Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 19 september 2009 tot 20 september 2009

Adolf Endler, Donald Hall, Javier Marías, Joseph Breitbach, Henry Arthur Jones

De Duitse dichter, schrijver en essayist Adolf Endler werd geboren op 20 september 1930 in Düsseldorf. Adolf Endler overleed op 2 augustus van dit jaar. Zie ook mijn blog van 20 september 2008.

 

 

In het hooggebergte

 

1

Op een bijna menselijk uitziende steen geplakt:

'En ik zal niet meer hoeven spreken. Artaud.' -

En de steen begint te spreken, echt, begint brokkelig te spreken.

 

2

Voor de grijs stenen mond hurkend, dan knielend

op de grijs stenen mond: "... en als jij je giftig vergrijsde

bek nog steeds niet kunt houden, schoft die je bent, dan..., dan..., nou dan...!"

 

 

 

 

Gepasseerd station / Blues

 

Yes, Peggy, de treinen zijn weg, allemaal! en je kunt er naar fluiten, voorgoed!

Schaakmat! Het station is uitgerangeerd zonder veel toeters en bellen, maar

helemaal zonder blues, dat toch niet, alsjeblieft.

            Overgebleven, kijkt mij ontredderd de eeuwig te grote stationschefdienstpet

aan, waarmee ik de veelsoortigste locomotieven zegenrijk heb weten te bejubelen, in

het afgelopen jaar steeds slapper.

            Blijven zullen ook de foto's in je dessouskastje, schat: Ik met stationschef-

dienstpet en opgeheven spiegelei. (Door deze meneer werd het nodige heen en weer

gedirigeerd tussen Lüttken en Pleterjach.)

            Ja, de treinen zijn weg, Peggy, jouw loketje: dicht, rinkel-peng! De

resterende zeshonderd treinkaartjes kunnen voortaan als boekenlegger in vergelende

spoorboekjes hun nut bewijzen.

            Moet ik nog één keer mijn inmiddels wegroestende fluitje laten kwinkeleren

over de velden? Om tenminste bij tijd en wijle het tevredenheid kwijlende tuig

eromheen in verwarring te brengen, my dear?

            Ach, flauwe kul! Wat kunnen ons die lullo's nog schelen? Laat ze maar blèren!

- Maar wij willen met de twee spiegeleieren, het zondagse en het doordeweekse, dagen

achtereen pingpong spelen tussen de rails!

            - Peggy!!!, o bah!

 

 

 

 

Vertaald door Ard Posthuma

 

 

 

 

Reklame für Adolf Endler

 

       Ein fadenscheiniges Protestvergißmeinnicht; fiepend;

und mit grinsend verblühender Pfote -

       Die Besondere Note.

 

 

 

 

adolfendler
Adolf Endler (20 september 1930 - 2 augustus 2009)

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Donald Hall werd geboren in New Haven, Connecticut op 20 september 1928.  Op de leeftijd van 12 schreef  hij al en was hij volledig in de ban van Edgar Allan Poe. Hij schreef  gedichten en verhalen in de voorbereidende afdeling van de Exeter School en amper op de leeftijd van 16 woonde hij de Bread Loaf Writers-conferentie bij, waar hij  Robert Frost ontmoette. Hij volgde een universistaire opleiding in Harvard, Oxford en Stanford.  In Harvard  kreeg hij voor een jaar Archibald MacLeish als leraar en zijn klasgenoten waren o.a.  Robert Bly, Adrienne Rich, Frank O’Hara, John Ashbery en Kenneth Koch.  Hall en Bly  werkten daar samen aan de uitgave van The Harvard Advocate. Tijdens zijn studies in Oxford, werd hem de Newdigate Prize in poetry toegekend. Na een jaar in Palo Alto en een driejarig verblijf  als lid van het bestuur van Harvard, ging hij doceren aan de Universiteit van Michigan  en bleef in Ann Arbor gedurende de volgende zeventien jaren.  Hierna besloot hij op  aanraden van Robert Graves zijn full-time job op te geven aan de universiteit en  begon hij een carrière als schrijver.

 

 

 

Sudden Things 

 

    A storm was coming, that was why it was dark. The wind was blowing the fronds of the palm trees off. They were maples. I looked out the window across the big lawn. The house was huge, full of children and old people. The lion was loose. Either because of the wind, or by malevolent human energy, which is the same thing, the cage had come open. Suppose a child walked outside!

 

    A child walked outside. I knew that I must protect him from the lion. I threw myself on top of the child. The lion roared over me. In the branches and the bushes there was suddenly a loud crackling. The lion cringed. I looked up and saw that the elephant was loose!

 

    The elephant was taller than the redwoods. He was hairy like a mammoth. His tusks trailed vines. Parrots screeched around his head. His eyes rolled crazily. He trumpeted. The ice-cap was breaking up!

 

    The lion backed off, whining. The boy ran for the house. I covered his retreat, locked all the doors and pulled the bars across them. An old lady tried to open a door to get a better look. I spoke sharply to her, she sat down grumbling and pulled a blanket over her knees.

 

    Out of the window I saw zebras and rattlesnakes and wildebeests and cougars and woodchucks on the lawns and in the tennis courts. I worried how, after the storm, we would put the animals back in their cages, and get to the mainland. 

 

 

 

 

Affirmation 

 

To grow old is to lose everything.

Aging, everybody knows it.

Even when we are young,

we glimpse it sometimes, and nod our heads

when a grandfather dies.

Then we row for years on the midsummer

pond, ignorant and content. But a marriage,

that began without harm, scatters

into debris on the shore,

and a friend from school drops

cold on a rocky strand.

If a new love carries us

past middle age, our wife will die

at her strongest and most beautiful.

New women come and go. All go.

The pretty lover who announces

that she is temporary

is temporary. The bold woman,

middle-aged against our old age,

sinks under an anxiety she cannot withstand.

Another friend of decades estranges himself

in words that pollute thirty years.

Let us stifle under mud at the pond's edge

and affirm that it is fitting

and delicious to lose everything.

 

 

 

 

 

donald-hall
Donald Hall (New Haven, 20 september 1928)

 

 

 

 

 

De Spaanse schrijver Javier Marías Franco werd op 20 september 1951 in Madrid geboren. Zie ook mijn blog van 20 september 2007 en ook mijn blog van 20 september 2008.

 

Uit: Als ich sterblich war (Vertaald door  Elke Wehr)

 

“Alles wird jetzt erinnert, und deshalb erinnere ich mich genau an meinen Tod, das heißt, an das, was ich von meinem Tod wußte, als er stattfand, was wenig und nichts war, wenn ich es mit der Totalität meines jetzigen Wissens vergleiche und mit der Schneide der Wiederholungen.

Ich kehrte wieder einmal von einer meiner erschöpfenden Reisen zurück, und Luisa war zuverlässig, sie kam mich abholen. Wir redeten nicht viel im Auto, auch nicht, während ich automatisch meinen Koffer auspackte und flüchtig die Post durchsah, die sich angesammelt hatte, und die bis zu meiner Rückkehr gespeicherten Anrufe auf dem Anrufbeantworter abhörte. Einer versetzte mich in Unruhe, denn ich erkannte sofort die Stimme Marias, die einmal meinen Namen sagte, dann abbrach, und dies bewirkte, daß meine Unruhe gleich wieder nachließ, eine Frauenstimme, die meinen Namen sagte und sich unterbrach, bedeutete nichts, sie mußte Luisa nicht irritiert haben, wenn sie sie gehört hatte. Ich legte mich vor dem Fernseher aufs Bett und schaute Sendungen an, Luisa brachte mir kalten Braten mit geraspeltem Ei, den sie im Geschäft gekauft hatte, bestimmt hatte sie keine Lust oder keine Zeit gehabt, mir eine Tortilla zu machen. Es war noch früh, aber sie löschte für mich das Licht im Zimmer, um mir in den Schlaf zu helfen, und so lag ich da, schläfrig und beruhigt durch die vage Erinnerung an ihre Liebkosungen, die Hand, die besänftigt, auch wenn sie die Brust zerstreut und vielleicht mit Ungeduld berührt. Dann verließ sie das Schlafzimmer, und ich schlief schließlich ein, während die Bilder weiterliefen, in einem bestimmten Augenblick hatte ich aufgehört, zwischen den Kanälen hin und her zu wechseln.

Ich weiß nicht, wieviel Zeit verging, aber ich lüge, denn jetzt weiß ich es genau, es waren dreiundsiebzig Minuten tiefen Schlafs mit Träumen, die sich noch im Ausland abspielten, aus dem ich einmal mehr heil zurückgekehrt war. Dann wachte ich auf und sah das bläuliche Licht des laufenden Fernsehers, sein Licht, das den Fußteil des Bettes erhellte, und nicht so sehr eines seiner Bilder, denn dazu fand ich keine Zeit. Ich sehe und sah, wie etwas Schwarzes auf meine Stirn fiel, ein schwerer Gegenstand, der zweifellos kalt war wie das Stethoskop, aber er war nicht gesund, sondern voll Gewalt.”

 

 

 

 

marias
Javier Marías (Madrid, 20 september 1951)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver en journalist Joseph Breitbach werd geboren op 20 september 1903 in Ehrenbreitstein bij Koblenz. Na WO II zette hij zich zeer in voor een goede Duits-Franse verstandhouding. De naar hem genoemde Joseph-Breitbach-Preis is de hoogst gedoteerde onderscheiding voor Duitstalige schrijvers. Van 1925 tot 1928 werkte Breitbach als boekhandelaar in Augsburg. Hier stond hij ook in nauw contact met de KPD. Na het verschijnen van zijn verhalenbundel Rot gegen Rot werd hij ontslagen. Vanaf 1929 leefde de schrijver in Frankrijk. In 1932 verscheen zijn eerste roman Die Wandlung der Susanne Dasseldorf. In 1933 werden zijn boeken in Duitsland verboden. In 1937 leverde hij vrijwillig zijn Duitse paspoort in en vroeg hij het Franse staatburgerschap aan. Tijdens de oorlog werkte hij voor het vreemdelingenlegioen en voor de Franse geheime dienst. Pas in 1962 verscheen zijn tweede roman Bericht über Bruno.

 

Uit: Die Wandlung der Susanne Dasseldorf

 

“Man schrieb den 12. Dezember 1918. Der Haupttrupp der nach dem Waffenstillstand von Compiègne für Koblenz bestimmten amerikanischen Besatzungsarmee rückte in die Stadt ein. ,Nun haben wir vier Jahre immer gesiegt, und jetzt kommt die fremde Besatzung', sagte Susanne. Niemand antwortete ihr. Susanne beherrschte die Familie. Sie war klug, klug und oft sehr anmaßend. In der Fabrik war sie die beiden letzten Jahre vor dem Krieg die rechte Hand ihres Vaters gewesen.

(…)

 

"Das Geschrei und die Schüsse drangen immer lauter von der Mosel herüber. Frau Dasseldorf und Lisa hielten sich weinend die Ohren zu, Susanne aber starrte nach der Moselmündung.
Jetzt schob sich der Lichtkegel auf den Rhein. Die Helligkeit tappte zuerst in der Luft, fraß sich einen Weinberg auf dem rechten Ufer hinauf und wieder hinab, über das Eisenbahngelände, auf das Wasser --- da.... jetzt war der Scheinwerfer richtig eingestellt, in seinem Licht zappelte wieder der Kahn mit den beiden Männern. Ein Jahrmarktspanoptikum hätte kein grausigeres "Lebendes Bild" erfinden können. Wie in einem Angsttraum schien der Kahn, in dem die Gesichter der wildrudernden Männer sich wie gelbe Wachsflecken ausnahmen, nicht von der Stelle zu kommen. Das Licht spielte mit ihm, zog sich zurück, fuhr über ihn her, nahm ihn von der Seite oder kitzelte den Männern flackernd die Augen;
Die Polizeiboote selbst lagen im Dunkel, ihrem Lichtwurf nach schwärmten sie im Abstand nebeneinander und trieben den Kahn vor sich her."

 

 

 

 

Breitbach
Joseph Breitbach (20 september 1903 – 9 mei 1980)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver Henry Arthur Jones werd geboren op 20 september 1851 in Granborough, Buckinghamshire. Zijn eerste stuk Only Round the Corner werd opgevoerd aan het Exeter Theatre toen hij zevenentwintig was, maar zijn eerste grote succes behaalde hij met The Silver King in 1882. Saints and Sinners (1884) zorgde voor veel beroering wegens de religieuze thematiek. Met The Middleman (1889) en Judah (1890) was zijn naam definitief gevestigd.

 

Uit: THE GOAL

 

SIR STEPHEN: You won't misunderstand me, dear. I'm old enough to be your grandfather. [Very seriously.] Take care how you choose your partner for life. You'll have a wide choice, and all your future happiness, and the happiness of many generations to come, will depend on the one moment when you say "Yes" to one of the scores of young fellows who'll ask you to be his wife. Take care! Look him thoroughly up and down! Be sure that he has a good full open eye that can look you straight in the face; and be sure that the whites of his eyes are clear. Take care he hasn't got a queer-shaped head, or a low forehead. A good round head, and a good full high forehead, do you hear? Notice the grip of his hand when he shakes hands with you! Take care its strong and firm, and not cold and dry. Don't say "Yes" till you've seen him out of trousers, in riding dress, or court dress. Look at the shape of his legs -- a good, well-shaped leg, eh, Peggie? And take care it is his leg! See that he's well-knit and a little lean, not flabby; doesn't squint; doesn't stammer; hasn't got any nervous tricks or twitchings. Don't marry a bald man! They say we shall all be bald in ten generations. Wait ten generations, Peggie, and then don't marry a bald man! Can you remember all this, dear? Watch his walk! See that he has a good springy step, and feet made of elastic -- can do his four or five miles an hour without turning a hair. Don't have him if he has a cough in the winter or the spring. Young men ought never to have a cough. And be sure he can laugh well and heartily -- not a snigger, or a wheeze, or a cackle, but a good, deep, hearty laugh right down from the bottom of his chest. And if he has a little money, or even a good bit, so much the better! There now! You choose a man like that, Peggie, and I won't promise you that you'll be happy, but if you're not, it won't be your fault, and it won't be his, and it won't be mine!“

 

 

jones

Henry Arthur Jones (20 september 1851 – 7 januari 1929)

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 20:12 Reageer op dit bericht

Cyriel Buysse, Stevie Smith, Upton Sinclair, Hanns Cibulka

De Vlaamse schrijver Cyriel Buysse werd geboren op 20 september 1859 in Nevele. Zie ook mijn blog van 20 september 2007. Zie ook mijn blog van 20 september 2007 en ook mijn blog van 20 september 2008.

Uit: De biezenstekker

 

“Als Cloet dien zaterdag namiddag om vier ure juist, de zware hekkens van het Gentsch gevang zag opengaan en eensklaps, na een tiental schreden, weêr in vrijheid was; trok hij haastig, door het daglicht verblind en reeds aan eenzaamheid en duisternis gewend, de breede kassei dwars over en verdiepte zich in de kronkelende hovingen, die daar, aan de overzijde van het stadsgevang, de gansche lengte der eenzame, regelrechte laan begrenzen. Het was een groote, kloeke kerel van rond de vijf en veertig, met grijzende knevel en haren, met forsig afgeteekende wezenstrekken, met stijven, onheilspellenden oogopslag. Vier maanden was hij daar opgesloten geweest. Eene messteek, in een gevecht aan eenen makker toegebracht, had de vervolging der Wet op hem getrokken. Een oogenblik had hij gehoopt op vrijspraak; maar een gebuur - Rosse Tjeef 2 had bezwarend tegen hem getuigd - en hij was eindelijk veroordeeld geworden. Dat was nu ook de vierde maal dat hij in het gevang gezeten had, telkens voor vechten.

Somber, zonder den minsten zweem van vreugd op het gelaat, stapte hij steeds rasser en met hooge schouders, in de mistige winterlucht vooruit. Hij droeg een klein, in een rood zakdoek omwonden pakje aan de linkerhand; in de rechter hield hij zijnen gaanstok. Hij had eene donkerkleurige broek aan; grove schoenen met nagels; een blauwen kiel; een zwarte pet.

Aan het uiteinde der hovingen gekomen draaide hij links om en sloeg, doorheen de woelende en reeds verlichte voorstad, den eenzamen steenweg naar Wilde in.

Gedurende een groot half uur ging hij aldus met wijden tred vooruit. De avond was van lieverlede gansch gevallen en langsheen de pijlrechte, met boomen omzoomde baan die hij thans door het veld volgde, blonken hier en daar, op groote afstanden, eenzame lichten. Vóór een dezer hield hij stil. Daar stond, terzijde van den weg, een klein, landelijk herbergje. Zonder aarzelen, als van zelf, trok hij er binnen.

‘Een druppel’, bestelde hij kortaf, zijn vijfcentstuk klinkend op den toog werpend. En, terwijl een jong meisje, spoedig rechtgestaan, hem bediende, keek hij schuins, met zijn vorschenden blik, naar 't vergaderd gezelschap: drie mannen en eene vrouw, die op stoelen rond een tafeltje gezeten, met de kaart speelden.“

 

 

 

 

Cyriel_Buysse
Cyriel Buysse (20 september 1859 -  25 juli 1932)

Portret door Emile Claus, 1924

 

 

 

 

 

De Engelse dichteres en schrijfster Stevie (eig. Florence Margaret) Smith werd geboren op 20 september 1902 in Kingston upon Hull. Smith debuteerde in 1934 met ' A Novel on Yellow Paper'. Ook publiciceerde zij negen dichtbundels. De eerste, A Good Time Was Had By All verscheen in 1937. Het bekendste gedicht van haar is Not Waving but Drowning.  Smith woonde lang in bij haar tante en werkte als prive-secretaresse voor diverse werkgevers. Hoewel ze affaires had met diverse mannen (en waarschijnlijk ook met vrouwen) is ze nooit getrouwd.

 

 

 

Not Waving but Drowning 

 

Nobody heard him, the dead man,

But still he lay moaning:

I was much further out than you thought

And not waving but drowning.

 

Poor chap, he always loved larking

And now he's dead

It must have been too cold for him his heart gave way,

They said.

 

Oh, no no no, it was too cold always

(Still the dead one lay moaning)

I was much too far out all my life

And not waving but drowning.

 

 

 

 

 

Mother, Among the Dustbins 

 

Mother, among the dustbins and the manure

I feel the measure of my humanity, an allure

As of the presence of God, I am sure

 

In the dustbins, in the manure, in the cat at play,

Is the presence of God, in a sure way

He moves there. Mother, what do you say?

 

I too have felt the presence of God in the broom

I hold, in the cobwebs in the room,

But most of all in the silence of the tomb.

 

Ah! but that thought that informs the hope of our kind

Is but an empty thing, what lies behind? --

Naught but the vanity of a protesting mind

 

That would not die. This is the thought that bounces

Within a conceited head and trounces

Inquiry. Man is most frivolous when he pronounces.

 

Well Mother, I shall continue to think as I do,

And I think you would be wise to do so too,

Can you question the folly of man in the creation of God?

Who are you? 

 

 

 

 

Stevie_Smith
Stevie Smith (20 september 1902 – 7 maart 1971)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Upton Beall Sinclair werd geboren op 20 september 1878. Zie voor onderstaande schrijver mijn blog van 20 september 2006 en ook mijn blog van 20 september 2008.

 

Uit: The Metropolis

 

"Return at ten-thirty," the General said to his chauffeur, and then they entered the corridor of the hotel.

Montague gazed about him, and found himself trembling just a little with anticipation. It was not the magnificence of the place. The quiet uptown hotel would have seemed magnificent to him, fresh as he was from the country; but, he did not see the marble columns and the gilded carvings-he was thinking of the men he was to meet. It seemed too much to crowd into one day-first the vision of the whirling, seething city, the centre of all his hopes of the future; and then, at night, this meeting, overwhelming him with the crowded memories of everything that he held precious in the past.

There were groups of men in faded uniforms standing about in the corridors. General Prentice bowed here and there as they retired and took the elevator to the reception-rooms. In the doorway they passed a stout little man with stubby white moustaches, and the General stopped, exclaiming, "Hello, Major!" Then he added: "Let me introduce Mr. Allan Montague. Montague, this is Major Thorne."

A look of sudden interest flashed across the Major's face. "General Montague's son?" he cried. And then he seized the other's hand in both of his, exclaiming, "My boy! my boy! I'm glad to see you!"

Now Montague was no boy—he was a man of thirty, and rather sedate in his appearance and manner; there was enough in his six feet one to have made two of the round and rubicund little Major. And yet it seemed to him quite proper that the other should address him so. He was back in his boyhood to-night—he was a boy whenever anyone mentioned the name of Major Thorne.

"Perhaps you have heard your father speak of me?" asked the Major, eagerly; and Montague answered, "A thousand times."

He was tempted to add that the vision that rose before him was of a stout gentleman hanging in a grape-vine, while a whole battery of artillery made him their target.

Perhaps it was irreverent, but that was what Montague had always thought of, ever since he had first laughed over the tale his father told. It had happened one January afternoon in the Wilderness, during the terrible battle of Chancellorsville, when Montague's father had been a rising young staff-officer, and it had fallen to his lot to carry to Major Thorne what was surely the most terrifying order that ever a cavalry officer received. It was in the crisis of the conflict, when the Army of the Potomac was reeling before the onslaught of Stonewall Jackson's columns. There was no one to stop them-and yet they must be stopped, for the whole right wing of the army was going. So that cavalry regiment had charged full tilt through the thickets, and into a solid wall of infantry and artillery.“

 

 

 

 

sinclair3
Upton Sinclair (20 september 1878 – 25 november 1968)

Portret, getekend door Peter Van Valkenburgh

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Hanns Cibulka werd geboren op 20 september 1920 in Jägerndorf, in het toenmalige Tsjechoslowakije. Zie ook mijn blog van 20 september 2008.

 

Uit: Umbrische Tage

 

„Bäuerinnen mit lehmverkrusteten Händen setzten Steine zu einer Mauer. Sie riefen sich zu. Ihre Worte stießen wie Vögel durch die Luft. Ein Bauer, den breiten Strohhut auf dem Kopf, kam uns durch das Traubenfeld entgegen.

 

Erstarre nicht in deinem Denken. Die Hingabe an das Leben fordert mehr, als immer nur einem Gedanken zu dienen. Wer die Vielzahl ausschließt, bekennt sich zur Ungerechtigkeit. Wer die schöpferischen Gegensätze verneint, tötet das Kind in der Wiege. Bewunderung wächst aus der Farbigkeit des Lebens. Ein Fuß, der immer nur denselben Weg betritt, wird müde.

 

Die Stunde war vom Licht des Himmels ausgelotet. Staubbedeckte Oliven, von der Sonne umbrandet. Kein Mensch war zu sehen. Unter der sengenden Hitze war das Leben eingeschlafen. Nur der Salbei öffnete am Wegrand seine Blüten. Unheimlich war die Stille, wie nach einem Schuß.

 

Ein seltsames Fluidum hüllt die Berge ein. Caprarola, ich kenne dich, entblößt und verschleiert. Ein unnennbares Heimweh fällt mich an.“

 

 

 

 

Cibulka
Hanns Cibulka (20 september 1920 – 20 juni 2004)


 

 

Geschreven door Romenu om 20:09 Reageer op dit bericht

Crauss, Ingrid Jonker, Patrick Marber, Orlando Emanuels, Stefanie Zweig

De Duitse dichter en schrijver Crauss werd geboren in Siegen op 19 september 1971. Zie ook mijn blog van 19 september 2008. Zie ook mijn blog van 19 september 2008.

 

 

der mond über zollstock

 

ist der selbe wie hier. ick vermisse dir,

du bist das masz aller dinge, die elle,

um die mich die freunde beneiden. nimm meinen langen

schatten unter den arm, wenn im zollstocker eck du nicht

mehr erinnerst, wie das spiel früher ging:

ich &du &dazwischen der mond. denn

wisse: du bist die ellen, die ich vermisse.

 

 

 

 

u & e
mittelgebirgsermittlung

 

es gibt keinen horizont aber
alles ist eben. am tage
ein kontingent aus 24 abgemessenen worten
ein leseband fliesst gerade hindurch
aber es fehlt die schleuse die ebene
anzuheben zu einem sturz aus ausgelaufenen filzstiften:
ich schmiere mit dem handrücken die mulden aus u
& den beklemmenden sommer zu
sumpf. jetzt ist es herbst & ein nebel zieht vor
das licht ist schön mild nur einsam
steht ein geziegeltes e dann wird es nacht
& das sprechen ein bergisches land

 

 

 

 

cf_improvisation 3

 

am sichersten lemcke fragen: man vergisst

so viel zwischen den gerüsten gedanken gebäude

türmen sich auf in der küche im wohnzimmer

verliert ein pepsigetränk leben und all diese tiere

aus staub! es ballen sich träume im bad und im

flur vielleicht hilft es zu fragen was stellt

dieses verschachtelte was stellen die prosabalkone

was stellt das kreideblech dar. du brauchst doch

dieses amerika nicht aus twintowerkarton

und emiprestatekisten. wo soll uns das hinführen

sage was könnte es sein das ich vergesse.

die antwort hat lemcke die ameisendateien und alles

was vormals hinter das bett... nerven muskeln ent

scheidungen: vielleicht doch lieber nach wien?

und bete die flugzeuge weg! ich lese vergesse

bin schon am morgen ganz müde. dieser schweflige

gifthimmel das muss von der kola das kommt

von den blitzen im kopf. wo sind wir denn hier.

 

 

 

 

Crauss-Crauss
Crauss (Siegen, 19 september 1971)

 

 

 

 

De Zuidafrikaanse dichteres en schrijfster Ingrid Jonker werd geboren op 19 september 1933 bij Komberley (Noord Kaap). Zie ook mijn blog van 19 september 2006 en ook mijn blog van 19 september 2008.

 

 

Bittervrucht van dageraad 


(Bitterbessie dagbreek) 

Bittervrucht van de dageraad 
bittervrucht van zon 
een spiegel is gebroken 
tussen mij en hem 

Wil ik langs de hoofdweg 
rennend op een draf 
telkens slaan er paadjes 
met zijn woorden af 

Dennenbos herinnering 
dennebos vergeet 
waar ik ook verdwaal 
trap ik in mijn leed 

Papegaai-bonte echo 
lach me, lach me uit 
totdat ik bedrogen 
op het spotwoord stuit 

Echo is geen antwoord 
antwoordt hij alom 
bittervrucht van dageraad 
bittervrucht van zon.

 

 

Het kind dat doodgeschoten is door soldaten bij Nyanga

 

Het kind is niet dood

het kind heft zijn vuisten naar zijn moeder

die Afrika schreeuwt  de geur schreeuwt

van vrijheid en heide

in de townships van het omsingelde hart

 

het kind heft zijn vuisten naar zijn vader

in de optocht van de generaties

die Afrika schreeuwen  de geur schreeuwen

van gerechtigheid en bloed

in de straten van zijn gewapende trots

 

Het kind is niet dood

noch bij Langa noch bij Nyanga

noch bij Orlando noch bij Sharpville

noch bij het politiebureau van Philippi

waar het ligt met een kogel door zijn hoofd

 

Het kind is de schaduw van de soldaten

op wacht met geweren pantserwagens en knuppels

het kind is aanwezigbij alle vergaderingen en wetgevingen

het kind loert door de vensters van huizen en in de harten

van moeders

het kind dat alleen maar wilde spelen in de zon bij Nyanga is overal

het kind dat een man is geworden trekt door heel Afrika

het kind dat een reus is geworden trekt door de gehele wereld

 

Zonder pas

 

 

 

Vertaald door Gerrit Komrij

 

 

 

 

Jonker
Ingrid Jonker (19 september 1933 – 19 juli 1965)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver, acteur en regisseur Patrick Marber werd geboren op 19 september 1964 in Londen. Hij groeide op in Wimbledon en studeerde in Oxford. Na vier jaar als Standup-Comedian te hebben gewerkt ging hij in 1991 naar Parijs tot hij gevraagd werd als acteur en schrijver aan een nieuwe serie voor Radio 4 mee te werken. De serie won prijzen en kwam ook op televisie. Marber begon draaiboeken te schrijven. Als toneelschrijver debuteerde hij in 1997 met zijn stuk Closer in eigen regie in het National Theatre.

 

Uit: Don Juan In Soho

 

DJ (To Statue) What are you?

STATUE Recognition

Pause

DJ Are you alive

STATUE I come from the dead.

Pause

DJ Why?

STATUE You know why. You have always known.

STATUE You summoned me.

DJ When?

STATUE Last night. In the square. You invited me to join you.

DJ I was not myself

STATUE You are always yourself. It is that you cannot bear.

DJ I don’t believe in you. I choose not to believe in you!

STATUE I am you.

They stare at each other. DJ understands now:

DJ Recognition.

 

 

 

 

marber
Patrick Marber (Londen, 19 september 1964)

 

 

 

 

De Surinaamse dichter en schrijver Orlando Emanuels werd geboren in Paramaribo op 19 september 1927. Zie ook mijn blog van 19 september 2008.

 

Uit: De duivel verkoopt zijn ziel

 

‘Vergeten die ellendelingen dan wie ik ben?’ Hij beukt met zijn vuisten op het bureau. Zo vroeg op de morgen schenkt hij zich al zijn vierde borrel in en drinkt het glas in één teug leeg.

‘Verdomme... ver-dom-me!’ Hij schenkt zich nogmaals in en ook nu verdwijnt de whisky in één slok. ‘Geen enkele uitgever weigert zomaar een manuscript van Edward John Mesquita, wiens boeken jaren achtereen op de bestsellerslijst hebben geprijkt!’

De ellebogen op het bureau geplant en met de vuisten zijn kin ondersteunend kijkt hij neer op het schrijven dat opengevouwen voor hem ligt. De inhoud liegt er niet om, duidelijk staat er dat het toegezonden manuscript enigszins teleurstellend is en dat men dan ook niet tot uitgeven ervan kan overgaan.

‘Met mooie woorden geven ze mij te kennen dat mijn manuscript is afgewezen! Ondankbaar tuig! Het is toch voornamelijk mijn werk waar ze hun kapitaal mee verdiend hebben! Zij zijn heus niet de enige uitgevers in het land. Voor een schrijver van mijn kaliber staan de deuren van alle uitgeverijen wijd open!’

De drankverslaving van Edward John Mesquita was de uitgevers niet onbekend gebleven en hoewel die het erover eens waren dat zijn latere pennevruchten bij lange na niet het niveau van zijn eerder verschenen werk haalden, hadden ze rekening gehouden met zijn status en de manuscripten toch geaccepteerd. Maar de duidelijke teruggang die ze vooral bij zijn laatste werk hadden geconstateerd, had een vernietigend oordeel tot gevolg gehad.

Na zes shots zit Edward John Mesquita nog steeds over de brief heen gebogen, zijn ogen zijn rood doorlopen en hij beeft van woede: ‘Ik ga die shits hun eigen braaksel laten slikken! Ik ga ze tonen waar ik met mijn 72 jaar nog toe in staat ben. Ik ga het beste verhaal schrijven dat ooit uit mijn pen is gevloeid! Als honden laat ik hen naar mij toe kruipen om mij te smeken het te mogen uitgeven. Als honden! Ik zal me revancheren, al moet ik daarvoor bij de duivel aankloppen.

Als hij wakker wordt, is het reeds middag. Hij leunt niet meer op zijn vuisten, maar ligt uitgestrekt over het bureau. Flarden van een gesprek dwarrelen door zijn hoofd. Iemand had gesproken over het onrecht dat de uitgevers hem hebben gedaan. Die vreemde gast had hem assistentie bij het schrijven van zijn verhaal aangeboden. Iemand. Wie?”

 

 

 

Emanuuels
Orlando Emanuels (Paramaribo, 19 september 1927)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Stefanie Zweig werd geboren in Leobschütz, Oberschlesien, op 19 september 1938. Zie ook mijn blog van 19 september 2008.

 

Uit: Das Haus in der Rothschildallee

 

„Strahlende Sonne am 27. Januar war seit zwölf Jahren eine Berliner Tradition. Am Geburtstag von Kaiser Wilhelm II. strahlten die Sonne und die Bürger der Reichshauptstadt um die Wette. Selbstbewusst flanierten sie auf ihren Prachtstraßen und ein jeder wusste, dass »Kaiserwetter« eine Berliner Spezialität war.

Weit weniger kaisertreu zeigten sich die Januarwinde, die von den Bergen im Taunus nach Frankfurt wehten. In der ehemaligen Freien Reichsstadt waren die Leute zu bürgerstolz und skeptisch, um auf neumodische monarchistische Mythen zu setzen. Die Frankfurter empfanden den kaiserlichen Geburtstag als einen Tag, der sich nicht von den übrigen dreißig im Monat unterschied – übellaunig

schimpften sie den Januar einen rücksichtslosen Wüstling. Mit eiserner Faust vergalt ihnen der garstige Geselle seinen schlechten Leumund; häufig übertraf er mit Wetterkatastrophen, die zu Tragödien führten, noch seinen fürchterlichen Ruf.

Der 27. Januar 1900 war allerdings in der schönen Stadt am Main der strahlende Beweis, dass in der Meteorologie noch weniger Verlass auf Verallgemeinerungen ist als auf besser überschaubaren Gebieten. An diesem letzten Samstag im Januar war das Frankfurter Wetter, wie die Leuteeinander aufgeräumt versicherten, wenn sie am Flussufer spazieren gingen und die Kirchturmspitzen in der Wintersonne wie die vergoldeten Kuppeln in Märchenbüchern glitzerten, »zum Eier Legen«. Der volkstümliche Ausdruck entstammte der Sommersprache, eignete sich aber trefflich, um am einundvierzigsten Geburtstag Seiner Majestät Kaiser Wilhelms II. das Lebensgefühl der Menschen zwischen den Ebbelweinwirtschafen in Sachsenhausen und den Feldern auf dem Lohrberg zu beschreiben. Der Himmel über den Frankfurtern, die dafür bekannt waren, dass sie nur glaubten, was sie sahen, anfassen und schmecken konnten, war am 27. Januar 1900 so klar und blau wie seit

Wochen nicht mehr.

Solch rares Wetterglück erhellte die dunkelste Gesindestube. Die Sonne erreichte feuchtes Gemäuer in engen Gassen und strahlte mit Titanenkraft auf Herrenhäuser und die weiträumigen Plätze, von denen es immer mehr in der Stadt gab. Hell im Licht der Hoffnung leuchteten die Schwanzfedern der Wetterhähne. Die alten Stadttürme wirkten, als wären sie in der Nacht geputzt worden. Auf der Zeil und in der Kaiserstraße pfiffen vorwitzige Spatzen von allen Dächern, dass es bald Frühling werden würde. Frisch gestriegelt waren die Pferde vor den geputzten Kutschen.“

 

 

 

stefanie-zweig
Stefanie Zweig (Leobschütz, 19 september 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 19:27 Reageer op dit bericht

Mika Waltari, Jean-Claude Carrière, Curt Meyer-Clason, William Golding, Hartley Coleridge

De Finse schrijver Mika Toimi Waltari werd geboren in Helsinki op 19 september 1908. Op wens van zijn moeder studeerde hij eerst theologie, maar hij wendde zich al snel tot de literatuurwetenschap en de filosofie. Na zijn studie werkte hij o.a. als journalist, vertaler en literair criticus. Beroemd werd hij door zijn romans die levensechte beschrijvingen bieden van oude culturen. Sinuhe de Egyptenaar (ook verfilmd) en De Romein zijn twee voorbeelden daarvan. Werk van Waltari, met name Sinuhe de Egyptenaar, dat uit 1945 dateert, werd in ruim 30 talen vertaald, waaronder het Nederlands (in 1949).

 

Uit: Sinuhe der Ägypter (Vertaald door Charlotte Lilius)

 

„Die Wächter wagten mich nicht daran zu hindern, weil ich Haremhabs Arzt war und die Soldaten mich bereits als einen boshaften Mann kannten, der sich sogar getraute, Haremhab mit harten und beißenden Worten entgegenzutreten. Zu Aziru aber ging ich, weil er in ganz Syrien keinen einzigen Freund mehr besaß. Ein gefangener, seines Reichtums beraubter und zu schimpflichem Tode verurteilter Mann hat keine Freunde mehr. Ich begab mich zu ihm, weil ich wusste, dass er das Leben sehr liebte, und weil ich ihm auf Grund all dessen, was ich gesehen, versichern wollte, dass es überhaupt nicht lebenswert sei. Auch wollte ich ihm als Arzt sagen, dass Sterben leicht sei, leichter jedenfalls als die Qual, der Kummer und das Leid des Lebens. Das Leben ist eine heiße, versengende Flamme, der Tod hingegen das dunkle Wasser der Vergessenheit. Das alles wollte ich ihm sagen, weil er am Morgen darauf sterben sollte, und ich wusste, dass er ohnehin nicht schlafen werde, da er das Leben über alles liebte. Sollte er aber meinen Worten kein Gehör schenken, so wollte ich mich schweigend neben ihn setzen, damit er nicht allein sei. Der Mensch kann wohl leicht ohne Freunde leben, ohne einen einzigen Freund zu sterben aber fällt ihm schwer, besonders wenn er zu Lebzeiten Kronen auf dem Haupte getragen und über viele Menschen befohlen hat.
Deshalb schlich ich mich im Dunkel der Nacht in das Zelt, wo er in Fesseln gehalten wurde. Bei Tageslicht hatte ich mich ihm nicht zeigen wollen und war ihm mit verhülltem Gesicht ausgewichen, als er und seine Familie auf schmähliche Weise in Haremhabs Lager geschleppt wurden, wobei ihn die Soldaten verhöhnten und mit Schmutz und Pferdemist bewarfen. Denn er war ein sehr stolzer Mann, dem es sicherlich peinlich gewesen wäre, wenn ich ihn in seiner Erniedrigung gesehen, nachdem ich ihn in den besten Tagen seiner Kraft und Macht gekannt hatte. Deshalb hatte ich ihn am Tage gemieden und suchte sein Zelt erst im Dunkel der Nacht auf. Die Wächter hoben ihre Speere und sprachen zueinander: ‚Wir wollen ihn einlassen! Es ist Sinuhe, der Arzt, der sich gewiss nicht auf unerlaubten Wegen befindet. Wenn wir ihm den Zutritt verweigern, wird er uns vielleicht beschimpfen oder durch Zauberei entmannen; denn er ist ein boshafter Mensch, und seine Zunge sticht ärger als ein Skorpion.‘
 

 

 

 

Mika_Waltari
Mika Waltari (19 september 1908 - 26 augustus 1979)

 

 

 

 

 

De Franse romanschrijver, regisseur, acteur, toneel- en scenarioschrijver Jean-Claude Carrière werd geboren op 19 september 1931 in Colombières-sur-Orb, Hérault. Hij schreef honderden scenario's waaronder 'Le Fantôme de la liberté', later een film van Luis Buñuel .Hij werkte ook samen met onder meer Peter Brook en Jaques Tati. Eerder verscheen van zijn hand 'Entretiens sur la multitude du monde', dat hij schreef samen met Thibault Damour.

 

Uit: Mit anderen Worten. Ein erotischer Sprachführer  (Vertaald doorNathalie Rouanet)

 

Paris, am 3. September

 

Sehr geehrtes Fräulein!

 

Ich danke Ihnen für Ihren Brief, der mich zutiefst berührt und den schlaffen Mann (der ich aber nicht immer war) wachgerüttelt hat.

Die wissenschaftliche Arbeit, die Sie ansprechen und die heute vergriffen ist, hatte den genauen Titel „Abhandlungen zur Entwicklung des erotischen Vokabulars“. Ich habe sie schon vor sehr langer Zeit veröffentlicht, und ich wage zu behaupten, daß sie bis heute unübertroffen ist. Selbstverständlich sind seitdem einige neue Ausdrücke entstanden – die Sprache lebt –, aber ich habe mich immer so gut es ging auf dem laufenden gehalten.

So haben sich ergänzende Notizen zum Buch angesammelt. Sie verteilen sich bereits über meine ganze Wohnung.

Ich glaube, ich kann Ihre heikle Frage beantworten. Sie fürchten, daß Ihr quälendes Problem mir „eigenartig oder unangebracht“ erscheinen könnte. Seien Sie beruhigt: Ich bin glücklich, Ihnen helfen zu können und mein bescheidenes Wissen zu Ihren Füßen zu legen, die ich mir übrigens sehr hübsch vorstelle.

„Es ist kein Handwerk schlecht, doch viele treiben’s nicht recht.“ Sie beschäftigen sich, wenn ich Sie richtig verstanden habe, mit der „Synchronisation“ fremdsprachiger Filme, die, wie Sie sagen, einen entschieden pornographischen Charakter haben, und Sie bedauern den armseligen Wortschatz, der Ihnen vorgelegt wird. Niemand könnte Sie besser verstehen als ich. Es ist vielleicht ein-  oder zweimal vorgekommen, seitdem ich im Ruhestand bin, daß ich mich in eines dieser Kinos verirrt habe, und ich war jedes Mal zutiefst betrübt, und zwar nicht über das Gesehene, sondern über das Gehörte. Immer die gleichen abgenutzten und ordinären Wörter. So üppig die Kurven, so flach die Sprache.

Dabei verfügt unsere schöne Sprache, glauben Sie mir, mein Fräulein, in diesem Bereich über wahre, meist verkannte Schätze. Nehmen wir zum Beispiel den Ausdruck Liebe machen, den Sie sicherlich verwenden und der seit immer und ewig durch das Verb ficken ausgedrückt wurde, das seine heutige Bedeutung schon im 16. Jahrhundert bekommen hat und nach und nach das früher verbreitete fickfacken ersetzte, und es lassen sich sofort jede Menge malerische und köstliche Synonyme finden, etwa im Jargon der Schneiderinnen das Wort einfädeln oder, um im Handwerklichen zu bleiben, stangeln und wetzen, die sehr gebräuchlich sind, eigentlich genauso wie pflanzen, stechen, pfropfen, bimsen, und nicht zu vergessen poppen, das in Deutschland sehr beliebt ist und seinen Reiz hat.*

 

 

 

 

carriere
Jean-Claude Carrière (Colombières-sur-Orb, 19 september 1931)

 

 

 


De Duitse schrijver en vertaler
Curt Meyer-Clason werd geboren op 19 september 1910 in Ludwigsburg. Hij volgde een opleiding voor de handel en werkte als koopman in Bremen, Brazilië en Argentinië. In 1955 keerde hij naar Duitsland terug en werd lector in München. Vanaf de jaren zestig begon hij steeds meer te vertalen, vooral werk van schrijvers uit Latijns Amerika. Van 1969 tot 1976 leidde hij het Goethe Instituut in Lissabon. Meyer-Clason publiceerde verhaqlen en essays, maar vooral als vertaler en uitgever een grote bijdrage geleverd aan de receptie van moderne Latijnsamerikaanse in het Duitse taalgebied.

 

Uit: Die Erzählungen (Gabriel Garcia Marquez, vertaald door Curt Meyer-Clason)

 

„Die dritte Entsagung

Da war wieder dieser Lärm. Jener kalte, schneidende, senkrechte Lärm, den er schon so gut kannte; der sich jetzt aber als scharf und schmerzhaft erwies, als sei er ihm von einem Tag auf den anderen ungewohnt geworden.

Der Lärm kreiste in seinem leeren Schädel, dumpf und stechend. Eine Wabe hatte sich in den vier Wänden seiner Gehirnschale gebildet. Sie wuchs zunehmend in aufeinanderfolgenden Spiralen und schlug drinnen und ließ seine Wirbelsäule erzittern, unmäßig und misstönend, im sicheren Rhythmus seines Körpers. Etwas war in seinem stofflichen Aufbau eines festgefügten Menschen aus der Ordnung geraten; etwas, das »bei den anderen Malen« normal funktioniert hatte und nun in seinem Kopf hart und trocken hämmerte, mit den Knochen einer abgezehrten Hand hämmerte und ihn an alle bitteren Empfindungen des Lebens erinnerte. Er fühlte den animalischen Drang, die Fäuste gegen die blauen, vom Druck des verzweifelten Schmerzes violett angeschwollenen Adern seiner Schläfen zu pressen. Er hätte den Lärm, der den Augenblick mit seiner scharfen Diamantspitze durchbohrte, zwischen seinen beiden empfindlichen Handflächen orten mögen. Mit der Bewegung einer Hauskatze zogen sich seine Muskeln zusammen, als er sich vorstellte, wie er durch die gepeinigten Winkel seines fieberzerfetzten heißen Kopfes verfolgt wurde. Er würde ihn gleich einholen. Nein. Der Lärm hatte ein glattes, fast unberührbares Fell.“

 

  

 

Curt_Meyer-Clason
Curt Meyer-Clason (Ludwigsburg. 19 september 1910)

Ludwigsburg, markt 

 

 

De Engelse schrijver Sir William Gerald Golding werd geboren in St. Columb Minor, Newquay, Cornwall, op 19 september 1911. Zie ook mijn blog van 19 september 2007 en ook mijn blog van 19 september 2008.

 

Uit: Lord of the flies

 

“The fat boy thought for a moment.

"That pilot."

The fair boy allowed his feet to come down and sat on the steamy earth.

"He must have flown off after he dropped us. He couldn't land here. Not in a place with wheels."

"We was attacked!"

"He'll be back all right."

The fat boy shook his head.

"When we was coming down I looked through one of them windows. I saw the other part of the plane. There were flames coming out of it."

He looked up and down the scar.

"And this is what the cabin done."

The fair boy reached out and touched the jagged end of a trunk. For a moment he looked interested.

"What happened to it?" he asked. "Where's it got to now?"

"That storm dragged it out to sea. It wasn't half dangerous with all them tree trunks falling. There must have been some kids still in it."

He hesitated for a moment, then spoke again.

"What's your name?"

"Ralph."

The fat boy waited to be asked his name in turn but this proffer of acquaintance was not made; the fair boy called Ralph smiled vaguely, stood up, and began to make his way once more toward the lagoon. The fat boy hung steadily at his shoulder.

"I expect there's a lot more of us scattered about. You haven't seen any others, have you?"

Ralph shook his head and increased his speed. Then he tripped over a branch and came down with a crash.

The fat boy stood by him, breathing hard.

"My auntie told me not to run," he explained, "on account of my asthma."

"Ass-mar?"

"That's right. Can't catch my breath. I was the only boy in our school what had asthma," said the fat boy with a touch of pride. "And I've been wearing specs since I was three."

He took off his glasses and held them out to Ralph, blinking and smiling, and then started to wipe them against his grubby wind-breaker. An expression of pain and inward concentration altered the pale contours of his face. He smeared the sweat from his cheeks and quickly adjusted the spectacles on his nose.

"Them fruit."

He glanced round the scar.

"Them fruit," he said, "I expect—"

He put on his glasses, waded away from Ralph, and crouched down among the tangled foliage.

"I'll be out again in just a minute—"

Ralph disentangled himself cautiously and stole away through the branches. In a few seconds the fat boy's grunts were behind him and he was hurrying toward the screen that still lay between him and the lagoon. He climbed over a broken trunk and was out of the jungle.

The shore was fledged with palm trees. These stood or leaned or reclined against the light and their green feathers were a hundred feet up in the air. The ground beneath them was a bank covered with coarse grass, torn everywhere by the upheavals of fallen trees, scattered with decaying coconuts and palm saplings. Behind this was the darkness of the forest proper and the open space of the scar. Ralph stood, one hand against a grey trunk, and screwed up his eyes against the shimmering water.”

 

 

 

 

golding
William Golding (19 september 1911 – 19 juni 1993)

 

 

 

 

 

De Engelse dichter en schrijver Hartley Coleridge werd geboren in Clevedon, Somerset, op 19 september 1796. Hij was de oudste zoon van de dichter Samuel Taylor Coleridge. Hij ging in 1815 naar de Universiteit van Oxford en verwierf in 1820 een 'fellowship' aan Oriel College. Na zijn proefjaar werd hij hier echter van ontheven wegens 'onmatigheid'. De autoriteiten wilden de beslissing niet terugdraaien, maar gaven wel een compensatie in de vorm van 300 pond. Toen hij geen carrière kon maken in de universitaire wereld, trok hij naar Londen, waar hij privélessen gaf en korte gedichten schreef voor kranten. Zijn werk, met name zijn sonnetten, werd beschouwd als veelbelovend, maar heeft niettemin geen blijvende indruk achtergelaten. Zijn broer Derwent Coleridge verzorgde een uitgave van de Complete Poems in 1851.

 

 

Friendship

 

WHEN we were idlers with the loitering rills,

The need of human love we little noted:

Our love was nature; and the peace that floated

On the white mist, and dwelt upon the hills,

To sweet accord subdued our wayward wills:

One soul was ours, one mind, one heart devoted,

That, wisely doting, ask'd not why it doted,

And ours the unknown joy, which knowing kills.

But now I find how dear thou wert to me;

That man is more than half of nature's treasure,

Of that fair beauty which no eye can see,

Of that sweet music which no ear can measure;

And now the streams may sing for others' pleasure,

The hills sleep on in their eternity.

 

 

 

 

coleridge
Hartley Coleridge (19 september 1796 - 6 januari 1849)

 

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten