Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 29 oktober 2009 tot 30 oktober 2009

Fjodor Dostojevski, Friedhelm Rathjen, Ezra Pound

De Russische schrijver Fjodor Michajlovitsj Dostojevski werd geboren ergens tussen 30 oktober en 11 november 1821 in Sint Petersburg. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006  en ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

Uit: Aantekeningen uit het Ondergrondse

 

“Ik ben een ziek mens... Ik ben een boosaardig mens... Ik ben een weerzinwekkend mens. Ik geloof dat mijn lever aangetast is. Overigens begrijp ik niets van mijn ziekte en ik weet niet eens zeker wat ik mankeer. Ik ga daarvoor niet naar de dokter en ik heb dat ook nooit gedaan, hoewel ik de medische wetenschap en de doktoren hoogacht. Bovendien ben ik uitermate bijgelovig, in elk geval voldoende om ontzag voor de medische wetenschap te hebben. (Ik ben ontwikkeld genoeg om niet bijgelovig te zijn, maar ik ben het toch). Nee, ik weiger om uit wrok naar de dokter te gaan. Dat zult u misschien niet begrijpen. Maar ik begrijp het wel. Ik kan u natuurlijk niet duidelijk maken, wie ik in dit geval door mijn kwaadaardigheid wil straffen, ik begrijp best, dat ik de doktoren er niet mee heb als ik ze niet consulteer; ik weet beter dan wie ook, dat ik alleen mezelf, en niemand anders, benadeel. Maar toch, als ik geen dokter consulteer dan is dat alleen uit kwaadaardigheid. Mijn lever deugt niet – nou, laat het maar erger worden!

Ik leef nu al een hele tijd op die manier – twintig jaar. Ik ben nu veertig. Ik was vroeger in rijksbetrekking, maar dat ben ik nu niet meer. Ik was een kwaadaardige ambtenaar. Ik was bars en daar genoot ik van. Ik liet me niet omkopen, weet je, en ik moest me daar op z’n minst dus op een andere manier voor schadeloos stellen. (Een flauwe grap, maar ik laat hem toch staan. Toen ik hem neerschreef dacht ik dat het geestig zou klinken; maar nu ik zelf gezien heb, dat ik me alleen maar op een zielige manier heb willen aanstellen, schrap ik hem expres niet). Wanneer ik aan mijn bureau zat en er mensen met verzoeken bij me kwamen, dan knarsetandde ik tegen hen en voelde een intens genot als het me lukte ze ongelukkig te maken.

En dat lukte me bijna altijd. Het waren merendeels bedeesde mensen – vanzelfsprekend, want ze hadden een verzoek. Maar onder de praatjesmakers was met name een officier, die ik niet kon uitstaan. Hij wilde gewoon niet onderdanig zijn en rinkelde walgelijk met zijn sabel. Om die sabel heb ik anderhalf jaar met hem geruzied. Ten slotte heb ik van hem gewonnen. Hij hield op met rinkelen. Dat is trouwens nog in mijn jonge jaren gebeurd. Maar weet u, heren, wat de voornaamste reden van mijn kwaadaardigheid was? Nou, ’t hele punt, de echte pijn, lag in het feit dat ik me doorlopend, zelfs in de momenten van mijn hevigste ongenoegen, van binnen met schaamte bewust was van het feit dat ik niet alleen geen kwaadaardig, maar zelfs geen verbitterd mens was, maar dat ik de mensen zomaar angst aanjoeg, en dat ik daar plezier in had. Al schuimbek ik, maar als u me een pop brengt, als u me een kop thee met suiker geeft, dan wordt ik waarschijnlijk rustig. Het zou me misschien zelfs echt raken, hoewel ik naderhand waarschijnlijk om mijzelf zou knarsetanden van woede en maandenlang van schaamte wakker zou liggen. Zo ben ik nu eenmaal.

Ik heb dus net over me zelf gelogen toen ik zei, dat ik een kwaadaardige ambtenaar ben geweest. Ik heb uit kwaadaardigheid gelogen. Ik heb me gewoon vermaakt met die rekwestranten en met die officier, maar in werkelijkheid heb ik nooit kwaadaardig kunnen worden. Ik was mij ieder ogenblik van veel, heel veel factoren bewust die daar volstrekt tegengesteld aan waren. Ik voelde ze in me rondwoelen, die tegenstrijdige factoren. Ik wist, dat zij mijn hele leven lang in me rondgewoeld hadden, dat ze smeekten om losgelaten te worden, maar ik liet ze niet gaan, neen ik liet ze niet gaan, ik liet ze expres niet los. Ze kwelden me tot ik me ervoor schaamde: ze dreven me tot stuiptrekkingen – ze maakten me tenslotte ziek, o wat maakten ze me ziek! Denkt u, heren, dat ik op dit moment ergens berouw over heb, dat ik u voor het een of ander om vergeving vraag? Ik ben er vast van overtuigd, dat u dat denkt... Trouwens, ik kan u verzekeren, dat het me echt niets doet, als u dat denkt….”

 

 

 

 

Dostojevski
Fjodor Dostojevski (30 oktober 1821 - 9 februari 1881)

 

 

 

 

De Duitse schrijver, vertaler en literauurwetenschapper Friedhelm Rathjen werd geboren op 30 oktober 1958 in Westerholz. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

Uit: Quadratur des Kreises: wie Finnegans Wake übersetzen?

 

“Der ideale Übersetzer - der alles weiß und nichts versteht - dieser ideale Übersetzer also versucht, all das, was er vom Text weiß, in seiner übersetzten Version zu reproduzieren; er schafft es natürlich nicht, aber läßt sich nicht von dem Bemühen abbringen, es zu versuchen, und die einzige Hierarchie, die er kennt und akzeptiert, ist die Hierarchie zwischen übersetzbaren und nichtübersetzbaren Anteilen seines Wissens über den Text. Der Übersetzer im Sinne Arno Schmidts hingegen - jener, der glaubt, etwas zu verstehen, weil er mit einem Lesemodell ausgerüstet ist - dieser Schmidtsche Übersetzer etabliert unvermeidlicherweise eine andere Art von Hierarchie: nämlich die Hierarchie zwischen solchen Informationen, die er versteht, und solchen Informationen, die er nicht versteht; zwischen Informationen, die sein Lesemodell stützen, und Informationen, die dem Lesemodell zuwiderlaufen; zwischen dem, was er im Joyceschen Text für wichtig hält, und dem, was er für unwichtig (oder sogar störend) hält. Es ist offensichtlich, daß ein solcher Übersetzer eben jene Hierarchie übersetzt, die er dem Text übergestülpt hat, und nicht den nichthierarchischen Joyceschen Text, auf den jeder Leser rechtens Anspruch hätte, wenn er Finnegans Wake - oder eine Übersetzung von Finnegans Wake - zum ersten Mal liest.
Die Wake-Übersetzung, um die es mir geht, ist freilich gerade nicht jene Art Lesehilfe, mit der der Übersetzer nach Arno Schmidts Meinung den Leser versorgen sollte - oder, um es noch genauer zu sagen: die mir vorschwebende Übersetzung ist eine Lesehilfe nur für jemanden, der nicht gut genug Englisch kann (bei mir selbst angefangen: ursprünglich übersetzte ich nur deshalb Teile aus dem Wake ins Deutsche, um mir selbst einen Text zu verschaffen, den ich ebenso flüssig lesen konnte wie ein muttersprachlicher englischer Leser das Original); eine Lesehilfe ist die von mir angestrebte Übersetzung aber nicht für jemanden, der etwas über Finnegans Wake erfahren will, ohne Finnegans Wake selbst zu lesen. In den Augen Arno Schmidts sah Finnegans Wake aus wie eine "Zerrgestalt", die das nötig hatte, was Schmidt eine "Entzerrung ins Deutsche" nannte. Was ich im Sinn habe, wenn ich Teile aus Finnegans Wake ins Deutsche zu bringen versuche, ist etwas gänzlich anderes und entgegengesetztes: ich will das leisten, was ich an anderer Stelle einmal "Transzerrung" genannt habe. Das soll heißen: ich will die Joycesche "Zerrgestalt" in eine Version transferieren, die deutsche Sprachbrocken hat, wo im Original englische Sprachbrocken zu finden sind, die aber ansonsten ebenso ‚verzerrt' ist wie das Original.“
 

 

 

 

Rathjen
Friedhelm Rathjen (Westerholz, 30 oktober 1958)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Ezra Pound werd geboren in Hailey, Idaho op 30 oktober 1885. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006 en ook mijn blog van 30 oktober 2007  en ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

 

Canto 1 

 

 And then went down to the ship,

Set keel to breakers, forth on the godly sea, and

We set up mast and sail on that swart ship,

Bore sheep aboard her, and our bodies also

Heavy with weeping, and winds from sternward

Bore us onward with bellying canvas,

Crice's this craft, the trim-coifed goddess.

Then sat we amidships, wind jamming the tiller,

Thus with stretched sail, we went over sea till day's end.

Sun to his slumber, shadows o'er all the ocean,

Came we then to the bounds of deepest water,

To the Kimmerian lands, and peopled cities

Covered with close-webbed mist, unpierced ever

With glitter of sun-rays

Nor with stars stretched, nor looking back from heaven

Swartest night stretched over wreteched men there.

The ocean flowing backward, came we then to the place

Aforesaid by Circe.

Here did they rites, Perimedes and Eurylochus,

And drawing sword from my hip

I dug the ell-square pitkin;

Poured we libations unto each the dead,

First mead and then sweet wine, water mixed with white flour

Then prayed I many a prayer to the sickly death's-heads;

As set in Ithaca, sterile bulls of the best

For sacrifice, heaping the pyre with goods,

A sheep to Tiresias only, black and a bell-sheep.

Dark blood flowed in the fosse,

Souls out of Erebus, cadaverous dead, of brides

Of youths and of the old who had borne much;

Souls stained with recent tears, girls tender,

Men many, mauled with bronze lance heads,

Battle spoil, bearing yet dreory arms,

These many crowded about me; with shouting,

Pallor upon me, cried to my men for more beasts;

Slaughtered the herds, sheep slain of bronze;

Poured ointment, cried to the gods,

To Pluto the strong, and praised Proserpine;

Unsheathed the narrow sword,

I sat to keep off the impetuous impotent dead,

Till I should hear Tiresias.

But first Elpenor came, our friend Elpenor,

Unburied, cast on the wide earth,

Limbs that we left in the house of Circe,

Unwept, unwrapped in the sepulchre, since toils urged other.

Pitiful spirit. And I cried in hurried speech:

"Elpenor, how art thou come to this dark coast?

"Cam'st thou afoot, outstripping seamen?"

And he in heavy speech:

"Ill fate and abundant wine. I slept in Crice's ingle.

"Going down the long ladder unguarded,

"I fell against the buttress,

"Shattered the nape-nerve, the soul sought Avernus.

"But thou, O King, I bid remember me, unwept, unburied,

"Heap up mine arms, be tomb by sea-bord, and inscribed:

"A man of no fortune, and with a name to come.

"And set my oar up, that I swung mid fellows."

 

And Anticlea came, whom I beat off, and then Tiresias Theban,

Holding his golden wand, knew me, and spoke first:

"A second time? why? man of ill star,

"Facing the sunless dead and this joyless region?

"Stand from the fosse, leave me my bloody bever

"For soothsay."

And I stepped back,

And he strong with the blood, said then: "Odysseus

"Shalt return through spiteful Neptune, over dark seas,

"Lose all companions." Then Anticlea came.

Lie quiet Divus. I mean, that is Andreas Divus,

In officina Wecheli, 1538, out of Homer.

And he sailed, by Sirens and thence outwards and away

And unto Crice.

Venerandam,

In the Cretan's phrase, with the golden crown, Aphrodite,

Cypri munimenta sortita est, mirthful, oricalchi, with golden

Girdle and breat bands, thou with dark eyelids

Bearing the golden bough of Argicidia. So that:

 

 

 

 

 

pound
Ezra Pound (30 oktober 1885 - 1 november 1972)

Geschreven door Romenu om 11:02 Reageer op dit bericht

Paul Valéry, Georg Heym, Kostas Karyotakis, Michal Ajvaz, Phillipe Aubert de Gaspé

De Franse dichter en schrijver Paul Valéry werd geboren op 30 oktober 1871 in Sète. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006  en ook mijn blog van 30 oktober 2007  en ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

 

Le Bois amical

 

Nous avons pensé des choses pures

Côte à côte, le long des chemins,

Nous nous sommes tenus par les mains

Sans dire... parmi les fleurs obscures ;

 

Nous marchions comme des fiancés

Seuls, dans la nuit verte des prairies ;

Nous partagions ce fruit de féeries

La lune amicale aux insensés

 

Et puis, nous sommes morts sur la mousse,

Très loin, tout seuls parmi l’ombre douce

De ce bois intime et murmurant ;

 

Et là-haut, dans la lumière immense,

Nous nous sommes trouvés en pleurant

Ô mon cher compagnon de silence !

 

 

 

La Fileuse

 

Assise, la fileuse au bleu de la croisée

Où le jardin mélodieux se dodeline ;

Le rouet ancien qui ronfle l’a grisée.

 

Lasse, ayant bu l’azur, de filer la câline

Chevelure, à ses doigts si faibles évasives,

Elle songe, et sa tête petite s’incline.

 

Un arbuste et l’air pur font une source vive

Qui, suspendue au jour, délicieuse arrose

De ses pertes de fleurs le jardin de l’oisive.

 

Une tige, où le vent vagabond se repose,

Courbe le salut vain de sa grâce étoilée,

Dédiant magnifique, au vieux rouet, sa rose.

 

Mais la dormeuse file une laine isolée ;

Mystérieusement l’ombre frêle se tresse

Au fil de ses doigts longs et qui dorment, filée.

 

Le songe se dévide avec une paresse

Angélique, et sans cesse, au doux fuseau crédule,

La chevelure ondule au gré de la caresse...

 

Derrière tant de fleurs, l’azur se dissimule,

Fileuse de feuillage et de lumière ceinte :

Tout le ciel vert se meurt. Le dernier arbre brûle.

 

Ta sœur, la grande rose où sourit une sainte,

Parfume ton front vague au vent de son haleine

Innocente, et tu crois languir... Tu es éteinte

 

Au bleu de la croisée où tu filais la laine.

 

 

 

 

 

valery
Paul Valéry (30 oktober 1871 – 20 juli 1945)

 

 

 

 

De Duitse dichter Georg Heym werd geboren op 30 oktober 1887 in Hirschberg. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006  en ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

 

Allerseelen

 

Wie der Wind an eurem Kleide reißt

Daß er die roten Blätter entführ.

Wie ihr frierend duldet die Ungebühr.

Kahl seid ihr bald, und bald verwaist.

 

Ein Lichtlein in euer Laub sich schmiegt.

Eins erst. Bald sind es ihrer viel.

Flackert hin, flackert her. Der Winde Spiel,

Wie der Sterbenden geifernder Atem fliegt.

 

O du Toter, nun grüßen sie dich

Zum letzten Mal. Bald hinab

Mußt du nun wieder in Winters Grab.

Warte noch, bleib, bis der Tag verwich.

 

Streife du noch in Novemberluft.

Wenn Schnee erst fällt, deckt er zu

Deinen Schlaf zu bitterer Winterrute.

Winters Stürme gehen dann über die Gruft.

 

Hinter den Bäumen steht ihr.

Ihr wärmt eure Hände.

Rot fällt der Schein auf die weiße Lende.

Bald gehn wir nun. Und einsam bleibt ihr.

 

Warum lächelt ihr? Euer Lächeln gleicht

Einem Rätsel voll Bosheit und Dunkelheit,

Wie wenn am Mittag in trüber Zeit

Der Wind über Teiche im Moore streicht.

 

Wie ein Kind an die Ohren sich schlägt,

Den Schall wiederholend, so tönt euer Laut,

Wie das Sausen, wenn dunkel der Abend graut

Und der Wind die zitternden Halme regt.

 

Ihr, die ihr nun aus Hierseins Schlafe erweckt,

Die ihr nun eins seid mit Busch und Gras,

Die den Tieren ihr gleicht, und dem, der genas

Vom Lebenswahn, in Irrsinns-Stuben versteckt,

 

Ihr, sagt mir eins, warum schleicht ihr euch her.

Ist es nicht besser, tot sein? Was steigt ihr herauf?

Drängt an die Betten der Schläfer zuhauf,

Mit Gerippen füllend der Träume Meer?

 

Ach, es muß einsam sein in des Todes Haus.

Wenn die Erde friert bis zum Grunde hart.

Und da kommt ihr nun, hohläugig starrt

Ihr nach uns. Ihr unser, wir euer Graus. 

 

 

 

 

Abend am See

 

Leis kommt die Nacht auf Dämmerwegen.

Du fühlst im Waldsee ein heimliches Regen.

Der Abendwind rauscht durch das Rohr so eigen

In des Sternengeflimmers tanzenden Reigen.

 

Still ruhn die Wogen in dem Silberschein

Des Monds, der sich erhebet wolkenrein.

Es öffnen die Seerosen ihren Silberkranz.

Ein nie geahnet Glück sie erfüllet ganz.

 

 

 

 

georg_heym
Georg Heym (30 oktober 1887 – 16 januari 1912)

 

 

 

 

 

De Griekse dichter en schrijver Kostas Karyotakis werd geboren op 30 oktober 1896 in Tripolis. Zie  ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

 

 

My Verses

 

My verses, children of my blood.
They speak, but I supply the words
like fragments of my heart,
I offer them like tears from my eyes.

 

They go with bitter smiles
when I recount so much of life.
I girdle them with sun and day and sun
for when I'm overtaken by the night.

 

They fix the limits of the sky and earth.
And yet my sons still wonder what is missing
always bored, worn down,
the only mother they have known is Grief.

 

I pour out the laughter of the sweetest tune,
the aimless passion of the flute;
to them I am an unsuspecting king
who's lost his people's love.

 

They waste away, they fade away, yet
never cease their quiet lamentation.
Pass by, Mortal, with averted gaze;
Lethe, carry me in your boat to bathe.

 

 

 

 

Karyotakis
Kostas Karyotakis (30 oktober 1896 – 21 juli 1928)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 30 oktober 2008.

 

De Tsjechische dichter, schrijver, essayist en vertaler Michal Ajvaz werd geboren op 30 oktober 1949 in Praag.

 

De Canadese dichter en schrijver Phillipe Aubert de Gaspé werd geboren op 30 oktober 1786 in Quebec. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006.  

Geschreven door Romenu om 10:59 Reageer op dit bericht

Claire Goll, Harald Hartung, Matthias Zschokke

De Duits – Franse schrijfster Claire Goll werd geboren op 29 oktober 1890 in Nürnberg. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2006 en ook mijn blog van 29 oktober 2007 en ook mijn blog van 29 oktober 2008.

 

 

Ich hab dich beten hören nebenan

Ich hab dich beten hören nebenan:
Es klang wie Orgel,
Wie Brunnenseufzer zur Nacht,
Wie Wind der über biblische
Städte und Meere gereist.

Auch Kinderglaube war in deinem Gebet,
Segen der Väter,
Hingabe an das fernste Leid,
Demut vor Verstorbenem,
So viel Liebe für alles was lebt...

Wie gern hätt ich deine Hand geküßt,
Die gefaltete, aber wo einer kniet
Ist immer ein Engel zugegen.
Ich hab dich beten hören nebenan:
Es klang wie ein neuer Psalm Davids,
Der den Goliath in sich erschlug

 

 

 

 

Klage um Ivan

 

Immer träum ich davon dir nachzusterben:
Aber eine künftige Rose
Bedarf vielleicht meiner Tränen
Um zu wachsen

 

Immer träum ich davon dir nachzusterben:
Aber ein leidenschaftlicher Reim
Bedarf vielleicht meiner Feder
Um dich zu singen

 

Immer träum ich davon dir nachzusterben:
Aber ein Takt von Bartok
Bedarf vielleicht meines Ohrs
um neu zu tönen

 

 

 

 

Angina

 

Über den Brunnen deiner Kehle gebeugt
Sah ich deine Mandeln rosiger
Als die Blüten des Mandelbaums
Sah das Instrument das hervorbringt
Das seltene Hochzeitsgedicht

 

Hier haben deine Küsse ihren Ursprung
Reichen verzweigt hinunter in dein Herz
Hier wird die Stimme geboren
Die ich der Harfe des Engels vorziehe
Hier entspringt der Quell deines Lachens

 

Der mich mehr berauscht als die Orgel
Der kirchlichen Feste
In diesem rosa wattierten Schrein
Liegen verstreut die kostbaren Namen
Mit denen zur Nacht du mich schmückst

 

Und von Schwindel ergriffen
Über dem Zauber-Brunnen
Sah ich ihn plötzlich vertrocknet
Seine Seufzer versteint
Durch die Zeit. Anstelle
Der purpurnen Lieder
Den allesvernichtenden Staub.

 

 

 

 

Goll-Clair

Claire Goll (29 oktober 1890 – 30 mei 1977)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver,dichter en literatuurwetenschapper Harald Hartung werd geboren op 29 oktober 1932 in Heme. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2006 en ook mijn blog van 29 oktober 2008.

 

 

 

Weißer Jahrgang

Ach die dicke Berta
Schwarm meines dritten Schuljahrs
ein schweres Geschütz
Die Mädchen kamen später
Vorher das Seitengewehr
die Blutrinne sah kein Blut
Mein Engel machte eine Aktennotiz

 

 

 

 

 

Die heiße Ofenplatte

Als Kind weil ich noch kein Geheimnis hatte
schrieb ich es auf mit Milch auf Briefpapier
und tat es auf die heiße Ofenplatte
bis Schrift erschien die bräunlich war wie Bier
Notrufe schrieb ich: SOS, die Emden
versinkt – das war symphonisches Gefühl
Ich zeigte meine Blätter keinem Fremden
das Fremde selbst, das Sterben kam zu mir

Es kam dann echt als fehlte der Beweis
Ein Landser (Bauchschuß) lag im Straßengraben
Ein Junge noch der nach der Mutter rief
Er sah mich an, er hielt den Kopf so schief
Die andern Landser trieb es fort sie haben
ihn da gelassen, und der Mai war heiß

 

 

 

 

 

Hartung
Harald Hartung (Herne, 29 oktober 1932)

 

 

 

 

 

De Zwitserse dichter, schrijver en filmmaker Matthias Zschokke werd geboren op 29 oktober 1954 in Bern. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2008.

 

Uit: Auf Reisen

 

“WEIMAR. In der Berliner Bahnhofsbuchhandlung überblätterte ich ein paar Reiseführer. Alle waren sich in einem Punkt einig: Zu einem Ausflug in die deutsche Klassik gehört Lotte in Weimar von Thomas Mann. Also kaufte ich das Buch und setzte mich in den Zug.  Die Fahrt ist schön. Links und rechts endlos flaches Land – das untere Fünftel des Zugfensters einnehmend –, darüber riesig der Himmel. Manchmal ein knorriger Baum, ein Teich, ein Wildschwein, dunkle, dicke Vögel. Man schaut hinaus und wird ganz ruhig. Ab und zu dachte ich: Caspar David Friedrich. Dann begann ich zu lesen. Himmel und Gemüt verdunkelten sich; was für ein entsetzliches Buch. Ohne einmal Luft zu holen, dröhnt es einem den Kopf voll mit besessen zusammengehamstertem Wissensballast, verschmockt altertümelnd vorgetragen. Geblieben ist mir davon nur, daß Goethe Caspar David Fried­rich nicht mochte und fand, man könne dessen Bilder ebensogut verkehrt herum aufhängen. Dann kam ich in Weimar an. Es schneite, stürmte und blitzte (ein Schneegewitter, höchst selten, wie tags darauf in der „Thüringer Allgemeinen“ stand). Ein Taxi brachte mich zum Goethehaus am Frauenplan; ich nahm an, dort sei das Zentrum.

Die Stadt ist jedoch sehr klein. Die Sorge, ins Abseits zu geraten, ist überflüssig. Hundert Meter weiter, am Wielandplatz, steht das Christliche Hotel „Amalienhof“ mit seiner klassizistischen Fassade (wie ich erfuhr, das einzige Hotel, das alle Revolutionen und Renovationen überstanden hat und deshalb unter Denkmalschutz steht). Ich fragte nach einem Zimmer, einem großen, bitte, worauf die Frau an der Rezeption freundlich antwortete: „Wir haben nur große, aber die Suite ist auch frei, die können Sie zum normalen Zimmerpreis haben; riecht zwar ein wenig nach Farbe, es wurde frisch gestrichen, aber wenn Sie das nicht stört?“ Und sie führte mich in einen herrschaftlichen Salon mit Schlafzimmer und Bad.

Ganz Weimar wimmelte von freundlichen Leuten, sogar den Dialekt mochte ich gern hören. Kellner und Kellnerinnen erinnerten an Zöglinge aus hochgelegenen Internaten. Sie lachten vor Aufregung, wurden beim Bedienen rot aus Verlegenheit, vergaßen, von welcher Seite auf-, von welcher abgetragen wird, baten um Verzeihung – entzückend. Die Wärterinnen in den Museen und Wohnhäusern musterten mich mißtrauisch, wie freilaufende Katzen mit schlechten Erfahrungen, doch kaum fragte ich sie etwas, tauten sie auf und entpuppten sich als hervorragende Kennerinnen der Exponate, die sie beaufsichtigen. Aus Berlin bin ich Aufpasser gewohnt, die „Sssssurückbleim“ knurren, wenn ich zu nah an ein Bild trete. Den Rest der Zeit starren sie trotzig vor sich hin.

Nie würde ich dort wagen, jemanden um Erläuterungen zu bitten; er ist schließlich kein Auskunftsbüro, sondern zum Schutz der Objekte bestellt. Ebenso wie Kellner und Verkäuferinnen dort nicht dazu da sind, Gäste oder Kunden zu beglücken, sondern sie zu ernüchtern und gefügig, wenn nicht sogar niederzumachen.

In Weimar herrscht ein anderer Ton. Im Schillerhaus – dem anrührendsten der diversen Dichterwohnhäuser – stand ich vor einem Nähkästchen. Die Aufpasserin erklärte, das habe Schiller seinem Diener zu dessen Hochzeit anfertigen lassen, und die Tränen sind mir in die Augen geschossen, so rührend kam mir das Tischchen vor. Oben, im Arbeits- und Sterbezimmer, wurde ich wieder schier übermannt; da erzählte sie mir angesichts des schmalen Betts, unter was für entsetzlichen Qualen Schiller hier – man könne es nicht anders sagen – verreckt sei; sie habe gerade eine frühe Biographie gelesen, nichts Seriöses, aber das Herz sei ihr fast zerbrochen dabei. Und hier, nebenan, in der winzigen Mansarde, hier habe er gewöhnlich geschlafen, auf einer Matratze am Boden. Das Bett habe er sich erst zuletzt, wegen seiner Krankheit, ins Schreibzimmer stellen lassen. Und überall diese Tapeten aus Kassel – was für märchenhafte Tapeten!

 

 

 

 

Zschokke
Matthias Zschokke (Bern, 29 oktober 1954)

Geschreven door Romenu om 20:17 Reageer op dit bericht

Zbigniew Herbert, Mohsen Emadi, Dominick Dunne, Aleksandr Zinovjev, Georg Engel, Jean Giraudoux, André Chénier

De Poolse dichter, schrijver en essayist Zbigniew Herbert werd geboren op 29 oktober 1924 in Lemberg. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2008.

 

Two Drops

No time to grieve for roses, when the forests are burning.
—Juliusz Słowacki

The forests were on fire—
they however
wreathed their necks with their hands
like bouquets of roses

People ran to the shelters—
he said his wife had hair
in whose depths one could hide

Covered by one blanket
they whispered shameless words
the litany of those who love

When it got very bad
they leapt into each other's eyes
and shut them firmly

So firmly they did not feel the flames
when they came up to the eyelashes

To the end they were brave
To the end they were faithful
To the end they were similar
like two drops
stuck at the edge of a face

 

 

 

 

About Troy

 

1

 

Troy O Troy

an archeologist

will sift your ashes through his fingers

yet a fire occurred greater than that of the Iliad

for seven strings--

 

too few strings

one needs a chorus

a sea of laments

and thunder of mountains

rain of stone

 

--how to lead

people away from the ruins

how to lead

the chorus from poems--

 

thinks the faultless poet

respectably mute

as a pillar of salt

--The song will escape unharmed

It escaped

with flaming wing

into a pure sky

 

The moon rises over the ruins

Troy O Troy

The city is silent

 

The poet struggles with his own shadow

The poet cries like a bird in the void

 

The moon repeats its landscape

gentle metal in smoldering ash

 

 

2

 

They walked along ravines of former streets

as if on a red sea of cinders

 

and wind lifted the red dust

faithfully painted the sunset of the city

 

They walked along ravines of former streets

they breathed on the frozen dawn in vain

 

they said: long years will pass

before the first house stands here

 

they walked along ravines of former streets

they thought they would find some traces

 

a cripple plays

on a harmonica

about the braids of a willow

about a girl

 

the poet is silent

rain falls

 

 

 

 

 

ZbigniewHerbert
Zbigniew Herbert (29 oktober 1924 – 28 juli 1998)

 

 

 

 

 

De Iraanse dichter en vertaler Mohsen Emadi werd geboren op 29 oktober 1976 in Teheran. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2008.

 

 

Despair
 
 
We were throwing out our despair form the rooms and
were shouting  : Get Lost!
It was enought a door stayed opened carelessly,
to she creeps in and dazzles us with her only safe eye
and the wound of her blind eye
open up it's mouth and devour us.
we were closing  the doors and at last our despair
was going out to play with children.

 

One night, we came back to our rooms
and locked up all the doors
We'd seen the children and
her who was running out toward us inflames.

 

early morning, on all fours
we were walkning in the alley,
the passangers were escaping,
the people were locking up the doors
and we were saying entreatyly : Mew!Mew!

 

 

 

 

Death

 

Didn't I leave my hat in your voice, Madam?
-Yes, but the wind carried it with herself.
-And my shoes?
-They are here, two sparrows had made their home in.

I run,
Get naked,
The lavas of your voice twist in me,
I have no time to breath.
I trurn to stone,
In the gate of apogee and abyss.
next centuries,
It will be published a photo of me
The stony remained of Pompei's volcaism
barefoot,
With no hat.

 

 

 

 

mohsen
Mohsen Emadi (Teheran, 29 oktober 1976)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Dominick Dunne werd geboren op 29 oktober 1925 in Hartford, Connecticut. Dominick Dunne overleed op 26 augustus van dit jaar. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2008.

 

Uit: Nightmare on Elm Drive

 

“Seven months later, after the boys were arrested, I visited the house on Elm Drive. It is deceptive in size, far larger than one would imagine from the outside. You enter a spacious hallway with a white marble floor and a skylight above. Off the hallway on one side is an immense drawing room, forty feet in length. The lone piece of sheet music on the grand piano was "American Pie" by Don McLean. On the other side are a small paneled sitting room and a large dining room. At the far end of the hallway, in full view of the front door, is the television room, where Kitty and Jose spent their last evening together. On the back wall is a floor-to-ceiling bookcase, filled with books, many of them paperbacks, including the American-history novels of Gore Vidal, Jose's favorite author. On the top shelf of the bookcase were sixty tennis trophies -- all first place -- that had been won over the years by Lyle and Erik.
Like a lot of houses of the movie nouveaux riches still in their social and business rise, the grand exterior is not matched by a grand interior. When the Menendez family bought the house, it was handsomely furnished, and they could have bought the furniture from the former owner for an extra $350,000, but they declined. With the exception of some reproduction Chippendale chairs in the dining room, the house is appallingly furnished with second-rate pieces; either the purchase price left nothing for interior decoration or there was just a lack of interest. In any case, your attention, once you are in the house, is not on the furniture. You are drawn, like a magnet, to the television room.”

 

 

 

 

dunne
Dominick Dunne (29 oktober 1925 - 26 augustus 2009)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 29 oktober 2008.

 

De Russische schrijver en wetenschapsfilosoof Aleksandr Aleksandrovitsj Zinovjev  werd geboren in Pachtino op 29 oktober 1922. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2006.

 

De Duitse schrijver Georg Julius Leopold Engel werd geboren op 29 oktober 1866 in Greifswald.

 

De Franse schrijver, toneelauteur en beroepsdiplomaat Jean Giraudoux werd geboren op 29 oktober 1882 in Bellac/Haute-Vienne. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2006.

 

De Franse dichter André Chénier (eigentlich André Marie Chénier ofde Chénier) werd geboren op 29 oktober 1762 in Galata bij Constantinopel.

Geschreven door Romenu om 20:14 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten