Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 4 januari 2012 tot 5 januari 2012

Umberto Eco, Friedrich Dürrenmatt, Ngũgĩ wa Thiong'o, Paul Ingendaay, László Krasznahorkai, Forough Farokhzad

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook mijn blog van 5 januari 2007 en ook mijn blog van 5 januari 2008 en ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2010 en ook mijn blog van 5 januari 2011.

 

Uit: De begraafplaats van Praag (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)

 

“Ik voel een zekere gêne nu ik me aan het schrijven zet, net alsof ik mijn ziel blootleg, op bevel – nee, laten we zeggen: op instigatie – van een Duitse Jood (of een Oostenrijkse, maar dat komt op hetzelfde neer). Wie ben ik? Wellicht kan ik mezelf beter vragen stellen over de hartstochten waardoor ik wellicht nog gedreven word dan over de feitelijkheden van mijn leven. Van wie hou ik? Er komen me geen geliefde gezichten voor de geest. Ik weet dat ik van lekker eten hou: alleen al bij het horen van de naam La Tour d’Argent trekt er een siddering door mijn hele lichaam. Is dat liefde?
Wie haat ik? Joden, zou ik bijna zeggen, maar het feit dat ik zo slaafs zwicht voor de aansporingen van die Oostenrijkse (of Duitse) arts, toont aan dat ik niets tegen die verdomde Joden heb.
Het enige wat ik over de Joden weet, is wat mijn grootvader me heeft geleerd: - Ze zijn het atheïstische volk par excellence, zei hij. Ze gaan uit van de visie dat het goede hier verwezenlijkt dient te worden, en niet aan geen zijde van het graf. En dientengevolge zetten ze zich uitsluitend in voor de verovering van deze wereld.
Mijn jeugdjaren zijn verziekt door hun spookbeeld. Grootvader vertelde me over hun ogen die je beloerden, ogen waar je bleek van wegtrok, over hun valse glimlachjes, hun lippen die ze als hyena’s over hun tanden omhoog krulden, die dreigende, ontaarde, dierlijke blikken van ze, die altijd zo gekwelde, door haat gedolven groeven tussen hun neus en lippen, die neus van ze, net de snavel van een roofvogel… En hun ogen… o, die ogen… Ze wentelen koortsig rond een pupil met de kleur van geroosterd brood en verraden ziektes van een lever die is aangevreten door de secreties van een achttien eeuwen durende haat, ze plooien zich over duizenden rimpeltjes die mettertijd steeds geprononceerder worden: als een Jood twintig is, lijkt hij al een oude kerel, zo verschrompeld is hij. Als hij lacht, gaan zijn dikke oogleden zo ver dicht dat er nog maar net een spleetje open blijft, kenmerk van sluwheid volgens sommigen, van wellust, preciseerde mijn grootvader…

 

 

 1067052-ab407270981d7551bd078824bc03ab64.jpg

Umberto Eco (Allasandria, 5 januari 1932)

 

 

 

 

De Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt werd geboren op 5 januari 1921 in Konolfingen. Zie ook mijn blog van 5 januari 2007 en ook mijn blog van 5 januari 2008 en ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2010 en ook mijn blog van 5 januari 2011.
 

Uit: Grieche sucht Griechin

 

“Es regnete stundenlang, nächtelang, tagelang, wochenlang. Die Straßen, die Avenuen, die Boulevards glänzten vor Nässe, den Gehsteigen entlang flossen Rinnsale, Bäche, kleinere Flüsse, die Automobile schwammen herum, die Menschen gingen unter Schirmen, waren in Mäntel gehüllt, liefen mit nassen Schuhen und immer feuchten Strümpfen, die Riesen, Putten und Aphroditen, die teils die Balkone der Palais und Hotels trugen, teils sonst an den Fassaden klebten, troffen, tropften, waren übergossen von Wasserfäden, von Vogelmist, der sich auflöste, und unter dem griechischen Giebel des Parlaments suchten zwischen den Beinen und Brüsten der patriotischen Reliefs die Tauben Schutz. Es war ein peinlicher Januar. Dann kam der Nebel, auch er tagelang, wochenlang, eine Grippeepidemie, nicht gerade gefährlich für anständige, sozial gesicherte Leute, zwar einige alte Erbonkel und Erbtanten dahinraffend, einige ehrwürdige Staatsmänner, doch sonst nur massenhaft die Vagabunden unter den Brücken am Strom. Dazwischen wieder Regen. Immer wieder.”

(…)

 

“Bibi kam mit Weib, zwei Mätressen und den sieben Kinderchen, von denen die ältesten, Theophil und Gottlieb, beinahe erwachsen waren. Magda-Maria, dreizehn Jahre, brachte einen Verehrer mit. Bibi erwies sich als ein gottvergessener Säufer, die Frau war vom "Onkel" begleitet, wie man ihn nannte, einem ausgedienten Kapitän, und nicht umzubringen. Es war ein Mordsspektakel, der selbst den Radsportfreunden zu viel wurde. Theophil prahlte von seinem Zuchthausaufenthalt, Gottlieb von einem Bankeinbruch, Matthäus und Sebastian, zwölf und neun Jahre, stachen mit Messern, und die beiden Jüngsten, Zwillinge, sechsjährig, Jean-Christoph und Jean-Daniel, rauften sich um eine Absinthflasche.”

 

 

 1067052-473c7af64f3c96622814d238475ed5d6.jpg

Friedrich Dürrenmatt (5 januari 1921 – 14 december 1990)

  

 

 

 

De Keniase schrijver Ngũgĩ wa Thiong'o werd geboren op 5 januari 1938 in Kamiriithu, Limuru, Kenia. Zie ook mijn blog van 5 januari 2007 en ook mijn blog van 5 januari 2008 en ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2010 en ook mijn blog van 5 januari 2011.

 

Uit: Petals of Blood

 

“Inspector Godfrey sat by the window of a first-class coach and watched the fields roll away: neat, man-controlled beauty of coffee and tea plantations on hillsides and valleys and ridges. His mind was not wholly on the undulating landscape between Ruwa-ini and Nairobi, but was still in New Ilmorog. He should now have been experiencing that inner satisfaction he always felt whenever he put a crime jigsaw puzzle together: but instead he felt an inner discomfort, a slight irritability. He was a little surprised at himself because this kind of unease was hopelessly out of character with the equanimity with which he was wont to view the flow of social and political events. Not that he was interested in the likes of Karega. For such destroyers of order he had no feelings. Inspector Godfrey, a self-made man, for his formal education had not taken him beyond Form 2 and yet see where he was, the heights he had reached through study, application and through an instinctive fear of stirring the bottom of the pool. He had been brought up to believe in the sanctity of private property. The system of private ownership, of means of production, exchange and distribution, was for him synonymous with the natural order of things like the sun, the moon and the stars which seemed fixed and permanent in the firmament. Anybody who interfered with that ordained fixity and permanence of things was himself unnatural and deserved no mercy: was he not inviting chaos such as would occur if some foolish astronaut/cosmonaut should go and push the sun or moon from its place? People like Karega with their radical trade unionism and communism threatened the very structure of capitalism: as such they were worse than murderers. Inspector Godfrey always felt a certain protective relationship to this society.”

 

 

 1067052-70ef3dd3c4b6812bcbdb4edb0802669c.jpg

Ngũgĩ wa Thiong'o (Kamiriithu, 5 januari 1938)

 

 

 

 

De Duitser schrijver, criticus en literatuurwetenschapper Paul Ingendaay werd geboren op 5 januari 1961 in Keulen. Zie ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2010 en ook mijn blog van 5 januari 2011.

 

Uit: Gebrauchsanweisung für Spanien

 

“Aber es steht wohl außer Frage, daß Reisende der letzten zweihundert Jahre, aus welcher Kultur sie auch kommen mochten, von der Geberlaune der Einheimischen beeindruckt waren und sie beschrieben haben. Der amerikanische Schriftsteller William Gaddis, in dessen erstem Roman Die Fälschung der Welt das Land tiefe Spuren hinterlassen hat, nannte diese Eigenschaft generosity of spirit, womit Geist, Gesinnung und Charakter gemeint waren. Die Formulierung ist nicht zu übertreffen. Sie enthält das Materielle und das Immaterielle, die Gesten der Gastlichkeit ebenso wie die Fähigkeit, sich die Nöte des anderen zu eigen zu machen, zu geben, zu teilen und über alldem die Zeit zu vergessen. Hinter der spanischen Großzügigkeit steht kein Kalkül.

Stellen wir uns eine junge Frau in Deutschland vor, die ein Ersatzteil für ihre Vespa braucht, sagen wir, ein Vorderlicht. Es handelt sich um ein älteres Modell, wie es heute nicht mehr hergestellt wird. Die junge Frau fährt mit ihrem Motorroller zur Vespa-Werkstatt, und der Händler sagt ihr: Nein, ein solches Licht führe er nicht, das kaufe niemand mehr. Wenn die junge Frau dem Händler nun antwortet, er solle bitte schön mal in seinem Lager nachschauen, ob er das Vorderlicht vielleicht nicht doch irgendwo ...? "Hören Sie", entgegnet der Händler gereizt, "ich kenne doch mein Lager!" Die junge Frau nickt und zieht von dannen. Sie bezweifelt nicht, daß der Händler sein Lager kennt. Es ist ein deutscher Händler.

Dieselbe junge Frau sucht ihr Ersatzteil in Spanien, sagen wir, in Madrid. Sie fährt mit ihrer Vespa zur Werkstatt und erkundigt sich. José, so nennen wir den jungen Mann im Hof, zuckt ratlos die Achseln. Er ruft Ramón, der hinzutritt und anerkennend die junge Frau und die schöne alte Vespa mustert. Dann schüttelt Ramón den Kopf. Er pfeift durch die Zähne, und Paco taucht auf. Aber auch Paco, der die Vespa ebenfalls bewundert, kann sich nicht erinnern, ein solches Vorderlicht - nicht kantig, sondern gerundet - im Lager gesehen zu haben.”

 

 

 1067052-d76e2e620c747622850ed588d64a3486.jpg

Paul Ingendaay (Keulen, 5 januari 1961)

 

 

 

 

De Hongaarse schrijver László Krasznahorkai werd geboren op 5 januari 1954 in Gyula. Zie ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2010 en ook mijn blog van 5 januari 2011.

 

Uit: Das Netz zerreisst (Vertaald door Hans Skirecki)

 

“Es war nicht leicht. Seinerzeit hatte sogar sie zwei Tage gebraucht, bis sie endlich herausfand, wohin sie die Füße setzen, woran sie sich festhalten und wie sie sich durch das auf den ersten Blick hoffnungslos eng scheinende Loch pressen mußte, das sich an der Rückseite des Hauses unter dem Vordach befand, wo ein paar Bretter fehlten; jetzt dauerte es freilich nur noch eine halbe Minute: Mit gewagten, aber geschickt abgestimmten Bewegungen sprang sie auf den mit einer schwarzen Plane abgedeckten Holzstapel, hielt sich an der Dachrinnenhalterung fest, steckte das linke Bein in die Öffnung und bewegte es seitwärts, dann kroch sie mit dem Kopf voran in einem Schwung hinein, stieß sich mit dem anderen Bein ab und stand auch schon in dem einst für Tauben abgetrennten Teil des Dachraums, in diesem ihrem Reich, dessen Geheimnis sie allein kannte; hier brauchte sie nicht die unerwarteten und unverständlichen Attacken ihres Bruders zu befürchten, und daß sie durch längere Abwesenheit nicht den Argwohn der Mutter und der Schwester weckte, die ihr – wenn es herauskäme – diese Ausflüge erbarmungslos verbieten würden (und dann wären alle weiteren Anstrengungen vergeblich), darauf achtete sie instinktiv. Aber jetzt zählte das nicht! Sie zog sich die nasse Trainingsjacke aus, zupfte ihr Lieblingskleid, das rosafarbene mit dem weißen Kragen, zurecht, setzte sich vor das Fenster und hörte mit geschlossenen Augen bibbernd und sprungbereit zu, wie der Regen auf die Ziegel prasselte. Mutter schlief unten im Haus, die Schwestern waren heut auch zum Mittagessen nicht heimgekommen, so schien es fast sicher, daß man sie am Nachmittag nicht suchen würde, höchstens Sanyi, von dem sie nie wußte, wo er sich gerade herumtrieb, und der deshalb immer unverhofft auftauchte, als forschte er auf dem Einödhof nach der Erklärung für irgendein verborgenes Geheimnis, das nur so – mit einem plötzlichen Überraschungsangriff – aufzudecken wäre. Eigentlich hätte sie kaum einen Grund zu Befürchtungen gehabt, denn letzten Endes suchte man sie nie, im Gegenteil, eher gebot man ihr streng, sich fernzuhalten, besonders wenn ein Besucher im Haus weilte, und das geschah oft. So geriet sie ins Niemandsland, konnte sie doch nicht beiden Aufforderungen zugleich Folge leisten: weder in der Nähe der Tür bleiben noch sich allzuweit entfernen, denn sie wußte, daß sie jederzeit gerufen werden konnte (so: »Lauf und hol eine Flasche Wein!«, oder: »Bring mir mal drei Päckchen Zigaretten, Kossuth, vergißt du es auch nicht, mein Kind?«), und wehe, sie war ein einziges Mal nicht zur Stelle, dann würde man sie endgültig aus dem Haus jagen.”

 

 

 1067052-f7923511fdfbd46b470e02f152d3dccd.jpg

László Krasznahorkai (Gyula, 5 januari 1954)

 

 

 


De Iraanse dichteres
Forough Farokhzad werd geboren op 5 januari 1935 in Teheran. Zie ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2011.

 

 

I will greet the sun again

 

I will greet the sun again;

I will greet the streams which flowed in me;

I will greet the clouds which were

my lengthy thoughts;

I will greet the painful growth of poplars

Which pass through the dry seasons;

I will greet the flocks of crows

Which brought me, as presents,

The sweet smells of the fields at night;

I will greet my mother who lived in the mirror

And was the image of my old age;

And I will also greet the earth whose burning womb

Is filled with, green seeds by the passion she has

for reproducing me.

 

I will come, I will come,

I will come with my hair,

As the continuation of the smells of the soil;

With my eyes, as the dense experiences of darkness,

Carrying the bushes I have picked in the woodlands

beyond the wall.

 

I will come, I will come,

I will come and the entrance will be filled with love;

And at the entrance I will greet again

those who are in love,

And also the girl who is still standing

At the entrance in diffusion of love.

 

 

 

 1067052-a1f415846268f5de7935cade77711502.jpg

Forough Farokhzad (5 januari 1935 – 13 februari 1967)

 

 



Zie voor nog meer schrijvers van de 5e januari ook
mijn blog van 5 januari 2011 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.
Geschreven door Romenu om 19:07 Reageer op dit bericht

Emil Zopfi, Fernand Handtpoorter, David Berman, Andreas Altmann, Max Eastman

De Zwitserse schrijver Emil Zopfi werd geboren op 4 januari 1943 in Wald. Zie ook mijn blog van 4 januari 2009 en ook mijn blog van 4 januari 2010 en ook mijn blog van 4 januari 2011.

 

Uit: Londons letzter Gast

 

„Auf einem Tisch türmen sich rechteckige Kartonstücke mit runden Löchern, die mit Leinenstreifen zusammengeklebt und wie eine Handharmonika gefalteten sind. "Was ist das?" Der Professor stellt eine Prüfungsfrage.

Alex antwortet gehorsam: "Das Programm."

"Richtig! Ada hat es geschrieben. Also ich meine, Ann ... Ein zyklischer Algorithmus, der sich endlos wiederholt und in einem immer exakteren Resultat konvergiert. Ada bezeichnete die Analytical Engine als ?die Maschine, die sich in den eigenen Schwanz beisst?. Wie recht sie hatte, beweisen die Ereignisse dieser Tage."

"Was leistet das Programm?"

"Berechnung der Zahl Pi ..." Liebevoll lässt Crick die Programmharmonika durch seine Finger schnarren. Dann flüstert er: "In allen Geschichtsbüchern steht, Babbage sei gescheitert. Er habe seine Maschine nie vollendet. Eine Lüge. Was sie hier sehen, ist seine Konstruktion. Es ist das Original, gebaut von Joseph Clement. Ich habe sie hier im Keller entdeckt, in einem gefangenen Raum, nachdem wir das Haus gekauft hatten. Ada hat sie programmiert. Sie funktioniert. Hier ist der Beweis ..." Er schreitet zu den Zahlensäulen, liest die Ziffern von den Rädern "3.1415926535. Pi auf elf Stellen, wie finden Sie das?"

"Moderne Computer haben Pi auf Millionen von Stellen berechnet. Was soll das?"

"Sie hatten! Die Analytical Engine ist der einzige Computer in London, der noch zuverlässig arbeitet. Er war der letzte und wird der erste sein. Wie es in der Bibel steht."

Alex schaut zu, wie Crick mit einem Schraubenzieher im Mechanismus stochert. Er wird das Gefühl nicht los, es habe sich nichts bewegt ausser der Handkurbel und ein paar Zahnrädern. Alles ist Betrug, man spielt ihm etwas vor, hat ihn in eine Falle gelockt. Oder dann ist Crick wirklich ein Verrückter, von der Geschichte besessen wie Laurie, der Ripperologe. Vom gleichen Wahn gepackt, nur in der Vergangenheit würden sich die Lösungen finden für die Probleme der Zukunft.“

 

 

 1066369-3b6ba9eec41706a988b937c7b6ab9b69.jpg

Emil Zopfi (Wald, 4 januari 1943)

 

 

 


De Vlaamse dichter en (toneel)schrijver
Fernand Handtpoorter werd geboren in Poperinge op 4 januari 1933. Zie ook mijn blog van 4 januari 2009 en ook mijn blog van 4 januari 2011.

 

 

Paar

 

Zij dragen de last van de aarde

samen en het gewicht van hun dromen

daarbij. Als zij elkaar aanvaarden

worden zij verder ingenomen.

 

De citadel die zij weerbaar bewonen,

de heimelijk gekuilde zekerheden

worden gesloopt. Schimmige demonen

worden verjaagd als zij elkaar betreden.

 

Ramen worden gezeemd. Mist en nevel

trekken op. Verte wordt toegankelijk.

terwijl de wederzijdse wrevel

verdwijnt worden zij aanhankelijk.

 

Bijna vriendelijk de barbaarse wereld

tegemoet, listigheden, brandend braambos,

onder gejuich van muitende merels,

eksters, spreeuwen, worden zij verlost


van blinde eenzelvigheid, tot in hun merg

elkaar, elkanders stralend deel:

dan is er voor elkaar geen wijk – noch berg-

plaats meer, niets dat hen verdeelt.

 

 

 

Bruiloft

 

Hij keek als glas, volkomen leeg.

Door hem heen keken de blinden

zonder verwachting van vinden

of wedervinden. De kamer zweeg.

 

Haar onbemande hart, het onbeminde,

verwachtte minder dan het kreeg

al kreeg het niets. Het bloedde leeg

en van zijn inhoud was geen spoor te vinden.

 

De spiegel had zijn kwetsbare zijde

naar haar gewend, het ongekreukt servies

kristallen vleugels uitgevouwen.

 

levend en waakzaam tussen beiden

lagen met kant geschoeide klauwen

onder de luchters van verlies.

 

 

 1066369-fea96f0987c821b929485154148e3109.jpg

Fernand Handtpoorter (4 januari 1933 - 5 augustus 2007)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter, songwriter en frontman van Silver Jews David Berman werd geboren op 4 januari 1967 in Williamsburg, Virginia. Zie ook mijn blog van 4 januari 2009 en ook mijn blog van 4 januari 2010.

 

 

And the Others

 

Some find The Light in literature;

Others in fine art,

And some persist in being sure

The Light shines in the heart.

 

Some find The Light in alcohol;

Some, in the sexual spark;

Some never find The Light at all

And make do with the dark,

 

And one might guess that these would be

A gloomy lot indeed,

But, no, The Light they never see

They think they do not need.

 

End of the Cruise

 

Ready to disembark,

We're mostly puff and grey.

Who else can sail this ark?

Who else afford such play?

 

Our bags are overpacked

Protruding like our flesh,

The proof of nothing lacked

That money can enmesh.

 

Before we booked, we viewed

Pictures in which the young

And svelte declared the moods

We hoped to move among.

 

We fidget, wait to be

Called back to land once more,

Selves dragged from the sea

We meant to leave on shore.

 

 

 

 1066369-d4c71c488fd46277b1eb2dfe37bc26a3.jpg

David Berman (Williamsburg, 4 januari 1967)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Altmann werd geboren in Hainichen (Sachsen) op 4 januari 1963. Zie ook mijn blog van 8 juni 2009 en ook mijn blog van 4 januari 2010 en ook mijn blog van 4 januari 2011.

 

 

groß und still

 

knietief ragen brückenpfeiler aus dem boden,
durch gestrüpp und junge bäume getrennt.

ihnen wurde die zeit abgenommen. einen ruf
weit stellt sich das haus seiner leere.

der april hängt grüne tücher ins holz.
zwölf tauben, als ich ihnen zu nahe komm,

steigen mit schweren flügeln durch die zweige.
einige brechen. leg zwei federn ins grab,

damit die seele sie trägt, las ich in deinem an
gefangenen brief. solche worte kannten

dein schweigen. wieder hatten sie einen weg
in die breite gezogen. das feuer dafür brannte

wochen. die augen. das haar. deine hand.
ich fühl noch wie sie in meiner liegt, groß

und still, wenn ich dich anseh.

 

 

 

 

 1066369-e6b409912e2e842329216f26b378dda8.jpg

Andreas Altmann (Hainichen, 4 januari 1963)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Max Forrester Eastman werd geboren op 4 januari 1883 in Canandaigua, N.Y. Zie ook mijn blog van 4 januari 2009 en ook mijn blog van 4 januari 2010 en ook mijn blog van 4 januari 2011.

 

 

To My Father

 

The eastern hill hath scarce unveiled his head,

And the deliberate sky hath but begun

To meditate upon a future sun,

When thou dost rise from thy impatient bed.

Thy morning prayer unto the stars is said.

And not unlike a child, the penance done

Of sleep, thou goest to thy serious fun,

Exuberant--yet with a whisper tread.

 

And when that lord doth to the world appear,

The jovial sun, he leans on his old hill,

And levels forth to thee a golden smile--

Thee in his garden, where each warming year

Thou toilest in all joy with him, to fill

And flood the soil with Summer for a while.

 

 

 

In a Red Cross Hospital

 

Today I saw a face--it was a beak,

That peered, with pale round yellow vapid eyes,

Above the bloody muck that had been lips

And teeth and chin. A plodding doctor poured

Some water through a rubber down a hole

He made in that black bag of horny blood.

The beak revived, it smiled--as chickens smile.

The doctor hopes he'll find the man a tongue

To tell with, what he used to be.

 

 

 

Car-Window

 

A light is laughing thro' the scattered rain,

A color quickens in the meadow;

Drops are still, upon the window-pane--

They cast a silver shadow.

 

 

 

 1066369-c4309554d9ac22a628097fc28c0a5378.jpg

Max Eastman (4 januari 1883 – 25 maart 1969)



Zie voor nog meer schrijvers van de 4e januari ook
mijn blog van 4 januari 2011 deel 1 en eveneens deel 2.
Geschreven door Romenu om 19:07 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten