Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 21 mei 2009 tot 22 mei 2009

Erik Spinoy, Arthur Conan Doyle, Alfonsina Storni, Anne de Vries, Kees Winkler

De Vlaamse dichter en schrijver Erik Spinoy werd geboren op 22 mei 1960 in Sint-Niklaas. Zie ook mijn blog van 22 mei 2006 en ook mijn mijn blog van 22 mei 2008.

 

 

Beklemmingen

 

Als tocht, die om de vingers strijkt.

Waar je met handen reikt

wijkt het terug.

 

Geen plek, waar ratten knagen of

een poolvos zwerft, de grens bevoelt.

Waar sodawater slenken vult

in het verre Afrika.

 

Des nachts leeft de savanne

en al wat sluipt en sist

(hyena's, slangen, gras, de apebroodboom,

een zwart vleesetend dier zonder gezicht)

omgeeft de mens die weerloos

overnacht.

 

Wat is de ratio hier?

Tegen een oud, roetzwart gewelf

staan sterren stil

te flikkeren. En in de hemel klimt

een bleke gil, de schil geheten

angst.

 

 

 

 

Het gastmaal

 

Terwijl het sterfelijk vlees

beweegt

beweegt

 

het einde zich. Lang hangt het

stil, diep in de grot

waar druipsteen druipt en het

zoals een afgrond zwijgt.

 

Draait het zich om,

dan spreidt het

harde, zwarte vlerken uit.

 

 

 

 

 

spinoy
Erik Spinoy (Sint-Niklaas, 22 mei 1960)

 

 

 

 

 

De Britse schrijver Sir Arthur Ignatius Conan Doyle werd geboren in Edinburgh op 22 mei 1859. Zie ook mijn blog van 22 mei 2007 en ook mijn mijn blog van 22 mei 2008.

 

Uit: The Hound of the Baskervilles

 

“Mr. Sherlock Holmes, who was usually very late in the mornings, save upon those not infrequent occasions when he stayed up all night, was seated at the breakfast table. I stood upon the hearth-rug and picked up the stick which our visitor had left behind him the night before. It was a fine, thick piece of wood, bulbous-headed, of the sort which is known as a “Penang lawyer.” Just under the head was a broad silver band, nearly an inch across. “To James Mortimer, M.R.C.S., from his friends of the C.C.H.,” was engraved upon it, with the date “1884.” It was just such a stick as the old-fashioned family practitioner used to carry—dignified, solid, and reassuring. “Well, Watson, what do you make of it?” Holmes was sitting with his back to me, and I had given him no sign of my occupation. “How did you know what I was doing? I believe you have eyes in the back of your head.” “I have, at least, a well-polished, silver-plated coffee-pot in front of me,” said he. “But, tell me, Watson, what do you make of our visitor’s stick? Since we have been so unfortunate as to miss him and have no notion of his errand, this accidental souvenir becomes of importance. Let me hear you reconstruct the man by an examination of it.” “I think,” said I, following so far as I could the methods of my companion, “that Dr. Mortimer is a successful elderly medical man, well-esteemed, since those who know him give him this mark of their appreciation.” “Good!” said Holmes. “Excellent!” “I think also that the probability is in favour of his being a country practitioner who does a great deal of his visiting on foot.” “Why so?” “Because this stick, though originally a very handsome one, has been so knocked about that I can hardly imagine a town practitioner carrying it. The thick iron ferrule is worn down, so it is evident that he has done a great amount of walking with it.” “Perfectly sound!” said Holmes. “And then again, there is the ‘friends of the C.C.H.’ I should guess that to be the Something Hunt, the local hunt to whose members he has possibly given some surgical assistance, and which has made him a small presentation in return.” “Really, Watson, you excel yourself,” said Holmes, pushing back his chair and lighting a cigarette.”

 

 

 

 

Doyle
Arthur Conan Doyle (22 mei 1850 – 7 juli 1930)

Portret door H.L. Gates

 

 

 

 

 

De Argentijnse dichteres Alfonsina Storni werd geboren in Sala Capriasca, Zwitserland op 22 mei 1892. Zie ook mijn blog van 22 mei 2007 en ook mijn mijn blog van 22 mei 2008.

 

 

Sleep Peacefully

  

You said the word that enamors

My hearing. You already forgot. Good.

Sleep peacefully. Your face should

Be serene and beautiful at all hours.

 

When the seductive mouth enchants

It should be fresh, your speech pleasant;

For your office as lover it's not good

That many tears come from your face.

 

More glorious destinies reclaim you

That were brought, between the black wells

Of the dark circles beneath your eyes,

the seer in pain.

 

The bottom, summit of the beautiful victims!

The foolish spade of some barbarous king

Did more harm to the world and your statue.

 

 

 

 

 

alfonsinastorni
Alfonsina Storni (22 mei 1892 – 25 oktober 1938)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver en onderwijzer Anne de Vries werd geboren op 22 mei 1904. Zie ook mijn blog van 22 mei 2007.

 

Uit: Bartje

 

“Om vijf uur loopt de wekker af. Hij tiert en lawaait met een driftig stemmetje op de stoel voor de grote bedstee, vijf, zes tellen, en is weer stil. Dan heeft moeder hem zijn oor omgedraaid. En dan is de nacht voorbij. Dan is het dag.

De grote bedstee kraakt, moeder staat op. Zij zet de wekker midden op de houten schoorsteenmantel, en gaat op de stoel zitten, om haar kousen aan te trekken. Zij zucht vaak terwijl zij dat doet en als zij er mee klaar is, zit zij nog een poos, gebogen, met beide handen gesteund in haar rug, suf en verdrietig in de nieuwe dag te staren. Dat is wel gek, dat zij 's morgens altijd moe is. Bartje is 's morgens nooit moe. 's Avonds wel.

Als moeder, nog in onderrok, met de fornuisringen rumoert, ligt hij al met de kin tussen twee knuistjes op de bedsteeplank de nieuwe dag tegen te lachen. Zijn witte kuifje staat grappig verdraaid omhoog boven zijn bruin gezichtje. Zijn ogen, nog wat wazig van de slaap, turen verlangend het kamertje in.

De dag komt door de ramen. Tussen de gordijnen en de granumpies door. De zon kan tekenen, dâ's mooi! Hij tekent een raam op de stenen vloer en ook een raam met granumpies en een rij balletjes van het gordijn op de bedsteedeur. En de zon kan stofjes laten dansen, dâ's ook mooi! Daar kun je lang naar kijken. Bartje houdt veel van de zon.

Al de anderen in nuis slapen nog, merkt hij. Hij en moeder zijn weer het eerst wakker. Riekie, het zusje, is naar hem toegerold. Zij ligt bijna dwars in bed, blootgewoeld, de duim in haar half-open mondje, haar zitvlakje stijf tegen Jan aangedrukt. Dikke Jan ligt als een blok, voorover, armen gespreid, alsof hij zó van de zolder neergesmakt is. En in 't kribbetje, boven 't voeteneind, slaapt Geertje, die nog geen anderhalf jaar is, en dus best in een kribbetje slapen kan. Maar van haar kun je niets zien dan een handje, dat slap neerhangt over de plank.“


 

 

 

DeVries
Anne de Vries (22 mei 1904 – 29 november 1964)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Kees Winkler werd op 22 mei 1927 in Hoorn geboren. Zie ook mijn blog van 22 mei 2007.

 

 

1984

 

Sinds lang had ik in Orwells boek

niet meer gelezen en ik zoek

na het zien van de film verdwaasd

naar mijn Julia, het laatst

dat ik haar zag was in de hel

 

Uit een door oorlog geteisterde cel

probeer ik op te bellen, maar de hel

is onbereikbaar en ik loop

de wijk door van de proles in de hoop

toch lid te kunnen blijven van de Kernpartij -

 

Weer thuis bij Judy is de angst verdwenen

het is anno '84 en ik sta met beide benen

in de werkelijkheid: weer is het vrede

met verre oorlogshaarden in het heden

 

Hongersnood in Afrika, minister onpersoon

schreeuwen de krantekoppen maar ik woon

vrij van tv en radio in ons hok

en luister naar kwartetten van Bartók

 

In '85 moet ik weer naar Miniwet1

doch deze kerstvakantie lig ik lang te bed

ga naar Hoog Soeren om te overleven

terwijl in Afrika mijn broeders sneven

 

 

 

 

Winkler
Kees Winkler (22 mei 1927 –  1 april 2004)

 

Geschreven door Romenu om 13:25 Reageer op dit bericht

Robert Neumann, Johannes R. Becher, Gérard de Nerval, Catulle Mendès

De Oostenrijkse dichter en schrijver Robert Neumann werd geboren op 22 mei 1897 in Wenen. Daar studeerde hij ook medicijnen, scheikunde en germanistiek. Vevolgens werkte hij als zwemtrainer, opzichter en bankkoopman. Pas daarna besloot hij schrijver te worden, waarbij hij vooral door parodistisch werk naam maakte. Tijdens WO II ging hij in Brits ballingschap. Talrijke novellen en romans verschenen in de Engelse taal, maar ook zijn kroniek van het joodse volk An den Wassern von Babylon. Na WO II vestigde hij zich in het Zwitserse Locarno, later in München.

 

 

Uit: Mit fremden Federn. Parodien

 

„Ein Sohn, etwas frühreif, schreibt an Frau Grosshennig"

Nach Erich Kästner

 

Liebe Mutter! Das war natürlich sehr freundlich,

daß du mir schriebst. Und ich bin dir durchaus nicht gram.

Im Augenblick war es ja allerdings etwas peinlich,

weil eben ein Mädchen bei mir lag, als der Briefbote kam.

 

Sie heißt Hilda und ist gesund, da mußt du dich nicht erregen.

Das tut dir nicht gut. Sie ist zärtlich, sie hat eine Tante und wohnt nebenan Nummer acht.

Diese Mitteilungen mache ich dir hauptsächlich des Reimes wegen,

und weil das mit dem Mädchen sich so reizend natürlich macht.

 

Du fragst, was ich treibe. Ich treibe soziales Gewissen.

Ich treibe auch Kinderseele. Wie, bitte? Danke, es geht.

Dagegen gibt es welche, die wollten meinen Roman lieber missen,

obwohl er so schön ist. Weil er nämlich fast nur aus zu Prosa gewalzten Kästnergedichten besteht.

 

So gebe ich eben plauderdings dem Kurfürstendamme,

was des Kurfürstendammes ist, gut für Kunz oder Hinz.

Die halten das dann für Asphalt. Aber gleich darunter flackert mit scheu leuchtender Flamme

die Melancholie. Und ein wenig Moral. Und ein wenig Provinz.

 

Ist das neu? Lies den Heine, wenn du den Heine liest.

Uns Erwürger des Gefühls würgt ja doch nur das Gefühl.

Na, schon gut! Halb ein Bürgerschreck und halb ein erschrockener Bürger

dichte ich mich leicht frierend durch das Menschengewühlt.“

 

 

 

 

robert-neumann-2006-180
Robert Neumann (22 mei 1897 – 3 januari 1975)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en politicus Johannes Robert Becher werd geboren in München op 22 mei 1891. In 1910 probeerde hij met zijn vriendin zelfmoord te plegen; alleen Becher overleefde, zwaar gewond. Vanaf 1911 studeerde hij medicijnen en filosofie in München en Jena, maar hij brak zijn studie af om schrijver te worden. In 1913 verschenen zijn eerste expresionistische werken. Vanwege zijn zelfmoordpoging werd hij afgekeurd voor de dienstplicht tijdens WO I. Becher werd in 1917 lid van de USPD en stapte in 1918 over naar de Spartakusbund, waaruit in januari 1919 de KPD ontstond. Teleurgesteld over het mislukken van de revolutie verliet Becher de KPD in 1920 en zocht hij toenadering tot de godsdienst. In 1923 werd Becher weer lid van de KPD en werd hij ook actief.

In 1925 verscheen zijn anti-oorlogsroman Levisite oder Der einzig gerechte Krieg.  In maart 1933 na de Rijksdagbrand vluchtte Becher naar het Tsjechoslowaakse Brno. In 1935 vestigde hij zich in de Sovjet-Unie en werd hij hoofdredacteur van het emigrantentijdschrift Internationale Literatur – Deutsche Blätter en lid van het centraal comité van de KPD. Al snel kwam Becher in Moskou in de problemen bij de Stalinistische zuiveringen. In 1936 mocht hij de Sovjet-Unie al niet meer verlaten en in 1941 werd hij naar Tasjkent gedeporteerd, waar hij zich meerdere malen van het leven probeerde te beroven. In 1943 was Becher mede-oprichter van het Nationalkomitee Freies Deutschland. Door zijn contacten in deze tijd met Georg Lukács keerde Becher zich af van het expressionisme; zijn werken van na die tijd stonden in het teken van het socialistisch realisme. Na WO II keerde Becher terug naar Duitsland en vestigde zich in de Sovjet-bezettingszone. Hij was betrokken bij de oprichting van het Aufbau Verlag en het literatuurtijdschrift Sinn und Form. Vanaf 1946 was Becher lid van het centraal comité van de SED. Na de oprichting van de DDR op 7 oktober 1949 werd Becher lid van de Volkskammer. Op verzoek van het centraal comité schreef hij de tekst van het lied Auferstanden aus Ruinen, "Opgestaan uit ruïnes", op een melodie van Hanns Eisler, dat tot het volkslied van de DDR werd verkozen. Van 1954 tot 1958 was Becher minister van cultuur van de DDR.

 

 

Exil

 

Ihr, die ihr in die Heimat wiederkehrt,

Verbannte, ihr, die ihr den jahrelangen

Endlosen Weg zu Ende seid gegangen

Und habt nur eins, der Rückkehr Tag, begehrt –

 

Und ihr, Verbannte auch, die ihr voll Bangen

Habt ausgeharrt und habt euch still gewehrt,

Von langem Warten müd und ausgezehrt,

Inmitten eures eigenen Volks gefangen –

 

Seid hier gewarnt und seht das Transparent:

»Laßt, die ihr eingeht, alle Hoffnung fahren!

Wenn der Verbannung Fluch ihr nicht erkennt,

 

Treibt ihr wie vormals ein verlorenes Spiel.

Bevor aus Deutschland wir vertrieben waren,

Wir lebten schon seit Jahren im Exil.«

 

 

 

 

Das Sonett

 

Wenn einer Dichtung droht Zusammenbruch

und sich die Bilder nicht mehr ordnen lassen,

wenn immer wieder fehlschlägt der Versuch,

sich selbst in eine feste Form zu fassen,

 

wenn vor dem Übermaße des Geschauten

der Blick sich ins Unendliche verliert,

und wenn in Schreien und in Sterbenslauten

die Welt sich wandelt und sich umgebiert –

 

wenn Form nur ist: damit sie sich zersprenge

und Ungestalt wird, wenn die Totenwacht

die Dichtung hält am eigenen Totenbett –

 

alsdann erscheint, in seiner schweren Strenge

und wie das Sinnbild einer Ordnungsmacht,

als Rettung vor dem Chaos - das Sonett.

 

 

 

 

 

 

Cremer_Jonahhes_R_Becher_1
Johannes R. Becher (22 mei 1891 - 11 oktober 1958)

Beeld, gemaakt door Fritz Cremer in Berlin-Pankow, Bürgerpark

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Gérard de Nerval (pseudoniem van Gérard Labrunie) werd geboren in Parijs op 22 mei 1808. Zijn vader was legerarts bij Napoleon, zijn moeder stierf toen hij twee was. Daarna werd hij ondergebracht bij een oom en tante in La Valois, bij Ermenonville. Nerval was schrijver, toneelcriticus en reisjournalist. Reis naar het Oosten (1851) was een van zijn succesvolste werken. Daarnaast vertaalde hij Goethes Faust en poëzie van Heinrich Heine. Tijdens zijn leven heeft Nerval nooit iets gepubliceerd. Hij had nooit een vaste verblijfplaats, al heeft hij nog wel een tijdje in het huis van een oom en tante gewoond, toen hij dat erfde. Pas na zijn dood is zijn werk in boekvorm verschenen.

 

Uit: Aurélia

 

„Je n'ai pu percer sans frémir ces portes d'ivoire ou de corne qui nous séparent du monde invisible. Les premiers instants du sommeil sont l'image de la mort; un engourdissement nébuleux saisit notre pensée, et nous ne pouvons déterminer l'instant précis où le moi, sous une autre forme, continue l'oeuvre de l'existence. C'est un souterrain vague qui s'éclaire peu à peu, et où se dégagent de l'ombre et de la nuit les pâles figures gravement immobiles qui habitent le séjour des limbes. Puis le tableau se forme, une clarté nouvelle illumine et fait jouer ces apparitions bizarres; - le monde des Esprits s'ouvre pour nous.

Swedenborg appelait ces visions Memorabilia; il les devait à la rêverie plus souvent qu'au sommeil; l'Âne d'or d'Apulée, la Divine Comédie du Dante, sont les modèles poétiques de ces études de l'âme humaine. Je vais essayer, à leur exemple, de transcrire les impressions d'une longue maladie qui s'est passée tout entière dans les mystères de mon esprit; - et je ne sais pourquoi je me sers de ce terme maladie, car jamais, quant à ce qui est de moi-même, je ne me suis senti mieux portant. Parfois, je croyais ma force et mon activité doublées; il me semblait tout savoir, tout comprendre; l'imagination m'apportait des délices infinies. En recouvrant ce que les hommes appellent la raison, faudra-t-il regretter de les avoir perdues ?...“

 

 

 

 

nerval
Gérard de Nerval (22 mei 1806 – 26 januari 1855)

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Catulle Mendès werd geboren op 22 mei 1841 in Bordeaux. Hij groeide op in Toulouse en ging in 1859 naar Parijs, waar hij al snel een beschermeling werd van Théophile Gautier. Zijn eerste bundel Philoméla verscheen in 1863. Hij sloot zich aan bij een kring van schrijvers rondom Charles Leconte de Lisle waartoe ook  François Coppée, Léon Dierx, José-Maria de Heredia en Théodore de Banville behoorden. Ook vond hij aansluiting bij de Parnassiens. Gedenkwaardig is de manier waarop hij stierf. Mendès zat dronken in de nachttrein naar Parijs en was in slaap gevallen. Toen de trein bij Saint-Germain-en-Laye, vlakbij Parijs, door een tunnel reed, werd Mendès wakker en dacht hij dat hij was gearriveerd. Hij opende het portier en stapte uit. De volgende morgen werd hij dood op de spoorbaan gevonden.

 

 

Ballade de l'âme de Paul Verlaine

     

Bien qu'il ait l'âme sans rancune,

Pierrot dit en serrant le poing :

" Mais, sacrebleu, je n'ai nul point

De ressemblance avec la lune !

 

" Ô faux sosie aérien !

Mon nez s'effile, elle est camuse ;

Elle a l'air triste ! Je m'amuse

De tout, un peu, beaucoup, de rien.

 

" On la dit pâle ! Allons donc ! jaune !

Moi seul suis blanc comme les miss.

Elle est chaste autant qu'Artémis,

Je le suis aussi, comme un faune.

 

" N'importe ! Dès qu'elle a penché

Son front : " Bonsoir, Pierrot céleste ! "

Dit l'un ; un autre dit : " Ah ! peste !

" Pierrot, ce soir, a l'oeil poché. "...

 

 

 

 

 

catulle_mendes
Catulle Mendès (22 mei 1841 – 7 fenruari 1909)

 

Geschreven door Romenu om 13:22 Reageer op dit bericht

Gabriele Wohmann, Urs Widmer, Robert Creeley, Alexander Pope

 Duitse schrijfster Gabriele Wohmann werd op 21 mei 1932 in Darmstadt geboren als Gabriele Guyot. Zie ook mijn blog van 21 mei 2007 en ook mijn blog van 21 mei 2008.

 

Uit: Sonntag bei den Kreisands

 

“Es ist Abend. Die Kreisands sitzen gemütlich in ihrem schönen gepflegten Wohnzimmer. Was für ein angenehmer Sonntag. Der Wein, den sie genießen, schmeckt nicht nur gut, er stammt auch aus einer exquisiten Lage und wird ihnen wohl bekommen.  Er wurde dem Keller des Schwiegervaters entnommen. Artur selbst besitzt nicht die Mittel, sich einen guten Weinkeller anzulegen. Man kann nicht alles haben [...] Dafür, dass sie beide so treu und anhänglich fast jede zweite Woche zu den alten Leutchen hinübergehen – beinah immer mittwochs, seit sie herausgefunden haben, dass es eigentlich immer mittwochs nichts Rechtes im Fernsehen gibt – für diese anderthalb bis zwei Stunden, Opfer an die Verwandtschaft, entschädigen sie sich mit der kleinen Extravaganz, Wein zu entwenden. Während Elisabeth bei ihren Eltern zu sitzen pflegt bis zum Abschied und Aufbruch, verlässt Artur des Zimmer etwas früher; über sein langes Ausbleiben wundert sich keiner. Wer Artur kennt, kennt auch seine Verdauungsbeschwerden. Abschließend betätigt Arthur die Wasserspülung im WC, hat aber nicht dort, sondern im Weinkeller Erfolg gehabt.

(…) Schlaf ist wichtiger. Zärtlichkeiten und dergleichen sind nicht mehr bei ihnen zu erwarten. Elisabeth hat nie sehr viel davon gehalten und fühlt sich jetzt so ziemlich außer Gefahr. Artur gegenüber hat sie sich aber all die Jahre nichts anmerken lassen, stoisch brachte sie ihre immer selteneren Opfer. Gut: auch das hat man überwunden. Auch für Artur gut, meint Elisabeth, so lang er so früh aufstehen muss.”

 

 

 

 

Wohmann
Gabriele Wohmann (Darmstadt, 21 mei 1932)

 

 

 

 

 

De Zwitserse schrijver Urs Widmer werd geboren op 21 mei 1938 in Basel. Hij studeerde germanistiek, romanistiek en geschiedenis in Basel, Montpellier en Parijs. Na zijn promotie in 1966 werkte hij als lector bij de Walter Verlag in Olten en bij Suhrkamp in Frankfurt. Samen met andere lectoren richtte hij in 1969 de Verlag der Autoren op. In 1968 debuteerde hij zelf als schrijver met de roman Alois. Tegenwoordig woont en werkt hij als zelfstandig schrijver in Zürich.

 

Uit: Im Kongo

 

ALLES BEGANN AM 29. Juli 1994. Einem Freitag. Mein Vater hatte eben, um ein Haar, einen Postboten erschossen, und ich kniete auf dem Fußboden eines Zimmers im Altenheim von Fluntern – Fluntern ist ein anderer Stadtteil von Zürich, zehn Autominuten von Witikon entfernt – und sagte zu Herrn Berger, eigentlich nur, um unser zäh dahinplätscherndes Gespräch in Schwung zu halten: »Ich bin jetzt sechsundfünfzig, Herr Berger. Seit meinem einunddreißigsten Lebensjahr arbeite ich hier. Ich bin der beste Pfleger im Haus. Mir kann niemand etwas vormachen, nicht mal Schwester Anne. Und schauen Sie, was ich tue!«

Ich war damit beschäftigt, mit einem Küchenmesser die Kaugummis zu entfernen, die Frau Schroth, die Bewohnerin des Zimmers, in zwanzig Jahren auf den Fußboden gespuckt und flachgetreten hatte. Frau Schroth war am Vorabend gestorben, neunundneunzig Jahre alt. Ich war ja eigentlich Pfleger im Heim, Oberpfleger!, nicht Hauswart, aber so konnte ich das Zimmer einem neuen Bewohner nicht übergeben. Die Putzfrauen, zwei jobbende Studentinnen aus den USA, hatten den Dreck von zwei Jahrzehnten in einer knappen Viertelstunde weggefegt, mit so viel Chemie, als wollten sie Vietnam ein zweites Mal entlauben, und Schwester Anne hatte das Zimmer abgenommen, ohne eine Sekunde zu zögern. Trotz den Flecken, die den grünen Linoleumboden wie eine Blumenwiese im Mai aussehen ließen.

Normalerweise wären die Kaugummis auch mir egal gewesen, aber in dieses Zimmer sollte an diesem Abend noch mein Vater einziehen, mein eigener Papa. Eben wegen dem Schuß auf den Postmann. Es war aus mit dem Haus am Wald. Seinen Lebensrest mußte er, ob er wollte oder nicht, mit mir verbringen, mit einem Altenpfleger, der sein Sohn war. Er war inzwischen einundachtzig. Bis vor wenigen Wochen war alles gutgegangen – er allein in dem einsamen Haus, in dem einmal in der Woche eine Mitarbeiterin der Pro Senectute nach dem Rechten sah –, aber dann hatte er damit begonnen, Treppen hinunterzustürzen und in falsche Straßenbahnen einzusteigen.”

 

 

 

widmer
Urs Widmer (Basel, 21 mei 1938)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Robert Creeley werd geboren op 21 mei 1926 in Arlington, Massachusetts. Hij was bevriend met schrijvers als Charles Olson, Robert Duncan, Allen Ginsberg en John Wieners en wordt wel tot de Black Mountain poets gerekend. Vanaf 1943 studeerde hij aan Harvard, maar onderbrak de studie om in het leger te dienen. Hij doceerde aan verschillende Hogescholen en werd tenslotte hoogleraar Engelse literatuur aan de State University of New York in Buffalo.

 

 

The Carnival

  

Whereas the man who hits

the gong dis-

proves it, in all its

simplicity --

 

Even so the attempt

makes for triumph, in

another man.

 

Likewise in love I

am not foolish or in-

competent. My method is not a

 

tenderness, but hope

defined. 

 

 

 

 

 

The Rain

  

All night the sound had

come back again,

and again falls

this quite, persistent rain.

 

What am I to myself

that must be remembered,

insisted upon

so often? Is it

 

that never the ease,

even the hardness,

of rain falling

will have for me

 

something other than this,

something not so insistent--

am I to be locked in this

final uneasiness.

 

Love, if you love me,

lie next to me.

Be for me, like rain,

the getting out

 

of the tiredness, the fatuousness, the semi-

lust of intentional indifference.

Be wet

with a decent happiness.

 

 

 

 

 

creeley
Robert Creeley (21 mei 1926 – 30 maart 2005)

 

 

 

 

 

De Engelse dichter Alexander Pope werd geboren in Londen op 21 mei 1688. Zie ook mijn blog van 21 mei 2008. en ook mijn blog van 21 mei 2007 en ook mijn blog van 22 mei 2006

 

 

Sound and Sense

  

True ease in writing comes from art, not chance,

As those move easiest who have learned to dance.

'Tis not enough no harshness gives offense,

The sound must seem an echo to the sense:

Soft is the strain when Zephyr gently blows,

And the smooth stream in smoother numbers flows;

But when loud surges lash the sounding shore,

The hoarse, rough verse should like the torrent roar;

When Ajax strives some rock's vast weight to throw,

The line too labors, and the words move slow;

Not so, when swift Camilla scours the plain,

Flies o'er the unbending corn, and skims along the main.

Hear how Timotheus' varied lays surprise,

And bid alternate passions fall and rise!

 

 

 

 

Couplets on Wit

  

II

 

Wit is like faith by such warm Fools profest

Who to be saved by one, must damn the rest.

 

 

III

 

Some who grow dull religious strait commence

And gain in morals what they lose in sence.

 

 

 

 

Pope

Alexander Pope (21 mei 1688 – 30 mei 1744)

William Powell Frith, Pope makes love to Lady Mary Montagu, 1852.

 

Geschreven door Romenu om 20:03 Reageer op dit bericht

Emile Verhaeren, Tudor Arghezi, Suzanne Lilar, Jaap Robben

De Vlaamse dichter Emile Verhaeren  werd geboren in Sint Amands op 21 mei 1855. Zie ook mijn blog van 21 mei 2008. en ook mijn blog van 21 mei 2007 en ook mijn blog van 21 mei 2006.

 

 

Quoique nous le voyions fleurir devant nos yeux

 

Hoe wij hem ook zien bloeien voor onze ogen

Deze klare tuin die ons stil wil gedogen,

Het plant zich weelderig in ons voort

's Werelds onschuldigste en zoetste oord.

 

Want wij genieten van alle bloemen,

Van alle kruiden en alle palmen

Die wij lachend en wenend benoemen

In geluk dat onvermengd blijft talmen.

 

Want wij beleven de vreugderoes

Van felle feest- en lentekreten,

Die wij ongeremd in de smeltkroes

van verrukkelijke woorden smeten.

 

O, diep bevredigd zijn wij en vol lof

Voor 's werelds vrolijkste en zoetste hof.

 

 

 

 

Mon village

 

Une place minime et quelques rues,

Avec un Christ au carrefour ;

Et l'Escaut gris et puis la tour

Qui se mire, parmi les eaux bourrues ;

Et le quartier du Dam, misérable et lépreux,

Jeté comme au hasard vers les prairies ;

Et près du cimetière aux buis nombreux,

La chapelle vouée à la Vierge Marie,

Par un marin qui s'en revint

On ne sait quand

Des Bermudes ou de Ceylan ;

Tel est - je m'en souviens après combien d'années -

Le village de Saint-Amand

Où je suis né.

C'est là que je vécus mon enfance angoissée,

Parmi les gens de peine et de métier,

Corroyeurs, forgerons, calfats et charpentiers,

Avec le fleuve immense au bout de ma pensée...

 

 

 

 

 

Verhaeren_rysselberghe
Emile Verhaeren (21 mei 1855 - 27 november 1916) 

Portret door Theo Van Rysselberghe, 1892

 

 

 

 

 

De Roemeense dichter en schrijver Tudor Arghezi werd geboren op 21 mei 1880 in Boekarest. Hij bezocht een kloosterschool en publiceerde in 1896 zijn eerste gedicht in het tijdschrift Liga Ortodoxa. Van 1900 tot 1904 leefde hij als monnik in het klooster Cemica. In 1905 ging hij naar het buitenland. In Frankrijk bekeerde hij zich tot het katholicisme. In 1912 keerde hij naar Roemenië terug waar hij in verschillende tijdschriften gedichten en artikelen publiceerde. Tijdens WO I zette hij zich in voor de neutraliteit van zijn land. In 1927 verscheen zijn eerste dichtbundel Cuvinte potrivite. Tijdens WO II behoorde hij tot de oppositie van de regering en werd gevangengezet. Na de intocht van de Sovjet Unie in 1944 werd hij vrijgelaten en gerehabiliteerd en zelf tot nationale dichter gestileerd.

 

 

Ungewißheit

 

Sieh an meinem Fenster hängen,

blaues Himmelsgras in Mengen.

Sterne an tausend Fäden bahnen

sich den Weg, ohne's zu ahnen.

 

Wie ein Schwamm saugt meine Seele

leise Tränen, ohne Fehle,

zitternd, glänzend, Reih' um Reih',

aus den Sternen sich nun frei.

Mit der Vielfalt meiner Trauer...

mischten sich der Nächte Schauer

und des Herrgotts Augenbrau´

fällt ins Tintenfaß mir, schau!

 

Öff'n ein Buch ich, stöhnt's alleine,

such' die Zeit ich, Zeit ist keine!

Singen? Nein, doch sieh: ich bin!

Bin ich wohl? Was sagt mein Sinn?

 

Mein Gedanke - wem gehört der?

Und in welchem Märchen führt er -

mich auf der Erinn'rung Wege,

wo in allem ich einst rege...

 

Ja, so schreib' ich, selbstvergessen,

von dem Ruf des Moor's besessen,

aus dem Reich der Poesie...

Und "Arghezi" zeichn' ich sie.

 

 

 

 

Vertaald door Anny Leonhardt

 

 

 

 

Tudor_Arghezi
Tudor Arghezi (21 mei 1880 – 14 juli 1967)

 

 

 

 

 

De Vlaamse schrijfster Suzanne Lilar werd geboren als Suzanne Verbist in Gent op 21 mei 1901. Lilar schreef essays, romans en toneelstukken in het Frans. Haar echtgenoot was Albert Lilar, de Belgische Minister van Justitie en Minister van Staat. Ze was de moeder van de schrijfster Françoise Mallet-Joris en de kunsthistorica Marie Fredericq-Lilar. In 1956 werd Lilar verkozen tot lid van de Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique. Voor haar litterair oeuvre was Lilar in 1976 met de erfelijke titel van barones vereerd.

 

Uit: Le Burlador

 

« Isabelle. – Suis-moi et ne fais pas de bruit. Le roi dort dans un cabinet au fond de ce couloir. Arrête. Encore un instant. Je ne puis me résoudre à te laisser partir. Est-ce absurde? Il me semble que tu ne reviendras jamais. Jure-moi que tu reviendras.

Don Juan. – Je te le jure.

Isabelle. – Octavio, c'est de cette nuit seulement que je t'aime. Sais-tu quand cela a commencé? Quand tu t'es glissé dans ma chambre, je ne t'aimais pas encore. C'est lorsque tu as posé la main sur mes cheveux. Je la sentais peser doucement sur ma tête. Je me suis trouvée comme un oiseau pris au piège qui se débattrait inutilement.

Don Juan. – Pourquoi cette pensée? C'est donc que tu désirais m'échapper si tu songeais à te débattre. Isabelle. Je veux que tu m'assures que cette nuit je n'ai rien fait contre ta volonté. Répète-moi que je te tiens de ton amour seul et que je t'ai conquise vraiment, et non possédée par surprise.

Isabelle. – Voilà bien les hommes! En un pareil moment, tu ne songes qu'à couver ton orgueil. Octavio, si vieille que je devienne, jamais je n'oublierai le poids de ton silence lorsque tu m'as approchée. Je sentais se ramasser sur moi toute ta douce cruauté. Pour la première fois, j'ai goûté le désir de me laisser emporter, dévorer, d'être une proie.

Don Juan. – Orgueilleuse! Jusque dans l'humilité. Mais ton désir, Isabelle?

Isabelle. – Mon désir attendait chacune de tes caresses. Que me fais-tu dire? Je rougirais de honte si les limites de la honte ne me semblaient reculées. C'est cette nuit seulement que je suis née. Tout est neuf, tout est fort, comme au premier matin du monde. Tu sens bon, mon amour! Sais-tu que tes cheveux sentent l'encens? Et ta bouche, la framboise. Comment se fait-il que je ne m'en sois jamais aperçue? C'est très important. »

 

 

 

 

Suzanne_Lilar
Suzanne Lilar (21 mei 1901 - 12 december 1992)

 

 

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

De Nederlandse dichter en theatermaker Jaap Robben werd geboren in Oosterhout in 1984. Hij studeerde Milieu- en Maatschappij wetenschappen en ging vervolgens naar de KoningstheaterAkademie in Den Bosch. Per september 2008 is Jaap voor twee jaar benoemd tot Stadsdichter van Nijmegen. Robben schrijft sinds 2000 gedichten en korte verhalen voor zowel kinderen als volwassenen en publiceerde drie bundels; ‘Twee vliegen’ – 2004, ‘De nacht krekelt’ – 2007 en ‘Zullen we een bos beginnen?’ – 2008 (Nominatie Gouden Uil voor jeugdliteratuur 2009. Hij won in 2000 de Kunstbende NB in de categorie Theater, in 2001 de Trouw Columnistenprijs en in 2002 de NRC Examenverhalenprijs.  Zo nu en dan presenteert Robben festivals en literaire programma’s zoals de Kunstbende, Hadjegedicht! en Write Now. Naast schrijver en dichter is Jaap theatermaker. Hij speelde in de voorstelling ‘De bammen zijn op’ van Productiehuis Het LAB, maakte de kindervoorstelling ‘Het verloren sporen museum’ en speelde mee in de cabaretvoorstelling VET van stichting Theaterplan.

 

 

Archeologische vondst

 

Als ik ooit opgegraven word

op een vergeten begraafplaats,

waar nieuwbouw verrijst

en ijzer van een spade

op mijn kale holle schedel stuit.

 

Word ik dan uitgegraven?

Zand en stof met een kwastje

van mijn ribben geveegd?

Zorg ik voor bouwvertraging

en weet men wie ik was?

 

Zal mijn naakte skelet

aan nieuwsgierig publiek

in een museum worden getoond?

Laat de archeoloog zijn dochter schrikken

door mijn schedel te verstoppen in haar bed

 

Zullen museumbezoekers

met de adem uit hun neus

condens maken op mijn vitrine?

Zou men dan een ansichtkaart

van mijn botten willen hebben?

 

Als ik ooit opgegraven word,

hoop ik in een museum te komen

en een vader zijn kind voorleest

van het bordje bij mijn skelet:

 

Vrouw, 12e eeuw voor Christus.

 

 

 

 

 

robben
Jaap Robben (Oosterhout, 1984)

 

Geschreven door Romenu om 19:59 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten