Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Walter Jens, Rolf Jacobsen

De Duitse schrijver, classicus, literair historicus, criticus en vertaler Walter Jens werd geboren op 8 maart 1923 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Walter Jens op dit blog.

Uit:  Frau Thomas Mann

„Es scheint eine Selbstverständlichkeit gewesen zu sein, dass die Kinder zu den Eltern ins Bett stiegen und ihrer Neugier freimütig Ausdruck gaben: «Erik (sechsjährig) sagte, bei mir im Bett liegend, <Muttchen, ich kenne von deiner Nacktheit nur das Gesicht, ich möchte wohl mal deine ganze Nacktheit kennen lernen.>» Und als der Vater die Tür seines Zimmers, in dem er sich mit seiner Tochter unterhielt, schließen wollte, da die Buben nebenan ihre Nachttoilette machten, protestierte die Neunjährige heftig: etwas «Bekanntschaft mit dem Leben» müsste sie schließlich behalten. Auch an den Unterhaltungen über die Frage «Wo kommen die kleinen Kinder her?» wurden die Eltern beteiligt: «An den Storch glaubt keines», Eintrag der Mutter an Peters Geburtstag 1889, «Kati meint, sie fallen aus einem Loch im Himmel», während Peter es «ganz genau» weiß: «du legst uns, wie die Kühe die Kälber legen!» Doch auch er hatte noch Fragen, die die Mutter gewissenhaft aufschrieb: «Wenn ich nur wüßte, wo man herauskommt.» Dass «auch unverheiratete Leute Kinder bekommen», schien Allgemeinwissen zu sein. Der Älteste hatte den Kalender seines Vaters offenbar gründlich studiert und machte während der Unterhaltung geltend, dort stünde, «daß in München jährlich einige 1000 Kinder außer der Ehe geboren werden» und man schließlich wisse, dass Emilie auch ein Kind habe. Ein paar Jahre später verfügte die neunjährige Kati über so viel Bildungswissen, dass sie fähig war, diese Tatsache in einen dubiosen, aber immerhin originellen Erklärungszusammenhang einzuordnen: «Im Altertum hatte man die Kinder nicht gern, und jetzt weiß ich auch, warum im Altertum die Frauen eine so niederträchtige Stellung hatten: weil sie die Kinder machen.» Auch prekäre Situationen galten nicht als tabu. Es war von den Kindern offenbar nicht unbemerkt geblieben, was in München jedermann wusste: Alfred Pringsheim war – was sein Verhältnis zu Frauen anging – «höchst flatterhaft» (so jedenfalls drückte es der zwölfjährige Erik gegenüber der Mutter aus). Auf die Frage, was er damit meine, antwortete der Sohn: «Nun ja, er läuft jeden Tag einer anderen nach, heut Hannchen, morgen Milka [A, ist das recht?» Als die Mutter meinte, jeder dürfe doch tun, «was ihm Vergnügen» bringe, flüsterte der achtjährige Klaus entsetzt und «mit Tränen im Auge»: «der Fey ist ein zweiter Frankfurter!» «Wir haben geschrien [vor Lachen]», setzte Hedwig Pringsheim erklärend in Klammern hinzu. «Ich hatte tags zuvor von einem grässlich zudringlichen, ekligen kleinen Kerl namens Frankfurter erzählt, der die Damen im Theater sehr belästigt.» Was als Bloßstellung des Vaters gegenüber den Kindern erscheinen könnte, erweist sich durch die folgenden Eintragungen als alltägliche Diskussion, denn es zeigt sich, dass dem Familienoberhaupt die Äußerungen der Kinder – selbst wenn sie in seiner Abwesenheit getan waren – selbstverständlich berichtet wurden und er sich nicht selten selbst an dergleichen Gesprächen beteiligte: «Wir sitzen am Theetisch», Eintrag der Mutter im Dezember 1891; «ich meine, Alfred, der noch fehlt, trinke gewiß bei Milka Thee.“

 

Walter Jens (8 maart 1923 – 9 juni 2013)
De familie Mann in 1924: v.l.n.r. Katia, Monika, Michael, Elisabeth, Thomas, Klaus en Erika. Golo ontbreekt op deze foto.

 

De Noorse dichter en journalist Rolf Jacobsen werd geboren op 8 maart 1907 in Kristiania. Zie ook alle tags voor Rolf Jacobsen op dit blog.

 

Regenboog watervaldamp

Vrijheid
dachten ze en openden de deuren van de sluis.

Vrijheid, vrijheid
toen de waterval traag aanwentelend
met dondertonen alle dalen binnendrong.

Vrijheid
riepen ze toen de droomsluier van de regenboog
als een schuimwolk voor hun oog verscheen.

Vrijheid
totdat het avonddonker kwam
en ze een stad zagen die langzaam werd gewurgd,
waar straat na straat verkwijnde,
ongemerkt, uit gebrek aan zichzelf.

 

Vertaald door Amy van Marken

 

Rolf Jacobsen (8 maart 1907 – 20 februari 1994)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e maart ook mijn blog van 8 maart 2021 en ook mijn blog van 8 maart 2020 en eveneens mijn blog van 8 maart 2019 en ook mijn blog van 8 maart 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:36 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Robert Harris, Günter Kunert

De Britse schrijver en journalist Robert Dennis Harris werd geboren op 7 maart 1957 in Nottingham. Zie ook alle tags voor Robert Harris op dit blog.

Uit: Dictator (Vertaald door Arjaan en Thijs van Nimwegen)

“Ik herinner me hoe de kreten van Caesars oorlogsbazuinen ons achtervolgden over de duisterende velden van Latium — hun smachtend, jammerend gehuil, als van bronstige dieren — en hoe, toen ze verstomden, enkel nog het geschuifel klonk van onze schoenen op de ijzige weg, en onze wilde, hijgende adem.
Voor de onsterfelijke goden was het onvoldoende dat Cicero werd bespuwd en verguisd door zijn medeburgers; onvoldoende dat hij midden in de nacht van de haard en altaren van zijn familie en voorvaderen werd verdreven, onvoldoende zelfs dat hij terwijl wij te voet van Rome wegvluchtten omkeek en zijn huis in vlammen zag opgaan. Zij vonden het noodzakelijk aan al deze kwellingen nog een laatste hand te leggen: dat hij gedwongen was aan te horen hoe het leger van zijn vijand het kamp op het Marsveld opbrak
Hij was de oudste van ons gezelschap, maar Cicero hield gelijke tred met de rest. Onlangs nog had hij het leven van Caesar in de palm van zijn hand gehouden. Hij had het kunnen vermorzelen als een ei. Maar nu was hun beider fortuin volkomen gekeerd. Terwijl Cicero naar het zuiden vluchtte om aan zijn vijanden te ontsnappen, marcheerde de bereider van zijn ondergang naar het noorden om beide Gallische provincies onder zijn gezag te brengen.
Hij liep met gebogen hoofd, zwijgend, en ik vermoedde dat hij te zeer vervuld was van wanhoop om te spreken. Pas bij het aanbreken van de dag, toen we met onze paarden samenkwamen bij Bovillae en klaarstonden voor het tweede deel van onze vlucht, bleef hij staan, met zijn voet in de deuropening van zijn rijtuig en zei plots: ‘Denk je dat we terug moeten gaan?’
Die vraag overviel me. ‘Ik weet het niet,’ zei ik. ‘Ik heb er niet over nagedacht.’
“Nou, denk er dan nu dan maar over na. Waarom vluchten we uit Rome weg?”
“Vanwege Clodius en zijn bende.”
“En waarom is Clodius zo machtig?”
“Omdat hij tribuun is, en wetten tegen u kan aannemen.”
“En wie heeft het mogelijk gemaakt dat hij tribuun kon worden?”
Ik aarzelde. “Caesar.”
“Precies. Caesar. Dacht je dat het toeval was dat die man precies op dat moment naar Gallië is vertrokken? Natuurlijk niet! Hij heeft gewacht tot zijn spionnen hem meldden dat ik uit de stad was vertrokken, en pas daarna beval hij zijn leger te vertrekken. Waarom? Ik heb steeds aangenomen dat hij Clodius heeft gepromoveerd om mij te straffen, omdat ik me tegen hem had uitgesproken. Maar wat als zijn werkelijke doel al die tijd was mij uit Rome te verdrijven? Wat is dat voor list dat hij zeker moeten weten dat ik weg ben voordat hij ook vertrekken kan?”

 

Robert Harris (Nottingham, 7 maart 1957)

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Kunert werd geboren op 6 maart 1929 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Günter Kunert op dit blog.

 

NOTITIES IN KRIJT

1

Neergezet op het gesternte
van onze pijn
als barak. Maar sterker dan welk fort dan ook
en permanenter. Blootgesteld
aan het bitterste weer. Eeuwig voorlopig:
ik.

2

Doorgansstation
voor gevoelens, gedachten, dromen.
Na een kort verblijf
steeds weer leeg en verlaten
het treinstation van mijn angstige mijn hopeloze
gebeente:
Omhoog gewerveld
zinken terug op de versteende grond
de asvlokken, ooit levend en verwant aan
dezelfde
die elke dag zijn huid riskeert
en niet naar de prijs vraagt.

3

Voor wie
zes miljoen doden een getal is
zoals zes miljoen mark
zoals zes miljoen sterren
zoals zes miljoen conservenblikjes
altijd dezelfden
die het hoofd schudden en de schouders ophalen
over degene die mijn naam
onthult:

Die ronddwaalt
tussen allen die niemand kan begraven
met een gedienstige hand
geen handlanger van deze planeet op deze
planeet:

Omdat de korst uit vergeten
nog steeds te dun en
te levend de vlijtige moordenaars zijn
nog en nog altijd.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Günter Kunert (6 maart 1929 – 21 september 2019)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e maart ook mijn blog van 7 maart 2021 en ook mijn blog van 7 maart 2019 en ook mijn blog van 7 maart 2016 en ook mijn blog van 7 maart 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 14:18 Reageer op dit bericht

Patrick deWitt, Günter Kunert

De Canadese schrijver en scenarist Patrick deWitt werd geboren op 6 maart 1975 op Vancouver Island. Zie ook alle tags voor Patrick deWitt op dit blog.

Uit: The Librarianist

“The morning of the day Bob Comet first came to the Gambell Reed Senior Center, lie awoke in his mint-colored house in Portland, Oregon, in a state of disappointment at the fact of a dream interrupted. He had again been dreaming of the Hotel Elba, a long-gone coastal location he’d visited at eleven years of age in the middle 1940s. Bob was not known for his recall, and it was an ongoing curiosity to him that he could maintain so vivid a sense of place after so many years had passed. More surprising still was the emotion that ac-companied the visuals; this dream always flooded his brain with the chemical announcing the onset of profound roman-tic love, though he’d not known that experience during his time at the hotel. He lay in his bed now, lingering over the feeling of love as it ebbed away from him. Bob sat up and held his head at a tilt and looked at nothing. He was a retired librarian, seventy-one years of age, and not unhappy. His health was sound and he spent his days reading, cooking, eating, tidying, and walking. The walks were often miles long, and he set out with no destination in mind, choosing his routes improvisationally and according to any potentially promising sound or visual taking place down any potentially promising street. Once he’d witnessed an apartment fire downtown; the hook-and-ladder brigade had saved a baby from an uppermost window and the crowd on the sidewalk had cheered and cried and this was highly exciting for Bob. Another time, in the southeast quadrant, he’d watched a de-ranged man determinedly ripping out the flower beds in front of a veterinarian’s clinic while dogs looked on from the windows, craning their necks and barking their sense of offense. Most days there was not so much to report or look upon, but it was always good to be in motion, and good to be out among the population, even if he only rarely interacted with any one person. He had no friends, per se; his phone did not ring, and he had no family, and if there was a knock on the door it was a solicitor; but this absence didn’t bother him, and he felt no craving for company. Bob had long given up on the notion of knowing anyone, or of being known. He communicated with the world partly by walking through it, but mainly by reading about it. Bob had read novels exclusively and dedicatedly from childhood and through to the present. On this day, Bob was fed and out the door before nine o’clock in the morning. He had dressed according to the weatherman’s prediction but the weatherman was off, and so Bob had gone into the world unprepared for the cold and wet. He enjoyed being outdoors in poor weather but only if he was properly outfitted; in particular he disliked having cold hands, which he did have now, and so he entered a 7-Eleven, pouring himself a cup of coffee and lingering by the news-paper rack, warming himself while gleaning what news he could by the headlines.”

 

Patrick deWitt (Vancouver Island, 6 maart 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Kunert werd geboren op 6 maart 1929 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Günter Kunert op dit blog.

 

Dwaalwegtol

Ik stopte daar
de auto en stapte uit.
Nergens een mens.
Lieflijke rotsen rondom.
Jij bent de oude weg
van Rome naar Niflheim.
Achter de kronkelige bergen echter
ligt het Duitse bos op de loer
en de wereldgeschiedenis, het wereldoordeel,
het vergaan en het vergeten.
Erop uitgetrokken voor imperiums,
naar huis teruggekeerd nooit echt. Alleen
de rots
gedenkt zowel hen als mij
in alle stilte, die was, die is,
die blijft
over afgronden heen
het enige dat leeft.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Günter Kunert (6 maart 1929 – 21 september 2019)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e maart ook mijn blog van 6 maart 2023 en ook mijn blog van 6 maart 2022 en ook mijn blog van 6 maart 2020 en ook mijn blog van 6 maart 2019 en ook mijn blog van 6 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 10:12 Reageer op dit bericht

Koos van Zomeren, Pier Paolo Pasolini

De Nederlandse schrijver, columnist en dichter Koos van Zomeren werd geboren in Velp op 5 maart 1946. Zie ook alle tags voor Koos van Zomeren op dit blog.

Uit: Omstandigheden

“Waar gaan we heen?” Debbie. Debbie ten voeten uit. Opgewekt, een tikje geforceerd misschien. Het verbaast me wel eens hoe aanwézig ze op zulke momenten is.
Dit is nieuw, dat ze langskomt omdat ze, zoals ze zegt, toevallig in de buurt was. Maar er begint al een patroon in te komen. Doorgaans op dinsdag, wat later op de ochtend. Koffie heeft ze dan al gehad. We maken een praatje en dan gaat ze met haar laptop aan de keukentafel zitten, voor mij het sein om me met een boek of een sudoku terug te trekken in de voorkamer. Tussen de middag eten we samen een boterham. Intussen zorgen deze bezoekjes ervoor dat ik het huis op orde houd, en broodtrommel en koelkast gevuld. Waarschijnlijk is dat ook de bedoeling ervan. Op gezette tijden regelt ze mijn bankzaken of verlost ze me van andere ongemakken die zich voordoen op de elektronische snelweg; de digitale vaardigheden die ik de laatste jaren in de boekhandel had verkregen, zijn zodoende als sneeuw voor de zon verdwenen. En dan is het: nou pa, ik ga, tot kijk maar weer. Haar vertrek is al even ingrijpend als haar aankomst. Het stuift altijd een beetje waar Debbie zich beweegt. Kuskuskus. Bij haar mik je geen Chanel maar appeltjes. In een paar sprongen de trap af. In de tussentijd ben ik bij het raam gaan staan om te kijken hoe ze op haar fiets stapt en de straat uit rijdt en verdwijnt om de hoek bij het mortuarium. We zwaaien niet. We zwaaien nooit. Kom op zeg, vader en dochter, we zijn geen geliefden of zo. Toch hoor ik er vaak iets van muziek bij, het smartelijke ‘adio’ uit een Italiaanse of in elk geval Italiaans gezongen opera. Mozart? Of toch Verdi? La Traviata? lk draai me om. Het huis is leeg.
lk wierp snel nog een blik op de kaart, zoals je dat ook doet wanneer je het lezen van een boek moet onderbreken: om te onthouden waar je gebleven bent. Daarna vouwde ik haar op en schoof ik haar terug in het plastic hoesje met het vignet van de kaartenwinkel. Alpenvereinskarte, 3/2, Lechtaler Alpen, Arlberggebiet (1:25 000).
“Lech am Albert, zei ik. ‘We zijn daar nu drie keer geweest, de eerste keer twee dagen, de tweede keer drie dagen en de derde keer een week En als ik op die kaart kijk: ik heb daar nog niet de helft gedaan van wat ik zou willen doen.”

 

Koos van Zomeren (Velp, 5 maart 1946)

 

De Italiaanse filmregisseur, dichter en schrijver Pier Paolo Pasolini werd geboren in Bologna op 5 maart 1922. Zie ook alle tags voor Pier Paolo Pasolini op dit blog.

 

DEEL VAN EEN BRIEF AAN DE JONGEN VAN CODIGNOLA

Beste jongen, ja, natuurlijk, laten we elkaar ontmoeten,
maar verwacht niets van deze ontmoeting.
Niet meer dan een nieuwe teleurstelling, een nieuwe
leegte: een van die ontmoetingen goed
voor narcistische waardigheid, als verdriet.
Met mijn veertigste ben ik nog net zo als toen ik zeventien was.
Hoe gefrustreerd ook, de veertigjarige en de zeventienjarige
zijn zeker in staat om elkaar te ontmoeten, stamelend
over gemeenschappelijke ideeën, over problemen
waartussen twee decennia zitten, een heel leven,
ook al zijn ze schijnbaar hetzelfde.
Totdat één woord, dat zijn weg uit de onzekere kelen vond,
uitgeput van het huilen en de wens om alleen te zijn
de ongeneeslijke ongelijkheid van dit alles onthult.
En samen met jou zal ik de dichter-
vader moeten spelen, en dan terugvallen op ironie –
Wat je in verlegenheid zal brengen: de veertigjarige
inmiddels de meester van zijn eigen leven,
levendiger, jonger dan de zeventienjarige.
Afgezien van deze waarschijnlijkheid, deze schijn,
heb ik je niets anders te vertellen.
Ik ben gierig, het weinige dat ik bezit
houd ik dicht tegen mijn duivelse hart.
En de twee stukken huid tussen jukbeen en kin,
onder de mond misvormd door een gedwongen, timide
glimlach, en het oog dat zijn zoetheid
verloren heeft, als een vijg die zuur is geworden –
vóór jou kan het exacte portret verschijnen
van de volwassenheid waar je door gekweld wordt,
een niet broederlijke volwassenheid. Wat heb jij aan
een generatiegenoot – die slechts verwelkt
in de magerheid die zijn vlees verslindt?
Wat hij heeft gegeven, heeft hij gegeven, de rest
is uitgeput medeleven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Pier Paolo Pasolini (5 maart 1922 – 2 november 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e maart ook mijn blog van 5 maart 2020 en eveneens mijn blog van 5 maart 2019 en ook mijn blog van 5 maart 2018 deel 1 en ook mijn blog van 5 maart 2017 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Robert Kleindienst

De Oostenrijkse dichter en schrijver Robert Kleindienst werd geboren op 4 maart 1975 in Salzburg. Zie ook alle tags voor Robert Kleindienst op dit blog.

 

+ 143 –

alles ist
wie es war
im Einstieg

der Himmel: nichts
als eine Decke
aus schwarzem Papier
das wächst
wenn man schreibt

und wie schnell
alles verfliegt, verflog
was weiß blieb und
unbeschrieben

 

Serenissima

ich komme dir näher jedes Mal
aufs Neue trete sprachlos zurück vor dir
hinter jeder Ecke wartest du
auf mich lässt mich dich
so schwer ertragen
dass ich endlich schweben möchte
über dir jedes Mal
aufs Neue

 

Herbstaugenblick

früher Reif auf der Parkbank
in Ansätzen wird wieder spürbar
woher der Wind weht der doch
so fremd ist die Hände
halten sich fest noch
und warm
während man zu Tauben
am Strommast blickt
fast schon berührt

 

Voorteken

het wordt bewolkt de eerste ramen
worden gesloten nog
valt er geen druppel uit de hemel
vliegen zwaluwen laag over het veld
in huis spreekt men gelaten
met de weerdienst houdt
polissen bij de hand voor de tijd erna

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Kleindienst (Salzburg, 4 maart 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e maart ook mijn blog van 4 maart 2019 en ook mijn blog van 4 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Abbas Khider, Robert Kleindienst

De Duits-Iraakse schrijver Abbas Khider werd geboren op 3 maart 1973 in Bagdad. Zie ook alle tags voor Abbas Khider op dit blog.

Uit: Brief in die Auberginenrepublik

„Das elendige, von armen Einheimischen und Ausländern bevölkerte Viertel Ras Ebeda, das man hier spöttisch »Gaddafi City« nennt, schläft tief unter der Decke der schwülen Hitze. Es ist der i. Oktober, und dennoch sieht alles aus wie in einem Dampfbad. Als ich die Hauptstraße erreiche, die nur dreihundert Meter von meinem Haus entfernt liegt, sticht mir die Hitze bis in die Knochen. Die Bushaltestelle steht mitten in der Sonne, ohne Mauer oder Dach. Um mich herum gibt es nur leere Straßen und geschlossene Geschäfte. Nichts bewegt sich, allein der Wind lässt den Staub und einige am Straßenrand liegende Zeitungsfetzen, Zettel und Plastiktüten hochfliegen. Dieses Wetter verwandelt Bengasi zur Zeit der Mittags-ruhe in eine Geisterstadt. Fast alle Menschen sitzen da-heim in ihren Wohnungen, genießen die kühle Luft der Klimaanlage, halten Mittagsschlaf und glotzen ägyptische und syrische Seifenopern. Seit die Regierung Satelliten erlaubt hat, machen die Leute hier nichts anderes, als die Welt auf dem Bildschirm zu entdecken. Endlich, ein weiß-blauer Bus taucht auf. Der Fahrer fährt langsam, hält an und ruft: »Stadtmitte, Strandpromenade. Schnell!« Ich steige ein und setze mich auf einen der hinteren Plätze. Außer mir gibt es noch acht weitere Fahrgäste. Die klimatischen Verhältnisse im Inneren des Busses gleichen einer libyschen Bäckerei. Alles riecht nach Fett und nach Schweiß. Die Klimaanlage funktioniert nicht, und ich bin bereits nach kurzer Zeit schweiß-gebadet. Keiner sagt etwas. Wieso eigentlich? Normaler-weise plaudern die Menschen hierzulande gern. Stau gibt es zum Glück keinen. Der Bus fährt trotzdem so langsam, als würde er behutsam auf Eiern rollen. Bis ich die Nasserstraße erreiche, wird es bestimmt ein Weilchen dauern. Doch ich bin nicht weit vom Ziel entfernt. Unfassbar, dass es nur noch wenige Minuten dauern wird, bis ich den Brief abschicken kann und darf. Zwei Jahre habe ich warten müssen. Seit zwei verdammten Jahren träume ich davon, eine Möglichkeit zu finden, ihn in einen Briefumschlag zu stecken und »Adieu« zu sagen. Die letzten beiden Tage habe ich ausschließlich da-mit verbracht, diesen Brief zu verfassen. Ich arbeitete an ihm, und noch gestern überdachte, verbesserte und änderte ich das Geschriebene. Dabei musste ich immer an Samia denken, wollte ihr eine Menge erzählen und konnte doch nur wenig sagen. Auch früher schrieb ich zahlreiche Briefe an sie, die sich im Laufe der Zeit in ein kleines Buch verwandelten, das ich jedoch vernichtete, weil mich die Hoffnungslosigkeit übermannte, alles wäre vergebens und diese Briefe würden niemals abgeschickt werden. Es war und ist mir immer noch unvorstellbar, einen Brief ein-fach mit einer Briefmarke zu bekleben und loszuschicken. Wenn es so einfach wäre, schriebe ich jede Woche einen langen Brief an Samia. In den ersten Monaten nach meiner Ankunft in Bengasi ging ich einmal wöchentlich zur Post. Jedes Mal stand ich vor dem Postgebäude und begriff, dass diese Idee nicht besonders gut war.“

 

Abbas Khider (Bagdad, 3 maart 1973)

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Robert Kleindienst werd geboren op 4 maart 1975 in Salzburg. Zie ook alle tags voor Robert Kleindienst op dit blog.

 

Keerkring

Ga met ons mee naar het voorplein
slachten wij je maankalf
uit daar kunnen we blijven
tot de dageraad aanbreekt

wat spits je de oren
dit zijn slechts stappen, kom
blijf we maken
ramen in je rug

vraag niet
vraag niet naar de laatste
dag hij brandt op in de asbak
en de handen vegen
haarresten weg zoals altijd
dageraad
onvindbaar

stilstand, nu.
stilstand.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Kleindienst (Salzburg, 4 maart 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e maart ook mijn blog van 3 maart 2020 en ook mijn blog van 3 maart 2019 en ook mijn blog van 3 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Godfried Bomans, Michael Salinger

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: De onsterfelijke Pa Pinkelman

“Zo leefden Pa Pinkelman en tante Pollewop tevreden op hun hofje te Haarlem. Het was een alleraardigst hofje, met hardstenen stoepjes, groen geschilderde luifels en een pomp in het midden, waar door de week water uitkwam en op Zon- en feestdagen limonade, want de regenten waren geen krentenkakkers en keken niet op een dubbeltje. Het was oorspronkelijk een Doopsgezind hofje geweest, maar later was het Remonstrants geworden en nu was het Anti-Revolutionnair, met uitzondering van Pa Pinkelman en tante Pollewop (Vrijzinnig), het echtpaar Rompelbeen (Christelijk-Historisch) en een der regenten, die door een misverstand bij de K.A.B. was aangesloten en vergeten had er werk van te maken. Er heerste vrede en welvaart, de oudjes waren allen gelukkig getrouwd en leidden een onberispelijke levenswandel. De voornaamste bron van inkomsten van het hofje was Pa Pinkelman. Tot uit Amerika en Tahiti kwamen de vreemdelingen om zijn huisje met de gevelsteen te zien. Voor de somma van vijf centen vertoonde de beroemde man zich voor het raam en voor een dubbeltje kwam hij naar buiten en gaf de vreemdeling een hand. In het begin was Pa Pinkelman daar zuinig mee, maar later zag hij het breder en holde meteen naar buiten, als er vreemdelingen kwamen.
Aan vrouwelijke bezoekers gaf hij wel eens, als hij daar gegronde reden toe zag, een kus en dat kwam op een kwartje. Soms gaf hij eerst de kus en declareerde dan het kwartje, maar het kwam ook wel voor dat hij eerst het kwartje wilde hebben en pas daarna de kus gaf. Tijdens de zomermaanden, als het toerisme op zijn hoogtepunt was, kuste hij op die wijze een aardige boterham bij elkaar. In de loop van het Holland-festival kwam hij zelfs, de omzetbelasting niet meegerekend, tot een halve ton, allemaal in gloednieuwe kwartjes, en was hij ’s avonds doodop. De regenten hielden drie vergaderingen over de vraag of dit niet, vooral op de Zondagen, als onzedelijk moest beschouwd worden. Eerst dachten ze van wèl, maar toen Pa Pinkelman verklaarde dat de helft van elk kwartje voor het hofje was, begonnen ze te twijfelen en gaven de zaak over aan de kerkeraad. De kerkeraad gaf de zaak over aan een commissie, die na een stormachtige bijeenkomst besloot dat de beslissing hierover bij de regenten lag, waarna de regenten Pa Pinkelman een brief schreven om op Zondag de dubbele prijs te berekenen. Zo rolde het leven genoegelijk voort, tot er op een dag iets vreselijks gebeurde.
Een der regenten was van een wandeling thuis gekomen, had zich bij de haard gezet en was op de zeldzame gedachte gekomen om de Statuten van het hofje eens door te nemen. Zo gaat dat soms: men zit bij de kachel, verveelt zich en denkt opeens: kom, laat ik eens wat statuten gaan lezen. Hij las een half uur, sloot toen het boek en stak de straat over, waar een andere regent woonde. “Willem,” sprak hij ernstig, “ons hofje leeft in concubinaat.”

 

Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)
Portret door Aleid Slingerland, 1964/1972

 

De Amerikaanse dichter en performer Michael Salinger werd geboren op 2 maart 1962 in Cleveland, Ohio. Zie ook alle tags voor Michael Salinger op dit blog.

 

Onder de dekens

Ik ben al mijn beste ideeën vergeten
dat weet ik zeker
ik heb ze zien ontsnappen
vervliegen in de verte
gekleed in stralende pracht
in de gloeiende kleur van onwetendheid
zich nooit omdraaiend om gedag te zwaaien
noch om te erkennen dat ik
enig aandeel gehad heb in hun oorsprong
het moment voordat ik in slaap val
beloof ik mezelf dat ik ze niet zal vergeten
toch glijden mijn heldere ideeën weg
stil, geurloos, volkomen onopgemerkt
door de prikkelbare zwart-witte hond
zalig snurkend aan mijn zijde
verderop in de gang loopt mijn idee op zijn tenen
rechtsaf achter de keuken
strikt een paar van mijn gymschoenen
legt een dubbele knoop waarvoor een vork nodig is om hem los te maken
draait zachtjes aan de knop van mijn voordeur
met de concentratie van een kluiskraker
ontsnapt in de aanhoudende nacht
als een beschaamde minnaar
allemaal omdat ik liever
onder de dekens blijf
dan dat ik het comfort van mijn bed verlaat om een notitie te maken

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Salinger (Cleveland, 2 maart 1962)

 

Zie voor de schrijvers van de 2e maart ook mijn blog van 2 maart 2020 en ook mijn blog van 2 maart 2019 en ook mijn blog van 2 maart 2018 en ook mijn blog van 2 maart 2014 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:01 Reageer op dit bericht

Maart (Jacqueline van der Waals), Jan Eijkelboom, Elisabeth Borchers

 

Koude maart door Rafael Sander, 2011

 

Maart

’t Is pas Maart, de winterweiden
Dragen nog een waasje wit
En de zwarte akkers beiden
’t Zaad nog naakt en omgespit.

Maar de musschen in de boomen
Piepen al met luid misbaar
En de fijne katjes komen
Reeds aan wilg en hazelaar.

’t Is al Maart, de dagen lengen
En de zon begint alvast,
Op de wei wat kleur te brengen
Met een lichte schilderskwast.

Nog een maand en allerwegen
Kiemt het veld en kleurt de wei;
Nog een maand of twee gezwegen,
Dan is ’t bloeimaand, dan is ’t Mei!

 

Jacqueline van der Waals (26 juni 1868 – 29 april 1922)
Den Haag, de geboorteplaats van Jacqueline van der Waals

 

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

 

Wijnhaven

Stutten, die ook alweer gaan rotten,
verhindren ’t huis om in te storten.

Klimop drong door de ramen heen
zodat het in november scheen

of in die wankele warande
nog mensen zorgden voor hun planten.

Maar dat bedrieglijk groenfestijn
is nu van een verschrompeld bruin,

terwijl van buiten kale ranken
het huis omknellen en verankren.

Tot aan dit wankel evenwicht
een kat, een zwerver, ik wellicht

een einde maakt en mét de stenen
straks in de haven is verdwenen.

Een lauwe vloedgolf geeft nog aan:
hier heeft een deftig huis gestaan

waar eens bepruikte kooplui zagen
hoe in de wemelende haven

het lager volk de winst opbracht
die bij droeg tot hun kalm gezag.

Alleen het water bleef in leven,
en ’t huis. Maar dat nog slechts voor even.

 

Afloop

1
Op oude paden ligt het blad
in slijk tot pulp verplet.
Wij hadden samen nog gezien
hoe het tot rood en goud verschoot
eer het verstoten werd.

Niet meer de blote takken
met in december al aan ’t end
de knop die blinkt als nieuw metaal
in winterzon, voorjaarsmachinerie
die geen break down kent.

2
De opgezette man stond voor het raam,
zag in de tuin de vuurdoorn beven.
Er zat een gele vogel in
die van de bessen at.
De man wou wel weer leven.

Kan troost zo simpel zijn?
Er is een pijn die bijna
zichzelf verdooft, er is een weten
dat geen behoefte heeft het liefste,
als ’t voorbij is, te vergeten.

 

Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)
Portret door Janus Nuiten, 2003

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

hoor en zie

hoor en zie
deze tijd
deze plotselinge
rooddoornige tijd
wanneer de vrouwen naar de rivier willen
wanneer de mannen naar de rivier willen
wanneer iemand zegt
het leven is mooi geworden
en ik ben mooi

maar wanneer het nacht wordt
maar wanneer de nacht levendig wordt
maar wanneer de nacht een kooi wordt
maar wanneer de vogels
door open monden vliegen
en de stemmen luider zijn dan de stemmen

hoor
wanneer er iemand is
en iemand zal er altijd zijn
die sprakeloos zichzelf ziet weggaan
hij
de vleugelloze
op straat
de vleugelsnelle
in het blauwe blauw

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e maart ook mijn blog van 1 maart 2021 en ook mijn blog van 1 maart 2020 en ook mijn romenu blog van 1 maart 2019  en ook mijn blog van 1 maart 2015 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:55 Reageer op dit bericht

Benedict Wells, Howard Nemerov

De Duitse schrijver Benedict Wells werd geboren geboren in München op 29 februari 1984. Zie ook alle tags voor Benedict Wells op dit blog.

Uit: Hard Land

„In diesem Sommer verliebte ich mich, und meine Mutter starb. Das alles ist jetzt schon mehr als ein Jahr her, aber für mich wird es immer »dieser« Sommer bleiben. Komischer-weise denke ich oft daran, wie ich damals hinter dem Haus stand und mit einem Schlauch den Garten besprengte. Es war der Anfang der Sommerferien, und von dem Berg an Langeweile, der vor mir aufragte, hatte ich noch nicht mal die Spitze abgetragen. Ich starrte auf die Felder in der Ferne. Die Luft stand still, und je länger ich auf diese idyllische Landschaft blickte, desto unschärfer wurde sie an den Rändern. Bis ich da-hinter wieder die Angst spürte, die ich aus meiner Kindheit kannte: Dass der Moment gleich kippen und etwas Schlimmes geschehen würde …Aber wie immer betrog mich dieses Gefühl. Weil, danach passierte natürlich wieder gar nichts. Bis mich meine Eltern ins Wohnzimmer riefen.
In diesen Ferien hatten sich ein paar Dinge fast über Nacht geändert, wie wenn man überrascht feststellt, dass man ein Stück gewachsen ist. Mich überkam öfter aus dem Nichts eine seltsame Wut, und ich stellte mir Fragen, die ich mir früher nie gestellt hatte. Zum Beispiel, wieso” die meisten Erwachsenen so scharf darauf waren, zu arbeiten und Kin-der in die Welt zu setzen, wenn am Ende sowieso der Tod kam und alles wegfegte. Und ob meine Mom überhaupt glücklich mit meinem Vater sein konnte, so wie ihr Leben mit ihm verlaufen war. Jedenfalls, die beiden saßen also auf der Wohnzimmer-couch und verkündeten, dass sie tolle Nachrichten für mich hätten. »Wir haben mit Tante Eileen gesprochen«, sagte Mom, »du kannst sie für ein paar Wochen besuchen. Jimmy und Doug würden sich freuen.« Ich hatte Mühe, meine Atmung zu kontrollieren. Jimmy und Doug waren meine Cousins aus Kansas, sie wogen zusammen so viel wie ein Pferd und hatten mir schon einige Abreibungen verpasst. Ich konnte mir vorstellen, dass sie sich auf mich freuten. Bei meinem letzten Besuch hatte ich mich vor ihnen auf der Mülldeponie versteckt und den ganzen Tag Steine auf ein rostiges Schild geworfen. »Das könnt ihr nicht machen … Im Ernst, niemals fahre ich da noch mal hin.« Dad sagte streng wie immer: »Doch, das tut dir gut! Du bist die letzten Tage wieder nur in deinem Zimmer gehockt. Du musst mal raus und unter Leute.« Und Mom sagte: »Schatz, ich weiß, dass die Situation mit mir … schwierig für dich ist. Aber gerade deshalb ist es gut, wenn du nicht so allein bist. Vielleicht findest du in Wichita ja auch ein paar Freunde.« Das war’s also, diese Freundesache war schon seit Monaten ihr großes Thema. Ich war fast sechzehn, und sie behandelten mich wie ein Kind.“

 

Benedict Wells (München, 29 februari 1984)

 

De Amerikaanse dichter en literatuurdocent Howard Nemerov werd geboren op 29 februari 1920 in New York. Zie ook alle tags voor Howard Nemerov op dit blog.

 

Stormramen

Mensen plaatsen nu stormramen,
Of deden dat, vanochtend, tot de hevige regen
Ze naar binnen dreef. Dus toen ik tussen de middag thuiskwam,
Zag ik stormramen op de grond liggen,
Het frame vol regen; door het water en het glas
Zag ik het verpletterde gras, hoe het leek weg te stromen
In rijen als zeewier op het getij
Of tarwehalmen die buigen onder de wind.
De rimpeling en het spatten van regen op het wazige glas
Leek even iets te zeggen, toen ik langsliep:
Iets wat ik graag tegen je had willen zeggen,
Iets… het droge gras boog onder de ruit
Boordevol stuiterend water… iets van
Een wuivende helderheid die blind weerkaatst
Deze eenzame middag vol herinneringen
En gemiste verlangens, terwijl de winterse regen
(Onuitsprekelijk, de afstand in de geest!)
Langs de staande ramen loopt en weg.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Howard Nemerov (29 februari 1920 – 5 juli 1991)
In 1958

 

Zie voor meer schrijvers van de 28e en de 29e februari ook mijn blog van 28 februari 2021 en ook mijn blog van 28 februari 2020 en ook mijn blog van 28 februari 2019 en eveneens mijn blog van 28 februari 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 14:37 Reageer op dit bericht

Bart Koubaa, Howard Nemerov

De Vlaamse schrijver Bart Koubaa (pseudoniem van Bart van den Bossche) werd geboren op 28 februari 1968 in Eeklo. Zie ook alle tags voor Bart Koubaa op dit blog.

Uit: Dansen in tijden van droogte

“Ik voel me ongemakkelijk bij ‘en hopelijk ook kan schrijven’, dat ik automatisch heb ingetikt. Wat weet ik van de jongeman op de foto? Wat weet ik van Kenia? Ik kan het land niet eens op de kaart van Afrika aanwijzen. Tot mijn opluchting staat bij het artikel een kaartje van het Victoriameer en van Afrika waarop het Victoriameer rood is omcirkeld. Juma Collins en ik nu ook, wij bevinden ons dus in Oost-Afrika.
Wat kan ik nog meer over de foto zeggen? Elk jaar geef ik mijn studenten de opdracht een foto uitgebreid te bespreken, dan moet ik het nu zelf maar een keer doen.
Ik kijk naar de foto van Juma Collins, achttien jaar, een levende vogelverschrikker in een rijstveld bij het Victoriameer. Zonder het bijschrift onder de foto had ik iets anders gezien. Maar wat zie ik? Ik zie een derde lucht, een verloop van donkerblauw bovenaan naar lichtblauw, twee derde groen rijstveld met in het midden een constructie van houten palen en blauw plastic, een tentje waarin Juma Collins, geel T-shirt, gele pet, op een krukje met zeven poten voor zich uit zit te staren. Zoals het elke vogelverschrikker betaamt, de levende en de niet-levende, steekt Juma Collins in zijn tentje scherp af tegen de horizon.
De lucht en het veld worden doormidden gesneden door bomen en een weg, nauwelijks zichtbaar, een strakke lijn die als het ware door Juma Collins’ ogen loopt en zijn gezicht benadrukt. Dat gezicht, in zijaanzicht gefotografeerd als was het een politiefoto, is nauwelijks leesbaar, het lijkt een silhouet. Ik haal het vergrootglas van mijn vader erbij. Voor mij ligt uiteraard niet de originele foto, maar een reproductie in de krant.
Ten eerste valt me op dat op de korte stokken die het krukje vormen een doek ligt als was het een zadel. Ik merk naast het krukje ook een achtste poot op, waarvan niet duidelijk is waarvoor hij dient. Ten tweede wordt het beeld niet door een weg doormidden gesneden, maar door een bos waarvoor tenten of hutten staan, die ik voor auto’s hield, links erboven hangen twee verwaarloosbare witte wolkjes, rechts lijkt een even verwaarloosbare rookpluim uit het bos op te stijgen, maar dat kan net zo goed een billboard zijn, want achter de rij bomen kan wel degelijk een weg liggen, mogelijk naar het Victoriameer. In de verte merk ik eenzelfde tentje op; Juma Collins is niet alleen, er zijn nog meer vogelverschrikkers aan het werk, wat logisch lijkt gezien de omvang van het rijstveld.”

 

Bart Koubaa (Eeklo, 28 februari 1968)

 

De Amerikaanse dichter en literatuurdocent Howard Nemerov werd geboren op 29 februari 1920 in New York. Zie ook alle tags voor Howard Nemerov op dit blog.

 

De hond uitlaten

Twee universums slenteren door de straat
Verbonden door liefde en een riem en niets anders.
Meestal kijk ik door de bladeren naar lamplicht
Terwijl hij met staart omhoog en snuit naar beneden kuiert,
Een geheime kennis door de neus vergaart
Bijna volledig verborgen voor mijn ogen.

Wij staan stil terwijl hij in vervoering raakt door een struik
Tot ik ons stilstaan niet meer kan verdragen
En hem wegtrek; want onze relatie
Is het geduld dat balanceert tussen het rukken naar deze
En het trekken naar die kant; een paar symbionten,
Tevreden omdat ze elkaars gedachten niet denken.

Wat we nog meer gemeen hebben, is wat hij me leerde:
Ons interesse in stront. We kennen het in elke staat
Van vers stomen via stank tot de manier waarop de natuur
Het door de straat sluist, opgelost in de regen
Of opgedroogd tot stof dat wegwaait.
We lopen door de straat en inspecteren stront.

Zijn gevoel ervoor is veel scherper dan het mijne,
En alleen als hij de juiste plaats vindt
Geeft hij dit aan door dringend te snuffelen
En draait hij zich driemaal om, en hurkt, en schijt,
Waarop we allebei waardig naar huis lopen
En om te laten zien wie het baasje is, schrijf ik dit gedicht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Howard Nemerov (29 februari 1920 – 5 juli 1991)

 

Zie voor meer schrijvers van de 28e en de 29e februari ook mijn blog van 28 februari 2021 en ook mijn blog van 28 februari 2020 en ook mijn blog van 28 februari 2019 en eveneens mijn blog van 28 februari 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:18 Reageer op dit bericht

Cynan Jones, Elisabeth Borchers

De Welshe schrijver Cynan Jones werd geboren op 27 februari 1975 in Aberystwyth, Wales. Zie ook alle tags voor Cynan Jones op dit blog.

Uit: De lange droogte (Vertaald door Jona Hoek)

“HET KALF
Hij was eerder wakker geworden en naar buiten gegaan om bij de koeien te kijken. De nacht was stil geweest en hij had weer niet kunnen slapen door alle gedachten die de stilte van de bewegingloze nacht vulden; dus was hij opgestaan en de heldere, stille ochtend in gelopen. Een hele tijd lang was het heel stil geweest. Dat was voordat het licht werd.
Met het licht van de zaklamp vond hij het doodgeboren kalf in het stro van de stal. Hij wreef over het stompje van zijn ontbrekende vinger. Hij kon de adem van de koeien zien in de ochtendlucht – die zelfs toen koud was – en de warme damp die van sommige lichamen af sloeg. De moeder van het doodgeboren kalf was ernaast neergeknield en loeide zacht en treurig. De andere dieren sisten en briesten en kauwden stro.
Hij pakte het dode kalf bij de enkels en tilde het uit het stro dat bebloed was geraakt door de geboorte, niet door de dood van het kalf. Het was vreemd omdat de moeder het kalf had schoongelikt. Hij dacht aan hoe de moeder haar kalf likte en maar niet begreep waarom het niet onhandig opstond, de poten buiten proportie, de ogen wijd. Waarom het ongelooflijke wankele nieuwe leven ervan uitbleef.
Hij droeg het kalf de stal uit, telde ondertussen de koeien binnen, en ging het veld in. Kate zou verdriet hebben om het kalf. Er stierven maar zelden kalveren bij hen.
Boven de heuvels achter de boerderij begon het langzaam licht te worden. Het was slechts een dunner worden van de erg zwarte nacht waardoor de sterren meer schitterden, vibreerden als de hals van een vogel en een licht verspreidden dat schreeuwerig was vergeleken met hun nietigheid. Hij had gezien dat er een koe ontbrak.
Hij hoopte dat ze de stal uit was geglipt en het veld in was gegaan, waar andere koeien met oudere kalveren stonden. Ze stond op het punt te kalven en was zwaar en was mogelijk vertrokken vanwege de verschrikking van het doodgeboren kalf.
In het donker kon hij de koe nergens zien en hij droeg het dode kalf over het veld, zwaar begraasd omdat het niet had geregend. Ergens, in de buurt van het land waar hij zijn oog op had laten vallen, ging een grote vrachtwagen grommend over de weg. Hij liet het kalf in de put achter in het veld vallen omdat hij niet wilde dat Kate het zou zien en omdat het duur was dode kalveren op te sturen om te laten uitzoeken waaraan ze gestorven waren. Je raakt er altijd een paar kwijt, wist hij. Er is geen reden voor. Je raakt er gewoon een paar kwijt. Hij hoopte dat de koe niet verdwenen was.”

 

Cynan Jones (Aberystwyth, 27 februari 1975)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

Montmartre

De wolken zwermen uit
de wind beweegt de kronen
Brancusi’s kus, nog steeds
tot in de dood.
De regen verblindt mij
en mijn ingewanden
het hart is van steen
en nog zwaarder
Ik wil dat je het zachter maakt
bespreek het zoals op de jongste dagen.
De klok van de Saint-Jean
is gemaakt van plaatstaal.
Hoe moet het verder
als de brokstukken vallen
Het is pas twee
en dan al drie uur.
Het is het wachten
dat mij moe maakt
en ziek.
Hoe lang nog
tel ik de poorten van de hemel.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor de schrijvers van de 27e februari ook mijn blog van 27 februari 2021 en ook mijn blog van 27 februari 2019 en eveneens mijn blog van 27 februari 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

George Barker

De Engelse dichter George Granville Barker werd geboren op 26 februari 1913 in Loughton, Essex. Zie ook alle tags voor George Barker op dit blog.

 

True Confession

1
Today, recovering from influenza,
I begin, having nothing worse to do,
This autobiography that ends a
Half of my life I’m glad I’m through.
O Love, what a bloody hullaballoo
I look back at, shaken and sober,
When that intemperate life I view
From this temperate October.
To nineteen hundred and forty-seven
I pay the deepest of respects,
For during this year I was given
Some insight into the other sex.
I was a victim, till forty-six,
Of the rosy bed with bitches in it;
But now, in spite of all pretexts,
I never sleep a single minute.

O fellow sailor on the tossing sea,
O fleeting virgin in the night,
O privates, general in lechery,
Shun, shun the bedroom like a blight:
Evade, O amorous acolyte,
That pillow where your heart can bury –
For if the thing was stood upright
It would become a cemetery.

I start with this apostrophe
To all apostles of true love:
With your devotion visit me,
Give me the glory of the dove
That dies of dereliction. Give
True love to me, true love to me,
And in two shakes I will prove
It’s false to you and false to me.

Bright spawner, on your sandbank dwell
Coldblooded as a plumber’s pipe –
The procreatory ocean swell
Warming, till they’re over ripe,
The cockles of your cold heart, will
Teach us true love can instil
Temperature into any type.

Does not the oyster in its bed
Open a yearning yoni when
The full moon passes overhead
Feeling for pearls? O nothing, then,
Too low a form of life is, when
Love, abandoning the cloister,
Can animate the bedded oyster,
The spawning tiddler, and men.

Thus all of us, the pig and prince,
The prince and the psychiatrist,
Owe everything to true love, since
How the devil could we exist
If our parents had never kissed?
All biographies, therefore,
– No matter what else they evince –
Open, like prisons, with adore.

Remember, when you love another,
Who demonstrably is a bitch,
Even Venus had a mother
Whose love, like a silent aitch,
Incepted your erotic itch.
Love, Love has the longest history,
For we can tell an ape his father
Begot him on a mystery.

I, born in Essex thirty-four
Essentially sexual years ago,
Stepped down, looked around, and saw
I had been cast a little low
In the social register
For the friends whom I now know.
Is a constable a mister?
Bob’s your uncle, even so.

Better men than I have wondered
Why one’s father could not see
That at one’s birth he had blundered.
His ill-chosen paternity
Embarrasses the fraternity
Of one’s friends who, living Huysmans,
Understandably have wondered
At fatherhood permitted policemen.

So I, the son of an administer
Of the facts of civil laws
Delight in uncivil and even sinister
Violations. Thus my cause
Is simply, friend, to hell with yours.
In misdemeanours I was nourished –
Learnt, like altruists in Westminster,
By what duplicities one flourished.

At five, but feeling rather young,
With a blue eye beauty over six,
Hand in hand and tongue to tongue
I took a sin upon my sex.
Sin? It was pleasure. So I told her.
And ever since, persisting in
Concupiscences no bolder
My pleasure’s been to undress sin.

What’s the point of a confession
If you have nothing to confess?
I follow the perjuring profession
– O poet, lying to impress! –
But the beautiful lie in a beautiful dress
Is the least heinous of my transgressions:
When a new one’s added, ‘O who was it? ‘
Sigh the skeletons in my closet.

Ladybird, ladybird, come home, come home:
Muse and mistress wherever you are.
The evening is here and in the gloom
Each bisexual worm burns like a star
And the love of man is crepuscular.
In the day the world. But, at night, we
Lonely on egoes dark and far
Apart as worlds, between sea and sea,

Yearn on each other as the stars hold
One another in fields together.
O rose of all the world, enfold
Each weeping worm against the cold
Of the bitter ego’s weather;
To warm our isothermal pride
Cause sometimes, Love, another
To keep us by an unselfish side.

The act of human procreation
– The rutting tongue, the grunt and shudder,
The sweat, the reek of defecation,
The cradle hanging by the bladder,
The scramble up the hairy ladder,
And from the thumping bed of Time
Immortality, a white slime,
Sucking at its mother’s udder –

The act of human procreation
– The sore dug plugging, the lugged out bub,
The small man priming a lactation,
The grunt, the drooping teat, the rub
Of gum and dug, the slobbing kiss:
Behold the mater amabilis,
Sow with a saviour, messiah and cow,
Virgin and piglet, son and sow:

The act of human procreation,
– O crown and flower, O culmination
Of perfect love throughout creation –
What can I compare it to?
O eternal butterflies in the belly,
O trembling of the heavenly jelly,
O miracle of birth! Really
We are excreted, like shit.

 

Op de ontsnapping van een vriend aan de verdrinkingsdood voor Holland’s kust

Kwam koud die zee op bij Katwijk die zijn graf voor hem dolf
langszij terwijl hij zich
wild vocht naar de kust, maar voorlangs sloeg de golf
brandingzwart hem terug
en hij zag zijn kastelen bouwende zoon op het reddende strand.
Toen rees het wuivende duin
voor het laatst voor zijn oog. En hij schreeuwde het uit,
maar een klauwende luim
van de zee smoorde de angstkreet waarin hij verdronk
als een stervende vlieger. En zij,
die naast haar zoon op het zandloperzand in slaap verzonk,
werd gewekt door wie wist
dat dit het uur nog niet was en die haar de dood
in de ogen liet zien
van die haar zoon verwekt had. Op sprong zij
en wierp zich in de muil
van het monster waar hij zijn leven al sloot
voor haar die zo rijk hem gebed had.
Maar zij dreef zich door zijn verdrinken als Orpheus en trok
aan zijn haren terug
haar ontsnappende bruigom. En op het strand
stond lachend hun zoon
die toch bijna een wees was. Toen lagen de drie terneer
op dat koude zand,
ieder de ander houdend bij een levende hand.

 

Vertaald door Jan Zitman

 

George Barker (26 februari 1913 – 27 oktober 1991)
In 1936

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e februari ook  mijn blog van 26 februari 2022 en ook mijn blog van 26 februari 2019 en eveneens mijn blog van 26 februari 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Marijke Schermer

De Nederlandse schrijfster Marijke Schermer werd op 25 februari 1975 geboren in Amsterdam, groeide op in Groningen, en studeerde aan de Toneelschool Arnhem om actrice te worden. Ze kreeg wel haar diploma maar speelde daarna nooit meer toneel. Ze schreef toneelstukken en libretto’s en regisseerde haar eigen en andermans werk. In 2009 ontving ze de Charlotte Kohlerprijs. Ze schreef de romans “Mensen in de zon” (2013), “Noodweer” (2016) en “Liefde, als dat het is” (2019). “Noodweer” stond op de shortlist van de ECI-Literatuurprijs 2017, en “Liefde, als dat het is” stond op de shortlist van de Libris Literatuurprijs 2020 en werd in het Duits en Engels vertaald. In juni 2021 verscheen “Gods wegen” in de serie Van Oorschot Terloops. In februari 2022 werd haar roman “Love, If That’s What It Is” uitgegeven door World Editions. In april 2023 verscheen “Breakwater”, wederom bij World Editions.

Uit: In het oog

“Vlak voor Bee begon aan haar verhaal waarin ze me onder meer verweet dat ik haar niet zag, zat ik haar juist te bekijken. Uitgerekend die laatste minuten bekeek ik hoe ze met één been over de leuning en één op de vensterbank, scheef in de lelijke stoel zat te lezen. Een lelijke beschadigde neplederen fauteuil is het, maar comfortabeler dan welke andere stoel in ons huis ook en daarom al jaren detonerend in een verder verantwoord en smaakvol interieur. Ze bewoog snel met haar wijsvinger over haar bovenlip, in opperste concentratie. Toen sloeg ze haar boek dicht met een vinger ertussen en legde haar hoofd achterover op de leuning, met gesloten ogen. Ze denkt na, dacht ik, weet ik nog. Ik weet niet meer wat ik voelde. Misschien voelde ik me neutraal jegens haar, registreerde ik zonder veel gevoelens haar spectaculair mooie gezicht, de lange donkere haren die langs de stoelleuning omlaaghingen, het been in de zijden broekspijp, de blote voet met de gelakte teennagels. Of misschien zag ik haar inderdaad niet, niet bewust, had ik geen gedachten over haar, omdat ik in de greep was van mijn eigen gedoe. Misschien waren mijn ogen eenvoudigweg, macht der gewoonte, in haar richting scherp gesteld. Ik had net een telefoongesprek gevoerd waarin ik Miranda, mijn PhD-student, vertelde dat mijn onderzoeksaanvraag afgewezen was en dat ik geen idee had hoe dit nu verder moest. Bee had dat allemaal gehoord en achteraf bekeken had ze niet zitten lezen maar had ze met stijgende verbazing geluisterd naar de dingen die er in mijn leven speelden en waar ik haar geen deelgenoot van had gemaakt. Het bleek allemaal de druppel in een emmer waarvan ik niet wist dat hij bestond, wat op zichzelf al een teken aan de wand was, volgens haar. En dat waren nog maar twee van de zegswijzen die zij in ons gesprek gebruikte. Ik zeg ‘gesprek’ maar ik denk eigenlijk dat het een ruzie was. Dat er een volle emmer was werd in elk geval wel duidelijk. Ze had van alles opgekropt, refereerde aan dingen die ik gezegd of juist niet gezegd had, soms in gesprekken van maanden geleden en soms door mij helemaal niet herkend als iets wat had plaatsgevonden. Zij zei altijd tegen mij dat ik zo secundair in mijn reacties was, maar iemand die je ineens op detailniveau van alles wat allang voorbij is begint te verwijten kan zelf ook nauwelijks bogen op een talent voor primaire reacties. Als ze dat toen gezegd had, had ik het toen kunnen oplossen, of weerspreken, of beantwoorden, of wat het ook was wat ik had kunnen doen.”

Marijke Schermer (Amsterdam, 25 februari 1975)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Amin Maalouf, Stephen Spender

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit: De ontregeling van de wereld (Vertaald door Eef Gratama)

“Na de val van de Berlijnse Muur waaide er een wind van hoop over de wereld. Doordat er een einde was gekomen aan de confrontatie tussen het Westen en de Sovjet-Unie, werden we niet langer bedreigd door de kernramp die ons al veertig jaar lang boven het hoofd hing; vanaf dat moment zou de democratie zich geleidelijk aan over de hele wereld gaan verspreiden, dachten we; de barrières tussen de verschillende regio’s op aarde zouden worden opgeheven en het vrije verkeer van mensen, goederen, beelden en ideeën zou ongehinderd op gang komen en een tijdperk van vooruitgang en welvaart inluiden. Op elk van deze fronten werden aanvankelijk enkele opmerkelijke stappen vooruit gezet. Maar hoe verder we kwamen, hoe meer we het spoor bijster raakten.
De Europese Unie is in dit opzicht een schoolvoorbeeld. Voor de Unie was het uiteenvallen van het Sovjetblok een triomf. Van de twee wegen die voor de volken op het Europese continent waren opengesteld, bleek er een afgesloten te zijn, terwijl de andere zich uitstrekte zo ver het oog reikte. De voormalige Oostbloklanden kwamen allemaal bij de Europese Unie aankloppen; de landen die nog niet zijn toegelaten, hopen hier nog steeds op.
Maar juist op het moment dat Europa zijn triomfen beleefde en zo veel volken er gefascineerd en verbluft op afkwamen alsof dit het paradijs op aarde was, is het zijn bakens kwijtgeraakt. Wie moest het nog onder zijn hoede nemen, en met welk doel? Wie moest het buitensluiten, en om welke reden? Meer nog dan in het verleden stelt Europa zich vandaag de dag vragen over zijn eigen identiteit, zijn grenzen, zijn toekomstige instellingen, zijn plaats in de wereld, zonder te weten wat het daarop moet antwoorden.
Ook al weet Europa precies waar het vandaan komt, welke tragische gebeurtenissen de volken van dit continent hebben overtuigd van de noodzaak om zich te verenigen, het weet niet meer zo goed welke kant het op moet gaan. Moet het de vorm aannemen van een bondsstaat, vergelijkbaar met die van de Verenigde Staten van Amerika, bezield door een ‘continentaal patriottisme’ dat het patriottisme van de naties waaruit het bestaat zou overstijgen en zou opnemen, en dat behept zou zijn met de status van een wereldmacht, niet alleen in economisch en diplomatiek, maar ook in politiek en militair opzicht? Zou het bereid zijn om zo’n rol op zich te nemen, en de daarmee gepaard gaande offers en verantwoordelijkheden te aanvaarden? Of zou het zich eerder moeten beperken tot een soepel partnerschap tussen naties die angstvallig hun soevereiniteit bewaken, en op het overkoepelende vlak een ondersteunende kracht moeten blijven?
Zolang het continent nog in twee vijandige kampen was verdeeld, waren deze dilemma’s niet aan de orde. Sindsdien doen ze zich op een hardnekkige manier voor. Nee, natuurlijk zullen we niet terugkeren naar de tijd van de grote oorlogen, noch naar die van het IJzeren Gordijn. Maar wie gelooft dat dit slechts gaat om geruzie tussen politici of tussen politicologen, vergist zich. De toekomst van het continent is in het geding.”

 

Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

 

De Engelse dichter, essayist en schrijver Stephen Spender werd geboren op 28 februari 1909 in Londen. Zie ook alle tags voor Stephen Spender op dit blog.

 

GEESTELIJKE OEFENINGEN

We vliegen door een nacht vol sterren
Wiens afgelegen, bevroren tongen
Een spiegeltaal spreken, mineraal Grieks
Schitterend door de ruimte, de een tegen de ander –
O Venus en Mars, jullie droom
In een holle koepel van uitgestorven leven, ver ver ver
Weg van onze oorlogen.

1
Onder hun naaktheid zijn ze nog steeds naakt.
In de geest ontbloten mythen en sterren
De kwetsbaarheid van hun schedels. Een nieuwe dageraad waait
hutten en papyri van hun wil weg.
Het heelal vult in centimeters, minuten
Hun tongen en ogen, waar naam en afspiegeling zichtbaar zijn,
Met woorden en beelden. Ster en berg weten
Dat ze bestaan, in deze levens die het leven doodt.
Draaiend met de rand van de aarde door de nacht,
Verpakt in hun afzonderlijke huiden, met pulserende adem,
Verdeeld in hun lot, maar toch verenigen ze zich allemaal
Op die ene reis naar geen plaats of datum
Waar, naakt onder naaktheid, onder
Het leven, in één mensheid, zij wachten op
De veelsoortige eenzaamheid van de dood.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e februari ook mijn blog van 25 februari 2019 en ook mijn blog van 25 februari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Alain Mabanckou, Robert Gray

De Congolese dichter en schrijver Alain Mabanckou werd geboren op 24 februari 1966 in Congo-Brazzaville (Frans Congo). Zie ook alle tags voor Alain Mabanckou op dit blog.

Uit: Prins Peper (Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre)

“Papa Moupelo hield ons dus vanuit een ooghoek in de gaten en greep in zodra we over de schreef dreigden te gaan. In de buurt van de meisjes komen zat er bijvoorbeeld niet in, laat staan dat we ze bij hun middel konden grijpen en als een bloedzuiger aan hen vastklitten. Even onverbiddelijk was hij voor jongens met perverse neigingen, zoals Boumba Moutaka, Nguékena Sonivé en Diambou Dibouiri, die een scherf van een spiegel gebruikten om te zien welke kleur ondergoed de meisjes droegen en ze er dan mee plaagden. Papa Moupelo las ze meteen de les: ‘Pas op, kinderen! Dat wil ik hier niet! Grap en zonde gaan vaak hand in hand!’
Meer dan twee uur vergaten we wie en waar we waren. Ons geschater was tot buiten het weeshuis te horen als Papa Moupelo in trance raakte en een springende kikker nadeed om ons de beroemde dans te laten zien van de pygmeeën in zijn land van herkomst, Zaïre! Die dans zag er heel anders uit en was veel technischer dan de dans uit het noorden van ons land, want er was een katachtige lenigheid voor nodig, de snelheid van een eekhoorn die wordt nagezeten door een boa, en vooral dat speciale heupwiegen, waarna de priester door zijn knieën zakte, een kangoeroesprongetje maakte en ineens een meter verder weer op zijn voeten stond. Nog steeds heupwiegend ging hij weer rechtop staan, stak zijn armen hoog in de lucht, slaakte een kreet vanuit zijn keel en bleef ten slotte roerloos staan, met zijn rode ogen wijd open in onze richting. En toen we wilden juichen nam hij een minder komische houding aan en gingen we langzamerhand een voor een zitten op de bamboestoelen, die kraakten bij elke beweging die we maakten. We waren in de wolken, vervuld van een sfeer waar we de volgende dag niet over uitgepraat raakten in de kantine, in de bibliotheek, op het speelterrein, op het schoolplein, en vooral in de slaapzaal. Daar herhaalden we die passen totdat de zes gangsurveillanten, die Papa Moupelo zijn invloed benijdden, met hun zwepen zwaaiden zodat we tussen de lakens doken. We noemden ze ‘gangsurveillanten’ omdat ze zich in de gangen verscholen, ons bespiedden en informatie doorspeelden aan directeur Dieudonné Ngoulmoumako, op de eerste verdieping. De strengste surveillanten waren Mpassi, Moutété en Mvoumbi. Omdat ze van moederskant familie van de directeur waren, gedroegen ze zich als echte onderdirecteuren, zodat Dieudonné Ngoulmoumako hun soms moest vragen een toontje lager te zingen. De andere drie, Mfoumbou Ngoulmoumako, Bissoulou Ngoulmoumako en Dongo-Dongo Ngoulmoumako, gingen prat op hun familienaam, die ze hadden geërfd van vaderskant van de directeur. Dat drietal keek op iedereen neer, terwijl ze hun positie alleen aan hun oom te danken hadden. In het opvoeden van kinderen hadden ze geen ervaring. Ze zagen ons als vee en blaften ons af. Maar zodra ze de slaapzaal uitliepen maakte een van ons een grapje in het Lingala van Papa Moupelo en kwamen we uit bed.”

 

Alain Mabanckou (Congo-Brazzaville, 24 februari 1966)

 

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

 

Vlammen en bungelende draden

Op een snelweg door het moerasgebied.
Aan de ene kant de rook van verschillende vuren achter elkaar,
verspreid als vingers en getrokken om uit te smeren.
Het is de altijd brandende stortplaats.

Achter ons, de stad,
als palen in de aarde gedreven.
Een watervogel stijgt op boven dit moeras,
een beweging zoals die van een schildpad aan de kust van de Galapagos.

We slaan een onverharde weg in,
naderen de stortplaats. De hele lucht trilt
in een goedkope spiegel.
Er hangt een nevel over de hete zon.

Nu worden de verre gebouwen in de rook gemodelleerd.
En we komen in een landschap gemaakt van blikjes,
van auto’s als schedels,
dat rolt in zijn zandduinvormen.

Tussen deze enorme grijze plastic platen van hitte
schimmige figuren,
die bezig lijken te zijn met het identificeren van de doden –
zij zijn de bewakers, in overall en met veiligheidsbril,

snuffelend tussen het afval op de smeulende vuren.
Een zure rook
barst overal uit,
dun, als touw. En er lopen nog anderen rond: aaseters.

Zoals duivels in de hel
in onze ziel zouden rondporren naar restjes
van verlangen,
om er zich zelf mee op te hitsen,

zo lijken deze figuren
moedeloos rond te dwalen, in een eeuwigheid,
waarin zij een eigenaardige sensatie
zouden kunnen ontdekken.

We stappen uit en lopen ook rond.
De geur is krachtig,
blaast onze mond droog:
de tonnen verrotte kranten en grote balen gras of stof…

En waar ik sta, de luchtspiegeling van de stad voor mijn ogen,
besef ik dat ik in de toekomst ben.
Zo zal het ook zijn als er geen mensen zijn.
Zij zal gemaakt zijn van dingen die werkten.

Een arbeider schept een niet-identificeerbare pulp
op zijn vork, gooit hem in de vlammen:
er fladdert iets
zoals de lap, omhoog gehouden in ‘The Raft of Medusa’.

We naderen een ander, door de rook
en even lijkt hij op de demon met de lange steel.
Het is een man die zijn ogen afveegt.
Iemand die hier werkt moet huilen,

en dus praten we. De randen onder zijn ogen zijn vochtig
als een oester, en rood.
Alles wetend wat hij over ons weet,
hoe kan hij de mensen niet haten?

Terwijl ik verder loop, zie ik een oude radio,
waar bungelende draden uithangen –
en ik merk dat de stemmen die hij ontving
nog steeds rondreizen,

wegglijdend, doorzeefd, rond de boog van het universum,
en met hen het mechanische gelach en Chopin,
die het geluid was of het optrekken van de gordijnen,
ooit, tot een kust van licht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)
Robert Gray in 1978 gefotografeerd door Christine Godden

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e februari ook mijn blog van 24 februari 2019 en eveneens mijn blog van 24 februari 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Robert Gray

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

 

Life of a Chinese Poet

In his youth, as he recalled, the Great Causeway of the Heavens
and Earth trembled
and the stars were spilled like dust, at the overthrow of a dynasty.
It could seem that he was old from birth, who was always saying
goodbye.
During eighty years he wrote five thousand poems, in a rhyming
prose or as songs for the lute.
Otherwise, his life was uneventful, except for the always-
remembered love that he had for a certain courtesan.
His mother refused to let him marry this girl, who was called
Scented Jade,
and soon afterwards he was ordered as a minor clerk to the far
province of Fukien.
There he discovered, at times, the consolation of nature — its
vividness, and its unthinkable reality.
He writes of the wild mountains, that were as sharp and glittering
as dogs’ teeth,
and that could be seen from among the hanging flowers of the
white lanes.
The river there he also admired, which he says was like the great
dragon of Ch’i
that turned upon itself in all the twelve directions, while subduing
the five elements.
It was his dream from youth to take arms against the Golden Tartars,
but the northern frontiers had been made safe; there was no
fighting, but only an endless boredom there.
At fifty-four, he went home to his native village, having never
gained a preferment,
distressed by what he heard of the luxury and incontinence of the
court.
He dreamed in his work of the “vast smoke” of chariots, as they
raced upon the plains;
he described his travels to far outposts, by night on a river that was
held in the moon’s white stare.
Though he styled himself the Hermit of the Mossy Grove, and said
that he was wild, irascible and drunken, it seems he longed for
the company of other poets.
He had married a local girl, when she was fifteen, and spent most
of his time quietly lost in his books.
Pondering both the Taoist and Ch’an Buddhist teachings, he grew
more and more enamored of nature,
and found his companionship in mountains, rivers, and trees.
In rainy weather he would put aside his studies and trudge to the
inn, to drink with the farming hands.
“Daily the town inn sells a thousand gallons of wine. The people
are happy; why should I alone be sad?”
He was utterly sincere in his love of beauty. The thing he has seen
appears on the white paper. There is a sense of overbrimming life.
A Chinese critic has said, “His poetry has the simplicity of daily
speech; in its simplicity there is depth, and in its poignance
there is tranquility.”
When he was seventy-one, the Mongols arose once more, and
began to attack the Celestial Horde;
the armies of the Sung were continually defeated, and were even
driven out of Szechuan.
Again, he applied for enlistment, but amidst the turmoil in the
corridors at the provincial capital he was pushed aside and
ignored.
Giving up all hope that before he died he would see himself in
battle, he returned to his village in disgust.
His songs were now being sung by the muleteers in far mountain
passes, by girls bringing silk to be washed in the streams.
In the capital, they were exclaimed over at wine parties, and were
murmured beside the Imperial Lake.
He was revered, if rarely seen, in his village, but finally one morning
the word went around that he had fallen hopelessly ill.
Everything was made ready — the thin coffin, the two thick quilts,
and the payment for the monks;
the earth was thrown out of his grave onto the hillside, and
the incense was bought that would smoulder among the
graveposts there.
But then, the next day, he rose on his couch, and called for wine to
be brought him from the marketplace;
he had the blind rolled up on his view to the south, and he wrote
some impeccable verses, in the tonally-regular, seven-syllable
form.

 

EEN SCHAAL MET PEREN

Roetig als wasdoek en gezet
als Sancho Panza
voorzien van het steeltje van een baret
vraagt de peer

zelf om een doortastende benadering
het fijnste lemmet
uit de messenlade
hier

hem op te fleuren is een snee en dan nog een
de noordwand de zuidwand
gletsjerfacetten
het zoet knerpen van zijn sneeuwschone sappen

Ik vind glad gevoegde dorpels
en plinten van wit marmer
waar het bolletje parfum
langs drupt

een frisheid
als de bries die je voelt wanneer
de waaier van de dag
zich opent

Enku verwoede
beeldhouwer van dennestompen
onthulde de tienduizend boeddha’s
met kalligrafisch geweld

Gerationaliseerde vorm gevormd
met verticale japen
heb ik je weelderige bips tot bekken
teruggebracht

Een zondag regen
en als een tjokvolle gargouille
die te lang had gezwegen ketst en kaatst
de donder lenig

bazelt door een omgekeerde trechter
de hele middag boven de daken
zijn boodschap
van burleske strijdlust

Losgeraakte
regenveters bungelen
langs de ramen
nu scherpt

een slager het licht
wettend
zijn lievelingsmes
snijdt flikkerende strepen in de tuin

En ik sneed het peervormige hoofd
met dicht bijeenstaande
ogen als pitten
dat Picasso zag zijn arme

vriend die naar het front
was opgeroepen
een cubistische sneeuwpop de zoet-
gevooisde gedoemde Apollinaire

 

Vertaald door Maarten Elzinga

 

Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e februari ook mijn blog van 23 februari 2022 en ook mijn blog van 23 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:20 Reageer op dit bericht

Rob Schouten, W. H. Auden

De Nederlandse schrijver, dichter, literatuurcriticus en columnist Rob Schouten werd geboren in Hilversum op 22 februari 1954. Zie ook alle tags voor Rob Schouten op dit blog.

 

Bemodderd dichter

Ziet u soms een met veel misbaar de stad doorstappen,
Die, hondsgemuild, zijn muilen, luimig sleetsgeschopt,
Verplaatst, de krop in een bevuilde das gestropt,
Druk doend met heel het vrome volk zijn aars te lappen,

Uitheems behaard, – kolkt drek rond in zijn lichaamssappen,
Gordt hem zonder een riem waardoor de romp zich propt,
Een kniebroek, loopt hij steeds in voddegoed verpopt,
Dat dag en nacht zijn naakte lijf blijft overlappen –

Een ieder op een woeste, louche blik onthalend,
Middels zijn kakement obscene taal vermalend,
’t Der ving’ren hoorn tot bloedens toe verbeten.

Ziet u, zeg ik, er een met dergelijke trekken,
Wees dan verzekerd: Dát is een der raspoëten.
Meer informatie zal de kerk u graag verstrekken.

 

Doordeweeks

Over mijn autenticiteit gesproken,
belangstelling was er vandaag niet voor
en zelf lag ik half grieperig in bed.
Slechts één keer werd ik naar de deur geroepen
om aan auto-da-fe’s mede te werken,
Getuigen van Jehova aan te steken.

Nietig gestemd bleef ik in kamerjas
urbi et orbi maar het raam uit staren
zonder veel wijzer van mezelf te worden
of van contemporaine wandelaars.
Nee, met de toekomst was het niks vandaag.

Avond werd het intussen wel natuurlijk;
pal boven mij werd smakeloos geneukt.
Om elf uur zei ik niemand welterusten
maar vals alarm, tot vier uur lag ik wakker
in knoedels laken en maar transpireren.

Ten slotte sliep ik mensen hatend in,
mijzelf ontpoppend als een stralend god
in een luchtig, niet te immens heelal
dat ik ineens ook weer verlaten moest.
Niets dat ik in de haast daar achterliet
en ’s ochtends over was mijn griep ook niet
.

 

Vooruitziende hond

Door deze wereld loopt de hond
zijn kop omhoog – hij ziet de dingen
al snuffelt hij soms aan de grond
op zoek naar zijn herinneringen
vindt hij ze niet. – Staat hij er op?
En staat hij zelf dan op het spel?
Hij schudt, en heft maar weer de kop,
de poten, en bevindt zich wel.

 

Rob Schouten (Hilversum, 22 februari 1954)

 

De Engelse dichter, essayist en criticus Wystan Hugh Auden werd geboren in York op 21 februari 1907. Zie ook alle tags voor Wystan Hugh Auden op dit blog.

 

 Een gezond oord

Fijne lui zijn ’t – je zou er niet over peinzen om ooit
Een contract van ze na te lopen met een
Loep, of je brieven weg te sluiten – ook
Lief en doelmatig – wat je hebben wil krijg je.
Wat is er dan mis als je, tussen ze levend,
Steeds maar getroffen wordt door het groot aantal
Gelukkige huwelijken en ongelukkige mensen.
Ze missen geen lezing over Problemen Van Na De Oorlog,
Want raken doet het ze, hun hulpvaardigheid staat buiten kijf; toch,
Als in hun ochtendbladen de aarde zich aan hen voordoet,
Wat maken ze dan van haar verschrikking en dwaasheid,
Zij die nooit – zoiets weet je – een spontaan verlangen
Hebben gevoeld om de kat te martelen of in het openbaar
Naakt te gaan lopen? Hadden ze ooit, zo vraagje je af,
Zo dolgraag een eenhoorn gezien, al was ’t maar
Een dooie? Mogelijk. Maar dat houden ze voor zich,
Stilzwijgend eensgezind doof voor ons hongeren
Naar eeuwig leven, dat bestraft stout kind van een vraag
Dat soms uit de hoek mag, op barbecuefeestjes of bij
Een academisch lustrum, en waarvoor alleen
Het schuine verhaal, ironisch genoeg, een goed woord doet.

 

Vertaald door Peter Verstegen

 

W. H. Auden (21 februari 1907 – 29 september 1973) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e februari ook mijn blog van 22 februari 2022 en ook mijn blog van 22 februari 2019 en ook mijn blog van 22 februari 2015 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 10:43 Reageer op dit bericht

Herman de Coninck, W. H. Auden

De Vlaamse dichter, essayist, journalist en tijdschriftuitgever Herman de Coninck werd geboren in Mechelen op 21 februari 1944. Zie ook alle tags voor Herman de Coninck op dit blog.

 

Pointillisme
Voor Laura en Tom

Sloten onder kroos, pointillisme
van groen, stilliggend geril
van begin, natuur die vijf miljard puntjes tegelijk
op haar i’s zet.

Ik op mijn buik langs zo’n sloot.
Geef me mijn bril eens. Puntjes op de i inspecteren
is mijn beroep en vooral: daarbij op mijn buik liggen.
Hoeveel puntjes heb je nodig voor groen?

Hoeveel zandkorrels, zandkorzels, voor strand?
Hoeveel mensen voor mensheid?
Twee.
Iemand met sproeten, en iemand die ze telt.

 

Het liefste wat ik heb

Het liefste wat ik heb is elf geworden.
Feestje. Daarna ging het liefste wat ik heb
naar huis met het liefste wat ik had.
Het kleine meisje met het grote.
Ik met mezelf. Zo vrolijk.

Want het is goed om ooit 
iets te hebben gehad.
Het is beter dan nooit
iets te hebben gehad.

 

Envoi

Als ze het maar zien zou, zien wou –
Wat is er nog te kort, vroeg God zich af, die zesde dag.
Het was allemaal te hard, Adam, het had te snel
moeten gaan. Er moest minder fel geheugen bij. En glimlach.

Of was dat hetzelfde ? En waarvan maak je dat ?
Niet van lichtzinnigheid, maar van alles weten
en het heel erg vinden, en daar rustig van zijn.
En God vond mededogen

uit. En vervolgens twee armen om het in te doen,
wat al niet, klaarkomen, huilen, onbenullig, overbodig
zijn. Toen rustte Hij en dacht: wat heb ik nou nog nodig ?
En toen schiep Hij twee ogen. –
Opdat ze hem zou zien terwijl hij stierf.
Opdat hij eindelijk zou mogen.

 

Herman de Coninck (21 februari 1944 – 22 mei 1997)

 

De Engelse dichter, essayist en criticus Wystan Hugh Auden werd geboren in York op 21 februari 1907. Zie ook alle tags voor Wystan Hugh Auden op dit blog.

 

In Memoriam W.B. Yeats
(† jan. 1939)

I
Hij is verdwenen in het holst van de winter:
De beken waren bevroren, de luchthavens welhaast verlaten,
En de standbeelden van de stad waren door sneeuw mismaakt;
In de mond van de stervende dag zakte het kwik.
Het werd door alle meetinstrumenten bevestigd:
De dag van zijn dood was een koude donkere dag.

Ver van zijn ziekte
Renden de wolven voort door de wouden van naaldhout,
Werd de boerse rivier niet bekoord door beschaafde kaden;
Rouwende tongen
Hielden de dood van de dichter voor zijn gedichten verborgen.

Maar voor hem was die middag de laatste dat hij zichzelf was,
Een middag van verpleegsters en van geruchten;
De provincies van zijn lichaam kwamen in opstand,
Leeg waren de pleinen van zijn geest,
De voorsteden in bezit genomen door stilte,
De stroom van zijn gevoel viel uit; hij werd zijn bewonderaars.

Nu is hij over een honderdtal steden verstrooid
En totaal uitgeleverd aan hem vreemde affecties,
Om in een ander soort bos zijn geluk te vinden
En te worden gestraft naar uitheemse gewetenscode.
De woorden van een dode
Wijzigen zich in het binnenste van wie leeft.

 

Vertaald door Peter Verstegen

 

W. H. Auden (21 februari 1907 – 29 september 1973) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e februari ook mijn blog van 21 februari 2019 en ook mijn blog van 21 februari 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 10:07 Reageer op dit bericht

P. C. Boutens, Björn Kuhligk

De Nederlandse dichter Pieter Cornelis Boutens werd geboren in Middelburg op 20 februari 1870. Zie ook alle tags voor P. C. Boutens op dit blog.

 

HART EN LAND

Mijn hart wou nergens tieren
En nergens vond het vree
Dan tussen uw rivieren
Nabij uw grote zee,
Mijns harten eigen groene land
Dat voor mij dood en leven bant.

De wind zong door de bomen
Tot in mijn stille huis
De stemmen uwer stromen,
Uw volle zeegeruis:
Daar brak mijn hart in zangen uit,
Daar werd de stem van ’t bloed geluid.

Wel hebt gij mij gegeven
Al wat ik anderen bood.
Ik zong van dood en leven,
Van liefdes rijke nood:
Des harten tederste ademhaal,
Hij werd verstaanbaar in uw taal.

Al dieper zoeter wonder
Fluistert uw stem mij voor…
Laat mij niet sterven zonder
Uw levenwekkend koor!
De wind die in uw lover luwt,
Is ’t afscheid dat mijn hart niet schuwt.

Buiten de tijd en zijn bestier,
Een ledig nest
Hoog in de top van de populier,
Komt nooit mijn hart tot rust.
En alle dingen zijn eenzaam, en
Vloeien ineen –
Ik wil slechts wezen wat ik ben:
Alleen, alleen, alleen!

 

Rosengarten

Berlijn

Ik heb iets bijna schoons aanschouwd
Hier waar de jacht der oppervlakkigheid
Al schone dingen veil voor goud
Bezitten wil, en dus ontwijdt–
Ik heb iets bijna schoons aanschouwd:
In het verkeerdoorgonsde park
Terzij van zijn asfalten wegen,
Als in een straat een ingebouwde kerk,
Vond ik een rozentuin gelegen:
Daar in doorzonde bloemenwolk
Zweeg van het onbeschaafbaar volk
Het ijl gezwets, het loos gegil
Een spanne stil . . .
Hier heersen roos en rozeknop!
Zo dacht ik – middenin
Stond van onnoozle keizerin
De onnoozler pop.

 

Uit: Strofen en andere verzen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe

Tiende strofe (Fragment)

Straks als zij met den witten morgen waakt
en ziet de golf van levenleenend licht
de wereld overvloeden tot elk ding
gebaad staat in goudblonde kenlijkheid,
dan gaat haar iets van zijn geheimnis op,
en sidderend doorproeft haar heilge vrees
de zoetheid van het onontkoombaar lot,
het oordeel dat zij nimmer iets zal weten
zoo na als hem van wien de allichte kunde
dit smachten blijft van nooit vervuld gemis,
verlangen dat het lief niet leeren mag,
maar hem vermoedt met zulk een zuivren tast
dat nooit éen schoone schijn, éen teêr bedrog
met bittre schaduw van ontgoocheling
de onnaakbaarheid van hare trouw beduistert.
Zoo wordt haar korte zijn in dit vreemd land
tot een onafgebroken zaalge jacht
van telkens weêr opnieuw gevonden worden,
gestâge ruil van schoon voor eeuwger schoon,
armoê voor rijkdom, wisslende eb en vloed
van liefde en wederliefde – en onverlet
begroet haar glimlach als een nieuw revier
de schemerdiepten van den jongen dood.

 

Pieter Cornelis Boutens (20 februari 1870 – 14 maart 1943)
Portret door Christian de Moor, 1943

 

De Duitse dichter en schrijver Björn Kuhligk werd geboren op 19 februari 1975 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Björn Kuhligk op dit blog.

 

Uit: De taal van Gibraltar

Vandaag, op een dinsdag van onrust
loop ik op de grens langs het hek
elke twintig meter een schijnwerper
elke twintig meter een bewakingscamera
elke vijf minuten een jeep van de Guardia Civil
‘s middags roept de muezzin door de mazen
zie ik schoolkinderen, de tenten
van het Marokkaanse leger, daarachter rollen draad
een hek, uitgegraven aarde, dezelfde
in zijn kleur uitgegraven hemel

bij een doorgang dragen mannen
bumpers langs, achterbanken, kunststof
planken, ik zie rampzalige gebitten,
armen waar de aderen uitpuilen
als wilden ze de lichamen verlaten

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Björn Kuhligk (Berlijn, 19 februari 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e februari ook mijn blog van 20 februari 2021 en ook mijn blog van 20 februari 2019 en eveneens mijn blog van 20 februari 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Michiel Stroink, Björn Kuhligk

De Nederlandse schrijver Michiel Stroink werd geboren in Oss op 19 februari 1981. Zie ook alle tags voor Michiel Stroink op dit blog.

Uit: Wandelen in een Escher

“Het onderscheid tussen die twee is voor mij überhaupt ieder jaar lastiger te maken. De felrode lippenstift onder de capuchon, die zelfs van deze afstand waarneembaar is, als een merkteken, verraadt dat ze er belang aan hecht gehoord te worden. Ze draagt schoenen met hakken die de prijs per strekkende centimeter opstuwen, door sommige vakvrouwen bespeeld als een ritmisch instrument waarmee ze in kantoortuinen en hotellobby’s met valse status stiltes laten vallen. Het tasje dat ze draagt lijkt meer op een aangelijnde hamster en kan nooit meer bevatten dan een zwierig opgefleurde smartphone, ongetwijfeld van het laatste model. De hamster bungelt terwijl de meisjesvrouw haar capuchon afzet. Met een vergelijkbare beweging schudt ze haar haar wakker. Ze hoort daar niet te staan, omlijst door het natte beton. Ze hoort in een etalageruit of in een tijdschrift, niet voor de poort van mijn fort, de enige veilige plek buiten mijn appartement. Wat kan ik doen? Ik kan teruglopen. Ik kan mijn fiets hier laten staan en met een omtrekkende beweging de achterkant van de garage bereiken. Daar is de achteringang die niemand kent en waarvan ik alleen de sleutel heb.
Maar ze steekt haar hand omhoog en dus is alles voorbij. Ze zwaait. Ze kijkt in mijn richting. Er staat niemand achter mij. Er staat niemand naast me. Ik ben de enige die zich op dit tijdstip op straat waagt. Ze roept iets. Ik word gedwongen mijn geïmproviseerde observatiepost te verlaten. Gewapend met mijn fiets loop ik op haar af.
‘Jij bent Lukas Sterreveld.’ Het is eerder een conclusie dan een vraag, dus weet ik niet hoe ik moet reageren. Ze steekt haar hand uit in de richting van mijn navel en houdt haar arm volledig gestrekt.
‘Liz, met een z. Komt van Alice, vandaar.’
‘Vandaar?’ Met mijn eerste reactie kopieer ik een van haar woorden. Als ik al een kans had gehad me binnen dit gesprek fatsoenlijk te manifesteren, dan is die nu voorgoed verkeken. Ik schud de uitgestoken hand en zeg mijn naam, uit gewoonte, want als ik hem uitspreek besef ik dat ik hem zojuist al heb gehoord.”

 

Michiel Stroink (Oss, 19 februari 1981)

 

De Duitse dichter en schrijver Björn Kuhligk werd geboren op 19 februari 1975 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Björn Kuhligk op dit blog.

 

ZAHARA DE LOS ATUNES
(voor Esther)

We waren ver verwijderd van kapitaalstromen
de kapsels waren verpest met de
gelijkmoedigheid van een idioot schreef ik
twintig regels, en schrapte ze weer, over twee
dode katten, die in de sloot lagen
dat is gelogen, terwijl de zee
zich terugtrok, en de sneeuw in de verte
op een bergrug een roedel
huizen werd, erboven deze
hemel, weelderig, scheen
in dit displaylicht je nachtgezicht
thuis groette, dat wisten we,
televisie-duitsland de landschapskreupelen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Björn Kuhligk (Berlijn, 19 februari 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e februari ook mijn blog van 19 februari 2019 en eveneens mijn blog van 19 februari 2017 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten