Joseph Roth, Paul Bourget, Pierre Huyskens, Richard Voß

De Oostenrijks – Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth werd geboren op 2 september 1894 in Brody in Galicië. Zie ook mijn blog van 2 september 2006 en ook mijn blog van 2 september 2007. en ook mijn blog van 2 september 2008.
Uit: Das Spinnennetz
“Theodor wuchs im Hause seines Vaters heran, des Bahnzollrevisors und gewesenen Wachtmeisters Wilhelm Lohse. Der kleine Theodor war ein blonder, strebsamer und gesitteter Knabe. Er hatte die Bedeutung, die er später erhielt, sehnsüchtig erhofft, aber niemals an sie zu glauben gewagt. Man kann sagen: Er übertrafdie Erwartungen, die er niemals aufsich gesetzt hatte.
Der alte Lohse erlebte die Größe seines Sohnes nicht mehr. Dem Bahnzollrevisor war nur vergönnt gewesen, Theodor in der Uniform eines Reserveleutnants zu schauen. Mehr hatte sich der Alte niemals gewünscht. Er starb im vierten Jahre des großen Krieges, und den letzten Augenblick seines Lebens verherrlichte der Gedanke, daß hinter dem Sarge der Leutnant Theodor Lohse schreiten würde.
Ein Jahr später war Theodor nicht mehr Leutnant, sondern Hörer der Rechte und Hauslehrer beim Juwelier Efrussi. Im Hause des Juweliers bekam er jeden Tag weißen Kaffee mit Haut und eine Schinkensemmel und jeden Monat ein Honorar. Es waren die Grundlagen seiner materiellen Existenz. Denn bei der Technischen Nothilfe, zu deren Mitgliedern er zählte, gab es selten Arbeit, und die seltene war hart und mäßig bezahlt. Vom wirtschaftlichen Verband der Reserveoffiziere bezog
Theodor einmal wöchentlich Hülsenfrüchte. Diese teilte er mit Mutter und Schwestern, in deren Hause er lebte, geduldet, nicht wohlgelitten, wenig beachtet und, wenn es dennoch geschah, mit Geringschätzung bedacht. Die Mutter kränkelte, die Schwestern gilbten, sie wurden alt und konnten es Theodor nicht verzeihen, daß er nicht seine Pflicht, als Leutnant und zweimal im Heeresbericht
genannter Held zu fallen, erfüllt hatte. Ein toter Sohn wäre immer der Stolz der Familie geblieben. Ein
abgerüsteter Leutnant und ein Opfer der Revolution war den Frauen lästig. Es lebte Theodor mit den Seinigen wie ein alter Großvater, den man geehrt hätte, wenn er tot gewesen wäre, den man geringschätzt, weil er am Leben bleibt.”

De Franse dichter en schrijver Paul Charles Joseph Bourget werd geboren op 2 september 1852 in Amiens. Zie ook mijn blog van 2 september 2007 en ook mijn blog van 2 september 2008.
LES ROSES FANÉES
Dans notre premier mois, et par ces belles nuits
Qui suivent les soirs de septembre,
Je vous quittais très tard, et, le cœur plein d'ennuis.
Je m'acheminais vers ma chambre.
Les maisons du village oli nous passions Vété
Vers neuf heures du soir sont closes ;
La route était déserte et tournait à côté
D'un grand jardin planté de roses.
Et là, seul, sans souci d'un regard importun,
Accoudé sur le mur de pierre.
Je restais à rêver de vous dans ce parfum
Quelquefois plus d'une heure entière.
Et les roses tremblaient et semblaient se pâmer
Aux caresses du clair de lune.
Je pensais à vos yeux en écoutant la mer
Sangloter derrière la dune.
Ces parfums sont éteints pour longtemps, et l'hiver
Vient sur nous à grandes journées,
Les rosiers ont gardé quelque feuillage vert.
Mais toutes leurs fleurs sont fanées.
SOLITUDE
Lorsque je l'eus quittée et que je m'en revins
Seul, plus seul au sortir de ces heures passées
A voir dans ses grands yeux sourire ses pensées,
Je regardai le ciel et les astres divins.
Ils pâlissaient, noyés des vapeurs bleuissantes
Qu'un plein orbe de lune épandait doucement ;
Dans l'air glacé flottait comme un enchantement ;
Et moi je revoyais deux prunelles absentes.

Portret door Paul Chabas
De Nederlandse journalist en schrijver Pierre Huyskens werd geboren op 2 september 1931 in Wessem. Zie ook mijn blog van 19 november 2008.
Uit: Kaaje kook: Einzelgänger
Het zal de burgerij van deze stad, die in haar volkslied zingt dat d'eerbied van de lands-vorstin als kleinood wordt bewaard' ontgaan zijn, dat zij ook een republikeinse afgevaardigde had bij het stralende trouwfeest van Máxima en Willem-Alexander. Terwijl burgemeester Herman Kaiser als edelachtbare monarchist, althans als onberispelijk dienaar van de monarchie en mede-wegbereider van Máxima's pad tijdens haar inburgeringstocht door het koninkrijk, ingetogen de burgerlijke huwelijksvoltrekking zat mee te beleven, stond die Roermondse republikein op het Koningsplein in Amsterdam uitgelaten te demonstreren tegen de monarchie onder een hoed met de tekst ‘Lang leve Willem de Laatste'.
Nee, hij kwam tot zijn spijt niet in beeld tijdens Het Huwelijk, dat hij “een enorme poppenkast en een vertoon van nationale kleinburgerlijkheid” noemde. Die krasse kwalificaties gebruikte hij in de landelijke bladen, NRC en AD, die hij op hoge toon te woord stond als de Roermondenaar Hans Maessen, bestuurslid van het Nieuw Republikeins Genootschap, en ondernemer hier ter stede, die als ideaal koestert dat de monarchie moet worden geminimaliseerd in plaats van gemaximaliseerd. Zo'n ondernemende Hans toch. Een Don Quichotte ook die tegen windmolens vecht en in Roermond, dat groot geworden is door allerlei koninkrijken bij erfopvolging, weinig of geen medestanders zal vinden. Hij blijft eine prazeleer in de woestijn van de republiek. Wellicht heeft hij dat overwogen onderweg naar Amsterdam en pakte hij daarom zo mallotig uit.

De Duitse schrijver Richard Voß werd geboren op 2 september 1851 op Gut Neugrape in Pommern. Toen hij jong was maakte hij vele reizen, vooral naar Italië. Hij studeerde in Jena en München. In zijn huis „Bergfrieden" in Königssee en ook in de "Villa Falconieri" in Frascati ontving hij talrijke kunstenaars en mensen van adel. In 1884 werd hij bibliothecaris van de Wartburg. Hoewel hij getrouwd was hield hij er ook homosexuele verhoudingen op na, wat tot problemen in de omgang leidde met zijn relaties in de hogere kringen. Zijn bekendste roman is Zwei Menschen, die ook liefst driemaal werd verfilmd, voor het laatst in 1952.
Uit: Zwei Menschen
„Sie hatten die Leiche hinaufgetragen in das Oberstockwerk des hochgelegenen Dolomitenhauses und sie in der großen, mit rötlichem Zirbenholz ausgetäfelten Stube aufbewahrt. Es war das Zimmer, darin Judith Platter während der langen Wintermonate ihre Pflanzen aufbewahrte, die unter ihrer Pflege so herrlich gediehen; das nämliche Zimmer war es, darin sie ihre Vögel hielt. Jeder der kleinen gefiederten Sänger kannte die Herrin; jeder begann laut zu singen, sobald die hohe schlanke Frauengestalt einem der Bauer sich näherte. Das würde sie nun nicht mehr.
Schier traurig war es mit anzusehen, wie sich die gewaltigen Leonberger Hunde gebärdeten. Mit blutunterlaufenen Augen hielten sie unter den Felswänden, wo die Königsfrau am frühen Morgen unter den ersten Frühlingsblüten sterbend gefunden ward, bei der Abgestürzten Wache. Wer die Verunglückte berühren wollte, mußte gewärtig sein, von den wütenden Tieren angefallen und niedergerissen zu werden; und unter Lebensgefahr, deren er nicht achtete, trat der Bergpriester zu der mit dem Tode Ringenden. Als dann alles vorüber und Judith Platter eine ewig stille Frau geworden war, flößte das Heulen der Hunde dem Gesindel abergläubische Furcht ein.“






















































































