Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

In Memoriam Esther Jansma

In Memoriam Esther Jansma

De Nederlandse dichteres, schrijfster en archeologe Esther Jansma is gisteren op 66-jarige leeftijd overleden. Esther Jansma werd op 24 december 1958 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Esther Jansma op dit blog.

 

 

Archeologie

Als we ons dan toch moeten kleden,
tegen kou bijvoorbeeld, of in naam van iets,
in resten van dit of dat verleden,
verhalen en geheugensteuntjes die niets

vertellen dan dat we er al waren
in de tijd die bestond voor dit heden –
als wij onszelf alleen in het nu kunnen bewaren
door onszelf voortduren uit te vinden in het nu

dan liefst eenvoudig, aan de hand van kleding.
Je zit aan tafel. Opeens zie je hoe iemand
ijs overstak, hoe hem de kou beving

of een ander einde en je zegt: kijk,
hier heb je zijn schoenen, leren mantel, wanten.
‘Waar is de tijd? Hier is de tijd.’

 

 

Dit hier

Je loopt op het strand: de zee, de einder,
het geluid dat de kom van de wereld
tot de rand toe vult – nee, kleiner.

Je zet je schoenen in het zand: koeienhuid,
geërodeerde bergen, het een laat
een afdruk na in het ander – nee, anders.

Je bent ergens, het doet er niet toe
waar, altijd aan een rand, dit keer tussen
land en water, het gaat over nu – nee

je ligt op je buik. Zand zingt zich voort
zoals water, geribd. Je kiest de kleinste rib.
Berg. Je kiest de kleinste korrel. Aarde.

 

 

Schaduw

We hebben geen doden, we zijn alleen
denkende weefsels in het heden die zich denkende
weefsels herinneren, vertalingen maken zoals
u bent nu tien jaar dood – tien jaar

dood zijn bestaat niet. Wie herdacht wordt verdween
vanuit het eigen perspectief dat er niets is
tegelijk een miljard jaar en een seconde geleden.
Verdween totaal. Er is dus geen u die iets is.

Wij bestaan in de schaduw, het geraas van
een golf die voor altijd zojuist begon aan zijn
val – al dat schuim, als dat verdwijnen
in onze hoofden van wie er niet zijn.

 

 


Esther Jansma (24 december 1958 – 23 januari 2025)

Geschreven door Romenu om 15:23 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Wouter van Heiningen, Derek Walcott

De Nederlandse dichter Wouter van Heiningen werd geboren op 23 januari 1963 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Wouter van Heiningen op dit blog.

 

 

Warme woorden

Veel kunnen het er zijn, slechts enkele
halen de lijst van waaruit selectie

plaats vindt. Losgezongen van inhoud,
klinkers of medeklinkers of waardering

door deze of gene. Slechts zij die aan de
criteria voldoen mogen zich verheugen.

Ballotage noch voorverkiezing wegen mee,
uiteindelijk bepalen betekenis en klank

waar warme woorden aan voldoen. Zo is
parelmoer een mooi voorbeeld.

 

 

Berekenend

Waarom een rentetabel mij fascineert,
een opsomming van dode cijfers.

Rangschikking mag dan belangrijk zijn,
het afronden van getallen na de komma

doet het voor me. Lees in cijfers de
berekening van daden en verwachtingen.

Nacalculatie is als voorspel zoals het
Klaarzetten van reeksen. En dat dan

logisch gestructureerd met een aanhef
tot het laatste isgelijkteken.

 

 

Dat wat er is

Ik hoef mij er niet van te vergewissen
dat ook op de lege dagen, in de stille uren,
ik jou steeds opnieuw zal missen

dat ik nimmer zal vergeten
hoe je naar me keek en hoe je
genoot van de gebeurtenissen

We hoeven wie we zijn niet
te bemeten aan onze naam en onze
functie, noch hoeven we te beslissen

of dat wat is, er wel mag zijn, we laten
ons niet dirigeren, negeren deze
hindernissen, ons denken is niet ingesleten

 

 


Wouter van Heiningen (Leidschendam, 23 januari 1963

 

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Zes ficties

IV

Hij zat een vagevuur-november uit, maar dan een zonder
vuur, waarvan de rook slechts de geladen mist was
die stroomde door de verkoolde bossen, waar een ronde
zon vaag tuurde in ’t voorbijgaan en waar schaduwen zich
verbaasden over elke helderheid op trottoir en okeren muur,
maar die de wet van de seizoenen deed verbleken en uitwiste
als een fout. Hij ging door de menigte als een crimineel,
bracht alles wat hij aan gratie kon opbrengen op in het lichtste
gebaar, de terloopse frase, een kom in de hand; hij at
zonder het hoofd te laten hangen, en in die doorzichtigste
uren die soms het grijze licht doorboorden, herhaalde hij
bij zichzelf dat dit niet zijn klimaat of volk was, geen jaargetij
zo afmattend als dit, en hieraan voorbij was de zee
en de onverbiddelijke genade van licht, een raam in de kerker
die zijn geest geworden was; dat het lijden wel meeviel
als er daarna de waarheid maar was van een andere hemel
en er andere bomen waren die pasten bij zijn natuur, zijn hand
die heel zijn vijfenzestig jaren lang getracht had niet meer te liegen
dan een krab dat zou kunnen die loopt over zijn bladzijde zand.
De dagen werden donkerder met kou, achter hekken stierven
meer bladeren, de mist werd dikker, maar daarna was er het groene eiland.

 


Vertaald door Jan Eijkelboom

 


Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e januari ook mijn blog van 23 januari 2019 en ook mijn blog van 23 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:29 Reageer op dit bericht

Delphine Lecompte, Rainer Stolz

De Vlaamse dichteres en schrijfster Delphine Lecompte werd geboren op 22 januari 1978 in Gent. Zie ook alle tags voor Delphine Lecompte op dit blog.

 

Plaaggeest

Ik was een plaaggeest
Toch mocht ik achttien jaar worden
Ik heb vlechten afgeknipt en
Met diezelfde vlechten hun schootcavia’s gewurgd
Ik heb tanden op grind geprojecteerd en
Er niet om gemaald dat de bisschop toekeek.

Ik heb mijter beklad en kwispedoor gestolen
Gespuwd in de ogen van razende hoenderen
Vruchtbaarheidsmaskers verkocht aan ongelovige slachters en
Vuurtjes gestookt in overbevolkte methadonhuizen
Toch kreeg ik een taart en een ezel
Van een vergevingslustige paap toen ik achttien werd
Maar schilderen heb ik nooit gedaan
Want ik ging dood toen ik het geld op de toonbank legde
Het geld om een canvas te kopen
Een monstrueus doek groter dan een laconieke kermispony
Kleiner dan de piramide van de Bremer stadsmuzikanten.

Ik ging dood zonder poging tot reanimatie
Nochtans stond hij daar: de zwembadopzichter
Met twee tubes olieverf in zijn pollen
Als de handvaten van een drinkbeker van een korsakovpatiënt
Klemde hij ze vast
Ultramarijn en fuchsia
De dopjes vlogen eraf
Een laatste goocheltruc
Een gemoedelijk plaagstootje.

Het kostte me achttien jaren om vriendelijk te sterven
Nu ben ik dood en terug met nieuwe truken:
Ik ben het zuur in de muur van de oude kruisboogschutter
De puisten in de decolleté van de Veurnse femme fatale
De roos op de schouders van de Elvisimitator
De kale plekken op de flanken van de trofeewinnende terriër
De gebitsprothese van de tienjarige musicalster
De kleinzielige Clauspastiche van mijn grootvader
Maar toch vooral, het liefst van al,
Ben ik telkens weer de terpentijn die op je eiland valt.

 

 

Headphones en hazenlip

Ik was een wit paard
een Mongoolse kuisvrouw
ik voldeed aan de criteria misschien
op de brandladder stond ik te staren
de jonge mannen werkten ongedwongen
een put was oppervlakkig, de andere gevuld.

Mijn tekeningen grillig
letters werden algauw obscene woorden
werden karaktermoorden.

Hazenlip wandelt voorbij
hij zingt uit volle borst
klaaglijk zing ik hem na
de tekst is een uitnodiging
de uitnodiging valt in dovemansoren.

 

 


Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolz op dit blog.

 

bonuszone

de bio-reclame van de valse acacia’s bereikte ons
per geurpost door het keukenraam, de spreeuwen
boven de reislustschotels vermengden de avond
met een kwetterdessert, extra licht, als was
de permanente voorstelling stad haar speelschema moe geweest
straalde zij een plotselinge stilte uit, nauwelijks over te brengen
rammelde wat aan de grensvoorzieningen van de particuliere ontvangers
van zonder-zorg-kaarten, ik heb, zei ik, in mijn zak
een gat, moet dat niet vergeten, ach man
mijn accu is leeg, zei je, van deze leegte
kan ik niet meer genoeg krijgen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Rainer Stolz (Hamburg, 22 januari 1966)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e januari ook mijn blog van 22 januari 2021 en ook mijn blog van 22 januari 2019 en ook mijn blog van 22 januari 2017 deel 1, deel 2 en deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:40 Reageer op dit bericht

Kristín Marja Baldursdóttir, Derek Walcott

De IJslandse schrijfster Kristín Marja Baldursdóttir werd geboren op 21 januari 1949 in Hafnarfjörður. Zie ook alle tags voor Kristín Marja Baldursdóttir op dit blog.

Uit: Die Farben der Insel (Vertaald door Coletta Bürling)

„Wallender Dampf versuchte aus der Küche auszubrechen, und drängte sich an die Fensterscheiben wie eine vollbusige Frau an einen schlanken Mann, aber es gelang ihm nicht. Ich hatte das Fenster zugemacht, denn ich wollte ein Bad nehmen und keine Zugluft haben. Als die Luft so heiß und feucht war, dass sich Wasserperlen auf Tisch und Stühlen bildeten, zog ich mich aus und stieg in den großen Holzzuber, den Frauen für die große Wäsche oder für die Kinder an Samstagen verwenden, er war viel zu klein für eine erwachsene Person. Aber wenn ich die Beine anzog und mich zusammenkauerte, hatte ich Platz genug. Wir haben immer Platz genug, wenn wir es richtig anstellen. Wasser lässt Erinnerungen wach werden. Solange ich mich erinnere, habe ich auch die Kontrolle über die Vergangenheit. Kontrolle über mein Leben. Kann es mir gestatten, von großer Helligkeit zu träumen. Das Wasser und ich wurden eins, ich vergaß alles um mich herum, ich befand mich bereits weit im Süden und wurde von so starken Sonnenstrahlen umschmeichelt, dass ich mir die Hand vor die Augen halten musste; undeutlich sah ich die Fischerboote, die bei Sonnenaufgang in die Bucht hineinfuhren, schemenhaft sah ich die Schwalben, die zwischen den blühenden Bäumen unterhalb des weißen Hauses flogen, genau wie auf dem Bild, das ich in diesem ausländischen Buch gesehen hatte. Und ich hatte auch das Gefühl, als könnte ich den Duft von italienischem Waschpulver und frisch gebackenem Brot zum Frühstück riechen, ich war in meiner wunderschönen Welt, als es an der Haustür klopfte. Und dann öffneten bereits diejenigen, die draußen standen, die Tür, sie warteten nicht darauf, dass sie hineingebeten wurden, so war es üblich, klopfen und dann gleich die Tür öffnen, in diesem Dorf schloss man das Haus nicht ab, nicht einmal nachts. Ich hörte, wie sie den Flur betraten, ich kannte ihre Stimmen und fragte mich, warum in aller Welt sie immer gerade dann zu Besuch kamen, wenn ich ein Bad nehmen wollte. Und dann standen sie auch schon mitten in der Küche und sagten: »Wie oft badest du eigentlich, Karitas?« Als sei ich ein unmündiges Kind, das man dauernd zurechtweisen müsse. Es schien ihnen aber andererseits vollkommen gleichgültig zu sein, dass ich in dem Zuber saß, deswegen kam mir gleich der Verdacht, dass ihnen etwas anderes und Wichtigeres auf dem Herzen lag. Sie waren gekommen, um mich um einen Gefallen zu bitten, und gaben sich deshalb alle Mühe, nett zu mir zu sein. Und genauso war es: Es ging darum, dass die Kulissen fiir die Weihnachtsaufführung gemalt werden mussten, und das konnte niemand besser als die Zeichenlehrerin an der Volksschule, die früher einmal in Kopenhagen studiert hatte. Ihretwegen durfte sie deshalb gern in ihrer Anwesenheit ein Bad nehmen. Sie boten sogar an, mir beim Haarewaschen zu helfen, die eine massierte mir die Kopfhaut mit grüner Seife, während die andere heißes und kaltes Wasser mischte, um damit die Seife auszuspülen.“

 


Kristín Marja Baldursdóttir (Hafnarfjörður, 21 januari 1949)

 

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Zes ficties

III

Hij droeg zijn duistere gedachten in en uit de schaduw
als een luipaard dat van leger wisselt om een gespikkelde rust
te vinden, passend voor bespiegelingen, terwijl zijn gele ogen nu
dichtgaan op een prikkelende geeuw, zat van niets, van leegte,
toch vol pompende, afgemeten vrede, zoals een kudde zebra’s
die de gestreepte tint van grassen naar een drinkplaats brengen
maar met het gestage van hoofden en hoeven, hun vetlokken schrap
voor zijwaartse uitschieters. De bladeren en schaduwen helen;
allen liggen welwillend neer in de voldoening der bomen, leeuw
met jakhals, wanneer de middag het koninkrijk van de vrede is;
zij rekken zich, rillen en zijn stil, de enige actie ligt
in hun langzaam draaiende ogen. Hier onder de hevige dom
van een wolkenloze augustus voelt hij hoe het lome klimt
van buik naar traag ooglid en leeuwengeeuw, rilt
in zijn flanken en langs zijn leden kruipt, een vrede
die zo ver teruggaat als de paraplubomen, in een rust
dicht bij Eden, eer een donkere gedachte als een wolk
racet over het open gras, en zijn dravende volgster, leeuwin,
gehurkt haar gewicht verplaatsend, toesloeg! Dan komen een kleine horde
hoppende, openmakende gieren en de gespikkelde hyena’s erin

 

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 


Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e januari ook mijn blog van 21 januari 2022 en ook mijn blog van 21 januari 2019 en ook mijn blog van 21 januari 2018.

Geschreven door Romenu om 17:08 Reageer op dit bericht

Stefan Popa, Derek Walcott

De Nederlandsche schrijver en journalist Stefan Popa werd op 20 januari 1989 geboren in Vleuten. Zie ook alle tags voor Stefan Popa op dit blog.

Uit: Het feest

“De vrouw buigt en fluistert haar petekind bewaarwoorden toe: ‘Deug, liefje, maar niet te veel. Na de dood is er meer dan genoeg tijd voor nietsigheid.’ Tante Tola duwt het kind van zich af. Ze cirkeldanst zichzelf in ademnood. Haar jurk plakt al aan haar rug. Omdat ze zwart velours draagt, ziet niemand haar zweet. Maar Batko ruikt het, hoe haar huid en de stof aaneenkleven. Het meisje ademt licht als haar hup. Ze springt op de leesstoel om de gasten te overzien, die over het tapijt schuifelen dat over de breedte van Tola’s woonkamer ligt uitgespreid. Op die hoogte, zo groot als een man, staart ze naar het beest, alsof ze berekent hoe groot de kans is dat ze wordt opgevreten. Op zijn grote achterpoten danst Batko Wojtek mee met de gasten van tante Tola. Geen schakel in de cirkel, maar er middenin, naast het tweemansorkest, een vrouw met een accordeon en een vrouw met een klarinet. Ze spelen niet slecht. De zussen moesten de beer door de deurpost duwen. Batko droeg de berenleidster met een koord achter zich aan. Het ware beest. De beer schudt zijn kop. Hij gromt. Het lijkt alsof hij de klarinet voelt. De belletjes die ze aan hun rokken hebben geknoopt. Of hij wordt gek, lastig vast te stellen bij een roofdier dat uit de wildernis is geroofd. Bij elke danspas krassen zijn teennagels door het tapijt en in het eikenhout daaronder. Kras in het hout, kras in Tola’s ziel. De plankenvloer trilt, kraakt, swingt. De kerstballen in de spar zwieren mee. Batko draagt de muilkorf van een herdershond. Niet omdat de beer zo klein is, maar omdat de herdershonden van de Balkan zo groot als beren zijn. Klarinet, accordeon, belletjes en een muilkorf. Dit is nog eens een feestje, denkt Batko Wojtek. Jij dacht dat beren niet kunnen denken?
Dit is nog eens een feestje, denkt Batko Wojtek. Jij dacht dat beren niet kunnen denken? Batko overziet alles, hoort alles, snapt vrijwel alles. Hij is groter dan het meisje op de stoel. Slimmer dan alle gasten bij elkaar. Hij danst, als je het zo mag noemen. Zo waren de feestjes, voor Coca-Cola en Burger King, toen er nog ijzeren gordijnen waren en geen wereldwijde webben, toen het buurdorp nog een andere wereld was. Alle rimpelhanden vullen elkaar.
‘Hoppa,’ roepen ze allemaal, ‘hoppa!’ Tante Tola port de paarden op, haar gasten, ze hinniken, wisselen om de pas. Mensen met invloed, professoren en hun bruiden, dokters en doctors, leraren, en vrienden, buren, kennissen, collega’s en gewezen familieleden. Het ziet er zwart van. ‘Is er nog rakia?’ vraagt iemand. Een terechte vraag, denkt Batko. ‘Op tafel,’ antwoordt tante Tola. ‘Er is altijd rakia.’ Een goed antwoord. De cirkel breekt en de cirkel heelt opnieuw aan. Dansen, laat die botten kraken, dansen zullen we, dansen zullen we tot we natollen in het graf. Alleen tante Tola, en Batko, weet waarom ze vandaag vreten en zuipen, en dansen zodat ze vervolgens nog meer kunnen vreten en zuipen. Vandaag, drie dagen na het kerstdiner, twee dagen na de naamdag van Emma, haar buurvrouw op links, en één dag na die van de heilige Stefan, sommeerde tante Tola haar dochter om de sofa tegen de ene muur te schuiven en haar salontafel onder het raam daartegenover. Snel, maar zorgvuldig. De twee binnentapijten, de goede, de Turkse, liggen intussen gewikkeld als een koolrol op de trap naar boven.”

 

 


Stefan Popa (Vleuten, 20 januari 1989)

 

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Zes ficties

II

Hij geloofde dat de pijn van het balling zijn voorbij was gegaan
nu, maar hij was opgehouden de dagen en maanden te tellen
en onlangs de jaargetijden, gegeven de belofte dat niets kan bestaan
een heel leven lang, laat staan voor altijd, dat als wij eens,
maar grondig, een verlies hebben geleden, wij dat niet nog eens
doen op dezelfde manier, zodat wat hij telde de jaren waren
wier getallen hij niet hardop herhaalde, maar hij wist dat als er
regen viel en na regen de wind de plaza’s veegde, zijn tranen
zo snel droogden als de verblekende platen beton tegenover
het nationale park met zijn fietspaden en het
regenachtig zilver van wielen, dat de zomerhitte
in een van de vriendelijkste steden van Europa niets
was vergeleken bij het inferno van augustus thuis.
Hij mompelt in zichzelf met de oude koloniale dictie
en hij hoorde hoe hij nog steeds thuis zei, niet alleen
om de hoop dat hij daar gauw weer zou zijn te sussen, maar
dat hij aan de reling van de lijnboot zou staan en de getande indigo
bergruggen zou zien die op hem hadden gewacht, en al de vertrouwde
ijzeren daken en zelfs de gieren die balanceren op de hete
richels van het douanekantoor. Hij is in ’t zwart, zijn haar is
wit geworden en op een parkbank ligt zijn wandelstok.
Zo’n persoon bestaat niet. Ik ben zelf een fictie
die zich de heuvels van het eiland herinnert als het donker wordt.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

 


Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e januari ook mijn blog van 20 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Bert Natter, Derek Walcott

De Nederlandse schrijver, uitgever en journalist Bert Natter werd geboren in Baarn op 19 januari 1968. Zie ook alle tags voor Bert Natter op dit blog.

Uit: Ze zullen denken dat we engelen zijn

“Een politiebusje rijdt het plein op. Ik zoek de ogen van de vrouw. Zij staart naar het brandende café waarin de geldwagen verdween, haar vrije hand is op weg naar haar telefoon, haar andere hand houd ik nog vast.
Uit het politiebusje springen in het zwart gehulde mannen die eensgezind iets onverstaanbaars roepen en ieder een kant op gaan.
Als een buurman die zijn gazon sproeit, loopt een van hen weloverwogen in onze richting, zijn wapen met twee handen vasthoudend en bij elke stap die hij zet een schot lossend. Plotseling kijk ik recht in zijn donkere ogen, die schuilgaan in de spleet van zijn bivakmuts. In die glanzende gaten lees ik wat hij wil: dood.
Alle kogels lijken mijn kant op te komen. Deze zelfmoordenaar heeft het op mij gemunt.
Hij knalt niet in het wilde weg, hij maait mij niet neer in een krankzinnige kogelregen, hij schiet gericht, op mij. Eerst moet ik dood, dan hij.
Als ik omkijk zie ik een bejaarde dame met een grijze knot op een met bloed overgoten tafelblad liggen, een hondje staat met zijn voorpoten in haar schoot amechtig te blaffen.
In paniek wil ik vluchten. Dat lukt niet. Ik word in mijn stoel gedrukt. De ene hand van de vrouw naast me reikt nog steeds naar haar telefoon, lijkt in de lucht te hangen, alsof alles stilstaat en de kogels netjes zullen wachten tot zij heeft gecontroleerd of er nog berichtjes zijn.
Eindelijk heeft ze haar telefoon te pakken. Nadat ik me met veel moeite heb losgewurmd, laat ik me op de grond vallen. Ik trek haar mee naar beneden. Ze kijkt me met grote ogen aan en begint te gillen.
We belanden op de tegels.
Ik leg mijn hand over haar mond, wat half lukt, want ze zet haar tanden in mijn vlees en krast met haar nagels over mijn wang. Rustig ademen, kalm blijven. Ik trek haar tegen me aan, onze handen grijpen in elkaar alsof we armpje drukken. Als de schoten nog dichterbij lijken te komen, ga ik over haar heen liggen. Ik pers alle geluid, elk gerucht, iedere kreet uit de vrouw.”

 

 


Bert Natter (Baarn, 19 januari 1968)

 

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Zes ficties

I

Dit is de eerste fictie: de bijbelse plaag van de libellen
die over de palmpluimen trokken na de reusachtige regens
waarvan we dachten dat het sprinkhanen waren; wat ze zwellen
doet in onze ogen is intrige, geloven dat de fictie begint
met het opstijgen van verwonderlijke insecten van de eerste lijn.
Paarden stampen aan de lasso’s van muggen en de zoete geur
van hun mest mengt zich met de reuk van gras dat droogt,
en ik zie de bergen stomen vanuit de zonverlichte deur.
Er zit symmetrie in dit alles, of alle fictie is bedrog.
Bid voor een leven zonder intrige, een dag zonder verhalen,
maar de libellen drijven als een korf adjectieven, losgeraakt
uit een woordenboek, als bijen uit de korf van het brein,
en zoals de tijd verstrijkt verstrijken zij, hun aantal vermindert
en ze betekenen niet meer dan dat ze komen na regen.
Ze komen na regen naar dit dal als de bamboe weer kalm wordt
na het dorsen en plonzen als de manen van paarden, ze komen
met de pestilente horde van een profeet, aangegord
voor de dag van de sprinkhaan. Wat hun legermacht opriep
is nergens te zien; toch herbergt het angstwekkend zoemen van vleugels
boven de tuin echo’s van een oeroude bezoeking, bezoekers
die zijn gekomen om ons te herinneren aan onze eerste ondeugden,
granaatogig en drakerig; science noch fiction.

 

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

 


Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn blog van 19 januari 2019 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Peter Stamm, Sascha Kokot

De Zwitserse schrijver Peter Stamm werd geboren op 18 januari 1963 in Weinfelden. Zie ook alle tags voor Peter Stamm op dit blog.

Uit: Wenn es dunkel wird (Nahtigal)

„David hatte die Maske mitgenommen, obwohl er sicher war, dass er sie heute noch nicht brauchen würde, eine Eichhörnchenmaske, die den ganzen Kopf bedeckte. Er hatte sie als Kind zum Geburtstag geschenkt bekommen, als er längst keine Lust mehr hatte, sich zu verkleiden, vielleicht, weil er da schon in dem Alter war, in dem es einem vorkommt, als sei man immer verkleidet, auch wenn man es nicht will. Sein Körper war ihm vorgekommen wie ein schlecht sitzendes Kostüm, das seine wirkliche Persönlichkeit, das, was er sein wollte, was er zu sein glaubte, zu etwas Unförmigem verzog. Warum ausgerechnet ein Eichhörnchen, warum nicht ein Wolf oder wenigstens eine Eule? Irgendwann musste er seine Mutter auf die Maske hingewiesen haben, schau mal, das Eichhörnchen, wie süß. Und Jahre später, als sie nicht gewusst hatte, was sie ihm schenken sollte, hatte sie sich daran erinnert und die Maske, ohne viel nachzudenken, gekauft. David hatte sie ein einziges Mal angezogen, an jenem Geburtstag, und seiner Mutter vorgespielt, er freue sich darüber. Danach hatte er sie zu unterst in seinem Schrank verborgen, ein beschämender Beweis dafür, wie wenig sie ihn kannte, wie wenig irgendjemand ihn kannte. Er schielte in die Plastiktüte, die neben seinem Stuhl stand, und musste heimlich lachen, wenn er daran dachte, wofür die Maske nun gut sein sollte. Seine Mutter würde sich wundern, alle würden sich wundern, wozu das Eichhörnchen imstande war. An diesem Morgen, gleich nachdem seine Mutter zur Arbeit gegangen war, hatte David sich im Geschäft krankgemeldet. Sein direkter Vorgesetzter war in den Ferien, und die Sekretärin hatte nicht nachgefragt, als er gesagt hatte, er sei erkältet. jetzt, während der Sommerferien, war ohnehin nichts los, und die Lehrlinge wurden mit allen möglichen sinnlosen Arbeiten beschäftigt. Auf dem Dachboden gab es einen unerschöpflich erscheinenden Vorrat an alten Briefumschlägen und Rechnungsformularen, auf die noch die alte Telefonnummer gedruckt war, und wenn gar nichts anderes mehr zu tun war, versammelten sich die Lehrlinge im Sitzungszimmer unter dem Dach, wo es im Sommer muffig und heiß war, und überklebten die alten Nummern mit kleinen Etiketten in Leuchtfarben, auf denen die neue Nummer stand, die auch schon seit Jahren galt. Die meiste Zeit aber ulkten sie herum, halb träge, halb aufgekratzt, oder trafen sich in der Kaffeeküche oder in einem der Sitzungszimmer, immer auf der Hut, von keinem Vorgesetzten beim Nichtstun erwischt zu werden. David hatte um zehn in der Stadt sein wollen, aber nachdem er im Geschäft angerufen hatte, war er noch einmal ins Bett gekrochen, als sei er tatsächlich krank, und war wieder eingeschlafen.“

 


Peter Stamm (Weinfelden, 18 januari 1963)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

je ziet de dooi op de lagere hoogten grazen
niemand anders ontmantelt de laatste hekken
vreet van de wallen aan de stormkant
de gebarsten leisteen blijft liggen
met een dikke vacht staan de katten op
kauwen hun klauwen scherp en ruiken de kou
de eerste honden beginnen te blaffen
terwijl ze wakker worden
je geur plotseling vreemd voor hen is
je pas aan het eind van het jaar weer
naar de huizen afdalen kunt

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e januari ook mijn blog van 18 januari 2019 en ook mijn blog van 18 januari 2015 deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Ilja Leonard Pfeijffer, Sascha Kokot

De Nederlandse dichter en schrijver Ilja Leonard Pfeijffer werd geboren op 17 janauari 1968 in Rijswijk. Zie ook alle tags voor Ilja Leonard Pfeijffer op dit blog.

Uit: Alkibiades

“Ik heb reden om te geloven dat mijn bestaan als zodanig in bepaalde kringen een probleem is gaan vormen en een moordenaar is in deze tijden niet moeilijk te vinden. Maar nog erger dan beticht te worden van lichthartigheid, waarmee ik mijn eigen leven in gevaar breng, zou het zijn om beschuldigd te worden van lafheid en ik vraag jullie het te willen zien als een teken van mijn oprechtheid als ik jullie zeg dat ik mij in het land van Phrygië bevind. Ik heb in afwachting van de beslissende fase in de uitvoering van mijn plan voorlopig mijn intrek genomen in een onbeduidend stadje dat in het Grieks de naam Melissa draagt en ik beschouw het als een goed voorteken dat die naam verwijst naar bijen, die, zoals de oude verhalen beweren, dichters honing in de mond leggen om hun woorden zoetgevooisd te maken. Hoewel ik geen dichter ben en hoewel het verre van mij staat te willen verleiden met zoete woorden, kan ik, mede gezien het feit dat ik vaardiger ben met het zwaard dan met de rietstengel, de hulp van de bijen goed gebruiken om de opgave die ik mijzelf heb gesteld tot een goed einde te brengen en voor eens en voor altijd definitief en naar waarheid op schrift te stellen welke overwegingen, besluiten en ontwikkelingen mij hier hebben gebracht in het holst van het Perzische Rijk en verder weg van Athene dan een Atheens hart verdragen kan.
Melissa ligt niet ver ten noorden van de trotse stad Kelainai, die is gebouwd rond de heilige, met riet omzoomde bron van de rivier de Maiandros, die tussen Priene en Myous uitmondt in de Golf van Ikaros, tegenover de Ionische stad Milete, die slechts tien stadia van de riviermond is verwijderd. Kelainai is een van de belangrijkste pleisterplaatsen aan de Perzische Koningsweg, waarlangs de legers van Xerxes marcheerden om Hellas binnen te vallen. Na de nederlaag bij Salamis heeft Xerxes aan de voet van de bovenstad van Kelainai een paleis laten bouwen. Kyros heeft dat paleis onlangs uitgebreid en omzoomd met een park vol wilde dieren, geïmporteerd uit Azië en Afrika en daar losgelaten voor de jacht, dat hij zijn paradijs noemt. Wanneer de tijd rijp is, zal ik op voorspraak van de Phrygische satraap Pharnabazos, de zoon van Pharnakes, door de poorten van Kelainai gaan om de grote koning, koning der koningen, Artaxerxes, de zoon van Dareios, de zoon van Artaxerxes, de zoon van Xerxes, de zoon van Dareios, de zoon van Hystaspes, de Achaimenide, eindelijk te ontmoeten.
Daar bij de bron van de Maiandros vond het duel plaats tussen de god Apollo en de satyr Marsyas. Ik heb de enige man die mij met schaamte kan vervullen wel eens met Marsyas vergeleken.”

 


Ilja Leonard Pfeijffer (Rijswijk, 17 janauari 1968)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

 

de winter weeft ijverig een ijzige doek
tussen mijn raamkozijnen geen handbreedte
voor het temperatuurverloop is de verf
al sinds de vorige huurder nauwelijks genoeg vanaf
de weg sijpelt het asgerommel zonder
de kou van deze dagen was ik liever een
behaard dier op de sporen in het park vlak boven
het dek tussen alle sneeuwpoppen
de gele terreingrenzen van jonge gezinnen de
takken van voorgaande jaren val ik nog altijd
aan jouw gefluit ten prooi ver weg blijf je alleen
van mij

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e januari ook mijn blog van 17 januari 2019, mijn blog van 17 januari 2017 en ook mijn blog van 17 januari 2016 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:30 Reageer op dit bericht

Tijl Nuyts

De Nederlandse dichter en schrijver Tijl Nuyts werd geboren in Istanbul op 17 januari 1993. In 2022 promoveerde Nuyts op een proefschrift over de middeleeuwse mystica Hadewych. Zijn poëziedebuut “Anagrammen van een blote keizer”(2017) werd genomineerd voor de C. Buddingh’-Prijs. Zijn tweede bundel “Vervoersbewijzen” (2021) werd bekroond met de Herman de Coninckprijs 2022 en genomineerd voor de shortlist van De Grote Poëzie Prijs 2022. In 2023 won hij de PrixFintroPrijs Supporting young artists in de categorie Nederlandse literatuur. Naast poëzie schrijft Tijl ook korte verhalen en essays. “Logboek van een naakte molrat” verscheen in 2023 in REKTO:VERSO. Andere werken van hem verschenen in De Gids, De Nederlandse Boekengids, Tirade, Het Liegend Konijn, en De Lage Landen. Tijl Nuyts maakt ook deel uit van het Europees poëzienetwerk Versopolis. Zijn gedichten werd ook naar het Engels en het Frans vertaald.

 

Vierarmentunnel

Ik droom van een toeristenbus
die voor elke gedachte
ontoegankelijk is, ook
wanneer die in een gedicht
wordt uitgedrukt.

De bus raast over de ring
en iemand fluistert sonnetten
in het oor van de chauffeur.
De dichter leeft al lang niet meer.
Hij parkeerde zijn auto aan de rand
van een Amerikaanse snelweg,
stapte uit en sprong van een brug

op het beenharde ijs van de Mississippi.
Niemand weet nog hoe hij heette
en zijn gedichten zijn al lang niet meer
met korting verkrijgbaar aan het loket.
Gelukkig heet iemand ze uit het hoofd geleerd.
Dat apprecieert de buschauffeur.

High van de poëzie doet hij een schietgebedje,
trapt het gaspedaal in
en stijgt op.

 

 

 

Niemand kan zo met de ogen rollen als de partijvoorzitter

1.

De partijvoorzitter werd geboren in een warm nest.
De partijvoorzitter toont haar tatoeages aan journalisten.
De partijvoorzitter gaat kajakken in overstromingsgebieden.
De partijvoorzitter verspreekt zich en bloost.

Om staatsmanschap uit te stralen lacht de partijvoorzitter nooit op foto’s.
Thuis lacht de partijvoorzitter natuurlijk wél, en vaak – dat werd bevestigd
door zijn woordvoerder. De partijvoorzitter is immers een erg warme man
of vrouw, maar toch meestal een man.

Het liefst wil de partijvoorzitter zijn klauwen slijpen en verdwijnen
in de open muil van de televisie. Maar vandaag staat ze de pers te woord.
Haar pak is grijs, haar ogen blauw als vermoeide vissen.

De partijvoorzitter spiegelt zich niet aan buitenlandse presidenten
die baden in bloed gewonnen uit het zachte gewei van Altajherten.
De partijvoorzitter is altijd een jongen uit de wijk gebleven.

De wereld brandt.
De partijvoorzitter krijgt het soms moeilijk,
zoekt raad in Rakı, in gebeden op bol.com.

 


Tijl Nuyts (Istanboel, 17 januari 1993)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Ester Naomi Perquin, Anthony Hecht

De Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin werd geboren in Utrecht op 16 januari 1980. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

 

Ter verdediging van een nachtsuppoost

Zoveel jaar en nooit een nacht gemist.
Hij was een plattegrond geworden
van waar al lang geen mens meer kwam.

Hij hield de wacht, hij was alleen en dacht
teveel aan wat maar niet gevangen kan.

Hij zag wat nooit grondvast wil worden
en dat in elk van vlucht verstoken ding,
de stijve duiven achter duimdik glas,
iets van beweging over was. Dat een vitrine
nooit van binnenuit aan scherven ging.

Het vrat hem langzaam aan. De nachten
waren vol verstomd gefluit en trekkersdrang.

Hij liep zijn rondes nog in wetenschap
maar hoorde vleugels zingen in de gang.
Hij vond soms veren op de trap.

Zo zaagde hij de sloten door. Hij bracht
de fuut en nachtegaal, de arend en harpij
hun kasten en hun kooien uit. De nacht
stond vol bevroren vliegverkeer. Hij zag
een broedplaats zonder leven.

Zoveel jaar en steeds de zon gemist.
Hij sloeg zijn armen op en neer.
Ze moeten hem zijn vlucht vergeven.

 

 

 

Bestemmingsplan

Je bouwt niet groots voor een knooppunt van lijnen, niet dag en nacht
voor een streep op een kaart, niet zo hard voor het knarsen
van schakels en oeverloos zuchten van treinen

je bouwt alleen zo voor de hand in de lucht, voor het vergeefse zwaaien
om een bocht, het jongetje dat bij het raam mag en luidkeels
zijn uitzicht blijft roepen, voor mensen die niet kunnen
scheiden, voor het meisje dat eersteklas huilt.

Je bouwt omhoog en opzij voor een stoet van vertrokken gezichten,
verdwenen gesprekken, voortrazende harten – voor onderweg,
voor laptopmensen en lawaaimuziek, voor maaltijdsalades,
gevallen ontslagen, oude dames, schreeuwstudenten,
voor beginnende dichters, wanhopig verliefd.

Je bouwt een reusachtig theater voor wie aan zal komen,
decor voor vertraging, de laatste glimp weerspiegelt
in de ruit, voor wie voet aan de grond zet, voor wie
straks bij het remmen al opkijkt en zegt:
ik ben er. Hier ga ik er uit.

 

 

OPONTHOUD

We zijn modern. Het is de juiste eeuw voor liefde niet
en nergens staan nog vrouwen op de torens,
uit te kijken. De laatste ridder
stierf aan syfilis.

We zijn de wapperende vlaggen verleerd,
het fluisteren tussen de stenen,
gezang en bloemennamen.

We werpen elkaar in het passeren
haastig lichaamsdelen toe.
Alles gaat goed.

Vergrendel deze deuren als het
donker wordt. Blijf bij me.
Zet je paard op slot.

 

 


Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)

 

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook alle tags voor Anthony Hecht op dit blog.

 

 

De Venetiaanse Vespers (Fragment)

Canto II

Waarschijnlijk sterf ik hier onopgemerkt
In mijn armzalig logement waar zelfs
Mijn laatste ademtocht nog wordt verpest door
De lichte stank van zee en van moeras,
Moment van gêne en last voor ’t personeel.
Dat lijkt me erg genoeg, ook zonder dat
Wat Byron zei te vrezen: ‘Word ik ooit oud,
Dan sterf ik “eerst van boven”, net als Swift.’
Of Swifts door hemelvuur getroffen boom.
Ook is hier ooit een Zwitser, droomexpert,
Henry Fuseli, nog pas eenendertig,
Een dag of wat geplaagd door zware koorts;
Daarvan hersteld leefde hij voort metharen,
Wit als een rechterspruik, en blijvende
Linkshandigheid. En Koning George de Derde,
Die kennis maakte met een boom op Windsor,
Daar hij die aanzag voor de Vorst van Pruisen,
Zodat hij hem royaal de hand gaf. Lach maar,
Alwie nooit op een zaal met zwaargestoorden
Gelegen heeft. Eerstwerd hij plat gespoten,
Toen, constant gesedeerd, strak ingesnoerd,
Een parelhoen gelijk. Inmiddels weet ik:
Een klein apéritif bij Florian
Helpt iéts, al kan ik nimmer echt vergeten.
Ik volg Fuseli’s eigen therapie,
En ik citeer: ‘Eerst ga ik rustig zitten
En dan wind ik me op. En daarna knal ik
Het zwart erin. En dan haal ik het licht weg.
Zijn angstdroom werkte prima, maar de mijne?
Die speelt zich af op het plafond van mijn
Gehuurde kamer of mijn schedeldak,
In ’t donker, steeds als ik mijn licht weghaal.

Het licht. Ik koos Venetië om haar licht,
Haar luchtigheid, haar drijven, zweven haast
In tijd en water, èn haar vreemde rust.
Ik, die Amerika de rug toekeerde
En van een jaargeld leef, kijk naar het water
Van de lagune in de ochtendzon.
Palladio’s kerk drijft, vrediglijk verankerd,
Recht vóór mij uit, de kerk van de Gezondheid,
Gewijd door de Venetianen, dankbaar
Dat hen de hemel van de pest ontsloeg,
Strekt zich, barok gekruld, in het kanaal.

 

 

Vertaald door Paul van den Hout

 


Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e januari ook mijn blog van 16 januari 2019 en ook mijn blog van 16 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 17:12 Reageer op dit bericht

Antoine Wauters, Sascha Kokot

De Belgische dichter en schrijver Antoine Wauters werd op 15 januari 1981 geboren in Luik. Zie ook alle tags voor Antoine Wauters op dit blog.

Uit: Mahmoed of het wassende water (Vertaald door Katelijne De Vuyst)

Helemaal beneden de minaret van de grote moskee.
Ik cirkel eromheen.
Het is zo mooi!
Vissen.
Andere algen, gezwollen als het haar van de doden.
De groengouden lichtbaan van mijn zaklamp.
En hoger, als een insectenvleugel in de wind,
mijn sloepje dat schommelt, mijn houten barquette.
Zonder de zon te vergeten, die me, zelfs hier, blijft
achtervolgen.
Mijn moedervlek doet zeer, maar hier
vermoeien de dingen me niet meer.
Ik voel me goed.
Het is geen fysieke afstand. Het is de tijd.
10
Ik bereik wat verloren ging.
Ik bereik de verloren tijd.
Op het terras van café Farah zoek ik naar een vrije tafel,
maar vind alleen vissen, hele scholen.
Ze staren me even aan, voor ze verzwinden.
Ik zwem terug naar de sloep.
Ik red een vlinder.
Alles is er nog.
Ik haal adem.
Sommige dagen heb ik de kracht niet
om te duiken.
De wind van de spijt waait te hard en zittend met mijn rug
naar de gevechten denk ik aan mijn jaren in de gevangenis,
en begrijp mijn kinderen, die de wapens hebben opgenomen
en ten strijde zijn getrokken.
Even ben ik van plan ook te gaan vechten.
Ik neem het me voor.
Ik bloos ervan.
Daarna begrijp ik dat er geen vijanden meer zijn.

 

 


Antoine Wauters (Luik, 15 januari 1981)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

ook als de vrouw al lang weg is
klinkt nog steeds het avondprogramma
het heeft zich veel te luid ingebrand
en sijpelt door het plafond op ons neer
waar we in onszelf naar de slaap grijpen
de dagen uit onze vacht strijken
kunnen we ze nog heel lang volgen
de reportages, studio’s en moordenaars
voordat ze na middernacht van de stroom
worden afgesneden en wij achterblijven
in onze nachtelijke onrust die langzaam
ontwaakt in oude stilte

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e januari ook mijn blog van 15 januari 2019 en ook  mijn blog van 15 januari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 17:04 Reageer op dit bericht

J. Bernlef, Sascha Kokot

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog.

 

Bekoorlijk

tenminste voor mij
is te zien hoe of iemand struikelt
zich vergist na hard hollen de
tram mist of iets anders

misschien omdat syncopen eigenlijk
lege plekken zijn tussen de maat
en wat er op straat gebeurt

een soort van onhandig gescharrel
dat de melodie vacant laat
dat die melodie dus wel vaststaat
maar de maat even niet nu

 

 

Het laatste rechte eind

het evenwicht
ligt achterin de nekwervels
gestrekt voor
het laatste rechte eind-subtiel

verankerd aan iemand die
eenmaal op de grond
licht en onooglijk lijkt: de jockey
kompasnaald

nerveus-attent verschuift
zijn dunne strakgespannen billen
winnen is belangrijk
snelheid gegeven balans alles

ieder paard raakt wel
eens uit cadans
de jockey voelt dat aan
en corrigeert met zijn gewicht

’t valt niet te leren
een paard praat weinig
heeft een goed geheugen
en een hekel aan straf

wat is het dan? intuïtie?
het vermogen iemands fouten
te voorzien voordat zij
fouten…

de grens tussen paard
en berijder
vervlogen in hun bijna
onbeteugelde stijl

 

 

Schittering

Verlegen maakt iemand
op zijn mooist, siert hem
van binnen

Verstrikt in aarzelingen
houdt hij het schichtig
voor gezien

Trilt hij van twijfel of
is het inspanning zijn
hand niet te laten vangen
door gebaar, zijn mond door woord?

Door afwezigheid
schittert hij even

Dan kiest hij opnieuw zijn naam
en stelt zich handenschuddend voor.

 



J. Bernlef (14 januari 1937 – 29 oktober 2012)

 


De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

ik hoor de storm aan de stad rukken

ik hoor de storm aan de stad rukken
zich op het balkon hiertegenover kaal en helder afstemmen
kuilen en straten bedekken onder een grijze grinddeken
in de laatste lichtkegel trekt hij blindelings zijn kringen
daarachter verstoppen dieren zich om in te dommelen
je kijkt uit naar dit braakland
tussen scheuren en roest zoek je naar sporen
ze drijven met je onder de binnenplaats rond
duwen je verder weg van het taalstruikgewas
dat je met mij als op bezoek hebt gedeeld
daar koelen nog woorden af losjes verspreid
naast je naam voor mij volkomen onleesbaar

 


Vertaald door Frans Roumen

 



Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 


Zie voor nog meer schrijvers van de 14e januari ook mijn blog van 14 januari 2019 en eveneens mijn blog van 14 januari 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:26 Reageer op dit bericht

Edmund White, Anthony Hecht

De Amerikaanse schrijver en essayist Edmund White werd geboren op 13 januari 1940 in Cincinnati. Zie ook alle tags voor Edmund White op dit blog.

Uit: Jack Holmes and His Friend

“Jack, who was from an eccentric Midwestern family, J wasn’t quite sure what a gentleman was other than someone who opened doors for ladies and didn’t curse in mixed company. He’d gone to a boarding school, but one outside Detroit, which the sons of the “automobility” attended; they judged each other by their cars, not their manners or clothes. Although the school-boys all had to wear coats and ties, their jackets were usually off the rack and were rumpled and styleless. Who would worry about clothes when he could tool around in a Corvette or Austin-Healey or Thunderbird up and down the leafy lanes of Bloom-field Hills or get into a drag race with an older businessman down Woodward Avenue? Although Jack was bookish and refined after his own fashion, he was used to brash guys who lived in a loud, locker-banging, all-male world of muddy knees and broken noses and wolfed-down generic meals in the immense, pseudo-Gothic dining-hall they called the “cathedral of carbohydrates.” In Detroit in the 1950s, no one earned extra points for reading, or for visiting Europe—well, okay, visiting it counted. Back then, it was still rare to travel abroad and cost a lot. The brainy daughter of rich Midwesterners might live with a French family for a semester in
Tours, which was supposed to have the best accent. By the end of six months, she could barely express herself in French, but she’d have lost that extra ten pounds and acquired dark, becoming clothes and a convincing French “r” (you could hear the re-turning American girls on the Queen Mary asking each other confidentially, “How’s your ‘r’?”). The boys didn’t even consider doing anything so painful and embarrassing as tackling another language; they were all going to study automotive engineering in a normal Midwestern university. Jack would have gone abroad, but his father, a chemical engineer, couldn’t see the point. He sent his son to the University of Michigan because it was midway between his house in Cincinnati and his summer cottage on Walloon Lake, Michigan. Jack had been accepted at Harvard and had even won a merit scholarship there, but it turned out that Jack’s father earned too much for Jack to receive anything other than a parchment for his pains. And Jack’s father said he’d be damned if any son of his would attend a pinko school like Harvard. Even at the University of Michigan, ack managed to declare himself a socialist, while at the same time he joined his father’s fraternity, a Southern one where they wore masks with eye-holes and held swords up during the initiation ceremony and pledged to protect the purity of Southern womanhood. They didn’t have any black or even Jewish members the handsome, dark-haired Jews all belonged to ZBT down the street), but Jack had plenty of Jewish friends and Chinese friends (he was majoring in Chinese art history), and he even knew a black poet whom all his bohemian friends admired intensely: Omar. When Omar talked to them about Rilke, they could hear the clack and rustle of angel wings.”

 

 


Edmund White (Cincinnati, 13 januari 1940)

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook alle tags voor Anthony Hecht op dit blog.

 

 

De Venetiaanse Vespers (Fragment)

Canto II

O mocht de ziel zich schoeien, mocht de geest
Zijn handen wassen aan de kraan, mocht slechts
Eén grein onsterflijkheid voorzien zijn van
Een kunstgebit. We glijden langzaam af,
Geheugenzwakte, lege blik, kwijlbekkend,
Bezoedeld en verguisd, naar lichaam en
Naar geest – naar dat doodlopende kanaal
Der Incurabili, dat voert voorbij
De laatste aanlegplaatsen van de ziel,
In glanzend zwart van koets en kist en voor
Veel méér dan één obool gevaren door
Een leerling-Charon naar de Calle dei Morti.
Je nadert de Venetiaanse Hades
Stil over ’t water, waar de gondelier
Met elke slag een kolk in trekt, die wervelt
Als eikewortels, zilver, glad, gespierd.
Je glijdt er als in zwijm heen, weg naar oorden,
Massaal bevolkt door de verstomde doden,
De levenlozen, grondig onverschillig
Voor wie of wat hun schimmenrijk betreedt.
De gondelstok werpt wijd zijn parels licht,
Goedkope glitters; verder vaar je, langs
Al die behuizingen van rauwe sienna,
Gebrande omber, heel het scala van
Gekleurde klei. Je zwakte wordt allengs
Zelf tot genieting van een milde leegte.
(Hef beide armen boven ’t hoofd, haal dan
Drie maal diep adem, houd de laatste in.
Je maat, je jeugdgids naar de andere wereld,
Slaat dan van achteren zijn beide armen
Zó stevig om je heen, dat heel je hoofd
Gaat prikken, branden, als een arm of been,
Dat slaapt als het een tijd niet is doorbloed.
De longen worden warm van pijn, dan glijd je
Een zwartfluwelen duister in, je beul-
Anubis sprakeloos erkentelijk…)

 

Vertaald door Paul van den Hout

 

 


Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e januari ook mijn blog van 13 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:31 Reageer op dit bericht

Cees van der Pluijm, Anthony Hecht

De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook alle tags voor Cees van der Pluijm op dit blog.

 

 

Valse lente

De liefde maakt van elke uil een valk Maar kun je vliegen met een vleugelspalk?

I
De jagersman heeft geen seconde vrij
Hij telt het jachtseizoen van mei tot mei –
Hij maakt het leven zelf tot veile prooi –
En maalt niet om allure of allooi

Hij zet zijn idealen graag terzij
En met een grijnslach opent hij de kooi
Hij schiet de vogels om hun verentooi

Wij joegen op elkaar, soms schoten wij
Het doel in alle hartstocht zelfs voorbij
Pas toen de lente kwam, verliep het tij

En toch besef ik tot de laatste kus
Hoe blij je zijn kunt met een dode mus

Wij hebben als een duivenpaar getorteld
De liefde leek soms diep in ons geworteld

 

II
De tijd heelt niets, dus ook niet alle wonden
De tijd maakt slechts een optelsom van pijn
En deelt die door zichzelf, zodat het lijkt
Of ons een kleiner leed wordt aangereikt

Maar ook al word je nog zo goed verbonden
En helen alle breuken op termijn
Wie niet zijn idealen steeds herijkt
Riskeert het dat hij aan de tijd bezwijkt

Geen prooi ontkomt de jager ongeschonden
Geen jager ook die op zijn jachtterrein
Ontkomen kan aan zijn onwrikbaar lot

Bedenk dit als gij naar het voorjaar kijkt
Verdwaal niet in die tovertuin van God
De paashaas schiet zijn kuikentjes kapot

 

 

1975


Je koos de Karelstad tot domicilie
Je boedel paste prima in een busje
Je zwaaide joviaal naar je familie

En je vertrok. Je kamer was een hok
En schilderwerk je eerste eigen klusje
Je was nu eigen baas en eigen kok

Maar ondanks al je spullen om je heen
En heel de stad – je was verdomd alleen

Dan maar een advertentie in de krant
(Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen)
Je had geen ander middel bij de hand

Verlegen als je was en onervaren
En zie, je liet je door de hartstocht vangen:
Hij kwam en zou de liefste zijn voor jaren

 

 


Cees van der Pluijm (12 januari 1954 – 14 december 2014)

 

 

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook alle tags voor Anthony Hecht op dit blog.

 

 

De Venetiaanse Vespers (Fragment)

Canto II

Een weelde weggeveegd, vaak met haar makers;
Kanaries, katten, honden en parkieten,
In zakken afgevoerd als Monte Cristo’s:
Geen grasveld, wei of heuvel in de buurt
Om te bemesten of als graf te dienen.
Voor hen wordt in de nacht het glas gebroken,
Het in memoriam der vuilnislieden.
Ik rouw, wanneer hun uur weer daar is, met
Een litanie van eigen makelij.
Hier stierf ooit Wagner, ligt Strawinsky’s graf,
Vond Cimarosa, door vilein vergif,
Zegt men, de dood. Het brein, om vier uur ’s ochtends,
Is slechts een brij, wormstekig en armzalig.
Ik zag het vaak gemorst als zwezerik,
Dromend van Byrons woord: ‘Vaak bij mooi weer
Zou ik mij voor de kop geschoten hebben,
Had het mijn schoonmama geen pret bezorgd.’
Zo wordt de deugd, zegt men, ons opgedrongen
Door ons gewetenloos gedrag. Ik zié hem,
Met zijn gevolg van hoeren en gravinnen,
Naar muskus, knoflook en seringen riekend,
Ménage die veeleer ménagerie was:
Een vos, een wolf, een bulldog, vogels, apen,
Corbaccio’s en corvino’s, spintriae,
De heffe van Venetië ’s onderwereld,
Aasvliegenplaag. Uitvaagsel. Uitgebraakt.
O licht en levers. Doder dan morsdood.
In ’n kist gevoerd met zij in theerooskleur.

 

Vertaald door Paul van den Hout

 


Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)
In 1960

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e januari ook mijn blog van 11 januari 2019 en ook mijn blog van 11 januari 2015 en ook mijn blog van 11 januari 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:12 Reageer op dit bericht

Katharina Hacker, Anthony Hecht

De Duitse dichteres en schrijfster Katharina Hacker werd geboren op 11 januari 1967 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Katharina Hacker op dit blog.

 

 

Über Land

wieder über land unter den überland-
leitungen dort hinter dem zweiten feld
der zweiten baumreihe,
wo die habichte und mäusebussarde
zuweilen über den kranichen und krähen
vom anderen vogelgetier zu schweigen
kreisen: auf der jagd.
wie ich mich langsam nähere den noch schwer kenntlichen
braunen flecken hinter der baumreihe im gras dort
gelagert nämlich die herde
– die ganze herde, möchte ich sagen, als wäre das
denkbar –,
in ruhe nach vielleicht unruhiger
nacht, sie
erheben sich, zögernd,
da ich, langsam reitend,
die baumreihe quere,
das unruhige pferd zügelnd, daß es sehe,
was da im im gras, das nicht besonders hoch,
aufmerksam geworden jetzt, äugend zu uns,
dann, da ich angaloppiere,
ungeduldig geworden,
aufspringt,
nicht leicht davonstiebt wie rehe:
mit dem getöse wilder schafe.

 

 

Katze

Kaum öffne ich die Tür zum Hof, kommt die Katze ins Haus und weicht mir nicht mehr von der Seite. Da sie kleiner ist als die zwei Hunde, passt sie drunter durch und hält so daran fest, in meiner Nähe zu bleiben, auch wenn ein Hund neben mir geht. Setze ich mich an den Schreibtisch, springt sie auf meinen Schoß, ich kann nicht arbeiten, wenn sie es sich da gemütlich macht. So packe ich sie, verstaue sie hinter meiner Rücken, rutsche fast an die Stuhlkante, damit sie Platz hat. Oft bleibt sie.
Ziehe ich mit meinem Laptop aufs Sofa um, bleibt sie auch, verzichtet auf Nähe, da sie meinen Platz einnehmen kann.

 

 

Ungeduld

Vorbild all jener, die ungeduldig und unwirsch und höchst unhöflich nach einem Taxi rufen, ist die Katze. Sie sitzt irgendwo auf einem Zaun, auf einem Baum, auf einer Wiese.
Vielleicht regnet es, vielleicht schläft zwischen ihr und dem Haus der Hund.
Vielleicht ist ihr der Weg zu weit.
Sie brüllt.
Taxi, Taaaxiii!
Brüll du nur.
Sie lässt mich nicht aus den Augen.
Hau ab, sage ich.
Sie brüllt und lässt mich nicht aus den Augen.
Nichtsnutziger Fellsack, sage ich laut.
Taaxiii! brüllt sie lauter.
Ich wende mich ab.
Taaaxxiiii!
Dann kehre ich um und gehe am schlafenden Hund vorbei und durch den Regen, den weiten Weg zum Baum, zum Zaun, zur Wiese und trage die Katze ins Haus.

 

 


Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)

 

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook alle tags voor Anthony Hecht op dit blog.

 

De Venetiaanse Vespers (Fragment)

Canto II

Elders wordt vaak de levensgeest gedagvaard
Met klokgelui, gezeefd door scholen, slierten
Zonovergoten peppelblaren – ijle
Nuances kleur (Monet en Debussy) –
Of woeste vlagen aanstormend verkeer,
Het schor en eenzaam loeien van een misthoorn,
Of, liefst van al, de schuchtere aubade
Van vroege vogels die het kil asgrauw
Van Fenix Dageraad het eerst bespeuren.
Gedagvaard voor het aards bestaan, let wel,
Uit kerkers à la Piranesi en
Uit zelfgewrochte krochten. Maar Venetië,
’s Werelds kunstmatigste, meest louche stad
(Waar mijn relaas uiteindelijk zal stokken),
Dagvaardt met bruut verbrijzelen van glas,
Toepasselijke nijverheid ter stede,
Die geld en ruimte spaart en werk biedt aan
De jonge mannen op de vuilnisschuiten.
Wijnflessen van een klaar zeewatergroen,
Rookbleke maatjes acqua minerale,
Fiaschi, jodiumbruin, het Waterman-
Kobalt van Bromo Seltzer, lampen vol
Gevangen mist, TL-verlichtingsbuizen
Met vacuümverpakte wolkenmonsters,
Die wachten op hun liquidatie èn
Herrijzen in Murano’s ovens met
Hun wonderingewanden. Ondertussen
Dient plaats gemaakt voor al het efemere,
Afdankertjes, aankoeksels, alles wat
Door ouderdom verweekt is, òf versteend,
Ons stadsafval. Venetië hééft geen goten
Voor hond-in-goot, zodat we door het oker
Van hondepoeppastei in menig opzicht
Met beide benen op de aarde blijven:
De Dogenstad gedoogt geen hovaardij,
Zij zal ons wel een poepje laten ruiken!

 

Vertaald door Paul van den Hout

 


Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e januari ook mijn blog van 11 januari 2019 en ook mijn blog van 11 januari 2015 en ook mijn blog van 11 januari 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:47 Reageer op dit bericht

Saskia Stehouwer, Anthony Hecht

De Nederlandse dichteres Saskia Stehouwer werd geboren op 10 januari 1975 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Saskia Stehouwer op dit blog.

 

 

flinter

gevallen boom brengt leven voor velen
die zich tegoed doen aan het malse lijk
hun bekjes te klein om onze oren te bereiken
groot genoeg om een woudreus leeg te lepelen
voor later

hoe kun je een ander verhaal
vertellen dan dat van jezelf
als ik over de gevallen boom praat
is dat omdat ik vanochtend leerde
over de springstaartjes en hun vele kompanen
is dat omdat ik er een zag vallen op ons land
en dacht hoeveel huis kan ik hiervan maken

het is de boom die me leert praten
men leert klimmen langs zijn liggende stam
terwijl hij zijn nieuwe kinderen voedt
zijn takken buigend als het ritme van een zin

 

 

een stal voor het water 

alles wat ik was
paste in jouw hand
de hand die spijkers sloeg
en katten streelde

je deed me het vliegen voor

ik bewoog me tussen de bergen
en buigzame woorden

zette voet in de rivier
die steeds anders was

ik gaf je vragen
om aan te wennen

we trokken voren

langzaam groeide het water
we zetten ons schrap
tot ons huis werd opgeslokt

we legden ons verhaal neer
en wasten onze harten

het gras waar we gelopen hadden
richtte zich weer op

 

 

vonden onze weg door de bossen

vonden onze weg door de bossen
om een kaart te tekenen
volgden de sporen tussen stammen
die ons nauwlettend gadesloegen
zagen in een hoefafdruk
de dag van een dier

onze voeten en de grond in gesprek
de dieren en de lucht die waakten
tekens gaven dekking boden

niemand ging dezelfde kant op als wij

er was de bereidheid om het koud te hebben
om te lopen met een lege maag
we dachten in het donker
sliepen met een kind op wacht

de ogen in de struiken
het ritselen van pootjes
de geur van bezig bos

vezels rechtop
zintuigen gespitst
leunend op het weten

dat wij dat waren

erbij hoorden
ertoe deden
erin zouden blijven

 


Saskia Stehouwer (Alkmaar, 10 januari 1975)

 

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook alle tags voor Anthony Hecht op dit blog.

 

 

Meer licht! Meer licht!

Voor Heinrich Blücher en Hannah Arendt

Deze bewogen regels, volgens pijnlijk gebruik
Naar de brandstapel gebracht, werden in de Tower geschreven,
Nog voor de executie; ze werden overhandigd en luidden:
“God is mijn getuige, dat ik geen misdaad heb bedreven.”

Hij was welzeker moedig, maar de dood was gruwelijk:
De zak met buskruit vatte maar geen vlam.
Zijn benen waren beblaarde staken, waarop het zwarte sap,
Bubbelde en spatte, terwijl hij smeekte om het Vriend’lijk Licht.

En dat – het kon zeker veel erger – was er dan nog één
Die hem zijn jammerlijke waardigheid niet ontnam;
Zij die erbij stonden, zegden gebeden in Christus’ naam,
Die alle mensen oordelen zal, voor de rust van zijn ziel.

We wenden ons nu naar de rand van een Duits bos.
Drie mannen krijgen daar opdracht een gat te graven,
Waarin de twee Joden worden gemaand te gaan liggen,
Om levend te worden begraven door de derde, een Pool.

Geen licht uit de schrijn in Weimar, achter de heuvel,
Geen licht daagde van boven. Toch deed hij het niet.
Een Lüger zat diep in z’n handschoen verscholen.
Hij moest met de Joden ruilen van plaats.

De alomtegenwoordige dood had hun zielen weggespoeld.
Zware modder hoopte zich op tot aan zijn sidderende kin.
Toen je alleen het hoofd nog zag, klonk het commando
Hem weer uit te graven, en er zelf weer in te gaan liggen.

Geen licht, geen licht in het blauwe Poolse oog.
Toen hij klaar was, stampte een rijlaars de aarde aan.
De Lüger kwam lichtjes in z’n handschoen omhoog.
Het schot trof zijn buik; hij bloedde binnen drie uur dood.

Geen gebed of wierook steeg op in die uren,
Die zich rekten tot jaren, en elke dag kwamen uit de ovens
De stille geesten, die zich verdeelden in de winterlucht,
En zich afzetten als een roetlaag op zijn ogen.

 

 

Vertaald door Arie Sonneveld

 


Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e januari ook mijn blog van 10 januari 2024 en ook mijn blog van 10 januari 2019 en ook mijn blog van 10 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:33 Reageer op dit bericht

Bas Heijne, Nora Bossong

De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.

Uit: Albert Camus . Een Hogere liefde

“Het nieuws kwam onverwacht, maar toen Albert Camus in 1957 op 44-jarige leeftijd de Nobelprijs voor Literatuur werd toegekend, zagen zijn vijanden – hij had er veel – hun vooroordelen jegens hem alleen maar bevestigd. Zie je wel, het werk van de Fransman was een verzameling humanistische dooddoeners, waarin op fraaie wijze universele waarden werden uitgedragen – helemaal zoals de Zweedse Academie het graag zag.
Maar ook zijn tegenstanders konden niet om Albert Camus (1913-1960) heen, dat was juist waarom ze zich zo druk om hem maakten – Jean-Paul Sartre voorop. Hij was de kiezel in hun schoen, confronteerde hen met hun kwade geweten. In zijn romans, essays en krantenartikelen keerde hij zich, anders dan zoveel van zijn tijdgenoten, tegen het verlangen naar absolute ideologische
waarheden. Bij hem geen sprake van blinde partijdigheid. Het slechte was nooit helemaal slecht, benadrukte hij, het goede nooit helemaal goed. Mensen waren kwetsbare wezens – en dat betekende dat je ze moest helpen waar je kon.
In zijn literaire werk had de koele ongenaakbaarheid van zijn debuutroman L’étranger (1942) en het toneelstuk Caligula (1944) snel plaatsgemaakt voor medemenselijkheid tegen de klippen op. Verzet tegen onrecht en opstand tegen onderdrukking waren noodzaak. Maar in de opstand moest altijd maatgehouden worden, de mens zelf mocht niet uit zicht raken. Het doel heiligde nooit de middelen. Zoals hij in zijn tweede brief aan zijn ‘Duitse vriend’ schrijft: ‘Wat is de mens? […] Het is die
kracht, die de tirannen en de goden uiteindelijk wegvaagt.’
Vóór de oorlog, tijdens zijn Algerijnse jaren, was Camus een blauwe maandag communist geweest, maar geen moment uit volle overtuiging; bij het eerste conflict stapte hij uit de partij. Later, in zijn lange, filosofische essay L’homme révolté (1951), brak hij zich het hoofd over de vraag waarom de totale vrijheid altijd weer in massale slachtpartijen eindigt.
Dat was tegen het zere been van radicale intellectuelen. Opstandigheid met mate! brieste de surrealist André Breton naar aanleiding van dat boek. Wanneer je de hartstocht uit de opstand haalt, schreef hij honend in een kritiek, wat blijft er dan over?
De irritatie van Breton over de beredeneerde passie van Camus werd door tijdgenoten breed gedeeld. Communisten waren woedend omdat hij het communisme met zijn heilige geloof in doelmatigheid afwees, anticommunisten waren ontstemd omdat hij weigerde alle menselijke ellende op het conto van het communisme te schrijven. Het was de vertrouwde irritatie over iemand
die weigert zich over te geven aan de roes van de emotie van het moment, die zich niet laat meeslepen door politieke abstracties, die steeds voor zijn eigen ambivalenties durft uit te komen.”

 


Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Nora Bossong werd geboren op 9 januari 1982 in Bremen. Zie ook alle tags voor Nora Bossong op dit blog.

 

Roerloze jacht

De stallen onderaan de helling, men zegt dat de haas
een marter heeft gevangen, een vos, niemand
weet het zeker: men leeft hier zelden
’s nachts. Het huis te groot
voor een huis, de mensen te rijk,
niet uit mijn tijd. Toch gaan we
gezamenlijk op jacht, door de overwoekerde
randen van ’t familie-erfgoed, geen dier
breekt het kreupelhout, geen karkas
verspreidt zijn geur als een rondspokende voorouder
tot aan de perceelsgrens. Ik denk dat
het terras alles verborgen houdt, niemand
volgt mij, hoe zouden ze ook, mijn dagen
liggen ergens anders . Alleen de zeearenden op de palen
blijven hun blik op mij richten, ik voel
hun scherpe ogen in mijn nek staren,
tot ik val, maar dat is onbelangrijk, slechts
een kortstondige verandering van het oude gebouw.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Nora Bossong (Bremen, 9 januari 1982)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e januari ook mijn blog van 9 januari 2019 en ook mijn blog van 9 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 14:51 Reageer op dit bericht

Juan Marsé, Alfred Tomlinson

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Juan Marsé op mijn blog.

Uit: Ringo. Een jeugd in Barcelona (Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu)

“Buren en enkele toevallige, op dit uur van de dag en na de wandeling naar dit hooggelegen deel van de straat vermoeide voorbijgangers kunnen hun ogen niet geloven. Wat is er opeens in die vrouw gevaren? Wat is die vrouw verdomme van plan zoals ze daar in haar volle lengte — wat niet veel voorstelt — op de rails ligt met haar mollige, op het strand van Barceloneta bruinverbrande knieën die uit haar openvallende verpleegstersjas piepen, met haar ogen dicht en haar voeten stevig tegen elkaar gedrukt in hun satijnen pantoffels waarop niet bepaald schone pompons zitten? Moeten we aannemen dat ze een eind aan haar leven wil maken onder de wielen van een tram?
‘Victorie gilt een vrouw vanaf de stoep. Wat doe je daar nou toch, mens?’ Er komt geen antwoord. Zelfs geen oogknippering. Er vormt zich onmiddellijk een groepje nieuwsgierigen om de liggende vrouw heen, waarvan de meesten denken dat ze het slachtoffer zijn van een macabere grap. Een oude man prikt een paar keer met zijn stok in haar weelderige dij, alsof hij maar niet kan geloven dat ze nog leeft. `Hé, mevrouw, wat is dit nou voor onzin?’ moppert hij, terwijl hij blijft porren. ‘Wat wilt u in vredesnaam?’ Dat er over haar gekletst wordt, zoals altijd, denkt waarschijnlijk meer dan één buurvrouw: die sloerie zou toch alles doen om de aandacht van haar man te trekken? Mevrouw Mir is een mollige blondine van over de veertig met fonkelende blauwe ogen, extravert en heel geliefd in de buurt; ze had een verpleegstersopleiding gedaan aan een school van de falange en werkte nu als beroepsgenezeres en kinesiologe, zoals op haar visitekaartje stond. Er werd altijd al veel over haar gekletst, en dat gebeurde nog steeds, vanwege haar brutale handen, die lichamen masseerden of verhitte gevoelens kalmeerden, dubbelzinnige vaardigheden die regelmatig tot amoureuze avontuurtjes leidden. Vooral sinds haar echtgenoot, een bazige blaaskaak en ex-burgemeester van de wijk, eind vorig jaar in de San Andrés-kliniek was opgesloten. In de bar-bodega Rosales werd er altijd met vrolijke spot, om niet te zeggen met onvervalst sarcasme, over de handvaardigheid van mevrouw Mir gesproken. Maar om haar daar nu op haar rug midden op straat te zien liggen, waar ze een zelfmoord imiteerde of die echt wenste, wellicht als gevolg van een verstandsverbijstering, maar heel overtuigend en vastbesloten, om haar dus daar op het wegdek te zien liggen met haar ronde, door krulletjes omkranste, inbleke gezichtje en de altijd te zwaar gestifte, verdwaasde lipjes, dat overtrof alle verwachtingen. Ze leek zich totaal over te geven aan en overtuigd te zijn van haar gruwelijke, naderende einde onder de wielen die haar nek zouden adfsnijden.”

 

 


Juan Marsé (8 januari 1933 – 18 juli 2020)

 

 

De Engelse dichter, vertaler en graficus Alfred Charles Tomlinson werd geboren op 8 januari 1927 in Stoke-on-Trent, Staffordshire. Zie ook alle tags voor Alfred Tomlinson op dit blog.

 

In maart

Op deze droge, scherpbelichte winterdagen,
Nu de kleur van kraaien zoveel glans
Verzamelt, overstromen als inktvlekken
De schaduwen van de heg het halve wegdek
Tot waar een puntig lemmet van licht hen
Wegvreet: bewaakte overgang van licht
Die overal glinstert, overal de weg versperd
Wordt door de kale takken, donkere
Kloven langs de gespleten muren, schaduw-
Kant van schuur en huis, van half afgestoken
Mijt die de grond met hooi bezaait ondanks zichzelf
Met spatten van vaal goud, deelgenoten van het licht:
En boven dit alles een snaar van gloeiend zwart
Een glimmende, vliegende schaduw, de kraai die opstijgt

 

Vertaald door Peter Nijmeijer

 


Alfred Tomlinson (8 januari 1927 – 22 August 2015)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e januari ook mijn blog van 8 januari 2019 en ook mijn blog van 8 januari 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:31 Reageer op dit bericht

Frans Kellendonk, Reginald Gibbons

De Nederlandse schrijver en vertaler Frans Kellendonk werd geboren in Nijmegen op 7 januari 1951. Zie ook alle tags voor Frans Kellendonk op dit blog.

Uit: Mystiek Lichaam

“Dat een dollarmiljonair meer waard is dan een guldenmiljonair was voor hem geen reden tot zorg. In Gods ogen zijn alle miljonairs gelijk. Hij vond het helemaal niet vreemd dat het moeilijker is om miljonair te worden in de Verenigde Staten of in Engeland dan in Roomse streken met hun zwakke valuta. Italië is het land van de miljonairs, zoals het ook het land is van de heiligen en de prelaten. Wat hem wel zorgen baarde was de geldontwaarding. Geldinflatie en taalinflatie waren gelijk opgegaan in het woord miljonair, vanaf het ogenblik dat het in zwang gekomen was in het oude beursgebouw aan de Rue Quincampoix te Parijs, tijdens de windhandel rond de Mississippimaatschappij toen bochelaars fortuinen verdienden door zich als schrijftafel te verhuren aan haastige speculanten. De miljonair van vandaag had drie procent minder te betekenen dan de miljonair van een jaar geleden. Het zou kunnen dat God zijn genade in steeds grotere hoeveelheden over de aarde uitstortte en dat het daardoor gemakkelijker werd om te worden uitverkoren, maar wanneer Gijselhart de prijsindexcijfers bestudeerde las hij daaruit vooral af dat de mens tot alle kwaad geneigd is en voor de zekerheid paste hij een inflatiecorrectie toe op zijn definitie van het begrip miljonair, waarbij hij het jubeljaar van zijn eigen uitverkiezing, het jaar waarin hij vijftig was geworden, op honderd procent stelde.
Van de kameel en het oog van de naald had hij nog nooit gehoord.
Een van de weinige dorpelingen met wie Gijselhart wel eens sprak was de kruidenier. In een witte jas, een hoed op zijn hoofd, stond de man achter zijn toonbank en klaagde. Hij klaagde dat hij ten gevolge van die hoed zweette op zijn schedel, waardoor hij licht kou vatte. Maar als hij geen hoed droeg had hij weer last van zweetvoeten.
‘Wat erin zit moet eruit,’ zei Gijselhart.
Hij had ook last van een muis, die in zijn magazijn de zakken met bloem en suiker kapot vrat. ‘Hij maakt één gaatje, aan de onderkant. En niet om wat er in de zak zit, dat laat hij rustig op de vloer lopen terwijl hij aan de volgende zak begint. Nee, waar het hem om gaat is me het bloed onder de nagels uit te halen en me het gekkenhuis in te pesten en mijn zaak naar de verdommenis te helpen.’ Het moest een reusachtige muis zijn, die de kruidenier zo klein kon krijgen.
De man was een zeur en toch had Gijselbert met hem te doen. Hij had dezelfde sores als deze middenstander, mét al zijn geld. Aan zijn eigen mooie getallen werd ook geknaagd, vaak waren de zes nullen van zijn miljoen ook lege zakken waaruit alle waar was weggelopen, of zeepbellen, of dressuurhoepels voor idioten, of ijzeren ballen waaraan hij zat vastgeketend, al naar gelang de soort wanhoop waartoe hij verviel wanneer hij het geloof niet had.”

 

 


Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)

 

 

De Amerikaanse dichter, redacteur en hoogleraar Reginald Gibbons werd geboren in Houston op 7 januari 1947. Zie ook alle tags voor Reginald Gibbons op dit blog.

 

Om 12 uur

De grot-duisternis van de dikwandige kamer,
koel in de zomer, geeft soelaas
door te zeggen: Dit is de waarheid, niet het strakke
door cicades getokkelde daglicht.
Rust hier, uit de hitte – de dikke lucht wordt
bewogen door de vier
traag bewegende bladen van de ventilator; onder het huis heeft de steen
zijn voeten in diep water.
Buiten gaat zelfs de zonnegod, gekleed in dit leven
als een hagedis, abrupt
op stijve benen staan en daalt blasé af naar de schaduwen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Reginald Gibbons (Houston, 7 januari 1947)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e januari ook mijn blog van 7 januari 2022 en ook mijn blog van 7 januari 2019 en ook mijn blog van 7 januari 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Hester Knibbe, Carl Sandburg

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Hester Knibbe op dit blog.

 

la tricoteuse

het romig licht, de huizen kennen haar
ze is hier vaak, ze hoort volmaakt
bij deze straat en bij de steen waarop

ze in zichzelf besloten zit, alsof
er buiten haar niets is, hoogstens
een wereld in volkomen evenwicht

steek voor steek maakt ze haar leven
tot geheel: een omslagdoek, een kleurig
vest, iets dat nooit afkomt – en al bijeen

een hecht en onvervreemdbaar eigen
kleed – dat nog niet past – vaststaat
dat ze niet gaat voor het haar wit

en als gegoten zit

 

 

abdij, vermist

hier kwam je dus, ik weet niet goed waarom
om een devotie van heel lang geleden
misschien, maar ik kan me vergissen, de ansicht
die ik vond, laat zwart-wit uitgesneden

de scherpe lijnen van de bogen zien,
de stenen stilte in de verste nissen
en hoe het licht bijt in gewijde grond

maar nergens zie ik waar jij stond –
haast zonder je te missen, vraag ik me af
waar je het beeld uitliep

 

 

Van heel oude mensen

[4]

het raam schermt af van wat beweegt
in deze kamer vliegt geen vogel op –
hier wordt alleen geleefd alsof
van ’s morgens vroeg tot ’s morgens vroeg

– onoverkomelijk gescheiden door een voeg
en van eenzelfde stof, is het
alsof hij onder haar vernis
eendere breekbaarheid vermoedt

het lijkt begrijpelijk dat hij er nooit naar vroeg:
alleen wat buiten leeft beweegt
hier wordt allang niets aangeroerd,
staat alle tijd al tijden stil

zo blijft het voor zo’n vraag altijd te vroeg
en wat zij van hem denkt hoeft niet gezegd;
ze kent de kamer en het uitzicht,
de bonte vogels op de kast
onder de glazen stolp die roerloos past

 

 


Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

 

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook alle tags voor Carl Sandburg op dit blog.

 

Kind

Het jonge kind, Christus, is eerlijk en wijs
En stelt vragen aan de oude mannen, vragen,
Gevonden onder stromend water voor alle kinderen
En gevonden onder schaduwen geworpen op stilstaand water
Door hoge bomen die naar beneden kijken, oud en knoestig.
Gevonden door de ogen van kinderen alleen, onuitgesproken,
Een zacht lied zingend in de eenzaamheid.
En het jonge kind, Christus, blijft vragen
En de oude mannen antwoorden niets en kennen alleen liefde
Voor het jonge kind. Christus, eerlijk en wijs.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)
Standbeeld in Galesburg, Illinois, de geboorteplaats van Carl Sandburg

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e januari ook mijn blog van 6 januari 2021 en ook mijn blog van 6 januari 2019 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:49 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten