Andre Dubus, Enid Blyton, Karl Hoche

De Amerikaanse schrijver en essayist Andre Dubus werd geboren op 11 augustus 1936 in Lake Charles, Louisiana. Hoewel hij een roman schreef, The Lieutenant, in 1967, beschouwde hij zichzelf vooral als een schrijver van korte verhalen. Dubus kende enkele tragedies in zijn leven, zoals de verkrachting van een zus en een autoongeluk, waarbij hij zelf betrokken was. Hij was een zeer vruchtbaar schrijver. Werk o.a. : Separate Flights (1975), Adultery and Other Choices (1977), Finding a Girl in America (1980), The Times Are Never So Bad (1983), Voices from the Moon (1984), The Last Worthless Evening (1986), Selected Stories (1988), Broken Vessels (1991), Dancing After Hours (1996), and Meditations from a Movable Chair (1998).
Uit: Dancing After Hours
„He could not say that on the hill he became great, that he had saved a beautiful girl from a river (the voice then had been gentle and serious and she had loved him), or that he had ridden into town, his clothes dusty, his black hat pulled low over his sunburned face, and an hour later had ridden away with four fresh notches on the butt of his six-gun, or that with the count three-and-two and the bases loaded, he had driven the ball so far and high that the outfielders did not even move, or that he had waded through surf and sprinted over sand, firing his Tommy gun and shouting to his soldiers behind him.
Now he was capturing a farmhouse. In the late movie the night before, the farmhouse had been very important, though no one ever said why, and sitting there in the summer dusk, he watched the backs of his soldiers as they advanced through the woods below him and crossed the clear, shallow creek and climbed the hill that he faced. Occasionally, he lifted his twenty-two-caliber rifle and fired at a rusty tin can across the creek, the can becoming a Nazi face in a window as he squeezed the trigger and the voices filled him: You got him, Captain. You got him. For half an hour he sat and fired at the can, and anyone who might have seen him could never know that he was doing anything else, that he had been wounded in the shoulder and lost half his men but had captured the farmhouse.
Kenneth looked up through the trees, which were darker green now. While he had been watching his battle, the earth, too, had become darker, shadowed, with patches of late sun on the grass and brown fallen pine needles. He stood up, then looked down at the creek, and across it, at the hill on the other side. His soldiers were gone. He was hungry, and he turned and walked back through the woods.“

De Britse schrijfster Enid Blyton werd geboren in Londen op 11 augustus 1897. In Nederland is zij vooral bekend geworden met de serie De Vijf (The Famous Five). Van 1907 tot 1915 ging ze naar de 'St. Christophers School for girls' in Beckenham in Zuidoost - Londen. Haar vader wilde dat ze pianiste zou worden. In 1910 scheidden haar ouders. In die tijd begon ze te schrijven, mogelijk om zich terug te trekken in een fantasiewereld. Samen met haar vriendinnen Mirabel Davis en Mary Attenborough richtte ze een tijdschrift op met de naam DAB, de beginletters van hun achternamen. Op haar 19de ging ze voor onderwijzeres leren. Hierna gaf ze 2 jaar les en daarna woonde ze 4 jaar als gouvernante bij het gezin Surbiton in Zuid-Londen. In 1922 kwam de dichtbundel Child Whispers uit. In 1924 gaf ze haar baan op. In oktober 1943 trouwde ze met de chirurg Kenneth Darrell Waters. In de periode van haar leven op 'Green Hedges schreef ze haar 'grote series' Ze was ook veel bezig het het schrijven en beantwoorden van brieven. In 1960 kreeg ze de eerste verschijnselen van de ziekte van Alzheimer. In 1967 overleed haar man, zij een jaar later. Haar boeken zijn populair in Engeland en Australië, maar zijn ook in 40 talen vertaald.
Uit: De vijf detectives
‘Het is die dikke jongen, Donald Kempenaar, ik weet het zeker’, dacht Goon en fietste zo snel hij kom. ‘Ha, hij vermomde zichzelf weer eens als slagersjongen. Nou, dat heeft hij al eens eerder gedaan en het was niet erg slim om het nog eens te proberen! Ik heb je door, kreng van een jongen! Mijn kostbare tijd verspillen met idiote briefjes! Deze keer heb ik je te pakken. Wacht maar!’
Hij sloeg de oprit in naar Dikky’s huis. Onmiddellijk kwam een klein Schots hondje uit de bosjes tevoorschijn stuiven. Het blafte vrolijk en probeerde in de enkels van de politieman te bijten.
‘Verdwijn jij!’, riep meneer Goon en schopte naar de vrolijke hond. ‘Je bent even slecht als je baas! Verdwijn, zeg ik je!’
‘Dag, meneer Goon!’, zei Dikky’s stem. ‘Kom hier, Buster. Je kunt je beste vriend niet zo begroeten! Het lijkt wel of u haast hebt, meneer Goon.’
De politieman stapte van zijn fiets en zijn gezicht was rood van het harde fietsen. ‘Hou die hond bij me vandaan’, zei hij. ‘Ik wil even met je praten, jongeheer Donald Kempenaar. Om precies te zijn, ik wil een ECHT GESPREK. Ha, je dacht dat je slim was, hè, met al die briefjes te sturen?’
‘Ik weet echt niet waar u het over hebt’, zei Dikky verbaasd. ‘Maar komt u toch binnen. Dan zullen we eens gezellig met elkaar babbelen.”

De Duitse schrijver en satiricus Karl Hoche werd geboren in Ústí nad Labem (Schreckenstein), Bohemen, op 11 augustus 1936. Hij studeerde rechten in München en ging na zijn studie een jaar naar de VS. In 1965 was hij medeoprichter van het Münchner Studentenkabaretts Die Stichlinge. In 1968 behaalde hij zijn juridische staatsexamen. Sindsdien werkt hij als schrijver, vooral voor „das Kom(m)ödchen en de Münchner Lach- und Schießgesellschaft. In 1987 ontving hij de Ernst-Hoferichter-Preis der Stadt München.
Uit: Das Evangelium nach Hoche
“Jesus wird dreimal vom Teufel versucht
Die Luft lag in dicken Schlieren über dem Boden, und ihr Wabern ließ alle Konturen verschwimmen. Satan rief „A one, a two, one, two, three, four“, und siehe, da hob sich ein Amphitheater aus der Trübnis, das bis zu den obersten Reihen dicht gefüllt war mit Menschen, die aufgeregt lärmten. Jesus fragte den Satan: „Warum toben die Heiden?“ Der antwortete: „Sie machen diesen Heidenlärm, weil sie auf die Botschaft eines brandneuen Messias und seiner Gruppe warten, die sich da nennen ‘Die Hammerhaie’.“ Da erschien der ganz in Silber gekleidete Messias am Eingang, gefolgt von einigen Männern und zwölf Mädchen. Ein Brausen ging durch die Menge, als ob ein Sturmwind das Land erschütterte. Und schon droschen die Männer in ihre Instrumente, denen sie ein dumpfes Gehämmer entlockten. Der Meister hatte eine Botschaft, die er sofort verkündete. Sie wurde nicht gesprochen, sondern gesungen, und bestand aus drei Sätzen: „Ich liebe dich, kleines Kind.“ „Liebe mich, kleines Kind.“ Und „Rüttel mich, kleines Kind.“ Dazu zupfte er eine Kithara.
Seine Mädchen aber waren allesamt schön von Angesicht und Körper, und sie waren aus allen Völkern dieser Erde genommen. Vier von ihnen standen zu seiner Rechten hinter ihm. Ihre Gewänder in den Farben Rot, Grün, Blau und Gelb reichten bis zum Erdboden. Von Zeit zu Zeit sangen sie „Hua-Hua“. Vier andere standen zu seiner Linken hinter ihm. Sie waren in den gleichen Farben gekleidet, aber ihren über und über mit bunten, geschliffenen Glasstücken benähten und bei jeder Bewegung glitzernden Hüllen gelang es nur von Zeit zu Zeit, mit einiger Mühe die Gesäße völlig zu bedecken, die da im Takte der Musik geschwungen wurden. Als das Volk all dieses sah und hörte, ward es in den siebenten Himmel entrückt. Nun gingen die übrigen vier Mädchen in die Menge. Sie waren eine jede bekleidet mit einem Schuhriemen, den sie sich zwischen die Schenkel gezogen hatten und der dort dergestalt verschwunden war, daß kaum einer seine Farbe Rot, Grün, Blau und Gelb sehen konnte. An Bauch und Rücken wurde das überaus schmale Gewand gehalten von einem um die Hüfte geschlungenen Faden.“






















































































