Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 26 februari 2025 tot 27 februari 2025

Cynan Jones, Elisabeth Borchers

De Welshe schrijver Cynan Jones werd geboren op 27 februari 1975 in Aberystwyth, Wales. Zie ook alle tags voor Cynan Jones op dit blog.

Uit: De burcht (The Dig, vertaald door Jona Hoek)

“De hond bewoog zich toen Daniel tussen de gebouwen door liep, kwam aan zijn ketting overeind, strekte zich en geeuwde, en in het licht van de lantaarn zag Daniel dit luie uitrekken en het licht van de lantaarn werd door de schakels van de ketting gevangen.
Hij stak de voederplaats over, hoorde het knisperen van hooi dat door het vee bij de ruif in het zich verspreidende strijklicht van de schuur werd weggemalen, hoorde hoe de hond zich uitschudde en het zich weer gemakkelijk maakte in het hok achter hem.
De nacht kabbelde stilletjes.
Hij ging de schapenstal in. De ooien waren uitgerust en de plek was moederlijk en rustig. Er klonk enkel het knisperen en zo nu en dan de kuch van een schaap. Hij plaatste de lantaarn op een plank en deed het licht aan. Een paar lammeren begonnen te mekkeren en er klonk een gerammel in de warmtebox, waar de weesjes opgewonden raakten bij de gedachte aan voeding.
Terwijl hij wacht tot het water in de waterkoker kookt loopt hij door de schuur. Aan de dwarsbalken hangen cd’s, vreemde astrale objecten in dit semilicht, nu genegeerd door de mussen en spreeuwen die ze moeten buiten houden. Zo nu en dan vangen ze wat licht en voorzien de ruimte van een misplaatste kerstsfeer en hij denkt aan hoe zij ze ophing, aan haar andere provisorische uitvindingen, alsof ze een kind was dat modellen van de televisie maakte.
Een eenzame mot wordt door de wind naar binnen gedragen, botst tegen de kale peer boven de waterkoker, puntig, een dwarrelend stukje as tegen de witte gloeidraad, opgebrand papier, gevangen in de luchtstroom van een of ander vuur, onzichtbaar, onvoelbaar.
In het achterste hok stampt een ooi op de grond, de bovenlip opgetrokken als een paard. Hij heeft wacht, dus hij moet blijven tot ze lammert, hoewel hij weet dat dit Beulah-ras goede moeders zijn en meestal geen hulp nodig hebben. Hij weet dat ze er dicht tegenaan zit, dat het niet lang meer zal duren.
De waterkoker tolt mechanisch op zijn houder, spuwt stoom in het licht van het peertje en slaat af. Hij mengt de poedermelk en terwijl hij de brede kan op de plank laat afkoelen controleert hij de stallen, de vermoeide lammeren slaperig en gedwee onder de warmte van hun moeders, tilt de waterbakken uit hun houders en schept het drijvende hooi en de uitwerpselen die het water chromatografisch bevlekken eruit; en het geroffel van het vullen van de waterbakken verstoort het zachte gemaal van de sluimerende ooien niet, die erbij liggen alsof ze uitgeput zijn van het eten, iets wat kenmerkend voor ze is. En in deze stille nacht heeft hij een ogenblik het gevoel alsof iets onzichtbaars hem aanraakt, de tijdloosheid van het werk dat hij doet, alsof hij een man van ieder tijdperk kan zijn.”

 


Cynan Jones (Aberystwyth, 27 februari 1975)

 

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

 

Tijd. Tijd

Ik moet eindelijk begrijpen
dat ik tijd heb.
Tijd voor de vogel op de borstwering
die met mij praat, in opdracht van.
Tijd voor de lampenvoet
waarin het licht van de aarde wordt gereflecteerd.
Tijd voor de kat op blauw fluweel
in het kleinste formaat aan de muur
geschilderd door Almut, toen beiden nog leefden.
Ook voor het schaap met de zwarte oren
de loensende ogen, de scheve muil en de
dorstige mond. Indiaans, heel eenvoudig, instructief.
Missen zal ik het in de komende eeuw.
Ik heb nog niet een stilzwijgend woord
met de gedroogde roos gewisseld, van waar en waarheen ook.
En het kalenderboek in zwart leer
met het gouden jaartal
gaapt elegant uitelkaar om me in en uit te laten.
Leren, tijd te hebben.
Leren, dat het te laat is.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 
Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 27e februari ook mijn blog van 27 februari 2021 en ook mijn blog van 27 februari 2019 en eveneens mijn blog van 27 februari 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

George Barker, Hermann Lenz

De Engelse dichter George Granville Barker werd geboren op 26 februari 1913 in Loughton, Essex. Zie ook alle tags voor George Barker op dit blog.

 

 

True Confession

2
The Church, mediatrix between heaven
And human fallibility
Reminds us that the age of seven
Inaugurates the Reason we
Spend our prolonged seniority
Transgressing. Of that time I wish
I could recount a better story
Than finding a shilling and a fish.
But memory flirts with seven veils
Peekabooing the accidental
And what the devil it all entails
Only Sigmund Freud suspects.
I think my shilling and my fish
Symbolised a hidden wish
To sublimate these two affects:
Money is nice and so is sex.

The Angel of Reason, descending
On my seven year old head
Inscribed this sentence by my bed:
The pleasure of money is unending
But sex satisfied is sex dead.
I tested to see if sex died
But, all my effort notwithstanding,
Have never found it satisfied.

Abacus of Reason, you have been
The instrument of my abuse,
The North Star I have never seen,
The trick for which I have no use:
The Reason, gadget of schoolmasters,
Pimp of the spirit, the smart alec,
Proud engineer of disasters,
I see phallic: you, cephalic.

Happy those early days when I
Attended an elementary school
Where seven hundred infant lives
Flittered like gadflies on the stool
(We discovered that contraceptives
Blown up like balloons, could fly);
We memorised the Golden Rule:
Lie, lie, lie, lie.

For God’s sake, Barker. This is enough
Regurgitated obscenities,
Whimsicalities and such stuff.
Where’s the ineffable mystery,
The affiancing to affinities
Of the young poet? The history
Of an evolving mind’s love
For the miseries and the humanities?

The sulking and son loving Muse
Grabbed me when I was nine. She saw
It was a question of self abuse
Or verses. I tossed off reams before
I cared to recognize their purpose.
While other urchins were blowing up toads
With pipes of straw stuck in the arse,
So was I, but I also wrote odes.

There was a priest, a priest, a priest,
A Reverend of the Oratory
Who taught me history. At least
He taught me the best part of his story.
Fat Father William, have you ceased
To lead boys up the narrow path
Through the doors of the Turkish Bath?
I hope you’re warm in Purgatory.

And in the yard of the tenement
– The Samuel Lewis Trust – I played
While my father, for the rent
(Ten bob a wekk and seldom paid),
Trudged London for a job. I went
Skedaddling up the scanty years,
My learning, like the rent, in arrears,
But sometimes making the grade.

Oh boring kids! In spite of Freud
I find my childhood recollections
Much duller now than when I enjoyed
It. The whistling affections,
All fitting wrong, toy railway sections
Running in circles. Cruel as cats
Even the lower beasts avoid
These inhumanitarian brats.

Since the Age of Reason’s seven
And most of one’s friends over eight,
Therefore they’re reasonable? Even
Sensible Stearns or simpleton Stephen
Wouldn’t claim that. I contemplate
A world which, at crucial instants,
Surrenders to adulterant infants
The adult onus to think straight.

At the bottom of this murky well
My childhood, like a climbing root,
Nursed in dirt the simple cell
That pays itself this sour tribute.
Track any poet to a beginning
And in a dark room you will find
A little boy intent on sinning
With an etymological lover.

I peopled my youth with the pulchritude
Of heterae noun-anatomised;
The literature that I prized
Was anything to do with the nude
Spirit of creative art
Who whispered to me: ‘Don’t be queasy.
Simply write about a tart
And there she is. The rest’s easy.’

And thus, incepted in congenial
Feebleness of moral power
I became a poet. Venial
As a human misdemeanour,
Still, it gave me, prisoner
In my lack of character,
Pig to the Circean Muse’s honour.
Her honour? Why, it’s lying on her.

Dowered, invested and endowed
With every frailty is the poet –
Yielding to wickedness because
How the hell else can he know it?
The tempted poet must be allowed
All ethical latitude. His small flaws
Bring home to him, in sweet breaches,
The moral self indulgence teaches.

Where was I? Running, so to speak,
To the adolescent seed? I
Found my will power rather weak
And my appetite rather greedy
About the year of the General Strike,
So I struck, as it were, myself:
Refused to do anything whatsover, like
Exercise books on a shelf.

Do Youth and Innocence prevail
Over that cloudcuckoo clime
Where the seasons never fail
And the clocks forget the time?
Where the peaks of the sublime
Crown every thought; where every vale
Has its phantasy and phantasm
And every midnight its orgasm?

I mooned into my fourteenth year
Through a world pronouncing harsh
Judgments I could not quite hear
About my verse, my young moustasche
And my bad habits. In Battersea Park
I almost heard strangers gossip
About my poems, almost remark
The bush of knowledge on my lip.

Golden Calf, Golden Calf, where are you now
Who lowed so mournfully in the dense
Arcana of my adolescence?
No later anguish of bull or cow
Could ever be compared with half
The misery of the amorous calf
Moonstruck in moonshine. How could I know
You can’t couple Love with any sense?

Poignant as a swallowed knife,
Abstracted as a mannequin,
Remote as music, touchy as skin,
Apotheosising life
Into an apocalypse,
Young Love, taking Grief to wife,
And tasting the bitterness of her lips
Forgets it comes from swabbing gin.

The veils descend. The unknown figure
Is sheeted in the indecencies
Of shame and boils. The nose gets bigger,
The private parts, haired like a trigger,
Cock at a dream. The infant cries
Abandoned in its discarded larva,
Out of which steps, with bloodshot eyes,
The man, the man, crying Ave, Ave!

 


George Barker (26 februari 1913 – 27 oktober 1991)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Hermann Lenz werd op 26 februari 1913 in Stuttgart geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Lenz op dit blog.

 

Lieve tijd

Wat was het
In zijn geheel gezien?

Eeuwige wijsheid
Kunnen ze van jou niet verwachten.
Misschien heb je iets gemist.

Liefdesaffaires en reizen?
De gezichten van de landen?
Je hebt tenslotte veel gezien
Tussen Leningrad en San Francisco,
Echter onder ongemakkelijke omstandigheden,
Maar het maakt niet uit.

Ach, lieve tijd.

Je bent gelukkig als je ongehinderd
Ergens loopt of ligt,
Aan de rand van het bos bijvoorbeeld.

Bij heldere hemel, een blik in de verte.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Hermann Lenz (26 februari 1913 – 12 mei 1998)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e februari ook  mijn blog van 26 februari 2022 en ook mijn blog van 26 februari 2019 en eveneens mijn blog van 26 februari 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:42 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten