Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 31 oktober 2009 tot 1 november 2009

Ilse Aichinger, Stefaan van Laere, Rudy Kousbroek, Hermann Broch, Aras Ören,

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook mijn blog van 1 november 2006 en ook mijn blog van 1 november 2007 en ook mijn blog van 1 november 2008.

 

 

Gebirgsrand

 

Denn was täte ich,
wenn die Jäger nicht wären, meine Träume,
die am Morgen
auf der Rückseite der Gebirge
niedersteigen, im Schatten.

 

Zeitlicher Rat

 

Zum ersten
mußt du glauben,
daß es Tag wird,
wenn die Sonne steigt.
Wenn du es aber nicht glaubst,
sage ja.
Zum zweiten
mußt du glauben
und mit allen deinen Kräften,
daß es Nacht wird,
wenn der Mond aufgeht.
Wenn du es aber nicht glaubst,
sage ja
oder nicke willfährig mit dem Kopf,
das nehmen sie auch.

 

 

Ortsanfang

 

Ich traue dem Frieden nicht,
den Nachbarn, den Rosenhecken,
dem geflüsterten Wort.
Ich hörte,
daß sie die Häute an die Schlinge legen,
daß sie die Bänke kippen vor dem Winter,
ihre Jauchzer flogen
zum Schlaf gerüstet
durch Schul- und Kirchenhäuser
auf und fort.
Wer erwartet noch die Vögel,
die bleiben,
den Rauch übers kurze Gras?

 

Aichinger
Ilse Aichinger (Wenen, 1 november 1921)

 

 

 

 

De Belgische dichter en schrijver Stefaan van Laere werd geboren op 1 november 1963 in Wetteren. Zie ook mijn blog van 1 november 2008.

 

 

Buikdanseres

 

Vermorzeld was ze, haar gevoelens fijngemalen als kiezelstenen op de oprit.

Toen hij dichterbij kwam, knerpten ze onder zijn nieuwe schoenen.

Geef me wat tijd, vroeg ze, dat ik de scherven kan rapen van wie ik ooit was.

Hij had de juiste reflex en wachtte inderdaad. Op de tonen van een driekwartsmaat.

Het lijmwerk vorderde langzaam. Hij liet haar begaan, zijn primadonna.

Wat was ze authentiek, in het vage licht van de avondschemer.

Nee, niet gewoon mooi als een perfect model dat nog niet geleden heeft.

Ze droeg haar levenswonden fier. Hij hield meteen van de littekens.

Kuste ze toen ze voor het eerst hun liefde in een tango bezongen,

tweestemmig maar toch klonk het als één, spontaan, niet afgedwongen.

Ze werd zijn buikdanseres. Voor haar verwijderde hij zijn battle dress.

Ze gaven zich aan elkaar over. Speelden heerlijk haasje-over.

Het werd donker. Ze toonde de parel in haar navel, die kleine pronker.

 

 

 

 

 

VanLaaren
Stefaan van Laere (Wetteren, 1 november 1963)

 

 

 

 

De  Nederlandse schrijver Rudy Kousbroek werd op 1 november 1929 Pematang Siantar in Indonesië geboren. Zie ook mijn blog van 1 november 2006 en ook mijn blog van 1 november 2008.

 

Uit: Tempat Soetji of de Geheime Tuin

 

“In 1950 verscheen De verborgen bron van Hella Haasse. Ik kan me nog herinneren dat mijn vader het kocht, in een boekhandel op de Ceintuurbaan in Amsterdam die nu niet meer bestaat. Ik herinner me ook de omslag, van Hugh Jans, getekend in een stijl die toen in de mode was en die mij nu met grote kracht het vergeefse van die jaren voor de geest roept, zoals ook bepaalde gebruiksvoorwerpen uit die tijd dat doen.

De omslagtekening stelde een huis voor, meer een kasteeltje, gezien door een omlijsting van donkere bomen en struikgewas. De invullingen lijken wat op Arabisch sierschrift, dat hoorde zo bij die manier van tekenen. Door de donkere bomen gezien ligt het huis daar als een lichte plek in de verte, een beetje irreëel zoals in een herinnering, en zo is het ook bedoeld. Bij de uitgeverij Querido is een brief van Hella Haasse bewaard gebleven, waarin zij beschrijft hoe zij zich het omslag voorstelt, kennelijk vergezeld van een schets, die helaas niet is opgenomen: ‘Ingesloten “kunstwerk” is een zwakke poging om enigszins duidelijk te maken wat ik mij voorstel van een doorkijk op Het Huis. Tussen de takken en twijgen van (zwarte of in ieder geval heel donker gekleurde) bomen door, is het lichte Huis te zien dat a.h.w. op een klein eiland in de “slotgracht” ligt. Een brug voert naar het bos. Het donkere gekrabbel achter het huis zijn de bomen van het park. Het water loopt niet helemaal om het huis heen, het is a.h.w. een halvemaanvormige vijver. Ik ben tot mijn spijt niet bij machte om het duidelijker voor te stellen. De bedoeling is dat de bomen op de voorgrond een soort van donkere lijst om het huis heen vormen...’ (Schrijversprentenboek 35, p. 49).

De tekening van Hugh Jans volgt deze instructies tamelijk nauwkeurig, maar ik had mij er een ander huis bij voorgesteld. Als ik daar over nadenk realiseer ik me dat mijn verbeelding er een Indisch huis van wilde maken - met een voorgallerij met zuilen en planten in rijen gekapoerde potten. De krees zijn neergelaten, de luiken zijn gesloten. Gezien vanuit de diepe schaduw van het omringende geboomte ligt het te blakeren in de zon.

Ik heb dat in Indië ook vaak zo gezien; maar één keer, als kind, niet lang voor de oorlog, zag ik de Verborgen Bron zelf. Ik mocht met mijn vader mee het oerwoud in om een zgn. ‘rintis’ te leggen, dat was het banen van een pad om het land op te meten. De begroeiing was volkomen ondoordringbaar, er moest met hakmessen een passage of beter gezegd een tunnel in worden gekapt. ‘Jong bos’, zei mijn vader; het ‘oerwoud’ was in feite een in de 19e eeuw verlaten en sindsdien weer door de jungle overwoekerde tabaksplantage. De mandoer droeg mij op zijn rug, vanwege de slangen, en wees aan - ‘wah, boeroeng rangkok, njo’, een neushoornvogel, en kijk, daar is zijn nest. Daar zit het vrouwtje ingemetseld, ze kan er niet uit. En die boom daar, zie je hem? Die boom mag niet worden omgekapt, nooit, nooit. Het was er vochtig en donker. Zo kwamen we aan het huis.”

 

 

Kousbroek

Rudy Kousbroek (Pematang Siantar, 1 november 1929)

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hermann Broch werd op 1 november 1886 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 1 november 2008.

 

 

Denn das Wahre ist ernst

 

Denn das Wahre ist ernst; traue der Heiterkeit nicht.
Es verblassen des Abends die Farben der Landschaft, auch die
heitersten,
und sie zeigt ihre ernsten Linien,
wenn der dunkelnde Ölbaum gegen des Himmels Dämmergrau steht
eingehüllt in Unbeweglichkeit.
Oh das Gewesene, das sich abends herabsenkt
als Ahnung des Immerseienden.
Dann wird der Stein zum Kristall, das Tagewerk aber ruht im
Ernste zum wahren Bleiben.

 

 

 

 

Das Unauffindbare

 

Du suchst den Anfang, suchst zurück:

So schön, so schön war es, dass du nun glaubst,

Es sei der Sinn, den du aufs neue dir belaubst,

Und es ersteht dir Stück um Stück

Das Einst, das Glück.

 

Der Berg, die Landschaft, ein Hotel,

Die schöne Zeit! du liebtest eine Frau

Fast war es Sinn; ein Kindheitsgarten voller Tau -

Knietest du nicht? Oh, es entglitt, entglitt so schnell,

Ein Glücksmodell.

 

Nun kniest du wieder, alter Mann,

Und suchst das Schöne, dem du nicht mehr glaubst,

Da du vor Schönheit stets dich selbst beraubst,

Beraubst des Sinns, der durch die Finger rann,

Suchst deine Schuld im Einst, suchst sie im Wann,

Tastend zum Unergreiflichen, ergriffen deines Raubs:

Wann fing das Unglück an,

Wann fing es an?

 

 

 

 

 

Broch

Hermann Broch (1 november 1886 - 30 mei 1951)

 

 

 

 

De Turkse schrijver Aras Ören werd geboren in Bebek bij Istanbul op 1 november 1939. Zie ook mijn blog van 1 november 2008.

 

Uit: Granatapfelblüte (Vertaald door Eva Hund)

 

„Eine Staubwolke wirbelt auf. Staub der Zeit, hohen Alters, schwefelgelbes Licht breitet sich aus, Kraniche fliegen mit gellenden Schreien durch die Luft, Blitze flackern auf, dann setzt ohrenbetäubende Stille ein und hält an. Hält an, auch als sich der Himmel über uns zu teilen beginnt, als wären wir in einem Vakuum. Aus dem geteilten Himmel fließt unaufhörlich helles Licht. Mit dieser Funken sprühenden, blitzenden Lichtflut strömen nun die Einwohner der antiken Stadt herunter. Die Sagen werden wahr, füllen sich mit Leben. ...
Die Stadt ersteht wieder in ihrer alten Pracht. Und all das in einem einzigen Augenblick. Ein wahres Wunder.
Die Pferdekarren vor uns weichen nach rechts und links aus, um uns den Weg frei zu machen. Wir sind auf der Höhe der Agora, dem großen Platz, der von grauen Granitsäulengängen umgeben ist und auf dem ein reges Treiben und Durcheinander herrscht.
Auf welcher Seite des Weges stand sie? Auf der Seite der Agora oder auf der anderen Seite, wo das römische Bad lag? In ihrem Kleid aus fließendem, Falten werfenden Damaszenerstoff stand sie vor mir. Eine leichte Brise wehte, die ihre Haare nach hinten wellte und den dünnen Stoff ihres Kleides um ihren schlanken Leib preßte. Die Sonnenstrahlen unterstrichen die Konturen ihres Körpers und verliehen ihr die mysteriöse Aura einer Göttin. Zwischen Traum und Wirklichkeit, das Wunder nahm kein Ende.
Der rege Handel im Hof der Agora brach abrupt ab. Das Marktgeschrei verhallte ungehört. Nicht einmal den Boten, die aus den anderen Städten Pamfiliens die neuesten Nachrichten brachten, schenkte noch irgend jemand Gehör. Die Schwätzer, die Lüsternen, die Neugierigen, die es sich im Schatten der Säulengänge bequem gemacht hatten, alle machten sich auf den Weg.
Eine immer größer werdende Menge versammelt sich um uns. Man mustert uns mit neugierigen Blicken. Wir haben selbst die Menschen aus den Bädern gelockt, die nun noch leicht tropfend in ihren Badetüchern um uns herumstehen. Auch aus den weiter abgelegenen Vierteln hinter dem Siegestor kommen die Menschen. Sie werden dieses unerhörte Ereignis später ihren Kindern und Enkelkindern erzählen wollen und - wie ein Konkurs oder ein außerordentlicher Gewinn eines Händlers - die Zeit teilen in die vor und nach eben jenem Ereignis. ...
"Sei willkommen", sagt sie, "ich habe dich schon erwartet." Ihre sanfte wohlklingende Stimme streichelt mich, ich erschauere. "Ich wußte, daß du kommen würdest. Hier, trink das, du hast einen langen Weg hinter dir. Es wird dich erfrischen und dir die Müdigkeit nehmen."
Ihre makellose dunkle Haut verströmt einen Duft, der mich schwindeln läßt. Ihre pflaumengrünen Augen ziehen mich in einen Strudel. "Wie konntest du wissen, daß ich kommen würde?" murmele ich. "Ich habe mit niemandem darüber gesprochen."

 

 

 

 

Oren
Aras Ören (Bebek, 1 november 1939)

Geschreven door Romenu om 20:21 Reageer op dit bericht

Huub Oosterhuis, Günter de Bruyn, Henri Troyat, Jean Tardieu, Stephen Crane

De Nederlandse priester, theoloog en dichter Huub Oosterhuis werd geboren in Amsterdam op 1 november 1933. Zie ook mijn blog van 1 november 2008.

 

 

Claus

 

Deze geboren vreemdeling
op vijandelijke bodem getogen -
terzij van fonkelende zonen neven
aangehaakte schonen
toont hij zijn wonden
spreekt hij zijn woorden
dichter zonder landstaal

deze blanke zwarte blanke
oudere broer van miljoenen
deze geboren koning.

 

 

 

 

 

huuboosterhuis
Huub Oosterhuis (Amsterdam 1 november 1933)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Günter de Bruyn werd op 1 november 1926 geboren in een katholiek arbeidersgezin in Berlijn. Zie ook mijn blog van 1 november 2008.

 

Uit: Preußens Luise

 

„In Hannover war die Mecklenburgerin geboren worden, weil ihr Vater, bevor er regierender Großherzog von Mecklenburg-Strelitz wurde, als Gouverneur der Stadt in englischen Diensten

gestanden hatte, und ins Hessische war sie mit sechs Jahren geraten, als ihre Mutter, eine geborene

Prinzessin von Hessen-Darmstadt, gestorben war. Bei der Großmutter war sie im Darmstädter Alten Palais aufgewachsen und mit siebzehn Jahren in Frankfurt am Main gezielt mit dem preußischen Kronprinzen zusammengebracht worden. Und da die beiden sich ineinander verliebten und der König diese Verbindung wünschte, waren sie wenige Wochen später verlobt.

Am 10. März 1776 war Luise zur Welt gekommen, am 22. Dezember 1793 kam sie als Braut nach Berlin. Den Triumphzug der Einholung durch Bürger und Soldaten erlebte die Siebzehnjährige an der Seite ihrer jüngeren Schwester Friederike, die die Braut des jüngeren Bruders des Kronprinzen war. Schadow war so entzückt von den beiden, daß er ihren hessischen Dialekt als »die angenehmste aller deutschen Mundarten« bezeichnete. Er spricht von einem »Zauber«, der sich durch den Liebreiz der

Schwestern über der Residenz ausbreitete und die Berliner durch die Frage entzweite, welche die Schönere von beiden sei. Er selbst entzog sich dieser Entscheidung, indem er beide in seinem heute berühmten Marmorstandbild, der sogenannten Prinzessinnengruppe, vereinte und so Luise, noch bevor sie Königin wurde, als Gebilde der Kunst in die Unsterblichkeit hob.

Für die Ausformung der Luisen-Legende hatte die Prinzessinnengruppe allerdings kaum eine Bedeutung, sieht man von einer indirekten, über die Literatur vermittelten Wirkung ab. Schuld daran war Luises Gatte, Friedrich Wilhelm III., der noch Kronprinz war, als der König das Kunstwerk in Auftrag gegeben hatte, bald nach dessen Fertigstellung aber selbst König wurde und es, wie vieles, das sein Vater getan oder veranlaßt hatte, verwarf.“

 

 

DeBruyn
Günter de Bruyn (Berlijn, 1 november 1926)

 

 

 

 

De Franse schrijver Henri Troyat werd geboren in Moskou op 1 november 1911. Zie ook mijn blog van 1 november 2008.

 

Uit: La Traque

 

“La plupart des tourments dont je souffre aujourd'hui m'auraient été épargnés sij'avais fait mes études ailleurs qu'au lycée de Tsarskoïe Selo. Près d'un demi-siècle avant moi, notre grand Alexandre Pouchkine avait été élevé dans cet établissement prestigieux de la Russie impériale. Son souvenir magique et sanglant veillait en chacun de nous, ses condisciples posthumes.

(...)

Une nuit, entre deux rêves, je fus frappé par une illumination et, aussitôt, mes nerfs se détendirent et mon avenir s'éclaira. Moi d'habitude si perplexe, je me sentais investi soudain d'une mission urgente et surnaturelle : aller à paris, rencontrer Georges d'Anthès, lui dire son fait et le tuer. Non pas en duel, mais à l'improviste, comme un chien. »

 

 

 

 

troyat
Henri Troyat (1 november 1911 – 4 maart 2007)

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Jean Tardieu werd geboren op 1 november 1903 in Saint German de Joux. Zie ook mijn blog van 1 november 2008.

 

 

Le Dilemme

 

J’ai vu des barreaux

je m’y suis heurté

c’était l’esprit pur.

 

J’ai vu des poireaux

je les ai mangés

c’était la nature.

 

Pas plus avancé !

Toujours des barreaux

toujours des poireaux !

 

Ah ! si je pouvais

laisser les poireaux

derrière les barreaux

la clé sous la porte

et partir ailleurs

parler d’autre chose !

 

 

 

 

 

Conversation

 

Comment ça va sur la terre ?

- Ça va ça va, ça va bien.

 

Les petits chiens sont-ils prospères ?

- Mon Dieu oui merci bien.

 

Et les nuages ?

- Ça flotte.

 

Et les volcans ?

- Ça mijote.

 

Et les fleuves ?

- Ça s'écoule.

 

Et le temps

- Ça se déroule.

 

Et votre âme ?

- Elle est malade

Le printemps était trop vert

elle a mangé trop de salade.

 

 

 

 

 

jean-tardieu
Jean Tardieu (1 november 1903 – 27 januari 1995)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Stephen Crane werd geboren op 1 november 1871 in Newark, New Jersey. Zie ook mijn blog van 1 november 2008.

 

 

War Is Kind (Fragment)

 

Do not weep, maiden, for war is kind.

Because your lover threw wild hands toward the sky

And the affrighted steed ran on alone,

Do not weep.

War is kind.

 

   Hoarse, booming drums of the regiment

   Little souls who thirst for fight,

   These men were born to drill and die

   The unexplained glory flies above them

   Great is the battle-god, great, and his kingdom--

   A field where a thousand corpses lie.

 

Do not weep, babe, for war is kind.

Because your father tumbled in the yellow trenches,

Raged at his breast, gulped and died,

Do not weep.

War is kind.

 

   Swift, blazing flag of the regiment

   Eagle with crest of red and gold,

   These men were born to drill and die

   Point for them the virtue of slaughter

   Make plain to them the excellence of killing

   And a field where a thousand corpses lie.

 

Mother whose heart hung humble as a button

On the bright splendid shroud of your son,

Do not weep.

War is kind.

 

 

 

 

 

crane1
Stephen Crane (1 november 1871  - 5 juni 1900)

Geschreven door Romenu om 20:17 Reageer op dit bericht

Joseph Boyden, Bruce Bawer, John Keats, Nick Stone

De Canadese schrijver Joseph Boyden werd geboren op 31 oktober 1966 in Willowdale, Ontario. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2008.

 

Uit: Through Black Spruce

 

“When there was no Pepsi left for my rye whisky, nieces, there was always ginger ale. No ginger ale? Then I had river water. River water's light like something between those two. And brown Moose River water's cold. Cold like living between two colours. Like living in this town.When the whisky was Crown Royal, then brown Moose River water was a fine, fine mix.

You know I was a bush pilot. The best. But the best have to crash. And I've crashed a plane, me. Three times. I need to explain this all to you. I was a young man when I crashed the first time.The world was wide open. I was scared of nothing. Just before Helen and I had our oldest boy. The first time I crashed I was drunk, but that wasn't the reason I crashed. I used to fly a bush plane better with a few drinks in me. I actually believe my eyesight improved with whisky goggles on. But sight had nothing to do with my first crash.Wait. It had everything to do with it. Snowstorm. Zero visibility. As snow blinded my takeoff from the slick runway, I got the goahead with a warning from the Moosonee flight tower: harder snow coming.

An hour later and I'd made it a hundred miles north of Moose River on my way to pick up trappers not wanting but needing to come in from their lines.A rush to find them with night coming. I had a feeling where they'd be.Me, I was a natural in a plane. But in snow? One minute I'm humming along, the next, my fuel line's gummed and I'm skidding and banging against a frozen creek.The crazy thing? Had I come in a few feet to the left or right, blind like I did, I would have wrapped my plane around black spruce lining the banks. Head a mush on the steering. Broken legs burning on a red-hot motor.The grandparents sometimes watch out. Chi meegwetch, omoshomimawak!

My plane wasn't too damaged, but this was a crash nonetheless. And I emerged from the first true brush with it. The long darkness. No need to speak its name out loud.

Soon as I forced the door open, the snow, it stopped falling. Like that. Like in a movie. And when the cloud cover left on a winter afternoon a hundred plus miles north of Moosonee in January, the cold came, presented itself in such a forceful way that I had two choices.

The first was to assume that the cold was a living thing that chased me and wanted to suck the life from me. I could get angry at it, desperate for some sense of fairness in the world, and then begin to panic.“

 

 

 

 

joseph boyden

Joseph Boyden (Willowdale, 31 oktober 1966)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en literatuurcriticus Bruce Bawer werd geboren op 31 oktober 1956 in New York. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2008.

 

Uit: Surrender

 

“We in the West are living in the midst of a jihad, and most of us don't even realize it — because it's a brand of jihad that's barely a generation old.

Islam divides the world into two parts. The part governed by sharia, or Islamic law, is called the Dar al-Islam, or House of Submission. Everything else is the Dar al-Harb, or House of War. It's called the House of War because it, too, according to the Koran, is destined to be governed by sharia, and it will take war — holy war, jihad — to bring it into the House of Submission.

Jihad began with Muhammed himself. When he was born, the lands that today make up the Arab world were populated mostly by Christians and Jews; within a century after his death, those areas' inhabitants had been killed, driven away, subjugated to Islam as members of the underclass known as dhimmis, or converted to the Religion of Peace at the point of a sword. The Crusades of the twelfth and thirteenth centuries were not wars of conquest by Europeans but attempts to take back what had once been Christian territory. America's very first foreign conflict after the Revolutionary War was with the Barbary pirates, who, sponsored by the Muslim governments of North Africa — just as terrorist groups today enjoy the sponsorship of countries like Libya, Iran, and Syria — had for generations been preying on European ships and selling their crews and passengers into slavery. (Between the sixteenth and nineteenth centuries, over one million Europeans — including people like Cervantes, Saint Vincent de Paul, and French playwright Jean Francois Regnard — became chattel in North Africa, a minor detail that rarely makes it into Western history textbooks, perhaps because it would compel textbook writers to accord jihad a major role in their narratives of Western history.)

In 1786, John Adams and Thomas Jefferson, then the U.S. ambassadors to Britain and France respectively, met in London with the Tripolitanian envoy to Britain and asked him why his pirates were preying on American ships; he explained, as Adams and Jefferson reported afterward to the Continental Congress, that the pirates' actions were "founded on the Laws of their Prophet, that it was written in their Koran, that all nations who should not have acknowledged their authority were sinners, that it was their right and duty to make war upon them wherever they could be found, and to make slaves of all they could take as Prisoners, and that every Musselman who should be slain in Battle was sure to go to Paradise."

 

 

 

Bruce
Bruce Bawer (New York, 31 oktober 1956)

 

 

 

 

 

De Engelse dichter John Keats werd geboren op 31 oktober 1795 in Finsbury Pavement in London. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2006 en ook mijn blog van 31 oktober 2007 en ook mijn blog van 31 oktober 2008.

 

 

 

A Thing of Beauty (Endymion)

 

A thing of beauty is a joy for ever:

Its lovliness increases; it will never

Pass into nothingness; but still will keep

A bower quiet for us, and a sleep

Full of sweet dreams, and health, and quiet breathing.

Therefore, on every morrow, are we wreathing

A flowery band to bind us to the earth,

Spite of despondence, of the inhuman dearth

Of noble natures, of the gloomy days,

Of all the unhealthy and o'er-darkn'd ways

Made for our searching: yes, in spite of all,

Some shape of beauty moves away the pall

From our dark spirits. Such the sun, the moon,

Trees old and young, sprouting a shady boon

For simple sheep; and such are daffodils

With the green world they live in; and clear rills

That for themselves a cooling covert make

'Gainst the hot season; the mid-forest brake,

Rich with a sprinkling of fair musk-rose blooms:

And such too is the grandeur of the dooms

We have imagined for the mighty dead;

An endless fountain of immortal drink,

Pouring unto us from the heaven's brink.

 

 

 

 

 

O Blush Not So!

 

O BLUSH not so! O blush not so!

Or I shall think you knowing;

And if you smile the blushing while,

Then maidenheads are going.

 

There's a blush for want, and a blush for shan't,

And a blush for having done it;

There's a blush for thought, and a blush for nought,

And a blush for just begun it.

 

O sigh not so! O sigh not so!

For it sounds of Eve's sweet pippin;

By these loosen'd lips you have tasted the pips

And fought in an amorous nipping.

 

Will you play once more at nice-cut-core,

For it only will last our youth out,

And we have the prime of the kissing time,

We have not one sweet tooth out.

 

There's a sigh for aye, and a sigh for nay,

And a sigh for "I can't bear it!"

O what can be done, shall we stay or run?

O cut the sweet apple and share it!

 

 

 

 

 

Last Sonnet

 

BRIGHT Star, would I were steadfast as thou art--

Not in lone splendour hung aloft the night,

And watching, with eternal lids apart,

Like Nature's patient sleepless Eremite,

The moving waters at their priest-like task

Of pure ablution round earth's human shores,

Or gazing on the new soft-fallen mask

Of snow upon the mountains and the moors--

No--yet still steadfast, still unchangeable,

Pillow'd upon my fair love's ripening breast,

To feel for ever its soft fall and swell,

Awake for ever in a sweet unrest,

   Still, still to hear her tender-taken breath,

   And so live ever--or else swoon to death.

 

 

 

 

Keats

John Keats (31 oktober 1795 – 23 februari 1821) 

Standbeeld in Londen door Stuart Williamson, 2007

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver Nick Stone werd geboren op 31 oktober 1966 in Cambridge. De eerste vier jaar van zijn leven bracht hij door op Haïti, waar de familie van zijn moeder vandaan kwam. In 1971 keerde hij terug naar Engeland. In zijn jonge jaren was Stone een succesvol sporter – hij bokste in de nationale amateur klasse. Verder trad hij in de voetsporen van zijn vader en studeerde geschiedenis. Daarna werkte hij als headhunter voor verschillende bedrijven. Hij debuteerde in 2006 met Mr Clarinet. Voor de plot van het boek had hij inspiratie opgedaan toen hij in 1996 nog eens terug ging naar Haïti.

 

Uit: King of Swords

 

„It was the last thing he needed or wanted, a dead ape at the end of his shift, but there it was—a corpse with bad timing. Larry Gibson, one of the night security guards at Primate Park, stood staring at the thing spotlighted in his torch beam—a long-stemmed cruciform of black fur lying less than twenty feet away, face up and palms open on the grassy verge in front of the wire. He didn't know which of the fifteen species of monkey advertised in the zoo's product literature this one was, and he didn't care; all he knew was that he had some decisions to make and fast. He weighed up what to do with how much he could get away with not doing: he could sound the alarm and stick around to help when and where and if he was needed; or he could simply look the other way and ignore King Kong for the ten remaining minutes of his shift. Plus he craved sleep. Thanks to some Marine-issue bennies he'd popped on Sunday night, he'd been awake for fifty-nine hours straight; his longest ever stretch. The most he'd lasted before was forty-eight hours. It was now Wednesday morning. He'd run out of pills and all the sleep he'd cheated and skipped out on was catching up with him, ganging up in the wings, getting ready to drop on him like a sack of wet cement.

He checked his watch. 5.21 A.M. He needed to get out of here, get home, get his head down, sleep. He had another job starting at one p.m. as a supermarket supervisor. That was for alimony and child support. This gig—cash in hand and no questions asked—was for body and soul and the roof over his head. He really couldn't afford to fuck it up.

Dr Jenny Gold had been dozing with the radio on when she got the phone call from the security guard in Sector i, nearest the front gate. Something about a dead gorilla, he'd said. She hoped to God it wasn't Bruce, their star attraction.“

 

 

 

 

NickStone
Nick Stone (Cambridge, 31. Oktober 1966)

Geschreven door Romenu om 22:06 Reageer op dit bericht

Irina Denezhkina, Ernst Augustin, Carlos Drummond de Andrade, Jean Améry

De Russische schrijfster Irina Denezhkina werd geboren op 31 oktober 1981 in Yekaterinburg. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2008.

 

Uit: Give Me: Songs for Lovers

 

“We're standing there drop-dead gorgeous in the metro. I've got on this skintight T-shirt and shorts that end before they've hardly begun. Volkova's in a long sky-blue dress that shows everybody her boobs and her backside, everything big and bouncy. Her light brown hair's all carefully styled and lacquered — "Not like you: Rake it across the bald patch and off you go." A big nose. It doesn't spoil her though. It gives her individuality. All the men starehard when she walks past. And when we're together, it's like the end of the world.

There we are standing opposite the escalator, with people riding up and out in our direction. All sorts.

"Look at that one; what an ugly kisser!"

"He's looking in our direction! Yuh-uck!"

"Anyone but that one, anyone but that one!"

"Oh, sugar...no, don't come this way!"

"No, not that freak, please!"

So we're standing there whispering, and in the end we wound ourselves up so much we almost legged it top-speed out of the metro. But for some reason we hung on. Then suddenly I see two boys coming toward us. The one who's not so tasty is like a Soviet soft toy dog. The other's Pepsi, pager, MTV, spiky hair, fruit-drop lips, really cocky look. Gorgeous like a picture in a magazine.

"Which of you is my husband?" I asked in a voice hoarse with excitement, while Volkova digested the information. "No need to run; the beauty contest's come to you."

"Me," the gorgeous one answered modestly. "I'm Lyapa. And this is Kres."

Kres shook his long hair and smiled in a village-yokelish kind of way. Round-faced and round-bellied. Lyapa beamed.

And now here I am sitting in his kitchen, and he's smoking and not showing the slightest sign of interest. He's two years younger than me.

I downed my coffee decisively, burnt my tongue, got up and made for the door.

"Where are you going?" Lyapa said, rousing himself.

"Home!"

"It's nighttime. You can't go out there."

"So what do I do?"

Lyapa started thinking. Maybe he'd overdone it back then on the Net, when he showered me with messages: "My pussycat! I love you very, very much!" Maybe he shouldn't have. It's two months now since that meeting in the metro. We see each other once a week. I've been with Volkova to watch his band rehearse a couple of times. I remember the guitarist Vitya sang a line instead of Kres, and Kres was really upset and took offense, because he's the vocalist, not Vitya. He was humiliated in front of Volkova and me. He was left with nothing to do. As if heweren't the vocalist at all, just some piece of gear that could easily be replaced. Take Lyapa: I don't think you could replace him; no one else plays the drums like that. But Kres...Like, who cares?”

 

 

 

 

Irina Denezhkina

Irina Denezhkina (Yekaterinburg, 31 oktober 1981)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Ernst Augustin werd geboren op 31 oktober 1927 in Hirschberg. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2008.

 

Uit: Raumlicht: Der Fall Evelyne B.

 

“Es gehört zu meinem Plan, daß ich nicht auffalle, oder doch kaum. Ich wohne in einem bürgerlichen

Stadtteil Münchens, wo die Leute auf der Straße zum nahe gelegenen Nymphenburger Kanal wandern,

Handwerksmeister, Beamte, wenig Ausländer. Und ich wohne in einer Straße mit kleinherrschaftlichen

Häusern, die auch heute noch so aussehen, von denen meines das schmalste ist, zwei Stockwerke, rechts und links von Viergeschossigen eingebaut. Ich habe einen wenig auffallenden, sechs Meter breiten und drei Meter tiefen Vorgarten mit einem Schneeballbaum.

Das Haus ist nett angemalt, weiß und dunkelrot, wobei die Breite der Vorderfront durch die Eingangstür sowie ein Zimmerfenster im Parterre ausgemacht wird. Im ersten Stock sind zwei Zimmerfenster zu sehen, dann noch knapp über dem Blumenbeet ein vergittertes Kellerfenster. Ich habe ein unauffälliges Emailleschild, dessen Größe sowieso von der Ärztekammer beschränkt ist, meines ist aber eher noch kleiner, und ich habe im Parterre weiße, im ersten Stock rotbraune Fenstervorhänge, die fast immer geschlossen sind, auch außerhalb meiner Sprechstunden,

um die Leute nicht auf Veränderungen aufmerksam zu machen. Das Parterrefenster ist ebenfalls vergittert, aber so, daß man von außen nichts bemerkt, weißlackierte in das Fenster eingelassene Stahlrahmen, welche direkt mit kleinen Scheiben verglast sind, dazu darf ich erklären, daß ich niemanden im Haus festhalten will, sondern umgekehrt – das mag man jetzt deuten, wie man will. Und hinter diesem Fenster schreibe ich die Bücher, die ursprünglich immer den einen Titel tragen sollten: die Entdeckung der Schizophrenie, während ich dann aber doch davon Abstand nehme, da ich die Reaktion der Fachwelt voraussehe, die dann schließlich ohnehin eintritt.

Welches voraussetzt, daß die Schizophrenie bis dahin noch nicht entdeckt ist.

Sie begreifen, heißt aber, den eigenen Körper nicht begreifen. Sich über die Unmöglichkeit (aber die totale Unmöglichkeit!) zu entsetzen, die im Wachstum auch nur eines Fingernagels liegt, falls dieses wirklich stattfinden sollte. Außerdem: Ich liebe und bewundere die Tiere, wie sie mit ihren kleinen Werkzeugen sich unter einem Stein einrichten, wie sie an einen schönen braunen Pelz glauben und ihn auch bekommen, und wie sie in ihrem Pelz unter dem Stein sitzen, in tiefer Selbstbesinnung selbst zum kleinen Gott werdend.“

 

 

 

 

Ernst_Augustin

Ernst Augustin (Hirschberg, 31 oktober 1927)

 

 

 

 

 

De Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade werd geboren op 31 oktober 1902 in Itabira, een klein dorpje in de staat Minas Gerais. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2008.

 

 

Papier

En alles wat ik heb gedacht
en alles wat ik heb gezegd
en alles wat men mij verteld heeft
was papier

En alles wat ik heb ontdekt
bemind
gehaat
papier

Papier al wat er was in mij
en in de anderen, kranten-
papier
behangpapier
pakpapier
papierpapier
papier-maché.

 

 

 

 

Een vrouw die naakt loopt door het huis

 

Een vrouw die naakt loopt door het huis,
vervult ons van zo grote geestesrust.

Het is geen gedateerde, geile naaktheid.

Het is een gekleed in naaktheid gaan,
onschuld als van een zuster, een glas water.

 

Het lichaam wordt zelfs niet waargenomen
door het ritme dat het meevoert.

Welvingen gaan langs in staat van reinheid,
geven de naam kuisheid aan het leven.

 

Haren die bekoorden verontrusten niet.

Borsten, billen (stille wapenstilstand)

rusten uit van strijd. En ook ik rust.

 

 

 

 


Vertaald door August Willemsen

 

 

 

 

 

Your Shoulders Hold Up The World

 

A time comes when we no longer can say:

     my God.

A time of total cleaning up.

A time when we no longer can say: my love.

Because love proved useless.

And the eyes don't cry.

And the hands do only rough work.

And the heart is dry.

They knock at our door in vain, we won't open.

We remain alone, the light turned off,

and our enormous eyes shine in the dark.

It is obvious we no longer know how to suffer.

And we want nothing from our friends.

 

Who cares if old age comes, what is old age?

Our shoulders are holding up the world

and it's lighter than a child's hand.

Wars, famine, family fights inside buildings

prove only that life goes on

and not everybody has freed themselves yet.

Some (the delicate ones) judging the spectacle cruel

will prefer to die.

A time comes when death doesn't help.

A time comes when life is an order.

Just life, without any escapes.

 

 

 

 

 

andrade
Carlos Drummond de Andrade (31 oktober 1902 – 17 augustus 1987)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Jean Améry werd geboren op 31 oktober 1912 in Wenen.   Zie ook mijn blog van 31 oktober 2006  en ook mijn blog van 31 oktober 2007 en ook mijn blog van 31 oktober 2008.

 

Uit: Die Schiffbrüchigen

 

“Das Nachthemd warf er ab und stand nun nackt im ebenerdigen Zimmer. Im Hof vor seinem Fenster sang mühselig und heiser ein Bettler. Den kalten Strahl des klaren Wassers goß Eugen über seinen Körper und mit den letzten Spuren des nächtlichen Schweißes, die die gläserne Klarheit des Wassers aus Achselhöhlen und Kniekehlen riß, versickerten die dunkel-feuchten Gewässer der nächtlichen Träume in seiner Seele. Die verstreuten Kleider sammelte er und zog sie an. Die tägliche Sorge: wie lange hält mein Anzug noch? düsterte in ihm auf. Hauchzarte Fäden hingen vom Kragen seines Hemdes und den Manchetten. Um wieviel einfacher wäre es doch gewesen, den Kragen daheim liegen zu lassen. Den Kragen – Sinnbild für Eugens bürgerliche Verkleidung. Den Schritt erschlaffen zu lassen wäre besser gewesen, die Haare nicht mehr aus der Stirn zu streichen, wohlig das Grau des Schmutzes seine Kleider eindunkeln zu lassen und bis zum Morgen in den Schenken zu hocken.

(Die Tage waren schwer.) Nur noch die Nächte waren gut. Heut hatte Agathe bei ihm geschlafen und noch vor Morgengrauen war sie gegangen, ohne daß Eugen darum gewußt hatte. Wie gut das war: nicht allein in seinem Bett entschlafen zu müssen, Weichheit und Wärme an seinem Körper zu spüren, sich müde zu machen. Ach, in den Nächten, die Agathe mit ihm schlief, war allein vielleicht noch Ruhe und Gleichmaß, Andacht und Glaube. Da war noch ein: Das Leben ist gut, oder: das Leben ist warm, oder: dunkel. – Und das ist nicht zu sagen, was es in den Nächten ist, den Arm über Taille und Rücken einer Frau zu legen und in ihren Achselhöhlen eine Ahnung Schweißes zu spüren, sein Antlitz in fremdes Haar zu betten.

Doch am Tage verlor es seine Geltung. Was sein Eigen sein konnte zu jeder Stunde, Trost und Heimat, blieb ihm in der Helligkeit des Tages unerfühlbar ferne und wenn er daran dachte, kam oft ein schmerzhaftes Gefühl der Angst in ihm auf.

Zart wehten ein paar Sonnenstrahlen in den Lichthof. Klarer hoben die blassen Konturen der Möbel sich nun und der bleiche, kühle April erhellte kalt und ohne Trost Eugens Gefängnis.“

 

 

 

 

amery
Jean Améry (31 oktober 1912– 17 oktober 1978)

 :

Geschreven door Romenu om 22:02 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten