Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 1 oktober 2009 tot 2 oktober 2009

Dimitri Verhulst, Graham Greene, Wallace Stevens, Andreas Gryphius

De Vlaamse dichter en schrijver Dimitri Verhulst werd op 2 oktober 1972 geboren in Aalst. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2006 en ook mijn blog van 16 oktober 2007 en ook mijn blog van 2 oktober 2008.

 

Uit: Godverdomse dagen op een godverdomse bol

 

„Alle begin is moeilijk. Kijk maar. ’t Kruipt uit het water zonder om te zien. ’t Zou nog een laatste blik kunnen werpen op de oceanen, heimwee voelen uit eerbied, maar dat doet ’t niet. ’t Heeft er namelijk genoeg van te moeten kruipen over de zandbodems der wateren, genoeg van de eikelwormen en de pijlwormen en de chordadieren en de manteldieren en de koplozen waarmee ’t zoveel eeuwen de zeeën heeft gedeeld. ’t Zegt saluut tegen de kwastvinnigen, de mosselen en de schollen, vaarwel tegen de knorhanen, de alen en de brasems, ’t wil van geen samenleven meer weten met de zalmen en de karpers. ’t Doet de groeten aan de rietvoorn en ’t wenst ook de baarzen nog het beste, maar ’t kan niet meer weerstaan aan de veelbelovendheid van z’n bestaan en verlaat het sop. Wel toe, ’t schijt nog een laatste keer hevig in de zee, zijn symbolisch geladen manier om een beslissing te onderstrepen, legt zich te druipen en te drogen waar de parelgierst vlot kiemt en trekt dan de rimboe in om er zich te vormen tot een bekijkelijk monster met dikke knokkels, talgklieren, een hele eind darmen en een speklaag. En haar, wreed veel haar van onder tot boven waarin de vlooien en de teken simpel overleven door hun gastheer jeuk te bezorgen, zodat die moet krabben tot zijn vel aan vodden hangt en zij kunnen zuipen van zijn bloed.

Hoe laat is het?

(...)

’t Heeft zich, als zovelen die het water ontwijdden en verlieten, verdeeld in houders van kloten en dragers van spleten. Maar ’t is, met uitzondering van een voor de rest niet ter zake doende bonobo, het enige schepsel en zal ook het enige schepsel blijven waarbij de reu de teef langs de voorkant neemt en volpompt met een nageslacht; zo kan de reu de haat en de angst zien op het ruwe smoelwerk van de teef, de aversie, de walging.

’t Paart in de stank van elkanders tanden, de ene met de andere en de ander na de één. Want veel is er niet te doen. Bessen vreten en wroeten in de aarde op zoek naar zeggewortels om op te sabbelen. ’t Likt plassen droog, kraakt noten, en laat af en toe zijn muil vol mieren lopen: heerlijke termieten die ’t op een tak wist te verzamelen, sappig en rijk aan vitamines. Dat doet ’t.

Dat en jodelen naar de maan, uit zottigheid. O, hoe heerlijk uit het water te zijn gekropen, waar men onachtzaam kuit schoot, slijmen in het rond spoot of wat cellen deelde om de leegten dezer wereld op te vullen.

En hoe heerlijk om dit alles te overpeinzen voor ’t slaap vat in de bomen, in vrede met zichzelf en het gevogelte.

Maar het wordt warm. Te warm. De vruchten verdrogen en de bomen worden arm. Onder het zenit zet de hitte zich vast op zijn pels. Z’n rug lijkt te wel verschoeien.

En om zich klein te maken voor de zon richt ’t zich op. De snoodaard. Ziezo. Er zijn nu alleen nog z’n kop en zijn schouders die ’t offert aan de zon, maar de rest van zijn lijf hoeft niet meer te blakeren. Kijk, zonder handen! ’t Stapt op zijn achterpoten!“

 

 

 

 

verhuslt

Dimitri Verhulst (Aalst, 2 oktober 1972)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver Graham Greene werd geboren op 2 oktober 1904 in Berkhamsted, Hertfordshire. Zie ook mijn blog van 2 oktober 2006 en ook mijn blog van 2 oktober 2007 ook mijn blog van 2 oktober 2008.

 

Uit: Jagd im Nebel (The confidential agent, vertaald door Christian Spiel)

 

“Die Möwen jagten über Dover hin. Wie Nebelflocken segelten sie aufs Meer hinaus und kurvten zurück in Richtung auf die verborgene Stadt, während die Sirene in ihre Klagen einstimmte. Andere Schiffe antworteten, ein ganzer Chor hob einen Trauergesang an — auf wessen Tod?

Mit halber Kraft bewegte sich das Schiff durch den bitterkalten Herbstabend. Es erinnerte D. an einen Leichenwagen, der langsam und diskret dem Hain des ewigen Friedens entgegenrollt, wobei der Kutscher sorgfältig darauf achtet, daß der Sarg nicht durchgerüttelt wird, als würde die Leiche ein paar Püffe übel vermerken. Durch die Nebelschwaden gellte das Geschrei hysterischer Frauen.

Die Bar in der Dritten Klasse war gerammelt voll. Lärmend drängelten sich die Mitglieder einer Rugby-Mannschaft, die auf der Heimreise war, nach ihren Gläsern. D. verstand nicht alles, was sie brüllten; vielleicht war es Jargon oder irgendein Dialekt. Es würde eine Weile dauern, bis sich seine Erinnerung an das Englische wieder ganz einstellte; er hatte es früher sehr gut beherrscht, jetzt aber waren seine Reminiszenzen an die Sprache mehr literarischer Natur. Er versuchte sich abseits des Gedränges zu halten, ein Mann mittleren Alters, mit dichtem Schnurrbart, einer Narbe am Kinn und einer Stirn, an der die Sorge wie eine Gewohnheit in Falten nistete; doch in dieser Bar konnte man sich kaum bewegen — ein Ellenbogen wurde ihm zwischen die Rippen gerammt, und ein Mund hauchte ihm Dosenbier-Dunst ins Gesicht. Die Leute hier versetzten ihn in Erstaunen; ihre rauchgeschwängerte Kumpelhaftigkeit hätte einen nie auf den Gedanken gebracht, daß ein Krieg im Gange war — nicht nur in dem Land, aus dem er gekommen war, sondern auch hier, nur knapp einen Kilometer vom Wellenbrecher des Hafens von Dover entfernt. Er trug den Krieg mit sich. Überall, wo D. hinkam, war auch der Krieg. Er konnte es einfach nicht fassen, daß die Menschen das nicht merkten.

»Paß zu mir, Paß zu mir!« schrie einer der Sportler dem Barkeeper zu, aber ein anderer schnappte ihm das Glas Bier weg und brüllte: »Abseits !« — »Ins Gedränge!« schrien alle zusammen. »Erlauben Sie, erlauben Sie«, sagte D. und zwängte sich langsam ins Freie. Er schlug den Kragen seines Regenmantels hoch und stieg hinauf auf das kalte, neblige Deck, wo die Möwen klagend über seinen Kopf hinweg Dover entgegen segelten. Mit gesenktem Kopf begann er an der Reling auf und ab zu wandern, um sich warmzuhalten.

Das Deck war wie eine Landkarte, übersät mit Schützengräben, unhaltbaren Positionen, Frontausbuchtungen, Gefallenen; zwischen seinen Augen hoben Bomber vom Boden ab, und in seinem Gehirn erbebten die Berge unter Granateinschlägen.”

 

 

 

 

greene
Graham Greene (2 oktober 1904 – 3 april 1991)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en essayist Wallace Stevens werd geboren op 2 oktober 1879 in Reading, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 2 oktober 2008.

 

 

Continual Conversation With A Silent Man 

 

The old brown hen and the old blue sky,

Between the two we live and die--

The broken cartwheel on the hill.

 

As if, in the presence of the sea,

We dried our nets and mended sail

And talked of never-ending things,

 

Of the never-ending storm of will,

One will and many wills, and the wind,

Of many meanings in the leaves,

 

Brought down to one below the eaves,

Link, of that tempest, to the farm,

The chain of the turquoise hen and sky

 

And the wheel that broke as the cart went by.

It is not a voice that is under the eaves.

It is not speech, the sound we hear

 

In this conversation, but the sound

Of things and their motion: the other man,

A turquoise monster moving round.

 

 

 

 

Domination Of Black 

 

At night, by the fire,

The colors of the bushes

And of the fallen leaves,

Repeating themselves,

Turned in the room,

Like the leaves themselves

Turning in the wind.

Yes: but the color of the heavy hemlocks

Came striding.

And I remembered the cry of the peacocks.

 

The colors of their tails

Were like the leaves themselves

Turning in the wind,

In the twilight wind.

They swept over the room,

Just as they flew from the boughs of the hemlocks

Down to the ground.

I heard them cry -- the peacocks.

Was it a cry against the twilight

Or against the leaves themselves

Turning in the wind,

Turning as the flames

Turned in the fire,

Turning as the tails of the peacocks

Turned in the loud fire,

Loud as the hemlocks

Full of the cry of the peacocks?

Or was it a cry against the hemlocks?

 

Out of the window,

I saw how the planets gathered

Like the leaves themselves

Turning in the wind.

I saw how the night came,

Came striding like the color of the heavy hemlocks

I felt afraid.

And I remembered the cry of the peacocks. 

 

 

 

 

 

wallace stevens
Wallace Stevens (2 oktober – 1879 – 2 augustus 1955)

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Gryphius (gelatiniseerde naam van Andreas Greif) werd geboren op 2 oktober 1616 in Glogau (Silezië). Zie ook mijn blog van 2 oktober 2006 en ook mijn blog van 2 oktober 2007 en ook mijn blog van 2 oktober 2008.

 

An die Sternen

 

Ihr Lichter / die ich nicht auff Erden satt kann schauen /

Ihr Fackeln / die ihr Nacht und schwartze Wolcken trennt

Als Diamante spilt / und ohn Auffhören brennt;

Ihr Blumen / die ihr schmückt des grossen Himmels Auen:

 

Ihr Wächter / die als Gott die Welt auff-wolte-bauen;

Sein Wort die Weißheit selbst mit rechten Namen nennt

Die Gott allein recht misst / die Gott allein recht kennt.

(Wir blinden Sterblichen! was wollen wir uns trauen!)

 

Ihr Bürgen meiner Lust / wie manche schöne Nacht

Hab ich / in dem ich euch betrachtete / gewacht?

Herolden diser Zeit / wenn wird es doch geschehen

 

Daß ich / der euer nicht allhir vergessen kan /

Euch / derer Libe mir steckt Hertz und Geister an

Von andern Sorgen frey werd unter mir besehen?

 

 

 

 

gryphius

Andreas Gryphius (2 oktober 1616 - 16 juli 1664)

Kopergravure van Philipp Kilian

 

Geschreven door Romenu om 20:34 Reageer op dit bericht

Göran Sonnevi, Waltraud Anna Mitgutsch, Jan Morris

De Zweedse dichter en vertaler Göran Sonnevi werd geboren in Lund op 2 oktober 1939. Zie ook mijn blog van 2 oktober 2007 en ook mijn blog van 2 oktober 2008.

 

Uit: Mozart's Third Brain (Vertaald door Rika Lesser)

 

CV

 

Not-Orpheus is singing   He sings his nothing   He sings his night  

He sings all the names   The name of nothing   The only name    Since  

long ago   He didn’t know it   And knew it in his night  

All things sing   All names sing   Every tonal difference, every

sound   All music in its destruction   In its sublation   Toward which point?

The mountain of nothing hovers   Before it crushes us   With its night   With its

   song  

In the evening I walked through town with you, Dearest, along the river  

A clear cold spring evening, the half-moon shone   As if walking in a foreign city  

Though I recognized parts of it   You said it was almost like  

walking in Prague, where we would have been if my mother hadn’t fallen ill  

When we stood by one corner of the Hotel Svea, where I played in a dance band in

    1957,  

the huge flock of jackdaws, in the trees by the bastion near the castle, flew  

out over the river, in micropolyphonic conversation    As in a piece by Ligeti  

That night I dreamed I crossed a bridge spanning the river, now very broad  

The long bridge was swaying, huge ocean swells entering the river from the sea  

I walked with a girl, kissed her on the mouth, on the opposite bank  

In the morning you came into my bed, Dear, we slinked like teenagers, so my  

       mother wouldn’t hear us,

where she slept, in the room outside ours   She’s already much better  

I look at my face in the bathroom mirror   Will I manage to go out into the Brain  

Trucks pass   Traffic goes on, in the great exchange of goods  

Gulls, trees, people   The degree of virtuality in different goods, the phantasms  

also in what we eat, conceptions of origin, contents, effects

Fear    Cultivated tastes    We are in the immediacy of memory    Only in a flash of

astonishment can memory be broken   But even lightning is informed    I look at

    the

      magical  

diagrams of Giordano Bruno, read his texts   See that all this is exactly as in  

Jung, fundamental magical forms, for guiding the divine,  

the unknown within the soul   Also the similarity with tantric forms     

    Yes, that’s  

        how it is,  

I think, both Freud and Jung are magicians, the difference in rationality is  

only marginal, Jung’s a little older, Freud’s more modern, a continuation of  

Descartes, developed later in Spinoza’s pneumatic model for the passions,  

and yet both are found, subsumed in Bruno’s love-flow, the lineage backward,  

the tantric flow, also Plato’s Diotima, her flow . . .  

Hölderlin saw the stream of people in dark water, streaming over  

the ledges in the human-geological world, the levels of the abyss,   Para-  

       dise’s various degrees of stasis  

What use can I make of these magical forms? I’m no magician    And yet

I acknowledge their power, also within my self   If they prevail, sovereignty  

is crushed   Libero arbitrio   There the forms also break down  

The stream of love breaks down    Fluid lightning    The flash of vibrating being  

But also the flash of darkness   The light of Beatrice’s eyes, their lightning

    flash   How  

am I to understand this? How to understand unknowing   That I do not!

 

 

 

 

sonnevi

Göran Sonnevi (Lund, 2 oktober 1939)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijfster en literatuurwetenschapster Waltraud Anna Mitgutsch werd geboren in Linz op 2 oktober 1948. Zie ook mijn blog van 2 oktober 2008.

 

Uit: Familienfest

 

„In den Schlafzimmern waren schon die Kisten für die Übersiedlung gepackt, und dazwischen türmten sich Kartons voller Dinge, die sich trotz Ednas Freude am Wegwerfen angesammelt hatten und die ihr nun am Ende auch überflüssig erschienen: Hadassa hatte sie mit ihren flüchtigen, schrägen Schriftzügen daraufgeschrieben, Heilsarmee, Caritas. Sie umstanden die Betten wie ungeduldige Gerichtsvollzieher, die zum Aufbruch drängten und die Zimmer noch vor dem Auszug unbewohnbar machten. Der Mangel an Licht hatte Edna schon immer gegen diese Räume aufgebracht. Vor allem das große Schlafzimmer mit dem begehbaren Kleiderschrank, in dem Morris' Anzüge seit fünf Jahren ungelüftet hingen, deprimierte sie. Die Glastüren mit den halbkreisförmigen Balkonen aus schwarzem Schmiedeeisen schienen der gegenüberliegenden Hausmauer so nah - kaum zu glauben, daß eine Straße dazwischen lag.
Am Ende ihres Lebens waren sie und Morris in diesem exklusiven Bezirk Bostons angekommen, hatten die Enklave alter protestantischer Mayflower-Familien infiltriert - in zwei Generationen von Ellis Island nach Beacon Hill, die Erfüllung kühnster Einwandererträume. Aber es hatte ihnen nicht den Triumph gebracht, den sie erwartet hatten. Edna war nie heimisch geworden in den Räumen des zweistöckigen viktorianischen Backsteinhauses in der abschüssigen Pinckney Street, das sich wie ein nicht ganz legitimer Eindringling mit zwei seiner drei Fenster auf die Schmalseite des Louisburg Square drängte. Zwanzig Jahre früher hätte es ihr Genugtuung verschafft, in der vornehmen Stille der Mount Vernon Street ihre Schritte auf dem Kopfsteinpflaster zu hören, als ginge sie durch die hallenden Flure eines alten Hauses. Jetzt im Alter sehnte sie sich nach freien Ausblicken und nach Menschen, die mit ihrem Alltag beschäftigt waren, wenn sie auf die Straße ging; die Stille unter den Ahornbäumen, selbst die Schönheit der in der Dämmerung leuchtenden Schlehdornbüsche, die dunkle Feuchtigkeit all der an den Hauswänden wuchernden Ranken, die im Sommer die Räume vollends verdunkelten, bedrückten sie.“

 

 

 

 

Mitgutsch
Waltraud Anna Mitgutsch (Linz, 2 oktober 1948)

 

 

 

 

 

De Britse (reis)schrijfster en historica Jan Morris werd als James Humphrey Morris geboren op 2 oktober 1926 in Clevedon, Somerset. Zie ook mijn blog van 2 oktober 2008.

 

Uit: Lincoln, a Foreigner's Quest

 

“Hingham in Norfolk, England, is where Abraham Lincoln's paternal forebears came to America from, his father's great-great-grandfather having emigrated to the colonies in the late seventeenth century. It is a trim country village with a fine fourteenth-century church, some handsome eighteenth-century houses, a couple of inns, a Methodist chapel and a main road running through it. Unlike most English villages nowadays, it supports a thriving community of craftsmen and shopkeepers, and it used to bask in the local nickname "Little London."

Generations of Lincolns, we are told, lived in the ancillary hamlet of Swanton Morley, first in a cottage, then in a grander house which is now absorbed into the Angel Inn; a grassy plot of land behind the pub is preserved by the National Trust in not very evocative remembrance — it looks like a small bowling green. In Hingham church, amidst sundry Lincoln references and suitably embroidered hassocks, there is a bust of Abraham on a wall, presented by the citizens of Hingham, Massachusetts, and excellent cream teas are served at Lincoln's Tea and Coffee Shoppe along the road. All in all Hingham is a tasteful, steady, very Saxon sort of place, and the best-known British writer about Abraham Lincoln, Lord Charnwood, liked to think he could trace his hero's character to his Norfolk origins. He was of sound English rural stock, Charnwood thought, and it is true that to this day Lincoln's gaunt and lanky frame, his pinched face and his Anglo-Saxon attitudes sometimes do show among country people of East Anglia.

On the other hand, away to the west in the wild moorlands of north Wales stands a derelict farmhouse called Bryn Gwyn, near the hill-hamlet of Ysbyty Ifan, which is a place of quite another kind. It is a magical place. Fairies and magicians abounded there long ago, and princes, and elegiac bards! Melancholy songs were sung to the harp! Slippery tricks were played, ambiguous tales were told at firesides! A terrific prospect extends to the west from Bryn Gwyn, away to the clumped mountains of Eryri, white with snow in winter, blue-gray on a summer day. Not another house is to be seen from the old building, and nobody has lived here since the 1940s, but fine big ash trees stand guard behind it, and nearby are the barn and sheep pen where today's farmer shears his sheep and piles his black plastic packages of silage.”

 

 

 

jan-morris
Jan Morris (Clevedon, 2 oktober 1926)

 

Geschreven door Romenu om 20:31 Reageer op dit bericht

P. N. van Eyk, Khlaid Boudou, Charles Cros, Günter Wallraff, Michael Schindhelm, John Hegley, Inge Merkel, Sergej Aksakov

De Nederlandse dichter criticus, essayist en letterkundige Pieter Nicolaas van Eyk (naamsverandering omstreeks 1907 in Van Eyck) werd geboren op 1 oktober 1887 in Breukelen. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2007 en ook mijn blog van 1 oktober 2008.

 

 

Brent bridge

 

Een vreemd man, in een vreemd land.

En vaak is er niets dan dit:

Water en loof en het wit

Van zwanen, dicht bij de rand

Gras voor de bank waar hij zit,

En straks aan de overkant.

 

Een man die even leest,

Het stil begin van een lied,

Dan opkijkt en om zich ziet.

En iets in hem denkt, bedeesd:

Hoe vreemd, nog ken ik het niet,

En toch is het altijd geweest.

 

Vreemd, in dit vreemde land,

Alleen, met niets dan dit:

Water en loof en het wit

Van een zwaan die talmt bij de kant,

Dicht langs de bank waar ik zit,

Wat avondzon op mijn hand.

 

 

 

 

O dood, geheime nachtegaal

 

O dood, geheime nachtegaal

Die in de donkre hagen zingt

Uw nooit ontraadselbaar verhaal

Dat tot in ‘t diepst der harten dringt,

 

En lokt ons beiderzijds van ‘t pad

Over het dompe dove mos

Voort van de wemellichte stad

Naar ‘t ver en stil en duister bos, —

 

Ik volg u, dood, zing gij mij voor,

Ik zal niet talmen aan de zoom,

Dat ik de laatste sterregloor

Ontvinge voor mijn laatste droom.

 

Wat is herinnering van licht?

Ik ben tot duisternis bereid.

Onhoorbaar sluit de nacht zich dicht .. .

Mijn ziel wordt vol van eeuwigheid.

 

 

 

 

 

 

Pieter_Nicolaas_van_Eyck1
P. N. van Eyk (1 oktober 1887 – 10 april 1954)

P.N. van Eyck met zijn vrouw Nelly van Eyck-Benjamins

 

 

 

 

 

De Nederlands – Marokkaanse schrijver Khalid Boudou werd geboren in Tamsamane, Marokko op 1 oktober 1974. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2008.

 

Uit: Pizzamafia

 

„Opeens stonden, zaten en lagen ze met hun gare, smerige kleren en afgetrapte schoenen bij ons op de stoep. Eerst dacht ik dat het gewoon buurtbewoners waren of zo. Want niet zo heel ver bij ons vandaan had je de Bloemenbuurt en daar woonden dus echt de grootste peukenrapers van de stad. Er was een magere, bleke man met van die ingevallen wangen. Ook als de mussen van het dak vielen, droeg hij dus gewoon een wollen jas met een bontkraag. Zijn haren waren als stro en in een staartje gebonden. De andere man was niet veel dikker en had een uitgezakte kop met van die vieze blauwgele wallen. Ook stond hij de hele dag uitdagend richting voorbijgangers onder zijn smerige, veel te grote rode trui te krabben. Maar het ergst was toch wel die vrouw. Wallah, ze was echt heel eng. Net een skelet op kapotte gympen. Een doodskop met wat vel erover. Als het een keer hard ging stormen, dan zou ze zo de lucht in vliegen. Echt. Maar ze was vooral verschrikkelijk luidruchtig. Met die O-benen van haar liep ze de hele dag gestrest langs de ingang van de pizzeria. Die andere twee spoken sukkelden maar een beetje achter haar aan. Ze gooiden bierblikjes, papier en andere rotzooi op het terras. En als ze moe waren van het heen en weer lopen, hingen ze als straathonden tegen onze twee containers, iets verderop tegen een muur. Wat ik ook deed, wat ik ook probeerde: niets hielp. Eerst vriendelijk vragen: ‘Fijne heren en charmante dame, zouden jullie het pad vrij willen houden? Kunnen jullie alsjeblieft iets verderop gaan staan?’ Hielp dus allemaal geen ene moer. Toen heb ik hen zowat duizend keer gewezen op de huisregels van onze zaak, die wij ingelijst buiten aan de muur hadden hangen. Maar ik had net zo goed naar de lucht kunnen wijzen of zo, want dat hielp helemaal niets. ‘Bel de pliesie maar!’ riep Doodskopje dan en ze begon te stampen en te zwaaien. ‘Wij mogen staan waar we willen! Dit is toch een openbare weg? En dit is toch een vrij land, of niet dan?’ Hoe gek of gaar iemand ook is, hij weet wel altijd wat zijn rechten zijn, dacht ik nog. Ongelooflijk.”

 

 

 

 

Boudou
Khalid Boudou (Tamsamane, 1 oktober 1974)

 

 

 

 

 

De Franse dichter Charles Cros werd geboren in Fabrezan op 1 oktober 1842. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2007 en ook mijn blog van 1 oktober 2008.

 

 

Intérieur

 

"Joujou, pipi, caca, dodo."

Do, ré, mi, fa, sol, la, si, do."

Le moutard gueule, et sa soeur tape

Sur un vieux clavecin de Pape

Le père se rase au carreau

Avant de se rendre au bureau.

La mère émiette une panade

Qui mijote, gluante et fade,

Dans les cendres. Le fils aîné

Cire, avec un air étonné,

Les souliers de toute la troupe,

Car, ce soir même, après la soupe,

Ils iront autour de Musard

Et ne rentrerons pas trop tard ;

Afin que demain l'on s'éveille

Pour une existence pareille.

"Do, ré, mi, fa, sol, la, si, do"

"Joujou, pipi, caca, dodo."

 

 

 

 

Dans la clairière

 

Pour plus d'agilité, pour le loyal duel,

Les témoins ont jugé, qu'elles se battraient nues.

Les causes du combat resteront inconnues.

Les deux ont dit : Motif tout individuel.

 

La blonde a le corps blanc, plantureux, sensuel ;

Le sang rougit ses seins et ses lèvres charnues.

La brune a le corps d'ambre et des formes ténues ;

Les cheveux noirs-bleus font ombre au regard cruel.

 

Cette haie où l'on a jeté chemise et robe,

Ce corps qui tour à tour s'avance ou se dérobe,

Ces seins dont la fureur fait se dresser les bouts,

 

Ces battements de fer, ces sifflantes caresses,

Tout paraît amuser ce jeune homme à l'oeil doux

Qui fume en regardant se tuer ses maîtresses. 

 

 

 

 

 

Gros
Charles Cros (1 oktober 1842 - 9 augustus 1888)

 

 

 

 

De Duitse schrijver en undercoverjournalist.Günter Wallraff werd geboren op 1 oktober 1942 in Burscheid bij Keulen. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2006 en ook mijn blog van 1 oktober 2007 en ook mijn blog van 1 oktober 2008.

 

Uit:  Essen mit Spaß

 

„Der Arbeitsplatz hinter der Theke ist eng, der Boden schmierig und glatt, die Grillplatte glühend heiß bei 180 Grad Celsius. Es gibt keinerlei Sicherheitsvorkehrungen. Eigentlich müßte man Handschuhe bei der Arbeit tragen, das schreiben jedenfalls die Sicherheitsbestimmungen vor. Aber es gibt keine, und sie würden die Arbeit nur verlangsamen. So haben viele, die dort länger arbeiten oder gearbeitet haben, Brandwunden oder Narben von Brandwunden. Ein Kollege mußte kurz vor meiner Zeit ins Krankenhaus, weil er in der Hektik direkt auf den Grill gefaßt hatte. Ich (Ali) hole mir gleich in der ersten Arbeitsnacht Blasen wegen der aufspritzenden Fettropfen.

Naiverweise glaube ich (Ali), meine erste Schicht sei wie vereinbart um halb drei Uhr morgens zu Ende. Ich (Ali) bemerke, wie man über mich, den Neuling, zu reden beginnt. Der Manager fährt mich (Ali) an, was mir denn einfalle, vor der Zeit zu gehen. »Ich habe mich nur an die Anweisung gehalten.« - Ich hätte mich persönlich bei ihm abzumelden, warnt er mich (Ali) und fragt mit drohendem Unterton, ob ich denn draußen wirklich schon saubergemacht hätte. Da ich bereits kurz vorher im dünnen Hemd in die Kälte der Dezembernacht hinausgeschickt worden war, antworte ich (Ali), daß alles total sauber sei. Eine besonders aufmerksame Angestellte bemerkt aber, daß noch Papier herumliegt.

Es ist mittlerweile kurz vor drei Uhr morgens. Der Manager meint, ich (Ali) würde die richtige Einstellung vermissen lassen, ich (Ali) engagiere mich nicht. Auch mein Gesicht sähe nicht sehr froh aus. Ich solle nicht denken, ich würde nicht kontrolliert. Beispielsweise hätte ich heute fünf Minuten an derselben Stelle gestanden. »Wieso«, erwidere ich (Ali), »kannnich sein, ich flitzen hin und her, weil ich dies Arbeit auch als Sport seh'.«

 

 

 

 

Wallraff
Günter Wallraff (Burscheid, 1 oktober 1942)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver, vertaler en dramaturg  Michael Schindhelm werd geboren op 1 oktober 1960 in Eisenach. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2008.

 

Uit: Roberts Reise

 

„Tarnungen und Halluzinationen. Das Ziel war längst explodiert. Die einen jubelten durch ihre spröden frühen Jahre, wenn Cornelia Ender und Roland Matthes Goldmedaillen zu Olympischen Spielen gewannen und wenn der Freundschaftsratsvorsitzende in der Schule zum Morgenappell das "Immer bereit!" mit der flachen, aufgestellten Hand über dem Käppi einforderte. Unsere Heimat, das sind nicht nur die Städte und Dörfer, das ist auch die Partei.

Die anderen wuchsen mir Bürstenschnitt und Lakritze zwischen den Zähnen heran, draußen in Prag rollten die Panzer der lieben Sowjetsoldaten, die zu Hause die Wälder vor Pilzsuchern schützten, draußen wurde Rudi Dutschke abgeknallt, starben Jimmy und Janis, und der Lehrer schickte uns heim, wenn die Haare übers Ohr hingen, draußen war Vietnam, und wir klebten Wandzeitungen für die Kinder von My Lei, draußen wurde für Gard Haarspray ein Studio am Bildschirm aufgebaut, und unsere Mütter rollten sich die Frisuren zu turbanähnlichen Türmen, draußen erzählte Rudi Carrell seine niederrheinischen Scherze, und drinnen formte sich der Volksmund zum Lachen über den neuesten Parteiwitz.

Lenins hundertsten Geburtstag feierten wir und sangen heimlich Abba, beim Fußball waren wir Beckenbauer und Müller, zu Hause unterm Küchentisch zwischen Indianerstämmen Sheriff Dillon und Old Shatterhand. Und der rote Rotz lief uns aus der Nase, und der Lehrer fragte nach dem Testbild und ob die Uhr zu Hause am Fernseher Ziffern hatte oder nicht, weil es nämlich im Westen eine Ziffern auf der Fernsehuhr gab, und der Vater warnte davor, mit diesem oder jenem Schulkameraden allzu offenherzig über Gespräche zu Hause zu reden und wer am letzten Samstag wieder zu Besuch war, und zu Weihnachten gab es Milky Way von Tante Lisbeth, das nach Seife schmeckte, weil für die Mutter auch Waschmittel im Paket gewesen war. Und die Städte erglommen noch sphinxbjau zwischen Schnee und Meer, auch nachd ern der Vater mir eines Abends beim Einparken des Autos in die Garage erzählte, Onkel Helmut, den Wirt von Der Rommelsburg, hätten sie nachts zuvor ahgeholt, und vielleicht sei er jetzt auch dran, denn sie hätten beim Skat immer über Politik gesprochen, und

Onkel Helmut habe außerdem Heino-Platten gehört und eine Pistole gehabt, von er besser niemand hätte wissen sollen. Jungpioniere sind wir gewesen, aber ohne Pioniergeist, Kinder der DDR, aber ohne eine positive Vorstellung davon, was die DDR war. "Der Schwarze Kanal" war das Feindbild, nicht der schwarze Kanal Aber der Feind meinte es gut mit uns.“

 

 

 

 

MichaelSchindhelm
Michael Schindhelm (Eisenach, 1 oktober 1960)

 

 

 

 

 

De Engelse dichter John Hegley werd geboren op 1 oktober 1953 in Londen. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2008.

 

 

My doggie don't wear glasses 

 

my doggie don't wear glasses

so they're lying when they say

a dog looks like its owner

aren't they 

 

 

 

Poetry in India 

 

I'm in India

feeling more secure

and less likely to get chinned 'ere

I made friends with a steam-train firemen

who asked how long I would stay in his country

'Two weeks,' I replied

'Very short?' he probed

'I'm a very busy man.' I joked.

'What is it, the you do?' he probed further.

'Poetry!' I announced.

'Aha!' he pounced,

'Now I understand you,

my brother does the same.

Yes, very hard work:

the feeding, the cleaning, loading all the eggs on to

the lorry.' 

 

 

 

 

Hegley
John Hegley (Londen, 1 oktober 1953)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijfster Inge Merkel werd geboren op 1 oktober 1922 in Wenen. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2008.

 

Uit: Das große Spektakel

 

“Mit erwachtem Argwohn sah ich schon von weitem, daß vor meinem Haus ein Möbelwagen das halbe Trottoir verstellte. Mit offenen Flügeln klaffte das Tor. Grobschlächtige Männer hoben, schoben und schleppten unter rauhen Leitsignalen Schwergewichtiges durch Gang und Stiegenhaus.

Ich konnte eine Weile nicht hinein, weil zwei Packer sich mit geblähten Halsadern abrakkerten, einen überdimensionalen Schreibtisch durch die Eingangspforte zu fädeln, der sich diesem Ansinnen mit einer obstinaten Beharrlichkeit widersetzte, die etwas Menschliches hatte: ein sperriger Protest der Würde.

Unbehagen schoß auf, als ich vernahm, daß das Ziel dieser Betriebsamkeit die Wohnung unter mir war, die lange leergestanden hatte. Zwar ist das Haus solid gebaut, großräumig und mit hohen

Plafonds, wie man noch im vorigen Jahrhundert baute, trotzdem war mir das Bewußtsein verläßlicher

Stille unter meinen Füßen zur angenehmen Selbstverständlichkeit geworden. Ich betrat den Aufzug mit nervöser Beklommenheit.

Gleichzeitig mit mir stieg die Hausmeisterin ein, eine kleinwüchsige, feiste Vierzigerin mit der Geschwätzigkeit eines Kuckucks. Sie fuhr mit Kübel und Fetzen auf und versah mich mit Faktenmaterial über den neuen Mieter.

«Ein älterer Herr, alleinstehend.» Der Umstand beruhigte mich. Wenigstens kein Kindersegen und lärmende Gesellschaften.

«Fast keine Möbel hat der Herr», erfuhr ich ungefragt; «nur Kisten voller Bücher und Regale… nicht einmal eine ordentliche Schlafzimmergarnitur! » wurde angemerkt mit geschürzter Lippe; «nur Ottomanen und kein Buffet. Dafür zwei Schreibtische! Was braucht ein alleinstehender

Herr zwei Schreibtische?» fragte sich die Hausmeisterin und lachte kehligen Hohn.“

 

 

 

Merkel
Inge Merkel (1 oktober 1922 – 15 januari 2006)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 1 oktober 2008..


De Russische schrijver
Sergej Aksakov werd geboren op 1 oktober 1791 in Oefa.

 

Geschreven door Romenu om 20:13 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten