Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Rense Sinkgraven, César Vallejo

De Nederlandse dichter Rense Sinkgraven werd op 17 maart 1965 geboren in het Friese Sint Jacobiparochie. Zie ook alle tags voor Rense Sinkgraven op dit blog.

 

De maan onder een sprei

De maan onder een sprei.
En onder de maan ga ik op een roestige fiets,
fiets weg van jou.

De maan onder een sprei.
Alsof ik dit al eerder geschreven heb.
Iets geruststellends, iets kalms, iets weids.
Een moeder die je goedenacht kust.
God die over je waakt.

Onder de maan sta ik stil,
kijk en denk aan jou, aangeraakt
door de maan.

Ik zie het huis, het raam, je bed.
In je gedachten lees ik liefde, leegte,
zwart verdriet.

Geef het aan de maan, geef het aan de maan.

 

Kikker
 
Ik heb de kikker van Reve gered.
De kikker?
De kikker die was vastgemetseld op de muur
voor hun huisje in Greonterp.
Er was ook een konijn.
Waar dat gebleven is, geen idee.
Na Reve’s vertrek is die muur razendsnel
neergehaald.
Friesland lag weer open.

 

Nachtlokaal

Waar leegte was,
zijn miljarden sterren.

De maan slijpt haar sikkel.
Wij zijn groots en levend,

niet meer dan een druppel.
Verbitterd maar blijmoedig.

Omhels me. Kus me.
Geloof je nog in

het hiernamaals van
een kindertijd? Geesten

gewekt door katers.
Scherven in het brein.

De zanger vleugellam
vertolkt zijn lied.

 

Rense Sinkgraven (Sint Jacobiparochie, 17 maart 1965)

 

De Peruaanse dichter César Vallejo werd geboren op 16 maart 1892 in Santiago de Chuco, Peru. Zie ook alle tags voor César Vallejo op dit blog.

 

Zwarte steen op een witte steen

Ik zal sterven in Parijs bij zware regen,
op een dag waaraan ik mijn herinnering al heb.
Ik zal sterven in Parijs – en ik voel geen angst –
misschien op een donderdag, als vandaag, in de herfst.

Donderdag zal het zijn, want vandaag, donderdag,
terwijl ik deze verzen schrijf, heb ik gebroken
de botten aangedaan en, vandaag als nooit tevoren,
heb ik me weerom gezien, met heel mijn weg, alleen.

César Vallejo is dood, iedereen
sloeg hem hoewel hij hen niets deed,
ze ranselden hem hard met een stok en hard

ook met een touw; getuigen zijn
de botten en de donderdagen,
de eenzaamheid, de regenbuien, de wegen…

 

Vertaald door Heken Sittig en Jorge Heredia

 

César Vallejo (16 maart 1892 – 15 april 1938)
Standbeeld van de dichter op de campus van de César Vallejo universiteit in Trujillo, Peru.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e maart ook mijn blog van 17 maart 2023 en ook mijn blog van 17 maart 2020 en eveneens mijn blog van 17 maart 2019 en ook mijn blog van 17 maart 2018 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:01 Reageer op dit bericht

1 reactie op dit bericht

eddy meuris17 maart 2024 om 16:30

Zeker het beluisteren waard.

aa-13

Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Dirk von Petersdorff, César Vallejo

De Duitse dichter, schrijver en literatuurwetenschapper Dirk von Petersdorff werd geboren op 16 maart 1966 in Kiel. Zie ook alle tags voor Dirk von Petersdorff op dit blog.

 

BEIM WIEDERSEHEN VON „ZURÜCK IN DIE ZUKUNFT“

Dein Film ist wahr, Marty McFly, auch wir
sind in die Vergangenheit gefahren,
nicht mit einem DeLorean DMC-12,

sondern per Interrail
nach Florenz, wo Brunelleschi
eine aber-tausend-tonnenschwere Domkuppel
im Himmel schweben ließ,
der darüber selig war,

oder mit dem Fahrrad
durch den kühlen Maimargen in die Bibliothek,
wo Hegel in weißen Handschuhen
die brüchigen Bücher ausgab,
aus denen wir in vergilbten Stunden
und raschelnden Minuten herauslasen:

Alles hat seinen Platz, vielleicht auch du,

und weiter ins New York der frühen 1960er,
als Bob Dylan, Sonntagmorgen,
durch die Straßen,
gesprenkelt von Pfützen,
in seinem dünnen Mantel geführt
von einer zitternden Wohltat
wusste: Alle Lieder sind noch zu singen,
flattern jetzt auf, in dir, aus dir.

So durch die Vergangenheit gereist,
und als wir zurückkamen
in deinem wie in unserem Film
die Gegenwart eine andere,
nicht mehr schwarz-weiß,
die Box der Moderne nicht mehr,
sondern die weite Leinwand,

in die ich hineinschritt, um Verse zu schreiben,
die sein sollten wie die Kurven, Marty,
deiner Skateboard-Fahrt,
um einen Parkplatz zum Leben zu erwecken
oder um ein Mädchen zu überzeugen
zum Campen am Wochenende
am See, wo es dämmerte, abends

und morgens in diesem Lebensstreifen.

 

Potsdam

Wir treffen uns, du bist der frisch Getrennte,
da blickt man auf den See und kaut Salat,
Spaghetti drehen sich wie Argumente,
ich seh dich noch vorm ersten Referat.
Zwei Kanufahrer, die das Wasser stechen,
natürlich kurvt ein Liebeskahn vorbei,
und überm Wasser hängen die Versprechen,
Geräusche, unverständlich für uns zwei,
die früher Bälle traumhaft in die Gassen,
nun zögernd Worte durch den Abend passen

 

Dirk von Petersdorff (Kiel, 16 maart 1966)

 

De Peruaanse dichter César Vallejo werd geboren op 16 maart 1892 in Santiago de Chuco, Peru. Zie ook alle tags voor César Vallejo op dit blog.

 

Het armzalige avondmaal

Hoe lang blijven wij nog wachten op wat
ons niet verschuldigd is… En in welke bocht
mogen wij onze arme knie voor eeuwig strekken!
Wanneer zal het kruis dat ons bezielt
zijn riemen laten rusten. Hoe lang
blijft de Twijfel ons nog ridderen
om geleden leed…
We zitten al zo lang
aan tafel met de bitterheid van een kind
dat om middernacht, slapeloos, van honger schreit…
En wanneer zullen wij de anderen vinden
en aan de rand van een eeuwige morgen
allemaal aanzitten aan het ontbijt.
Hoe lang nog dit tranendal,
waar ik nooit om heb gevraagd.
Op mijn ellebogen,
in tranen, met gebogen hoofd en verslagen
herhaal ik: hoe lang dit avondmaal nog duurt.
Er is iemand die veel heeft gedronken;
spottend draait hij ons, als een zwarte lepel
vol bitter levenssap, het graf voor ogen…
Maar nog minder
weet die duistere hoe lang de maaltijd duren zal!

 

Vertaald door Robert Lemm

 

César Vallejo (16 maart 1892 – 15 april 1938)
Monument voor César Vallejo door de Peruaanse beeldhouwer Miguel Baca Rossi in Lima, Peru

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e maart ook mijn blog van 16 maart 2021 en ook 0 en eveneens mijn blog van 16 maart 2019 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 14:36 Reageer op dit bericht

David Albahari, Kurt Drawert

De Servische schrijver David Albahari werd op 15 maart 1948 geboren in Pec in Servie. Zie ook alle tags voor David Albahari op dit blog.

Uit: De basiliek in Lyon (Vertaald door Reina Dokter)

“1.
Dit verhaal begint in Lyon, maar het kan waar dan ook eindigen. Er komen vier mannen, twee politieagenten, vijf vrouwen, twee fototoestellen, een fiets (die je niet ziet) en een oude voetbal in voor. Het verhaal bestaat uit tien delen van ongelijke lengte. Het grootste deel van het verhaal, dat meer dan één segment omvat, speelt zich af vóór de basiliek; het kortste segment speelt zich af op een van de pleinen van Lyon; één segment verloopt in bijna volmaakte stilte; alle segmenten zijn een vrucht van de verbeelding. Op een gegeven moment, nog voordat ze begon, bevond het verhaal zich aan de rand van de stad. Ze stond daar enige tijd, totdat het begon te regenen. Ze veegde de druppels die langs haar gezicht stroomden af en stak haar duim op. In de auto die stopte zaten twee vrouwen. Ze kauwden allebei kauwgom. ‘Je kunt achterin gaan zitten,’ zei de vrouw die niet reed, ‘of hier tussen ons in, wat je wilt.’ Ze haalde haar schouders op en blies een bel van haar kauwgom. Het verhaal bedacht dat ze op de achterbank verdrietig en alleen zou zijn en kroop tussen de twee vrouwen in. De vrouw die niet reed sloeg het portier dicht en de auto trok op. ‘Waar gaan jullie heen?’ vroeg het verhaal. ‘Waar dan ook,’ zei de vrouw die reed. Goed, dacht het verhaal, ik ben in Lyon begonnen, maar ik kan waar dan ook eindigen. Ze lachte eerst naar de ene, toen naar de andere vrouw, deed haar ogen dicht en viel in slaap.

2.
Ze droomde dat er mieren over haar heen liepen, maar toen ze haar ogen opendeed, zag ze dat het de vingers waren van de vrouw die niet reed. Die had haar blouse losgeknoopt en raakte met de vingertoppen haar huid aan. Het meisje duwde vol walging de hand van de vrouw weg en begon haar blouse dicht te knopen.
‘Wat is er?’ zei de vrouw, ‘ik wilde alleen maar zien wat voor huid je hebt. Je hebt een mooie huid,’ vervolgde ze, ‘maar dat weet je zelf vast ook.’
Het meisje zei niets. Ze ging verder met het dichtknopen van haar blouse en propte die toen in haar spijkerbroek. Goed dat ik geen rok heb aangetrokken, dacht ze. Die ochtend had ze er bijna twee uur mee verdaan om te kiezen tussen een rok en een spijkerbroek, en hoewel ze daarom toen boos op zichzelf was geweest, was ze nu blij.”

 

David Albahari (Pec, 15 maart 1948)

 

De Duitse dichter en schrijver Kurt Drawert werd geboren op 15 maart 1956 in Henningsdorf. Zie ook alle tags voor Kurt Drawert op dit blog.

 

Andere arbeiders, een andere herfst

Onbegrijpelijk en duidelijk
liggen in hun geschiedenis
dingen begraven.
Alles heeft een begin
en zijn kanker –
een gevoel van gisteren
op dit uur. De vrouw
en haar oud geworden kat,
in wiens lichaam de tijd
beweegt, tellen de sneetjes
op het tafelblad
bij de dagboekpagina’s
op. Op de achtergrond
het bekende lawaai
van de fabriek. Andere arbeiders,
zegt men, een andere herfst,
die volgens het boekje
en te verwachten was.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kurt Drawert (Henningsdorf, 15 maart 1956)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e maart ook mijn blog van 15 maart 2023 en ook mijn blog van 15 maart 2020 en eveneens mijn blog van 15 maart 2019 en ook mijn blog van 15 maart 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:40 Reageer op dit bericht

Jochen Schimmang, Volker von Törne

De Duitse schrijver Jochen Schimmang werd geboren op 14 maart 1948 in Northeim. Zie ook alle tags voor Jochen Schimmang op dit blog.

Uit: Laborschläfer

„Vom Hinterhof schien die Sonne in die Küche, und wenn ich auch wenig verstand von dem, was erzählt wurde, begriff ich doch, dass etwas in Unordnung geraten war und meine Großmutter Angst hatte. Dass es der Sozialismus war, der in Unordnung geraten war, verstand ich erst später, als die Ereignisse schon zum Gedenktag geronnen waren. Meine Großmutter war auch alles andere als eine Sozialistin, wie ich später erfuhr, sie hatte nur vor jeder Art von Unordnung Angst. Es interessierte sie nicht, dass der Sozialismus in Unordnung geriet, sie hatte nur die Angst: die Russen kommen. Auch das erzählte ich Dr. Meissner bei unserer ersten Begegnung, und er wiederholte: »Sie sind auf jeden Fall unser Mann.« So wurde ich der achte von insgesamt sechzehn Probanden.
Vorgestern, IC 2453 Ankunft Düsseldorf Hbf 17:05, Zeit des vorabendlichen Berufsverkehrs, Anfang März. Mein Arbeitsbeginn rückt näher. Entspannte Fahrt, die Augen halb geschlossen, während draußen »Leverkusen« vorbeizieht. Gibt es »Leverkusen«, frage ich mich jedes Mal auf dieser Strecke. Nach dem Aussteigen vorbei an nervösen kleinen Menschenpulks, freudig oder angespannt. Rückwärtiger Ausgang, Taxi nach Flingern. Der Fahrer ist schweigsam. Ich frage ihn, ob er bald Feierabend hat. Eine meiner Standardfragen, um das Schweigen nicht zu sehr aufzuladen, obwohl ich jeden, der gern schweigt, bestens verstehe. »Habe gerade angefangen«, sagt der Fahrer, »fahre durch bis morgen früh um sechs.« Warum überrascht mich immer noch das zwar nicht akzentfreie, aber grammatikalisch einwandfreie Deutsch, warum muss ich mir die Frage woherkommSie verkneifen. Ich tippe auf Afghanistan. Du lebst seit Jahrzehnten in einem Multikultiland, weißer alter Mann, und es gefällt dir doch. Warum dann diese Fragen noch immer im Hinterkopf. »Ich setze Sie direkt hier vorm Haupteingang ab«, sagt der Fahrer jetzt und fragt, ob ich eine Quittung brauche. Oben angekommen der übliche Satz: Da bin ich mal wieder. Und die Antwort: Sie sind es. Willkommen, Herr Roloff. Möchten Sie etwas trinken. Solche Begrüßungsrituale gehören zu meiner Arbeit.
Manche sammeln Leergut; ich schlafe. Vom Ertrag her ist meine Tätigkeit deutlich lohnender, und im Ansehen rangiert sie weit über der erstgenannten. Während andere Papierkörbe und Parks durchstöbern, immer mit der lauernden Befürchtung, es könnten fremde Blicke auf ihnen ruhen, liege ich, als klinisches Objekt, in ebenso klinisch sauberer Bettwäsche und gleite hinüber, vielfach kabelfrei verstöpselt zwar, aber das stört mich schon lange nicht mehr. Es handelt sich in mehrfacher Bedeutung des Wortes um einen Traumberuf. Zwar werde ich über die gesamte Schlafzeit beobachtet und gemessen, aber gerade im Schlaf spüre ich den Blick des Anderen nicht. Davon habe ich mein Leben lang geträumt. Und der erste Blick nach dem Aufwachen ist immer freundlich: dankbar, dass ich mich – wieder einmal – zur Verfügung gestellt habe. Dann beginnt der Tag, auf Wunsch bekomme ich noch Frühstück, und danach trete ich auf die Straße, in Lübeck, Göttingen, Düsseldorf, auch zu Hause in Köln. Berühmter Schläfer, der ich bin. Jedenfalls in der Szene; die Ewigwachen wissen nichts von mir. Die 24/7-Zombies mit ihren weit aufgerissenen Augen.“

 

Jochen Schimmang (Northeim, 14 maart 1948)

 

De Duitse dichter Volker von Törne werd geboren op 14 maart 1934 in Quedlinburg. Zie ook alle tags voor Volker von Törne op dit blog.

 

Officiële kennisgeving

We zitten in de soep:
wij zullen geen honger lijden.

Het water staat ons aan de lippen:
wij zullen geen dorst hebben.

U speelt met vuur:
wij zullen niet bevriezen.

Er wordt voor ons gezorgd.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Volker von Törne (14 maart 1934 – 30 december 1980)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e maart ook mijn blog van 14 maart 2020 en eveneens mijn blog van 14 maart 2019 en ook mijn blog van 14 maart 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Yuri Andrukhovych

De Oekraïense dichter en schrijver Yuri Andrukhovych werd geboren op 13 maart 1960 in Iwano-Frankiwsk. Zie ook alle tags voor Yuri Andrukhovych op dit blog.

 

Sie Können Den Computer Jetzt Ausschalten

….until finally I realised:
I’d been sitting there for a good half hour
gazing dully into the screen
with its last sentence.
And session over, and you have to move
and shut the computer
and leave.

But what next? And can you ever get used to
those car accidents
that hit the bulls-eye?
To that electronic address
that lets you know the worst?
And how to express protest? And against what?
To howl at the walls, or to close the computer
forever?

Sashko Kryvenko.
Last night.
Left us forever.

Did I understand that right, I didn’t twist any of the facts?
‘Cause if this is a novel
these plot twists
are becoming monotonous,
the Author evidently in crisis.

SIE KÖNNEN DEN COMPUTER JETZT AUSSCHALTEN.
DON’T FORGET TO TURN THE TELEVISION OFF.
GOODNIGHT CHILDREN, GOODNIGHT.
THERE ARE NO MORE MESSAGES TODAY.

(Doubtless, all of us
at any moment might have
a car accident, a heart attack,
a white fever.
All of us – we’re mainly drinkers,
as our guardians on the Internet well know.
Our country came to terms with that long ago
and each similar piece of bad news
is taken with all due calm.
So why does it turn so dark, in the eyes?)

I go outside, to at least catch
some air and I can’t do it.

SIE KÖNNEN DEN COMPUTER JETZT
AUSSCHALTEN.

And only later – along with the air –
it comes to me,
brighter than bright:

There is one such place.
For those like Sashko Kryvenko.
And from there you can see everything.
And the point is not
that he is there, and we are here,
although that can’t fail to twist your guts
here in our green world.

The point is
that it’s called liberation
and despite everything, it’s inevitable
as any old car-accident.

 

Universiteit

wij gebruiken dode talen
hulpeloos lopen we langs de antwoorden van astrolabia en
schedels
vanaf de hoogten van de wallen luisteren we
naar het galmen van de St. Nicolaas we luisteren
op de stoep naar de welbespraakte redenaar Cicero, besmeurd met krijt
tijdens de medische lessen gluren we in de ogen van
dode mensen
we verbergen tabak en smerige schetsen in onze zakken
’s morgens volgen we gehoorzaam de kapelaan
we gooien kleine filosofische steentjes naar katten
’s middags rennen de grappigste syllogismen en formules
van ons weg omdat
aan de andere kant van de steile vochtige muur
een honingzoete meid van de locoburgemeester
pas gewassen
nat druipend
ondergoed ophangt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Yuri Andrukhovych (Iwano-Frankiwsk, 13 maart 1960)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e maart ook mijn blog van 13 maart 2021 en eveneens mijn blog van 13 maart 2019 en ook mijn blog van 13 maart 2016 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 10:15 Reageer op dit bericht

Dave Eggers, Naomi Shihab Nye, Raoul de Jong

De Amerikaanse schrijver Dave Eggers werd geboren op 12 maart 1970 in Chicago. Zie ook alle tags voor Dave Eggers op dit blog.

Uit: The Museum of Rain

“It was the most elaborate get-together the Mahoneys had ever pulled off. Even Great Uncle Ernst—a German POW who was sent to California in 1943 and never left—had been wheeled in from Stockton. There were three middle-aged relatives from Ireland; no one could figure how they were related to the American Mahoneys, but they added some genealogical ballast. And they’d enjoyed last night’s bonfire more than anyone else.
It had been Patrick’s idea. In the middle of California, while a swath of Sonoma burned two hundred miles to the north, he insisted on having a bonfire. The kids loved it, and most of the adults, drinking homemade aquavit from an oak cask, grew to accept the fire’s existence, as tasteless as it was under the circumstances. The kids had fed it with pieces of a broken-down picnic table, and three Mahoney generations danced around it, rhythmless but free, until Patrick’s neighbor, nervous and outraged, flew by at midnight with his crop duster and doused the flames—and half the Mahoney family—with pink fire retardant. That had ended the night.
The family compound was a ramshackle array of Victorians, yurts and double-wides surrounding the original 1845 adobe—bought directly from Don Joaquin Gomez, the Monterey customs officer. In the morning, it looked like an art project gone awry. There were beer bottles, wine bottles, paper plates, chicken bones and skateboards and badminton rackets and a single cerulean sock, and all of it was soggy from the retardant.
Now it was up to Oisín to lead the children away from the mess so things could be returned to some semblance of order for that night’s dinner and concert. Patrick wanted to celebrate a distant ancestor, John O’Leary, who had been the right hand and biographer to Simón Bolívar; someone had done 23andMe and the connection, more or less direct, had been evinced. Evie had hired a high school marching band for the party and ordered an immense sheet cake from Safeway, with an etching of O’Leary replicated on the frosting. Most of the adults had planned to flee to Hooray’s, the only bar for eleven miles, until it was over.
“Five minutes,” Oisín yelled into the courtyard. He assumed word would get around. He hoped the parents would be motivated to make sure their own children were ready. The round trip would be four hours, minimum—no small gift to all the assembled adults.”

 

Dave Eggers (Chicago, 12 maart 1970)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Naomi Shihab Nye werd geboren op 12 maart 1952 in St. Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor Naomi Shihab Nye op dit blog.

 

De woorden onder de woorden

voor Sitti Khadra, ten noorden van Jeruzalem

De handen van mijn grootmoeder herkennen druiven,
de vochtige glans van de nieuwe huid van een geit.
Toen ik ziek was, volgden ze mij,
ik ontwaakte uit de lange koorts en merkte dat ze
mijn hoofd bedekten als koele gebeden.

De dagen van mijn grootmoeder bestaan uit brood,
een krachtig klop-klop en het langzaam bakken.
Ze wacht bij de oven en kijkt naar een vreemde auto
die door de straten cirkelt. Misschien brengt hij haar zoon,
verloren aan Amerika. Veel vaker toeristen,
die knielen en huilen bij mysterieuze heiligdommen.
Ze weet hoe vaak post aankomt,
hoe zelden er een brief bij is.
Als er een komt, kondigt ze het aan: een wonder,
Luistert ernaar, steeds opnieuw voorgelezen
in het schemerige avondlicht.

De stem van mijn grootmoeder zegt dat niets haar kan verrassen.
Breng haar de schotwond en de kreupele baby.
Ze kent de plaatsen waar we doorheen reizen,
de berichten die we niet kunnen versturen – onze stemmen zijn kort
en zouden onderweg verdwalen.
Vaarwel tegen de jas van de echtgenoot,
degenen die ze heeft liefgehad en gevoed,
die van haar wegvliegen als zaden in een diepe hemel.
Ze zullen zichzelf planten. We zullen allemaal sterven.

De ogen van mijn grootmoeder zeggen dat Allah overal is, zelfs in de dood.
Als ze het heeft over de boomgaard en de nieuwe olijfpers,
als ze de verhalen vertelt van Joha en zijn dwaze wijsheden,
Hij is haar eerste gedachte, waar ze werkelijk aan denkt is Zijn naam.
“Antwoord, als je de woorden onder de woorden hoort…
anders is het gewoon een wereld met veel ruwe kantjes,
moeilijk om doorheen te komen, en onze zakken vol stenen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Naomi Shihab Nye (St. Louis, 12 maart 1952)

 

De Nederlandse schrijver, columnist, programmamaker en danser Raoul de Jong werd geboren in Rotterdam op 12 maart 1984. Zie ook alle tags voor Raoul de Jong op dit blog.

Uit: Dagboek van een puber

“Het is voor iemand als ik een heel eigenaardige gewaarwording om in een dagboek te schrijven,’ schreef Anne Frank op 20 juni 1940 aan haar Kitty. ‘Niet alleen dat ik nog nooit geschreven heb, maar het komt me zo voor, dat later noch ik, noch iemand anders, in de ontboezemingen van een dertienjarig schoolmeisje belang zal stellen.’ Boy, was she wrong.
We ontmoeten de jonge Raoul twee weken nadat hij Anne Franks dagboek heeft uitgelezen, in zijn kinderkamer in Schiedam. Geïnspireerd door Anne Frank heeft hij de ingang van zijn kamer achter een boekenkast verstopt. Achter de boeken op de derde plank bevindt zich een geheime deurklink. En er hangt een briefje met in blokletters: verboden voor nazi’s! Achter die boekenkast annex deur zit de ster van dit verhaal, onder een hoogslaper die is versierd met spaanplaten wolken en een regenboog, gebogen over een schrift waaruit hij zojuist de eerste bladzijdes met logopedie-oefeningen heeft gescheurd.
Het is 27 januari 1996. ‘Ademnood’ van Linda, Roos & Jessica staat op nummer 1, Wim Kok is minister-president van Nederland, Bill Clinton is president van Amerika en de jonge Raoul schijft:
Zaterdag 27 januari 1996
Lieve Caspar Boris Lief dagboek,
Ik heb nog geen goede naam voor je, dus tot die tijd noem ik je maar ‘lief dagboek’. Dit is de eerste keer dat ik in je schrijf. Ik vind het wel een soort van spannend. Zal ik het volhouden?
Ik zal het fijn vinden dat ik nu kan opschrijven wat ik denk en wat ik voel. Ik zal kunnen schrijven over liefde et cetera, maar ook over jaloezie en wraakgevoelens.
Ik ben de laatste tijd heel erg bezig met herinneringen. Dat komt doordat dit het laatste jaar is op de lagere school. Er was altijd een ander schooljaar als dit schooljaar voorbij was. Maar nu is er geen ander jaar meer. Ik vind het zo vreemd, want elke dag naar school gaan is een gewoonte geworden. En de klas een soort tweede familie. Soms wou ik dat de tijd stil stond. Aan de andere kant ben ik wel benieuwd naar wat me te wachten staat.
Nou, ik zal maar eens iets over mezelf vertellen. Ik ben elf jaar oud, ik woon in Schiedam. Ik zit in groep 8b van de Sint Jozefschool. Samen met mijn klasgenootjes Sophie, Annelies, Manon en Bart heb ik een clubje opgericht, de Poedelclub.”

 

Raoul de Jong (Rotterdam, 12 maart 1984)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e maart ook mijn blog van 12 maart 2020 en eveneens mijn blog van 12 maart 2019 en ook mijn blog van 12 maart 2018 en ook mijn blog van 12 maart 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:08 Reageer op dit bericht

Karl Krolow, Willem Claassen

De Duitse dichter en schrijver Karl Krolow werd geboren op 11 maart 1915 in Hannover. Zie ook alle tags voor Karl Krolow op dit blog.

 

VATERLAND

1

Eisige Insel! Und es knallt der Wind
Wie Türen schlagen. Meine Augen muß ich
Hinhalten in die Schlacht, den Engelkampf,
Hinhalten wie zwei Löcher, rund und rußig,

Und nach dir ausschaun. Doch du treibst vorbei
Im Flusse Heraklits, vergessen schon.
Du blähst als schwarzes Wrack im Nachtchoral
Der Wasser, die dich zu verschlingen drohn.

Du fernes Tibet, in das Nichts verschollen!
Du trittst als Frost mir unter meine Haut.
Ich rufe nach dir leise aus dem Fieber:
Erloschnes Land, ins Windgestrüpp gebaut.

Du Frucht aus Mitternacht, die sich beschreibt
Im Leeren, unter einem schartigen Himmel,
Ich rufe Wehe in die Marschmusik
Des wilden Leids, in alles Qualgewimmel.

Im Draht der Schmerzen halt’ ich mühsam aus,
Der sich mir langsam durch die Brust gespannt.
Wie du mich anglühst aus verkohltem Blick
— Du Reich, verlorener als Feuerland,

Bestickt mit Sternen und mit fremdem Mond —
Steigt mir das Schluchzen lautlos kehlenhin.
Ich sitz und traure, hör der Vene zu,
Vom Blut durchrauscht und deinem alten Sinn.

 

II
Du bist der Pesthauch hinter gelben Zähnen
Und wirfst dich über mich und deckst mich zu.
Den Mund brichst du mir auf, erstickst in Gähnen
Was ich erfand an flötensüßer Ruh.

Auf deinem schwarzen Blut gleit ich in Nacht,
Halt meiner Glieder eisernes Gestänge,
Den Schädelkürbis aufwärts ins Gedränge,
Ins Keuchen einer schattenhaften Schlacht,

Die lautlos treibt auf deinem Geisterboden,
Auf dem Kadaver, den du ausgestreckt,
Der Totenlandschaft zwischen Haupt und Hoden;
Und schrei, von deinen Schreien angesteckt:

Du Vaterland der herrenlosen Hunde,
Die deinen Namen wie den Mond verbellen,
Mit ihren Schnauzen wühlen in der Wunde
Und schmatzend deinen blinden Leib entstellen!

Unnütze Leiche, Aalen preisgegeben,
Die langsam sich durch die Gewebe bohren!
Als Wolke Unrat seh ich dich entschweben.
Und an kein Jenseits himmelan verloren,

Ziehst du ins Nichts, ins träumelose Nimmer.
Du flüsterst nicht als Widerhall im Gras,
Als Sternbild nicht, das flutet mit Geflimmer.
Denn du vergingest flüchtiger als Gas.

 

ELEGIE VON DEN SOLDATEN

Unter den Lumpen tragen verbrannt sie die Haut,
Haben sie Fleisch, schwarz und vom Eisen zerrissen,
Blecken die großen Zähne, grölen mit Stimmen laut
Fremde Gesänge, vor denen den Frauen graut,
Und frieren im Ungewissen.

Im zerbrochenen Gebüsch sind ihre Leiber gehangen,
Heiter in Stricken, die sie sich selber geknüpft,
Staken die Köpfe wie Kürbisse gelb auf den Stangen,
Wehten die Bärte im Winde oben und sangen
Ihnen die Raben, wie sie den Wolken entschlüpft.

Aber sie lebten — erschossen oder an Galgen gehenkt —
Weiter und husten und stoßen die Zunge vor,
Haben die Arme im weißen Lichte geschwenkt,
Tod unterm Lid, das die Feuer der Schlachten versengt,
Lächelnd im Schein von Karbid und von grünlichem Chlor.

Und sie speien die Hoffnung wie Tabak, im Munde gekaut,
In den Schlamm vor die Füße und hinken vorbei,
Verzieht’ die gesprungenen Lippen und gehn ohne Laut
Unter im Schweigen, im knisternden Scharbockskraut,
Im Ohr das Gemurmel der höllischen Weissagerei.

 

Het obstakel van het leven

Het obstakel van het leven −
een terloopse notitie van Kant.
Men moet ook vandaag nog
met burgerlijke melancholie rekening houden.
In de buurt van tuinen
behoort het ogenblik tot de verbeelding:
een tulpenbed, een terras
met amandelbomen,
terwijl het onvermogen om iets te doen
voortduurt
Pijn en tegenpijn −
mijn hart heb ik alleen,
schrijft Werther, hoe men
zijn constitutionele depressie
behoudt of
het aanbreken van de nacht
een afschaffing van de orde
teweegbrengt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Karl Krolow (11 maart 1915 – 21 juni 1999)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver Willem Claassen werd geboren in Beuningen in 1982. Zie ook alle tags voor Willem Claassen op dit blog.

Uit: In het moment

“Vroeg in de ochtend, op mijn eerste dag in Oostburg, vindt er een prachtig, bewegend schouwspel plaats op de tafel waaraan ik eet en schrijf. Het wordt veroorzaakt door het zonlicht dat langs de wuivende bladeren van de boom door het raam op het tafelblad belandt. De koelkast naast de tafel zoemt zachtjes en ik vraag me af: speelt het licht met de bladeren, of spelen de bladeren met het licht?
Ik ben hier gekomen om de juiste balans te vinden tussen rust en schrijven, zoals waarschijnlijk veel residenten voor mij. ‘You can’t rush art,’ leerde ik eens van mijn toenmalige vriendin. Het is een quote uit Toy Story 2. Tenminste, als ik Google mag geloven. Al jaren moet ik mezelf steeds opnieuw aan die woorden herinneren, omdat iets in mij – een koppig, hardnekkig deel – ervan overtuigd is dat met rush wel degelijk iets moois te maken valt.
Zeeuws-Vlaanderen nodigt uit om rust te vinden. De warmte ligt als een zacht vlies over het landschap en dempt alles een beetje. Een man rent in het water, een fietser speelt met zijn fietsbel, een oma roept haar kleinkinderen, een vrachtwagen rijdt rustig voorbij, een vogel kwettert, een egel ligt dood in de berm, een lege streekbus slaat rechtsaf, een oliebollenkraam heeft de luiken nog dicht.
Ik noteer:
Als je aan het schrijven bent, leef je helemaal niet in het moment. Je bent ver, ver weg in je eigen geschapen wereld en de tijd verstrijkt zonder dat je je er bewust van bent. Maar als je even opkijkt van je laptop of papier, en vanuit je schrijfroes de omgeving tot je neemt, ben je juist helemaal in het moment. Veel meer dan wanneer je een wandeling door het park maakt of de afwasmachine inruimt. Het is voor een schrijver, of helemaal uit het moment, of er helemaal in.
Achteraf ben ik blij dat ik niet een dag eerder ben aangekomen, want dat was de dag van Wagner. Terwijl ik mijn tas probeerde in te pakken, trok Prigozjin met zijn huurlingenleger richting Moskou. Mijn journalistieke en geschiedkundige hart ging tekeer. Het inpakken nam veel tijd in beslag, want ik was totaal afgeleid door de muiterij, vrat alles wat erover naar buiten kwam. Tot ’s avonds de opstand uit het niets ophield te bestaan. Ook voor mij was het ineens klaar en koos mijn hart een kalmer tempo.”

 

Willem Claassen (Beuningen, 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e maart ook mijn blog van 11 maart 2020 en eveneens mijn blog van 11 maart 2019 en ook mijn blog van 11 maart 2018 deel 3.

Geschreven door Romenu om 17:09 Reageer op dit bericht

John Rechy, Naomi Shihab Nye

De Amerikaanse schrijver John Rechy werd geboren op 10 maart 1934 in El Paso, Texas. Zie ook alle tags voor John Rechy op dit blog.

Uit: The Fourth Angel

“Shell lies on the resurrected grass of Memorial Park. His legs straddling her, Cob’s body grinds over hers. But she’s not looking at him–she stares at the sheet of azure sky, determined that it hold her total attention. And although his thighs press fiercely against her torso and one of his hands draws her face roughly to him from the neck, Cob doesn’t look at her either. Instead, locked behind large, deep-purple sunglasses, his dark, dark eyes search the park. Both sixteen, they thrust coldly against each other as if engaged in a deadly struggle.
‘do you see him yet?” she asks him, her gaze still nailed to the sky.
“No, man, not yet,” he answers curtly.
Shell’s hair is long, very long, brown, streaked blond; dark-lashed, her eyes are leonine yellow. Conveying premature scorn and too large for the rest of her chiseled features, her lips incongruously complete her stark beauty.
She twists her full but slender body under the weight of Cob’s. “Cool it, man; you’re fucking hurting me,” she says. Her voice is husky beyond her years.
Cob pushes his hair, long to his shoulders, behind his ears. His eyes move in an arc. Almost too thin, he has icy good looks–face sharp of features, sensual–the dark sensuality of barely contained violence.
The El Paso, Texas, sky is magic blue. Only the film of dusty gray which lingers on the horizon hints of the season of howling wind just passed, when the wind rampaged the city with racking regularity, the sun a dull whitish smear for days, dust settling only at night like filthy lace.
Now, a late summer, the sun spreads its warmth like an electric halo.
The grass on which they lie has lost its winter brittleness, assuming a velvet sheen. Here and there, trees on this truncated hill overlooking the rest of the park create alcoves, grottos. It’s four o’clock. Shadows engraved by the bright stare of the sun provide pools for lovers.
But Cob and Shell lie in a clearing.
“You see him yet?” Shell demands impatiently.
“No–cool it.” Cob’s legs curl about her more intimately.
‘maybe he fucking isn’t here,” Shell says.
“I saw his fucking car,” Gob says.
“You’re pressing too hard!” Shell repeats.
“Then why the fuck don’t you get on top?” His dark eyes are intense periscopes.
In one quick motion, Shell mounts him. “Like this?” A sudden bolting anger in her gesture, she arches her body over his, lunging downward fiercely from her hips.”

 

John Rechy (El Paso, 10 maart 1934)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Naomi Shihab Nye werd geboren op 12 maart 1952 in St. Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor Naomi Shihab Nye op dit blog.

 

Zoveel geluk

Het is moeilijk om te weten wat je met zoveel geluk moet doen.
Bij verdriet is er iets om tegenaan te wrijven,
een wond die moet worden verzorgd met zalf en een doekje.
Als de wereld om je heen instort, moet je stukken oprapen,
iets om in je handen te houden, zoals kaartjes of wisselgeld.
Maar geluk zweeft.
Je hoeft het niet ingedrukt te houden.
Het heeft niets nodig.
Geluk landt op het dak van het volgende huis, zingend,
en verdwijnt wanneer het wil.
Je bent hoe dan ook gelukkig.
Zelfs het feit dat je ooit in een vredige boomhut woonde
en nu boven een steengroeve woont van lawaai en stof
kan je niet ongelukkig maken.
Alles heeft een eigen leven,
en zou ook wakker kunnen worden vol mogelijkheden
van koffiecake en rijpe perziken,
en zelfs kunnen houden van de vloer die geveegd moet worden,
het vuile linnengoed en de platen met een kras…..
Omdat er geen plek is die groot genoeg is
om zoveel geluk te bevatten,
haal je je schouders op, je steekt je handen op en het stroomt uit je
in alles wat je aanraakt. Jij bent niet verantwoordelijk.
Jij gaat niet strijken met de eer, net zoals de nachtelijke hemel geen eer opeist
voor de maan, maar haar blijft vasthouden en delen,
en op die manier, gekend wordt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Naomi Shihab Nye (St. Louis, 12 maart 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e maart ook mijn blog van 10 maart 2020 en eveneens mijn blog van  10 maart 2019 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:03 Reageer op dit bericht

Koen Peeters, Naomi Shihab Nye

De Vlaamse schrijver Koen Peeters werd geboren in Turnhout, 9 maart 1959. Zie ook alle tags voor Koen Peeters op dit blog.

Uit: Georges

“Oostende, de zomer van 1926
Het is de zomer waarin Georges in z’n diepste wezen verandert, omdat er niets verandert. Dat komt door die Ierse toerist die op 5 augustus 1926 het Oostendse postgebouw binnenstapt. De toerist kijkt om zich heen. Met roofvogelblik overschouwt hij de lokettenzaal. In zijn rechterhand heeft hij een donkere essenhouten wandelstok, waarmee hij drie keer tikt op de vloer. Als een orkestmeestertje. Even valt het geroezemoes stil, waardoor de toerist aan de andere kant van de zaal een postbeambte hoort roepen: ‘Georges, een brief voor je.’ Achter loket 4 kijkt een jonge beambte op. Hij heet Georges. Hij knikt. Daardoor gaat de Ierse toerist nu aanschuiven bij loket 4. Het is het loket Buitenlandse zendingen van Georges Vermeire. Hij is achtentwintig jaar, opsteller eerste klas, verantwoordelijk voor buitenlands briefverkeer, inclusief inkomende onbestelbare brieven. ‘Ah Georges, George in English, Giorgio in Italiano, Jiří in het Tsjechisch,’ lacht de toerist. De toerist is groot en slank. Klein puntig baardje, een stevig donker snorretje geplakt kort onder zijn neus. Hij draagt een lichte zomerhoed met donkere band, een zwart jasje en een wit ruimzittend hemd. Een ooglapje ook. In het Engels vraagt de toerist aan Georges hoe zijn naam is in het Vlaams. “Joris”, zegt Georges, terwijl hij zijn zware map met postzegels aan de kant schuift. Hij kijkt de toerist aan: ‘En mijn dochtertje heet Georgina. Kan ik u helpen?’ “Dame, you really must be a happy man”, zegt de toerist. Hij is zelfs geravisseerd. Hij vindt de jonge postbeambte meteen zeer sympathiek, net als de stad waarin hij is gearriveerd. De toerist is een veertiger, duidelijk welgesteld, zijn haar strak achterovergekamd. Hij valt op met zijn zwart plectrumvormig lapje voor het linkeroog. Een roofvogelblik? Een gekwetste dan toch. Met zijn rechteroog is ook iets aan de hand. Later zal hij dat aan Georges uitvoerig uitleggen: glaucoom, groene staar. Hij noemt het de Griekse dichtersziekte. Hij zegt ook: ‘Ik ben een toerist met iritis, irritatie door recente iridectomie aan het rechteroog. Voorts cataract, ook grauwe staar genoemd.’ Het klinkt als citaten uit een medisch rapport. Dat is ook zo. Waarom hij dit meedeelt? Hij doet het om te proeven van de wonderbare, moeilijk uit te spreken woorden, om zijn eigen tongsnelheid te testen. Ook om de kunst van de rijmelarij. De naam van de Ierse toerist is James Joyce. Niemand minder dan de grootste schrijver aller tijden is aangekomen in Oostende. Rechtstreeks uit Parijs. Hij is een literaire vedette, een star. Vier jaar geleden verscheen zijn meesterwerk Ulysses. Een schandaalboek, complex en pervers naar ’t schijnt, omdat het zelfs gaat over masturbatie, menstruatie en kak. Het boek wordt zeer gecontesteerd. Het mag niet zomaar verkocht worden, maar nu al wordt het essentieel genoemd voor de wereldliteratuur. Hij is de Einstein, de Freud van de letteren. Er verscheen al een biografie, terwijl Joyce amper vierenveertig is. Dat weet Georges van de post natuurlijk niet. Verder wellicht ook niemand in Oostende.”

 

Koen Peeters (Turnhout, 9 maart 1959)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Naomi Shihab Nye werd geboren op 12 maart 1952 in St. Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor Naomi Shihab Nye op dit blog.

 

Liefdevol werken

“Wij maken schoon om ruimte te geven aan kunst.”
Micaela Miranda, Freedom Theatre, Palestina

Het werk was een stralend toevluchtsoord als de wind zijn tanden zette
in mijn gedachten. Alles waar we van houden gaat weg,
is op drift – maar je zou dit stuk vloer kunnen vegen,
deze patio of veranda, witte stenen verzamelen in een emmer,
de plek harken voor toekomstige beplanting, het aanrecht afnemen
met een doek. Mooie natte grijze doek, knijp er hard in
je doet er zoveel mee. Maak de tuin vrij van rondwaaiende stukjes plastic.
De glorie in het doen. De adem van het doen.
Soms weerhield de eenvoudigste beweging de angst om
te fragmenteren in helemaal geen energie, of verdriet om zich
te vermenigvuldigen, of verdriet om de enige persoon te zijn
die het huis bewoont.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Naomi Shihab Nye (St. Louis, 12 maart 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e maart ook mijn blog van 9 maart 2021 en ook mijn blog van 9 maart 2020 en eveneens mijn romenu blog van 9 maart 2019 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:23 Reageer op dit bericht

Walter Jens, Rolf Jacobsen

De Duitse schrijver, classicus, literair historicus, criticus en vertaler Walter Jens werd geboren op 8 maart 1923 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Walter Jens op dit blog.

Uit:  Frau Thomas Mann

„Es scheint eine Selbstverständlichkeit gewesen zu sein, dass die Kinder zu den Eltern ins Bett stiegen und ihrer Neugier freimütig Ausdruck gaben: «Erik (sechsjährig) sagte, bei mir im Bett liegend, <Muttchen, ich kenne von deiner Nacktheit nur das Gesicht, ich möchte wohl mal deine ganze Nacktheit kennen lernen.>» Und als der Vater die Tür seines Zimmers, in dem er sich mit seiner Tochter unterhielt, schließen wollte, da die Buben nebenan ihre Nachttoilette machten, protestierte die Neunjährige heftig: etwas «Bekanntschaft mit dem Leben» müsste sie schließlich behalten. Auch an den Unterhaltungen über die Frage «Wo kommen die kleinen Kinder her?» wurden die Eltern beteiligt: «An den Storch glaubt keines», Eintrag der Mutter an Peters Geburtstag 1889, «Kati meint, sie fallen aus einem Loch im Himmel», während Peter es «ganz genau» weiß: «du legst uns, wie die Kühe die Kälber legen!» Doch auch er hatte noch Fragen, die die Mutter gewissenhaft aufschrieb: «Wenn ich nur wüßte, wo man herauskommt.» Dass «auch unverheiratete Leute Kinder bekommen», schien Allgemeinwissen zu sein. Der Älteste hatte den Kalender seines Vaters offenbar gründlich studiert und machte während der Unterhaltung geltend, dort stünde, «daß in München jährlich einige 1000 Kinder außer der Ehe geboren werden» und man schließlich wisse, dass Emilie auch ein Kind habe. Ein paar Jahre später verfügte die neunjährige Kati über so viel Bildungswissen, dass sie fähig war, diese Tatsache in einen dubiosen, aber immerhin originellen Erklärungszusammenhang einzuordnen: «Im Altertum hatte man die Kinder nicht gern, und jetzt weiß ich auch, warum im Altertum die Frauen eine so niederträchtige Stellung hatten: weil sie die Kinder machen.» Auch prekäre Situationen galten nicht als tabu. Es war von den Kindern offenbar nicht unbemerkt geblieben, was in München jedermann wusste: Alfred Pringsheim war – was sein Verhältnis zu Frauen anging – «höchst flatterhaft» (so jedenfalls drückte es der zwölfjährige Erik gegenüber der Mutter aus). Auf die Frage, was er damit meine, antwortete der Sohn: «Nun ja, er läuft jeden Tag einer anderen nach, heut Hannchen, morgen Milka [A, ist das recht?» Als die Mutter meinte, jeder dürfe doch tun, «was ihm Vergnügen» bringe, flüsterte der achtjährige Klaus entsetzt und «mit Tränen im Auge»: «der Fey ist ein zweiter Frankfurter!» «Wir haben geschrien [vor Lachen]», setzte Hedwig Pringsheim erklärend in Klammern hinzu. «Ich hatte tags zuvor von einem grässlich zudringlichen, ekligen kleinen Kerl namens Frankfurter erzählt, der die Damen im Theater sehr belästigt.» Was als Bloßstellung des Vaters gegenüber den Kindern erscheinen könnte, erweist sich durch die folgenden Eintragungen als alltägliche Diskussion, denn es zeigt sich, dass dem Familienoberhaupt die Äußerungen der Kinder – selbst wenn sie in seiner Abwesenheit getan waren – selbstverständlich berichtet wurden und er sich nicht selten selbst an dergleichen Gesprächen beteiligte: «Wir sitzen am Theetisch», Eintrag der Mutter im Dezember 1891; «ich meine, Alfred, der noch fehlt, trinke gewiß bei Milka Thee.“

 

Walter Jens (8 maart 1923 – 9 juni 2013)
De familie Mann in 1924: v.l.n.r. Katia, Monika, Michael, Elisabeth, Thomas, Klaus en Erika. Golo ontbreekt op deze foto.

 

De Noorse dichter en journalist Rolf Jacobsen werd geboren op 8 maart 1907 in Kristiania. Zie ook alle tags voor Rolf Jacobsen op dit blog.

 

Regenboog watervaldamp

Vrijheid
dachten ze en openden de deuren van de sluis.

Vrijheid, vrijheid
toen de waterval traag aanwentelend
met dondertonen alle dalen binnendrong.

Vrijheid
riepen ze toen de droomsluier van de regenboog
als een schuimwolk voor hun oog verscheen.

Vrijheid
totdat het avonddonker kwam
en ze een stad zagen die langzaam werd gewurgd,
waar straat na straat verkwijnde,
ongemerkt, uit gebrek aan zichzelf.

 

Vertaald door Amy van Marken

 

Rolf Jacobsen (8 maart 1907 – 20 februari 1994)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e maart ook mijn blog van 8 maart 2021 en ook mijn blog van 8 maart 2020 en eveneens mijn blog van 8 maart 2019 en ook mijn blog van 8 maart 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:36 Reageer op dit bericht

Robert Harris, Günter Kunert

De Britse schrijver en journalist Robert Dennis Harris werd geboren op 7 maart 1957 in Nottingham. Zie ook alle tags voor Robert Harris op dit blog.

Uit: Dictator (Vertaald door Arjaan en Thijs van Nimwegen)

“Ik herinner me hoe de kreten van Caesars oorlogsbazuinen ons achtervolgden over de duisterende velden van Latium — hun smachtend, jammerend gehuil, als van bronstige dieren — en hoe, toen ze verstomden, enkel nog het geschuifel klonk van onze schoenen op de ijzige weg, en onze wilde, hijgende adem.
Voor de onsterfelijke goden was het onvoldoende dat Cicero werd bespuwd en verguisd door zijn medeburgers; onvoldoende dat hij midden in de nacht van de haard en altaren van zijn familie en voorvaderen werd verdreven, onvoldoende zelfs dat hij terwijl wij te voet van Rome wegvluchtten omkeek en zijn huis in vlammen zag opgaan. Zij vonden het noodzakelijk aan al deze kwellingen nog een laatste hand te leggen: dat hij gedwongen was aan te horen hoe het leger van zijn vijand het kamp op het Marsveld opbrak
Hij was de oudste van ons gezelschap, maar Cicero hield gelijke tred met de rest. Onlangs nog had hij het leven van Caesar in de palm van zijn hand gehouden. Hij had het kunnen vermorzelen als een ei. Maar nu was hun beider fortuin volkomen gekeerd. Terwijl Cicero naar het zuiden vluchtte om aan zijn vijanden te ontsnappen, marcheerde de bereider van zijn ondergang naar het noorden om beide Gallische provincies onder zijn gezag te brengen.
Hij liep met gebogen hoofd, zwijgend, en ik vermoedde dat hij te zeer vervuld was van wanhoop om te spreken. Pas bij het aanbreken van de dag, toen we met onze paarden samenkwamen bij Bovillae en klaarstonden voor het tweede deel van onze vlucht, bleef hij staan, met zijn voet in de deuropening van zijn rijtuig en zei plots: ‘Denk je dat we terug moeten gaan?’
Die vraag overviel me. ‘Ik weet het niet,’ zei ik. ‘Ik heb er niet over nagedacht.’
“Nou, denk er dan nu dan maar over na. Waarom vluchten we uit Rome weg?”
“Vanwege Clodius en zijn bende.”
“En waarom is Clodius zo machtig?”
“Omdat hij tribuun is, en wetten tegen u kan aannemen.”
“En wie heeft het mogelijk gemaakt dat hij tribuun kon worden?”
Ik aarzelde. “Caesar.”
“Precies. Caesar. Dacht je dat het toeval was dat die man precies op dat moment naar Gallië is vertrokken? Natuurlijk niet! Hij heeft gewacht tot zijn spionnen hem meldden dat ik uit de stad was vertrokken, en pas daarna beval hij zijn leger te vertrekken. Waarom? Ik heb steeds aangenomen dat hij Clodius heeft gepromoveerd om mij te straffen, omdat ik me tegen hem had uitgesproken. Maar wat als zijn werkelijke doel al die tijd was mij uit Rome te verdrijven? Wat is dat voor list dat hij zeker moeten weten dat ik weg ben voordat hij ook vertrekken kan?”

 

Robert Harris (Nottingham, 7 maart 1957)

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Kunert werd geboren op 6 maart 1929 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Günter Kunert op dit blog.

 

NOTITIES IN KRIJT

1

Neergezet op het gesternte
van onze pijn
als barak. Maar sterker dan welk fort dan ook
en permanenter. Blootgesteld
aan het bitterste weer. Eeuwig voorlopig:
ik.

2

Doorgansstation
voor gevoelens, gedachten, dromen.
Na een kort verblijf
steeds weer leeg en verlaten
het treinstation van mijn angstige mijn hopeloze
gebeente:
Omhoog gewerveld
zinken terug op de versteende grond
de asvlokken, ooit levend en verwant aan
dezelfde
die elke dag zijn huid riskeert
en niet naar de prijs vraagt.

3

Voor wie
zes miljoen doden een getal is
zoals zes miljoen mark
zoals zes miljoen sterren
zoals zes miljoen conservenblikjes
altijd dezelfden
die het hoofd schudden en de schouders ophalen
over degene die mijn naam
onthult:

Die ronddwaalt
tussen allen die niemand kan begraven
met een gedienstige hand
geen handlanger van deze planeet op deze
planeet:

Omdat de korst uit vergeten
nog steeds te dun en
te levend de vlijtige moordenaars zijn
nog en nog altijd.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Günter Kunert (6 maart 1929 – 21 september 2019)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e maart ook mijn blog van 7 maart 2021 en ook mijn blog van 7 maart 2019 en ook mijn blog van 7 maart 2016 en ook mijn blog van 7 maart 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 14:18 Reageer op dit bericht

Patrick deWitt, Günter Kunert

De Canadese schrijver en scenarist Patrick deWitt werd geboren op 6 maart 1975 op Vancouver Island. Zie ook alle tags voor Patrick deWitt op dit blog.

Uit: The Librarianist

“The morning of the day Bob Comet first came to the Gambell Reed Senior Center, lie awoke in his mint-colored house in Portland, Oregon, in a state of disappointment at the fact of a dream interrupted. He had again been dreaming of the Hotel Elba, a long-gone coastal location he’d visited at eleven years of age in the middle 1940s. Bob was not known for his recall, and it was an ongoing curiosity to him that he could maintain so vivid a sense of place after so many years had passed. More surprising still was the emotion that ac-companied the visuals; this dream always flooded his brain with the chemical announcing the onset of profound roman-tic love, though he’d not known that experience during his time at the hotel. He lay in his bed now, lingering over the feeling of love as it ebbed away from him. Bob sat up and held his head at a tilt and looked at nothing. He was a retired librarian, seventy-one years of age, and not unhappy. His health was sound and he spent his days reading, cooking, eating, tidying, and walking. The walks were often miles long, and he set out with no destination in mind, choosing his routes improvisationally and according to any potentially promising sound or visual taking place down any potentially promising street. Once he’d witnessed an apartment fire downtown; the hook-and-ladder brigade had saved a baby from an uppermost window and the crowd on the sidewalk had cheered and cried and this was highly exciting for Bob. Another time, in the southeast quadrant, he’d watched a de-ranged man determinedly ripping out the flower beds in front of a veterinarian’s clinic while dogs looked on from the windows, craning their necks and barking their sense of offense. Most days there was not so much to report or look upon, but it was always good to be in motion, and good to be out among the population, even if he only rarely interacted with any one person. He had no friends, per se; his phone did not ring, and he had no family, and if there was a knock on the door it was a solicitor; but this absence didn’t bother him, and he felt no craving for company. Bob had long given up on the notion of knowing anyone, or of being known. He communicated with the world partly by walking through it, but mainly by reading about it. Bob had read novels exclusively and dedicatedly from childhood and through to the present. On this day, Bob was fed and out the door before nine o’clock in the morning. He had dressed according to the weatherman’s prediction but the weatherman was off, and so Bob had gone into the world unprepared for the cold and wet. He enjoyed being outdoors in poor weather but only if he was properly outfitted; in particular he disliked having cold hands, which he did have now, and so he entered a 7-Eleven, pouring himself a cup of coffee and lingering by the news-paper rack, warming himself while gleaning what news he could by the headlines.”

 

Patrick deWitt (Vancouver Island, 6 maart 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Kunert werd geboren op 6 maart 1929 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Günter Kunert op dit blog.

 

Dwaalwegtol

Ik stopte daar
de auto en stapte uit.
Nergens een mens.
Lieflijke rotsen rondom.
Jij bent de oude weg
van Rome naar Niflheim.
Achter de kronkelige bergen echter
ligt het Duitse bos op de loer
en de wereldgeschiedenis, het wereldoordeel,
het vergaan en het vergeten.
Erop uitgetrokken voor imperiums,
naar huis teruggekeerd nooit echt. Alleen
de rots
gedenkt zowel hen als mij
in alle stilte, die was, die is,
die blijft
over afgronden heen
het enige dat leeft.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Günter Kunert (6 maart 1929 – 21 september 2019)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e maart ook mijn blog van 6 maart 2023 en ook mijn blog van 6 maart 2022 en ook mijn blog van 6 maart 2020 en ook mijn blog van 6 maart 2019 en ook mijn blog van 6 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 10:12 Reageer op dit bericht

Koos van Zomeren, Pier Paolo Pasolini

De Nederlandse schrijver, columnist en dichter Koos van Zomeren werd geboren in Velp op 5 maart 1946. Zie ook alle tags voor Koos van Zomeren op dit blog.

Uit: Omstandigheden

“Waar gaan we heen?” Debbie. Debbie ten voeten uit. Opgewekt, een tikje geforceerd misschien. Het verbaast me wel eens hoe aanwézig ze op zulke momenten is.
Dit is nieuw, dat ze langskomt omdat ze, zoals ze zegt, toevallig in de buurt was. Maar er begint al een patroon in te komen. Doorgaans op dinsdag, wat later op de ochtend. Koffie heeft ze dan al gehad. We maken een praatje en dan gaat ze met haar laptop aan de keukentafel zitten, voor mij het sein om me met een boek of een sudoku terug te trekken in de voorkamer. Tussen de middag eten we samen een boterham. Intussen zorgen deze bezoekjes ervoor dat ik het huis op orde houd, en broodtrommel en koelkast gevuld. Waarschijnlijk is dat ook de bedoeling ervan. Op gezette tijden regelt ze mijn bankzaken of verlost ze me van andere ongemakken die zich voordoen op de elektronische snelweg; de digitale vaardigheden die ik de laatste jaren in de boekhandel had verkregen, zijn zodoende als sneeuw voor de zon verdwenen. En dan is het: nou pa, ik ga, tot kijk maar weer. Haar vertrek is al even ingrijpend als haar aankomst. Het stuift altijd een beetje waar Debbie zich beweegt. Kuskuskus. Bij haar mik je geen Chanel maar appeltjes. In een paar sprongen de trap af. In de tussentijd ben ik bij het raam gaan staan om te kijken hoe ze op haar fiets stapt en de straat uit rijdt en verdwijnt om de hoek bij het mortuarium. We zwaaien niet. We zwaaien nooit. Kom op zeg, vader en dochter, we zijn geen geliefden of zo. Toch hoor ik er vaak iets van muziek bij, het smartelijke ‘adio’ uit een Italiaanse of in elk geval Italiaans gezongen opera. Mozart? Of toch Verdi? La Traviata? lk draai me om. Het huis is leeg.
lk wierp snel nog een blik op de kaart, zoals je dat ook doet wanneer je het lezen van een boek moet onderbreken: om te onthouden waar je gebleven bent. Daarna vouwde ik haar op en schoof ik haar terug in het plastic hoesje met het vignet van de kaartenwinkel. Alpenvereinskarte, 3/2, Lechtaler Alpen, Arlberggebiet (1:25 000).
“Lech am Albert, zei ik. ‘We zijn daar nu drie keer geweest, de eerste keer twee dagen, de tweede keer drie dagen en de derde keer een week En als ik op die kaart kijk: ik heb daar nog niet de helft gedaan van wat ik zou willen doen.”

 

Koos van Zomeren (Velp, 5 maart 1946)

 

De Italiaanse filmregisseur, dichter en schrijver Pier Paolo Pasolini werd geboren in Bologna op 5 maart 1922. Zie ook alle tags voor Pier Paolo Pasolini op dit blog.

 

DEEL VAN EEN BRIEF AAN DE JONGEN VAN CODIGNOLA

Beste jongen, ja, natuurlijk, laten we elkaar ontmoeten,
maar verwacht niets van deze ontmoeting.
Niet meer dan een nieuwe teleurstelling, een nieuwe
leegte: een van die ontmoetingen goed
voor narcistische waardigheid, als verdriet.
Met mijn veertigste ben ik nog net zo als toen ik zeventien was.
Hoe gefrustreerd ook, de veertigjarige en de zeventienjarige
zijn zeker in staat om elkaar te ontmoeten, stamelend
over gemeenschappelijke ideeën, over problemen
waartussen twee decennia zitten, een heel leven,
ook al zijn ze schijnbaar hetzelfde.
Totdat één woord, dat zijn weg uit de onzekere kelen vond,
uitgeput van het huilen en de wens om alleen te zijn
de ongeneeslijke ongelijkheid van dit alles onthult.
En samen met jou zal ik de dichter-
vader moeten spelen, en dan terugvallen op ironie –
Wat je in verlegenheid zal brengen: de veertigjarige
inmiddels de meester van zijn eigen leven,
levendiger, jonger dan de zeventienjarige.
Afgezien van deze waarschijnlijkheid, deze schijn,
heb ik je niets anders te vertellen.
Ik ben gierig, het weinige dat ik bezit
houd ik dicht tegen mijn duivelse hart.
En de twee stukken huid tussen jukbeen en kin,
onder de mond misvormd door een gedwongen, timide
glimlach, en het oog dat zijn zoetheid
verloren heeft, als een vijg die zuur is geworden –
vóór jou kan het exacte portret verschijnen
van de volwassenheid waar je door gekweld wordt,
een niet broederlijke volwassenheid. Wat heb jij aan
een generatiegenoot – die slechts verwelkt
in de magerheid die zijn vlees verslindt?
Wat hij heeft gegeven, heeft hij gegeven, de rest
is uitgeput medeleven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Pier Paolo Pasolini (5 maart 1922 – 2 november 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e maart ook mijn blog van 5 maart 2020 en eveneens mijn blog van 5 maart 2019 en ook mijn blog van 5 maart 2018 deel 1 en ook mijn blog van 5 maart 2017 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Robert Kleindienst

De Oostenrijkse dichter en schrijver Robert Kleindienst werd geboren op 4 maart 1975 in Salzburg. Zie ook alle tags voor Robert Kleindienst op dit blog.

 

+ 143 –

alles ist
wie es war
im Einstieg

der Himmel: nichts
als eine Decke
aus schwarzem Papier
das wächst
wenn man schreibt

und wie schnell
alles verfliegt, verflog
was weiß blieb und
unbeschrieben

 

Serenissima

ich komme dir näher jedes Mal
aufs Neue trete sprachlos zurück vor dir
hinter jeder Ecke wartest du
auf mich lässt mich dich
so schwer ertragen
dass ich endlich schweben möchte
über dir jedes Mal
aufs Neue

 

Herbstaugenblick

früher Reif auf der Parkbank
in Ansätzen wird wieder spürbar
woher der Wind weht der doch
so fremd ist die Hände
halten sich fest noch
und warm
während man zu Tauben
am Strommast blickt
fast schon berührt

 

Voorteken

het wordt bewolkt de eerste ramen
worden gesloten nog
valt er geen druppel uit de hemel
vliegen zwaluwen laag over het veld
in huis spreekt men gelaten
met de weerdienst houdt
polissen bij de hand voor de tijd erna

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Kleindienst (Salzburg, 4 maart 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e maart ook mijn blog van 4 maart 2019 en ook mijn blog van 4 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Abbas Khider, Robert Kleindienst

De Duits-Iraakse schrijver Abbas Khider werd geboren op 3 maart 1973 in Bagdad. Zie ook alle tags voor Abbas Khider op dit blog.

Uit: Brief in die Auberginenrepublik

„Das elendige, von armen Einheimischen und Ausländern bevölkerte Viertel Ras Ebeda, das man hier spöttisch »Gaddafi City« nennt, schläft tief unter der Decke der schwülen Hitze. Es ist der i. Oktober, und dennoch sieht alles aus wie in einem Dampfbad. Als ich die Hauptstraße erreiche, die nur dreihundert Meter von meinem Haus entfernt liegt, sticht mir die Hitze bis in die Knochen. Die Bushaltestelle steht mitten in der Sonne, ohne Mauer oder Dach. Um mich herum gibt es nur leere Straßen und geschlossene Geschäfte. Nichts bewegt sich, allein der Wind lässt den Staub und einige am Straßenrand liegende Zeitungsfetzen, Zettel und Plastiktüten hochfliegen. Dieses Wetter verwandelt Bengasi zur Zeit der Mittags-ruhe in eine Geisterstadt. Fast alle Menschen sitzen da-heim in ihren Wohnungen, genießen die kühle Luft der Klimaanlage, halten Mittagsschlaf und glotzen ägyptische und syrische Seifenopern. Seit die Regierung Satelliten erlaubt hat, machen die Leute hier nichts anderes, als die Welt auf dem Bildschirm zu entdecken. Endlich, ein weiß-blauer Bus taucht auf. Der Fahrer fährt langsam, hält an und ruft: »Stadtmitte, Strandpromenade. Schnell!« Ich steige ein und setze mich auf einen der hinteren Plätze. Außer mir gibt es noch acht weitere Fahrgäste. Die klimatischen Verhältnisse im Inneren des Busses gleichen einer libyschen Bäckerei. Alles riecht nach Fett und nach Schweiß. Die Klimaanlage funktioniert nicht, und ich bin bereits nach kurzer Zeit schweiß-gebadet. Keiner sagt etwas. Wieso eigentlich? Normaler-weise plaudern die Menschen hierzulande gern. Stau gibt es zum Glück keinen. Der Bus fährt trotzdem so langsam, als würde er behutsam auf Eiern rollen. Bis ich die Nasserstraße erreiche, wird es bestimmt ein Weilchen dauern. Doch ich bin nicht weit vom Ziel entfernt. Unfassbar, dass es nur noch wenige Minuten dauern wird, bis ich den Brief abschicken kann und darf. Zwei Jahre habe ich warten müssen. Seit zwei verdammten Jahren träume ich davon, eine Möglichkeit zu finden, ihn in einen Briefumschlag zu stecken und »Adieu« zu sagen. Die letzten beiden Tage habe ich ausschließlich da-mit verbracht, diesen Brief zu verfassen. Ich arbeitete an ihm, und noch gestern überdachte, verbesserte und änderte ich das Geschriebene. Dabei musste ich immer an Samia denken, wollte ihr eine Menge erzählen und konnte doch nur wenig sagen. Auch früher schrieb ich zahlreiche Briefe an sie, die sich im Laufe der Zeit in ein kleines Buch verwandelten, das ich jedoch vernichtete, weil mich die Hoffnungslosigkeit übermannte, alles wäre vergebens und diese Briefe würden niemals abgeschickt werden. Es war und ist mir immer noch unvorstellbar, einen Brief ein-fach mit einer Briefmarke zu bekleben und loszuschicken. Wenn es so einfach wäre, schriebe ich jede Woche einen langen Brief an Samia. In den ersten Monaten nach meiner Ankunft in Bengasi ging ich einmal wöchentlich zur Post. Jedes Mal stand ich vor dem Postgebäude und begriff, dass diese Idee nicht besonders gut war.“

 

Abbas Khider (Bagdad, 3 maart 1973)

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Robert Kleindienst werd geboren op 4 maart 1975 in Salzburg. Zie ook alle tags voor Robert Kleindienst op dit blog.

 

Keerkring

Ga met ons mee naar het voorplein
slachten wij je maankalf
uit daar kunnen we blijven
tot de dageraad aanbreekt

wat spits je de oren
dit zijn slechts stappen, kom
blijf we maken
ramen in je rug

vraag niet
vraag niet naar de laatste
dag hij brandt op in de asbak
en de handen vegen
haarresten weg zoals altijd
dageraad
onvindbaar

stilstand, nu.
stilstand.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Kleindienst (Salzburg, 4 maart 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e maart ook mijn blog van 3 maart 2020 en ook mijn blog van 3 maart 2019 en ook mijn blog van 3 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Godfried Bomans, Michael Salinger

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: De onsterfelijke Pa Pinkelman

“Zo leefden Pa Pinkelman en tante Pollewop tevreden op hun hofje te Haarlem. Het was een alleraardigst hofje, met hardstenen stoepjes, groen geschilderde luifels en een pomp in het midden, waar door de week water uitkwam en op Zon- en feestdagen limonade, want de regenten waren geen krentenkakkers en keken niet op een dubbeltje. Het was oorspronkelijk een Doopsgezind hofje geweest, maar later was het Remonstrants geworden en nu was het Anti-Revolutionnair, met uitzondering van Pa Pinkelman en tante Pollewop (Vrijzinnig), het echtpaar Rompelbeen (Christelijk-Historisch) en een der regenten, die door een misverstand bij de K.A.B. was aangesloten en vergeten had er werk van te maken. Er heerste vrede en welvaart, de oudjes waren allen gelukkig getrouwd en leidden een onberispelijke levenswandel. De voornaamste bron van inkomsten van het hofje was Pa Pinkelman. Tot uit Amerika en Tahiti kwamen de vreemdelingen om zijn huisje met de gevelsteen te zien. Voor de somma van vijf centen vertoonde de beroemde man zich voor het raam en voor een dubbeltje kwam hij naar buiten en gaf de vreemdeling een hand. In het begin was Pa Pinkelman daar zuinig mee, maar later zag hij het breder en holde meteen naar buiten, als er vreemdelingen kwamen.
Aan vrouwelijke bezoekers gaf hij wel eens, als hij daar gegronde reden toe zag, een kus en dat kwam op een kwartje. Soms gaf hij eerst de kus en declareerde dan het kwartje, maar het kwam ook wel voor dat hij eerst het kwartje wilde hebben en pas daarna de kus gaf. Tijdens de zomermaanden, als het toerisme op zijn hoogtepunt was, kuste hij op die wijze een aardige boterham bij elkaar. In de loop van het Holland-festival kwam hij zelfs, de omzetbelasting niet meegerekend, tot een halve ton, allemaal in gloednieuwe kwartjes, en was hij ’s avonds doodop. De regenten hielden drie vergaderingen over de vraag of dit niet, vooral op de Zondagen, als onzedelijk moest beschouwd worden. Eerst dachten ze van wèl, maar toen Pa Pinkelman verklaarde dat de helft van elk kwartje voor het hofje was, begonnen ze te twijfelen en gaven de zaak over aan de kerkeraad. De kerkeraad gaf de zaak over aan een commissie, die na een stormachtige bijeenkomst besloot dat de beslissing hierover bij de regenten lag, waarna de regenten Pa Pinkelman een brief schreven om op Zondag de dubbele prijs te berekenen. Zo rolde het leven genoegelijk voort, tot er op een dag iets vreselijks gebeurde.
Een der regenten was van een wandeling thuis gekomen, had zich bij de haard gezet en was op de zeldzame gedachte gekomen om de Statuten van het hofje eens door te nemen. Zo gaat dat soms: men zit bij de kachel, verveelt zich en denkt opeens: kom, laat ik eens wat statuten gaan lezen. Hij las een half uur, sloot toen het boek en stak de straat over, waar een andere regent woonde. “Willem,” sprak hij ernstig, “ons hofje leeft in concubinaat.”

 

Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)
Portret door Aleid Slingerland, 1964/1972

 

De Amerikaanse dichter en performer Michael Salinger werd geboren op 2 maart 1962 in Cleveland, Ohio. Zie ook alle tags voor Michael Salinger op dit blog.

 

Onder de dekens

Ik ben al mijn beste ideeën vergeten
dat weet ik zeker
ik heb ze zien ontsnappen
vervliegen in de verte
gekleed in stralende pracht
in de gloeiende kleur van onwetendheid
zich nooit omdraaiend om gedag te zwaaien
noch om te erkennen dat ik
enig aandeel gehad heb in hun oorsprong
het moment voordat ik in slaap val
beloof ik mezelf dat ik ze niet zal vergeten
toch glijden mijn heldere ideeën weg
stil, geurloos, volkomen onopgemerkt
door de prikkelbare zwart-witte hond
zalig snurkend aan mijn zijde
verderop in de gang loopt mijn idee op zijn tenen
rechtsaf achter de keuken
strikt een paar van mijn gymschoenen
legt een dubbele knoop waarvoor een vork nodig is om hem los te maken
draait zachtjes aan de knop van mijn voordeur
met de concentratie van een kluiskraker
ontsnapt in de aanhoudende nacht
als een beschaamde minnaar
allemaal omdat ik liever
onder de dekens blijf
dan dat ik het comfort van mijn bed verlaat om een notitie te maken

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Salinger (Cleveland, 2 maart 1962)

 

Zie voor de schrijvers van de 2e maart ook mijn blog van 2 maart 2020 en ook mijn blog van 2 maart 2019 en ook mijn blog van 2 maart 2018 en ook mijn blog van 2 maart 2014 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:01 Reageer op dit bericht

Maart (Jacqueline van der Waals), Jan Eijkelboom, Elisabeth Borchers

 

Koude maart door Rafael Sander, 2011

 

Maart

’t Is pas Maart, de winterweiden
Dragen nog een waasje wit
En de zwarte akkers beiden
’t Zaad nog naakt en omgespit.

Maar de musschen in de boomen
Piepen al met luid misbaar
En de fijne katjes komen
Reeds aan wilg en hazelaar.

’t Is al Maart, de dagen lengen
En de zon begint alvast,
Op de wei wat kleur te brengen
Met een lichte schilderskwast.

Nog een maand en allerwegen
Kiemt het veld en kleurt de wei;
Nog een maand of twee gezwegen,
Dan is ’t bloeimaand, dan is ’t Mei!

 

Jacqueline van der Waals (26 juni 1868 – 29 april 1922)
Den Haag, de geboorteplaats van Jacqueline van der Waals

 

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

 

Wijnhaven

Stutten, die ook alweer gaan rotten,
verhindren ’t huis om in te storten.

Klimop drong door de ramen heen
zodat het in november scheen

of in die wankele warande
nog mensen zorgden voor hun planten.

Maar dat bedrieglijk groenfestijn
is nu van een verschrompeld bruin,

terwijl van buiten kale ranken
het huis omknellen en verankren.

Tot aan dit wankel evenwicht
een kat, een zwerver, ik wellicht

een einde maakt en mét de stenen
straks in de haven is verdwenen.

Een lauwe vloedgolf geeft nog aan:
hier heeft een deftig huis gestaan

waar eens bepruikte kooplui zagen
hoe in de wemelende haven

het lager volk de winst opbracht
die bij droeg tot hun kalm gezag.

Alleen het water bleef in leven,
en ’t huis. Maar dat nog slechts voor even.

 

Afloop

1
Op oude paden ligt het blad
in slijk tot pulp verplet.
Wij hadden samen nog gezien
hoe het tot rood en goud verschoot
eer het verstoten werd.

Niet meer de blote takken
met in december al aan ’t end
de knop die blinkt als nieuw metaal
in winterzon, voorjaarsmachinerie
die geen break down kent.

2
De opgezette man stond voor het raam,
zag in de tuin de vuurdoorn beven.
Er zat een gele vogel in
die van de bessen at.
De man wou wel weer leven.

Kan troost zo simpel zijn?
Er is een pijn die bijna
zichzelf verdooft, er is een weten
dat geen behoefte heeft het liefste,
als ’t voorbij is, te vergeten.

 

Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)
Portret door Janus Nuiten, 2003

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

hoor en zie

hoor en zie
deze tijd
deze plotselinge
rooddoornige tijd
wanneer de vrouwen naar de rivier willen
wanneer de mannen naar de rivier willen
wanneer iemand zegt
het leven is mooi geworden
en ik ben mooi

maar wanneer het nacht wordt
maar wanneer de nacht levendig wordt
maar wanneer de nacht een kooi wordt
maar wanneer de vogels
door open monden vliegen
en de stemmen luider zijn dan de stemmen

hoor
wanneer er iemand is
en iemand zal er altijd zijn
die sprakeloos zichzelf ziet weggaan
hij
de vleugelloze
op straat
de vleugelsnelle
in het blauwe blauw

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e maart ook mijn blog van 1 maart 2021 en ook mijn blog van 1 maart 2020 en ook mijn romenu blog van 1 maart 2019  en ook mijn blog van 1 maart 2015 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:55 Reageer op dit bericht

Benedict Wells, Howard Nemerov

De Duitse schrijver Benedict Wells werd geboren geboren in München op 29 februari 1984. Zie ook alle tags voor Benedict Wells op dit blog.

Uit: Hard Land

„In diesem Sommer verliebte ich mich, und meine Mutter starb. Das alles ist jetzt schon mehr als ein Jahr her, aber für mich wird es immer »dieser« Sommer bleiben. Komischer-weise denke ich oft daran, wie ich damals hinter dem Haus stand und mit einem Schlauch den Garten besprengte. Es war der Anfang der Sommerferien, und von dem Berg an Langeweile, der vor mir aufragte, hatte ich noch nicht mal die Spitze abgetragen. Ich starrte auf die Felder in der Ferne. Die Luft stand still, und je länger ich auf diese idyllische Landschaft blickte, desto unschärfer wurde sie an den Rändern. Bis ich da-hinter wieder die Angst spürte, die ich aus meiner Kindheit kannte: Dass der Moment gleich kippen und etwas Schlimmes geschehen würde …Aber wie immer betrog mich dieses Gefühl. Weil, danach passierte natürlich wieder gar nichts. Bis mich meine Eltern ins Wohnzimmer riefen.
In diesen Ferien hatten sich ein paar Dinge fast über Nacht geändert, wie wenn man überrascht feststellt, dass man ein Stück gewachsen ist. Mich überkam öfter aus dem Nichts eine seltsame Wut, und ich stellte mir Fragen, die ich mir früher nie gestellt hatte. Zum Beispiel, wieso” die meisten Erwachsenen so scharf darauf waren, zu arbeiten und Kin-der in die Welt zu setzen, wenn am Ende sowieso der Tod kam und alles wegfegte. Und ob meine Mom überhaupt glücklich mit meinem Vater sein konnte, so wie ihr Leben mit ihm verlaufen war. Jedenfalls, die beiden saßen also auf der Wohnzimmer-couch und verkündeten, dass sie tolle Nachrichten für mich hätten. »Wir haben mit Tante Eileen gesprochen«, sagte Mom, »du kannst sie für ein paar Wochen besuchen. Jimmy und Doug würden sich freuen.« Ich hatte Mühe, meine Atmung zu kontrollieren. Jimmy und Doug waren meine Cousins aus Kansas, sie wogen zusammen so viel wie ein Pferd und hatten mir schon einige Abreibungen verpasst. Ich konnte mir vorstellen, dass sie sich auf mich freuten. Bei meinem letzten Besuch hatte ich mich vor ihnen auf der Mülldeponie versteckt und den ganzen Tag Steine auf ein rostiges Schild geworfen. »Das könnt ihr nicht machen … Im Ernst, niemals fahre ich da noch mal hin.« Dad sagte streng wie immer: »Doch, das tut dir gut! Du bist die letzten Tage wieder nur in deinem Zimmer gehockt. Du musst mal raus und unter Leute.« Und Mom sagte: »Schatz, ich weiß, dass die Situation mit mir … schwierig für dich ist. Aber gerade deshalb ist es gut, wenn du nicht so allein bist. Vielleicht findest du in Wichita ja auch ein paar Freunde.« Das war’s also, diese Freundesache war schon seit Monaten ihr großes Thema. Ich war fast sechzehn, und sie behandelten mich wie ein Kind.“

 

Benedict Wells (München, 29 februari 1984)

 

De Amerikaanse dichter en literatuurdocent Howard Nemerov werd geboren op 29 februari 1920 in New York. Zie ook alle tags voor Howard Nemerov op dit blog.

 

Stormramen

Mensen plaatsen nu stormramen,
Of deden dat, vanochtend, tot de hevige regen
Ze naar binnen dreef. Dus toen ik tussen de middag thuiskwam,
Zag ik stormramen op de grond liggen,
Het frame vol regen; door het water en het glas
Zag ik het verpletterde gras, hoe het leek weg te stromen
In rijen als zeewier op het getij
Of tarwehalmen die buigen onder de wind.
De rimpeling en het spatten van regen op het wazige glas
Leek even iets te zeggen, toen ik langsliep:
Iets wat ik graag tegen je had willen zeggen,
Iets… het droge gras boog onder de ruit
Boordevol stuiterend water… iets van
Een wuivende helderheid die blind weerkaatst
Deze eenzame middag vol herinneringen
En gemiste verlangens, terwijl de winterse regen
(Onuitsprekelijk, de afstand in de geest!)
Langs de staande ramen loopt en weg.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Howard Nemerov (29 februari 1920 – 5 juli 1991)
In 1958

 

Zie voor meer schrijvers van de 28e en de 29e februari ook mijn blog van 28 februari 2021 en ook mijn blog van 28 februari 2020 en ook mijn blog van 28 februari 2019 en eveneens mijn blog van 28 februari 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 14:37 Reageer op dit bericht

Bart Koubaa, Howard Nemerov

De Vlaamse schrijver Bart Koubaa (pseudoniem van Bart van den Bossche) werd geboren op 28 februari 1968 in Eeklo. Zie ook alle tags voor Bart Koubaa op dit blog.

Uit: Dansen in tijden van droogte

“Ik voel me ongemakkelijk bij ‘en hopelijk ook kan schrijven’, dat ik automatisch heb ingetikt. Wat weet ik van de jongeman op de foto? Wat weet ik van Kenia? Ik kan het land niet eens op de kaart van Afrika aanwijzen. Tot mijn opluchting staat bij het artikel een kaartje van het Victoriameer en van Afrika waarop het Victoriameer rood is omcirkeld. Juma Collins en ik nu ook, wij bevinden ons dus in Oost-Afrika.
Wat kan ik nog meer over de foto zeggen? Elk jaar geef ik mijn studenten de opdracht een foto uitgebreid te bespreken, dan moet ik het nu zelf maar een keer doen.
Ik kijk naar de foto van Juma Collins, achttien jaar, een levende vogelverschrikker in een rijstveld bij het Victoriameer. Zonder het bijschrift onder de foto had ik iets anders gezien. Maar wat zie ik? Ik zie een derde lucht, een verloop van donkerblauw bovenaan naar lichtblauw, twee derde groen rijstveld met in het midden een constructie van houten palen en blauw plastic, een tentje waarin Juma Collins, geel T-shirt, gele pet, op een krukje met zeven poten voor zich uit zit te staren. Zoals het elke vogelverschrikker betaamt, de levende en de niet-levende, steekt Juma Collins in zijn tentje scherp af tegen de horizon.
De lucht en het veld worden doormidden gesneden door bomen en een weg, nauwelijks zichtbaar, een strakke lijn die als het ware door Juma Collins’ ogen loopt en zijn gezicht benadrukt. Dat gezicht, in zijaanzicht gefotografeerd als was het een politiefoto, is nauwelijks leesbaar, het lijkt een silhouet. Ik haal het vergrootglas van mijn vader erbij. Voor mij ligt uiteraard niet de originele foto, maar een reproductie in de krant.
Ten eerste valt me op dat op de korte stokken die het krukje vormen een doek ligt als was het een zadel. Ik merk naast het krukje ook een achtste poot op, waarvan niet duidelijk is waarvoor hij dient. Ten tweede wordt het beeld niet door een weg doormidden gesneden, maar door een bos waarvoor tenten of hutten staan, die ik voor auto’s hield, links erboven hangen twee verwaarloosbare witte wolkjes, rechts lijkt een even verwaarloosbare rookpluim uit het bos op te stijgen, maar dat kan net zo goed een billboard zijn, want achter de rij bomen kan wel degelijk een weg liggen, mogelijk naar het Victoriameer. In de verte merk ik eenzelfde tentje op; Juma Collins is niet alleen, er zijn nog meer vogelverschrikkers aan het werk, wat logisch lijkt gezien de omvang van het rijstveld.”

 

Bart Koubaa (Eeklo, 28 februari 1968)

 

De Amerikaanse dichter en literatuurdocent Howard Nemerov werd geboren op 29 februari 1920 in New York. Zie ook alle tags voor Howard Nemerov op dit blog.

 

De hond uitlaten

Twee universums slenteren door de straat
Verbonden door liefde en een riem en niets anders.
Meestal kijk ik door de bladeren naar lamplicht
Terwijl hij met staart omhoog en snuit naar beneden kuiert,
Een geheime kennis door de neus vergaart
Bijna volledig verborgen voor mijn ogen.

Wij staan stil terwijl hij in vervoering raakt door een struik
Tot ik ons stilstaan niet meer kan verdragen
En hem wegtrek; want onze relatie
Is het geduld dat balanceert tussen het rukken naar deze
En het trekken naar die kant; een paar symbionten,
Tevreden omdat ze elkaars gedachten niet denken.

Wat we nog meer gemeen hebben, is wat hij me leerde:
Ons interesse in stront. We kennen het in elke staat
Van vers stomen via stank tot de manier waarop de natuur
Het door de straat sluist, opgelost in de regen
Of opgedroogd tot stof dat wegwaait.
We lopen door de straat en inspecteren stront.

Zijn gevoel ervoor is veel scherper dan het mijne,
En alleen als hij de juiste plaats vindt
Geeft hij dit aan door dringend te snuffelen
En draait hij zich driemaal om, en hurkt, en schijt,
Waarop we allebei waardig naar huis lopen
En om te laten zien wie het baasje is, schrijf ik dit gedicht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Howard Nemerov (29 februari 1920 – 5 juli 1991)

 

Zie voor meer schrijvers van de 28e en de 29e februari ook mijn blog van 28 februari 2021 en ook mijn blog van 28 februari 2020 en ook mijn blog van 28 februari 2019 en eveneens mijn blog van 28 februari 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:18 Reageer op dit bericht

Cynan Jones, Elisabeth Borchers

De Welshe schrijver Cynan Jones werd geboren op 27 februari 1975 in Aberystwyth, Wales. Zie ook alle tags voor Cynan Jones op dit blog.

Uit: De lange droogte (Vertaald door Jona Hoek)

“HET KALF
Hij was eerder wakker geworden en naar buiten gegaan om bij de koeien te kijken. De nacht was stil geweest en hij had weer niet kunnen slapen door alle gedachten die de stilte van de bewegingloze nacht vulden; dus was hij opgestaan en de heldere, stille ochtend in gelopen. Een hele tijd lang was het heel stil geweest. Dat was voordat het licht werd.
Met het licht van de zaklamp vond hij het doodgeboren kalf in het stro van de stal. Hij wreef over het stompje van zijn ontbrekende vinger. Hij kon de adem van de koeien zien in de ochtendlucht – die zelfs toen koud was – en de warme damp die van sommige lichamen af sloeg. De moeder van het doodgeboren kalf was ernaast neergeknield en loeide zacht en treurig. De andere dieren sisten en briesten en kauwden stro.
Hij pakte het dode kalf bij de enkels en tilde het uit het stro dat bebloed was geraakt door de geboorte, niet door de dood van het kalf. Het was vreemd omdat de moeder het kalf had schoongelikt. Hij dacht aan hoe de moeder haar kalf likte en maar niet begreep waarom het niet onhandig opstond, de poten buiten proportie, de ogen wijd. Waarom het ongelooflijke wankele nieuwe leven ervan uitbleef.
Hij droeg het kalf de stal uit, telde ondertussen de koeien binnen, en ging het veld in. Kate zou verdriet hebben om het kalf. Er stierven maar zelden kalveren bij hen.
Boven de heuvels achter de boerderij begon het langzaam licht te worden. Het was slechts een dunner worden van de erg zwarte nacht waardoor de sterren meer schitterden, vibreerden als de hals van een vogel en een licht verspreidden dat schreeuwerig was vergeleken met hun nietigheid. Hij had gezien dat er een koe ontbrak.
Hij hoopte dat ze de stal uit was geglipt en het veld in was gegaan, waar andere koeien met oudere kalveren stonden. Ze stond op het punt te kalven en was zwaar en was mogelijk vertrokken vanwege de verschrikking van het doodgeboren kalf.
In het donker kon hij de koe nergens zien en hij droeg het dode kalf over het veld, zwaar begraasd omdat het niet had geregend. Ergens, in de buurt van het land waar hij zijn oog op had laten vallen, ging een grote vrachtwagen grommend over de weg. Hij liet het kalf in de put achter in het veld vallen omdat hij niet wilde dat Kate het zou zien en omdat het duur was dode kalveren op te sturen om te laten uitzoeken waaraan ze gestorven waren. Je raakt er altijd een paar kwijt, wist hij. Er is geen reden voor. Je raakt er gewoon een paar kwijt. Hij hoopte dat de koe niet verdwenen was.”

 

Cynan Jones (Aberystwyth, 27 februari 1975)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

Montmartre

De wolken zwermen uit
de wind beweegt de kronen
Brancusi’s kus, nog steeds
tot in de dood.
De regen verblindt mij
en mijn ingewanden
het hart is van steen
en nog zwaarder
Ik wil dat je het zachter maakt
bespreek het zoals op de jongste dagen.
De klok van de Saint-Jean
is gemaakt van plaatstaal.
Hoe moet het verder
als de brokstukken vallen
Het is pas twee
en dan al drie uur.
Het is het wachten
dat mij moe maakt
en ziek.
Hoe lang nog
tel ik de poorten van de hemel.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor de schrijvers van de 27e februari ook mijn blog van 27 februari 2021 en ook mijn blog van 27 februari 2019 en eveneens mijn blog van 27 februari 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten