Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 5 november 2011 tot 6 november 2011

Robert Musil, Michael Cunningham, Nelleke Noordervliet, Bea Vianen, Bert Vanheste

De Oostenrijkse schrijver Robert Musil werd geboren op 6 november 1880 in Klagenfurt. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Robert Musil op dit blog.

 

Uit: Die Verwirrungen des Zöglings Törleß

 

»Also nicht wahr, lieber Beineberg, Sie geben mir auf meinen Buben acht?« wandte sich Hofrat Törleß an den jungen Baron Beineberg, einen langen, knochigen Burschen mit mächtig abstehenden Ohren, aber ausdrucksvollen, gescheiten Augen.

Der kleine Törleß schnitt ob dieser Bevormundung ein mißmutiges Gesicht und Beineberg grinste geschmeichelt und ein wenig schadenfroh.

»Überhaupt«, -- wandte sich der Hofrat an die übrigen, -- »möchte ich Sie alle gebeten haben, falls meinem Sohne irgend etwas sein sollte, mich gleich davon zu verständigen.«

Dies entlockte nun doch dem jungen Törleß ein unendlich gelangweiltes: »Aber Papa, was soll mir denn passieren?!« obwohl er schon daran gewöhnt war, bei jedem Abschiede diese allzugroße Sorgsamkeit über sich ergehen lassen zu müssen.

Die anderen schlugen indessen die Hacken zusammen, wobei sie die zierlichen Degen straff an die Seite zogen, und der Hofrat fügte noch hinzu: »Man kann nie wissen, was vorkommt, und der Gedanke, sofort von allem verständigt zu werden, bereitet mir eine große Beruhigung: schließlich könntest du doch auch am Schreiben behindert sein.«

 

 

 1026488-a90f87a5d20564deb16eb63287bb98d1.jpg

Scene uit een toneeluitvoering in het Rheinische Landestheater in Neuss, 2010

 

 

 

Dann fuhr der Zug ein. Hofrat Törleß umarmte seinen Sohn, Frau von

Törleß drückte den Schleier fester ans Gesicht, um ihre Tränen zu verbergen, die Freunde bedankten sich der Reihe nach, dann schloß der Schaffner die Wagentür.

Noch einmal sah das Ehepaar die hohe, kahle Rückfront des Institutsgebäudes, -- die mächtige, langgestreckte Mauer, welche den Park umschloß, dann kamen rechts und links nur mehr graubraune

Felder und vereinzelte Obstbäume.

 

                   *       *       *       *       *

 

Die jungen Leute hatten unterdessen den Bahnhof verlassen und gingen in zwei Reihen hintereinander auf den beiden Rändern der Straße, -- so wenigstens dem dicksten und zähesten Staube ausweichend, -- der Stadt zu, ohne viel miteinander zu reden.

Es war fünf Uhr vorbei und über die Felder kam es ernst und kalt, wie ein Vorbote des Abends.

Törleß wurde sehr traurig.

Vielleicht war daran die Abreise seiner Eltern schuld, vielleicht war es jedoch nur die abweisende, stumpfe Melancholie, die jetzt auf der ganzen Natur ringsumher lastete und schon auf wenige Schritte die Formen der Gegenstände mit schweren glanzlosen Farben verwischte.“

 

 

 

 1026488-f519ff7090210418cf06d993f91e50c3.jpg

Robert Musil (6 november 1880 – 15 april 1942)

 

 

 

 


De Amerikaanse schrijver
Michael Cunningham is geboren in Cincinnati, Ohio op 6 november 1952. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Michael Cunningham op dit blog.

.

Uit: By Nightfall

 

„The Mistake is coming to stay for a while.“Are you mad about Mizzy?” Rebecca says.“Of course not,” Peter answers.One of the inscrutable old horses that pull tourist carriages has been hit by a car somewhere up on Broadway, which has stopped traffic all the way down to the Port Authority, which is making Peter and Rebecca late. “Maybe it’s time to start calling him Ethan,” Rebecca says.“I’ll bet nobody calls him Mizzy anymore but us. ”Mizzy is short for the Mistake.Outside the cab, pigeons clatter up across the blinking blue of a Sony sign. An elderly bearded man in a soiled, full-length downcoat, grand in his way (stately, plump Buck Mulligan?), pushes a grocery cart full of various somethings in various trash bags, go-ing faster than any of the cars. Inside the cab, the air is full of drowsily potent air freshener,vaguely oral but not really suggestive of anything beyond a chemical compound that must be called “sweet.” “Did he tell you how long he wants to stay?” Peter asks. “I’m not sure.”Her eyes go soft. Worrying overmuch about Mizzy ( Ethan ) is a habit she can’t break. Peter doesn’t pursue it. Who wants to go to a party in mid-argument?

 He has a queasy stomach, and a song looping through his head.

I’m sailing away, set an open course for the virgin sea . . .

Where would that have come from? He hasn’t listened to Styx since he was in college.“We should set a limit,” he says.She sighs, settles her hand lightly on his knee, looks out the window at Eighth Avenue, up which they are now not moving at all. Rebecca is astrong-featured woman who is often referred to as beautiful but never as pretty. She may or may not notice these small gestures of hers, by which she consoles Peter for his own stinginess.

A gathering of angels appeared above my head.

Peter turns to look out his own window. The cars in the lane beside theirs are inching forward. A slightly battered blue Toyota- ish something creeps abreast, full of young men; raucous twenty- something boys blaring music loudly enough that Peter feels the thump-thump of it enter the cab’s frame as they approach. There are six, no, seven of them crammed into the car, all inaudibly shout-ing or singing; brawny boys tarted up for Saturday night, hair gelled into tines, flickers of silver studs or chains here and there as they roughhouse and bitch-slap. The traffic in their lane picks up speed, and as they pull ahead Peter sees, thinks he sees, that one of them, one of the four clamoring in the backseat, is actually an old man, wearing what must be a spiky black wig, shouting and shoving right along with the others butthin-lipped and hollow- cheeked.“

 

 

 1026488-0834783700832566e2edc26bb81e3649.jpg

Michael Cunningham (Cincinnati, 6 november 1952)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Nelleke Noordervliet werd op 6 november 1945 in Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Nelleke Noordervliet op dit blog. 

 

Uit: Tussen angst en moed

„Veel buitenlanders bezoeken Nederland. Klompen. Molens. Tulpen. Van Gogh. Rembrandt. En weg zijn ze weer. Sommige buitenlanders bestuderen Nederland en schrijven over ons. Dat vinden we leuk. We willen weten wat ze van ons vinden, een nogal morbide neiging tot masochisme. Geef ons slaag! Aan dat verlangen wordt gul tegemoet gekomen. Gebeurt er in Nederland iets waarover een deel van de bevolking zich schaamt dan wordt daaraan meteen de vrees voor het oordeel in het buitenland gekoppeld. Wat zullen ze wel van ons denken. Het buitenland is altijd bereid zout in de wonden te strooien. The Times concludeerde naar aanleiding van de problemen rond het Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Magan: ‘Een land dat van deze inzichten [die van Ayaan] geen kennis wil nemen, zet zichzelf niet alleen als onliberaal te kijk, maar heeft het vertrouwen in de veerkracht van zijn eigen democratie verloren.’ Hier wordt iedere nuance uit het oog verloren, maar menig Nederlander ondergaat de kastijding met vreugde.

In veel gevallen lijkt de studie van Nederland op het verslag van Gulliver uit Lilliput. Er wordt een vergrootglas over dat kleine landje gelegd en vol verbazing kijkt men naar het gewemel en de eigenaardige gewoonten. Hoe is het mogelijk: de burgers van Lilliput spelen ‘echt wereldje’. Er staat een streng mevrouwtje met een kroontje op aan het hoofd. In een schattig haventje komen scheepjes vol met een grappig wit goedje aan dat wordt verdeeld onder de kinderen die er hun neusjes mee volstoppen en dan hele weekends doordansen. Er zijn ook mannetjes met geweertjes druk doende elkaar pief-paf-poef in parkjes, plantsoentjes en voor hun eigen villaatjes neer te knallen. Dan is er een heus parlementje in een glazen huisje - ze noemen het de Haagse kaasstolp. En daaronder zitten heel veel muisjes. Het landje is dicht bevolkt en ook wel rijk. En de mensjes maken soms ruzie met elkaar. Dat heb je als je op elkaars lipjes woont. Ze hebben vooral ruzie over de mensjes die erbij zijn gekomen uit verre vreemde landen en die niet eens het taaltje spreken en een heel ander Godje aanbidden. De oorspronkelijke bewonertjes aanbidden Jezus of Mammon. De nieuwe noemen hem Allah. En ze hebben het allemaal over ‘respect’. Dat ze het niet krijgen. Pief-paf-poef. Pimmetje Fortuyn heeft geen respect voor de dieren. Pief-paf-poef. Theootje van Gogh heeft geen respect voor de moslims. Van Gogh? zeggen de Gullivers, die had toch wat met zijn oor?“

 

 

 1026488-7de9bb6f45e434d2f9a9b999f3692bf4.jpg

Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 6 november 1945)

 

 

 



De Surinaamse dichteres en schrijfster
Bea Vianen werd geboren in Paramaribo op 6 november 1935. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Bea Vianen op dit blog. 

 

 

mijn beide handen

 

Mijn beide handen in je vaste greep

Onder mezelf trek ik een dikke streep

in gedachten. De bomen en de stilte weten

wie de grootste leugenaar mag heten

Van mij mogen herinneringen heten

Ik kon je niet vergeten.

Verloren plekjes opgespoord

Weet ik dat jij mij nog toebehoort

Houd mij dan vast in je greep

Maar onder mezelf trek ik een dikke streep!

 

 

 

het is genoeg

 

Het is genoeg, ga maar

Buiten wacht volslagen donker

Voor mij een geheim, voor jou

een hoer, een krotwoning waar

een rat nieuwsgierig zijn snor

steekt door een gat in de vloer

Grauwe kakkerlakken zich wringen

door de naden en meer

wat God alleen kan raden

Maar zij wacht en het is vannacht

belangrijk dat zij wacht

Wat! Hoe weet je dat!

 

 

 1026488-db4dea9874fc4e37ca8b1f9960d00132.jpg

Bea Vianen (Paramaribo, 6 november 1935)

 

 

 

 

 

De Vlaamse literatuurwetenschapper en auteur Gilbert (Bert) Vanheste werd geboren in Pervijze op 6 november 1937. Zie ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009 en ook mijn blog van 6 november 2010

 

Uit: Vergeet François Seurel niet. Le grand Meaulnes, tachtig jaar later

 

‘Dit,’ zei de leraar, ‘is het boek over Augustin Meaulnes, de grote Meaulnes.’ Een van de tienduizenden leraren Frans die, van Oude Pekela tot Osaka, Alain-Fourniers in 1913 verschenen Le grand Meaulnes/Het grote avontuur onder de aandacht van hun leerlingen hebben gebracht. Toch een bijzondere leraar, deze Monsieur H. Een romanticus met voelhorens voor de literaire aanleg van een enkele leerling die hij na de les met een wonderlijk glimlachje de Salamander-vertaling van ‘het mooiste boek dat er bestaat’ aanreikt als remedie tegen de liefde. Nog ongewoner is wellicht zijn vermaning Meaulnes' vriend niet uit het oog te verliezen: ‘Vergeet François Seurel niet, want... enfin, dat ontdek je nog wel.’

In Uitgesteld paradijs erkent de leerling - Benno Barnard - dat het hem nog ruim tien jaar heeft gekost om ‘dat’ te ontdekken, om achter de echte betekenis van Seurel te komen. Als zeventienjarige was hij nog niet bij machte zijn gevoelens onder woorden te brengen; wel herkende hij die in Het grote avontuur en dat dank zij ‘een van de geniaalste vondsten uit de geschiedenis van de roman’: Fournier ‘verdeelde zichzelf in twee ongelijksoortige helften, de held en de verteller, die hij beiden in evenredige mate was’. Die perspectiefverschuiving staat de lezer toe het standpunt van de verteller Seurel in te nemen, om zich vervolgens via hem te identificeren met de held Meaulnes. Het schrijverschap echter stelt volwassener eisen: de actieve beoefenaar ervan moet afscheid nemen van Meaulnes; alleen wie als Seurel afstand neemt van het paradijs kan ‘een nieuw paradijs’ creëren, ‘een besloten ruimte waarin alles onderling samenhangt’

 

 

 1026488-630cb5505efb159c438ae8ef5321948c.jpg

Bert Vanheste (6 november 1937 - 23 februari 2007)

 

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e november ook mijn vorige blog van vandaag.
Geschreven door Romenu om 19:32 Reageer op dit bericht

Bodenski, James Jones, Galaktion Tabidze, Jonas Lie, Johannes Jörgensen

De Duitse dichter, componist en musicus Bodenski (eig. Michael Boden) werd geboren op 6 november 1965 in Potsdam. Zie ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2010

 

 

Ein Baum

 

Ich schneide mir das Haar nicht mehr,
horch wie mir Blätter treiben.
Der Wald pflanzt Hölzer in mein Herz,
ich streck die Arme himmelwärts,
um immer hier zu bleiben.

Die Nägel senken sich hinein
ins Reich der Mutter Erde.
Schon krümmt und bricht sich mir die Haut,
hab Sand und Steine viel verdaut,
dass ich so müde werde.

Ein Baum, mit Käfern im Gesicht,
mit Moos in meinem Haar,
die Haut so hart wie Stein.

Durch meine Finger geht der Wind,
war`s gestern, war es heute.
Den Winter lang werd ich nicht wach,
ein Specht klopft an mein Schädeldach
und hofft auf fette Beute.

Mein Haupt wird grün, der Sommer kommt
mit Tautropfen und Regen.
Ein Zittern geht durch meinen Stamm,
ich hör sie schon, sie kommen an
die Männer mit den Sägen.

Ein Baum, mit Käfern im Gesicht
mit Moos in meinem Haar,
die Haut so hart wie Stein.

 

 

 

1026487-d6545dc4c6d8750a9e7c4ab58dc8449d.jpg
Bodenski (Potsdam, 6 november 1965)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver James Jones werd geboren op 6 november 1921 in Robinson, Illinois. Zie ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009 en ook mijn blog van 6 november 2010

 

Uit: From Here to Eternity

 

“Lissen,” he said. He stabbed his finger at the big white bulk of Tommy. “You’re queer as a three dollar bill. How did you get to be queer? What made you queer, anyway?”
Tommy’s dark eyes that behind the deep purple circles never seemed to focus on anything at all, were on him now and focused, and they became brighter and brighter as he watched them.
“I’ve always been that way,” Tommy said. “I was born that way.”
“Like to talk about it, don’t you?” Prew grinned. He felt the silence of both Hal and Maggio behind him and knew that they were watching him.
“No,” Tommy said. “I hate to talk about it. It was a tragedy, being born that way.” He was smiling now and breathing fast, smiling painfully the way a broken dog does when you pat him.
“Balls,” Prew said. “Nobody’s born that way. When was the first time you went down on anybody?”
“When I was ten,” Tommy said, talking swiftly now, almost joyously. “I was going to a military school in New York, my parents were divorced and my mother sent me there, a bunch of upperclassmen got,—oh a whole bunch of them, there must have been twelve at least,” Tommy’s eyes were brighter and his voice was going faster, hardly space between the words to breathe, “—they got me out and tied me up, and beat me, they made me go down on all twelve of them, one right after another, and they beat me till I did it.”

 

 1026487-91dcfd8eb0cd793ba5048311d41f15bc.jpg

Burt Lancaster en Deborah Kerr in de film uit 1953

 

 

Prew watched him talking, his big body jerking nervously in the chair, as if under a whip.
“I don’t believe that,” Prew snarled. “I bet that wasn’t the first time. Because lissen, they could of killed me and I wouldn’t of ever done it. If they did it, they did it because you wanted them to do it. No matter how much you tried to fight. You wanted to be beaten, and you wanted to be evil.”
Hal moved from beside Maggio and stepped toward the other two. “That’s a lie,” he said.
“It’s true,” Tommy whispered. “It wasn’t the first time. But it was the first important time. I did want it. Do you hate me?”
“No,” Prew said, contemptuously. “Why should I hate you?”

“But you do. You’re contemptuous of me. Aren’t you? Aren’t you? You think I’m evil.”
“No. You’re the one that thinks you’re evil. That’s what I think. I don’t think you’re evil. I think you like to do anything you think is evil, the eviller the better, and the better you will like it. Maybe it’s because you can show how much you hate the church.”

 

 

1026487-93ee9edce8ee8400579eb38772d87db4.jpg
James Jones (6 november 1921 – 9 mei 1977)

 

 

 

 

De Georgische diichter en schrijver Galaktion Tabidze werd geboren op 6 november 1891 in Chqvishi, in de buurt van Vani. Zie ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009 en ook mijn blog van 6 november 2010

 

 

Snow Fell On Winter Gardens

 

Snow fell on winter gardens,

a coffin was brought out

and the standards unfolded

caught by the dishevelled breeze.

The roadway was desolate,

without form and without shape.

One more coffin was brought out…

The raven's exhortation:

Let the bells toll! Bury them!

Snow fell on winter gardens.

 

 

 

Let the Banners Wave on High!

 

The day has dawned: A sun of fire glides up…

                   Let the banners wave on high!

The soul's athirst for Liberty and Right

As wounded deer that seek a streamlet bright.

                   Let the banners wave on high!

 

Glory to those with souls devoid of fear,

Who for the people's cause did bravely die…

Their names shine bright like torches in the night…

                   Let the banners wave on high!

 

Glory to him who fills our hearts with hope,

Braves foes with matchless worth and fearless eye!

The day has dawned! United let us fight!

                 Let Freedom's banner over us wave on high!

 

 

 

Vertaald door PJ Hillery

 

 

 

 1026487-fc728950c488c382bdc1dd725b1764ee.jpg

Galaktion Tabidze (6 november 1891 – 17 maart 1959)

 

 

 

 

De Noorse schrijver Jonas Laurits Idemil Lie werd geboren op 6 november 1833 in Eiker bij Drammen. Zie ook mijn blog van 6 november 2008  en ook mijn blog van 6 november 2010

 

Uit: One of Life's Slaves (Vertaald door J. Muir)

 

„Yet Society has, as we know, a wonderful faculty for making use of, assimilating and reconstructing everything, even the apparently most meaningless and useless, for its own purpose. And the way it took, quickly enough, with poor Barbara was that she became the only thing in which she could be of any service in the town--namely, a nurse.

It was a sad time and a hard struggle while the shame lasted, almost enough to kill her; and after that, she never thought of returning to the Heimdal mountains again.

But things were to be still harder.

The various social claims, which an age of progress increasingly lays upon the lady of the house in the upper classes of society, asserted themselves here in the town by an ever increasing demand for nurses.

"The reason," as Dr. Schneibel explained, "was simply a law of Nature--you can't be a milch-cow and an intelligent human being at the same time. The renovation of blood and nerves must be artificially
conveyed from that class of society which stands nearer to Nature."

And now the thing was to find an extra-healthy, thoroughly strong nurse for Consul-General Veyergang's two delicate, newly-arrived, little ones. Dr. Schneibel had very thoughtfully kept a nurse in reserve for Mrs. Veyergang--"a really remarkable specimen of the original healthiness in the common stock. One might say--h'm, h'm--that if Mrs. Veyergang could not get to the mountains, the mountains were so courteous as to come to her. The girl still had an odour of the cowshed about her perhaps; but
when all's said and done, that was only a stronger assurance of originality. And _that_ is an important factor in our day, madam, when milk is adulterated even from the very cows themselves.--Quite young, scarcely twenty!"

Barbara Högden had not the faintest suspicion, as she carried water and wood, or stood at the edge of the ice beating linen, or did any drudgery she could find to do, in order to earn a little money to pay for herself and her baby at the tinsmith's, that, from her deepest degradation, she had risen at one step to the rank of an exceptionally sought-after and esteemed person in the town.“

 

 

1026487-494b5826e23e283cfb430d5aa5473628.jpg
Jonas Lie (6 november 1833 – 5 juli 1908)

 

 

 

 

De Deense schrijver Johannes Jörgensen werd geboren in Svendborg op 6 november 1866 geboren. Zie ook mijn blog van 6 november 2008  en ook mijn blog van 6 november 2010

 

Uit: St. Francis and His Brethren (Vertaald door T. O'Conor Sloane)

 

„It was April 23, the feast  of the martyr St. George, and the young man betook himself to St. George's church to hear mass. Thence he took  the direct road down to Portiuncula, where he knew that  St. Francis would keep himself. At the hospital of S. Salvatore degli Pareti the road forks, and Giles prayed God that  he might select the right one. His prayer was heard, for  after wandering about a while he approached a wood and saw Francis coming out of it. Giles at once cast himself at  the feet of Francis and begged to be received into the Brotherhood. But Francis looked at Giles' pious young face, raised  him up and said:
" Dearest brother, God has shown you a wonderful favor!  For if the Emperor were to come to Assisi and wished to make  one of the citizens his knight or his chamberlain, then would  the citizen be greatly rejoiced. How much more should you  rejoice, whom God has chosen as his true knight and servant  and to maintain the holy evangelical perfection."
And he took him to the place where the other Brothers were  keeping themselves and presented him to them with these  words: "The Lord our God has sent us a new good Brother.  Let us therefore rejoice in the Lord and eat together in  charity."
But after the meal was ended, Francis and Giles went up to  Assisi to obtain cloth for the new Brother's habit. On the  way an old woman met them and asked for alms. Then  Francis turned around towards Brother Giles and said to  him, as he looked at him "with an angel's expression":

 

 

 1026487-e03efa8e3c39a6c7012e3017c803c5ec.jpg

Johannes Jørgensen (6 november 1866 -  29 mei 1956)

Geschreven door Romenu om 19:00 Reageer op dit bericht

Joyce Maynard, Hanns-Josef Ortheil, Andreas Stichmann, Ulla Berkéwicz, Mikhail Artsybashev

De Amerikaanse schrijfster Joyce Maynard werd geboren op 5 november 1953 in Durham, New Hampshire en volgde een opleiding aan de Phillips Exeter Academy. Zie ook mijn blog van 5 november 2008 en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

 

Uit: Dochters van het land (Vertaald door Anke ten Doeschate)

 

„Oktober 1949

Het begint met een zwoele noordoostenwind die over de velden waait en merkwaardig warm is voor de tijd van het jaar. Al voordat de wind het huis bereikt, ziet Edwin Plank hem aankomen. Hij ruist door het droge gras en door de laatste rijen maïs die nog op het veld beneden bij de schuur staan, de enige

plek waar hij met de tractor nog niet is geweest.

In de tijd die het kost om een kop koffi e in te schenken en de hond binnen te roepen (hoewel de wind Sadie allang tot een spurt naar het huis heeft aangezet), wordt de lucht donker. Kraaien en spreeuwen cirkelen boven de schuur, op zoek naar de dakspanten. Het is nog geen vier uur en binnenkort loopt

de zomertijd af, maar nu de zon is verdwenen achter de brede, platte wolkenbank die komt opzetten, zou het evengoed al schemerdonker kunnen zijn. Misschien dat het vee daarom met langgerekte, lage geluiden zijn beklag doet. De dieren voelen haarfi jn aan dat dingen niet zijn zoals ze zouden moeten

zijn op de boerderij.

Als Edwin met zijn koffi e op de veranda staat, roept hij zijn vrouw Connie. Ze staat met een mand op het erf en haalt de was van de lijn die ze die ochtend te drogen heeft gehangen. Vier dochters betekent veel was. Katoenen jurkjes, bloesjes en broeken, alles in het roze, en natuurlijk luiers. En haar eigen degelijke, witte katoenen ondergoed, maar daar heeft Connie het liever niet over.

Terwijl ze de laatste, nog niet helemaal droge kledingstukken van de lijn haalt, net voordat de wind ze te pakken krijgt, spookt het al door haar hoofd dat als de stroom door het noodweer uitvalt, wat hoogstwaarschijnlijk gaat gebeuren, en haar man niet naar het honkbal op de radio kan luisteren, hij

vanavond misschien met haar naar bed zal willen. Ze had gehoopt dat de World Series hem een tijdje zouden bezighouden. De Boston Red Sox doen dan wel niet mee nu ze, zoals altijd, in september zijn uitgeschakeld, maar toch slaat Edwin de Series nooit over.“

 

 

 1025823-f0ecfff66916810864ca6ea13dc1cd28.jpg

Joyce Maynard (Durham, 5 november 1953)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Hanns-Josef Ortheil werd geboren op 5 november 1951 in Keulen. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Hanns-Josef Ortheil op dit blog.

 

Uit: Die Moselreise

 

„Es ist 5.45 Uhr. Wann immer es möglich ist, stehe ich in der Frühe zu dieser Zeit auf. Ich mache mir einen Kaffee und nehme ihn mit in mein Arbeitszimmer. Spätestens gegen 6 Uhr sitze ich an meinem Schreibtisch und beginne zu schreiben. Ich schreibe mit der Hand, ich notiere in einen Tages-Kalender, wie der vorige Tag verlaufen ist, ich notiere, was ich erlebt, mit wem ich gesprochen oder worüber ich nachgedacht habe.

Diese Notizen zum Verlauf des vorigen Tages werden später in ein großes Skizzenbuch kopiert. In dieses Skizzenbuch kommen dann noch weitere Aufzeichnungen, die ich am Tag zuvor während der unterschiedlichsten Tageszeiten in kleinen Notizheften, Notizbüchern oder auch nur auf losen Zetteln gemacht habe. Alle paar Stunden protokolliere ich, wo genau ich mich gerade aufhalte, oder ich notiere Stichworte zu meinen Lektüren, oder ich halte einfach nur fest, was ich als Nächstes vorhabe oder woran ich denke.

Gleichzeitig sammle ich während eines Tages die unterschiedlichsten Dokumente: Ausschnitte aus Zeitschriften und Zeitungen, Post- und Eintrittskarten, Texte, zu denen ich bei der ersten Lektüre irgendeine Art von innerem Bezug empfinde. Dann und wann fotografiere ich auch: Schnappschüsse von meinen Mahlzeiten, von Räumen, in denen ich mich bewege, von Menschen, denen ich begegne. Auch diese Dokumente kommen später in das großformatige Skizzenbuch, sie rahmen die schriftlichen Aufzeichnungen und ergänzen sie um Bilder, Zeichen und Hinweise.

So entsteht Tag für Tag ein bunter Teppich aus Schriften und Bildern, es handelt sich um die Architektur eines Tages, um seine Komposition, um die Folge seiner Phasen, Erlebnisse und Atmosphären. Als Ganzes ergeben all diese Architekturen und Kompositionen ein großes Schreibprojekt, das Projekt meiner Tagesmitschriften, die sich von konventionellen Tagebüchern durch ihren protokollierenden Gestus stark unterscheiden. Ich resümiere nicht, ich verfolge nicht meine Emotionen und Stimmungen, stattdessen geht es um das Festhalten des Augenblicks, um die Moment-Skizze, um das flackernde Denken und Fühlen.“

 

 

 1025823-ddd6870a3072d5c71281701700d6487d.jpg

Hanns-Josef Ortheil (Keulen, 5 november 1951)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Andreas Stichmann werd op 5 november 1983 in Bonn geboren. Zie ook mijn blog van 30 augustus 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

 

Uit: Der goldene Stern

 

„Am Abend das Riesenrad und die Buden, der Greifarm, der im Glaskasten nach Kuscheltieren greift, Waffeln mit heißen Kirschen und Sahne. Der zerkratzte Wahrsageautomat. Dann zur Bahn wie unter Wasser. Am Bahnsteig treffen dich Fischblicke und sülzige Augen. Aber zufällig und unregelmäßig, die völlige Abwesenheit eines Gegners. Die Laternen wie Beine einer übergeordneten Welt, in einem langsamen Sturm unter Wasser. Dann in einem goldenen U-Boot nachhause, in weicher Mechanik, in der vollen Bahn langsame Langustenbewegungen. Was hat der Handleseautomat gedruckt und ausgespuckt, was stand auf dem kleinen gelben Zettel?
Die Kirche im Dorf lassen. Sie gewinnen mit Willenskraft.
Also Sport. Also Sport am nächsten Morgen, dieses Leid der letzten Wochen ist dir eh vorgekommen wie Kleingeld. Ein neuer Morgen. Wie konntest du nur so theatralisch sein? Das ist dir jetzt ganz fremd. Sport als Anti-Theatralik. Das ist gut. Wenn schon nicht gegen fauchende Drachen kämpfen, dann Sport. Wer keinen Feind hat: Sport. Und warum immer quer sein, warum nicht, wie heißt es noch mal? Aufrichtig. Warum nicht Bauch rein und Brust raus? Ein deutscher Morgen.
Du also in Badehosen.
Die sind pink und grün, denn du bist ein witziger Kerl. Kein dämlicher Liedermacher oder so, der sich viel zu ernst nimmt und dabei ein Weichei ist.
So einer nicht.
Auch kein Mountainbiker, machst du Sport? Ja, das schon, aber du bleibst dabei Mensch und das finden wir gut. Wie heißt dieser sympathische Kerl, hat er eine Freundin? Wir mögen ihn und möchten vielleicht mit ihm schlafen.
Aber es sind keine Frauen in der Halle.“

 

 

 1025823-1dc98419db4e1f50c3d2f88b1becedd4.jpg

Andreas Stichmann (Bonn,  5 november 1983)

 

 

 

 

De Duitse schrijfster, uitgeefster en actrice Ulla Berkéwicz werd geboren op 5 november 1948 in Gießen als Ursula Schmidt. Zie ook mijn blog van 5 november 2008 en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

 

Uit: Vielleicht werden wir ja verrückt

 

„Warum denn machen viele jetzt so viele Worte, aber finden keine? Weil keine Schreckerfahrung herrscht und keine Deutertradition? Weil der alte Schrecken nicht mehr neu ist und der neue ins Ungeheure hineinreißt?

Weil selbst der deutsche Schrecken, zum Pflichtschreck und zum Schreckensinstrument gemacht, nicht mehr uns_glich ist und unbestraft gesungen werden darf?

Weil böse, böse Zeichen an der Wand stehn, »mene mene tekel«, die keiner deuten kann, der nicht wie Daniel, der Liebling, aus dem Buch der Bücher, das dritte Auge hat, das dritte Ohr, die andren Worte für die andren Bilder? Worte, mit denen du hören kannst und deinen Krach zum Schweigen bringst, so daß du siehst.

Vielleicht werden wir ja verrückt, hat Jaron Lanier, der Erfinder des Begriffs »Virtual Reality«, gesagt. Vielleicht stehen die beiden Türme ja noch oder standen ja nie.

Wie war noch die Geschichte, und was steht an der Wand? »Mene mene tekel u-farsin«. Wir lesen es seit Jahren an jeder babelhaften Spiegelwand, laden wie König Belsazar die tausend Gewaltigen, die Weiber und die Kebsweiber zum Gastmahl, saufen uns voll mit denen, saufen wie die, huldigen wie die hölzernen, eisernen, steinernen Göttern, sehen die Schrift an der Wand, saufen weiter, huldigen weiter und fragen die Weisen, wie Belsazar die Weisen von Babel gefragt. Aber die haben

mitgesoffen und mitgehuldigt und können die Schrift nicht mehr deuten.

Vielleicht werden wir ja verrückt, hat Jaron Lanier gesagt, wir saufen und wir huldigen, die Schrift flammt, die Welt geht unter, es ist kein Schalter da, uns abzuschalten.“

 

 

 1025823-ddbdbdb0e4419e73172067ff1cba64f1.jpg

Ulla Unseld-Berkéwicz (Gießen, 5 november 1948)

Staande voor een foto van Siegfried Unseld

 

 

 

 

De Russische schrijver Mikhail Artsybashev werd geboren op 5 november 1878 in Dubroslavovka. Zie ook mijn blog van 5 november 2008 en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.
 

Uit: Sanin (Vertaald door Percy Pinkerton)

 

„Her mother, too, felt depressed. It pained her to think that her son did not occupy the position to which, socially, he was entitled. She began by telling him that things could not go on like this, and that he must be more sensible in future. At first she spoke warily, but when she saw that he paid scarcely any attention to her remarks, she grew angry, and obstinately insisted, as stupid old women do, thinking her son was trying to tease her. Sanine was neither surprised nor annoyed: he hardly

seemed to understand what she said, but looked amiably indifferent, and was silent.

Yet at the question, "How do you propose to live?" he answered, smiling, "Oh! somehow or other."

His calm, firm voice, and open glance made one feel that those words, which meant nothing to his mother, had for him a deep and precise significance.

Maria Ivanovna sighed, and after a pause said anxiously: "Well, after all, it's your affair. You're no longer a child. You ought to walk round the garden. It's looking so pretty now."

"Yes, of course! Come along, Lida; come and show me the garden," said Sanine to his sister, "I have quite forgotten what it looks like."

Roused from her reverie, Lida sighed and got up. Side by side they walked down the path leading to the green depths of the dusky garden. The Sanines' house was in the main street of the town, and, the town being small, their garden extended as far as the river, beyond which were fields. The house was an old mansion, with rickety pillars on either side and a broad terrace. The large gloomy garden had run to waste; it looked like some dull green cloud that had descended to earth. At night it seemed haunted. It was as if some sad spirit were wandering through the tangled thicket, or restlessly pacing the dusty floors of the old edifice. On the first floor there was an entire suite of empty rooms dismal with faded carpets and dingy curtains. Through the garden there was but one narrow path or alley, strewn with dead branches and crushed frogs. What modest, tranquil life there was appeared to be centred in one corner. There, close to the house, yellow sand and gravel gleamed, and there, beside neat flower-beds bright with blossom stood the green table on which in summer-time tea or lunch was set. This little corner, touched by the breath of simple peaceful life, was in sharp contrast to the huge,

deserted mansion, doomed to inevitable decay.“

 

 

1025823-e41ac5f37c21ac5121228316d431f3ee.jpg
Mikhail Artsybashev (5 november 1878 – 3 maart 1927)





Zie voor nog meer schrijvers van de 5e november ook mijn vorige blog van vandaag.
Geschreven door Romenu om 18:46 Reageer op dit bericht

Ella Wheeler Wilcox, James Elroy Flecker, Washington Allston, Anna Maria van Schurman, Hans Sachs

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Ella Wheeler Wilcox werd geboren op 5 november 1850 in Johnstown, Wisconsin. Zie ook mijn blog van 5 november 2008 en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

 

 

Love is enough

 

Love is enough. Let us not ask for gold.
Wealth breeds false aims, and pride and selfishness;
In those serene, Arcadian days of old
Men gave no thought to princely homes and dress.
The gods who dwelt on fair Olympia's height
Lived only for dear love and love's delight.
Love is enough.

Love is enough. Why should we care for fame?
Ambition is a most unpleasant guest:
It lures us with the glory of a name
Far from the happy haunts of peace and rest.
Let us stay here in this secluded place
Made beautiful by love's endearing grace!
Love is enough.

Love is enough. Why should we strive for power?
It brings men only envy and distrust.
The poor world's homage pleases but an hour,
And earthly honours vanish in the dust.
The grandest lives are ofttimes desolate;
Let me be loved, and let who will be great.
Love is enough.

Love is enough. Why should we ask for more?
What greater gift have gods vouchsafed to men?
What better boon of all their precious store
Than our fond hearts that love and love again?
Old love may die; new love is just as sweet;
And life is fair and all the world complete:
Love is enough!

 

 

 

Does It Pay?

 

If one poor burdened toiler o’er life’s road,
Who meets us by the way,
Goes on less conscious of his galling load,
Then life, indeed, does pay.

If we can show the troubled heart the gain
That lies always in loss,
Why, then, we too are paid for all the pain
Of bearing life’s hard cross.

If some despondent soul to hope is stirred,
Some sad lip made to smile,
By any act of ours, or any word,
Then, life has been worth while.

 

 

 

1025817-b097329e9797642f00f5bd50e15ea7a9.jpg 

Ella Wheeler Wilcox (5 november 1850 – 30 oktober 1919)

 

 

 

 

De Engelse dichter en schrijver James Elroy Flecker werd geboren op 5 november 1884 in Londen. Zie ook mijn blog van 5 november 2008 en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.
 

 

Ballad of the Londoner

 

Evening falls on the smoky walls,

And the railings drip with rain,

And I will cross the old river

To see my girl again.

The great and solemn-gliding tram,

Love's still-mysterious car,

Has many a light of gold and white,

And a single dark red star.

 

I know a garden in a street

Which no one ever knew;

I know a rose beyond the Thames,

Where flowers are pale and few.

 

 

 

My Friend

 

I had a friend who battled for the truth

With stubborn heart and obstinate despair,

Till all his beauty left him, and his youth,

And there were few to love him anywhere.

Then would he wander out among the graves,

And think of dead men lying in a row;

Or, standing on a cliff observe the waves,

And hear the wistful sound of winds below;

 

And yet they told him nothing. So he sought

The twittering forest at the break of day,

Or on fantastic mountains shaped a thought

As lofty and impenitent as they.

 

And next he went in wonder through a town

Slowly by day and hurriedly by night,

And watched men walking up the street and down

With timorous and terrible delight.

 

Weary, he drew man's wisdom from a book,

And pondered on the high words spoken of old,

Pacing a lamplit room: but soon forsook

The golden sentences that left him cold.

 

After, a woman found him, and his head

Lay on her breast, till he forgot his pain

In gentle kisses on a midnight bed,

And welcomed royal-winged joy again.

 

When love became a loathing, as it must,

He knew not where to turn; and he was wise,

Being now old, to sink among the dust,

And rest his rebel heart, and close his eyes.

 

 

1025817-fc69c137c7d98f6c5bf0b6c0699d27f5.jpg 

James Elroy Flecker (5 november 1884 – 3 januari 1915)

 

 

 

 

De Amerikaanse schilder en dichter Washington Allston werd geboren op 5 november 1779 in de buurt van Charleston, South Carolina. Zie ook mijn blog van 5 november 2008 en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

 

 

THE PAINT-KINGS (Fragment)

 

Fair Ellen was long the delight of the young,

No damsel could with her compare;

Her charms were the theme of the heart and the tongue.

And bards without number in extacies sung,

The beauties of Ellen the fair.

 

Yet cold was the maid; and tho' legions advanced,

All drill'd by Ovidean art,

And languish'd, and ogled, protested and danced,

Like shadows they came, and like shadows they glanced

From the hard polish'd ice of her heart.

 

Yet still did the heart of fair Ellen implore

A something that could not be found;

Like a sailor she seem'd on a desolate shore,

With nor house, nor a tree, nor a sound but the roar

Of breakers high dashing around.

 

From object to object still, still would she veer,

Though nothing, alas, could she find;

Like the moon, without atmosphere, brilliant and clear,

Yet doom'd, like the moon, with no being to cheer

The bright barren waste of her mind.

 

But rather than sit like a statue so still

When the rain made her mansion a pound,

Up and down would she go, like the sails of a mill,

And pat every stair, like a woodpecker's bill,

From the tiles of the roof to the ground.

 

One morn, as the maid from her casement inclin'd,

Pass'd a youth, with a frame in his hand.

The casement she clos'd--not the eye of her mind;

For, do all she could, no, she could not be blind;

Still before her she saw the youth stand.

 

 

 

 

 1025817-a7c339b0172313bb8748ea4c7ee97ef7.jpg

Washington Allston (5 november 1779 – 9 juli 1843)

Portret in het The Hooper-Lee-Nichols House, Cambridge, Massachusetts

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Anna Maria van Schurman werd geboren in Keulen op 5 november 1607. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Anna Maria van Schurman op dit blog.

 

Uit: Brief aan Marie Jars de Gournay

      Anna Maria van Schurman aan mevrouw De Gournay

 

„Mevrouw,

Als ik blijk heb gegeven van de ontroering die ik voel met betrekking tot de voordelen die uw heroïsche deugden aan onze sexe hebben verschaft, dan was dat slechts geweest om me te ontslaan van een plicht die de gerechtigheid mij voorhoudt. Welnu, de brief die u zo goed was om aan mij te schrijven toont ons voldoende dat uw beschaafdheid zich nooit meet aan haar objecten en dat zij geen grenzen kent dan van haar zelf. Vandaar komt het dat u er niet op neerkeek om mij te bedanken voor wat u naar rechte toekomt, ware het niet dat u mij de hoop had gegeven dat mijn naam in de toekomst door de gunst van uw muze onsterfelijk zal worden. Zeker zou ik ook het geluk dat u mij zo snel en vrijgevig in het vooruitzicht stelt, waardig willen zijn en dat u aantreft in de harmonie en symmetrie tussen het verheven karakter van uw stijl en tussen de nederigheid van het onderwerp. Maar wat er ook van kome, ik beeld me door een zoete droom in dat de trekken van affectie die in de brief te lezen zijn, mij zonder twijfel niet minder tot eer zullen strekken dan de eer van een lof die ik volgens u zou hebben verdiend.

Wat betreft uw mening dat u vindt dat ik me teveel bezig houd met de studie van talen, kan ik u verzekeren dat ik er slechts de uren van mijn vrije tijd insteek en soms na tamelijk lange tussenpozen, indien u me toestaat om een uitzondering te maken voor de heilige taal. Want behalve dat zij als onderwerp het woord van God heeft die het belangrijkste voorwerp in onze gedachten moet zijn, is er geen vertaling die ons zo goed de ongekunsteldheid en de nadruk van deze heilige mysterieën uitdrukt.“

 

 

1025817-51baebb49d3dee10e618c3211a555f48.jpg
Anna Maria van Schurman (5 november 1607 – 4 of 14 mei 1678)

Portret door Cornelis Janssens van Ceulen, 1657

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Sachs werd op 5 november 1494 in Nürnberg geboren als zoon van een kleermaker. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Hans Sachs op dit blog.

 

 

Das alphabet

In der hagenblütweis Heinrich Frauenlobs.

1.

Athenodorus weise,
als der zu Rom was worden alt
und heim begeret in sein vatterlande,
Bat Augustum mit fleise,
der gab im günstig des gewalt.
also rüst er sich auf die reis zuhande.
Als der weis den keiser gesegnet eben,
da wolt er im noch zu gedenken geben
ein ler, die im hülf, weil er het das leben.

2.

»Keiser hör zu der letze,
sprach er, wan du in zoren brennst,
solstu gar nichts reden oder fürhaben,
Bis du nach meim gesetze
heimlich bei dir zelst unde nennst
die vier und zwenzig kriechischen buchstaben,
das du nit etwas handelst on verstande.«
der keiser zog den weisen bei der hande,
sprach: »ich darf dein noch lenger in dem lande.«

3.

Behielt in noch ein jare –
als das Plutarchus uns beschreib.
bei der geschicht ein weiser man sol merken,
Das er nit herein fare,
wan in sein zoren dreng und treib:
gäh schnelle wort, die tun den zoren sterken,
Sunder stilschweiget tu ein zeit lang beiten,
weil man im sprichwort sagt in langen zeiten,
wie das ein gäher man sol esel reiten.

 

 

 

 1025817-5c3c698aa6d7b4f7e9ea091011ca9e77.jpg

Hans Sachs (5 november 1494 -19 janauari 1576)

Houtsnede door Michael Ostendorfer

Geschreven door Romenu om 18:38 Reageer op dit bericht

Bert Wagendorp

De Nederlandse schrijver en journalist Bert Wagendorp werd geboren in Groenlo op 5 november 1956. Wagendorp studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daarna was hij enige tijd werkzaam als copywriter in de reclame. In 1985 werd hij sportverslaggever bij de Leeuwarder Courant. In 1988 verhuisde hij naar de Volkskrant. Voor die krant versloeg hij tussen 1989 en 1994 zes keer de Tour de France. Van 1996 tot 2000 was hij correspondent in Londen. In 1995 verscheen zijn roman De Proloog, de beklemmende beschrijving van een doorwaakte nacht van een wielrenner die de proloog van de Tour de France moet winnen. Het boek kreeg uitstekende kritieken en werd in 2001 in het Duits vertaald (Der Prolog). In 2005 verscheen De dubbele schaar, een bundel met vier fictieve verhalen tegen een min of meer herkenbare, historische sportieve achtergrond. De dubbele schaar werd derde in de verkiezing van het beste sportboek van 2005, de Nico Scheepmaker Beker. In 2006 kwam bij uitgeverij L.J. Veen het boek Sportleven uit, met zijn verzameld sportwerk, waaronder een keuze uit de sportcolumns die hij tussen 2000 en 2006 schreef voor de Volkskrant. In december 2006 volgde hij Jan Blokker bij de Volkskrant op als algemeen columnist. Bert Wagendorp is mede-oprichter en redacteur van het literaire wielertijdschrift De Muur. Hij schreef het hoofdverhaal van het boek Tussen Bordeaux en Alpe d'Huez, over de Nederlandse aanwezigheid in de Tour de France. Daarnaast verschenen verhalen van zijn hand in het literaire voetbaltijdschrift Hard Gras en het literaire schaatstijdschrift Zwart IJs.

 

Uit: Uit het water klinkt een klaaglied uit verdronken mobieltjes (Column)

„In de Rijn bij Alphen aan den Rijn liggen vijf mobieltjes. Ik weet dat, omdat Martin Verkerk ze er zelf heeft ingeflikkerd. Hij vertelde dat in een interview met de Volkskrant. Hij gooide ze in de Rijn uit woede en frustratie. Ook brak hij daarom alles af wat in zijn buurt kwam. Verder was het vloeken, janken en zuipen, ook al uit frustratie.

Martin Verkerk is topsporter. Hij bereikte in 2003 de finale van Roland Garros in Parijs, waarna hij op een boerenwagen door zijn dorp werd gereden en iedereen hem geweldig vond.

Martin heeft daarna erg getobd met zijn schouder. Daarvoor moest hij steeds naar New York, want van schouders weten ze hier niks. Hij raakte door dit gedoe ook nog in een soort depressie en kreeg verder de ziekte van Pfeiffer. Daardoor ging hij zuipen en zag hij ‘alle kroegen’ van de Randstad van binnen.

Ik wil daar niet denigrerend over doen. Het zijn er nogal wat, alle kroegen van de Randstad, en dan ook nog zuipen, mét die zere schouder, ik geef het je te doen. Je merkt bij topsporters altijd weer dat ze de lat graag hoog leggen.

Martin Verkerk over zijn gezuip: ‘Wat kon ik anders?’

Ik zou het echt niet weten. Het is nu eenmaal verdomd moeilijk jezelf zo’n geweldige trap onder je reet te geven dat je met een grote boog zelf de Rijn invliegt, achter je mobieltjes aan.

Veel topsporters zijn best te pruimen, vooral degenen die inzien dat wat ze doen weliswaar best aardig is, maar dat er ook ándere bezigheden bestaan die minstens zo zinvol zijn als per fiets een berg beklimmen of een balletje met tweehonderd kilometer per uur over een net meppen – de specialiteit van Martin Verkerk vóór hij mobieltjes met een kilometertje of vijftig de Rijn in sodemieterde.“

 

 

 1192129-22ad858f44e94a3df85743d56c9ac5ed.jpg

Bert Wagendorp (Groenlo, 5 november 1956)
Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten