Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Summer Solstice (Rose Styron), Anne Carson

 

Bij de zomerzonnewende

 

 


Summer Solstice  door Johm Morrow, 2020

 

 

Summer Solstice

Suddenly,
there’s nothing to do
and too much—
the lawn, paths, woods
were never so green
white blossoms of every
size and shape—hydrangea,
Chinese dogwood, mock orange
spill their glistening—

Inside, your photographs
and books stand guard
in orderly array. Your
half of the bed is smooth,
the pillows plump, the phone
just out of reach beyond it.

No one calls early—they
remember your late hours.
The shades are down, so
sunlight’s held at bay
though not the fabulous winged
song of summer birds
waking me as ever, always in our
favorite room, our season.
Yesterday’s mail on the desk
newspaper, unread. Plans for the day
hover bright out all our doors—

Don’t think of evening.

 


Rose Styron (Baltimore, 4 april 1928)
De binnenhaven in Baltimore

 

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

Autobiografie van rood

9 Ruimte en tijd

Tegen de achtergrond van een ander krijgt wat we doen en laten scherpte.

Geryon stond versteld van zichzelf. Hij zag Herakles nu bljna iedere dag.
Het natuurlijke dat zich
tussen hen voordeed zoog elke druppel uit de muren van zijn bestaan zodat alleen de
geesten overbleven die ritselden
als een oude landkaart. Hij had niemand iets te zeggen. Voelde zich los en glanzend.
In aanwezigheid van zijn moeder brandde hij.
Ik ken je haast niet meer, zei ze tegen de deurpost van zijn kamer geleund. Het had
plotseltng onder het eten geregend, maar
nu schrokken de druppels op de ruit van de zonsondergang. Verschaalde vredigheid
van voorbije bedtijden vulde de kamer.
Ik word van liefde niet zacht of aardig, dacht Geryon terwijl ze elkaar vanaf de
tegenovergelegen oevers van het licht bekeken.
Hij vulde zijn zakken met geld, sleutels, film. Zij tikte met een sigaret
op de rug van haar hand.
Ik heb vanmiddag wat schone T-shirts in je bovenste la gelegd, zei ze.
Haar stem trok een kring
om de jaren dat dit al zijn kamer was. Geryons blik ging even omlaag.
Deze is schoon, zei hij,
zo hóórt hij. Het T-shirt was hier en daar gescheurd.
Rode letters GOD LOVES LOLA.
Blij toe dat ze mijn rug niet ziet bedacht hij, en hij schoot met een schouderbeweging
zijn jack aan en stopte de camera in zijn zak.
Hoe laat ben je thuis? vroeg ze hem. Niet zo laat. Hij was één bonk schaamteloos
onversneden verlangen om weg te zijn.
Wat vind je zo aardig aan die jongen die Herakles kun je dat zeggen?
Nou en of, dacht Geryon.
Honderden dingen die hij niet kon zeggen overstroomden zijn geest. Herakles weet
veel over kunst. We hebben fijne gesprekken.
Ze keek hem niet aan maar langs hem heen en stak de sigaret onaangestoken weg
in de borstzak van haar blouse.
‘Hoe ziet afstand eruit?’ is een eenvoudige rechtstreekse vraag. Afstand strekt zich uit
van een ruimteloos binnen
naar de rand van iets waarvan je kunt houden. De afstand ertussen ligt aan het licht.
Een vuurtje? vroeg hij en
hij viste een pakje lucifers uit zijn jeans en was al op weg naar haar toe.
Nee dank je lieverd.
Ze wendde zich af. Ik moet er echt eens mee stoppen.

 

Vertaald door Marijke Emeis

 

 


Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juni ook mijn blog van 21 juni 2020 en eveneens mijn blog van 21 juni 2019 en ook mijn blog van 21 juni 2014 deel 1, en deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:56 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Mohamed Mbougar Sarr, Anne Carson

De Franstalige Senegaleseschrijver Mohamed Mbougar Sarr werd geboren in Dakar op 20 juni 1990. Zie ook alle tags voor Mohamed Mbougar Sarr op dit blog.

Uit: De diepst verborgen herinnering van de mens (Vertaald door Jelle Noorman)

“De Afrikaanse auteurs van mijn generatie, die je binnenkort al niet meer de jonge garde kunt noemen, hebben dankzij T.C. Elimane de kans gekregen elkaar in vrome, bloederige literaire steekspelen aan hun spies te rijgen. Zijn boek hield het midden tussen een kathedraal en een strijdperk; we betraden het als de graftombe van een god en eindigden er geknield in het bloed dat we hadden geplengd ter ere van het meesterwerk. Eén enkele pagina volstond om ons ervan te overtuigen dat we een schrijver lazen, een hap., zo’n ster die slechts eenmaal aan het firmament van de literatuur verschijnt.
Ik herinner me een van de vele etentjes die we doorbrachten in het gezelschap van zijn boek. In het heetst van de discussie had Béatrice, de sensuele, energieke Béatrice Nanga die me naar ik hoopte ooit tussen haar borsten zou verstikken, met uitgeslagen klauwen verkondigd dat alleen de werken van ware schrijvers het waard waren om met getrokken messen te bediscussiëren, dat alleen die als een exquise drank het bloed verhitten en dat we de literatuur te schande zouden maken als we ons, omwille van een slappe, weekdierwaardige consensus, onttrokken aan de vurige confrontatie waartoe ze opriepen. Een ware schrijver, had ze eraan toegevoegd, zet aan tot dodelijke discussies onder ware lezers, die altijd met elkaar in oorlog zijn; als je het er niet voor overhebt om kapot te gaan in het strijdperk en als een buzkashi-ruiter zijn karkas in de wacht te slepen, dan kun je wat mij betreft oprotten en creperen in die lauwe pis die jullie voor speciaalbier aanzien: dan ben je allesbehalve een lezer, laat staan een schrijver.
Ik viel Beatrice Nanga bij in haar vlammende reprimande. T.C. Elimane was geen klassiek auteur maar een cultschrijver. De literaire mythe is een speeltafel. Elimane was aangeschoven en had de drie grootste troeven neergelegd die je maar in handen kon hebben: ten eerste had hij een naam met geheimzinnige initialen gekozen; ten tweede had hij slechts één boek geschreven; en ten slotte was hij spoorloos verdwenen. Ja, het was het waard om je vol overgave in het spel te storten en te proberen zijn karkas te bemachtigen.
Je kon betwijfelen of er ooit werkelijk een T.C. Elimane had bestaan en je kon je afvragen of dat niet een pseudoniem was geweest dat een auteur zich had aangemeten om het literaire wereldje een loer te draaien of de rug toe te keren, maar over de krachtige waarheid van zijn boek was geen twijfel mogelijk: zodra je het had dichtgeslagen, stroomde het leven, wam en puur, terug in je ziel.”

 


Mohamed Mbougar Sarr (Dakar, 20 juni 1990)

 

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

 

Autobiografie van rood

7 Wisselgeld

Geryon wist toch de puberteit te bereiken.

Toen kwam hij Herakles tegen en de koninkrijken van zijn leven schoven een stukje
omlaag. Ze waren twee verheven
palingen op de bodem van de bak en herkenden elkaar als lopend schrift.
Rond drie uur op een vrijdagnacht wilde Geryon
bellen naar huis en liep het busstation in om geld te wisselen. Herakles stapte uit
de bus uit New Mexico
en Geryon rende de hoek om van net perron en het was zo’n moment dat
net tegendeel van blindheid is.
De wereld stroomde een paar maal tussen hun ogen neen en weer. Andere mensen
die uit de bus wilden stappen
verdrongen zich achter Herakles die stilstond op de onderste tree en met één hand
zijn koffer vasthield en met de ander
probeerde zijn hemd in zijn broek te stoppen. Kun je een dollar wisselen?
hoorde Geryon Geryon vragen.
Nee. Herakles staarde Geryon aan. Maar ik wil je wel een kwartje geven.
Waarom zou je?
Ik geloof in hoffelijkheid. Een paar uur later stonden ze bij de spoorbaan
dicht bij elkaar
naast het wisselsignaal. De gigantische nacht trok boven hen over en sprenkelde
druppels uit van zichzelf.
Je hebt het koud, zei Herakles ineens, je hebt koude handen. Hier
Hij stopte Geryons handen onder zijn hemd.

 

 

Vertaald door Marijke Emeis

 


Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juni ook mijn blog van 20 juni 2020 en eveneens mijn blog van 20 juni 2019 en ook mijn blog van 20 juni 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 14:56 Reageer op dit bericht

Salman Rushdie, Anne Carson

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit: Mes. Gedachten na een poging tot moord (Vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer)

“Wat ik niet wist, was dat mijn would-be-moordenaar al aanwezig was op het terrein van het Chautauqua-instituut. Hij was binnengekomen met een valse ID, zijn nepnaam was samengesteld uit echte namen van bekende sjiitische moslimextremisten, en zelfs toen we naar het restaurant liepen en terug naar het hotel waar we verbleven, was hij daar ook ergens, hij was er al een paar dagen, zwierf rond, sliep buiten, verkende de plek van zijn voorgenomen aanslag, en maakte zijn plannen, zonder te worden opgemerkt door bewakingscamera’s of beveiligers. We hadden hem elk moment kunnen tegenkomen.
Ik wil zijn naam niet gebruiken in dit verslag. Mijn Aanvaller, mijn would-be-Assassino, de Achterlijke man die Aannames over mij maakte, die met mij een bijna dodelijke Afspraak had… Ik merkte dat ik hem in gedachten, het zij me misschien vergeven, Asshole noemde. Maar ten behoeve van deze tekst zal ik hem iets welvoeglijker ‘de A.’ noemen. Hoe ik hem in de privacy van mijn huis noem is mijn eigen zaak.
Deze ‘A.’ nam niet de moeite iets te weten te komen over de man die hij had besloten te vermoorden. Hij gaf zelf toe dat hij nauwelijks twee bladzijden van mij had gelezen en een paar YouTube-video’s van mij had bekeken, meer was niet nodig. Hieruit kunnen we opmaken dat de aanslag in elk geval niet over De duivelsverzen ging.
In dit boek zal ik proberen te begrijpen waarover dan wel. Op de ochtend van 12 augustus hadden we een vroeg ontbijt met de sponsors van het evenement op het zonnige terras van het deftige Athenaeum Hotel van het instituut. Ik houd niet van een groot ontbijt en hield het bij koffie en een croissant. Ik maakte kennis met de Haïtiaanse dichter Sony Ton-Aime, die de Michael I. Rudell-leerstoel letterkunde bekleedde, en ons zou introduceren. Er was wat boekengebabbel over de slechte en goede kanten van het bestellen of niet bestellen van boeken bij Amazon. (Ik bekende dat ik het soms deed.) Toen liepen we door de hotellobby en over een klein plein naar de ruimte achter de coulissen van het am$ theater waar Henry me voorstelde aan zijn negentigjarige moeder, wat leuk was.
Vlak voordat we het podium op gingen, kreeg ik een enveloppe met een cheque – mijn sprekershonorarium. Ik stopte hem in de binnenzak van mijn jasje en toen was het showtime. Sony, Henry en ik liepen het podium op.”

 


Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

 

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

TANGO XIX. EN IK ZAL GEKNIELD AAN DE WATERKANT VAN DE DOORZICHTIGE ZEE VAN MODDER EN ZOUT EEN NIEUW HART VOOR MIJZELF MODELLEREN

 

Een echtgenote wordt beheerst door het zijn.
Waarom geef je je niet gewonnen? is eenvoudig gezegd.
Maar stel dat uw man en een zekere donkere dame
er genoegen in scheppen vroeg op de middag elkaar in een bar te ontmoeten.
Liefde is niet op voorwaarde dat.
Leven is op vele voorwaarden dat.
De echtgenote stelt zich op aan de overkant van de straat op een omsloten veranda.
Kijkt hoe de donkere dame
haar hand uitsteekt om zijn slaap aan te raken alsof ze er iets op laat doorsijpelen.
Kijkt hoe hij
licht vooroverbuigt naar de vrouw dan terug. Ze zijn allebei ernstig.
Hun ernst maakt haar kapot.
Mensen die samen ernstig kunnen zijn, dat zit diep.
Er staat een fles mineraalwater tussen hen in op de tafel
met twee glazen.
Dronkenmakers niet nodig!
Wanneer heeft hij deze
nieuwe puriteinse smaak ontwikkeld?
Een koud schip

verlaat ergens diep in de echtgenote de haven en
glijdt er vandoor naar de vlakke grijze einder,

geen vogel geen zuchtje in zicht.

 

Vertaald door Marijke Emeis

 


Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 19e juni ook mijn blog van 19 juni 2022 en ook mijn blog van 19 juni 2020 en eveneens mijn blog van 19 juni 2019 en ook mijn blog van 19 juni 2018.

Geschreven door Romenu om 16:35 Reageer op dit bericht

What Is So Rare As A Day In June (James Russell Lowell), Marije Langelaar, Karin Fellner

 

Dolce far niente

 

 


Een dag in juni door Antonín Slavíček, 1898

 

 

What Is So Rare As A Day In June

And what is so rare as a day in June?
Then, if ever, come perfect days;
Then Heaven tries earth if it be in tune,
And over it softly her warm ear lays;
Whether we look, or whether we listen,
We hear life murmur, or see it glisten;
Every clod feels a stir of might,
An instinct within it that reaches and towers,
And, groping blindly above it for light,
Climbs to a soul in grass and flowers;
The flush of life may well be seen
Thrilling back over hills and valleys;
The cowslip startles in meadows green,
The buttercup catches the sun in its chalice,
And there’s never a leaf nor a blade too mean
To be some happy creature’s palace;
The little bird sits at his door in the sun,
Atilt like a blossom among the leaves,
And lets his illumined being o’errun
With the deluge of summer it receives;
His mate feels the eggs beneath her wings,
And the heart in her dumb breast flutters and sings;
He sings to the wide world, and she to her nest,
In the nice ear of Nature which song is the best?

Now is the high-tide of the year,
And whatever of life hath ebbed away
Comes flooding back with a ripply cheer,
Into every bare inlet and creek and bay;
Now the heart is so full that a drop overfills it,
We are happy now because God wills it;
No matter how barren the past may have been,
‘Tis enough for us now that the leaves are green;
We sit in the warm shade and feel right well
How the sap creeps up and the blossoms swell;
We may shut our eyes but we cannot help knowing
That skies are clear and grass is growing;
The breeze comes whispering in our ear,
That dandelions are blossoming near,
That maize has sprouted, that streams are flowing,
That the river is bluer than the sky,
That the robin is plastering his house hard by;
And if the breeze kept the good news back,
For our couriers we should not lack;
We could guess it all by yon heifer’s lowing,
And hark! How clear bold chanticleer,
Warmed with the new wine of the year,
Tells all in his lusty crowing!

Joy comes, grief goes, we know not how;
Everything is happy now,
Everything is upward striving;
‘Tis as easy now for the heart to be true
As for grass to be green or skies to be blue,
‘Tis for the natural way of living:
Who knows whither the clouds have fled?
In the unscarred heaven they leave not wake,
And the eyes forget the tears they have shed,
The heart forgets its sorrow and ache;
The soul partakes the season’s youth,
And the sulphurous rifts of passion and woe
Lie deep ‘neath a silence pure and smooth,
Like burnt-out craters healed with snow.

 


James Russell Lowell (22 februari 1819 – 12 augustus 1891)
Cambridge, Massachusetts. De geboorteplaats van James Russell Lowell

 

 

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Marije Langelaar werd geboren op 18 juni 1978 in Goes. Zie ook alle tags voor Marije Langelaar op dit blog.

 

Trommel

Dat jaar werden we geboren in
een lichaam.
Het viel ons op dat we sloegen.
We sloegen de trom.

Bij elke slag vlogen de vogels op.
Bij elke vierde noot ving een nieuw seizoen aan.
Bij elke 16e noot wierp ik een kind.

Zo leefden we ons leven.
We sloegen de jaren weg.
Paf paf paf!
We sloegen de trom.
We sloegen eenvoudig de trom.
Want dat hadden we geleerd.
We sloegen de trom.

Paf paf paf!
De vlogels vliegen op.
Paf Paf Paf!
Een nieuw seizoen,
Paf Paf Paf!
Weer een kind.
Paf Paf!

Tot onze lichamen begonnen te deformeren, we sloegen
nog harder, tegen de rimpels, het kreukelen
onze verminderde vruchtbaarheid, een stram in ons been.

Paf Paf Paf!
Maar het kind bleef uit.

We sloegen nog wat harder, onze slag kreeg
iets verbetens,
tot we op de 428e noot halt hielden.
We keken naar elkaar en alle kinderen die
ik had geworpen,
wilde goddeloze kinderen,
met wilde goddeloze haren.

En we keken naar de bomen die waren gaan groeien,
Kris kras door elkaar
Een grote teringbende.
De vogels die nerveus op een tak onze
volgende slag afwachtten.

Maar we sloegen niet
We sloegen niet meer

We keken elkaar aan en zaagden de bomen
bouwden een huis, begroeven de trommel diep in de nootzwarte aarde.

En begonnen te leven. We pelden en kookten de vruchten
en vertelden onze kinderen het verhaal van de trommel
en we sloegen niet, er brak geen nieuw seizoen aan,
De vogels rusten in een hoge wilg.
En het was goed.

En we vroegen ons af, wie had ons in de eerste plaats die trommel gegeven?
Wie had ons geboden te slaan? Had ons die vogels gebracht, de bomen?
Had ons het ritme opgelegd? En waar waren we eerder? Waarom?

 

 

Het brak

Wat was het precies dat er brak?
Brak het of sleet het?
Ging het geleidelijk aan?
Sloop op de tenen de kracht weg?
Trok kauwgom ongelijk het?

Verweerde het grondstoffelijke?

Gleed het ijlings uit handen? Verloor het?
Raakte het zoek het? Vervloog of doofde?
Of was het gewoon klaar? Fini. Uit. Op het.

Was het te maken? Weer aan te vullen?
Groeit het vanzelf vanuit de wortel weer aan?
Of met bepaalde methodes, procedures?

Hoe krijgen we het weer vol, levend,
warm en zacht zoals het was het?
Moeten we vruchteloos blijven proberen? Is dat het?

Is het te vervangen misschien?
Groeien veren weer aan?
Is er lijm? Gouddraad?
Veert het weer terug?
Wordt dat wat scheef weer recht echt?

 

 


Marije Langelaar (Goes, 18 juni 1978)

 

 

De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

 

Maar een rimpel in de tijd verder

Steppe, gekreukeld gras zover het oog reikt
Kaf, veen, knopen en pelsdieren in het polderland
Geur, een deining, het broze op- en neergaan
van kuddes, kafnaalden, bloed
en een schok mieren op
de stervende schouder
van een gnoe – dat ben jij.

Gnoe, dus jij – door gras, trilt met je neusgaten
voorwaarts en al je verwanten, zwaden –
zoemende zwaden rond jullie kromme bulten. Jij
laat een keelklank opstijgen, rauw, anderen volgen
langbenig, roodgekleurd op droge aarde het spoor
in het gesis van de halmen. Stil.
Nu til je een hoef op.
Nu druk je hem in deze oever.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn blog van 18 juni 2020 en eveneens mijn blog van 18 juni 2019 en ook mijn blog van 18 juni 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:58 Reageer op dit bericht

Peter Rosei, Ron Padgett

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Wer war Edgar Allan?

„Unter den Bekanntschaften, die ich im Lauf meines Lebens machte, ist es besonders eine, die mir immer wieder in den Sinn kommt und mich beschäftigt. Der Mann, um den es sich dabei handelt, war Amerikaner, hatte, so erzählte er zumindest, viele Jahre in der US-Handelsmarine Dienst getan, ehe er, durch die lange Abwesenheit ohnehin seinem Herkommen entfremdet, in Europa ansässig geworden war. Bevor ich mich des Weiteren über den Mann und seine Geschichte verbreite, möchte ich doch erwähnen, dass mir heute, wo das alles lange zurückliegt, jener vergangene Lebensabschnitt selbst als verworren und undurchsichtig erscheint. Gleich jetzt möchte ich mich zur Methode meiner Aufzeichnungen äußern: An Material lagen mir ein Packen von tagebuchartigen Notizen einerseits, sowie Bruchstücke meiner damaligen schriftstellerischen Versuche andererseits vor; dazu verschiedene Papiere, wie Briefe, Bankquittungen etc. Soweit es mir möglich war, habe ich diese Materialien bloß als Grundlage für eine durchgängige Schilderung der Ereignisse benutzt. Dazu sah ich mich allein schon deshalb gezwungen, weil die genannten Zeugnisse lückenhaft sind und eine einfache chronologische Anordnung ein höchst unvollständiges Bild ergeben hätte. Primär mag es also die Forderung nach Übersichtlichkeit gewesen sein, die mich zu meinem Vorgehen bewog; dass nebenher eine Art von künstlerischem Ehrgeiz wirkte, will ich nicht ausschließen. An manchen Stellen fügte ich das authentische Material ohne jede Abänderung in meine Erzählung ein. Das geschah dort, wo seine Aussagekraft durch eine Nachkonstruktion schwerlich zu erreichen gewesen wäre. Ideal ist diese Lösung gewiss nicht; aber es ist müßig, jetzt über ihren Wert oder Unwert zu räsonieren.
Zu der Zeit, in die die in Rede stehenden Ereignisse fallen, war ich etwa fünfundzwanzig Jahre alt und genau das, was man damals einen verbummelten Studenten nannte. Das Medizinstudium, das ich an verschiedenen deutschen Universitäten betrieben hatte und in dem ich schon weit fortgeschritten war, hatte ich mehr oder weniger aufgegeben und mich, bloßer Vorwand für ein Verhalten, das im Grunde nichts anderes als Flucht war, der Kunstgeschichte zugewendet Es gelang mir nicht nur, meinen Vater, der an mir bereits zu verzweifeln begonnen hatte, von der Nützlichkeit dieses Ausbildungsganges zu überzeugen, sondern ihn darüber hinaus dazu zu überreden, mich nach Venedig gehen zu lassen, wo ich mich neben meinen Studien auch im Italienischen perfektionieren könnte.“

 

 


Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.

 

 

Prozagedicht (“De ochtendkoffie”)

De ochtendkoffie. Ik weet niet zeker waarom ik hem drink. Misschien is het het ritueel van het kopje, de lepel, het hete water, de melk en het hoopje bruine poeder, de manier waarop ze samenkomen en een spijker vormen waaraan ik de dag kan hangen. Het is iets om te doen tussen slapen en waken. Maar er is vast wel iets beters te doen dan een kopje oploskoffie drinken. Zoals mediteren? Waarover? Over het drinken van een kopje koffie. Een kopje koffie waarvan de eerste slok te heet is en de laatste te koud, maar waarvan de vele slokjes ertussen, net als de pap van Baby Beer, precies goed zijn. Papa Beer kijkt ontevreden. Hij zet zijn bril af en richt zijn blik op het kopje dat voor Baby Beer staat, en dan, na een subtiel kuchje, reikt hij ernaar en pakt het op. Baby Beer begrijpt deze verstoring van de ochtendroutine niet. Papa Beer brengt de beker dicht bij zijn gezicht en tuurt er aandachtig naar. De beker verbrijzelt in zijn poot, explodeert zelfs, en verspreidt scherven en bruine vloeistof door de hele kamer. In zekere zin is het goed dat Mama Beer er niet is. Beter dat ze rust in haar graf aan de andere kant van de tuin, zich niet bewust van wat er met de wereld is gebeurd.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)
 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juni ook mijn blog van 17 juni 2020 en eveneens mijn blog van 17 juni 2019 en ook mijn blog van 17 juni 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:24 Reageer op dit bericht

Joël Dicker, Maylis de Kerangal, Ronelda Kamfer, Frans Roumen

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: Het mysterie van kamer 622 (Vertaald door Manik Sarkar)

“Iedere dag dwong ik mezelf tot de monnikenroutine die ik in acht neem tijdens de eerste fase van het schrijven en die uiteenvalt in drie essentiële stappen: met de dageraad opstaan, hardlopen, en doorschrijven tot de avond valt. Indirect komt het dus door dit boek dat ik Sloane ontmoette. Sloane was de nieuwe bewoonster op mijn verdieping. Sinds ze kortgeleden in het gebouw was komen wonen, hadden alle bewonen het over haar. Zelf had ik haar nog nooit ontmoet. Tot die ochtend dat ik terugkwam van mijn dagelijkse hardloopsessie en haar voor het eerst zag. Zij kwam ook net terug van het hardlopen, en we gingen samen naar binnen. Ik begreep direct waarom alle bewoners het over Sloane eens waren: ze was een jonge vrouw van een ontwapenende charme. We beperkten ons tot een beleefde groet, waarna we allebei in ons appartement verdwenen. Achter de deur bleef ik gelukzalig staan. Aan die korte ontmoeting had ik genoeg om een klein beetje verliefd op haar te worden. Algauw dacht ik aan niets anders meer dan hoe ik met Sloane kon kennismaken. Ik deed een eerste toenaderingspoging met hardlopen. Sloane ging bijna elke dag, maar niet op een vast tijdstip. Ik zwierf urenlang door het Bertrandpark, wanhopig wachtend of ik haar zou tegenkomen. Totdat ik haar plotseling over de paden zag vliegen. Gewoonlijk was ik niet in staat om haar in te halen en dan wachtte ik haar op bij de ingang van ons gebouw. Ik stond te trappelen bij de brievenbussen, deed alsof ik de post pakte wanneer er buren binnenkwamen of weggingen, totdat ze eindelijk arriveerde. Ze liep langs en glimlachte, zodat ik smolt en van mijn stuk raakte: en tegen de tijd dat ik iets samenhangends had bedacht om tegen haar te zeggen, was ze allang naar binnen.
Van mevrouw Armanda, de conciërge van het gebouw, hoorde ik meer over Sloane: ze was kinderarts, haar moeder was Engels, haar vader advocaat, ze was twee jaar getrouwd geweest maar het huwelijk was stukgelopen. Ze werkte in het academisch ziekenhuis van Genève, afwisselend overdag en ’s nachts; dat verklaarde waarom ik haar routine zo moeilijk kon doorgronden. Na de mislukking van het hardlopen probeerde ik een andere methode: ik droeg Denise op om door het kijkgaatje de overloop in de gaten te houden en me te roepen als ze haar zag.”

 

 


Joël Dicker (Genève, 16 juni 1985)

 

 

De Franse schrijfster Maylis de Kerangal werd geboren op geboren 16 juni 1967 in Toulon. Zie ook alle tags voor Maylis de Kerangal op dit blog.

Uit: Een wereld binnen handbereik (Vertaald door Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos)

“Drie van de pakweg twintig studenten die tussen oktober 2007 en maart zoo8 een opleiding volgden aan het Instituut voor Decoratieve Schilderkunst, Metaalstraat 3obis in Brussel, zijn nauw bevriend gebleven, hebben elkaar contacten en klussen in de maag gesplitst, elkaar gewaarschuwd voor dubieuze projecten, elkaar een handje geholpen om een karwei binnen de vastgestelde termijn af te krijgen, en die drie, onder wie Paula — lange zwarte jas en smokey eyes —, hebben vanavond een afspraak in Parijs. Het was een niet te missen gelegenheid, een wonderschone conjunctie van planeten, even zeldzaam als het langskomen van de komeet van Halley! — op internet spuiden ze dolenthousiaste taal, grote woorden, en illustreerden hun berichten met afbeeldingen die vergaard waren op sites over hemellichamen.Toch zetten ze alle drie aan het eind van de middag vraagtekens bij dat weerzien: Kate had de hele dag op een knikje in een vestibule aan de Avenue Foch gezeten en zou graag op haar kamer zijn blijven liggen om kijkend naar Game corThrones met haar vingers taramasalade te eten, Jonas zou liever nog hebben doorgewerkt, een stuk zijn opgeschoten met dat fresco van een tropische jungle dat over drie dagen moest worden afgeleverd, en Paula, diezelfde ochtend geland vanuit Moskou en nog amper bij de werkelijkheid, wist niet meer heel zeker of die afspraak wel een goed idee was. Maar toen het eenmaal donker werd was er iets sterken dat hen naar buiten joeg, iets dieps, een fysiek verlangen om elkaar, elkaars smoelwerk en tics te herkennen, ieders eigen stemgeluid, de manieren waarop ze bewogen, dronken, rookten, alles wat hen onmiddellijk weer kon terugvoeren naar de Metaalstraat.
Barstensvol café. Kermislawaai en kerkachtig schemerdonker. Ze zijn alle drie op tijd gearriveerd, perfecte overeenstemming. Het eerste wat ze doen is op elkaar knallen, omhelzen en alles de vrije loop laten, waarna ze zich in ganzenpas, onscheidbaar, een weg banen: Kate, platinablond haar met zwarte wortels, één meter zevenentachtig, tonronde dijen in een slalomskibroek, motorhelm in haar armplooi en die grote tanden, te groot voor haar bovenlip; Jonas, uilenogen en grauwe huid, armen als lasso’s, Yankee-pet; en Paula, die al opgeknai lijkt. Ze vinden een tafeltje in de hoek van het zaaltje, bestellen twee bier en een spritz — Kate: Ik vind die kleur zo mooi — en zetten meteen die continue slingerbeweging in gang tussen het zaaltje en c straat waardoor avonden van rokers in een café een ritme krijgen, en ze lopen naar buiten met een sigaret in hun waffel, of met het vuur i, de vuistholte. De vermoeienissen van de dag verdwijnen in een vingerknip, de opwinding is terug, de nacht gaat open, dat wordt praten.”

 


Maylis de Kerangal (Toulon, 16 juni 1967)

 

 

De Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda Kamfer werd op 16 juni 1981 in Blackheath, een voorstad van Kaapstad, geboren. Zie ook alle tags voor Ronelda Kamfer op dit blog.

 

erger maken

ik zeg tegen mijn beste vriendin
mijn vader misbruikt me
ze kijkt me peinzend aan
alsof ze probeert de definitie
van misbruik met mijn vierpersoonsgezin
met twee werkende ouders te rijmen

ik zeg tegen de juf mijn vader
misbruikt me
ze schudt haar hoofd
en slaat haar armen over elkaar
alsof ze voor vandaag genoeg
verhalen over misbruik heeft gehoord

ik loop naar het politiebureau
van Melton Mose
de agent vraagt
hoe heet je vader
heeft-ie je verkracht
ik laat mijn hoofd hangen
omdat de vrouw naast me
zo te zien kwaad op me is
want de agent is
bezig haar documenten
te certificeren

een of andere dronken
vrouw in de hoek
springt overeind en zegt
ho effe
meneer agent moet
niet zo beledigend tegen haar doen
een andere politieman komt binnengelopen
hou je mond jij
kom de boel hier niet erger maken
jij komt zelf om de andere
dag met een verkrachtingszaak aanzetten

 

 

Vertaald door Alfred Schaffer

 

 


Ronelda Kamfer (Blackheath, 16 juni 1981)

 

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

 

Bart, café de Plak II

Hij was zo jong en mooi, ik de verlegen
verkenner van een wereld buiten mij.
Er gingen jaren onverhoeds voorbij,
die toch verleden bergen en bewegen.

Ik heb hem zwijgende meer lief gekregen.
Geen ander was daar beter voor dan hij.
Hij danste, schonk de glazen vol en wij
begrepen zonder woorden en wij zwegen.

Zo raakte ik te midden van muziek,
gepraat en rinkelen van glas stilaan
met zijn bestaan vertrouwd en zijn ritmiek.

Als later elk geluid zal zijn verflauwd,
zal er dit beeld nog zijn: een bar, een kraan
en Bart, die onvermoeid zijn kauwgom kauwt.   

 


Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957)
“Surreal spirits” door Patti Mollica, 2016

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn blog van 16 juni 2019 en ook mijn blog van 16 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 09:11 Reageer op dit bericht

Een vader (Hester Knibbe), Silke Scheuermann, Olivier Guez

 

Bij Vaderdag

 


Vader en zoon door Amalya Nane Tumanian, 2024

 

 

Een vader

Beland op zoiets als een eiland alleen
zoekt ze zich iemand. Neemt dan

bijvoorbeeld de man die van zee komt,
ontvangt en bedient hem en als hij dan

gaat, richt ze een hier voor hem in voor
als hij terugkeert, als ze weer wil. Wachten

maakt deel van haar lijf uit voortaan en
denken hoe was hij, wier aan zijn voeten
in zijn handen een net – Hij is het! Zo

worden goden gevonden door vrouwen, zij
bouwen een altaar, brengen hun zonen,
dochters erheen en zeggen: je vader.

 


Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)
Vischmarkt en Vischpoort, Harderwijk

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Die Namen der Sünde

Ob Eva, als sie ihren Körper streckte,
um nach der verbotenen Frucht
zu langen, sie ergriff, ansah,
ob sie da wohl schon zu eingenommen war
von der Süße, zu beschäftigt,
alle Früchte zu benennen —
Cox Orange, Alkmene,
Summerred, Discovery —,
um ein schlechtes Gewissen zu haben?
Als ob sie die Früchte ernten könnte
und den Garten vergessen?

 

 

Buchstabieren wir
Unschuld noch einmal neu

Manchmal frage ich mich, ob Eva 
gerne gewusst hätte, was wir
aus ihren Äpfeln alles machen,
nachdem wir uns das Pflücken trauen,
weil der Schaden ja ohnedies schon
angerichtet ist: Wir schälen
sie und kochen sie ein.
Wir machen Mus und Kuchen.
Wir verarbeiten sie zu Kompott.
Wir wachsen, polieren sie und lassen sie
glänzen wie einen Planeten. Jeder
unversehrte Apfel ein
Traum von der Unschuld,
den wir mit der Realität wecken.

 

 

Apfelmadonna

Leichte Mädchen
mit Glitzer im Haar an
der Hauptausfallstraße,

eine isst einen Apfel, gierig,
nicht lasziv, als könne sie sich
bei Weltlichem gar nicht stoppen.

Ich nenne sie in
Gedanken Maria, esse
beim Fahren auch einen Apfel

und wünsche uns beiden,
wir könnten in einem
mittelalterlichen

Tableau zu Hause sein.
Man würde uns dort
als Apfelmadonnen verehren,

Schutzmadonnen, in deren Händen
die Frucht des Bösen zum Sinnbild des Guten
wird — dass Christus die Sünden

der Menschen auf sich nimmt,
versprechen die Apfelmadonnen.
Sie versprechen Erlösung.

 

 

HET WAS WELLICHT OPHELIA’S LIEVELINGSKWAL

Hij kwam door de oostenwind aangespoeld
Vormeloos Niet veel meer dan de vraag
naar wat er was voordat de zee naar hem trapte
en wij haar bondgenoten
hem met onze tenen kietelden

Ophelia’s liefde bijvoorbeeld Al die wilde
spelletjes met de zee Het gewaagde
heen en weer geduw van zwemmers
als straf omdat ze
zo slecht waren in het zich voorstellen
wie er verder nog leefde en spartelde
Niet zo gekunsteld als de watervrouw
in de vitrines zat

En wij: geen zeegezicht waaraan wij ons herinnerden
geen rokrand bezet met blauwe schelpenkettingen en toch –
zijn wij hier Nu Zo zeker als op papier
en niet op een of ander eiland ergens waar
niemand ons kent of verwacht en serieus wil nemen
de beide vreemdelingen die naar de grond staren
de kwal bekijken en denken De wereld

 

 

Vertaald door Monique de Waal

 


Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

 

De Franse schrijver,  essayist en journalist Olivier Guez werd geboren op 15 juni 1974 in Straatsburg. Zie ook alle tags voor Olivier Guez op dit blog.

Uit: Grand Tour Europa (Vertaald door Katelijne de Vuyst)

“Hij zou het hebben over de renaissance en het humanisme, over de reformatie, de barok, de verlichting, over de strijd tussen de geestelijke en de wereldlijke macht, over de romantiek en het liberalisme, over het langzame gevecht voor vrouwenemancipatie, over de moderniteit en over de donkere perioden in onze lange geschiedenis, de broederoorlogen, de massamoorden. Europa, kasteel van Blauwbaard, achtervolgd door zijn fascistische, communistische en imperialistische misdaden.
Over al die zaken wordt niet gerept in de aanhef van het grondwettelijk verdrag dat sinds zowat vijftien jaar ons leven bepaalt. De staatshoofden hebben maandenlang gekibbeld om tot een laf compromis te komen: geen enkel erfgoed wordt vermeld, alsof wij Europeanen afkomstig zijn van een buitenaardse planeet. Alsof we mensen zijn zonder verleden, alsof het een belediging zou zijn voor de recent geïmmigreerde bevolkingsgroepen, voor de andere beschavingen en werelddelen als we de fragmenten zouden opsommen waaruit onze bonte identiteit is samengesteld. Dat is gevaarlijk. Zo bieden we uiterst rechts al decennialang de kans om onze identiteit in hokjes op te sluiten. Het is een vreselijke puinhoop. Het Europese avontuur kan niet beperkt blijven tot een algoritmisch, door bureaucratische technocraten aangestuurd verspreidingsproject, dat onder supervisie staat van een intergouvernementele, parlementaire superstructuur. Attractiviteit, rigueur, competitiviteit, oké, we leven nu eenmaal niet van de hemelse dauw. Maar we zijn geen werelddeel van robots en kruideniers. We willen geestdrift. Het Europese project heeft bezieling nodig, kleur en vlees: oneffenheden. Al in de jaren 1930 sprak Stefan Zweig de wens uit dat er een culturele pijler zou worden toegevoegd aan Europa’s economische en politieke grondvesten, opdat er een samenleving van burgers zou ontstaan die de nationale compartimenteringen overstijgt en zo aan de basis ligt van een collectieve identiteit, een Europa van kunsten en wetenschappen.”

 

 


Olivier Guez (Straatsburg, 15 juni  1974)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juni ook mijn blog van 15 juni 2021 en eveneens mijn blog van 15 juni 2019 en ook mijn blog van 15 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

A June Day (John Todhunter), Alex Boogers, Silke Scheuermann

 

Dolce far niente

 

 


Hete junidag stilleven door Kiselyova Yuliya, 2012

 

 

A June Day

The very spirit of summer breathes to-day,
Here where I sun me in a dreamy mood,
And laps the sultry leas, and seems to brood
Tenderly o’er those hazed hills far away.
The air is fragrant with the new-mown hay,
And drowsed with hum of myriad flies pursued
By twittering martins. All yon hillside wood
Is drowned in sunshine till its green looks grey.
No scrap of cloud is in the still blue sky,
Vaporous with heat, from which the foreground trees
Stand out—each leaf cut sharp. The whetted scythe
Makes rustic music for me as I lie,
Watching the gambols of the children blythe,
Drinking the season’s sweetness to the lees.

 


John Todhunter (30 december 1839 – 25 oktober 1916)
Dublin, de geboorteplaats van John Todhunter, in de zomer

 

 

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit: Over Otis

“Jack leefde met zijn mensen in Rotterdam-Zuid, in de wijk Charlois. Toen hij nog jong was nam Herman hem weleens mee in de Range Rover naar een naamloze stad, tegen de rand van een recreatiegebied, waar hij achter eenden aan kon jagen, en achter allerlei andere watervogels, die er voor hem allemaal even curieus uitzagen met hun lange snavels, dunne, stokachtige poten, die hij maar wat graag zou willen grijpen. Herman en Natalie woonden boven een vrouw die al verschillende keren in een inrichting was opgenomen, maar telkens weer thuiskwam. Ze noemde Jack steeds ‘het monster’. ‘Daar loopt-ie weer met dat monster!’ brulde ze als hij voorbijkwam. De eerste zes maanden droeg Herman Jack steeds naar boven, maar daarna werd hij te zwaar en moest hij de trappen zelf beklimmen. Dat vereiste wat behendigheid, want de treden dwongen zijn voor- en achterpoten om zowel voorwaartse als draaiende bewegingen te maken. Voorwaartse stappen met zijn voorpoten en draaiende bewegingen met zijn achterpoten, waardoor hij op weg naar beneden steeds wiebelde met zijn kont. Het eerste halfjaar leek hij toch al niets goed te kunnen doen. De flatwoning was te groot voor hem, want hij was nog maar een pup, dus het leek hem beter om zijn grenzen in huis te markeren, zodat hij wist waar hij leefde, en zodat hij zijn mensen binnen die grenzen in de gaten kon houden. Vooral Herman dacht daar anders over, want Natalie greep alleen maar haar buik vast en riep hysterisch uit: ‘Hij plast weer, Herman! Herman!’ Steeds kreeg hij een wijsvinger tegen zijn neus gedrukt en riep Herman heel hard ‘Nee, Jack!’ Nee? Maar hoe moest hij zich anders veilig voelen? Die afgebakende grenzen gaven hem een beschermd gevoel. Herman droeg hem elke keer naar beneden om hem in een nabijgelegen veld, tussen de bierblikjes, gebruikte naalden en plastic, te laten plassen. ‘Hier moet je pissen, Jack,’ zei hij. ‘Op het gras.’ Herman zag er vooral ’s avonds eigenaardig uit, in zijn korte broek, op zijn slippers, met een regenjas aan, buiten in de kou. Nu had Jack het ondanks zijn kortharige grijze vacht niet snel koud, maar zo warmbloedig als Herman leek te zijn was hij nog niet. Hij hield van Herman, want hij moedigde hem aan om  stappen te maken in het hoge, natte gras. De sprieten kietelden zijn kale buik en prikkelden zijn blaas om steeds korte plasjes te doen, zodat Herman in elk geval wist waar hij was. Na een paar weken begreep Jack dat Herman zijn woning zag als het hol waarin iedereen sliep, en daar hoefde Jack zijn geurvlag niet te plaatsen. Herman liet zien dat de wereld veel groter was dan het huis waarin Jack leefde. De gouden stralen waarmee Jack zijn omgeving kon afbakenen hoorden in die buitenwereld.”

 


Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

DE TATOEËERDER

Alles in huid gekerfd
Donker omlijnd
Zelfs de plotseling in het schouderblad
staande zon beweegt
met zwarte rand

Geen van zijn klanten
weet hoelang hij
naar de beste maker van
vloeibaar zwart moest zoeken
Soms stond hij er heel alleen voor
met zijn waanzin en lievelingsgedierte

De zaak bleef open
maar er kwam niemand
Ze misten
de zeeslang met reuzenogen die
zich boven de pees aftekent

de trol die met
het scheenbeen aanpapt
de kleine christus aan het kruis
Al die adelaars zwaluwen initialen
tatoeëerders woorden terwijl

hij de schetsen toont
Kijk zegt hij Zie die pracht
Ben een zwak man
eentje die zielen
stempelt op lui zoals jij

Maar wat is leven anders
dan omgevormde verwonding
jarenlang bladeren in ontwerpen
en dan tipt een andere vinger
op het beste Het doodsmotief

 

 

Vertaald door Monique de Waal

 


Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2021 en ook mijn blog van 13 juni 2020 en eveneens mijn blog van 13 juni 2019 en ook mijn blog van 13 juni 2017 en mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 15:57 Reageer op dit bericht

June Twilight (John Masefield), Thomas Heerma van Voss, Silke Scheuermann

Dolce far niente

 


Twilight in June door Edwin Headley Holgate,1950

 

 

June Twilight

The twilight comes;
the sun dips down and sets,
The boys have done
play at the nets.

In a warm golden glow
The woods are steeped.
The shadows grow;
The bat has cheeped.

Sweet smells the new-mown hay;
The mowers pass
Home, each his way,
through the grass.

The night-wind stirs the fern,
A night-jar spins;
The windows burn
In the inns.

Dusky it grows. The moon! The dews descend.
Love, can this beauty in our hearts end?

 

 


John Masefield (1 juni 1878 – 12 mei 1967)
Ledbury, Herefordshire, de geboorteplaats van John Masefield

 

 

De Nederlandse schrijver Thomas Heerma van Voss werd geboren in Amsterdam op 13 juni 1990. Zie ook alle tags voor Thomas Heerma van Voss op dit blog.

Uit: Het archief

“Mijn vader vertrouwde spullen meer dan mensen. De torens van papier rondom zijn bureau, de tijdschriften en notulen, de poppenhuizen, tasjes, pennen en paperclips, dvd’s, videobanden: mijn moeder beschouwde het vooral als rommel, hij zag voorwerpen die hij door en door kende en die altijd nog eens van pas konden komen. ‘Je moet voorbereid zijn,’ zei hij op mijn zesde of zevende, de ruit van zijn Opel Vectra was ingetikt en het bleek dat hij mijn cassettebandjes preventief thuis had verstopt. Bedrog kon overal opduiken. Wisselgeld in de supermarkt diende nageteld te worden. Achter iedere goedlachse collectant kon een oplichter schuilgaan.
Vanaf zijn twaalfde had hij al zijn agenda’s bewaard. Daarin legde hij zijn dagen zorgvuldig vast, onvoorziene ontmoetingen en voetbaluitslagen noteerde hij ook. Op de laatste pagina’s stonden, steevast gecodeerd, de gegevens die nooit mochten kwijtraken. Het wachtwoord van zijn mailaccount duidde hij aan met ‘kluisbeveiliging bv Gerard Oegel’. Toen ik mijn eerste bankrekening opende, schreef hij in zijn agenda iets over het Italiaanse restaurant Pierre Rabopinni, gelegen aan de Via nog wat op nummer 1098.
Na een van mijn eerste biologielessen vroeg ik tijdens het avondeten wanneer ik verwekt was.
‘Gadverdamme,’ zei mijn broer.
Mijn moeder begon opgetogen over een broeierige avond in een hotelletje in Saint-Valery-sur-Somme, een badplaatsje met meer bootjes dan inwoners, later een vaste uitvalbasis halverwege onze zomerse autorit naar Bretagne.
‘Onmogelijk,’ zei mijn vader meteen. ‘Dan zou Pierre na dertien maanden geboren moeten zijn.’
Hij schudde zijn hoofd, verliet met vlugge passen de tafel, opende de glas-in-loodschuifdeuren die toegang gaven tot zijn werkkamer – ik zie hem nog lopen. Moeiteloos trok hij tussen het mikado van boeken en papieren het geschrift tevoorschijn dat hij zocht: zijn beduimelde Parker-agenda uit 1990. Hij bladerde, wees tevreden naar een decemberdag die in zijn keurige handschrift was volgeschreven. Afspraken met mensen die ik niet kende, een rits tijdstippen en cafés. Onderaan stond iets over een verjaardagsetentje bij Centra. ‘Daarna is het gebeurd,’ zei hij met gespeelde nadruk tegen mijn moeder, als een advocaat die een verdachte heeft klemgezet. ‘Zo jammer trouwens dat dat restaurant weg is.’

 


Thomas Heerma van Voss (Amsterdam, 13 juni 1990)

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

DISTANTIE EN EEN ZEKER LICHT

We stonden tussen de kaars en de sterren
hadden tot overmaat van liefde besloten dat de
nacht niet alles zou krijgen Niet vandaag
Slaap zou ons in zijn handen draaien
alleen En daarvoor hoorden we hetzelfde concert
Maar dan rechts en links van de recorder
staarden versteld een donkerte in zo volmaakt
dat onze polsslag elk moment zou kunnen stijgen
en wij zouden vliegen
Werkelijk en waarachtig
een spiegel binnen vliegen
die niet splinterde

 

 

Vertaald door Monique de Waal

 

 


Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2021 en ook mijn blog van 13 juni 2020 en eveneens mijn blog van 13 juni 2019 en ook mijn blog van 13 juni 2017 en mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:42 Reageer op dit bericht

Christoph Meckel

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

Uit: Russische Zone

„Im amerikanischen Juni nach dem Ende des Weltkriegs wurde ich sanglos-klanglos zehn Jahre alt. Wir überlebten und lebten weiter, aus dem Haus der Großeltern wegquartiert – die Militärbehörde war gnadenlos, das gebrochene Bein der Großmutter war ihr egal –, im vierten Stock eines bombenbeschädigten Wohnblocks am Westrand Erfurts. Unterm Fenster verlief eine Katzenkopf-Straße, von verirrten Granaten der Deutschen zu Steinschutt verhackstückt – Erfurt wurde zuletzt aus dem Zentrum mit fünf oder sechs Geschützen verteidigt. Gegend der Bombentrichter, verwüstete Gärten, öde Feldflächen bis an den Steigerwald. Das waren Kohlfelder – sie erschienen mir endlos –, vor der Ernte von allen Seiten gerecht beklaut, danach von Hungernden in Besitz genommen; Kinderhände, Altweiberfinger rupften wie Viehmäuler schnell und geübt die zurückgelassenen Reste Kohl; noch einmal fand der vorletzte Hunger bescheidene Reste in Staub und Schlamm; packte der letzte Hunger zum letzten Mal, was von Blatt und Strunk kaum noch sichtbar herumlag.
Nach wenigen Wochen waren die Amerikaner zum neuen Weltbild der Deutschen geworden. Die Gewißheit, im Westen am Leben zu sein, beruhigte den Menschen, der übrig war, und belebte seinen Wunsch nach menschenmöglicher Zukunft. An der nahen Kreuzung, von der Veranda aus sichtbar, war ein Checkpoint improvisiert für jeden, der im Untergrund den Krieg überlebte, Verfolgung und Urteil entkommen war. Plakate und Lautsprecher machten die Stelle bekannt. Es kamen irre Gestalten zum Vorschein, die hier niemand gesehn noch vermutet hatte, Knochengeschöpfe in Lumpen, unschlüssig, verhuscht, von entschlossenen Gesichtern hingeführt, Männer und Frauen, allein, ohne Kinder. Ich hatte kein einziges Kind bemerkt und konnte mir denken, daß es Leute gab, die keinen Grund hatten, an den Checkpoint zu gehen. Wäre ich hingegangen? Ich wußte es nicht. Ich hätte mich ohne den Checkpoint befreiter gefühlt.
Es erschien auch ein alter Offizier – aus dem ersten in den zweiten Weltkrieg verschlagen – in zerknitterter Uniform, behängt mit Orden, nachdrücklich hinkend in ausgetretenen Stiefeln. Er salutierte vor den verblüfften GIs, über-gab eine Waffe, wurde abgeführt, in der nächsten Querstraße stand ein geschlossener Jeep. Das geflüsterte Wort der Nachbarn hieß Deserteur, mir wurde versichert, daß ihm nichts passierte. Dem zieht man die Uniform ab und läßt ihn laufen. Woher der Mensch kam, wurde nicht bekannt.”

 

 

Het was de adem in de sneeuw

Het was de adem in de sneeuw en de wijn in de ochtend
de autopech in de rivierbedding, de vos in de bergen
het was de muis die een scheiding door het gras trok
en het was het van regenbuien druipende haar.
Nu is het dat gepraat over de sneeuw en de adem
de rivier, de wijn, het haar. De rest is gewoon gepraat.
En de muis, het gras, de muis – hoe zat dat met de muis.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e juni ook mijn blog van 12 juni 2020 en eveneens mijn blog van 12 juni 2019 en ook mijn blog van 12 juni 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:30 Reageer op dit bericht

Sophie van der Stap, Christoph Meckel

De Nederlandse schrijfster Sophie van der Stap werd geboren in Amsterdam op 11 juni 1983. Zie ook alle tags voor Sophie van der Stap op dit blog.

Uit: Een blauwe vlinder zegt gedag

“Je bent ziek en gaat misschien hetzelfde jaar nog dood. De werkzaamheden langs de weg liggen plotseling stil. Tot deze tijdelijke adempauze had ik nooit kunnen bedenken dat ik ooit nog het leven zou leiden dat ik vandaag de dag leef, door op een middag niet alleen mezelf in de spiegel terug te zien, maar ook mijn eigen sterfelijkheid. Ik wist toen nog niet dat die ongewenste gast naast mij in de spiegel mijn spiegelbeeld beter vormgaf dan iedere andere spiegel ooit had gedaan. Ik wist ook nog niet dat in dat spiegelbeeld een schrijver verborgen lag of een vrouw die tot leven komt in de armen van een tangodanser. Als je maar lang genoeg kijkt, breekt er altijd wel iets. Een stukje onbevangenheid, of misschien een ander stukje romantiek. Sinds die ene dag in januari, toen ik de dood de hand schudde, is mijn leven een aaneenschakeling van momenten geworden. Ik reis van moment naar moment, zonder me ergens te vestigen. Het fenomeen tijd ziet er heel anders uit als voorheen, toen ik nog langetermijnplannen had. Tijd is geen bron meer, zo diep dat de bodem verder weg is dan je zicht reikt. Een bodem zo peilloos dat zelfs de zon zijn laagste punt niet bereiken kan. Het is slechts nog een plasje, dat met iedere zonnestraal kleiner wordt. Ik moest me niet alleen zien los te maken van de toekomst, maar ook van het verleden, waar mijn dromen zo opgevoerd waren. Pas toen ik alles losliet, lukte het me me vast te grijpen aan hetgeen wat me te doen stond: overleven. Ik putte geluk uit wat ik had en berusting uit wat ik niet had. En berusting leidt tot nieuwe dromen en deuren. Die spiegel voelde leeg aan, zo zonder de jongemeisjesdromen van gisteren en de weloverwogen plannen van morgen die in alles wat ik deed als hete wax aan me kleefden, maar gek genoeg ook heel bevrijdend. Zonder verwachtingen is alles makkelijker, en zelfs leuker. Mijn dromen bleken veel dichter bij huis te liggen dan ik ooit had gedacht. De paradox in dezen is dat het niets van de dood me heel dicht bij de bron van het leven heeft gebracht. Van geboren worden in een maas van etiketten en stickers, tot mens worden zoals ik denk dat de mens bedoeld is te zijn, universeel en ongebonden. Die dag in maart, de 27ste, toen de aprilwind al in mijn rug duwde om mij vooruit te waaien, bevond ik mezelf op een splitsing tussen twee werelden.”

 

 


Sophie van der Stap (Amsterdam, 11 juni 1983)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Stemmen in de make-up kamer

Hij was geen koning,
geen acteur in de rol van koning.
Was geen rechter,
geen acteur in de rol van rechter,
en was geen dief.
Wisselende stemmen in de make-up kamer
echoden: jij bent de nar achter het gordijn.
Toen de tijd bevroor tot een symbool,
de dood liet gaan, de priesters verdreef,
loop jij met de bel
door de lege binnenplaatsen van de Verboden Stad
en roept: Ik was geen koning
en was geen Shylock,
geen acteur in de rol van Shylock.
Was geen killer,
geen acteur in de rol van killer,
en ben de nar met de bel!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e juni ook mijn blog van 11 juni 2021 en ook mijn blog van 11 juni 2020 en eveneens mijn blog van 11 juni 2019 en ook mijn blog van 11 juni 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:24 Reageer op dit bericht

Jan Brokken, Christoph Meckel

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook alle tags voor Jan Brokken op dit blog.

Uit: De weemoed van de reiziger 

“Ik was in Collioure en zag een brievenbus op de begraafplaats. Niet een namaakkastje, nee, een echte brievenbus van de Franse posterijen, bevestigd aan een staande grafsteen. Of beter nog: half ingemetseld in die steen. Je kon er een brief in posten, en aan de klep te voelen, die soepel openging, hadden heel wat mensen dat in de loop der tijden gedaan. De brievenbus moest er al lang hangen, de oorspronkelijk gele kleur was vervaagd, het ijzer geoxideerd. Het was een rouwende brievenbus geworden maar het logo van de Franse posterijen bleef duidelijk herkenbaar.
Over het uur van de lichting gaf de brievenbus geen uitsluitsel, en in het licht van de eeuwigheid is dat ook wel te begrijpen. Haast houdt op bij het hek van het kerkhof.
Je moest je diep vooroverbuigen om een brief te posten. Na een vluchtige blik om me heen knielde ik neer, want dat leek me de beste manier om het te proberen. Mijn linkerknie vond steun op de liggende grafsteen, wat ik toch een tikkeltje oneerbiedig vond. Ik richtte me snel weer op en vergewiste me ervan dat niemand me had opgemerkt.
Ik bleef geruime tijd wachten, in de schaduw van een paar parasoldennen en een enkele cipres. Waar hoopte ik op? Dat een oud dametje er een brief kwam posten, een brief op hemelsblauw papier die ze eigenlijk al haar hele leven had willen schrijven? Of dat een jongeman met halflang sluik haar en het brilletje van een boekenwurm zou neerknielen voor het graf en een paar woorden zou prevelen, als was het een gebed. Of dat de postbode een brief met wel vijf postzegels kwam bezorgen, postzegels in alle kleuren van de regenboog, een brief die in Sevilla was gepost of in Buenos Aires of in Santiago de Chile?
Na twee uur en vijftig minuten – ik kreeg dorst en had net op mijn horloge gekeken – verscheen een echtpaar met twee kinderen, een jongen van een jaar of tien en een meisje dat van een onbepaalde leeftijd was en zowel elf als veertien kon zijn. Ik verschool me half achter een zerk. De ouders bogen eerbiedig het hoofd, zoon en dochter keken elkaar even aan alsof ze zich afvroegen waar deze poppenkast voor nodig was. Maar de dood is een griezelfilm voor alle leeftijden. Ze trokken hun gezicht in een benauwde plooi, staarden naar de grond en vouwden de handen.”

 


Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Een andere aarde

Zodra de bomen geteld zijn en de bladeren
blad voor blad naar de instanties zijn gebracht,
zullen we weten wat de aarde waard was.
Duiken in rivieren vol water
en kersen plukken op een ochtend in juni
zal een voorrecht zijn, niet voor velen.
Graag zullen we aan de versleten wereld
Terugdenken, toen de tijd zich vermengde
met monsters en engelen, toen de lucht
een open schacht was voor de rook
en vogels in zwermen over de snelweg vlogen
(we stonden in de tuin, en onze gesprekken
hielden de tijd tegen, het sterven van de bomen
vluchtige legendes van brandnetelkruid).
Shut up. Een andere aarde, een ander huis.
(Een haviksvleugel in de kast. Een blad. Een water.)

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Christoph Meckel (Berlijn, 12 juni 1935)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e juni ook mijn blog van 10 juni 2024 en ook mijn blog van 10 juni 2021 en ook mijn blog van 10 juni 2020 en eveneens blog van 10 juni 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 15:14 Reageer op dit bericht

Pfingstlied (Georg Weerth), Marie Howe

 

Prettige Pinksterdagen!

 

 


Vuurwerk van de Geest door Christel Holl, z.j.

 

 

Pfingstlied

Sie herzten sich und sie küssten sich
Mit liebevoller Gebärde.
Der junge Herr Frühling wonniglich,
Der besuchte die alte Frau Erde.

Er ist der guten, ehrlichen Frau
Mit eins an den Hals gesprungen,
Dass bis hinauf in den Himmel blau
Nur Lust und Jubel erklungen.

“Mein Sohn, es freut mich, dass du hier!
Lang währte des Winters Tosen.
Meine Felder brauchen die goldne Zier,
Meine Gärten Lilien und Rosen.

Verstummt sind all meine Nachtigalln,
Seit ich dich verloren hatte;
Drum schmücke den Vögeln die grünen Halln
Und den Hirschen die blumige Matte.

Ich habe so oft an dich gedacht,
Wenn es stürmte wilder und wilder;
Doch sprich, was hast du mir mitgebracht
Für die lieblichen Menschenbilder?”

“Für die Menschenbilder?” versetzte da
Der junge Herr Frühling stutzend –
In die Tasche griff er behend: “Voilà!
Revolutionen ein Dutzend.”

 

 


Georg Weerth (17 februari 1822 – 30 juli 1856)
De Erlöserkirche in Detmold, de geboorteplaats van Georg Weerth

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Marie Howe werd geboren in 1950 in Rochester, New York. Zie ook alle tags voor Marie Howe op dit blog.

 

 

Naar huis lopend

Alles sterft, zei ik. Hoe kwam ik daarbij?
Een boom? De winter? Ik niet, zei ze.

En ik zei: O ja? En zij zei: Ik reïncarneer.
Ha, zei ze, Tot over een paar duizend jaar!

Waarom jaren, wilde ik weten, waarom geen minuten? Dagen?
Ze vond dat zo grappig – Ha Ha – dubbelgevouwen –

Jaren, zei ze vol vertrouwen.
Ik denk dat jij en ik elkaar al een paar levens kennen, zei ik.

Ze zei: Ik ben nog nooit eerder een ziel op deze aarde geweest.
(Het was koud. We hadden honger.) De volgende keer ben jij de moeder, zei ik.

No way, Jose, zei ze, terwijl we de laatste winderige bocht omsloegen.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Marie Howe (Rochester, 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juni ook mijn blog van 9 juni 2024 en ook mijn blog van 9 juni 2020 en eveneens mijn blog van 9 juni 2019 en ook mijn blog van 9 juni 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 15:07 Reageer op dit bericht

Pfingstlied (Gustav Falke), Nikki Giovanni

 

Prettige Pinksterdagen!

 

 


De uitstorting van de Heilige Geest door Otto van Veen, 1873

 

 

Pfingstlied

Pfingsten ist heut, und die Sonne scheint,
Und die Kirschen blühn, und die Seele meint,
Sie könne durch allen Rausch und Duft
Aufsteigen in die goldene Luft.

Jedes Herz in Freude steht,
Von neuem Geist frisch angeweht,
Und hoffnungsvoll aus Tür und Tor
Steckt’s einen grünen Zweig hervor.

Es ist im Fernen und im Nah’n
So ein himmlisches Weltbejah’n
In all dem Lieder- und Glockenklang,
Und die Kinder singen den Weg entlang.

Wissen die Kindlein auch zumeist
Noch nicht viel vom heiligen Geist,
Die Hauptsach spüren sie fein und rein:
Heut müssen wir fröhlichen Herzens sein.

 

 


Gustav Falke (11 januari 1853 – 8 februari 1916)
De St. Marienkirche in Lübeck, de geboorteplaats van  Gustav Falke

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Nikki Giovanni werd geboren op 7 juni 1943 in Knoxville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Nikki Giovanni op dit blog.

 

 

ik ben niet eenzaam

ik ben niet eenzaam
nu ik helemaal alleen slaap

je denkt dat ik bang ben
maar ik ben een grote meid
ik huil niet
of zoiets

ik heb een heerlijk
groot bed
om in te rollen
en veel ruimte
en ik droom geen
nare dromen
meer
zoals vroeger waarin
je me verliet

nu je weg bent
droom ik niet
en wat je ook denkt
ik ben niet eenzaam
nu ik helemaal alleen
slaap

 

 

Vertaald door Frans Roumen 

 


Nikki Giovanni (Knoxville, 7 juni 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e juni ook mijn blog van 7 juni 2020 en eveneens mijn blog van 7 juni 2019 en ook mijn blog van 7 juni 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:26 Reageer op dit bericht

Orhan Pamuk, Nikki Giovanni

De Turkse schrijver Orhan Pamuk werd geboren op 7 juni 1952 in Istanbul. Zie ook alle tags voor Orhan Pamuk op dit blog.

Uit: Het museum van de onschuld (Vertaald door Margreet Dorleijn)

“Het bleek het gelukkigste moment van mijn leven te zijn, maar ik besefte het niet. Als ik het wél had beseft, had ik dat geluk dan in stand kunnen houden? Had alles dan een totaal andere wending genomen? Zeker, als ik me had gerealiseerd dat dit het allergelukkigste moment van mijn leven was geweest, had ik het nooit zomaar weg laten glippen. Dit wonderbaarlijke, gouden moment waarin ik volledig vervuld was van een diepe sereniteit duurde misschien niet langer dan een paar seconden, maar het geluk leek zich voor mij over uren, ja jaren uit te strekken. Het moment deed zich voor rond kwart voor drie op maandag, de z6ste mei van het jaar 1975. Het was alsof wij verlost waren van alle schuld, zonde, straf en berouw, en de wereld vrij was van de wetten van zwaartekracht en tijd. Ik kuste Fsuns schouder, die bezweet was van het vrijen, sloeg behoedzaam mijn armen van achter om haar heen, drong voorzichtig bij haar binnen en beet zachtjes in haar linkeroor. Toen was het of de oorbel die ze in had een moment in de lucht zweefde en vervolgens uit zichzelf naar beneden viel. Z,6 gelukkig waren we dat we die oorbel totaal niet leken op te merken, die oorbel waar ik die dag in het geheel geen aandacht aan had geschonken, en we gingen gewoon door met kussen. Buiten glansde de hemel zoals hij dat alleen maar doet op een lentedag in Istanbul. Door de warmte raakten de inwoners van de stad bezweet; ze hadden hun winterse gewoonten nog niet afgelegd. Binnen, in winkels en gebouwen, en onder de linde- en kastanjebomen was het echter nog koel. Een dergelijke koelte steeg ook op uit het muf ruikende dunne matras, waarop wij hadden liggen vrijen, alles om ons heen vergetend als twee gelukkige kinderen. Een lentebries blies door de open balkondeuren, geurend naar lindebloesem en zee, liet de vitrages opbollen en zwaar op onze rug vallen zodat kippenvel over onze naakte lichamen trok. Vanuit de achterkamer in het appartement op de tweede verdieping, vanaf het bed waarop we lagen, konden we kinderen zien voetballen in de achtertuin, ze vloekten verbeten in de meiwarmte. Het drong tot ons door dat de onbehoorlijke dingen die ze elkaar toeriepen, precies die dingen waren die wij met elkaar aan het doen waren, we stopten even midden in onze vrijpartij, keken elkaar diep in de ogen en glimlachten. Maar ons geluk was zo groot en allesomvattend, dat we de grap die ons vanuit de achtertuin werd aangereikt onmiddellijk weer vergaten, net als de oorbel.”

 


Orhan Pamuk (Istanbul, 7 juni 1952)

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Nikki Giovanni werd geboren op 7 juni 1943 in Knoxville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Nikki Giovanni op dit blog.

 

 

Altijd Zijn Er De Kinderen

en altijd zijn er de kinderen

er zullen kinderen zijn in de hitte van de dag
er zullen kinderen zijn in de kou van de winter

kinderen als een gewatteerde deken
worden verwelkomd in onze ouderdom

kinderen als een blok ijs voor een woestijnsjeik
zijn tekenen van status in onze jeugd

we voeden de kinderen met onze cultuur
opdat ze onze beproevingen mogen begrijpen

we voeden de kinderen op met onze goden
opdat ze respect mogen begrijpen

we drijven de kinderen in onze voetsporen
opdat ons ras niet tekort zal schieten

maar onze kinderen zijn niet van ons
en wij niet van hen, zij zijn de toekomst, wij zijn het verleden

hoe verwelkomen we de toekomst
niet met het kolonialisme van het verleden
want dat is ons probleem
niet met het racisme van het verleden
want dat is hun probleem
niet met de angst voor onze eigen status
want geschiedenis wordt geleefd, niet gedicteerd

we verwelkomen de jongeren van alle groepen
als de onze met de stevige voedingsstoffen
van voedsel en warmte

we bereiden de weg met de stevige
voedingsstoffen van zelfontplooiing

we moedigen alle jongeren aan zich voor te bereiden op de jeugd,
want er zullen altijd kinderen zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Nikki Giovanni (Knoxville, 7 juni 1943)
In 1973

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e juni ook mijn blog van 7 juni 2020 en eveneens mijn blog van 7 juni 2019 en ook mijn blog van 7 juni 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:59 Reageer op dit bericht

150 Jaar Thomas Mann, Nikki Giovanni

150 Jaar Thomas Mann

De Duitse schrijver Thomas Mann werd geboren in Lübeck op 6 juni 1875. Zie ook alle tags voor Thomas Mann op dit blog. Dat is vandaag precies 150 jaar geleden.

Uit: Buddenbrooks

„Ich komme zum erstenmal auf, aber niemand ist so nahe, daß er mich fassen kann; ich komme zum zweitenmal auf, allein die Schute geht mir über den Kopf. Es waren Leute genug da, die mich gerne retten wollten, allein sie mußten erst schieben, daß die Jagd und Schute nicht über mich kämen, und all’ ihr Schieben hätte doch nichts geholfen, wenn nicht in diesem Augenblick ein Tau auf einer Nordfahrerjagd von selbst gerissen wäre, wodurch die Jagd hinaustrieb, und ich also durch Gottes Verhängnis Raum erhielt, und obwohl ich zum drittenmal nicht weiter aufkam, als daß nur die Haare zur Sicht kamen, so gelang es, weil alle die Köpfe, der eine hier, der andere dort, aus der Schute über dem Wasser waren, daß einer, der nach vorne zu aus der Schute lag, mich an den Haaren faßte, und ich griff ihn am Arm. Allein da er sich selbst nicht halten konnte, schrie und brüllte er so gewaltig, daß die anderen es hörten und ihn so geschwind an den Hüften faßten und mit Macht festhielten, daß er standhalten konnte. Auch ich hielt immer fest, wenngleich er mich in den Arm biß, und kam es dadurch dahin, daß er auch mir helfen konnte …« Und dann folgte ein sehr langes Dankgebet, das der Konsul mit feuchten Augen überlas.
»Ich könnte gar vieles anführen«, hieß es an anderer Stelle, »wenn ich gewilligt wäre, meine Leidenschaften zu entdecken, allein …« Nun, hierüber ging der Konsul hinweg und begann hie und da ein paar Zeilen aus der Zeit seiner Verheiratung und seiner ersten Vaterschaft zu lesen. Diese Verbindung war, sollte er ehrlich sein, nicht gerade das gewesen, was man eine Liebesheirat nennt. Sein Vater hatte ihm auf die Schulter geklopft und ihn auf die Tochter des reichen Kröger, die der Firma eine stattliche Mitgift zuführte, aufmerksam gemacht, er war von Herzen einverstanden gewesen und hatte fortan seine Gattin verehrt, als die ihm von Gott vertraute Gefährtin …
Mit der zweiten Heirat seines Vaters hatte es sich ja nicht anders verhalten.

 


De familie Buddenbrook: v.l.n.r.: Tony (Jessica Schwarz), Christian (August Diehl), Johann (Armin Mueller-Stahl), Thomas (Mark Waschke) en Elisabeth (Iris Berben) in de film Buddenbrooks van regisseur Heinrich Breloer uit 2008


»Ein guter Mann, ein braver Mann,
Ein Mann von Complaisancen« …
trällerte er leise im Schlafzimmer. Bedauerlich, wie wenig Sinn er für alle diese alten Aufzeichnungen und Papiere besaß. Er stand mit beiden Beinen in der Gegenwart und beschäftigte sich nicht viel mit der Vergangenheit der Familie, wenngleich er ehemals dem dicken Goldschnittheft immerhin ein paar Notizen in seiner etwas schnörkeligen Handschrift hinzugefügt hatte, und zwar hauptsächlich in betreff seiner ersten Ehe.
Der Konsul schlug die Blätter auf, die stärker und rauher waren als das Papier, das er selbst hineingeheftet, und die schon zu vergilben begannen … Ja, Johann Buddenbrook mußte diese erste Gattin, die Tochter eines Bremer Kaufmannes, in rührender Weise geliebt haben, und das eine, kurze Jahr, das er an ihrer Seite hatte verleben dürfen, schien sein schönstes gewesen zu sein. »L’année la plus heureuse de ma vie«, stand dort, mit einer krausen Wellenlinie unterstrichen, auf die Gefahr hin, daß Madame Antoinette es las …“

 

 


Thomas Mann (6 juni 1875 – 12 augustus 1955)

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Nikki Giovanni werd geboren op 7 juni 1943 in Knoxville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Nikki Giovanni op dit blog.

 

 

Mooie zwarte mannen

(Met complimenten en excuses aan iedereen die niet bij naam genoemd wordt)

Ik wil gewoon iets zeggen
over die prachtige, prachtige, prachtige, prachtige, geweldige
zwarte mannen
die met hun afro’s
over straat lopen
‘t is hetzelfde oude gevaar
maar een gloednieuw plezier

die op stoepen zitten, in bars, naar kantoren gaan
getallen verwerken op hun hoeren letten
preken in kerken, hun varkens hoeden
hun honden uitlaten, naar me knipogen
in hun vuurrode, limoengroene, verbrand oranje
koningsblauwe strakke broeken die omvatten
wat ik graag omvat

jerry butler, wilson pickett, the impressions
temptations, machtige, machtige sly
hoeven niets anders te doen dan te lopen
op het podium
en ik schreeuw en stamp en schreeuw
zie een nieuwe generatie mannen in een generatie allemaal
dashiki pakken met bijpassende overhemden
de voering die de stropdassen complimenteert
die glimlachen naar de sandalen
waar vieze tenen me aanstaren
en ik schreeuw en stamp en schreeuw
om meer mooie mooie mooie
zwarte mannen met geweldige afro’s

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Nikki Giovanni (Knoxville, 7 juni 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e juni ook mijn blog van 6 juni 2020 en eveneens mijn blog van 6 juni 2019 en ook mijn blog van 6 juni 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:06 Reageer op dit bericht

Federico García Lorca, Paul Farley

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

 

 

Klaaglied
December 1918
(Granada)

Als een wierookvat vol verlangen
loop jij door de klaarlichte avond
met je donkere lijf van verschaalde nardus
en een brandende begeerte in je blik.

In je mond draag je de melancholie
van dode reinheid, en in de dionysische
kelk van je buik de spin
die de steriele sluier weeft om jouw schoot
waaraan de rozen des levens,
vrucht van de kussen, nooit ontloken.

In je witte handen
draag je de streng van je voor immer
gestorven illusies, en op je hart
de hongerige passie van hete kussen
en jouw moederliefde die wegdroomt
naar wiegjes in rustige sferen
waar lippen blauwe sprookjes spinnen.

Als de sluimerende liefde jouw lichaam
zou raken schonk je als Ceres je gulden aren
en ontsprong aan jouw borsten,
als bij de Maagd Maria, een andere melkweg.

Maar als de magnolia zul jij verwelken.
Niemand zal jouw gloeiende dijen omhelzen
en nooit zullen vingers jouw haren naderen
om ze te bespelen als de snaren van de harp.

O krachtige vrouw van ebbehout en nardus!
jouw adem heeft de witheid van de jasmijn,
o Venus in stola van Manila
die de wijn van Malaga kent en de gitaren.

O zwarte zwaan, jouw vijver heeft
waterlelies van pijlen, golven van oranjeappels
en schuim van rode anjers die de fletse
kinderen onder jouw vleugels parfumeren.

Niemand bevrucht je. Andalusische martelares,
jouw kussen moesten onder een pergola blijven,
vol van de stilte van de nacht
en het troebele ritme van gestagneerd water.

Maar de kringen onder jouw ogen worden groter
en jouw zwarte haar zal zilver worden;
jouw borsten verslappen en vergieten hun geur.
Je fraaie rug begint zich al te krommen.

O slanke, moederlijke, hartstochtelijke vrouw!
Maagd van smarten met alle sterren van de hemel
diep in het hart geslagen,
hart dat de hoop verloren heeft.

Spiegel ben je van een Andalusië
dat mateloos lijdt en zwijgt,
een lijden gewiegd door de waaiers
en de mantilla’s om de kelen
die beven van bloed, van sneeuw,
en de rode schrammen, krabben van blikken.

Door de nevel van de herfst ga je heen,
maagd als Agnes, als Cecilia en de zoete Clara,
jij die als een bacchante had willen dansen
met wingerd en wijnrank bekranst.

De intense droefheid die flakkert in jouw ogen
spreekt van een leven gebroken en mislukt,
van sleur in je povere bedoening, waar je
achter je raam de mensen ziet voorbijgaan
en de regen hoort tikken op de bittere
en oude, dorpse straat, terwijl in de verte het geklaag klinkt
van klokslagen, troebel en vaag.

Vergeefs luisterde je naar het lispelen van de wind.
Nooit kwam tot jouw oren de lieflijke serenade.
Maar aan je raam blijf je hunkerend staren.
Hoe diep moet de treurnis zijn in je ziel
als jouw vermoeide en uitgeputte boezem
het vuur van een pas verliefd meisje voelt!

Ongeschonden door emoties
zal jouw lichaam ten grave gaan.
Over de donkere aarde
zal een morgen gloren.
Uit jouw donkere ogen zullen twee bloedende anjers wellen
en uit jouw borsten rozen, wit als sneeuw.
Maar jouw grote droefheid zal met de sterren verbleken,
als een andere ster waardig ze te wonden en te overstralen.

 

 

Vertaald door Robert Lemm

 

 


Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
Standbeeld in Madrid

 

 

De Britse dichter en schrijver Paul Farley werd geboren op 5 juni 1965 in Liverpool. Zie ook alle tags voor Paul Farley op dit blog.

 

 

Liverpool verdwijnt voor een miljardste van een seconde

Korter dan het geknisper in het geknisper dat het nationale elektriciteitsnet
soms laat horen, wanneer je je omdraait
naar een kamer en zegt: Was dat alleen bij mij het geval?

Mensen die aan tafel zitten, hebben niet het gevoel dat
hun stoelen worden weggehaald/weer teruggezet
veel sneller dan die truc met tafelkleden.

Een trein die de Olive Mount binnenrijdt,
trilt, maar geen enkele passagier
klaagt als hij bijna op tijd arriveert.

De vogels voelen het echter wel, en als je
spreeuwen in een school ziet, meeuwen die de
kathedraalrichels verlaten, of een zwerm duiven

die opstijgt van een plein als bij geweervuur,
wees gewaarschuwd dat het misschien gebeurt, maar dan
zij die gevoelig zijn voor vleermuisgepiep in

hun nek, die beweren het verre gebrul
van kometen in de bocht te horen – die zullen misschien wel glimlachen
om een herstelde wereld, in één stuk; Hoewel elke plek

waar mineraal Liverpool naartoe gaat, niet zou geloven
waardoor het getroffen werd: al die zandsteen in zee
of vermengd met de wijken van Keulen.

Ik heb het een paar keer gevoeld toen ik thuiskwam,
zo niet vaker nu ik oud ben,
en de tijd ertussen wordt steeds korter.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Paul Farley (Liverpool,. 5 juni 1965)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e juni ook mijn blog van 5 juni 2020 en eveneens mijn blog van 5 juni 2019 en ook mijn blog van 5 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:27 Reageer op dit bericht

In Memoriam Edmund White

In Memoriam Edmund White

 

De Amerikaanse schrijver en essayist Edmund White is afgelopen dinsdag, 3 juni, op 85-jarige leeftijd gestorven. Edmund White werd geboren op 13 januari 1940 in Cincinnati. Zie ook alle tags voor Edmund White op dit blog.

Uit: Jack Holmes and His Friend

“Jack had feared that his father would oppose his studying Chinese art history but no, he thought that China was the future and Jack was smart to be out ahead. What Jack didn’t bother to tell his father was that he was studying mid-Ching painting and classical Chinese and that he had no interest in mastering contemporary conversational Mandarin. Nor did he much want to visit China; the land of his dreams lay entirely in the past. He took a few conversation classes to throw his father off his scent, but he was too embarrassed by the strange tonal sounds to be able to speak the language out loud. He did help one of his teachers translate a history of Buddhist art written in classical Chinese.
Jack was a tall, rangy guy with stomach muscles as hard as a turtle’s shell. His straight hair was called dirty-blond, but in fact he kept it squeaky-clean with Breck shampoo, though he knew that product was for women. Girls who liked him said he had a “boy-next-door look,” but if they really liked him, they said they could imagine him as the pitcher on a baseball team. Any hint of praise or interest in him made him perk up foolishly (which he instantly regretted). He wondered if he’d been undernoticed by his strange parents.
In boarding school, the boys had watched movies on Saturday evenings with girls from their sister school. The boys, especially the boarders, were as awkward as monks around women, and it was hard to convince them to talk to their guests during the cookie-and-cider reception after the projection. The day boys, who usually weren’t around on weekends, were a lot more relaxed when they happened to attend. They treated women as if they were members of the same species at least, whereas the boarders gulped and turned funny colors and jabbed each other in the ribs, almost as if a girl were something like a newly purchased thoroughbred horse, valuable but hard to ride.
Jack got along with girls and boys because he was a classic “good guy.” He had a way of addressing a total stranger with a highly specific, off beat question. Standing in front of a student photo exhibit, he might say to a stranger, without any introduction, “You can tell all these pictures were taken by the same person, can’t you? They all look like people in the 1930s.” Odd as the approach might be, it required nothing from his interlocutor but an opinion. It suggested they’d known each other forever.”

 

 


Edmund White (13 januari 1940 – 3 juni 2025)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Ralf Thenior, Daniela Dröscher

De Duitse dichter en schrijver Ralf Thenior werd geboren op 4 juni 1945 in Bad Kudowa. Zie ook alle tags voor Ralf Thenior op dit blog.

 

Ostfriesland Dreamin’

Ein Wochenende im Best Western Hotel
in Leer / Ostfriesland ein echter Verholer

Hallo! Das Best Western in Leer / Ostfriesland
Ein Doppel und ein Einzel Fenster zum Bahnsteig

wenig Zugverkehr und jeder ankommende Zug
ein Ereignis so viele Leben die durcheinander wuseln

als Gestalten auf dem Perron stehen erst drei dann sieben
dann vierzehn eine Menge die im Zug verschwindet

der Bahnsteig leer Wir kommen gegen zwanzig Uhr
Bitte stellen Sie eine Flasche Sekt im Doppelzimmer kalt

zwei Gläser Obst Bionade und Strohhalme für das Kind
Das erste Ziel der Zuflussort die Leda mündet in die Ems

kleinster großer Fluss Deutschlands strömt in den Dollart
durchfließt ihn mündet in die Nordsee mit Strömungskraft

die tief bis vor die Küste reicht da hinten wo es dunkel wird
verliert sich süßes Flusswasser mischt sich mit Seesalz

zurück auf Holzstegen das schlafende Kind
du und ich und die Elektrizität deiner Nackenhärchen

ein Wochenende im Best Western Hotel
in Leer / Ostfriesland wär ne Wucht

 

 

Nachtregen

Der Nachtregen auf den Kastanienblüten,
der Geldumlauf im Blut, die Straßenlaterne,
langsam kommen sie zur Ruhe.
Der Tag sammelt stumme Erinnerung.

 

 

Ostende, unruhige Stunde

Die winzigen Spinnen, die am Erkerfenster
vorbei flogen an durchsichtigen Fäden —
ich erwartete dich voller Sehnsucht.

Hatte nur das Einbettzimmer, Klo im Flur,
doch wenn du kamst, zogen wir in unsere
Nummer 12, schoben den Tisch ans Fenster

und gossen Whisky in unseren Whisky.
Duschten in einer futuristischen Nasszelle,
bekamen Milchkaffee und Croissants ans Bett.

Und immer, ob wir uns liebten, Kaffee tranken
oder Whisky, ein Blick aus dem Fenster:
Wir sahen ein Haus, das abgerissen wurde.

Es verschwand an diesem Wochenende,
an dem wir uns liebten, tranken und redeten,
bis wir Hunger bekamen und Frietjes essen gingen.

Und nun, fünfundzwanzig Jahre später,
ist Ostende eine futuristische Nasszelle
und der Parkplatz kostet eine Übernachtung.

Und der Groentemarkt, Liebste, der Groentemarkt,
wie wir ihn liebten, den gibt es nicht mehr.

 

 

Pastorale

's Avonds, bijna donker,
de merel zingt in de achtertuin,
de enige vogelstem
op dit tijdstip van de nacht, beste herbergvader,
de vogelklok klopt ook niet meer,
althans sinds de merels
de Star Trek-titelmelodie
vanuit het struikgewas tjilpen – het
is bijna nacht, tweeëntwintig uur,
eind mei in West-Duitsland,
mijn kat staat op het kattenmeubel
en leunt tegen de bloempot op het balkon,
felgekleurde bloemen in de schemering,
ik heb net Alice Munro gelezen
en zie onze komende vijftien jaar
voor me afspinnen, zonder
fouten, we zijn dol op de merel.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Ralf Thenior (Bad Kudowa, 4 juni 1945)

 

 

De Duitse schrijfster Daniela Dröscher werd geboren op 4 juni 1977 in München. Zie ook alle tags voor Daniela Dröscher op dit blog.

Uit: Zeige deine Klasse: Die Geschichte meiner sozialen Herkunft

„Während die Großeltern väterlicherseits bei ihren Vornamen genannt wurden – »Berta Oma« und »Willy Opa« – hießen die mütterlicherseits nach ihrem Nachnamen: »Biela Oma« und »Biela Opa«.” Mit »Biela Oma« ging ich Pilze sammeln und puzzelte viele Nachmittage lang, mit »Berta Oma« bepflanzte und bewässerte ich den Gemüsegarten, der in einer Reihe mit anderen Kleingärten lag, erntete Beeren, Kartoffeln und Bohnen und pulte dann später, im Hof sitzend, säckeweise Erbsen. Mit »Willy Opa« ging ich spazieren, er sang »Dschingderassabumm«, las Geschichten vor und brachte mir die Namen aller Bäume und Wiesenblumen bei. Mit der spiegelblanken Glatze meines »Biela Opas« ist das Wort »unter ‘Page« verknüpft. Er hat sein halbes Leben im Erdinneren, ohne Tageslicht, verbracht.” Der unausgesprochene Konflikt zwischen den beiden Parteien war natürlich der Krieg. Mein Opa Alois war in russischer Gefangenschaft gewesen und zeit seines Lebens ein erklärter Gegner Hitlers, mein Opa Willy war als unüberzeugtes, aber passives Parteimitglied und Versorger von der deutschen Armee nicht eingezogen worden. Der eine hatte gehungert und gelitten im Namen des Deutschen Volkes, das ihn nun aber im Alltag nicht als Deutschen anerkannte. Der andere hatte zu essen gehabt sowie dazu noch einen französischen Kriegsgefangenen: «Paul aus Paris, Für meine deutsche Oma Berta waren die Eltern meiner Mutter VON DRÜBEN. Sie warf sie in einen Topf mit den Vertriebenen aus den ehemaligen deutschen Ostgebieten – Schlesien, Vorpommern, Ostpreußen -, denen die Einheimischen im Dorf nach dem Krieg buchstäblich im eigenen Haus hatten Platz machen müssen. Alois und Berta aber waren erst 1958 nach Deutschland gekommen, als Aussiedler, nicht als Vertriebene? Mein Großvater legte viel Wert darauf, dass dieses »A« sogar in seinem deutschen Pass vermerkt war. Er hatte sich die Ausreise teuer erkauft, indem er über Jahre hinweg geduldig korrupte polnische Beamten bestochen hatte. Zum anderen war das, was zwischen ihnen stand, schlicht Neid.

 


Daniela Dröscher (München, 4 juni 1977)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e juni ook mijn blog van 4 juni 2020 en eveneens mijn blog van 4 juni 2019 en ook mijn blog van 4 juni 2018 en ook mijn blog van 4 juni 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:55 Reageer op dit bericht

Monika Maron, Ralf Thenior

De Duitse schrijfster Monika Maron werd geboren op 3 juni 1941 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Monika Maron op dit blog.

Uit: Krähengekrächz

„Es ist schon länger her, dass ich in der Zeitung gelesen habe, Krähen könnten menschliche Gesichter erkennen. Später las ich, dass sie sich selbst im Spiegel erkennen und einen roten Fleck, den man ihnen aufs Gefieder geklebt hatte, als Fremdkörper identifizieren können und obendrein entfernen, und zwar an sich selbst, ohne auch nur den irrigen Versuch zu unternehmen, das Spiegelbild zu säubern.
Noch später las ich, dass sie Nüsse auf die Fahrbahn legen, um sie von Autos knacken zu lassen. Außerdem habe ich selbst beobachtet, wie mein Hund nach einigen Versuchen, die Krähen, von denen es in unseren Straßen unzählige gibt, aufzuscheuchen, als wären sie schreckhafte Spatzenschwärme, von ihnen so demütigend gefoppt wurde, dass er seitdem ihre Nähe respektvoll ignoriert, auch wenn eine von ihnen dicht vor ihm herumhüpft. Er weiß, dass sie, würde er losspringen, auf den kleinen Zaun vom Spielplatz fliegen würde und von da, versuchte er, ihr zu folgen, auf den unteren Ast der Kastanie und ihm dann, während er, um wenigstens einen kleinen Sieg zu erringen, den Stamm der Kastanie anpinkelt, mit höhnischem Krächzen scharf über den Kopf fliegen würde.
Aber erst als ich las, dass die Krähen den Menschen seit Anbeginn begleiten, dass sie seine ersten Schritte im aufrechten Gang gesehen, seine ersten artikulierten Laute gehört haben, alle seine Kriege erlebt und von seinen Leichenfeldern gelebt haben,
dass sie Toten- und Galgenvögel genannt wurden, weil sie überall auftauchten, wo die Menschen ihre Opfer hinterlassen hatten, erst als ich mir das vorstellte, begannen sich die Krähen aus meiner Straße in mein nächstes Buch zu drängen.
Natürlich hätte ich mich auch für die Krähen interessieren können, ohne gleich ihren literarischen Nutzen zu bedenken. Aber aus Gründen, die genau zu benennen mir fast unmöglich ist, komme ich beim Nachdenken über die Menschen ohne die Tiere nicht mehr aus. Vielleicht liegt es am Alter, am allmählichen Verfall und dem nahenden Sterben, das mich das Tier im Menschen so deutlich erkennen lässt. Mein kindlicher Blick hat die Tiere vermenschlicht, unser Hund war mein Bruder, mein Freund. Dass auch ich ein Tier bin, kam mir damals nicht in den Sinn, aber vielleicht habe ich es ja empfunden. Inzwischen sehe ich den Menschen als Sonderfall der großen Tierfamilie und kann mich nicht einmal entscheiden, ob die menschliche Besonderheit eher ein Glück oder ein Unglück ist.“

 

 


Monika Maron (Berlijn, 3 juni 1941)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Ralf Thenior werd geboren op 4 juni 1945 in Bad Kudowa. Zie ook alle tags voor Ralf Thenior op dit blog.

 

 

Alma

Een sneeuwwitte hond
als een sneeuwvlok waait hij
over het stoppelveld hupt
als een vlinder door de lucht
rent als een circuspaard
doet alsof hij remt
en springt met een hinde-achtige sprong
jubelend (zo lijkt het) over de strostapels
nog één en nog één
vol elegantie en levenslust
Morgen zullen ze het stro
tot balen persen overmorgen
glinsteren zwarte kluiten
in het zonlicht

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Ralf Thenior (Bad Kudowa, 4 juni 1945)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e juni ook mijn blog van 3 juni 2021 en ook mijn blog van 3 juni 2019 en eveneens mijn blog van 3 juni 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:33 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten