ze
zijwaarts door een patrijspoort uit het leven wordt gezogen
en wij haar vasthouden bij haar voeten.
Ze is erg kalm.
Als je lang genoeg leeft ben je niet bang voor de dood
maar voor wat het leven nog vermag. En ergens schijnt ze
dat te weten,
ook al is er geen hoop dat ze het uit zou kunnen spreken.
Toch is ze zo kalm dat je aan onsterfelijken denkt
– een voor eeuwig aan de rand
van het leven verschrompelende Tithonus,
zij het zonder één klacht. Als je haar mee naar buiten neemt
lijkt mijn moeder bezig
aan een motorrace, zij de zijspanrijder
die de machine op de weg houdt door zo ver mogelijk
naast het wiel te hangen.
Ernstig, geconcentreerd tuurt ze
naar de finishlijn
terwijl we in cirkels voortkruipen door de taaie stroop
van een tuin achter het tehuis.
Haar mond is vol chaos.
Mijn moeder maalt de helften van haar gebit
als knikkers knarsend op elkaar
of laat ze losjes kletteren,
beschadigd, gebarsten. Omdat ze niet op haar tandvlees blijven zitten
spuugt ze ze uit, met een bruuske stotende kuch,
die haar laatste adem uit haar lijkt te persen.
Haar tanden trekken de speekseltrossen los
en belanden op haar schoot of in het gras.
Wat we in zulke ouderdom zien, is voor ons de voortijdige ontbinding van een lichaam,
terwijl het van de botten glijdt, terug naar protoplasma,
voordat het fatsoenlijk kan worden verborgen.
Het is of haast alle synapsen
tussen haar hersencellen kapot zijn
en nog zwakjes natrillen op de tocht van mijn stem,
lukrake en verkeerde verbindingen leggend:
ze werd een surrealistische dichteres.
‘Is het lekker, de zon
op je rug?’ vraag ik. ‘De zon
is mechanisch,’ deelt ze me mee op zakelijke toon. Wacht
even, denk ik, wordt ze nu
diepzinnig? (Want zonder aanleiding zegt ze: ‘Het meer wordt stoffig.’ Er is geen meer, hier
noch in het verleden. ‘Je moet het meer afstoffen.’)
Het zou kunnen,
‘Die jongen in de sterren is eten;’
of misschien: ‘De jongen is de ster in het eten’
en je denkt: nee, dit appelleert gewoon
aan mijn soort bijgeloof.
Het is een en al verwarring, en interpretaties
en misverstanden,
alleen maar de verraderlijke gladheid
van haar neergang.

 

 

Vertaald door Maarten Elzinga

 

 


Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e februari ook mijn blog van 23 februari 2022 en ook mijn blog van 23 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:17 Reageer op dit bericht

Arnon Grunberg, Edna St. Vincent Millay

De Nederlandse schrijver Arnon Grunberg werd geboren in Amsterdam op 22 februari 1971. Zie ook alle tags voor Arnon Grunberg op dit blog.

Uit: Blauwe maandagen

“Mijn vader handelde in postzegels, in ieder geval dat dachten mijn moeder en ik. Mijn moeder had me verteld dat zijn vader een drogisterij had. Dat was een drogisterij op een karretje. Die man liep de hele dag door Berlijn met dat karretje. ‘Op een dag troffen ze hem dood boven zijn karretje aan,’ zei ze, ‘maar dat kwam niet door de SA, dat kwam door de neunundneunziger.’ Even later zei ze: ‘Maar mijn ouders hadden een meubelzaak, en later zelfs twee, en daar hebben we geen cent voor gekregen, geen cent.’ Wij woonden in Düsseldorf in een hotel, waar aan de muur een soort gedenksteen was bevestigd: ‘Hier heeft de jonge dichter Heine gelukkige jaren doorgebracht’. Daarvan moesten we natuurlijk een foto maken, met mij ervoor. Ik werd gek van de jonge dichter Heine. Toen ik nog op de lagere school zat, ging ik weleens met mijn vader mee op reis. Hij bleef nooit lang weg, een of twee dagen. In de trein aren we broodjes met koosjere worst, die hij zelf had klaargemaakt. Maar we aten ook wel niet-koosjere worst, en veel poffertjes en gebak. Dat was net zo goed als warm eten, volgens hem. Hij ontmoette mensen in cafés. Het was warm. Ik droeg mijn korte broek. Mijn vader was kaal. Ze dachten dat hij mijn opa was. Ze vroegen: ‘Lekker op stap met opa?’ We gingen een café binnen, en daar zat dan de man met wie hij had afgesproken. Ook oud en ook kaal. Ze dronken een paar wodkaatjes. Ik kreeg ijs, altijd ijs. Ze praatten urenlang met elkaar. Mijn vader wilde nooit zeggen wat hij met die kale mannen had besproken. Als we klaar waren in het café, gingen we naar de kermis. We aten braadworstjes. Hij zei dat God niet op een braadworstje meer of minder keek. God misschien niet, maar mijn moeder wel. ’s Avonds gingen we weer naar een café, daar ontmoetten we nog zo’n grijze man. Zo’n man die voor God zou kunnen spelen in een slechte film. Er werden weer wodkaatjes gedronken. Mijn vader wond zich op. Zijn haren leken op stro. Hij had ze namelijk heel lang laten groeien om de kale plek op zijn hoofd te bedekken, maar als hij zich opwond vielen ze voor zijn ogen. ‘Auf bessere Zeiten,’ riepen ze. Mijn vader sloeg op tafel. Niemand lette op hem. Ze sloegen daar allemaal op tafel. Het ging over het Majdanek-proces. Of misschien wel weer over de jonge dichter Heine. Allemaal één pot nat. Mijn moeder dacht dat ik met hem mee was gegaan om postzegels te verkopen, maar ik had geen postzegel gezien. Ik vroeg of hij ze verkocht had. Hij wilde niets zeggen. Ook regen mijn moeder niet. Als je verder vroeg, zei hij alleen maar ‘Iedereen heeft zijn verhaal, ook de dommen en de onwetenden.”

 

 


Arnon Grunberg (Amsterdam, 22 februari 1971)

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Edna St. Vincent Millay werd geboren op 22 februari 1892 in Rockland, Maine. Zie ook alle tags voor alle tags voor St. Vincent Millay op dit blog.

 

Sonnet

de tijd heelt alle wonden? leugenaar!
mij maak je dat soort dingen niet meer wijs,
ik mis hem op het strand en op het ijs,
ik mis hem onder nul en zonneklaar.

de tijd stuurt oude bladeren op reis
en goochelt met de sneeuw van vorig jaar,
en kan veel doen verkeren weliswaar,
maar mijn verdriet ontsnapte aan zijn zeis.

er zijn wel honderd oorden die ‘k vermijd,
alleen maar omdat hij ze indertijd
gewijd heeft met zijn voetstap en zijn stem.

op onbekend terrein zoek ik respijt,
en denk: hier ben ik al mijn heimwee kwijt,
en sta aldus weer oog in oog met hem.

 

 

Vertaald door Willem Wilmink

 

 


Edna St. Vincent Millay (22 februari 1892 – 19 oktober 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e februari ook mijn blog van 22 februari 2024 en ook mijn blog van 22 februari 2022 en ook mijn blog van 22 februari 2019 en ook mijn blog van 22 februari 2015 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:17 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten