Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 14 december 2009 tot 15 december 2009

Ingo Schulze, Klaus Rifbjerg, Jan Greshoff, Edna O'Brien

De Duitse schrijver Ingo Schulze werd geboren in Dresden op 15 december 1962.  Zie ook mijn blog van 15 december 2008.

 

Uit: Eine Nacht bei Boris

 

„Wenn ich jetzt von diesem Abend, von dieser Nacht berichte, muss ich vorausschicken, dass Boris, der von sich selbst als meinem ältesten Freund sprach, nicht mehr lebt. Ich schreibe dies hier aber nicht, weil Boris tot ist. Ich würde nicht anders über ihn denken, wenn er noch lebte, und muss mir auch nicht vorwerfen, ihm nicht gesagt zu haben, wie viel mir dieser Abend, diese Nacht bedeutet, ganz egal, wie verwirrt und beschämt wir alle am Ende nach Hause

gingen. Es war wirklich die merkwürdigste Feier, die ich je erlebt habe, auch wenn meine Rolle dabei marginal gewesen ist.

»Alles kannst du neu haben, nur keinen alten Freund«, sagte Boris oft. Und Susanne sagte: »Besser keinen als so einen.« Sie meinte, Boris und ich seien nur aus Gewohnheit miteinander befreundet.

Dabei ist Boris früher gar nicht mein Freund gewesen. Er war eine Klasse über mir und kam morgens aus der entgegengesetzten Richtung zur Schule. Bei der Armee liefen wir uns über den Weg, verbrachten ein paarmal den Ausgang zusammen – und verloren uns nach der Entlassung sofort aus den Augen. Erst in Berlin, nachdem Susanne und ich 1994 in eine gemeinsame Wohnung gezogen waren, sah ich Boris wieder, im dritten Stock eines maroden Hauses in der Esmarchstraße, direkt gegenüber von uns. Wir hatten Morgensonne, sein Balkon, über dessen Brüstung sommers wie winters ein zusammengeklappter Wäscheständer ragte, bekam von März oder April an etwas Abendsonne ab.

Wir trafen kurz nach Weihnachten vor dem defekten Leergutautomaten der Extra-Kaufhalle aufeinander. Boris geriet in übertriebene Aufregung, wie ich fand, und lud mich ein, er wollte kochen. Es war eine merkwürdige Situation, als sich danach unsere Wege zwischen den Regalen mehrfach kreuzten und wir nicht wussten, was wir sagen sollten und wortlos in den Einkaufswagen des anderen schielten. Ich dachte damals, dass vielleicht auch der Leergutautomat an seiner Reaktion schuld war, denn dort riecht es noch genauso wie früher bei unserem Altstoffhandel.

Nachdem ich Boris verraten hatte, dass wir ihm direkt in die Fenster blickten, sah ich ihn manchmal, wie er vom Balkon aus zu uns herüberspähte.

 

 

 

 

Ingo__Schulze_
Ingo Schulze (Dresden, 15 december 1962)

 

 

 

 

De Deense dichter en schrijver Klaus Rifbjerg werd geboren op 15 december 1931 in Kopenhagen. Zie ook mijn blog van 15 december 2008.

 

 

Dänemark, Treu

Dänemark kommt
nicht auf Kommando heraus
nee, bleibt ruhig sitzen
in seinem Loch.
"Wuff", sagt's, 
und man lockt:
"Na, komm schon,
komm, komm, komm",
doch Dänemark verzieht sich nur
tiefer in seine Hundehütte.
Da sitzt es nun
und guckt auf Bornholm,
kratzt sich kurz am Skamlingsbanken, 
schnüffelt in Richtung Anholt
und lässt einen Wind streichen
unten bei Fanø.
Wie gewöhnlich regnet es draußen,
warum also sich aufraffen?
Nun,
man will Dänemark bei sich haben
und versucht's noch einmal:
"Komm doch, mein Hündchen,
komm heraus."
Die Antwort ist ein leises Knurren,
oder ist's eine Frage?
"Was hat man mit mir vor?"
Was man vorhat, was soll
man denn vorhaben?
Vielleicht will man dich streicheln,
Dänemark,
vielleicht bekommst du einen Tritt.
Vielleicht machen wir einen Lauf,
eine flotte Tour übern Kleinen Belt, 
was hältst du von einem Sprung nach 
Hindsgavl, dem Schloss,
du weißt,
auf dem Hügel,
die Fahnenstange,
es ist immer Ende Mai,
und dort steht Frantz Wendt,
fünf Schwäne im Arm,
und Dichter spielen Harfe
in einem Pavillon aus Glas, 
und ein Betrunkener steht
am Rand der Brücke,
sucht Halt in der Welt,
gestützt auf einen Strahl Urin,
der ihn mit dem Belt verbindet,
auch er ist ein Dichter,
Dänemark,
hast du nicht Lust, das zu sehen?
Dänemark brummt abermals
und streckt Skagen heraus
und dreht den Hals Barre,
sagt nochmals "Wuff",
aber läst sich dennoch herab
und fragt: "Woruff?"
Ja, das will ich dir sagen, mein Alter,
Dänemark sehen ist eine Freude, 
es darf nur nicht allzu häufig sein, 
doch, sagen wir, jedes dreißigste Jahr
muss Schnuffi raus und sich sehen lassen,
raus und sehen.
Hopphopp, Dänemark,
du sollst dein Bein
bei Kolding anheben
und kräftig bellen,
dass Læsø davonfliegt bis nach Hven.
Komm, alter fauler Fido,
Herrchens Treu,
du musst ein bisschen an die Luft!

 

 

 

Vertaald door Lutz Volke

 

 

 

 

 

klaus-rifbjerg
Klaus Rifbjerg (Kopenhagen, 15 december 1931)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Greshoff werd geboren op 15 december 1888 in Nieuw Helvoet. Zie ook mijn blog van 15 december 2006 en ook mijn blog van 15 december 2007 en ook mijn blog van 15 december 2008.

 

Uit: Spijkers met koppen

 

Geloof en kunst

 

‘Is er niets veranderd?’

Een vriendelijke lezer zendt mij een uitknipsel uit een christelijk-litterair tijdschrift, waarin de schrijver tegen Multatuli van leer trekt, en hij vraagt: ‘is er dan niets veranderd?’ Neen, waarde heer, er is niets veranderd en er zàl niets veranderen zoolang men niet inziet dat kunst in geen enkel direct verband staat met religie, economie, politiek of hygiëne. Al deze verschijnselen maken onmiskenbaar deel uit van ons geestelijk leven. En het geestelijk leven is de grondstof voor het kunstwerk. Maar daarmede is men nog niet aan kunst toe. Zooals men uit marmer een afzichtelijk en van klei een verrukkelijk beeld kan maken, zoo kan men uit het Christendom een slecht en uit het atheïsme een goed boek putten. En omgekeerd.

Wat een kunstwerk goed of slecht maakt, is niet in enkele woorden vast te leggen, maar het heeft in elk geval niets te maken met geloofsbelijdenis of de politieke gezindheid van den maker. Multatuli mag honderdmaal een ‘mauvais esprit’, een ondeugdelijk ambtenaar, een moeilijk echtgenoot, een luchthartig financier geweest zijn - hij mag vreemd zijn gebleven aan alle christelijke en maatschappelijke deugden - hij was, is en blijft niettemin een van onze warmste, geestigste, direktste prozaschrijvers, een vurig kunstenaar, een hartstochtelijke, boeiende, prikkelende persoonlijkheid.

Wat blijft er van onze toch al niet overrijk gestoffeerde litteratuur over, wanneer men X. buitensluit omdat hij niet kerkvast, Y., omdat hij niet geldvast en Z. omdat hij niet stoelvast was?

Goethe is een dichter, Henriëtte Roland Holst is een dichter ... is nu dat niet meer dan voldoende, moeten wij nu ook nog het feit, dat de een Roomsch en de andere Marxist is in onze overwegingen gaan betrekken? Of moet ik Beets als dichter gaan bewonderen omdat hij rechtzinnig en eerbaar was? Geef mij maar Villon, die aan drie galgen had hooren te hangen en dan krijgt gij van mij l'abbé Delille cadeau; geef mij maar Multatuli - met al zijn menschelijke en maatschappelijke gebreken - en ik schenk u, uit de volheid mijns harten, Da Costa, met de Genestet en de Bull op den koop toe.

Het christendom is ongetwijfeld een eerbiedwaardige en edele zaak; en het is mogelijk als christen prachtige litteratuur te maken; maar het is óók mogelijk om dat als mohamedaan, shintoïst of wodansdienaar te doen. Het is altijd het oude liedje: kunst is kunst, autonoom, met haar wetten, doel en bestaansreden in zich zelf, en niet, nooit, een propagandamiddel.

Dit misverstand is de ongeneeslijke ziekte, waardoor onze Nederlandsche litteratuur verkwijnt. U heeft gelijk, mijnheer, leve Multatuli!”

 

 

 

 

 

Gresshoff
Jan Greshoff (15 december 1888 – 19 maart 1971)

Portret door Alfred Krenz

 

 

 

 

De Ierse schrijfster Edna O’Brien werd geboren op 15 december 1930 in Tuamgraney (County Clare). Zie ook mijn blog van 15 december 2008.

 

Uit: Girls In Their Married Bliss

 

“His name was Frank and he was blowing money around the place and telling jokes. I'll repeat one joke so as you'll have an idea how hard up I was. Two men with fishing tackle have an arm around an enormous woman and one says to the other, "A good catch." When people are drunk they'll laugh at anything, provided they're not arguing, or hitting each other.

Anyhow, he drove me home and offered me money - he has a compulsion to offer money to people who are going to say no - and asked if I thought he looked educated. Educated! He was a big, rough fellow with oily hair, and his eyebrows met. So I said to him, "Beware of the one whose eyebrows meet, because in his heart there lies deceit." And sweet Jesus, next time we met he'd had them plucked over his broken nose. He's so thick he didn't understand that the fact they met was the significant thing. Thick. But nice, too. Anybody that vulnerable is nice, at least that's how I feel. Another dinner. Two dinners in one week and a bunch of flowers sent to me. The first thought I had when I saw the flowers was, could I sell them at cut rates. So I offered them to the girls in the bed-sits above and below, and they all said no except one eejit who said yes. She began to fumble for her purse, and I felt so bloody avaricious that I said, "Here's half of them," so we had half each, and when he came to call for me that evening, he counted the number of flowers that I'd stuck into a paint tin, for want of a vase. And you won't believe it, but didn't he go and ring the flower shop to say they'd swindled him. There he was out on the landing phone, yelling into it about how he'd ordered three dozen. Armagh roses and what crooks they were, and how they'd lost him as a customer, and there was I in the room with a fist over my mouth to smother the laughter. "You may not be educated," said I, "but you're a merchant at heart. You'll go far." It ended up with the flower shop saying they'd send more, and they did. I was driven to go out to Woolworth's and buy a two-shilling plastic vase because I knew the paint tin would topple if one more flower was put in.

He didn't propose bed for at least six dinners, and that shook me. I didn't know whether to be pleased or offended. He was blind drunk the night he said we ought to, and my garret was freezing and far from being a love nest. The roses had withered but weren't thrown out, and I had this short bed so that his feet hung out at the bottom. I lay down beside him - not in the bed, just on it - with my clothes on. He fumbled around with my zip and of course broke it, and I thought, I hope he leaves cash for the damage, and even if he doesn I'll have to go to a technical school to learn how to stitch on a zip, it's that complicated. I knew the bed was going to collapse. You always know a faulty bed when you put it to that sort of use. So he got the zip undone and got past my vest - it was freezing - and got a finger or two on my skin, just around my midriff, which was beginning to thicken because of all the big dinners and sauces and things. I reckoned I ought to do the same thing, and I explored a bit and got to his skin, and the surprising thing was, his skin was soft and not thick like his face. He began to delve deeper, very rapacious at first, and then he dozed off. That went on for a while - him fumbling, then dozing - until finally he said, "How do we do it?" and I knew that was why he hadn't made passes sooner. “

 

 

 

 

Obrien
Edna O’Brien (Tuamgraney, 15 december 1930)

Geschreven door Romenu om 20:33 1 reactie Reageer op dit bericht

Hans Carossa, François de La Rochefoucauld, Nicolas Gilbert, Maxwell Anderson, Muriel Rukeyser

De Duitse dichter en schrijver Hans Carossa werd geboren op 15 december 1878 in Bad Tölz. Zie ook mijn blog van 15 december 2006  en ook mijn blog van 15 december 2007 en ook mijn blog van 15 december 2008.

 

 

 

Gartentag

 

Von unsern Zitterpappeln fliegt noch immer

Der Samenflaum, das Gras ist wie verschneit.

Ein Rittersporn versendet seinen Schimmer,

Als käme eine Frau in blauem Kleid.

 

Am Brunnenrand berühren sich die Schatten,

Das erste Dunkel nistet im Geheg.

Noch fehlt uns viel: komm, fügen wir die Platten

Von hellem Schiefer in den neuen Weg,

 

Der bei den Fliederbüschen dort im Bogen

Zum Gitter führt! Bald werden wir ihn gehn

Und über flimmernden Getreidewogen

Das ferne Kuppelgrün der Stromstadt sehn.

 

O langer Gartentag! Duftender Abend,

Halbfertiges Beet, noch ohne Form und Flor –

Wie wohl wird uns! Die schwere Erde grabend

Bereiten wir den Traum der Jahre vor.

 

 

 

 

 

 

carossa_hans
Hans Carossa (15 december 1878  - 13 september 1956)

 

 

 

 

De Franse schrijver François de La Rochefoucauld werd geboren op 15 december 1613 in Parijs. Zie ook mijn blog van 15 december 2006 en ook mijn blog van 15 december 2008.

 

Uit: Maximes

 

«On aime à deviner les autres, mais l'on n'aime pas à être deviné.»

 

«Notre amour-propre souffre plus impatiemment la condamnation de nos goûts que de nos opinions.»

 

«Les passions sont les seuls orateurs qui persuadent toujours.»

 

 

 

 

rochefoucauld
François de La Rochefoucauld (15 december 1613 - 17 maart 1680)

 

 

 

 

 

De Franse dichter Nicolas Gilbert werd geboren in Fontenoy-le-Château (Vosges) op 15 december 1750. Zie ook mijn blog van 15 december 2008.

 

 

L'univers est un temple...

 

L'univers est un temple où l'on voit l'injustice
Se targuer sur l'autel, un sceptre dans la main.
La modeste vertu, victime du dédain ;
Y marche l'oeil baissé devant l'éclat du vice ;
Et les pâles talents, couchés sur des grabats,
Y veillent consumés, par la faim qui les presse,
Tandis que, s'égayant, chantant dans la paresse,
L'ignorance au teint frais s'endort dans le damas. [...]
Quand le teint du soleil s'obscurcit de pâleur,
Quand tout autour de moi respire la tristesse,
Mon coeur est soulagé, je sens moins mon malheur ;
Je crois que la nature à mon sort s'intéresse ;
Je crois que, courroucé d'avoir vu les humains
Refuser des secours à mes tristes destins,
Le ciel ne daigne pas leur prêter sa lumière...
Ou plutôt il me semble, et j'en suis consolé,
Que tout est comme moi plaintif et désolé.
J'aime à me retracer ma nouvelle carrière :
Mon lit sera la feuille, un antre ma chaumière,
L'herbe ma nourriture, et l'onde ma boisson,
Mes plaisirs l'innocence, et mon bien la raison. [...]

 

 

 

 

N__Gilbert
Nicolas Gilbert (15 december 1750 – 16 november 1780)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver en songwriter Maxwell Anderson werd geboren op 15 december 1888 in Atlantic Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 15 december 2008.

 

 

September Song

 

Well, it's a long, long time

From May to December.

But the days grow short,

When you reach September.

And the autumn weather

Turns the leaves to gray

And I haven't got time

For the waiting game.

 

And the days dwindle down

To a precious few

September, November

And these few precious days

I spend with you.

These precious days

I spend with you.

 

 

 

 

 

Anderson
Maxwell Anderson ( 15 december 1888 – 28 februari 1959)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en politiek activiste Muriel Rukeyser werd geboren op 15 december 1913 in New York. Zie ook mijn blog van 15 december 2008.

 

The Conjugation of the Paramecium    

 

This has nothing

to do with

propagating

 

The species

is continued

as so many are

(among the smaller creatures)

by fission

 

(and this species

is very small

next in order to

the amoeba, the beginning one)

 

The paramecium

achieves, then,

immortality

by dividing

 

But when

the paramecium

desires renewal

strength another joy

this is what

the paramecium does:

 

The paramecium

lies down beside

another paramecium

 

Slowly inexplicably

the exchange

takes place

in which

some bits

of the nucleus of each

are exchanged

 

for some bits

of the nucleus

of the other

 

This is called

the conjugation of the paramecium.

 

 

 

 

MurielRukeyser

Muriel Rukeyser (15 december 1913 – 12 februari 1980)

Geschreven door Romenu om 20:31 Reageer op dit bericht

P. C. Hooftprijs 2010 voor Charlotte Mutsaers

De Nederlandse schrijfster en schilderes  Charlotte Mutsaers krijgt de P.C. Hooftprijs 2010 voor proza. De 67-jarige auteur van romans als Koetsier herfst en Rachels Rokje is de eerste vrouw sinds Hella Haasse (1983) die de prijs voor proza krijgt. Zie ook mijn blog van 2 november 2009.

 

Uit:  Koetsier Herfst

 

“De dag na mijn vijftigste verjaardag droomde ik dat ik gewurgd werd. Ik wou de wurgende handen losmaken van mijn nek maar dat ging niet, het waren de handen van mijzelf. Toen heb ik gedacht: ik leef verkeerd. Als ik zo doorga, verknal iik gegarandeerd mijn hele toekomst.
Nog geen uur later ben ik mijn geluk gaan zoeken in het Vondelpark. En blijkbaar was ik erg gemotiveerd want ik had het in no time gevonden.
Ach, als geluk toch eens iets blijvends was. Maar wacht, laat ik me eerst even voorstellen.

Gegroet lezer. Ik draag geen pacemaker, ik voel overal nattigheid, ik draag altijd pyjama’s in bed, mijn zwarte haar wordt nog nauwelijks grijs, ik zwem in oud geld en ontbeer dus diplomatie en handelsgeest, ik voel me van geen enkel dier de meerdere, ik ben van mening dat Jorma Ollila een van de grootste denkers is van deze tijd, ik heb een vrouw bemind die wegliep met Bin Laden, mijn heftigste angst is bij mijn dood door niemand omringd te zijn, mijn beroep is schrijver en ik heet MauriceMaillot. Aangenaam.

Mijn ouders behoorden tot de eerste prisoners of compassion. Ik hield zielsveel van ze maar heb ze helaas niet anders gekend dan in het gevang. Ze hadden levenslang omdat ze in de zomer van 1953 het Duitse circus Kalthoff hadden opgeblazen. Het ging om een nijlpaard. Zijn naam was Benkali. De circusdirectie wou van hem af omdat hij vanwege zijn vergevorderde leeftijd geen kunstjes meer kon vertonen, en had zijn bassin opgewarmd tot meer dan honderd graden. Zo werd Benkali levend gekookt en kon Kalthoff een forse poet van de verzekering incasseren.
Bij deze aanslag kwamen eenenzestigmensen om. Spijt hebben mijn ouders nooit betuigd. Al hun medeleven is naar het nijlpaard uitgegaan.
Ik was nog maar net geboren. Mijn familie wou toen niets meer van me weten en transporteerde me met wieg en al naar Ruud en Agaath van Zanten-Kolf, een kinderloos patriciërsechtpaar in de Amsterdamse Lomanstraat.
Voor het leven getekend maar wel met een bankrekening.

Zodra ik groot genoeg was, mocht ikmee naar de gevangenis. Dan zei ik: ‘Dag Pappa, dag Mamma, hier ben ik. ’Maar zijzelf waren er niet, dat wil zeggen, er was haast niets meer van ze over. Achter het glas troonden twee geslachtloze schimmen met de armen omelkaar heen, een zwijgzaamrotsblok vanmedeplichtigheid. Het enige wat er nog uitkwam was: ocharmen.
Toch is het dit rotsblok geweest dat mij nog kracht en levensmoed heeft geschonken. Omdat ik merkte dat het ommij gaf, dat hetmetmemeeleefde, dat het zich hoe dan ook ommij bekommerde. Een rotsblok blijft niettemin een rotsblok.
Het is hard.“

 

 

 

 

MUTSAERS

Charlotte Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942)

Geschreven door Romenu om 20:27 Reageer op dit bericht

Simone van der Vlugt

De Nederlandse schrijfster Simone van der Vlugt werd geboren in Hoorn op 15 december 1966.

Geïnspireerd door Kruistocht in Spijkerbroek (1974) van Thea Beckman (1923-2004) stuurde zij op haar dertiende voor het eerst manuscripten voor historische verhalen naar een uitgever. Die wees haar werk af, maar raadde haar aan om door te gaan met schrijven. Ze ging Nederlands en Frans studeren aan de lerarenopleiding in Amsterdam, waar ze onder meer les kreeg in jeugdliteratuur en creatief schrijven. Na haar studie ging ze fulltime werken als secretaresse bij een bank en schreef ze in de avonduren aan een verhaal over de heksenvervolging, De amulet, waarmee ze in 1995 debuteerde bij de Rotterdamse uitgeverij Lemniscaat. Het boek werd getipt door de Nederlandse Kinderjury. Een reeks historische jeugdboeken voor de leeftijdscategorie 13+ volgde. In het najaar van 2004 debuteerde ze met De reünie als schrijfster van volwassenenliteratuur. Daarbij liet ze zich inspireren door de literaire thrillers van Nicci French. In 2005 verscheen Schaduwzuster en in 2007 Het laatste offer.

 

Uit: De bastaard van Brussel

„Hij ligt op het keiharde bed en kan niet slapen: zijn lichaam is verkrampt van de kou.
Zijn celgenoot ligt zachtjes te zingen, iets religieus, en het geruststellende geluid van een stem vlak bij hem voorkomt dat Crispijn verpletterd wordt door duisternis, stilte en paniek. Hij ligt op zijn zij, staart naar de kille, afwerende muur naast hem en laat zich meevoeren door het zachte gezang. Het zou troostend kunnen werken als de angst in de stem van de man niet zo duidelijk hoorbaar was.
Hoeveel ketters, of vermeende ketters, liggen hier in de duisternis bijeen, van elkaar gescheiden door vochtige muren? Niets verstoort de stilte van de nacht, op druk geritsel en getrippel na waar Crispijn liever niet te lang bij stilstaat.
Vlak voor hij besloot te gaan slapen, was zijn celgenoot naar hem toe geschuifeld en had hem een stuk brood gegeven.
`Eet het niet op, ’ had hij gezegd. `Bewaar minstens de helft en leg het naast je, op je brits.’
`Waarom?’
`Dat zul je wel merken.’
Op de tast zoekt Crispijn het stuk brood en eet het op – alles. Als die vent denkt dat hij zich zo gemakkelijk laat bestelen, is hij niet goed wijs. Hij gaat op zijn rug op zijn bed liggen en staart naar de hanenbalken boven zijn hoofd. Hij denkt aan Eva en die gedachte vrolijkt hem niet op. Is ze ontkomen of zit ze hier ook ergens in het Broodhuis? Een kind van elf… Het zou niet voor het eerst zijn. En Hans? Wat is er met Hans gebeurd?
Hij sluit zijn ogen en dwingt zijn gedachten een andere kant op – maar zoveel kanten zijn er niet.“

 

 

 

 763159-271d3869f45aa84cd6a9e9608140f142.jpg

Simone van der Vlugt (Hoorn,15 december 1966)
Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Gerard Reve, Boudewijn Büch, Hervé Guibert, Paul Eluard

De Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve werd op 14 december 1923 in Amsterdam geboren. Zie ook mijn blog van 14 december 2006 en mijn blog van 8 april 2007 en ook mijn blog van 14 december 2007 en ook mijn blog van 14 december 2008.

 

Uit: Gerard Reve Verzameld Werk deel 6

 

Een mooi feest

 

" Ik heb Kerstmis altijd een mooi feest gevonden, maar ook een erg treurig feest. daaraan moet ik wel toevoegen, dat ik geen feest ken, dat niet een treurig feest is.

Over Kerstmis heb ik zelden of nooit iets gelezen, dat niet om de zaak waar het om gaat, dom, handig of huichelachtig heendraaide.

Ik vat de Schrift ernstig op, maar niet letterlijk, en ik acht het vasthouden aan de historiciteit van het evangelie -zoals eertijds aan die van het paradijsverhaal- een ernstige bedreiging van het voortbestaan van het christendom. Wel buig ik mij voor het Mysterie van de onmetelijke en levendmakende waarheid, die in het evangelieverhaal wordt vertolkt.

Het verhaal leert ons, dat de menswording geen geringe opdracht is; dat, wanneer de Waarheid geboren moet worden er voor haar geen plaats is, noch in een huis, noch in een zo onpersoonlijk verblijf als een logement: de bevalling moet plaatsvinden in een stal, in aanwezigheid van de twee nederigste en meest onderworpen dieren. Ik acht het van nog diepere betekenis, dat deze Geboorte bovendien onwettig is en dat God geboren moet worden uit een ongehuwde moeder.

Of de duisternis het Licht ooit zal begrijpen, daaraan moet ik diep en bitter twijfelen. Maar wel geloof ik in het Licht dat schijnt in de duisternis, in alle eeuwigheid."

 

 

Uit: Brief door tranen uitgewist

 

‘Waar was de Meedogenloze Jongen op dit ogenblik? Ik bleef staan. Opeens zag ik hem liggen, en dat was het wonderlijke: in een kleine kaki tent, in de tuin van zijn paleis. Ik zag verder niemand. Eén van de helften van de voorhang van het tentje was opgeslagen, en daardoor kwam het, dat ik hem duidelijk kon zien liggen, in zijn deken gerold, op het grondzeiltje, en zonder matras. Er was een teer, roerloos licht van een stormlampje, dat heel laag brandde. Eén van zijn armen was bloot, en zijn hoofd was iets opzij gezakt, half weggegleden van de opgerolde trui die hem tot kussen diende. Zijn wimpers waren neergeslagen en hij sliep, zijn mond iets geopend. Wat kon het betekenen dat hij, de Meedogenloze Jongen, nu zelf even weerloos was als iedere jongen, die hij onderwierp en bezat? Zijn tent was onder de mensen. Het liet zich niet bevatten, want het was het Misterie aller misteriën, woordloos, maar toch zou ik het aan alle koningen, tongen en natiën moeten verkondigen, zo lang als ik nog adem had en leefde.’

 

 

 

 

Reve
Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006)  

 

 

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en televisiemaker Boudewijn Maria Ignatius Büch werd geboren op 14 december 1943 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 14 december 2006 en ook mijn blog van 14 december 2007 en ook mijn blog van 14 december 2008.

 

Uit: De geopiaceerde wereld van Willem Bilderdijk

 

“Goethe (1749-1832, dus bijna een volmaakt synchrone tijdgenoot van Bilderdijk) - óók een gebruiker van opiaten en andere drogerende middelen - verschilt hevig van Bilderdijk, wiens buurman hij bijna was tijdens zijn ballingschap te Duitsland. Was Goethe vaak werkelijk doodziek, Bilderdijk's ziek-zijn was pathografisch voor een groot gedeelte niet verder aantoonbaar dan de klacht zelf. Het ziek-zijn en het ‘lijden’ van Bilderdijk was (én is) literair zeer reëel. Het ziek-zijn is Bilderdijk's poëzie.

Bilderdijk's religieus fanatisme - dat zekere Tweede Kamerleden ter rechterzijde bijkans tot vrijdenkers maakt - kan, zo laat het zich aanzien, voor een groot gedeelte verklaard worden uit de bovenzinnelijke roezen die de dichter onder invloed van het opium uitzat. Schreef hij niet ooit in zijn gedicht Uitspanning: ‘God schonk me een beter opiaat’? God als drug! Karl Marx zou plezier aan deze sententie hebben beleefd. Was hij immers niet de schrijver van de dooddoener: ‘Godsdienst is opium van het volk?’

Opiumgebruik leidt niet zelden tot een mystieke godsbeleving - zoals in het geval-Novalis - en tot spijsverteringskwalen (‘'t gruwzaamst windbeklemmen’, bijvoorbeeld, bij Bilderdijk in diens Ziekte), tot hypochondrie, tot hypomanie en tot veelschrijverij. Zo ook bij Bilderdijk. De dichter heeft ons een gigantisch oeuvre nagelaten. Het is ‘dromerig’ van aard. Vaak ook drijverig en vooral teveel. Druggebruik levert grofgenomen twee soorten (typologieën) van gebruikers op. De gebruiker die lethargisch wordt en niets-doende terneerzit. En de gebruiker - die wij in de moderne literatuur ook nog wel eens tegenkomen - die tot veelschrijverij vervalt en aan wie elke zelfkritiek ontnomen lijkt.

Een gebruiker klaagt. Lamenteert de huidige gebruiker hoofdzakelijk over het gebrek aan heroïne - en in de meer bijzondere zin over het gemis van geld daar het opiaat, heroïne, vanwege zijn illegaliteit zeer kostbaar is - Bilderdijk klaagde over alles behalve het verkrijgbaarheidsaspect. De dichter leefde dan ook in die benijdenswaardige eeuw waarin het opiaat vrij en gemakkelijk te verkrijgen was.

Eens schreeuwde zijn zoontje Ursinus te hard. Het kind wilde niet slapen. Het kan aannemelijk worden gemaakt dat Bilderdijk-zelf de dienstmeid opdracht gaf de kleine jongen opium te geven. Het kind stierf aan een overdosis, en de poëtische vader zong: ‘Ja, 'k offerde U dit kind, blijmoedig zonder weenen.’ De door de opium omgekomen jongen werd geofferd aan dat andere opiaat, zich noemende God. Dat Bilderdijk's (poëtische) theorie, uiteengezet in de titel van het rouwgedicht voor de nauwelijks éénjarige Ursinus, die luidt: Nagedachtenis van mijn zoontjen Ursinus, door een heimelijk ingegeven slaapmiddel omgebracht uiterst onwaarschijnlijk is, zou ik met het volgende willen aantonen. Bilderdijk veinsde nooit ergens schuldig aan te zijn; terwijl hij (aantoonbaar) aan bijna alle treurigheid in zijn leven - door welke doem dan ook - juist zélf schuldig was. De druggebruiker ziet overal heimelijkheden en complotten in, terwijl hij er meestal zelf, als geen ander, oorzaak en aanleiding toe is. Dat Bilderdijk alle mogelijke moeite deed om zijn nakomelingschap niet tot zijn overlast te doen zijn, kan omstandig in zijn werken en uit zijn leven worden aangetoond.”

 

 

 

 

BoudewijnBuch
Boudewijn Büch (14 december 1943 – 23 november 2002)

 

 

 

 

De Franse schrijver Hervé Guibert werd geboren op 13 december 1955 in Saint-Cloud. Zie ook mijn blog van 14 december 2008.

 

Uit: Verrückt nach Vincent (Fou de Vincent, vertaald door J. Schlegel)

 

“Der erste Satz, den ich über ihn geschrieben habe, am Ende des Abends, an dem ich ihn kennenlernte: «Unter den Kindern will ich zu demjenigen gehen, dessen Reiz der verborgenste ist, und ich will ihm die Leberflecken im Antlitz abküssen, alle Muttermale seiner Hüften und seines Nackens.» Die letzte Nacht versuchte er eine geschlagene Stunde lang, in mich reinzukommen, auf dem Bauch, seitlich, mit Creme, ich rücklings unter ihm, mit einer anderen Creme, mit dem Öl, das ich für ihn aus der Küche holen mußte, im Stehen nicht, er ist zu klein. Ich wollte einen Präser, er war rosa und besaß ein Reservoir; als ich ihn aus seiner Verpackung schob, um ihn ihm überzustreifen, fragte ich: «Hat es einen Sinn?» Er sagte: «Man erschrickt ja geradezu, wie du dich da auskennst!» Er wollte den Präser abziehen, sagte: «Du hast echt Schiß, Aids zu kriegen, was?» Ich entschuldigte mich pausenlos, gab vor, daß mein Hintern zu eng sei, zu trocken. Ihm stand er nicht richtig. Einmal – er lag über mir und hatte meine Beine gepackt, um sie mit seinen Schultern hochzuhalten – flüsterte er: «Drück dich hoch!» Jetzt nur keinen Krampf bekommen, ich war ein Schlangenmensch geworden. Er stöhnte, er war drin, er suchte meinen Mund, seine Zunge stieß hinein, ich hatte den Eindruck, die Frau zu sein, mit der er schlief. Er küßte mich ein zweites Mal, hatte einen ganz trockenen Mund, sein Speichel tränkte mich, dieses kostbare Gut, das er auf der Straße ausspuckt.

Seltsam, an einem Buch weiterzuschreiben, das man schon vor einem halben Jahr seinem Verleger ausgehändigt hat, dessen Vertrag unterzeichnet ist: es auf fliegende Blätter zu schreiben, nicht abzutippen, und diese fröhlichen oder traurigen Seiten nach und nach dem Verleger zu überbringen oder zu schicken, eine Art, die Distanz zwischen sich und dem Buch zu verringern, noch näher an ihm zu sein, noch tiefer in seinem Innern, so, als ob man unmittelbar hineinschriebe in das Buch.

Als er erfuhr, daß ich den Brief dann doch geöffnet hatte, den Pierre ihm an meine Adresse geschrieben hatte, kein Vorwurf, sondern nur: «Jetzt weiß ich, daß du nicht ganz richtig bist.»

 

 

 

 

 

guibert1
Hervé Guibert (14 december 1955 – 27 december 1991)

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Paul Eluard werd geboren op 14 december 1895 in Saint Denis. Zie ook mijn blog van 14 december 2006 en ook mijn blog van 14 december 2008.

 

 

Dit de la force de l'amour

 

Entre tous mes tourments entre la mort et moi

Entre mon désespoir et la raison de vivre

Il y a l'injustice et ce malheur des hommes

Que je ne peux admettre il y a ma colère

 

Il y a les maquis couleur de sang d'Espagne

Il y a les maquis couleur du ciel de Grèce

Le pain le sang le ciel et le droit à l'espoir

Pour tous les innocents qui haïssent le mal

 

La lumière toujours est tout près de s'éteindre

La vie toujours s'apprête à devenir fumier

Mais le printemps renaît qui n'en a pas fini

Un bourgeon sort du noir et la chaleur s'installe

 

Et la chaleur aura raison des égoïstes

Leurs sens atrophiés n'y résisteront pas

J'entends le feu parler en riant de tiédeur

J'entends un homme dire qu'il n'a pas souffert

 

Toi qui fus de ma chair la conscience sensible

Toi que j'aime à jamais toi qui m'as inventé

Tu ne supportais pas l'oppression ni l'injure

Tu chantais en rêvant le bonheur sur la terre

Tu rêvais d'être libre et je te continue.

 

 

 

 

Certitude 

 

Si je te parle c'est pour mieux t'entendre

Si je t'entends je suis sûr de te comprendre

 

Si tu souris c'est pour mieux m'envahir

Si tu souris je vois le monde entier

 

Si je t'étreins c'est pour me continuer

Si nous vivons tout sera à plaisir

 

Si je te quitte nous nous souviendrons

En te quittant nous nous retrouverons. 

 

 

 

 

 

 

paul_eluard1
Paul Eluard (14 december 1895 - 18 november 1952)

Geschreven door Romenu om 20:34 Reageer op dit bericht

Andreas Mand, Shirley Jackson, Charles Wolfe, Helle Helle, Marianne Fritz, Regina Ullmann

De Duitse schrijver Andreas Mand werd geboren op 14 december 1959 in Duisburg. Zie ook mijn blog van 14 december 2008.

 

Uit: Vaterkind

 

"Ich dachte, daß es mein erstes gutes Lied war, das nicht über meine große, unglückliche Liebe ging. Und dann, daß es genaugenommen auch um eine unglückliche Liebe ging. Ich saß in seinem Auto, nicht weit vom Kurmittelhaus, Bad Irgendwo im Rothaargebirge, und hörte das Lied, das die Situation, in der er war - und ich mit ihm - in großer Genauigkeit beschrieb. Ich hatte es nur schreiben können, weil er nichts davon wußte. Ich konnte es nur hören, weil er nicht dabei war. Es gab mir Kraft und Identität. Ich konnte zu ihm zurückkehren und ihn unterstützen. Ich konnte, wenn er mich brauchte, sein Sohn sein."

 

 

 

 

Mand
Andreas Mand (Duisburg, 14 december 1959)

 

 

 

De Amerikaans schrijfster Shirley Jackson werd geboren in San Francisco op 14 december 1919. Zie ook mijn blog van 14 december 2008.

 

Uit: What a thought

 

“Dinner had been good; Margaret sat with her book on her lap and watched her husband digesting, an operation to which he always gave much time and thought. As she watched he put his cigar down without looking and used his free hand to turn the page of his paper. Margaret found herself thinking with some pride that unlike many men she had heard about, her husband did not fall asleep after a particularly good dinner.
She flipped the pages of her book idly; it was not interesting. She knew that if she asked her husband to take her to a movie, or out for a ride, or to play gin rummy, he would smile at her and agree; he was always willing to do things to please her, still, after ten years of marriage. An odd thought crossed her mind: She would pick up the heavy glass ashtray and smash her husband over the head with it.
"Like to go to a movie?" her husband asked.
"I don't think so, thanks," Margaret said. "Why?"
"You look sort of bored," her husband said.
"Were you watching me?" Margaret asked. "I thought you were reading."
"Just looked at you for a minute." He smiled at her, the smile of a man who is still, after ten years of marriage, very fond of his wife.
The idea of smashing the glass ashtray over her husband's head had never before occurred to Margaret, but now it would not leave her mind. She stirred uneasily in her chair, thinking: what a terrible thought to have, whatever made me think of such a thing? Probably a perverted affectionate gesture, and she laughed.
"Funny?" her husband asked.
"Nothing," Margaret said.”

 

 

 

 

 

shirley_jackson
Shirley Jackson (14 december 1919 – 8 augustus 1965)

 

 

 

 

De Ierse dichter Charles Wolfe werd geboren op 14 december 1791 in Blackhall, County Kildare. ook mijn blog van 14 december 2008.

 

 

Oh say not that my heart is cold 

 

Oh say not that my heart is cold

To aught that once could warm it -

That Nature's Form so dear of old

No more has power to charm it;

Or that th' ungenerous world can chill

One glow of fond emotion

For those who made it dearer still,

And shared my wild devotion.

 

Still oft those solemn scenes I view

In rapt and dreamy sadness;

Oft look on those who loved them too

With Fancy's idle gladness;

Again I longed to view the light

In Nature's features glowing;

Again to tread the mountain's height,

And taste the soul's o'erflowing.

 

Stern Duty rose, and frowning flung

His leaden chain around me;

With iron look and sullen tongue

He muttered as he bound me -

'The mountain breeze, the boundless heaven,

Unfit for toil the creature;

These for the free alone were given, -

But what have slaves with Nature?'

 

 

 

 

Wolfe
Charles Wolfe (14 december 1791 – 21 februari 1823)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 14 december 2008.

 

De Deense schrijfster Helle Helle werd geboren als Helle Krogh Hansen in Nakskov op 14 december 1965.

 

De Oostenrijkse schrijfster Marianne Fritz werd als Marianne Frieß geboren op 14 december 1948 in Weiz in de Steiermark.


De Oostenrijks – Zwitserse schrijfster Regina Ullmann werd op 14 december 1884 in St. Gallen geboren.

Geschreven door Romenu om 20:31 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten