Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 15 december 2009 tot 16 december 2009

Adriaan van Dis, Jane Austen, Adriaan van der Veen, Noël Coward, Tip Marugg

De Nederlandse schrijver en televisiemaker Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zie ook mijn blog van 16 december 2006 en ook mijn blog van 16 december 2007 en ook mijn blog van 16 december 2008.

 

Uit: De wandelaar

 

“Mulder wandelde met zijn hond en stond stil onder het lichtgroene dak van een tot parasol gesnoeide plataan. Wat met de mensen niet lukte, leefde de stad uit op haar parken. De voorstad mocht branden, op het gazon werd niet gelopen. Niets werd er beter bewaakt, omheind en verzorgd dan dat. Mulder zag alleen de netheid.

En zijn hond?

Die sprong op de heuphoge muur die het park omringt om zijn baas recht in de ogen te kunnen kijken. Ze liepen even hoog met elkaar op. Wang tegen wang. Het leek of de hond hem iets wou zeggen. Maar Mulder keerde zich van hem af. En ook ’s avonds op bed ontweek hij die sprekende ogen aan het voeteneind en gooide hij een deken over zijn kop. De hond schudde zijn blinddoek telkens af en bleef kijken. Mulder kon er niet van slapen. Hij verborg zich achter een boek, maar kon geen letter lezen door het gehijg achter de kaft; hij trok een fles wijn open, smeerde toastjes, dacht aan zijn cholesterol en voerde de helft op aan zijn hond. Daar werden ze allebei zo wakker van, dat er een tweede fles aan moest geloven – een loodzware bordeaux. En de nacht bleef maar duren.    

‘Wat wil je van me?’ riep hij ten einde raad.

De hond zweeg.”

 

 

 

VanDis
Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijfster Jane Austen werd geboren op 16 december 1775 in Steventon, Hampshire. Zie ook mijn blog van 16 december 2006 en ook mijn blog van 16 december 2007   en ook mijn blog van 16 december 2008.

 

Uit: Lesley Castle

 

“MY Brother has just left us. "Matilda" (said he at parting) "you and Margaret will, I am certain, take all the care of my dear little one, that she might have received from an indulgent, an affectionate, an amiable Mother." Tears rolled down his cheeks as he spoke these words -- the remembrance of her, who had so wantonly disgraced the Maternal character and so openly violated the conjugal Duties, prevented his adding anything farther; he embraced his sweet Child and after saluting Matilda & Me, hastily broke from us and seating himself in his Chaise, pursued the road to Aberdeen. Never was there a better young Man! Ah! how little did he deserve the misfortunes he has experienced in the Marriage state. So good a Husband to so bad a Wife! for you know, my dear Charlotte, that the Worthless Louisa left him, her Child & reputation a few weeks ago in company with Danvers & dishonour.* Never was there a sweeter face, a finer form, or a less amiable Heart than Louisa owned! Her child already possesses the personal charms of her unhappy Mother! May she inherit from her Father all his mental ones! Lesley is at present but five and twenty, and has already given himself up to melancholy and Despair.

...Matilda and I continue secluded from Mankind in our old and Mouldering Castle, which is situated two miles from Perth on a bold projecting Rock, and commands an extensive view of the Town and its delightful Environs. But tho' retired from almost all the World (for we visit no one but the M'Leods, the M'Kenzies, the M'Phersons, the M'Cartneys, the M'donalds, The M'Kinnons, the M'lellans, the M'Kays, the Macbeths and the Macduffs), we are neither dull nor unhappy; on the contrary there never were two more lively, more agreable, or more witty Girls than we are; not an hour in the Day hangs heavy on our hands. We read, we work, we walk and when fatigued with these Employments releive our spirits, either by a lively song, a graceful Dance, or by some smart bon-mot, and witty repartée. We are handsome, my dear Charlotte, very handsome and the greatest of our Perfections is, that we are entirely insensible of them ourselves. But why do I thus dwell on myself? Let me rather repeat the praise of our dear little Neice, the innocent Louisa, who is at present sweetly smiling in a gentle Nap, as she reposes on the Sofa. The dear Creature is just turned of two years old; as handsome as tho' 2 & 20, as sensible as tho' 2 & 30, and as prudent as tho' 2 & 40. To convince you of this, I must inform you that she has a very fine complexion and very pretty features, that she already knows the two first letters in the Alphabet, and that she never tears her frocks. -- If I have not now convinced you of her Beauty, Sense, & Prudence, I have nothing more to urge in support of my assertion, and you will therefore have no way of deciding the Affair but by coming to Lesley Castle, and by a personal acquaintance with Louisa, determine for yourself.“

 

 

 

 

youngjane
Jane Austen (16 december 1775 – 18 juli 1817)

Geschilderd op 14-jarige leeftijd

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Adriaan van der Veen werd geboren op 16 december 1916 in Schiedam. Zie ook mijn blog van 16 december 2006 en ook mijn blog van 16 december 2008.

 

Uit: Wennen aan vrijheid

 

“Het was niet helemaal waar. Ik had aan boord wel degelijk onderscheid gevoeld. Onschuld is ook afwezigheid van elke richtlijn. Daardoor was ik heen en weer geslingerd, maar zonder te kiezen, boven de partijen uit, alleen waarnemend, aanvaardend wat ik kon gebruiken zonder ooit verband te leggen. Dat is mij nu pas duidelijk geworden. Ik hoor hen weer door de afstand van de tijd met zware brouwgeluiden elkaar in het Engels aanspreken, bewust hun moedertaal verloochenend om dan af en toe met gedempte stem toch in het Duits terug te vallen. Ik zie hen weer aan het begin van hun lange tocht naar de vrijheid, geduldig opschuivend naar hun beurt in de tochtige paspoortkantoren. Uren hadden zij gezeten in de koude gangen te Parijs, Londen, Luxemburg, Antwerpen, Rotterdam, de ogen gericht op het loket, glimlachend, buigend, dank mompelend als zij weg gingen. Er werd verteld over stadjes in neutrale landen waar zulke goede vluchtelingenkampen waren. Kleine kinderen spraken Duits, Engels, Frans door elkaar, zij hadden al met Duitsland afgerekend.

Een schip topzwaar van uitgestotenen, waar de vluchtelingen met alle neerbuigendheid van Hollanders die een rijk en onafhankelijk land achter zich wisten, door de stewards werden bediend. Zij stalden bij de maaltijden grote stukken vlees uit voor een oude vrouw met een haviksneus en verschrikt dichtgeknepen ogen. Velen liepen tijdens het eten weg, anderen bleven dagen in hun hut. De saus, het vet, de kip, het vlees, voor de welgedane Hollander een achtergrond voor zijn dikke sigaar, deden hen in elkaar krimpen. De schoolmeester met halve brillenglazen en een bescheiden kuif van gladgestreken dof haar, Duits gebleven tot in zijn bevelende kraakstem die men alleen per vergissing nog een enkele keer hoorde uitschieten, lachte schuldig tegen de bediende over zijn gebrek aan eetlust. En de jongen, die de eerste dagen aan tafel verscheen met zijn jas aan en zijn ronde hoedje op, alsof hij elk ogenblik met een homp brood in zijn hand wilde wegrennen, hield het hoedje, dat de hofmeester hem verontwaardigd van het hoofd had gerukt, nu verborgen op zijn knieën. 's Avonds overhoorden zij elkaar uit Englisch in Tausend Worten en zij luisterden met sentimenteel gesloten ogen naar iemand aan de piano die alle Duitse liedjes van Rhein und Wein zong. Maar toen een steward een ogenblik het Horst Wessellied liet klinken, bestormden zij de radio en mokten uren in een hoek na.

Eerst hield ik mij afzijdig, mij voorzichtig wennend aan de vrijheid, die ik in de beslotenheid van het schip van uur tot uur proefde. Ik wijdde geen ogenblik aandacht aan het verleden, dat opgeheven scheen, evenmin aan de toekomst, maar genoot van het moment, dat ik toch nog door een waas onderging, zodat toen bij de Engelse kust een vliegtuig plotseling laag overvloog en de mensen ontsteld wegdoken, ik alleen maar, zittend in de zon, mijn ogen een ogenblik dichtkneep, luisterend naar het gegons dat in de verte verdween.“

 

 

 

 

adriaan-van-der-veen
Adriaan van der Veen (16 december 1916 – 7 maart 2003)

Portret door Siegfried Woldhek

 

 

 

 

De Engelse schrijver en songwriter Noël Coward werd geboren op 16 december 1899 in Teddington, Londen. Zie ook mijn blog van 16 december 2006 en ook mijn blog van 16 december 2008.

 

 

Mad about the boy

 

I'm mad about the boy

And I know it's stupid to be mad about the boy

I'm so ashamed of it but must admit the sleepless nights I've had

About the boy

 

Mmmm on the silverscreen

He melts my foolish heart in every single scene

Although I'm quite aware that here and there are traces of the kid

About the boy

 

Lord knows I'm not a fool-girl

I really shouldn't care

Lord knows I'm not a school-girl

Who's in the flurry of her first affair

 

Will it ever cloy

This odoversity of misery and joy

I'm feeling quite insane and young again

And all because I'm mad about the boy

 

I'm feeling quite insane and young again

And all because I'm mad..

 

About the boy!

 

 

 

 

 

noel-coward
Noël Coward (16 december 1899 - 26 maart 1973)

 

 

 

 

 

De Antilliaanse dichter en schrijver Tip Marugg werd geboren op 16 december 1923 in Willemstad, Curaçao. Zie ook mijn blog van 16 december 2006 en ook mijn blog van 16 december 2008.

 

Uit: Weekendpelgrimage

 

„Van de tamboer- en oogstdansen; van de opoffering van zwarte, mannelijke dieren aan de aard- en brongeesten; van de grote scholen kleine vissen aan de kust die het begin van de regentijd aankondigen; van slaapwandelaars, die alleen bij volle maan hun bed verlaten en ronddolen; van de huishonden die, wanneer iemand gaat sterven, tot diep in de nacht blijven janken tegen de wassende maan; van de kinderachtige vertellingen van de idiote spin; van de vreemde nachten van een heldere sterrenhemel, waarbij de sterren niet twinkelen; van de grote zwartgrauwe vogel die er zijn specialiteit van maakt kleine kinderen op de achtste dag na de geboorte te ontvoeren.“

(…)

 

Een neger van de oude stempel, wiens vertrouwen je hebt weten te winnen, kan je in eenvoudige doch ernstige woorden vertellen op welke dag en op welke plek je het best kunt vissen, welk aftreksel of afkooksel van geneeskrachtige kruiden je tegen allerlei kwalen moet innemen, en nog andere dingen, fantastisch soms, waar je nimmer van gehoord hebt. Hij kan je vertellen van de vele voortekens van de naderende dood en hij kan je uitleg geven van de betekenis van het eentonige, lelijke gefluit van de spichtige, grauwe vogels. Hij kan je verhalen van de boze geesten die in de vasten in het vage licht van de opkomende maan ronddwalen.

(…)

Wanneer je een gesprek voert met een oude neger van het platteland, dan merk je meteen dat hij dom en simpel is. Dom en simpel naar de begrippen van je schoolkennis, van de boeken die je hebt gelezen, van de moderne gemeenschap waarin je woont. Maar eenvoudig, goed en wijs naar de begrippen van een andere wereld; een oude wereld, toebehorend aan een rijk, primitief, vernuftig oervolk, dat thans bedreigd wordt door de oppervlakkigheid en de kunstmatigheid van het eigen opgroeiend negergeslacht.

 

 

 

 

 

marugg
Tip Marugg (16 december 1923 - 22 april 2006) 

Getekend door Peter van Dongen

Geschreven door Romenu om 20:28 Reageer op dit bericht

Rafael Alberti, Pierre Lachambeaudie, V.S. Pritchett, Mary Russell Mitford, Olavo Bilac

De Spaanse dichter en schrijver Rafael Alberti werd geboren op 16 december 1902 in El Puerto de Santa María (Cádiz). Zie ook mijn blog van 16 december 2008.

 

 

Aufforderung

 

Im Erlenschatten, Liebste,
im Erlenschatten, nicht.

Unter der Pappel, ja,
dem Weiß und Grün der Pappel.

Weißes Blatt du,
grünes Blatt ich.

 

 

 

 

Die Quellen waren aus Wein

 

Die Quellen waren aus Wein.
Die Meere, aus lila Trauben.

Du wolltest Wasser.

Die Hitze stieg zum Bach
herab. Der Bach war aus Most.

Du wolltest Wasser.

Es fröstelte der Stier. Das Feuer
war aus schwarzem Muskateller.

Du wolltest Wasser.

(Zwei Strahlen von süßem Wein
sprangen aus deinen Brüsten.)

 

 

 

Vertaald door Erwin Walter Palm

 

 

 

 

alberti
Rafael Alberti (16 december 1902 – 27 oktober 1999)

 

 

 

De Franse fabeldichter Pierre Lachambeaudie werd geboren op 16 december 1807 bij Sarlat. Zie ook mijn blog van 16 december 2008.

 

 

La Goutte d'Eau

 

Un orage grondait à l'horizon lointain,

Lorsqu'une goutte d'eau, s'échappant de la nue,

Tombe au sein de la mer et pleure son destin.

« Me voilà dans les flots, inutile, inconnue,

Ainsi qu'un grain de sable au milieu des déserts.

Quand sur Faite du vent je roulais dans les airs.

Un plus bel avenir s'offrait à ma pensée :

J'espérais sur la terre avoir pour oreiller

L'aile du papillon ou la fleur nuancée,

Ou sur le gazon vert et m'asseoir et briller...

Elle pariait encore : une huître, à son passage.

S'entr'ouvre, la reçoit, se referme soudain.

Celle qui supportait la vie avec dédain

Durcit, se cristallise au fond du coquillage,

Devient perle bientôt, et la main du plongeur

La délivre de l'onde et de sa prison noire,

Et depuis, on l'a vue, éclatante de gloire,

Sur la couronne d'or d'un puissant empereur.

0 toi, vierge sans nom, fille du prolétaire,

Qui retrempes ton ûme au creuset du malheur,

Un travail incessant fut ton lot sur la terre;

Prends courage ! ici-bas chacun aura son tour :

Dans les flots de ce monde, où tu vis solitaire,

Comme la goutte d'eau tu seras perle un jour...

 

 

 

 

 

Lachambeaudie
Pierre Lachambeaudie (16 december 1807 – 7 juli 1872)

Standbeeld op Père-Lachaise,  Parijs

 

 

 

 De Britse schrijver en criticus (Victor Sawdon) V. S. Pritchett werd geboren op 16 december 1900 in Ipswich, Suffolk. Zie ook mijn blog van 16 december 2008.

 

Uit: London

 

“London is prolific in its casualties, its human waste and eccentrics. We see that blowsy red-haired woman with the gray beard who dances and skips about in the Haymarket. A well-known trial to bus conductors, the woman always carries a spare hat concealed in a brown-paper bag for traveling by bus. She changes her hat and then sings out:

He called me his Popsy Wopsy

But I don't care.

And drops into a few unprintable words. We are very fond of her. There is the pavement artist who conducts a war with other street entertainers, especially those who use an animal to beg from the thousands of dog lovers, cat strokers, pigeon and duck feeders, the chronic animal lovers who swarm in London. "Worship God not animals," he scrawls in angry chalk on the pavement. There is the Negro bird warbler, ecstatic in his compulsion, and the King of Poland in his long golden hair and his long crimson robe. There are those solitaires with imaginary military careers and the frightening dry monotonous gramophone record of their battles and wounds. They are compelled, they utter, they click their heels, salute and depart. A pretty addled neighbor of mine used to mix up the washing of the tenants in her house when it hung on the line in her garden. She was getting her own back on the Pope, who had broken up her marriage to the Duke of Windsor. One has to distinguish between the divine mad and the people pursuing a stern, individual course. The elderly lady who arrives in white shorts on a racing bicycle at the British Museum every morning, winter and summer, is simply a student whom we shall see working under the gilded dome of the Reading Room. The taxi driver who answers you in the Latin he has picked up from the bishops he has been taking to and fro from the Athenaeum Club all his life is not consciously doing a comic turn. He is simply living his private life in public. As Jung says, we are dreaming all the time; consciousness merely interrupts. It was what Dickens noticed in Londoners a hundred years before.”

 

 

 

 

pritchett
V.S. Pritchett ( 16 december 1900 – 20 maart 1997)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijfster Mary Russell Mitford werd geboren op 16 december 1787 in Alresford,  Hampshire. Zie ook mijn blog van 16 december 2008.

 

Uit: Our Village

 

“Of all situations for a constant residence, that which appears to me most delightful is a little village far in the country; a small neighbourhood, not of fine mansions finely peopled, but of cottages and

cottage-like houses, 'messuages or tenements,' as a friend of mine calls such ignoble and nondescript dwellings, with inhabitants whose faces are as familiar to us as the flowers in our garden; a little world of our own, close-packed and insulated like ants in an ant-hill, or bees in a hive, or sheep in a fold, or nuns in a convent, or sailors in a ship; where we know every one, are known to every one, interested in every one, and authorised to hope that every one feels an interest in us. How pleasant it is to slide into these true-hearted feelings from the kindly and unconscious influence of habit, and to learn to know and to love the people about us, with all their peculiarities, just as we learn to know and to love the nooks and turns of the shady lanes and sunny commons that we pass every day. Even in books I like a confined locality, and so do the critics when they talk of the unities. Nothing is so tiresome as to be whirled half over Europe at the chariot-wheels of a hero, to go to sleep at Vienna, and awaken at Madrid; it produces a real fatigue, a weariness of spirit. On the other hand, nothing is so delightful as to sit down in a country village in one of Miss Austen's delicious novels, quite sure before we leave it to become intimate with every spot and every person it contains; or to ramble with Mr. White* over his own parish of Selborne, and form a friendship with the fields and coppices, as well as with the birds, mice, and squirrels, who inhabit them; or to sail with Robinson Crusoe to his island, and live there with him and his goats and his man Friday;--how much we dread any new comers, any fresh importation of savage or sailor! we never sympathise for a moment in our hero's want of company, and are quite grieved when he gets away;--or to be shipwrecked with Ferdinand on that other lovelier island--the island of Prospero, and Miranda, and Caliban, and Ariel, and nobody else, none of Dryden's exotic inventions:--that is best of all. And a small neighbourhood is as good in sober waking reality as in poetry or prose; a village neighbourhood, such as this Berkshire hamlet in which I write, a long, straggling, winding street at the bottom of a fine eminence, with a road through it, always abounding in carts, horsemen, and carriages, and lately enlivened by a stage-coach from B---- to S----, which passed through about ten days ago, and will I suppose return some time or other. There are coaches of all varieties nowadays; perhaps this may be intended for a monthly diligence, or a fortnight fly. Will you walk with me through our village, courteous reader? The journey is not long. We will begin at the lower end, and proceed up the hill.“

 

 

 

 

Mary_Russell_Mitford_by_Benjamin_Robert_Haydon
Mary Russell Mitford (16 dcember 1787 - 10 januari 1855)

Portret door Benjamin Robert Haydon

 

 

 

 

De Braziliaanse dichter Olavo Bilac werd geboren op 16 december 1865 in Rio de Janeiro. Zie ook mijn blog van 16 december 2008.

 

 

Brazilian Flag Anthem

 

Hail, precious banner of hope!

Hail, august symbol of peace!

Thy noble presence to our minds

The greatness of our motherland does bring.

Chorus

Take the affection enclosed

in our manly chest, (*)

Dear symbol of the land,

Of the beloved land of Brazil!

 

In thy beauteous bosom portraits

This sky of purest blue,

The impaired greenness of these forests,

And the splendor of the South Cross Constellation.

(Chorus)

 

Beholding thy sacred shadow,

We understand our duty,

And Brazil loved by its sons,

powerful and happy shall be!

(Chorus)

 

Over the great Brazilian Nation,

In times of happiness or grief,

Hover always sacred flag,

Pavilion of justice and love!

(Chorus)

 

 

 

 

bilac
Olavo Bilac (16 december 1865 – 28 december 1918)

 
Geschreven door Romenu om 20:24 Reageer op dit bericht

Ingo Schulze, Klaus Rifbjerg, Jan Greshoff, Edna O'Brien

De Duitse schrijver Ingo Schulze werd geboren in Dresden op 15 december 1962.  Zie ook mijn blog van 15 december 2008.

 

Uit: Eine Nacht bei Boris

 

„Wenn ich jetzt von diesem Abend, von dieser Nacht berichte, muss ich vorausschicken, dass Boris, der von sich selbst als meinem ältesten Freund sprach, nicht mehr lebt. Ich schreibe dies hier aber nicht, weil Boris tot ist. Ich würde nicht anders über ihn denken, wenn er noch lebte, und muss mir auch nicht vorwerfen, ihm nicht gesagt zu haben, wie viel mir dieser Abend, diese Nacht bedeutet, ganz egal, wie verwirrt und beschämt wir alle am Ende nach Hause

gingen. Es war wirklich die merkwürdigste Feier, die ich je erlebt habe, auch wenn meine Rolle dabei marginal gewesen ist.

»Alles kannst du neu haben, nur keinen alten Freund«, sagte Boris oft. Und Susanne sagte: »Besser keinen als so einen.« Sie meinte, Boris und ich seien nur aus Gewohnheit miteinander befreundet.

Dabei ist Boris früher gar nicht mein Freund gewesen. Er war eine Klasse über mir und kam morgens aus der entgegengesetzten Richtung zur Schule. Bei der Armee liefen wir uns über den Weg, verbrachten ein paarmal den Ausgang zusammen – und verloren uns nach der Entlassung sofort aus den Augen. Erst in Berlin, nachdem Susanne und ich 1994 in eine gemeinsame Wohnung gezogen waren, sah ich Boris wieder, im dritten Stock eines maroden Hauses in der Esmarchstraße, direkt gegenüber von uns. Wir hatten Morgensonne, sein Balkon, über dessen Brüstung sommers wie winters ein zusammengeklappter Wäscheständer ragte, bekam von März oder April an etwas Abendsonne ab.

Wir trafen kurz nach Weihnachten vor dem defekten Leergutautomaten der Extra-Kaufhalle aufeinander. Boris geriet in übertriebene Aufregung, wie ich fand, und lud mich ein, er wollte kochen. Es war eine merkwürdige Situation, als sich danach unsere Wege zwischen den Regalen mehrfach kreuzten und wir nicht wussten, was wir sagen sollten und wortlos in den Einkaufswagen des anderen schielten. Ich dachte damals, dass vielleicht auch der Leergutautomat an seiner Reaktion schuld war, denn dort riecht es noch genauso wie früher bei unserem Altstoffhandel.

Nachdem ich Boris verraten hatte, dass wir ihm direkt in die Fenster blickten, sah ich ihn manchmal, wie er vom Balkon aus zu uns herüberspähte.

 

 

 

 

Ingo__Schulze_
Ingo Schulze (Dresden, 15 december 1962)

 

 

 

 

De Deense dichter en schrijver Klaus Rifbjerg werd geboren op 15 december 1931 in Kopenhagen. Zie ook mijn blog van 15 december 2008.

 

 

Dänemark, Treu

Dänemark kommt
nicht auf Kommando heraus
nee, bleibt ruhig sitzen
in seinem Loch.
"Wuff", sagt's, 
und man lockt:
"Na, komm schon,
komm, komm, komm",
doch Dänemark verzieht sich nur
tiefer in seine Hundehütte.
Da sitzt es nun
und guckt auf Bornholm,
kratzt sich kurz am Skamlingsbanken, 
schnüffelt in Richtung Anholt
und lässt einen Wind streichen
unten bei Fanø.
Wie gewöhnlich regnet es draußen,
warum also sich aufraffen?
Nun,
man will Dänemark bei sich haben
und versucht's noch einmal:
"Komm doch, mein Hündchen,
komm heraus."
Die Antwort ist ein leises Knurren,
oder ist's eine Frage?
"Was hat man mit mir vor?"
Was man vorhat, was soll
man denn vorhaben?
Vielleicht will man dich streicheln,
Dänemark,
vielleicht bekommst du einen Tritt.
Vielleicht machen wir einen Lauf,
eine flotte Tour übern Kleinen Belt, 
was hältst du von einem Sprung nach 
Hindsgavl, dem Schloss,
du weißt,
auf dem Hügel,
die Fahnenstange,
es ist immer Ende Mai,
und dort steht Frantz Wendt,
fünf Schwäne im Arm,
und Dichter spielen Harfe
in einem Pavillon aus Glas, 
und ein Betrunkener steht
am Rand der Brücke,
sucht Halt in der Welt,
gestützt auf einen Strahl Urin,
der ihn mit dem Belt verbindet,
auch er ist ein Dichter,
Dänemark,
hast du nicht Lust, das zu sehen?
Dänemark brummt abermals
und streckt Skagen heraus
und dreht den Hals Barre,
sagt nochmals "Wuff",
aber läst sich dennoch herab
und fragt: "Woruff?"
Ja, das will ich dir sagen, mein Alter,
Dänemark sehen ist eine Freude, 
es darf nur nicht allzu häufig sein, 
doch, sagen wir, jedes dreißigste Jahr
muss Schnuffi raus und sich sehen lassen,
raus und sehen.
Hopphopp, Dänemark,
du sollst dein Bein
bei Kolding anheben
und kräftig bellen,
dass Læsø davonfliegt bis nach Hven.
Komm, alter fauler Fido,
Herrchens Treu,
du musst ein bisschen an die Luft!

 

 

 

Vertaald door Lutz Volke

 

 

 

 

 

klaus-rifbjerg
Klaus Rifbjerg (Kopenhagen, 15 december 1931)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Greshoff werd geboren op 15 december 1888 in Nieuw Helvoet. Zie ook mijn blog van 15 december 2006 en ook mijn blog van 15 december 2007 en ook mijn blog van 15 december 2008.

 

Uit: Spijkers met koppen

 

Geloof en kunst

 

‘Is er niets veranderd?’

Een vriendelijke lezer zendt mij een uitknipsel uit een christelijk-litterair tijdschrift, waarin de schrijver tegen Multatuli van leer trekt, en hij vraagt: ‘is er dan niets veranderd?’ Neen, waarde heer, er is niets veranderd en er zàl niets veranderen zoolang men niet inziet dat kunst in geen enkel direct verband staat met religie, economie, politiek of hygiëne. Al deze verschijnselen maken onmiskenbaar deel uit van ons geestelijk leven. En het geestelijk leven is de grondstof voor het kunstwerk. Maar daarmede is men nog niet aan kunst toe. Zooals men uit marmer een afzichtelijk en van klei een verrukkelijk beeld kan maken, zoo kan men uit het Christendom een slecht en uit het atheïsme een goed boek putten. En omgekeerd.

Wat een kunstwerk goed of slecht maakt, is niet in enkele woorden vast te leggen, maar het heeft in elk geval niets te maken met geloofsbelijdenis of de politieke gezindheid van den maker. Multatuli mag honderdmaal een ‘mauvais esprit’, een ondeugdelijk ambtenaar, een moeilijk echtgenoot, een luchthartig financier geweest zijn - hij mag vreemd zijn gebleven aan alle christelijke en maatschappelijke deugden - hij was, is en blijft niettemin een van onze warmste, geestigste, direktste prozaschrijvers, een vurig kunstenaar, een hartstochtelijke, boeiende, prikkelende persoonlijkheid.

Wat blijft er van onze toch al niet overrijk gestoffeerde litteratuur over, wanneer men X. buitensluit omdat hij niet kerkvast, Y., omdat hij niet geldvast en Z. omdat hij niet stoelvast was?

Goethe is een dichter, Henriëtte Roland Holst is een dichter ... is nu dat niet meer dan voldoende, moeten wij nu ook nog het feit, dat de een Roomsch en de andere Marxist is in onze overwegingen gaan betrekken? Of moet ik Beets als dichter gaan bewonderen omdat hij rechtzinnig en eerbaar was? Geef mij maar Villon, die aan drie galgen had hooren te hangen en dan krijgt gij van mij l'abbé Delille cadeau; geef mij maar Multatuli - met al zijn menschelijke en maatschappelijke gebreken - en ik schenk u, uit de volheid mijns harten, Da Costa, met de Genestet en de Bull op den koop toe.

Het christendom is ongetwijfeld een eerbiedwaardige en edele zaak; en het is mogelijk als christen prachtige litteratuur te maken; maar het is óók mogelijk om dat als mohamedaan, shintoïst of wodansdienaar te doen. Het is altijd het oude liedje: kunst is kunst, autonoom, met haar wetten, doel en bestaansreden in zich zelf, en niet, nooit, een propagandamiddel.

Dit misverstand is de ongeneeslijke ziekte, waardoor onze Nederlandsche litteratuur verkwijnt. U heeft gelijk, mijnheer, leve Multatuli!”

 

 

 

 

 

Gresshoff
Jan Greshoff (15 december 1888 – 19 maart 1971)

Portret door Alfred Krenz

 

 

 

 

De Ierse schrijfster Edna O’Brien werd geboren op 15 december 1930 in Tuamgraney (County Clare). Zie ook mijn blog van 15 december 2008.

 

Uit: Girls In Their Married Bliss

 

“His name was Frank and he was blowing money around the place and telling jokes. I'll repeat one joke so as you'll have an idea how hard up I was. Two men with fishing tackle have an arm around an enormous woman and one says to the other, "A good catch." When people are drunk they'll laugh at anything, provided they're not arguing, or hitting each other.

Anyhow, he drove me home and offered me money - he has a compulsion to offer money to people who are going to say no - and asked if I thought he looked educated. Educated! He was a big, rough fellow with oily hair, and his eyebrows met. So I said to him, "Beware of the one whose eyebrows meet, because in his heart there lies deceit." And sweet Jesus, next time we met he'd had them plucked over his broken nose. He's so thick he didn't understand that the fact they met was the significant thing. Thick. But nice, too. Anybody that vulnerable is nice, at least that's how I feel. Another dinner. Two dinners in one week and a bunch of flowers sent to me. The first thought I had when I saw the flowers was, could I sell them at cut rates. So I offered them to the girls in the bed-sits above and below, and they all said no except one eejit who said yes. She began to fumble for her purse, and I felt so bloody avaricious that I said, "Here's half of them," so we had half each, and when he came to call for me that evening, he counted the number of flowers that I'd stuck into a paint tin, for want of a vase. And you won't believe it, but didn't he go and ring the flower shop to say they'd swindled him. There he was out on the landing phone, yelling into it about how he'd ordered three dozen. Armagh roses and what crooks they were, and how they'd lost him as a customer, and there was I in the room with a fist over my mouth to smother the laughter. "You may not be educated," said I, "but you're a merchant at heart. You'll go far." It ended up with the flower shop saying they'd send more, and they did. I was driven to go out to Woolworth's and buy a two-shilling plastic vase because I knew the paint tin would topple if one more flower was put in.

He didn't propose bed for at least six dinners, and that shook me. I didn't know whether to be pleased or offended. He was blind drunk the night he said we ought to, and my garret was freezing and far from being a love nest. The roses had withered but weren't thrown out, and I had this short bed so that his feet hung out at the bottom. I lay down beside him - not in the bed, just on it - with my clothes on. He fumbled around with my zip and of course broke it, and I thought, I hope he leaves cash for the damage, and even if he doesn I'll have to go to a technical school to learn how to stitch on a zip, it's that complicated. I knew the bed was going to collapse. You always know a faulty bed when you put it to that sort of use. So he got the zip undone and got past my vest - it was freezing - and got a finger or two on my skin, just around my midriff, which was beginning to thicken because of all the big dinners and sauces and things. I reckoned I ought to do the same thing, and I explored a bit and got to his skin, and the surprising thing was, his skin was soft and not thick like his face. He began to delve deeper, very rapacious at first, and then he dozed off. That went on for a while - him fumbling, then dozing - until finally he said, "How do we do it?" and I knew that was why he hadn't made passes sooner. “

 

 

 

 

Obrien
Edna O’Brien (Tuamgraney, 15 december 1930)

Geschreven door Romenu om 20:33 1 reactie Reageer op dit bericht

Hans Carossa, François de La Rochefoucauld, Nicolas Gilbert, Maxwell Anderson, Muriel Rukeyser

De Duitse dichter en schrijver Hans Carossa werd geboren op 15 december 1878 in Bad Tölz. Zie ook mijn blog van 15 december 2006  en ook mijn blog van 15 december 2007 en ook mijn blog van 15 december 2008.

 

 

 

Gartentag

 

Von unsern Zitterpappeln fliegt noch immer

Der Samenflaum, das Gras ist wie verschneit.

Ein Rittersporn versendet seinen Schimmer,

Als käme eine Frau in blauem Kleid.

 

Am Brunnenrand berühren sich die Schatten,

Das erste Dunkel nistet im Geheg.

Noch fehlt uns viel: komm, fügen wir die Platten

Von hellem Schiefer in den neuen Weg,

 

Der bei den Fliederbüschen dort im Bogen

Zum Gitter führt! Bald werden wir ihn gehn

Und über flimmernden Getreidewogen

Das ferne Kuppelgrün der Stromstadt sehn.

 

O langer Gartentag! Duftender Abend,

Halbfertiges Beet, noch ohne Form und Flor –

Wie wohl wird uns! Die schwere Erde grabend

Bereiten wir den Traum der Jahre vor.

 

 

 

 

 

 

carossa_hans
Hans Carossa (15 december 1878  - 13 september 1956)

 

 

 

 

De Franse schrijver François de La Rochefoucauld werd geboren op 15 december 1613 in Parijs. Zie ook mijn blog van 15 december 2006 en ook mijn blog van 15 december 2008.

 

Uit: Maximes

 

«On aime à deviner les autres, mais l'on n'aime pas à être deviné.»

 

«Notre amour-propre souffre plus impatiemment la condamnation de nos goûts que de nos opinions.»

 

«Les passions sont les seuls orateurs qui persuadent toujours.»

 

 

 

 

rochefoucauld
François de La Rochefoucauld (15 december 1613 - 17 maart 1680)

 

 

 

 

 

De Franse dichter Nicolas Gilbert werd geboren in Fontenoy-le-Château (Vosges) op 15 december 1750. Zie ook mijn blog van 15 december 2008.

 

 

L'univers est un temple...

 

L'univers est un temple où l'on voit l'injustice
Se targuer sur l'autel, un sceptre dans la main.
La modeste vertu, victime du dédain ;
Y marche l'oeil baissé devant l'éclat du vice ;
Et les pâles talents, couchés sur des grabats,
Y veillent consumés, par la faim qui les presse,
Tandis que, s'égayant, chantant dans la paresse,
L'ignorance au teint frais s'endort dans le damas. [...]
Quand le teint du soleil s'obscurcit de pâleur,
Quand tout autour de moi respire la tristesse,
Mon coeur est soulagé, je sens moins mon malheur ;
Je crois que la nature à mon sort s'intéresse ;
Je crois que, courroucé d'avoir vu les humains
Refuser des secours à mes tristes destins,
Le ciel ne daigne pas leur prêter sa lumière...
Ou plutôt il me semble, et j'en suis consolé,
Que tout est comme moi plaintif et désolé.
J'aime à me retracer ma nouvelle carrière :
Mon lit sera la feuille, un antre ma chaumière,
L'herbe ma nourriture, et l'onde ma boisson,
Mes plaisirs l'innocence, et mon bien la raison. [...]

 

 

 

 

N__Gilbert
Nicolas Gilbert (15 december 1750 – 16 november 1780)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver en songwriter Maxwell Anderson werd geboren op 15 december 1888 in Atlantic Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 15 december 2008.

 

 

September Song

 

Well, it's a long, long time

From May to December.

But the days grow short,

When you reach September.

And the autumn weather

Turns the leaves to gray

And I haven't got time

For the waiting game.

 

And the days dwindle down

To a precious few

September, November

And these few precious days

I spend with you.

These precious days

I spend with you.

 

 

 

 

 

Anderson
Maxwell Anderson ( 15 december 1888 – 28 februari 1959)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en politiek activiste Muriel Rukeyser werd geboren op 15 december 1913 in New York. Zie ook mijn blog van 15 december 2008.

 

The Conjugation of the Paramecium    

 

This has nothing

to do with

propagating

 

The species

is continued

as so many are

(among the smaller creatures)

by fission

 

(and this species

is very small

next in order to

the amoeba, the beginning one)

 

The paramecium

achieves, then,

immortality

by dividing

 

But when

the paramecium

desires renewal

strength another joy

this is what

the paramecium does:

 

The paramecium

lies down beside

another paramecium

 

Slowly inexplicably

the exchange

takes place

in which

some bits

of the nucleus of each

are exchanged

 

for some bits

of the nucleus

of the other

 

This is called

the conjugation of the paramecium.

 

 

 

 

MurielRukeyser

Muriel Rukeyser (15 december 1913 – 12 februari 1980)

Geschreven door Romenu om 20:31 Reageer op dit bericht

P. C. Hooftprijs 2010 voor Charlotte Mutsaers

De Nederlandse schrijfster en schilderes  Charlotte Mutsaers krijgt de P.C. Hooftprijs 2010 voor proza. De 67-jarige auteur van romans als Koetsier herfst en Rachels Rokje is de eerste vrouw sinds Hella Haasse (1983) die de prijs voor proza krijgt. Zie ook mijn blog van 2 november 2009.

 

Uit:  Koetsier Herfst

 

“De dag na mijn vijftigste verjaardag droomde ik dat ik gewurgd werd. Ik wou de wurgende handen losmaken van mijn nek maar dat ging niet, het waren de handen van mijzelf. Toen heb ik gedacht: ik leef verkeerd. Als ik zo doorga, verknal iik gegarandeerd mijn hele toekomst.
Nog geen uur later ben ik mijn geluk gaan zoeken in het Vondelpark. En blijkbaar was ik erg gemotiveerd want ik had het in no time gevonden.
Ach, als geluk toch eens iets blijvends was. Maar wacht, laat ik me eerst even voorstellen.

Gegroet lezer. Ik draag geen pacemaker, ik voel overal nattigheid, ik draag altijd pyjama’s in bed, mijn zwarte haar wordt nog nauwelijks grijs, ik zwem in oud geld en ontbeer dus diplomatie en handelsgeest, ik voel me van geen enkel dier de meerdere, ik ben van mening dat Jorma Ollila een van de grootste denkers is van deze tijd, ik heb een vrouw bemind die wegliep met Bin Laden, mijn heftigste angst is bij mijn dood door niemand omringd te zijn, mijn beroep is schrijver en ik heet MauriceMaillot. Aangenaam.

Mijn ouders behoorden tot de eerste prisoners of compassion. Ik hield zielsveel van ze maar heb ze helaas niet anders gekend dan in het gevang. Ze hadden levenslang omdat ze in de zomer van 1953 het Duitse circus Kalthoff hadden opgeblazen. Het ging om een nijlpaard. Zijn naam was Benkali. De circusdirectie wou van hem af omdat hij vanwege zijn vergevorderde leeftijd geen kunstjes meer kon vertonen, en had zijn bassin opgewarmd tot meer dan honderd graden. Zo werd Benkali levend gekookt en kon Kalthoff een forse poet van de verzekering incasseren.
Bij deze aanslag kwamen eenenzestigmensen om. Spijt hebben mijn ouders nooit betuigd. Al hun medeleven is naar het nijlpaard uitgegaan.
Ik was nog maar net geboren. Mijn familie wou toen niets meer van me weten en transporteerde me met wieg en al naar Ruud en Agaath van Zanten-Kolf, een kinderloos patriciërsechtpaar in de Amsterdamse Lomanstraat.
Voor het leven getekend maar wel met een bankrekening.

Zodra ik groot genoeg was, mocht ikmee naar de gevangenis. Dan zei ik: ‘Dag Pappa, dag Mamma, hier ben ik. ’Maar zijzelf waren er niet, dat wil zeggen, er was haast niets meer van ze over. Achter het glas troonden twee geslachtloze schimmen met de armen omelkaar heen, een zwijgzaamrotsblok vanmedeplichtigheid. Het enige wat er nog uitkwam was: ocharmen.
Toch is het dit rotsblok geweest dat mij nog kracht en levensmoed heeft geschonken. Omdat ik merkte dat het ommij gaf, dat hetmetmemeeleefde, dat het zich hoe dan ook ommij bekommerde. Een rotsblok blijft niettemin een rotsblok.
Het is hard.“

 

 

 

 

MUTSAERS

Charlotte Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942)

Geschreven door Romenu om 20:27 Reageer op dit bericht

Simone van der Vlugt

De Nederlandse schrijfster Simone van der Vlugt werd geboren in Hoorn op 15 december 1966.

Geïnspireerd door Kruistocht in Spijkerbroek (1974) van Thea Beckman (1923-2004) stuurde zij op haar dertiende voor het eerst manuscripten voor historische verhalen naar een uitgever. Die wees haar werk af, maar raadde haar aan om door te gaan met schrijven. Ze ging Nederlands en Frans studeren aan de lerarenopleiding in Amsterdam, waar ze onder meer les kreeg in jeugdliteratuur en creatief schrijven. Na haar studie ging ze fulltime werken als secretaresse bij een bank en schreef ze in de avonduren aan een verhaal over de heksenvervolging, De amulet, waarmee ze in 1995 debuteerde bij de Rotterdamse uitgeverij Lemniscaat. Het boek werd getipt door de Nederlandse Kinderjury. Een reeks historische jeugdboeken voor de leeftijdscategorie 13+ volgde. In het najaar van 2004 debuteerde ze met De reünie als schrijfster van volwassenenliteratuur. Daarbij liet ze zich inspireren door de literaire thrillers van Nicci French. In 2005 verscheen Schaduwzuster en in 2007 Het laatste offer.

 

Uit: De bastaard van Brussel

„Hij ligt op het keiharde bed en kan niet slapen: zijn lichaam is verkrampt van de kou.
Zijn celgenoot ligt zachtjes te zingen, iets religieus, en het geruststellende geluid van een stem vlak bij hem voorkomt dat Crispijn verpletterd wordt door duisternis, stilte en paniek. Hij ligt op zijn zij, staart naar de kille, afwerende muur naast hem en laat zich meevoeren door het zachte gezang. Het zou troostend kunnen werken als de angst in de stem van de man niet zo duidelijk hoorbaar was.
Hoeveel ketters, of vermeende ketters, liggen hier in de duisternis bijeen, van elkaar gescheiden door vochtige muren? Niets verstoort de stilte van de nacht, op druk geritsel en getrippel na waar Crispijn liever niet te lang bij stilstaat.
Vlak voor hij besloot te gaan slapen, was zijn celgenoot naar hem toe geschuifeld en had hem een stuk brood gegeven.
`Eet het niet op, ’ had hij gezegd. `Bewaar minstens de helft en leg het naast je, op je brits.’
`Waarom?’
`Dat zul je wel merken.’
Op de tast zoekt Crispijn het stuk brood en eet het op – alles. Als die vent denkt dat hij zich zo gemakkelijk laat bestelen, is hij niet goed wijs. Hij gaat op zijn rug op zijn bed liggen en staart naar de hanenbalken boven zijn hoofd. Hij denkt aan Eva en die gedachte vrolijkt hem niet op. Is ze ontkomen of zit ze hier ook ergens in het Broodhuis? Een kind van elf… Het zou niet voor het eerst zijn. En Hans? Wat is er met Hans gebeurd?
Hij sluit zijn ogen en dwingt zijn gedachten een andere kant op – maar zoveel kanten zijn er niet.“

 

 

 

 763159-271d3869f45aa84cd6a9e9608140f142.jpg

Simone van der Vlugt (Hoorn,15 december 1966)
Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten