Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Andre Dubus, Wolf Wondratschek

De Amerikaanse schrijver en essayist Andre Dubus werd geboren op 11 augustus 1936 in Lake Charles, Louisiana. Zie ook alle tags voor Andre Dubus op dit blog.

Uit: Meditations from a Movable Chair (About Kathryn)

“YOU HAVE TO KNOW WHAT IT’S LIKE down there. In Louisiana winter, my father played golf every weekend, unless a lot of rain was falling; you can work up a sweat just carrying a golf bag on that flat land. If you want to, you can go into the rice fields or swamps or the woods near the bayou and scare up a cottonmouth. No need to wait for the long hot summer. If you’re a woman, you can be raped on your lawn two nights after Christmas, like my sister Kathryn. She tells me about it on the phone. Two nights after Christmas is a Friday. After work at the bank, she goes to the gym, where she reads on the tread-mill. On the way home, she stops to buy coffee.
“Maybe that’s where he saw me,” she says on the phone. She is long divorced, and has eight grown children and four grandchildren. A daughter lives with her. She gets a pound of rich dark coffee and walks into the lulling winter air and the beginning of her weekend. She drives to her street, one flanked by houses, and when she turns onto it, she sees in her rearview mirror a car turning behind her. She is a calm woman. Yet an instinct tells her to drive past her house. But now she is home, and she turns into the driveway, where her daughter’s car is parked. She drives behind the house, and stops on a concrete slab there, near the back door. The instinct is quelled. She cannot see the front of her house now, nor most of the driveway. She takes a while leaving the car, getting her gym bag and purse and the bag with the coffee. She carries these to the back door; then he is there: a large black man holding a knife, and saying, “Give me your money.” She tells him she has only five dollars, and gives him her wallet. He asks how much is in the house. She says there is nothing in the house. She can feel her daughter in there. To his questions, she answers: Yes, she is married; he is at work; he gets off at seven. She knows it is now around seven-thirty. The man takes her arm and pulls her around to the side of the house. He removes her glasses, flings them. Her neighbours’ house is near. The rape commences, and she thinks how silly this is, to die in her own yard. She no longer sees the knife, and she waits for it. He is talking and she says, “What?” and she hears “Oral sex” and says, “No”; and, to God, she says silently: Don’t You dare do this to me. It doesn’t happen. She lies beneath his heavyweight. He hears something in the house: maybe the shower, maybe her daughter’s footsteps. He says: “Who’s in the house?” “My daughter.” Knowing, oh Lord, the wrong image came to her brain, the wrong words to her tongue. But how cunning can she be? He is raping her, she is waiting for a blade to slash or pierce her body, and she is as conscious of her daughter’s body as she is of her own.”

 


Andre Dubus (11 augustus 1936 –  24 februari 1999)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

 

De eenzaamheid der mannen

Er zitten mannen voor een huis op straat
te drinken en te dromen van doden.
Zij zien de vrouwen die voorbijgaan blozen
en spugen vol haat.

Ze doden voor hun eer
en dansen als ze treuren –
alsof de dood geen schrikbeeld was
boven de ingestorte muren

van hun eenzaamheid.
Niet het leven is de tijd
van de liefde. Geliefden raken elkaar kwijt;

zodra ze elkaar beroeren
zijn ze vreemden – en ze gaan onverzoenlijk
wegen die naar doolhoven voeren.

 

Vertaald door Willem van Toorn

 


Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers ook mijn blog van 11 augustus 2023 en ook mijn blog van 11 augustus 2021 en ook mijn blog van 11 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 11 augustus 2016 en ook mijn blog van 11 augustus 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:08 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Kees van Kooten, Mark Doty

De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Kees van Kooten op dit blog.

Uit: Koot droomt zich af (Schrijvem)

“Ooit één keer mocht ik de Volmaakte 9 schreven! Ik bevond mijzelf onder Juffrouw Poelstra en het gebeurde flitsgewijs tijdens een optelsom in Rekenen van de tweede klasse der Openbare Lagere. Het was… zij vier plus negentien, zij ook elf plus acht, hetzij kan ook twaalf plus zeven erbij geweest… maar er rolde een 9 uit in voor. Was het vier plus vijf, twee plus zeven, acht plus een erbij danschien? Nee. Dat beschouwt buiten de val, want die hadden we al gehad in de Eerste. Achteraf kan dat de geest wel lijken: dat die 9 zó mooi onverhoedste dat hij er als uitkomst uit de som uitkwam, maar dat is afgedwaalde oude koeien — hij stónd er daar gewoon ineens. De Volmaakte 9 was mij overkomen! De 9 zoals Juf hem zelf had mochten willen: volwassen uit één stuk, nonchalant voor altijd op papier, met zijn poot exactiter halfweg het ondergrenzende ruitje; de kerkklokkenluidende, piemelstijvende 9 die mijn 9 niet was want zo had ik nog nooit een 9 mogen schreven maar maar mooi toch maar mijn 9 was zoals hij daar stond! Een Tien van een 9. Mijn 9? Mijn 9! Mijn, mijn, mei! Want de grote vakantie deurde en daarna zou alles bruiner! En zou ik als de bekende herboren lopende band volmaakte negens afschrijven. Zessen, vieren, achten; noem alle zijstraten maar op —allemaal negens zouden het worden. Plus daar achteraan alle letters, netzovrolijk en evenzogoed. Maar 26 klassefotoos later wil mijn geval dat ondergetekende nog altijd geen De 9 kan schrijven zoals hij hem zou wezen willen. Terwijl zijn vader, wat mijn vader is, een schitterend, bijna kaligrafelijk handschrift vertoont, is het hem, wat mijzelf is, altijd bij Die Ene 9 gebleven. (En voor vermeldt de Historie: Juffrouw Poelstra sloeg trouwgewoon de schoolschriftbladzij door, parafeerde onderaan voor `alle sommen goed’, want toen was ik nog niet dom, maar hoeveel liever was zij mij aangekomen als gedaante ‘alle sommen fout maar wat is dát een mooie 9, daar heeft zeker je vader aan je handje geholpen?’ Nee juf echt niet, echt niet heus Juf niet!) En ik zal het u nóg sterker dat het namelijk steeds erger. Was het nu maar dat ik mijn niet-kunnende-schrijven tot ‘cloktershandschriff had geblimeerd maar alles minder nog dan dat: ik héb helemaal geen handschrift! Dat komt pro forma en alibioni doordat onze generatie in de eerste Schuin moest, in de tweede Blok en in de derde zogenoemden ze het klappelings Gebonden Blokschrift.”

 

 


Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.

 

 

Van een golden retriever

Apporteren? Ballen en stokjes trekken mijn aandacht
seconden per keer. Vangen? Ik denk het niet.

Een konijntje, een vallend blad, een eekhoorn die – o
joepie – echt bang is. De lucht opsnuiven, dan

ben ik weer weg: modder, een vijver, een sloot, resten
van iets spannends doods. En jij?

Of je bent verdiept in het verleden, halverwege onze wandeling,
denkend aan wat je nooit meer terug kunt brengen,

of je ging ergens de mist in over
—morgen, noem je dat zo? Mijn werk:

de kromming (woef!) van de tijd losmaken, apporteren,
mijn misthoofdige vriend, jij. Deze schitterende blaf,

de bronzen gong van een zenmeester, roept je hier,
helemaal, nu: woef-waf, woef-waf, woef-waf.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e augustus ook mijn blog van 10 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 10 augustus 2017 en ook mijn blog van 10 augustus 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:26 Reageer op dit bericht

Luuk Gruwez, Philip Larkin

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

 

Grafschrift voor een melancholica

‘I could not love except where Death
Was mingling His with Beauty’s breath’

E.A. Poe

niemand heeft ooit geweten
hoe jij bent ingesluimerd
als een schielijk overleden schone slaapster
met de gedachte aan een witte witte prins,
die je nooit meer wekken zou.
en hoe je huiswaarts hemelwaarts
bent gekeerd,
niemand heeft het ooit geweten.

de leugen leent de liefde vleugeltjes,
Soms glanzende, soms ondoorzichtige,
nooit voorzichtige,
want geen wijsheid om te weten nadien
hoe de zeer verlokkelijke weemoed
niet op straf van dood te strelen.

het streng verboden siersel
dat je tooide, mijn bekoorlijke verbodene,
woog je als een veel te zwaar halssnoer
om een iets te tengere hals,
en soms,
was het teder van heimwee,
soms, stil van verdriet.

en nu weet niemand nog nauwkeurig
hoe jij bent ingesluimerd
met een zeer witte gedachte
aan hoe het vroeger was.
zelfs ik niet.

al leg ik trouw wat bloemen neer
ter nagedachtenis van alle kinderen,
die nu nog dagelijks
onzichtbaar zacht en stil
in mij sterven.
al ga ik dagelijks vermomd
als een witte prins,
die van de verre witte prins die hij was
nog slechts heel even de treurende schim is.

 

 

Bekering tot de begeerte

voor Gerard Reve

nooit is mijn lichaam dichter bij de Vreugde,
dan wanneer ik het heimelijk benader
en ten koste van veel gestreel verlok.

niemand behandelt mij zozeer met liefde
als ikzelf onder mijn verboden handen,
als ik nog ver, maar reeds binnen handbereik
het vermogen ontwikkel
om mezelf te omhelzen
in een droom.

hoe dichter ik mijn lichaam ben genaderd,
hoe meer ik in mijn lichaam vertoef
en er ook witgesluierde maanzieke dames laat wonen,
van wie het verleden mij helaas onbekend,
maar rampzalig mooi
en net als ik te ernstig gekneusd
tijdens een vorig handgemeen van de liefde.

maar meermaals ben ik met mijn lichaam moederziel alleen,
soms dagenlang,
soms, tot ik me het bestaan ervan
herinner in een spiegel.

nooit is mijn lichaam dichter bij de Vreugde dan.

 

 


Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

 

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog

 

De Pinksterbruiloften

Die Pinksteren ging ik pas laat op pad:
zo tegen
twintig over één kwam in de zaterdagse zon
mijn trein op gang, voor driekwart leeg en
alle raampjes open, kussens heet, ’t gevoel
van haast geheel verdwenen. Wij reden
achter huizen langs; verblindend blonk
een straat, de vissershaven stonk; toen
kwam van de rivier de vlakke kalme breedte
waar lucht en Lincolnshire en water samenkomt.

De hele middag hield de slaaprig hete baan
ver landinwaarts
een haperende bocht naar ’t zuiden aan,
langs boerderijen, vee – geen schaduw haast –
kanalen waarop licht fabrieksvuil drijft.
Uniek flitste een kas; hagen daalden
en rezen; soms drong de geur van gras
de reuk van knoopjestrijp opzij
totdat er weer een stad, nieuw, onbepaald,
met akkers autowrak genaderd was.

Eerst merkt’ ik niet wat een gerucht
op elk station
de bruiloftsgasten maakten: vluchtig
is aandacht voor schaduw in de zon.
Gejoel en gilletjes op koele laadperrons
hield ik voor jongens, stoeiend met de post.
‘k Ging door met lezen. Maar eenmaal weer op weg
zag ik ze staan, met plakhaar, grijnzend; namaak-
modieus de meisjes, hooggehakt, in sluiers uitgedost,

niet wetend wat te doen, kijkend naar ons vertrek,
als misten zij het slot van een gebeuren,
zwaaiend naar iets
wat verder ging. Getroffen, leunde
ik volgend keer sneller naar buiten en liet
mij niets ontgaan, zag het in and’re termen:
de vaders met een brede riem onder hun vest,
’t voorhoofd doorgroefd; de moeders dik en luid;
een oom vol schuine praat; de permanenten,
de nylon handschoenen, de nep-juwelen, het
geelgroen, lila, oker en olijf dat uit

de rest de meisjes vreemd naar voren bracht.
Ja, uit cafés,
eettenten achteraf en bontbevlagde
weg-restaurants, raakten de huw’lijksfeesten
op hun eind. De hele verdere lijn
stapten er nieuwe paren in; de rest bleef staan;
er werd nog wat gestrooid: confetti, goede raad.
En als wij gingen leek ieders gezicht zijn
eigen beeld te zien: kind’ren keken naar
iets vervelends; vaders stonden verbaasd

over hun groot succes, een klucht van niks;
de vrouwen deelden
’t geheim als een gezellige begrafenis;
en meisjes, in hun tasjes knijpend, keken
naar een godsdienstige verwonding. Beladen
met de som van alles wat zij zagen
stoomden wij eindelijk snel op Londen af.
Het veld werd bouwterrein, peppels gaven
een lange schaduw aan de grote weg.
Voor een minuut of vijftig, achteraf

net lang genoeg om hoeden recht te zetten en
‘k ging bijna dood
te zeggen, was er een tiental huwlijken op weg.
Ze keken zij aan zij naar wat het landschap bood
– een bioscoop, een waterreservoir,
iemand die bij ’t bowlen een aanloop nam –
en niemand dacht aan d’ and’ren, die hetzelfde
uur meemaakten, en nooit meer zien zij nog elkaar.
Ik dacht aan Londen, liggend in de zon,
haar postdistricten recht als tarwevelden.

Dat was ons doel. Terwijl wij raceten over
knopen van rails,
voorbij stilstaande Pullmanwagens, doken er
zwartbemoste muren op, en bijna was de hele
breekbare samenloop voorbij; en wat dit inhield
stond op het punt gelost te worden met
alle kracht die een verandering kan geven.
En toen de remmen pakten, was het als viel
er iets, een pijlenvlucht die uit het zicht werd
afgeschoten, ergens veranderend in regen.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

 


Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e augustus ook mijn blog van 9 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 9 augustus 2019 en ook mijn blog van 9 augustus 2017 en ook mijn blog van 9 augustus 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:48 Reageer op dit bericht

Klaus Ebner, Philip Larkin

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Klaus Ebner werd geboren op 8 augustus 1964 in Wenen. Zie ook alle tags voor Klaus Ebner op dit blog.

Uit: Fünfzig

„Fünfzig. Eine runde Zahl, die ich ständig vor mich hinsage. Es ist schon absurd; und das Wort – fünfzig – bleibt stets vage. Auch auf Papier: eine Fünf und eine Null. Dabei sage ich immer: Ich bin ein Null. Allein der Gedanke, dass es heute so weit ist, jagt mir einen Schauer über den Rücken … niemand hat mich gefragt, ob ich so weit bin, ob ich für diese Zahl bereit bin, die im Grunde bloß eine Nummer ist. Sie lähmt meine Sinne, und das degradiert mich zu einer Lach­nummer. Und wen kümmerts? (Niemanden. Außer … mich selbst.) Morgens wollte ich weder aus dem Bett noch etwas essen, doch ich empfand eine Genugtuung darüber, dass Angritt vor mir aufgestanden war und alles Notwendige erledigt hatte (was immer sie für notwendig hält). Alle Glieder fühlten sich so schwer an, als müsste ich mich gegen einen unsicht­baren Widerstand zur Wehr setzen. Nur nicht hoch­kommen, nur nicht hinaus, nur nichts Vernünftiges anfangen. Ich bekämpfte eine körperliche Regung, obwohl mir klar war, dass ich mit einem mentalen Hemmnis rang. Kurz nach Mittag soll es losgehen. (Puh, das ist sehr bald!) Dabei hatte ich schon vor Monaten gebeten, von einer Feier Abstand zu nehmen – fehlt mir doch jede Idee, was ich feiern soll oder was die Familie und meine Freunde mit mir zu feiern hätten. Mein Wunsch, was sage ich: meine Forderung wurde ignoriert, und Angritt legte sich gewaltig ins Zeug, alle einzuladen, den Tagesablauf präzise festzulegen, die Stube in unserem Lieblingsgasthof zu reservieren, kurzum, alles zu organisieren und es dann auf ihre Art perfekt zu inszenieren. Selbstredend eigentlich. Wenn sie etwas anpackt, dann macht sie keine halben Sachen. Ursprünglich hätte es ja eine Überraschung werden sollen, doch wie könnte der eigene Geburtstag jemanden überraschen? Jene vielleicht, die mit einer Uhr nichts anzufangen wissen, die ihre Tage völlig unbedarft genießen, sich kaum umblicken oder zur Seite schauen und dermaßen konzentriert ihrem Weg folgen, dass Einschnitte wie runde Jubiläen an ihnen vorbeiziehen, ohne Aufmerksamkeit zu erregen oder gar Schrammen zu ver­ursachen. Der Einschnitt; ja, von dem höre ich so oft, aber vielleicht liegt das nur daran, dass mir tatsächlich vorkommt, etwas würde zerschnitten: abgetrennt von allem, was bisher war und Bedeutung hatte. Journalisten, Kolumnisten, Ratgeber; die ganze Gesellschaft spielt auf den neuen Lebensabschnitt an. Lebensabschnitt … ein grässliches Wort. Man muss sich damit abfinden, nur mehr Lebensabschnittspartner zu sein. Eine Herabwürdigung ist das, und wen wunderts, wenn einer im Hinterkopf die Uhr nicht nur ticken, sondern so laut pochen hört, dass sich über kurz oder lang Panik breitmacht.“

 

 


Klaus Ebner (Wenen, 8 augustus 1964)

 

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

In de wei

Nauwelijks zichtbaar is het span
Waar ’t in de koele schaduw staat,
Tot wind hun staart en manen spreidt;
De ene graast, en stapt wat dan,
—’t Lijkt of de ander ‘m gadeslaat—
En staat weer stil in naamloosheid.

Toch maakt, terug vijftien jaar, een reeks
Van races, hoogstens twee dozijn,
Nog zwak van eeuwige roem gewag,
Hun naam, in handicaps en stakes,
Gegrift in bekers, fraai en fijn
Maar nu vertraagd, na n’ hoogtij junidag—

’t Gewambuisd starten; in de lucht
Getallen; parasols in ’t veld,
Veel auto’s leeg in hete staat,
Het gras bezaaid: dan luid gerucht
Dat klinkt tot het zich tanend meldt
In ’n laatste-nieuws rubriek op straat.

Plaagt terugzien, als een vlieg, hun oor?
Zij schudden ’t hoofd. De schaduw lengt
Zomer na zomer sloop reeds heen:
Publiek, het starthek, ’t kretenkoor—
Alleen nog ’t gras dat ze niet krenkt
Hun naam staat nog geboekt, alleen

Hun nu ontgaan; plaats rust in ’t veld
Of draf geeft hen nog wel plezier,
Geen kijker ziet ze huiswaarts gaan,
Noch stopwatch die benieuwd voorspelt:
Slechts ’n rijknecht, met zijn hulp, gespt hier
Bij avond nog de leidsels aan.

 

Vertaald door Cornelis W. Schoneveld

 

Philip-Larkin.jpg?resize=208%2C278
Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

 

Zie voor meer schrijvers van de 8e augustus ook mijn blog van 8 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 8 augustus 2019 en ook mijn blog van 8 augustus 2017 en ook mijn blog van 8 augustus 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:40 Reageer op dit bericht

Robert Seethaler, Philip Larkin

De Oostenrijkse schrijver en acteur Robert Seethaler werd geboren op 7 augustus 1966 in Wenen. Zie ook alle tags voor Robert Seethaler op dit blog.

Uit: Der Trafikant

„An einem Sonntag im Spätsommer des Jahres 1937 zog ein ungewöhnlich heftiges Gewitter über das Salzkammergut, das dem bislang eher ereignislos vor sich hin tröpfelnden Leben Franz Huchels eine ebenso jähe wie folgenschwere Wendung geben sollte. Schon beim ersten fernen Donnergrollen war Franz in das kleine Fischerhaus gelaufen, das er und seine Mutter in dem Örtchen Nußdorf am Attersee bewohnten, und hatte sich tief ins Bett verkrochen, um in der Sicherheit seiner warmen Daunenhöhle dem unheimlichen Tosen zuzuhören. Von allen Seiten rüttelte das Wetter an der Hütte. Die Balken ächzten, draußen knallten die Fensterläden, und auf dem Dach flatterten die vom dichten Moos überwachsenen Holzschindeln im Sturm. Von Böen getrieben, prasselte der Regen gegen die Fensterscheiben, vor denen ein paar geköpfte Geranien in ihren Kübeln ersoffen. An der Wand über der Altkleiderkiste wackelte der eiserne Jesus, als könnte er sich jeden Augenblick von seinen Nägeln losreißen und vom Kreuz springen, und vom nahen Ufer war das Krachen der Fischerboote zu hören, die von den aufgepeitschten Wellen gegen ihre Uferpflöcke geschleudert wurden. Als sich das Gewitter endlich ausgetobt hatte und sich ein erster zaghafter Sonnenstrahl über die rußschwarzen, von Generationen schwerer Fischerstiefel ausgetretenen Dielen bis an sein Bett heranzitterte, rollte sich Franz in einem kleinen Wohligkeitsanfall zusammen, nur um gleich darauf seinen Kopf unter der Decke hervorzustrecken und sich umzuschauen. Die Hütte war stehen geblieben, Jesus hing noch immer am Kreuz und durch das mit Wassertropfen besprenkelte Fenster leuchtete ein einzelnes Geranienblütenblatt wie ein zartroter Hoffnungsschimmer. Franz kroch aus dem Bett und ging zur Kochnische, um einen Topf Kaffee mit fetter Milch aufzukochen. Das Brennholz unter dem Herd war trocken geblieben und flammte auf wie Stroh. Eine Weile starrte er in das helle Flackern hinein, als mit einem jähen Kracher die Tür aufflog. Im niedrigen Türrahmen stand die Mutter. Frau Huchel war eine schmale Frau in den Vierzigern, immer noch ganz ansehnlich, wenngleich auch schon etwas ausgemergelt wie die meisten Einheimischen, denen die Arbeit in den umliegenden Salzminen, den Viehställen oder den Küchen der Sommerfrischlerwirtshäuser zugesetzt hatte.“

 

 


Robert Seethaler (Wenen, 7 augustus 1966)

 

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

 

Naar de kerk

Zodra ik zeker weet, dat ik alleen ben
stap ik hier binnen, trek de deur achter me dicht.
Alweer zo’n kerk met rijen banken, oude steen,
overal boekjes; bloemen, afgeknipt
voor zondag, nu verkleurd; glimmende dingen,
daar, waar het heilige gebeurt; een orgeltje;
een oude stilte, vol tastbare spanning
die, God weet al hoe lang, hier hangt. Ik heb geen hoed
maar haal beleefd de fietsklem van mijn broek

en loop naar voren, strijk over het doopvont.
Het dak ziet er, van onderaf gezien, goed uit.
gerestaureerd? Geverfd? Ik weet het niet, hoe het komt.
Ik ga de preekstoel op. Ik declameer
een paar loodzware verzen, en besluit
met tot zover. Ik klink toch harder dan ik dacht.
De echo doet me na, en ik loop naar de uitgang,
teken het boek, doneer een klein bedrag,
ik weet niet goed meer waar ik hier voor kwam

en toch kwam ik hier weer. Zoals in feite vaak
en altijd weer zonder idee, uiteindelijk,
niet wetend waar te kijken, met de vraag,
als kerken ooit volledig uit de tijd zijn,
wat wij met die gebouwen doen, houden we dan
sommige kathedralen open voor publiek,
met al dat heiligs mooi tentoongesteld,
en sloopt de regen en het vee de andere –
wil niemand dan nog op die onheilsplaatsen komen?

Of komen in de nacht dan vreemde vrouwen
hun kinderen een steen aan laten raken
om zo van kanker te genezen; zouden ze
een dode rond zien lopen, ’s avonds laat?
Iets van de kracht zal wel blijven bestaan
in spelletjes en schijnbaar onlogische namen;
maar bijgeloof, net als geloof, dat blijft niet duren,
wat blijft, als ook het ongeloof voorbijgegaan is?
Gras, onkruid op de tegels, een paar muurtjes, lucht

en elke week iets minder van de vorm,
een minder duidelijke functie. Wie,
vraag ik me af, is dan de laatste die hier komt,
voor wat dit was. Iemand, misschien, die
wat op het hout klopt, weet dat dit het koor heet?
Een zuiplap, zoekend naar antiek,
een kerstliefhebber, die nog hoopt
op het geluid van orgels en de lucht van wierook?
Of iemand namens mij, meer zoals ik,

die hier verveeld en ondeskundig komt, maar weet
wat het gehalte geest is op dit kruispunt, deze grond,
die hier, gemengd met stadsstof, zuinig is geweest,
die heeft bewaard wat nu alleen nog voorkomt
in afscheid, trouwerijen en geboortes,
in dood en denken aan de dood – omdat daarvoor
dit ding gebouwd is? Ik heb geen idee
wat deze opgetuigde klamme huls nog waard is,
ik sta hier graag in stilte, en alleen.

Een serieus gebouw op serieuze grond,
hier hangt de lucht van al onze obsessies
die hier, als noodlot aangekleed, tot rust komen.
En dat is dan toch iets dat niet verdwijnt,
want steeds is er weer iemand die zichzelf verrast
met de behoefte voortaan serieus te zijn,
zijn aandacht zal op deze grond worden gericht:
hij hoorde, dat dit goede grond voor wijsheid was,
alleen al door de vele doden die hier liggen.

 

Vertaald door Menno van der Beek

 

 


Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e augustus ook mijn blog van 7 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 7 augustus 2017 en ook mijn blog van 7 augustus 2011 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:50 Reageer op dit bericht

Kjell Westö, Philip Larkin

De Finse schrijver Kjell Westö werd geboren op 6 augustus 1961 in Helsinki. Zie ook alle tags voor Kjell Westö op dit blog.

Uit:  Das Trugbild (Vertaald door Paul Berf)

(Mittwoch, der 16. November)
ALS FRAU WIIK an diesem Morgen nicht zur Arbeit erschien, reagierte er zunächst gereizt. Möglicherweise hing seine Gereiztheit aber auch noch ein wenig mit seiner misslungenen Fahrt nach Kopparbäck am Vorabend zusammen. Um Jary nicht zu verletzen, hatte er seine Gedanken für sich behalten und anschließend die ganze Nacht grübelnd wach gelegen. Schließlich war er zwei Stunden früher als üblich in die Kanzlei gegangen. Er war schlichtweg übermüdet. Das Clubtreffen am Abend empfand er als Bürde, und auf seinem Schreibtisch türmte sich die Arbeit. Drei neue Klienten innerhalb von zwei Wochen, ein komplizierter Fall vor dem Amtsgericht, unbezahlte Rechnungen, unklare Formalitäten bezüglich Rolles Ausscheiden, Briefe, die diktiert und ins Reine geschrieben und versandt werden mussten: Ohne Frau Wiik kam er nicht weitet Er war bereits um halb acht ins Büro gekommen. Sonst war er nur selten vor neun da, weil er lieber bis in den späten Abend hinein arbeitete. Dennoch wusste er, dass Frau Wiik stets um Punkt acht eintraf, auch samstags. Sein Ärger hielt sich, während er darauf wartete, dass sie auftauchte, und rumorte selbst dann noch in ihm, als es halb neun wurde und ihm der Gedanke kam, dass er sie vielleicht anrufen und sich erkundigen sollte, ob sie sich das Bein gebrochen oder eine Mandelentzündung zugezogen und ihre Stimme verloren hatte oder etwas in der Art. Als er ihre Nummer das erste Mal wählte, war er unkonzentriert. Während er darauf wartete, dass sie an den Apparat ging, dachte er an das abendliche Treffen und an Dinge, die er mit den anderen hinter verschlossenen Türen besprechen wollte. So würde er Arelius bitten, es künftig zu unterlassen, seine politischen Ansichten in Gegenwart seiner Mutter Esther zu kritisieren. Aber vor allem musste er mit Lindemark über Jogi Jary sprechen: Es musste doch irgendetwas geben, was sie tun konnten. Als Frau Wiik sich nicht meldete, dachte er, dass sie sicher auf dem Weg ins Büro war. Jeden Moment würde er ihre Schritte auf der Treppe und ihren Schlüssel im Schloss hören.
Als Frau Wiik sich nicht meldete, dachte er, dass sie sicher auf dem Weg ins Büro war. Jeden Moment würde er ihre Schritte auf der Treppe und ihren Schlüssel im Schloss hören. Doch sie kam nicht Und als er drei Mal angerufen hatte und sie nicht an den Apparat gegangen war, machte er sich allmählich Sorgen. 

 


Kjell Westö (Helsinki, 6 augustus 1961)

 

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

 

Doorgaan met leven

Doorgaan met leven – dat is: herhaling van de gewoonte
waarmee je je zaakjes bedisselt –
is bijna altijd verliezen of tekortkomen.
Het wisselt.

Dit verlies aan belangstelling, haren, initiatief –
ja, als het pokeren was kon je vragen om
andere kaarten en een full house krijgen!
Maar het is schaken.

Je beheert iets duidelijks, een soort ladingsbrief,
als je al je gedachten bent langsgegaan.
Iets anders, wat dan ook, behoort voor jou
niet te bestaan.

En wat brengt het op? Dat wij op den duur
min of meer het stempel herkennen dat onze
gedragingen kenmerkt, ze thuis kunnen brengen.
Maar zeggen,

op die groene avond dat ons doodgaan begint,
wat het allemaal inhield, brengt ons niet verder.
Het sloeg alleen maar één keer op één mens,
en die ligt op sterven.

 

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

 


Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 6e augustus ook mijn blog van 6 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 6 augustus 2019 en ook mijn blog van 6 augustus 2017 en mijn blog van 6 augustus 2016 en ook mijn blog van 6 augustus 2015 en ook mijn blog van 6 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:35 1 reactie Reageer op dit bericht

Martin Piekar, Conrad Aiken

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Zie ook alle tags voor Martin Piekar op dit blog.

 

 

ZUM WELTUNTERGANG ist niemand zu spät
sage ich dem schild: :das ende ist nah
wir lesen & schreiben vom weltuntergang voll zuversicht
sodass er nicht eintritt
die stimme in meinem kopf wird mich noch verrückt machen
: es wird alles gut werden — nein — es wird
alles gut werden — nein
wir leben von der zukunft her, tod & bonbons
im nachhinein verteilt
der dackel, der vor einer metzgerei bellt & heult
schreie sind einsame orte
nur dunkelheit kann stets begleiten
kümmere dich nicht um den weltuntergang
kümmere dich um die weit, um deinen tod
sei ein märtyrer für deine sache & stirb nicht

 

 

IM DUNKEL EINES UBAHNTUNNELS
da sage ich: ich will wieder träumen
ein junger, der gegen die schienen haust
: geh, sagt er, geh weiter, bis du kannst
dort wird ein dich dich führen ein ausgang dich führen,
wo es so farblos sein wird

 

 

DIE WÄNDE GEHEN AUFEINANDER WIE VERLORENE
die bilder sind betten aus hornhaut & ich dazwischen
graffiti besetzen ubahntunnel
weil sie das angesicht der kameras fürchten
öffentlichkeit als reines synonym für kameras
ich bin ein canunodell wo immer ich langgehe
ich wandel in ubahntunnel
wie die graffiti ihre wände tragen
& immer wieder höre ich eine spraydose
in einem anderen korridor
hier, die bilder brechen, die bilder brechen auf
sind das gegenteil hohlwachsender früchte
die graffiti meiden fenster
betrachten mich wie einen spiegel
& flüstern: wir gehören niemandem
denn niemand hat uns erschaffen
ich spüre die not eines besetzten hauses
unvergällte luft hinterlässt eine wunde leben
der schweiß einer abgelegten maske, die ich nie trug
mein gesicht gehört mir sowieso nicht
graffiti kosen mich, verkatert vom träumen
drücke ich mein gesicht in die wand

 

i am sic, zegt ze & trekt een reepje huid van haar onderarm
een lappendeken wil ze genoemd worden en ze bouwt Theseus’ schip
een keer per week verdooft ze zichzelf tot helderheid
& verwisselt ze de ene huidflap voor de andere
ze wil weten hoe vaak ze haar huid moet verwisselen
om zich in een nieuwe te voelen
ze vraagt of ik weet hoe het is
om in deze vallende droom geboren te worden
hier onder een brug, altijd onder een brug
nemen we het bloed stollend waar
ze snijdt nog een stuk van haar kuit
ik zoek niet naar iets onder de huid, zegt ze
de autoriteit van weefsel herken je al bij een blik
zegt ze & naald & draad
we fascineren elkaar totdat ik door het oog van de naald ga
velen denken dat ik op zoek ben naar insecten of chips
maar mij gaat het alleen om huid
ze leunt tegen de pilaar, esthetisch als iemand die uitgeput is van sporten
en naait zichzelf dicht, , i am sic, zegt ze
weet je, ik ben uit geen enkele droom ooit ontwaakt

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)

 

 

De Amerikaanse schrijver en dichter Conrad Potter Aiken werd geboren in Savannah, Georgia op 5 augustus 1889. Zie ook mijn blog van 5 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Conrad Aitken op dit blog.

 

SIX SONNETS

I

BROAD on the sunburnt hill the bright moon comes,
And cuts with silver horn the hurrying cloud;
And the cold Pole Star, in the dusk, resumes
His last night’s light, which light alone could shroud.
And legion other stars, that torch pursuing,
Take each their stations in the deepening night,
Lifting pale tapers for the Watch, renewing
Their glorious foreheads in the Infinite.
Never before had night so many eyes!
Never was darkness so divinely thronged,
As now—my love! bright stall—that you arise,
Giving me back that night which I had wronged.
Now with your voice sings all that immortal host,
That god of myriad stars whom I thought lost.

 

II


What music’s devious voice can say, beguiling
The flattered spirit, your voice can richlier say,
Moving the happy creature to such smiling
As the young sun brings flowers at break of day.
Nor can the southwest wind, who turns green boughs,
And sings in watery reeds, outvie your voice—
No, though the whole wide world of birds he rouse,
And boughs and birds, together, all rejoice.
Not water’s self, shy singer among stones,
Vowelling softly of his secret love,
Can murmur to green roots such undertones,
Nor with low laughter have such power to move.
No rival—none. There is no help for us.
Be it confessed—I am idolatrous.

 


Conrad Aiken (5 augustus 1889 – 17 augustus 1973)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e augustus ook mijn blog van 5 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 5 augustus 2018 en ook mijn blog van augustus 2017 en ook mijn 2 blogs van 5 augustus 2011.

Geschreven door Romenu om 17:34 Reageer op dit bericht

Stefan van Dierendonck, Martin Piekar

De Nederlands schrijver en gewezen priester Stefan Clemens Maria (Stefan) van Dierendonck werd geboren in Gemert op 4 augustus 1972. Zie ook alle tags voor Stefan van Dierendonck op dit blog.

Uit: En het regende brood

“Onmiddellijk na de lauden riep de abt me bij zich, keek me aan vanachter zijn massief eiken bureautafel, de handen op een dichtgetapete doos. Hij kwam er net bovenuit. Naar mij toegekeerd stond met grote zwarte halen de adressering: Pater Johannes Beckers, Abdij Sint-Benedictusberg, Vaals, Paesi Bassi. Een slang schoot eruit, dook mijn borstkas binnen en slingerde zich rond mijn hart. Ademen ging ineens zwaar, mijn blik vluchtte weg voor de ogen van de abt, naar alle hoeken van de kloostercel. Ik wist dat hij mijn emoties registreerde en evalueerde, maar ik kon het niet helpen. Ik had het handschrift herkend. `Waarde broeder, enige tijd geleden is dit pakket met de post gekomen. Zoals je ziet is het aan jou gericht.’ Ik knikte. De abt ging verder. `Je weet dat het volgens onze regel niet is toegestaan om zonder toestemming van de abt brieven, gewijde voorwerpen of anderszins kleine geschenken aan te nemen. Je weet ook dat ik verantwoordelijkheid draag voor het geestelijk welzijn van allen die aan mijn zorg zijn toevertrouwd. Het is mijn opdracht om de broeders te sterken in hun roeping, in hun toewijding aan God en aan Zijn Kerk, in hun liefde voor het Hogere.’ Opnieuw een pauze, waarin hij wachtte op mijn instemming. `Het is geen eenvoudige opdracht, kerkelijk leiderschap. Christus spreekt nog over een enkel verloren schaap waar de herder naar op zoek gaat. Onze schapen hebben meer van rabiate wolven, zijn minder geïnteresseerd in eeuwig geluk of in devotie dan in een snelle bevrediging van lichamelijke behoeften. Je begrijpt wat ik bedoel; tenslotte heb je het grootste deel van je leven in de wereld gewerkt. Ik heb daar altijd respect voor gehad, dat weet je. Na zo veel jaren in de felle zon komt de rust van het klooster je toe.’ `Dank u,’ bracht ik uit. `De overgang naar het geregelde kloosterleven was niet eenvoudig voor je. Hoe bevalt het werken in de tuinen?’ Ik keek naar mijn veranderde handen, het verse eelt, de kloven waar de aarde diep in was doorgedrongen, mijn rouwnagels.”

 

 


Stefan van Dierendonck (Gemert, 4 augustus 1972)

 

 

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Zie ook alle tags voor Martin Piekar op dit blog.

 

Bastaard I

– bij: Swans reflecting Elephants, Salvador Dali, olieverf op doek, 1937

Ik voel me een bastaard tussen woestijn
en oase. Dus half om half,
dus geen van beide;
maar toch geen wisselkind.
Als ik op het schilderij zou staan, zou ik
een zwart shirt
dragen
in plaats van het witte, maar ik
zou net zo kijken als
Edward James:
het schilderij uit.
Ik zou de roeiboot niet zien,
vastgelopen in de woestijn.
Ik zou
de fractale maan niet zien,
die alleen maar aan de hemel vastgepind lijkt.
Ik zou de irritatie niet zien
die ontspringt aan de rivier van dromen.
Ik zou de kastelen
van mensen niet zien.
Ik zou
de wolken, de zielen, de dood
achter me niet zien. Ik zou niet zien dat een olifant
ook een zwaan kan zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)
Swans reflecting Elephants door Salvador Dali, 1937

 

 

Zie voor de schrijvers van de 4e augustus ook mijn blog van 4 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 4 augustus 2019 en ook mijn blog van 4 augustus 2017 en ook mijn blog van 4 augustus 2013 en mijn drie blogs van 4 augustus 2011 en mijn blog over Robert Beck.

Geschreven door Romenu om 16:34 Reageer op dit bericht

Marica Bodrozić, Mirko Wenig

De Duitse dichteres en schrijfster Marica Bodrozić werd geboren op 3 augustus 1973 in Zadvarje in het toenmalige Joegoslavië. Zie ook alle tags voor Marica Bodrozić op dit blog.

Uit: Das Herzflorett

„So sehr Pepsi die Stille im Dorf liebt, so sehr sehnt sie sich nach Menschen. Sie will weg von den Verwandten, bei denen sie in der träumerischen Herzegowina wie ein Waisenkind behandelt wird und nie genug zu essen bekommt, manchmal gar nichts, dann will sie auch weg vom Hof des Großvaters, aus dem dalmatinischen Süden in den europäischen Norden will sie gehen und sich endlich richtig sau essen an etwas Köstlichem, nicht nur an etwas knabbern, das von jemandem übrig geblieben ist. Sie hält das Leben mit ihren weit entfernten Eltern für etwas Wertvolles. Die beiden wohnen in Hessen, einer Gegend im Norden, so haben sie es ihr erzählt. Als Pepsi in der Schule das Alphabet lernt, übt sie es jeden Tag. Sie hat nur noch einen Gedanken, den sie als dringliche Aufforderung empfindet. Kurz nach ihrem neunten Geburtstag ist sie bereit und erfragt am anderen Dorfende bei ihrer Tante Rosa die Adresse der Eltern. Sie schreibt ihnen einen langen Brief. Ich hungere hier, niemand gibt mir etwas ab, schreibt sie gleich am Anfang, ihr müsst mich holen, mich und meine Geschwister, wir sollen alle zusammenleben. Gleich nach der Geburt waren Pepsi, ihre Schwester und ihr Bruder im Alter zwischen acht und zehn Wochen bei Verwandten untergebracht worden. Für die Geburt im Süden kam ihre Mutter aus Hessen, brachte ihre Kinder zur Welt und fuhr alsbald, um ihre Arbeit nicht zu verlieren, wieder in den Norden. Von Besuch zu Besuch vergaß Pepsi dann jedes Mal, wie ihre Mutter aussah. Nur ihr langes samtschwarzes Haar behielt sie in Erinnerung, das Haar, das auch ihrem Vater auf der Stelle ans Herz gewachsen war, als er sie in einer Kirche in Hessen entdeckte, während das Vaterunser gesprochen wurde. Bald darauf heirateten sie und dachten jedes Jahr, dass genau dieses Jahr ein gutes Jahr für eine Rückkehr in den Süden wäre. Aber dieses ersehnte gute Jahr kam nie. Und Pepsi erlebte sie nur als Menschen, die zu Besuch kamen und jedes Mal eine neue Krankheit mitbrachten, ein neues Leiden, eine neue Angst vor dem Sterben. Die Bora wehte wuchtig, als sie durch die wilden Gärten ging und den Brief wie eine ihr schon versprochene Zukunft zum Postmann trug. Ihre Haare flogen einen Moment so auf, als würde die Zeit anhalten, diesen Augenblick in ihr festhalten und damit, allein durch dieses kleine Innehalten, auf etwas Zukünftiges verweisen, das schon um sie wusste, sie erwartete, ohne ihr Genaueres darüber zu sagen.“

 


Marica Bodrozić (Zadvarje, 3 augustus 1973)

 

 

De Duitse dichter Mirko Wenig werd geboren op 3 augustus 1977 in Gera. Zie ook alle tags voor Mirko Wenig op dit blog.

 

 

Nachtelijke wandeling

Ze wonen in industriële barakken, klimmen over hekken
en garagedaken, bijten ratten dood.
Ze vechten met katten om voedsel.

Maar deze vos, mijn eigen
vos met luizen, was te oud om te jagen. Zijn rug
krommend, zijn vacht bedekt met bedwantsen, zo
sloop hij ’s nachts naar de vuilnisbak, stootte
hem om en vrat. Langzaam slechts,
kwam ik dichterbij, wilde hem
niet laten schrikken.

Ik keek naar hem. De vos vrat zoals
een dier vreet, snel en haastig, zonder
veel gedoe. Toen rende hij weg
en verdween in de struiken.

Verder gebeurde
er niets. Ik ging naar huis. Dat ik me
een weg door stenen vrat, aan de tepels van de nacht
zoog, zou gelogen zijn. Het regende niet. Wolken?
Die waren er niet.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Mirko Wenig (Gera, 3 augustus 1977)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e augustus ook mijn blog van 3 augustus 2023 en ook mijn blog van 3 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 3 augustus 2016 en mijn blog van 3 augustus 2015 en eveneens van 3 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:25 Reageer op dit bericht

Jussi Adler-Olsen, Conrad Aiken

De Deense schrijver Carl Henry Valdemar Jussi Adler-Olsen werd geboren op 2 augustus 1950 in Kopenhagen. Zie ook alle tags voor Jussi Adler-Olsen op dit blog.

Uit: De vrouw in de kooi (Vertaald door Kor de Vries)

“Carl deed een stap naar de spiegel toe en liet een vinger over zijn slaap glijden, daar waar de kogel hem had geschampt. De wond was genezen, maar het litteken was duidelijk te zien onder zijn haar, als iemand tenminste zou willen kijken. Wie zou dat in godsnaam willen? dacht hij terwijl hij zijn gezicht bestudeerde. Nu was te zien dat hij was veranderd. De rimpels rond zijn mond waren dieper geworden, de randen onder zijn ogen donkerder, en zijn blik liet een innerlijke onverschilligheid zien. Carl Mørck was niet langer zichzelf, de ervaren rechercheur die voor zijn werk leefde en ademde. Niet meer de lange, elegante Jut die wenkbrauwen liet fronsen en lippen uiteen deed wijken. wat moest hij daar in godsnaam ook mee? Hij knoopte zijn overhemd dicht, trok zijn jas aan, goot het laatste restje koffie naar binnen en trok de voordeur hard achter zich dicht, zodat de overige bewoners van het huis begrepen dat ze nu uit de veren moesten zien te komen. Zijn blik viel op het naambordje op de deur. Nu werd het hoog tijd het te vervangen. Het was al lang geleden dat het lang geleden was dat Vigga was verhuisd. En hoewel ze nog niet waren gescheiden, die race was gelopen. Hij draaide zich om en liep in de richting van het paardenpad. Als hij over twintig minuten de trein haalde, dan kon hij ruim een halfuur bij Hardy in het ziekenhuis zijn, voor hij door moest naar het bureau. Hij zag de kerk rood uitsteken boven de kale bomen en probeerde zichzelf eraan te herinneren hoeveel mazzel hij ondanks alles had gehad. Slechts twee centimeter naar rechts en Anker had nog steeds geleefd. Slechts een centimeter naar links, dan was hij zelf gedood. Een paar grillige centimeters die hem hadden gescheiden van de tocht langs de groene weilanden en de koude graven een paar honderd meter voor hem. Carl probeerde het te begrijpen, maar dat was moeilijk. Hij wist niet veel over de dood zelf. Alleen dat hij zo onvoorspelbaar kon zijn als een blikseminslag, en zo onmetelijk stil als hij was ingetreden.
Hij wist daarentegen alles over hoe heftig en zinloos het was om dood te gaan. Dat wist hij écht.”

 


Jussi Adler-Olsen (Kopenhagen, 2 augustus 1950)

 

 

De Amerikaanse schrijver en dichter Conrad Potter Aiken werd geboren in Savannah, Georgia op 5 augustus 1889. Zie ook mijn blog van 5 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Conrad Aitken op dit blog.

 

Improvisaties: Licht en Sneeuw: 03

De eerste klok is zilver,
En duisternis ademend denk ik alleen aan de lange zeis van de tijd.
De tweede klok is karmozijnrood,
En ik denk aan een feestnacht, met vuurpijlen
Die de hemel doorboren met rood, en een zachte tinteling van sterren.
De derde klok is saffraan en traag,
En ik aanschouw een lange zonsondergang boven de zee
Met muur aan muur kasteelachtige wolken en glinsterende balustrades.
De vierde klok is bronskleurig,
Ik loop langs een bevroren meer in het doffe licht van de schemering:
Gedempte scheuren lopen door het ijs,
Bomen kraken, vogels vliegen.
De vijfde klok is koud, helder azuurblauw,
Delicaat getint met groen:
Een gouden ster hangt erin te smelten,
En daarheen, slaperig, ga ik.
De zesde klok is alsof een kiezelsteen
In een diepe zee ver boven me is gevallen…
Klankkringen verdwijnen langzaam in de stilte.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Conrad Aiken (5 augustus 1889 – 17 augustus 1973)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e augustus ook mijn blog van 2 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 2 augustus 2018 en ook mijn blog van 2 augustus 2017 en ook mijn blog van 2 augustus 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:04 Reageer op dit bericht

Augustus (Adriaan Morriën), Mehis Heinsaar, Alfred Lord Tennyson

 

Bij het begin van augustus

 


Augustus, weg door de velden door Swetlana Romanuk, 2019

 

 

 

Augustus

De open hemel en het toegenegen
stadspark waardoor wij naar de vijver gaan;
hoe dikwijls hebben wij hier reeds gestaan
of ginder in het zachte gras gelegen.

Dan kwam zo stil de milde avond aan
en schudde aan de boom waarbij wij zwegen:
het is je tijd – ik liet haar los, wij keken
naar ’t water met de moegezwommen zwaan.

Tussen de stammen scheen de groene maan,
de wind blies zacht verlangen door de blaren,
zij kamde loom de bloesem uit haar haren.

En ik die heel de avond lag gebogen
over haar mond, het wonder van haar ogen,
moest zoet besneeuwde donkre wegen gaan.

 


Adriaan Morriën (5 juni 1912 – 7 juni 2002) 
De Vissershaven in IJmuiden, de geboorteplaats van Adriaan Morriën

 

 

De Estse schrijver Mehis Heinsaar werd geboren op 1 augustus 1973 in Tallinn. Zie ook alle tags voor Mehis Heinsaar op dit blog.

 

 

Ode aan de merel

Maar het meest
bewonder ik de merel
zoals hij steevast
naast de noten zingt,
als een doezelend neuriënde halfgod
of een van regen en zon
volgelopen draaiorgel
opent hij zijn snavel
voor het zoveelste maffe drinklied

terwijl de mees, de leeuwerik en de vink
hun Strauss ten beste geven
in het ritme van ochtendgloedwalsen,
met een beproefde kwaliteit –
als welgetemperde klavieren,
en er zelfs slapend spelend
nooit één keer naast zitten…

Maar nog meer
houd ik toch van de merel,
die halfzotte drinkebroer in monnikspij
die door een dief gepikte trompet
die alsmaar malle melodietjes
uit zijn mouw blijft schudden,
gewijd aan de revolutie
van de luiwammesen,

hoor dan toch,
hoor dan!
alleen maar kwarttonen en halve
geen enkele hele,

o, ik kan mijn leven lang
blijven luisteren
naar dat gesjeesde
wonderkind!

 

Vertaald door Frans van Nes

 

 


Mehis Heinsaar (Tallinn, 1 augustus 1973)

 

 

De Engelse dichter Alfred, Lord Tennyson werd geboren op 6 augustus 1809 in Somersby, Lincolnshire, England. Zie ook alle tags voor Alfred Tennyson op dit blog.

 

Voorbij de havenmond

Glinstert de avondster,
ik moet de haven uit!
En laat de zandbank zwijgen als de ster,
wanneer ik zeewaarts stuit.

’t Is zulk getij dat slaapt en toch beweegt,
zonder geluid en schuim,
wanneer wat kwam vanuit de diepste zee
keert terug in ’t ruim.

Schemer en avondbel,
en duisternis daarna!
En schrei geen zoute tranen van vaarwel,
wanneer ik ga;

al draagt vanuit de grens van Plaats en Tijd
de vloed mij van de grond,
ik hoop mijn Loods te zien die naast mij schrijdt
voorbij de havenmond.

 

 

Vertaald door H. F. H. Reuvers

 


Alfred, Lord Tennyson (6 augustus 1809 – 6 oktober 1892)
Portret door Samuel Laurence, ca. 1840

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e augustus ook mijn blog van 1 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 1 augustus 2019 en ook mijn blog van 1 augustus 2017 en ook mijn blog van 1 augustus 2011 deel 3.

Geschreven door Romenu om 17:12 Reageer op dit bericht

Cees Nooteboom, Jill McDonough

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

Uit: Rituelen

“Op de dag dat Inni Wintrop zelfmoord pleegde stonden de aandelen Philips 149,6o. De slotkoers van Amsterdamse Bank was 375 geweest en Scheepvaart Unie was gezakt naar 141,50. Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil. En dat is wat hij zich herinnerde, áls hij zich iets herinnerde, de koersen, en dat de maan in de gracht geschenen had, en dat hij zich had opgehangen in zijn wc omdat hij in zijn eigen horoscoop in Het Parool voorspeld had dat zijn vrouw ervandoor zou gaan met een ander en dat hij, Leeuw, dan zelfmoord zou plegen. Het was een volmaakte voorspelling. Zita ging ervandoor met een Italiaan en Inni pleegde zelfmoord. Een gedicht van Bloem had hij ook nog gelezen, maar hij wist niet meer welk. De hond, dat eigenwijze dier, liet het wat dat betreft afweten. Het was zes jaar daarvoor, op de trappen van het Paleis van Justitie aan dezelfde Prinsengracht, dat hij de nacht voor zijn huwelijk net zulke echte tranen gehuild had als Zita toen hij haar ontmaagdde in een kamer vol kikkers en reptielen in de Valeriusstraat. En om dezelfde reden. Duistere voorgevoelens, en een peilloze angst om iets, wat dan ook, al was het maar door een teken of ceremonie, aan zijn leven te veranderen. Hij hield veel van Zita. In het geheim, alleen tegen zichzelf, noemde hij haar de prinses van Namibië. Ze had dan ook groene ogen en glanzend rood haar en de matte witroze huid die daarbij hoort, allemaal kenmerken van de hoogste Namibische adel, en ze beschikte over een stille, terughoudende verbazing die in alle provincies van Namibië als de ware deugd van de aristocratie wordt beschouwd. Zita hield misschien nog veel meer van Inni. Het was alleen maar omdat Inni niet van zichzelf hield dat alles was misgegaan. Er waren natuurlijk ook mensen die beweerden dat het kwam doordat ze alle twee zulke idiote namen hadden, maar zowel Inni (Inigo, naar de beroemde Engelse architect) als Zita (de moeder van de prinses van Namibië was een aanhangster van het Huis van Habsburg) wist dat de vreemde geluiden die hun namen vormden hen uittilden boven en afzonderden van de rest van de wereld, en ze konden dan ook uren in bed doorbrengen met Inni Inni Zita Zita, en bij bijzondere gelegenheden ook met fluwelen varianten, Zinnies, Itas, Inizitas, Zinnininitas, Itizitas, koppelingen van namen en lichamen die ze op zulke momenten wel altijd hadden willen laten voortduren, maar er is nu eenmaal geen grotere vijandschap dan tussen het geheel van de tijd en elk willekeurig, afzonderlijk deel ervan, dus dat ging niet.”

 

 


Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Jill McDonough werd geboren in Hartford, Connecticut in 1972 en groeide op in North Carolina. Zie ook alle tags voor Jill McDonough op dit blog.

 

 

12-uursdiensten

Een dronepiloot werkt een dienst van twaalf uur en gaat dan naar huis
naar het echte leven. Hij doucht, eet zijn avondeten, speelt videogames.
Twaalf uur later komt hij terug, geeft high-fives en neemt de drone

over van andere piloten, die Homeland kijken, afwassen en hopen dat ze
niet dromen in alle schermen, slechte kills, allemaal slow-motion freeze-frames.
Een dronepiloot werkt een dienst van twaalf uur en gaat dan naar huis.

Een kleine kamer, een pilotenstoel, de microfoon en koptelefoon
vullen zijn gedachten, brengen hem ergens anders heen. Weer een dag,
weer een dollar: zweven en verplaatsen, twaalf uur boven de huizen van vreemden.

Ga even langs de winkel, het is Muzak, haal de Cheerios,
ga naar de sportschool als je geluk hebt. Ga terug naar je baby’s, speel
met Barbies, speel met blokken. Twaalf uur later, kom terug. Neem de drone over.

De geur van verbrande koffie in de lounge, de verschuivende killzone.
Een missie die op het laatste moment wordt afgebroken, en de majoor die je
naam vergeet.
Een dronepiloot werkt een dienst van twaalf uur en gaat dan naar huis.

Het gebeurt in onze naam, maar we hoeven het niet te weten. Ons eigen
leven, onze diensten, onze uren, ketsten de hele dag af op de schermen.
Een dronepiloot werkt een dienst van twaalf uur en gaat dan naar huis;
Verfrist door twaalf vrije uren komt er een ander binnen die onze drone overneemt.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Jill McDonough (Hartford, Connecticut, 1972)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e juli ook mijn blog van 31 juli 2018 en ook mijn blog van 31 juli 2017 en ook mijn blog van 31 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 14:35 Reageer op dit bericht

Patrick Modiano, Thomas Rosenlöcher

De Franse schrijver Patrick Modiano werd geboren in Boulogne-Billancourt op 30 juli 1945. Zie ook alle tags voor Patrick Mondiano op dit blog.

Uit: De straat van de donkere winkels (Vertaald door Edu Borger)

“Ik ben niets. Niets dan een lichte gestalte, die avond, op het terras van een café. Ik wachtte tot de regen op zou houden, een stortbui die was begonnen op het moment dat Hutte me verliet. Een paar uur eerder waren we voor het laatst in de vertrekken van het Kantoor bijeen geweest. Hutte zat zoals altijd achter het massieve bureau, maar hij had zijn jas aangehouden zodat je echt de indruk kreeg dat het om een afscheid ging. Ik zat tegenover hem in de voor cliënten bestemde leren fauteuil. De opaalglazen lamp verspreidde een fel licht dat me verblindde. `Nou, je ziet het, Guy… Het is afgelopen…,’ zei Hutte met een zucht. Er slingerde een dossier op het bureau. Misschien dat van het donkerharige mannetje met zijn ontstelde ogen en zijn bolle gezicht dat ons had opgedragen zijn vrouw te volgen. ’s Middags zocht ze een ander donker mannetje met een bol gezicht op, in een gemeubileerd hotel in de rue Vital in de buurt van de avenue Paul-Doumer. Hutte streek peinzend over zijn baard, een peper-en-zout-kleurige baard, die, hoewel hij kort was, een groot deel van zijn wangen overwoekerde. Zijn grote, lichte ogen staarden in de verte. Links van het bureau de rieten stoel waarin ik zat wanneer er gewerkt moest worden. Over de helft van de wand achter Hutte waren donkerkleurige planken bevestigd: er stonden rijen van allerlei adresboeken en telefoongidsen van de laatste vijftig jaar op. Hutte had me vaak gezegd dat het onvervangbaar gereedschap was waar hij nooit afstand van zou doen. En dat die adresboeken en telefoongidsen de kostbaarste en aangrijpendste bibliotheek vormden die je maar kon hebben, want op die bladzijden waren heel wat verdwenen wezens, zaken en werelden geregistreerd waar zij als enige getuigenis van aflegden. Wat gaat u met al die adresboeken doen?’ vroeg ik aan Hutte, terwijl ik met een breed armgebaar naar de boekenplanken wees. Die laat ik hier, Guy. Ik blijf deze etage huren.’
Hij wierp een snelle blik om zich heen. De twee klapdeuren, die toegang gaven tot het zijkamertje, stonden open en je zag de versleten fluwelen canapé, de schoorsteenmantel en de spiegel waarin het beeld van de rijen telefoongidsen en adresboeken en het gezicht van Hutte weerkaatst werden. Dikwijls wachtten onze cliënten in dat vertrek. Een Perzisch tapijt beschermde het parket. Bij het venster hing een icoon aan de muur. `Waar denk je aan, Guy?’ `Aan niets. Dus u houdt de huur aan?”

 


Patrick Modiano (Boulogne-Billancourt, 30 juli 1945)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

Hofstede

Stap het erf op. De ploeg,
overwoekerd, zakt in de aarde, de wagen
valt onmerkbaar uit elkaar, de paarden
knikken in hun graven.
Vul je zakken, de perenboom
zal spoedig omgevallen zijn, het huis,
aardehongerig, zakte al door de knieën.
Klim door de gebroken muren,
ontsteek een vuur in de verbrijzelde haard,
wees niet bang, hij die naast je hurkt,
hurkt daar om met je te zwijgen,
terwijl de hemel boven jullie staat,
voor de schedeldaken een dak.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947) 

 

 

Zie voor nog de schrijvers van de 30e juli ook mijn blog van 30 juli 2024 en ook mijn blog van 30 juli 2020 en eveneens mijn blog van 30 juli 2019 en ook mijn blog van 30 juli 2017 en ook mijn blog van 30 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:54 Reageer op dit bericht

Chang-Rae Lee, Thomas Rosenlöcher

De Koreaans-Amerikaanse schrijver Chang-Rae Lee werd geboren op 29 juli 1965 in Seoel. Zie ook alle tags voor Chang-Rae Lee op dit blog.

Uit: My Year Abroad

“I WON’T SAY WHERE I am in this greatish country of ours, as that could be dicey for Val and her XL little boy, Victor Jr., holies a place like most others, nothing Ice awful or uncomfortable, with no enduring vistas or distinctive traditions to admire, no funny accents or habits of the locals to wonder at or find repellent .Call it whatever you like, but I’ll refer to it as Stagno, for while ifs definitely landlocked here, several bodies of murky water dot the area. There’s a way that the days here curdle like the gunge that collects on the surface of a simmering broth, gunge you must constantly gunge away. Still, Stagno serves its purpose. Ifs so ordinary that no one too special would ever choose to live here, though well populated enough that Val and Vigor Jr. and I don’t stand out. And we ought to stand out. For it would be natural to ask what a college-age kid was doing shacked up with a thirtysomething mom and her eight-year-old son, and why neither of us worked a job, or why the boy didn’t go off to school. Do we ever leave the house? For a brief period, we did, but not much anymore. We stream movies and shows. Val is ordering everything online again, including groceries, the only item she regularly ventures out for being a grease-soaked foot-long hoagie named the Widowmaker that is the carrot for Victor Jr. when he reaches his daily tolerance for our homeschooling. There is no slick- Val handles social studies and arts and I cover math and science, but all in all we get a C+ for conception, execution, and effort, which Victor Jr. is well aware of and is undoubtedly banking on using against his mother someday,. He’s a exceedingly smart, cute kid, if notably hirsute, something genetically cross-wired for sure because a kid his age shouldn’t have arm and leg and back hair and definitely not the downy mustache, the nap of which the boy caresses whenever he’s noodling his human child’s plight. In the future Victor Jr. may strategically deploy my name, but we still can’t predict the full extent of my presence in his life. What we know is this: Val and I have a good thing going. We try to see our roles as limited in scope and intensity. We aren’t aspiring to all-time greatness, whether in homeschooling or partnering. We aren’t each other’s stand-ins for the world-as-it-should-be.”

 

 


Chang-Rae Lee (Seoel, 29 juli 1965)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

Het bevende beeld

Langs de grenshelling, afwaarts waar het stil was,
Liep nog een bergbeek neer over een steen.
Het oppervlak, dat lichtelijk gebold was,
was vast als glas en beefde nauwelijks
toen ik mijn lippen legde op het vlak.
En onder mij, diep onder ’t ijs van ’t water,
de bloemen en de varens wuiven zag
en dieper nog, in een spelonk
van roerloos glanzende metalen,
de keverkoning en de schuimcicade,
de schuimcicade en de keverkoning
op gouden voeten zich naar achter spoeden,
als zag ik van mijn kindertijd de grond.
IJzige kou drong door tot in mijn brein.
Vlamdiamanten schoten heen en weer.
Mijn diepgezonken ogen echter keken
tijdens het zinken mij vreemd smekend aan.
En daar verrees het bleek beeld van een sater.
’t Voorhoofd in ridicule ernst geplooid,
Het oog tevreden als met lood verzegeld.
De bril van nikkel. En de neus een knol.
Totdat, genadig, ’t water rimpelde.
De onschuld weet niet, welke pijp zij rookt.
De voettocht hiernaartoe kostte drie dagen
en vijf minuten verder ging een bus.

 

Vertaald door Wiebe Hogendoorn

 


Thomas Rosenlöcher (29 juli 1947 – 13 april 2022) 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juli ook mijn blog van 29 juli 2024 en ook mijn blog van 29 juli 2022 en ook mijn blog van 29 juli 2017 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:02 Reageer op dit bericht

Remco Campert, Claudia Gabler

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

 

 

Voorbeeldig

Altijd valt het voorgeschreven blad
in altijd weer andere warreling
op het altijd weer meer of minder natte
meer of minder tanige gras.

Het is nadoen
maar anders.

Het is voordoen.

 

 

Vluchtelingen

Vluchtelingen worden bij voorkeur vertoond
voor het prikkeldraad van een land in Europa
dat zijn grens gesloten houdt

vluchteling
het is zo’n veilig woord
je vergeet bijna dat het een mens is
eens vol van het licht van zijn toekomst
verknald door het streven
van een machtsbeluste dictator

mensen knippen gaten in prikkeldraad
zwaarbewapenden houden hen tegen
onmenselijkheid viert triomf

 

 

Kerken

Overal
Staan nog kerken, steeds weer
Opgebouwd. Men kan er altijd wel
Eén of twee vrouwen in vinden,
Biddend voor neven, voor eigen heil,
Voor dat van de wereld zodoende.

Het is stil in de kerken, stiller
Dan in een windstille natuur.
Kouder ook, kouder dan
Op een bevroren meer. Stil en koud
Zijn de kerken; men zegt, sereen.
Op vastgestelde uren kunt u er zingen.

Kerken staan in steden en dorpen,
Verspreid door het land, zoals
Benzine-stations: een man in
Overall poetst de ruiten, vult
De tank, ontvangt zijn geld, gaat
Naar binnen, leest zijn krant.

 


Remco Campert (28 juli 1929 – 4 juli 2022)

 

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

 

Hier werd niets uitgemeten dat niet volledig
verwilderd was. Zelfs vochtige chipszakken en nog

warme theekopjes stonden nauwelijks scheef. Dit huis
had maar één kamer met meerdere

kroonlijsten, maar of het een echte knie was, was vanaf hier-
boven moeilijk te zien. Provincialiteit stond hoog

aangeschreven, maar toen stond er plotseling
een zestienjarig meisje met gestreept T-shirt en mobieltje

voor ons. Dat was geen vroomheid, en ik zag
hoe onze ego’s het opnamen tegen de ruïnes:

de middagzon, de structuur van de gebedenboeken,
het ritme van de refreinen, en overal klaprozen in

onze kleren, in onze bagage overal klaprozen, en
tot slot de scheve vouw van de wandelkaarten. 

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2020 en eveneens mijn blog van 28 juli 2019 en ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:44 Reageer op dit bericht

Michael Longley

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. De dichter overleed op 22 januari jongstleden op 85-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

 

Christopher At Birth

Your uncle, totem and curator bends
Above your cot. It is you I want to see.
Your cry comes out like an eleison.
Only the name tag round your wrist extends
My surprised compassion to loyalty.
Your mother tells me you are my godson.
You would know
The previous room still moulds your shape
Which lies unwashed, out of its element,
Smelling like rain on soil. I stoop to lift
You out of bed and into my landscape,
Last arrival, obvious immigrant
Wearing the fashions of the place you left.
As winds are balanced in a swaying tree
I cradle your cries. And in my arms reside,
Till you fall asleep, your uncontended
Demands that the world be your nursery.
And I, a spokesman of that world outside,
Creation’s sponsor, stand dumbfounded,
Although there is such a story to unfold
– Whether as forecast or reminder –
Of cattle steaming in their byres, and sheep
Beneath a hedge, arranged against the cold,
Our cat at home blinking by the fender,
The wolf treading its circuits towards sleep.

 

 

An Amish Rug

As if a one-room schoolhouse were all we knew
And our clothes were black, our underclothes black,
Marriage a horse and buggy going to church
And the children silhouettes in a snowy field,
I bring you this patchwork like a smallholding
Where I served as the hired boy behind the harrow,
Its threads the colour of cantaloupe and cherry
Securing hay bales, corn cobs, tobacco leaves.
You may hang it on the wall, a cathedral window,
Or lay it out on the floor beside our bed
So that whenever we undress for sleep or love
We shall step over it as over a flowerbed.

 

 

War & Peace

Achilles hunts down Hector like a sparrowhawk
Screeching after a horror-struck collared-dove
That flails just in front of her executioner, so
Hector strains under the walls ofTroy to stay alive.
Past the windbent wild fig tree and the lookout
Post they both accelerate away from the town
Along a cart-track as far as double well-heads
That gush into the eddying Scamander, in one
Warm water steaming like smoke from a bonfire,
The other running cold as hailstones, snow water,
Handy for the laundry-cisterns carved out of stone
Where Trojan housewives and their pretty daughters
Used to rinse glistening clothes in the good old days,
On washdays before the Greek soldiers came to Troy.

 

 

HET PATROON

Op de kop af zesendertig jaar na ons trouwen,
toen er een koude, figuur-onthullende wind tegen je aan woei
en je sluier oplichtte, vind ik in zijn dikke envelop
het Vogue-patroon van zes shilling van je bruidsjapon,
gecompliceerde handleiding voor het naaien van lijfje
en rok, dubbele plooien en zomen, vloeipapieren knippatronen,
Gelijkenissen van huid die ik zenuwachtig openvouw
en in sneeuwlicht omhooghoud, want het heeft gesneeuwd
op deze windstille dag, en ik zie een glimp van je bruidsjurk
en witte schoenen buiten in de getransformeerde tuin
waar de waslijn en alle twijgen bedekt zijn.

 

Vertaald door Ko Kooman

 

 


Michael Longley (27 juli 1939 – 22 januari 2025)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juli ook mijn blog van 27 juli 2020 en eveneens mijn blog van 27 juli 2018 en ook mijn blog van 27 juli 2017 en ook mijn blog van 27 juli 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:49 Reageer op dit bericht

Arthur Japin, Dan Coman

De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook alle tags voor Arthur Japin op dit blog.

Uit: Het Stravinsky-spel

“Al wat leefde, zweeg. Dit was het eerste wat opviel en het enige waaraan ik al die weken niet zou wennen. Vanuit het gebroken stadshart, niet meer dan een paar straten tussen de heuvels langs de smalle bedding van de bloedrode Miljacka, welde stilte op. Wijk na wijk raakte erdoor overspoeld, van de bazaar en stegen in de Ottomaanse buurt naar de statige straten in het Oostenrijks-Hongaarse deel tot diep in Tito’s droom, de breed opgezette communistische betonbouw. Toen ik aankwam, lag Sarajevo overweldigend geruisloos voor me; doodse pleinen, sprakeloze stegen.
Van een belegering had ik het denderend tegendeel verwacht, schoten, ontploffingen, gejammer, zoals de wereld het dagelijks in de journaals te horen krijgt, nooit deze afwezigheid van leven. Of nee, afwezig was het niet. Hiervoor ontbrak ieder geluid er te nadrukkelijk. Intens, alsof de stad haar adem inhield, handen stijf tegen de mond gedrukt om de minste ruis van rouw uit alle macht te onderdrukken. Zoveel huiskamers waar al maanden niets meer viel te zeggen, te veel bedden waarin voorgoed gezwegen werd. Hoeveel van die brokkelende appartementen, vroeg ik me af, hoeveel etages in de flatgebouwen, gruizig na een jaar als schietschijf, waren er van gesneuvelden geweest en stonden leeg? Dit was een stilte waarvan geen enkele rust uitging, zoals in de natuur, maar dreiging, de zekerheid dat een schreeuw haar weldra zou doorbreken.
Ten westen van de stad, aan de voet van schitterende bergen, hadden wij een zogenaamde hete landing gemaakt, waarbij de motoren ook tijdens het uitstappen blijven draaien. Van het toestel sprintten we naar de zwaar beschadigde terminal, die voor de Olympische Spelen, negen jaar eerder, nieuw was gebouwd. Wij moesten een hoge stalen afzetting passeren en het kordon van zwaarbewapende UNPROFOR-soldaten, die met gespannen blik hun geweer richtten op alles wat bewoog. Hierna viel er geen ziel meer te bespeuren. Of misschien waren er wel mensen, maar hadden ze geleerd weg te duiken, zodra er iets of iemand naderde. Langs de straten waren muren van containers geplaatst om achter te schuilen zodra er werd geschoten. Hoe het ook zij, buiten het vliegveld zag ik geen levend wezen.
Veel kans om rond te kijken kreeg ik trouwens niet. lk had gehoopt op een van de witte VN-pantserwagens die je op tv ziet, maar die waren deze ochtend in gebruik voor hoog bezoek. Hasan, de chauffeur die de UNHCR had ingehuurd voor Susan, moest me dus ophalen in zijn eigen auto, een oude Volkswagen Golf, waarin ik plankgas naar het Holiday Inn vervoerd werd, plat op de achterbank, schuil achter afgeplakte ramen.”

 

 


Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)

 

 

De Roemeense dichter en schrijver Dan Coman werd geboren op 27 juli 1975 in Gersa in de provincie Bistrita-Nasaud. Zie ook alle tags voor Dan Coman op dit blog.

 

De Verkrachting

Ik ben geen moment gestopt met tegen mezelf te praten als tegen een vrouw,
maar vandaag overtreft mijn schaamteloosheid mijn verbeelding.
Het is na middernacht en al een uur lang draai ik rond en rond,
met duizelingwekkende snelheid, en kus ik mijn handen.
Ik heb geen macht om me in te houden. Het gaat mijn macht te boven.
Alleen al de wetenschap dat ik daar in hem ben en mijn lichaam reageert,
als tien krolse katten bij elkaar, als geen ander.
Ik heb alles geprobeerd. Volledige stilte, totale rust. Het is tevergeefs.
Elke keer dat ik sprak, stond mijn mond klaar om zichzelf te verslinden,
vanwege zulke sonore pracht, zulke beheersing.
Maandenlang heb ik geprobeerd mezelf te vernederen. Volkomen tevergeefs.
Eerlijk gezegd: ik ben nooit gestopt met tegen mezelf te praten als tegen een vrouw,
maar vandaag, toen ik er nauwelijks in was geslaagd mijn lichaam in slaap te krijgen,
was de spanning tussen hem en mij bijna verdwenen. Hoewel niets krachtiger was en niets me kon stoppen:
Ik verhief mezelf in al mijn pracht boven mijn lichaam, ik klemde hem vast tussen de kussens
en alsof hij een vrouw was, waren een paar krachtige en precieze manoeuvres genoeg
om met zijn onderdrukte geschreeuw mijn geschreeuw te overstemmen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Dan Coman (Gersa, 27 juli 1975)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn blog van 26 juli 2020 en eveneens mijn blog van 26 juli 2018 en ook mijn blog van 26 juli 2017 en eveneens mijn blog van 26 juli 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:26 Reageer op dit bericht

Lieke Marsman, Claudia Gabler

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

 

Ik sta klimop opzij en zie

Iemand heeft me zojuist vijf keer door de borst geschoten.
Uit mijn eigen revolver kwamen enkel stuiterballen.

Uit mijn eigen leven gegrepen zaken kunnen niet begrepen worden,
enkel ontwaard totdat ze waar lijken.

Stel je voor dat er een einde was aan ontegenzeggelijk zwijgen
ten overstaande van het gehamer vanbinnen.

Stel je voor dat verdriet niet langer je tweede naam is,
maar wat als het de naam van je zonen en dochters zal zijn?

 

 

De hele wereld

Het allerliefst zou ik zo hard spreken dat ik iedereen de hele
wereld rond sprak, dan kwam iedereen altijd terug. Maar als je
zo hard praat krijg je te maken met de terugslag van je adem,
waarna we elkaar opnieuw voorbij zouden zweven.

Het allerdomst zijn de mensen die zich afvragen of een vallende
boom wel geluid maakt als er niemand is om toe te horen. Wie
durft te beweren dat een gevallen kind niet huilt omdat er
niemand is die het troost?

Het allerbest zijn de mensen met een broodtrommel, voor hen
wil ik lunch maken.

Het allervervelendst is het feit dat niet alles in woord te vatten is.
Als je verdriet kon vangen kon je het in een kooi stoppen en het
als een papegaai verzorgen, het dit woord laten zeggen: geluk.
Het je laten herhalen. Als je jezelf kon herhalen, zou je nu
zeggen: geluk.

Het allermoeilijkst vind ik dingen uit handen geven. Wie geen
dingen uit handen geeft, zal in ieder geval geen blaren zien, maar
ook nooit een tamme kanarie vast kunnen houden.

Het allermooist vond ik je toen we elkaar voor het eerst
aankeken, hoewel je dan eigenlijk alleen de ogen ziet, die bij
iedereen hetzelfde zijn.

Het allerbijzonderst ter wereld is liefde, zeg je, maar ik kijk naar
de grijze massa van mensen, die het allemaal voelen.

 

 

Ik hoef geen einde te breien

Ik hoef geen einde te breien
Aan iets dan onherroepelijk stilstaat.

Ik moet niet schuilen in iemand anders gezicht,
of daar moedeloos van worden. Ik moet iets uittekenen

dat een landkaart zal blijken, een tocht beginnen,
mooi en onuitputtelijk zijn, als woorden, als worden.

Ik hoef geen deur open te zetten
om haar binnen te laten. Alleen een raam dicht te doen
dat ze in zal willen slaan.

 

 


Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Onze plaatselijke tuinen hadden ons afgewezen

Onze plaatselijke tuinen hadden ons afgewezen,
zelfs de bloemen waren als onze vroegere vrienden nu verdwenen.
Dus kozen we voor andere steden,
hun geluidskwaliteit was doorslaggevend.

De nieuwe zwembaden lesten snel onze dorst naar douchewater,
maar tegen insecten beschermt de groene grens niet.
Ook niet tegen wilde dieren.
De buren waren echte gevoelsterroristen.

Wijzelf klaagden over berengeluiden
en werden heel terloops onze eigen ergste vijanden.
Ons vroegtijdige gezoem hing nu boven de nieuwe tuinen als een provinciale symfonie.
Maar het was opnieuw het water, dat redding bracht.

Warmwaterbronnen en de daarin gevierde, enigszins tsaristische levenslust
verhinderde het gebruik van vuurwapens. Heel plotseling waren we erg vrolijk.
Ook al waren we omringd door bontproducten en wisten we duidelijk:
Hier blaft een Siberische hond.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970

 

Zie voor de schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2020 en eveneens mijn blog van 25 juli 2018 en eveneens mijn blog van 25 juli 2017.

Geschreven door Romenu om 17:19 Reageer op dit bericht

Robert Graves, Katia Mann

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

 

 

In the Beginning Was a Word

The difficulty was, it was
Simple, as simple as it seemed;
Needing no scrutinizing glass,
No intense light to be streamed.

Upon it. It said what it said
Singly, without backthought or whim,
With all the strictness of the dead,
Past reason and past synonym.

But they, too dull to understand,
Laboriously improvised
A mystic allegory, and
A meaning at last recognized:

A revelation and a cause,
Crowding the cluttered stage again
With saints’ and sinners’ lies and laws
For a new everlasting reign.

 

 

Recalling War

Entrance and exit wounds are silvered clean,
The track aches only when the rain reminds.
The one-legged man forgets his leg of wood
The one-armed man his jointed wooden arm.
The blinded man sees with his ears and hands
As much or more than once with both his eyes.
Their war was fought these twenty years ago
And now assumes the nature-look of time,
As when the morning traveller turn and views
His wild night-stumbling carved into a hill.

What, then, was war? No mere discord of flags
But an infectionof the common sky
That sagged ominously upon the earth
Even when the season was the airiest May.
Down pressed the sky, and we, oppressed, thrust out
Boastful tongue, clenched fist and valiant yard.
Natural infirmiries were out of mode,
For Death was young again: patron alone
Of healthy dying, premature fate-spasm.

Fear made fine bed-fellows. Sick with delight
At life’s discovered transitoriness,
Out youth became all-flesh and waived the mind.
Never was such antiqueness of romance,
Such tasty honey oozing from the heart.
And old importances came swimming back
Wine, meat, log-fires, a roof over the head,
A weapon at the thigh, surgeons at call.
Even there was a use again for God &mdash
A word of rage in lack of meat, wine, fire,
In ache of wounds beyond all surgeoning.

War was return of earth to ugly earth,
War was foundering of sublimities,
Extinction of each happy art and faith
By which the world had still kept head in air,
Protesting logic or protesting love,
Until the unendurable moment struck
The inward scream, the duty to run mad.

And we recall the merry ways of guns
Nibbling the walls of factory and church
Like a child, piecrust; felling groves of trees
Like a child, dandelions with a switch.
Machine-guns rattle toy-like from a hill,
Down in a row the brave tin-soldiers fall:
A sight to be recalled in elder days
When learnedly the future we devote
To yet more boastful visions of despair.

 

 

Het strand

Harder dan meeuwen schreeuwen de kleine kinderen
die vaders het vrolijke schuim in trekken;
maar anderen rennen er onbevreesd in, tot borsthoogte,
en lachen het zoute water uit hun monden –
helden van de kinderkamer.

De geile schipper, die walvissen heeft gezien
en vliegende vissen, die zo ver is gevaren
als Demerara en Ivoorkust,
zal hen waarschuwen, wanneer ze zich verdringen
om zijn verhalen te horen,
dat elke oceaan naar teer ruikt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)

 

 

De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook alle tags voor Katia Mann op dit blog.

Uit: Katia Mann: Meine ungeschriebenen Memoiren

„Wir fuhren zusammen nach Meran, mein Mann und ich und Urmiemchen. So nannten wir sie, weil meine Kinder sie Urmiemchen nannten. Urmiemchen fuhr mit, und da sagte sie: Ach, Tommy! Tommy! Komm doch bitte mal schnell in mein Coup& denn weißt du, hier im Schlafwagen ist ja alles für Riesen eingerichtet. Sie war eine sehr kleine, sehr putzige und in ihrer Art reizvolle, alte Dame. Annette Kolb kannte ich lange, ehe ich Thomas Mann kannte. Ich kannte sie seit meinem zwölften Jahr. Sie verkehrte in meinem Elternhaus und schrieb damals schon. Wir standen uns immer sehr herzlich. Ich duzte mich auch mit ihr von Kindheit an. Dann verkehrte Paul Heyse bei uns, und er wollte es gar nicht glauben, daß ich noch nie etwas von ihm gelesen hatte; er war sehr enttäuscht. Damals war ich vielleicht vierzehn. Er besuchte meine Mutter, und da sagte sie: Ich muß Ihnen doch mal meine Tochter Katia vorstellen. Und dann sagte er: Na, Sie haben doch …? Ich sagte: ja, ich denke doch … Er war ein sehr eitler Mensch und hatte so eine sanfte Stimme und einen weichen kleinen Vollbart und schöne blaue Augen. Max Halbe kannte ich, Wolfskehl, die Gräfin Reventlow. Aber näher habe ich sie alle nicht gekannt. Mein Vater war nicht so sehr dafür, daß ich einen Schriftsteller heirate. Er dachte immer: ein Schriftsteller ist doch nicht so ganz das Richtige, nicht wahr? Das ist doch eher etwas Unseriöses. Er dachte, es müßte ein junger Gelehrter, ein Universitätsprofessor sein, und ich hatte damals, neben anderen, sogar einen Bewerber, der Professor war. Meine Mutter war gleich für eine Heirat mit Thomas Mann, ihr leuchtete es sofort ein. Meinem Vater nicht in dem Maße; aber er hat die Heirat mit Thomas Mann auch nicht verhindert. Er hätte es auch gar nicht gekonnt. Gern sah er es nicht, auch deshalb: als das einzige Mädchen mit den vier Buben war ich so ein kleiner Sonnenschein, nicht? Ich sollte nicht so früh aus dem Haus. Es war ihm nicht recht, wie Väter so sind. Thomas Mann hat das auch ein bißchen in >Königliche Hoheit< geschildert. In meiner Jugend war ich, glaube ich, recht hübsch. Das Traurige ist, daß ich es gar nicht wußte. Es hat eigentlich nie jemand in meiner Familie die Freundlichkeit gehabt, es mir zu sagen.“

 


Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)
Katia Mann in 1927

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2019 en ook mijn blog van 24 juli 2018 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:26 Reageer op dit bericht

Lauren Groff, Claudia Gabler

De Amerikaanse schrijfster Lauren Groff werd geboren op 23 juli 1978 in Cooperstown, New York. Zie ook alle tags voor Lauren Groff op dit blog.

Uit: De weidse wildernis (Vertaald door Lucie Schaap)

“De maan verschool zich achter de wolken. De wind spuwde striemende sneeuwvlagen. Door een kier in de hoge zwarte wand van de palissade, ogenschijnlijk te nauw om een mens door te laten, wrong het meisje zich de grote, griezelige wildernis in. Ze had een kap tot ver over haar gezicht getrokken en ze was van nature tenger, zowel knokig als kinderlijk klein, maar de honger had haar nog verder uitgemergeld, zodat ze vel over been was, haar vlees mager, uitgeteerd, pezig. Maar ook uitgehongerd en verblind door de duisternis was ze nog watervlug. Ze krabbelde op, struikelde bij haar eerste stap, viel bijna, maar wist overeind te blijven en begon te rennen, snel en ineengedoken over de bevroren groeven van de akker en de vele dode maïsstengels die toen ze opkwamen in de zomer al grauw, vruchteloos en verschrompeld waren door de rot. Sneller, meid, zei ze tegen zichzelf, en voortgedreven door angst en vrees holden haar benen sneller.
De stevige schoenen had het meisje gestolen van de zoon van een heer, een jonge knaap half zo oud als zij, maar even groot, die de vorige nacht was bezweken aan de pokken, zijn uitgehongerde gestel als met een roestlaag bezaaid met uitslag. De leren handschoenen en de dikke mantel had ze gestolen van haar mevrouw. Ze verjoeg de herinnering aan de nog wenende vrouw geknield op de bevroren grond van de binnenplaats van dat helse oord. Met elke stap waarmee ze zich verwijderde, verslapte de greep van alles wat daar was op het meisje. Verderop ontwaarde ze een vreemde weerglans op de donkere akkergrond, eenmaal dichterbij zag ze dat het het hemd was van de soldaat die veertien dagen eerder gesnapt was toen hij op zijn buik zijn vege lijf langzaam wegschoof van de gruwelen van het fort naar de andere gruwelen van het bos. Halfweg tussen fort en bomen  verdonkerde in alle stilte een schaduw die op de grond had gelegen, die groeide en zich ten slotte toonde als de meest gevreesde man van dit land, de krijgsman twee koppen groter dan de mannen van het fort, die zichzelf nog vervaarlijker maakte met een wijde donkere mantel van kalkoenveren die hij over zijn schouders droeg. Met één hand trok hij de kruipende angstige soldaat aan zijn haren omhoog en sneed met een mes een lange, natte rode jaap in de keel van de man. Hij liet hem weer vallen, het levensbloed van de inmiddels dode man gutste over de bevroren bodem en eerloos uitgespreid bleef hij daar liggen. Al die tijd had hij daar onbegraven gelegen, want de soldaten van de nederzetting waren van de honger te verzwakt en te laf geraakt om het lijk op te halen.”

 


Lauren Groff (Cooperstown, 23 juli 1978)

 

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

 

Pioniers van de herprogrammering als een vreemd beeld.
De haastig opgeroepen afdelingen maakten onderscheid

voor ons. Tussen de waargenomen en de geleefde stad lagen
hun tijdelijke gebouwen. Emigratie werd dus als zakendoen beschouwd,

maar men onderzocht desalniettemin de ziekte van deze clichés.
Een enorm spektakel voltrok zich, mijn wilde haren

waren verdwenen (verdwenen tussen de slopen). De verandering van tijdperk
in het gesprek werd mijn persoonlijke cross-over,

de koffie op de lakens was dan wel weer grappig.
Maar natuurlijk zien we de vlaggen wapperen aan de rand van de stad.

We strooien suiker in de cacao, en ons ruimtegebruik
wordt onmiddellijk nieuw leven ingeblazen. De thermische broek

en zijn positieve relatie met vochtigheid. Rond de heupen
geleidelijke verdichting, hoe lees je

hoe lees je de wolken ook alweer in de stedelijkheid?

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juli ook mijn blog van 23 juli 2020 en eveneens mijn blog van 23 juli 2019 en ook mijn blog van 23 juli 2018 en ook mijn blog van 23 juli 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:44 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten