Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 10 april 2025 tot 11 april 2025

Leonard Nolens, Mark Strand

De Belgische dichter en schrijver Leonard Nolens werd geboren in Bree op 11 april 1947. Zie ook alle tags voor Leonard Nolens op dit blog. 

 

 

Prijs ons

Liefde, hoe
Gierig, hoe bleek, hoe mager
Ben je vandaag, ik kijk los
Door je heen.
Hoe pover, hoe schamel, hoe moe
Gevochten liggen je kleren
Van ons met elkaar in de knoop
Op de vloer. En hoe schraal is je praat
Van ons in dat dun en broos bed.

Armtierige,
Maak je weer dik.
En scherp onze tongen en tanden
En nagels, getongd en getand
En genageld verstaan wij mekaar
Als geroepen van jaren
Her, van straten
Ver.

Prijs ons,
Prijs ons paar.
En prijs onze goede gemeenplaats
Van langzame seks in de luwte,
Prijs die trage paringsdrift.
Die draagt ons hoog op handen
Door het holste van de nacht.
Kom, prijs ons, prijs ons aan
Bij jou,
Liefde.

 

 

De derde

1

Er moet een ander zijn die morrelt aan de deur,
Een man die met zijn vreemde sleutel binnenvalt,
Een hond die ’s nachts tussen ons in komt staan
Om je te plagen met zijn mes van vlees, zijn geur
Van whisky, leer, tabak. Hij koestert in zijn vacht
Een zon die jou verschroeit. We kunnen hem aan.

Hij is de dief die de gevangenis van onze liefde
Platloopt met zijn elegante poten en dan gaat,
Ons achterlaat met zijn stank en geblaf, zijn pijn
Van ons. Maar elke winter komt hij weer, hij praat
Je om met zijn brutale bek, zijn lastige brieven
Die ons in leven houden. Er moet een ander zijn.

 

2

Ik ben niet meer alleen met jou alleen.
We werden door een derde aangeraakt
In onze slaap en wakker gemaakt, uiteen
Genomen als een doos, een klok, een maat
Van twee die niet meer klopt zoals voorheen.

We dragen hem als een gestorven kind
Dat ons bedreigt met zijn afwezigheid.
Het zal nog groeien in zijn dood, het wint
Aan kracht tot het ons huis verlaat en zwijgt.
Maar dit is september, luisteren, kijken, blind.

 

 


Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.

 

Wat het was

I

Het was niet te verbeelden, onmogelijk
Het niet te verbeelden; het blauwe ervan, de schaduw erover,
Hoe het omlaag valt en de duisternis vult met de kou van zichzelf,
Een kou die ontvalt aan zichzelf, uit wat voor zelfspiegeling ook,
Het beschreef toen het viel zoiets als iets nietigs,
Een punt, een stip, een stip in een stip, een peilloze diepte
Om bijna niets; een lied, maar minder dan een lied, iets dat verzinkt
In zichzelf, iets dat wegvloeit, een klankstroom, maar minder
Dan klank, het verklinken ervan, het verklonkene,
Dat broos en geruisloos zijn weerklank vult, en wegvalt,
En ongemerkt aanzwelt, en weer wegvalt, en altijd zo door,
En altijd omdat, en uitsluitend omdat het er eenmaal, ooit, was…

 

 

Vertaald door H.C. ten Berge

 

 


Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e april ook mijn blog van 11 april 2020 en eveneens mijn blog van 11 april 2019 en mijn blog van 11 april 2017 en ook mijn blog van 11 april 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.

Geschreven door Romenu om 17:09 Reageer op dit bericht

Leo Vroman, Johannes Bobrowski

De Nederlandse dichter Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook alle tags voor Leo Vroman op dit blog.

 

 

De luiaard en het mos

Wat mos dat op een luiaard groeide
bemerkte eensklaps dat het bloeide.

Het sprak dus nederig tot dit dier:
‘Als ik U niet te zeer versier

verblijf ik met versch. hoogacht.
dienstwillig in Uw Ondervacht.’

‘Waarde Plant’ antwoordde het beest,
‘reeds lang heb ik dit moment gevreesd,

doch denk niet dat dat zo maar gaat!
Waartoe meent U dat U bestaat?

Niet zo maar voor de aardigheid,
doch tot ons beider waardigheid.

Wil dies Uw soortvreemd onfatsoen
niet en/of elders verder doen.’

Dus maakte het verlegen mos
zich droevig van het peenhaar los,

wentelde neer, landde gezond,
en tiert nu welig op de grond.

Doch het beest, ontmost, bleef hangen
met ordinair gegolfde, lange
rosse lokken; een spreeuwin
maakte daar haar nestje in.

Met veel meer pruiksel dan gevoel
breide zij tafel, bed en stoel.

Het volle, rode voorportaal,
haar laag beroep; en wel speciaal

haar taal
maakten de luiaard helemaal
kaal.

Moraal:
Wie met het hoofd zijn vrienden maakt
blijft ver rondom het hart spiernaakt.

 

 

Een boot

Een kaakvis onder in de oceaan.
Nachtstromen voelt hij door zijn beenderharen
en door zijn kieuwen gaan, zijn wiegende lantaren
flakkerend, een spookdoorjaagde maan.

Hij ziet het schaduwbeeld wegwiegen van zijn licht,
en zwemt vermoeid het wijkend donker binnen
dat hem een hand is, bitter te beminnen,
strelingloos en warm bij zijn gezicht.

En als de weemoed niet meer is te drinken
moet hij zijn schijnsel zwak zien worden, doven,
en zoete vingers die de laatste vlekken roven
om zijn verdwenen bekken voelen zinken.

Een arend ligt voorover in de hemel,
spreidt zijn geveerde oude armen uit,
starend in het wemelen der diepte;
en als de wind zijn schrale ogen sluit

voelt hij de ruimte door zijn vingers glijden,
droom in droom uit moet hij zich laten vallen,
een stroom verdeeld in watervallen.
Zijn geest voelt zich ontploffen en verwijden
en ziet zijn schedel tegen het water knallen.

Tussen de hoogte en de diepte ijlt een boot.
Alles danst van doodsangst voor de dood.

 

 

Een manier

Als er geen God is,
god wat is er dan?
Een raar geluid? en
waar komt dat dan uit,
niet eens van buiten
als ik tot slot
ja, sterf eigenlijk, god,
wat vergaat op dat ogenblik,
de wereld of ik?
Zie ik over al dit land
dan de schaduw, het zweet, de hand
neerdalen en ik kan
niet meer opzij, laat mij dan
goed gaan liggen om och
tegen wie praat ik eigenlijk nog

 

 


Leo Vroman (10 april 1915 – 22 februari 2014)

 

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

 

 

Op de joodse handelaar A.S.

Ik stam uit Rasainen.
Dat is waar de tweede woudnacht
voorbijgaat, als je komt van de stroom,
waar zich het struikgewas opent
en uit de weiden dringt
gelend het zand.

Daar zijn de nachten helder.
Onze vrouwen doven de vuren
tijdig. Lang
ademen wij, diep met de donkere
dolende windvlaag.

Alles hebben wij, iedere
tijd uit de handen der vaderen.
Hun zorg houdt ons wakker.
Hun oversterde geduchte
glanst door de twijgen van ons gesprek.
Kleumend storten wij voor hen
graven. Lang legeren
zich de wolken daarboven, rook.

Altijd gaat iemand heen,
kijkt niet om, geen wuiven
volgt hem. Doch vast houdt hem
de spreuk der ouden aan de post
van de poort boven de zee nog. Ver
wekt hem van berkenlanen
klaaglijk klinkend snarenspel.

 

Vertaald door C. O. Jellema

 

 


Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)

 

Zie voor de schrijvers van de 10e april ook mijn blog van 10 april 2020 en eveneens mijn blog van 10 april 2019 en ook mijn blog van 10 april 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:10 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten