Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 5 januari 2012 tot 6 januari 2012

Am Feste der heiligen drei Könige (Annette von Droste-Hülshoff)


Bij het feest van Driekoningen

 

 

 

 1067441-d511ccdd72bf87ceebab6d8a1162ccd5.jpg

Aanbidding door de drie koningen, Hendrick ter Brugghen, 1619

 

 

 

 

Am Feste der heiligen drei Könige

 

Durch die Nacht drei Wandrer ziehn,
Um die Stirnen Purpurbinden,
Tiefgebräunt von heißen Winden
Und der langen Reise Mühn.
Durch der Palmen säuselnd Grün
Folgt der Diener Schar von weiten;
Von der Dromedare Seiten
Goldene Kleinode glühn,
Wie sie klirrend vorwärts schreiten,
Süße Wohlgerüche fliehn.

 

Finsternis hüllt schwarz und dicht
Was die Gegend mag enthalten;
Riesig drohen die Gestalten:
Wandrer, fürchtet ihr euch nicht?
Doch ob tausend Schleier flicht
Los' und leicht die Wolkenaue:
Siegreich durch das zarte Graue
Sich ein funkelnd Sternlein bricht.
Langsam wallt es durch das Blaue,
Und der Zug folgt seinem Licht.

 

Horch, die Diener flüstern leis:
"Will noch nicht die Stadt erscheinen
Mit den Tempeln und den Hainen,
Sie, der schweren Mühe Preis?
Ob die Wüste brannte heiß,
Ob die Nattern uns umschlangen,
Uns die Tiger nachgegangen,
Ob der Glutwind dörrt' den Schweiß:
Augen an den Gaben hangen
Für den König stark und weiß."

 

Sonder Sorge, sonder Acht,
Wie drei stille Monde ziehen
Um des Sonnensternes Glühen,
Ziehn die Dreie durch die Nacht.
Wenn die Staublawine kracht,
Wenn mit grausig schönen Flecken
Sich der Wüste Blumen strecken,
Schaun sie still auf jene Macht,
Die sie sicher wird bedecken,
Die den Stern hat angefacht.

 

O ihr hohen heil'gen Drei!
In der Finsternis geboren
Hat euch kaum ein Strahl erkoren,
Und ihr folgt so fromm und treu!
Und du meine Seele, frei
Schwelgend in der Gnade Wogen,
Mit Gewalt ans Licht gezogen,
Suchst die Finsternis aufs Neu!
O wie hast du dich betrogen;
Tränen blieben dir und Reu!

 

Dennoch, Seele, fasse Mut!
Magst du nimmer gleich ergründen,
Wie du kannst Vergebung finden:
Gott ist über Alles gut!
Hast du in der Reue Flut
Dich gerettet aus der Menge,
Ob sie dir das Mark versenge
Siedend in geheimer Glut,
Läßt dich nimmer dem Gedränge,
Der dich warb mit seinem Blut.

 

Einen Strahl bin ich nicht werth,
Nicht den kleinsten Schein von oben.
Herr, ich will dich freudig loben,
Was dein Wille mir beschert!
Sei es Gram, der mich verzehrt,
Soll mein Liebstes ich verlieren,
Soll ich keine Tröstung spüren,
Sei mir kein Gebet erhört:
Kann es nur zu dir mich führen,
Dann willkommen Flamm' und Schwert!

 

 

 

 1067441-a8e591236dc8d7e18faede3b73fedb05.jpg

Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

Jeugdportret, rond 1820

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 6e januari ook mijn vorige blog van vandaag.
Geschreven door Romenu om 11:53 Reageer op dit bericht

Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook alle tags voor Khalil Gibran op dit blog.

 

 

Lied van de ziel

 

In de diepte van mijn ziel is

Een woordeloos lied - een lied dat woont

In het zaad van mijn hart.

Het weigert om samen te smelten met inkt

Op papier. Het overspoelt mijn gevoelens

In een transparante mantel en vloeit,

Maar niet over mijn lippen.

 

Hoe kan ik het verlangen? Ik ben bang dat

Het zich vermengt met aardse ether.

Voor wie zal ik het zingen? Het woont

In het huis van mijn ziel, in vrees voor

Verharde oren.

 

Toen ik in mijn innerlijk zocht,

Zag ik de schaduw van haar schaduw.

Als ik mijn vingertoppen aanraak,

Voel ik haar trillingen.

De daden van mijn handen zien haar

Aanwezigheid zoals een meer de schittering

Van de sterren weerspiegelt. Mijn tranen

Onthullen haar, zoals heldere dauwdruppels

Het geheim van een verwelkte roos onthullen.

 

Het is een lied ontstaan in gedachten

En uitgevoerd in stilte,

Gemeden door schreeuwers,

En omhelsd door waarheid,

Herhaald door dromen,

En begrepen door liefde,

Verborgen bij het ontwaken

En gezongen door de ziel.

 

Het is het lied van de liefde.

Welke Kaïn of Ezau kan het zingen?

Het is geuriger dan jasmijn.

Welke stem kan het tot slaaf maken?

 

Het is een hartsgeheim zoals dat van een maagd.

Welke snaar kan het doen trillen?

Wie durft het gebulder van de zee te verenigen

Met het zingen van de nachtegaal?

Wie durft het geloei van de storm te vergelijken

Met de zucht van een kind?

Wie durft de woorden hardop uit te spreken

Die bedoeld zijn voor het menselijk hart?

Welke mens durft het

Lied van God te zingen?

Als je staat aan het begin van je kennen,
sta je aan het begin van je voelen.
Wie alleen kan zien wat het licht onthult
en alleen kan horen wat het geluid verkondigt,
ziet en hoort eigenlijk niets.

De werkelijkheid van iemand anders
is niet gelegen in het feit wat hij je onthult
maar in wat hij je niet kan onthullen.
Als je hem dus wilt begrijpen
luister dan niet naar wat hij zegt,
maar veel meer naar wat hij niet zegt.

Jij en ik blijven vreemden voor het leven,
voor elkaar en voor onszelf,
tot de dag waarop jij spreekt en ik luister
omdat ik meen dat jouw stem mijn eigen stem is
en ik, wanneer ik voor je sta,
meen dat ik mezelf zie staan voor een spiegel.

 

 

 

1067439-87e1a21fee8b9d219bf18a60f2910a9b.jpg 

Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)

Zelfportet, rond 1911

 

 

 

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook mijn blog van 6 januari 2010 en ook mijn blog van 6 januari 2011.

 

 

Tuin

 

Van aarde ben ik en de kleur
van een seizoen. Omsloten door de hagen
en het huis vorm ik een buffer tussen weg

en thuis. Men graaft in mij en dekt me
toe, snoeit waar ik te uitbundig doe, een pad
is krappe oversteek naar wegen waar ik niet

van weet; mijn rand is daar slechts
mee gemoeid. Geblinddoekt door de heggen
en het huis, voed ik de luizen op
de rozenstruik, laat vogels vliegen

van mijn vingertoppen, de egel scharrelt
in de schemer langs mijn huid. Ik ben
hun stek, lig steevast op mijn plek, geneuk
van mieren op m'n buik.

 

 

 

 

De kunst van het dragen

 

We waren op tijd voor de intocht.
Muziek droeg de stoet en we hoorden
wat muziek doet met een nauwe straat
en een hart dat te ruim zit - Acht

droegen zijn beeld op een baar. Dat het een kunst is
goed te dragen zagen we daar; het moet een soort
wiegen zijn dat de angst voor het laatste

verdrijft. In beweging blijven
desnoods pas op de plaats.

 

 

 

 1067439-7e51afdb9d3346309bf258f095a8c085.jpg

Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Romain Sardou werd geboren op 6 januari 1974 in Boulogne-Billancourt. Zie ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010 en ook mijn blog van 6 januari 2011.

 

Uit: Sauver Noël

 

« Depuis le temps que cette histoire est racontée, par les grands et par les petits, les conteurs professionnels et les conteurs de fin de tablée, les manuels d’histoire et les livres illustrés, tous s’accordent pour dire que l’aventure débuta le matin du 1er novembre 1854, à Londres, sur la place dominée par l’église St. Perry. »

(...)

 

« L’enfant se retrouva en sécurité dans l’arrière-cuisine de Gloria. Zoé assista à leur retour. - Vous êtes pâle, maman ! Que vous est-il arrivé ? - Rien, ma petite. Rien qui mérite d’être raconté. Pas vrai, petit ? Elle lança un regard au garçon, un regard qui disait sans ambages : “Pas un mot de tout cela à ma fille. Je ne veux pas l’effrayer et lui fournir des cauchemars pour le restant de ses jours !” Après s’être aspergé le visage d’eau froide, elle servit au garçon de quoi le restaurer. Ce dernier dévora tout ce que la gouvernante posait sous un nez : pudding, porridge, viande froide, oeufs durs, sorbets, porc à la groseille, gelée à la menthe et aux câpres. Il ne reprenait son souffle que pour avaler une lampée de lait d’amende et dire invariablement : “Merci.” Il en émit une vingtaine de la sorte. »

 

 

 1067439-70c2908df041df7d1a24af1007aeb6a3.jpg

Romain Sardou (Boulogne-Billancourt, 6 januari 1974)



Zie voor nog meer schrijvers van de 6e januari
mijn vorige blog van vandaag
en ook mijn blog van 6 januari 2011 deel 1 en eveneens deel 2



Geschreven door Romenu om 11:50 Reageer op dit bericht

Carl Sandburg, Jens Johler, E. L. Doctorow, Anja Meulenbelt

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook alle tags voor Carl Sandburg op dit blog.

 

 

Our Prayer of Thanks

 

For the gladness here where the sun is shining at evening on the weeds at the river,

Our prayer of thanks.

 

For the laughter of children who tumble barefooted and bareheaded in the summer grass,

Our prayer of thanks.

 

For the sunset and the stars, the women and the white arms that hold us,

Our prayer of thanks.

 

God,

If you are deaf and blind, if this is all lost to you,

God, if the dead in their coffins amid the silver handles on the edge of town, or the reckless dead of war days thrown unknown in pits, if these dead are forever deaf and blind and lost,

Our prayer of thanks.

 

God,

The game is all your way, the secrets and the signals and the system; and so for the break of the game and the first play and the last.

Our prayer of thanks.

 

 

 1067436-cfb472bc771dd2526f67f4280dd22882.jpg

Carl Sandburg (6 januari 1878 - 22 juli 1967)
Carl Sandburg en zijn vrouw Lillian

 

 

 

De Duitse schrijver Jens Johler werd geboren op 6 januari 1944 in Neumünster. Zie ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010  en ook mijn blog van 6 januari 2011.

 

Uit: Gottes Gehirn

 

“Zwischen den Weiden, deren Zweige bis hinunter ins Wasser reichten, konnte Britta jetzt das Haus sehen. Alles schien wie sonst. Der Wagen stand im Carport, also war John zu Hause. Irritierend war nur der Lieferwagen mit dem Dell-Logo, der in der Einfahrt stand. Hatte John sich einen neuen Computer bringen lassen? Das hätte sie sehr gewundert, benutzte er doch die neuen Geräte ausschließlich in der Universität. Zu Hause begnügte er sich immer noch mit seinem alten Mac, auf dem damals das Buch entstanden war. Merkwürdig, obwohl er einen so strengen mathematischen Verstand hatte, war John zutiefst abergläubisch. Sie hatte ihn schon oft damit aufgezogen, dass er glaubte, der Zauber seines Erfolges würde sofort verfliegen, wenn er seinem alten Mac untreu würde.

Britta drosselte den Motor und nahm Kurs auf den Landungssteg. Sie war nun doch beunruhigt. Zwei Männer hatten die Hecktüren des Transporters geöffnet und offenbar in höchster Eile eine Trage ins Haus gebracht, auf der jemand zu liegen schien. Was ging hier vor? War John etwas passiert? Warum kamen die Männer mit der Trage aus einem Dell-Transporter?

Für einen Augenblick war Britta unaufmerksam gewesen. Es gab einen fürchterlichen Schlag, ein heftiger Ruck zog ihr den Boden unter den Füßen weg, und sie prallte gegen die Frontscheibe der Steuerkabine. Ich hab den Steg gerammt, dachte sie noch, dann wurde ihr schwarz vor Augen.

Als sie wieder zu sich kam und sich benommen am Steuer hochzog, sah sie, wie dicke, schwarze Rauchschwaden aus dem Haus drangen. Mit einem Satz sprang sie vom Schiff auf den Anlegesteg und begann zu laufen.”

 

 

1067436-aa03059a6886f22187127a9df17e9973.jpg
Jens Johler (Neumünster, 6 januari 1944)

Neumünster, raadhuis 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Edgar Laurence Doctorow werd geboren op 6 januari 1931 in New York. Zie ook alle tags voor E. L. Doctorow op dit blog.

 

Uit: City Of God

 

„I would like to find an astronomer to talk to. I think how people numbed themselves to survive the camps. So do astronomers deaden themselves to the starry universe? I mean, seeing the universe as a job? (Not to exonerate the rest of us, who are given these painful intimations of the universal vastness and then go about our lives as if it is no more than an exhibit at the Museum of Natural History.) Does the average astronomer doing his daily work understand that beyond the celestial phenomena given to his study, the calculations of his radiometry, to say nothing of the obligated awe of his professional life, lies a truth so monumentally horrifying-this ultimate context of our striving, this conclusion of our historical intellects so hideous to contemplate-that even one's turn to God cannot alleviate the misery of such profound, disastrous, hopeless infinitude? That's my question. In fact if God is involved in this matter, these elemental facts, these apparent concepts, He is so fearsome as to be beyond any human entreaty for our solace, or comfort, or the redemption that would come of our being brought into His secret.

-At dinner last night, code name Moira. After having seen her over the course of a year or two and having spoken to her only briefly, always with the same sign within myself, I have come to recognize some heightened degree of attention, or a momentary tightness in the chest, perhaps, or a kind of, oddly, nonsexual arousal, that usually gives way in a moment to a sense of loss, to a glimpse of my own probably thrown away life, or more likely of the resistant character of life itself in refusing to be realized as it should be ... I understood as I found myself her dinner partner why, finally, it was worthwhile to endure a social life in this crowd.“

 

 

 1067436-15a6227fe3ed37b278ddbe84081790bc.jpg

E. L. Doctorow (New York, 6 januari 1931)





De Nederlandse schrijfster, publiciste, feministe en politica Anja Meulenbelt werd geboren in Utrecht op 6 januari 1945. Zie ook alle tags voor Anja Meulenbelt op dit blog.

 

Uit: De schaamte voorbij

 

„Ga je nog mee naar de Pieter, zegt een van de vrouwen van de werkgroep na afloop van de avond.

We hebben hard gewerkt, zeven vrouwen en drie mannen van wie er twee aardig en homofiel zijn en de derde aardig en bedeesd. Skriptie over vrouwen in deze maatschappij, waar we als themagroep aan de universiteit toestemming voor kregen na gezeik of we het verband met de klassenstrijd wel konden aantonen. Daar gaan we nu juist op studeren, zeiden we, en omdat nog niemand het verband tussen feminisme en klassenstrijd heeft aangetoond zou het wel goed zijn als wij toestemming kregen om er aan te beginnen. Maar dat was niet voldoende reden en dus produceerden we maar een papiertje waar wat blabla op stond in hun jargon, tenslotte wisten we er altijd nog meer van dan de heren die ons officieel moesten goedkeuren en nu mogen we een heel jaar werken aan vrouwen.

 Ik weet het niet, ik ben moe zeg ik.

De vrouwenbeweging vult langzaam maar zeker mijn hele week op, open avonden op de Zocherstraat om nieuwe praatgroepvrouwen op te vangen, de vergaderingen van de Vrouwenkrant, stukjes schrijven, voorbereidingen voor het kongres. De praatgroep is nu afgelopen, na een jaar. We wilden andere dingen gaan doen, het bewustwordingsproces gaat vanzelf door, niet meer te stuiten. En tijdens het stencillen, vergaderen blijven we praten over onze eigen ervaringen. En dan is er Armin, ik blijf nog steeds moeder en huisvrouw tussen mijn studie door, en verder al mijn aktiviteiten om een beetje geld te verdienen naast mijn beurs, vijfhonderd gulden ekstra. Per jaar. Om een kind van tien van te onderhouden, die meer eet dan ik en meer kleren verslijt en met schoolreisjes mee moet en kadootjes moet kopen voor vriendjes en een fiets om naar school te gaan. En voortdurend zijn zijn schoenen stuk van het voetballen.“

 

 

 1067436-7243b1531ef1e0efc89b00b442ba4b49.jpg

Anja Meulenbelt (Utrecht, 6 januari 1945)
Geschreven door Romenu om 11:46 Reageer op dit bericht

Umberto Eco, Friedrich Dürrenmatt, Ngũgĩ wa Thiong'o, Paul Ingendaay, László Krasznahorkai, Forough Farokhzad

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook mijn blog van 5 januari 2007 en ook mijn blog van 5 januari 2008 en ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2010 en ook mijn blog van 5 januari 2011.

 

Uit: De begraafplaats van Praag (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)

 

“Ik voel een zekere gêne nu ik me aan het schrijven zet, net alsof ik mijn ziel blootleg, op bevel – nee, laten we zeggen: op instigatie – van een Duitse Jood (of een Oostenrijkse, maar dat komt op hetzelfde neer). Wie ben ik? Wellicht kan ik mezelf beter vragen stellen over de hartstochten waardoor ik wellicht nog gedreven word dan over de feitelijkheden van mijn leven. Van wie hou ik? Er komen me geen geliefde gezichten voor de geest. Ik weet dat ik van lekker eten hou: alleen al bij het horen van de naam La Tour d’Argent trekt er een siddering door mijn hele lichaam. Is dat liefde?
Wie haat ik? Joden, zou ik bijna zeggen, maar het feit dat ik zo slaafs zwicht voor de aansporingen van die Oostenrijkse (of Duitse) arts, toont aan dat ik niets tegen die verdomde Joden heb.
Het enige wat ik over de Joden weet, is wat mijn grootvader me heeft geleerd: - Ze zijn het atheïstische volk par excellence, zei hij. Ze gaan uit van de visie dat het goede hier verwezenlijkt dient te worden, en niet aan geen zijde van het graf. En dientengevolge zetten ze zich uitsluitend in voor de verovering van deze wereld.
Mijn jeugdjaren zijn verziekt door hun spookbeeld. Grootvader vertelde me over hun ogen die je beloerden, ogen waar je bleek van wegtrok, over hun valse glimlachjes, hun lippen die ze als hyena’s over hun tanden omhoog krulden, die dreigende, ontaarde, dierlijke blikken van ze, die altijd zo gekwelde, door haat gedolven groeven tussen hun neus en lippen, die neus van ze, net de snavel van een roofvogel… En hun ogen… o, die ogen… Ze wentelen koortsig rond een pupil met de kleur van geroosterd brood en verraden ziektes van een lever die is aangevreten door de secreties van een achttien eeuwen durende haat, ze plooien zich over duizenden rimpeltjes die mettertijd steeds geprononceerder worden: als een Jood twintig is, lijkt hij al een oude kerel, zo verschrompeld is hij. Als hij lacht, gaan zijn dikke oogleden zo ver dicht dat er nog maar net een spleetje open blijft, kenmerk van sluwheid volgens sommigen, van wellust, preciseerde mijn grootvader…

 

 

 1067052-ab407270981d7551bd078824bc03ab64.jpg

Umberto Eco (Allasandria, 5 januari 1932)

 

 

 

 

De Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt werd geboren op 5 januari 1921 in Konolfingen. Zie ook mijn blog van 5 januari 2007 en ook mijn blog van 5 januari 2008 en ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2010 en ook mijn blog van 5 januari 2011.
 

Uit: Grieche sucht Griechin

 

“Es regnete stundenlang, nächtelang, tagelang, wochenlang. Die Straßen, die Avenuen, die Boulevards glänzten vor Nässe, den Gehsteigen entlang flossen Rinnsale, Bäche, kleinere Flüsse, die Automobile schwammen herum, die Menschen gingen unter Schirmen, waren in Mäntel gehüllt, liefen mit nassen Schuhen und immer feuchten Strümpfen, die Riesen, Putten und Aphroditen, die teils die Balkone der Palais und Hotels trugen, teils sonst an den Fassaden klebten, troffen, tropften, waren übergossen von Wasserfäden, von Vogelmist, der sich auflöste, und unter dem griechischen Giebel des Parlaments suchten zwischen den Beinen und Brüsten der patriotischen Reliefs die Tauben Schutz. Es war ein peinlicher Januar. Dann kam der Nebel, auch er tagelang, wochenlang, eine Grippeepidemie, nicht gerade gefährlich für anständige, sozial gesicherte Leute, zwar einige alte Erbonkel und Erbtanten dahinraffend, einige ehrwürdige Staatsmänner, doch sonst nur massenhaft die Vagabunden unter den Brücken am Strom. Dazwischen wieder Regen. Immer wieder.”

(…)

 

“Bibi kam mit Weib, zwei Mätressen und den sieben Kinderchen, von denen die ältesten, Theophil und Gottlieb, beinahe erwachsen waren. Magda-Maria, dreizehn Jahre, brachte einen Verehrer mit. Bibi erwies sich als ein gottvergessener Säufer, die Frau war vom "Onkel" begleitet, wie man ihn nannte, einem ausgedienten Kapitän, und nicht umzubringen. Es war ein Mordsspektakel, der selbst den Radsportfreunden zu viel wurde. Theophil prahlte von seinem Zuchthausaufenthalt, Gottlieb von einem Bankeinbruch, Matthäus und Sebastian, zwölf und neun Jahre, stachen mit Messern, und die beiden Jüngsten, Zwillinge, sechsjährig, Jean-Christoph und Jean-Daniel, rauften sich um eine Absinthflasche.”

 

 

 1067052-473c7af64f3c96622814d238475ed5d6.jpg

Friedrich Dürrenmatt (5 januari 1921 – 14 december 1990)

  

 

 

 

De Keniase schrijver Ngũgĩ wa Thiong'o werd geboren op 5 januari 1938 in Kamiriithu, Limuru, Kenia. Zie ook mijn blog van 5 januari 2007 en ook mijn blog van 5 januari 2008 en ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2010 en ook mijn blog van 5 januari 2011.

 

Uit: Petals of Blood

 

“Inspector Godfrey sat by the window of a first-class coach and watched the fields roll away: neat, man-controlled beauty of coffee and tea plantations on hillsides and valleys and ridges. His mind was not wholly on the undulating landscape between Ruwa-ini and Nairobi, but was still in New Ilmorog. He should now have been experiencing that inner satisfaction he always felt whenever he put a crime jigsaw puzzle together: but instead he felt an inner discomfort, a slight irritability. He was a little surprised at himself because this kind of unease was hopelessly out of character with the equanimity with which he was wont to view the flow of social and political events. Not that he was interested in the likes of Karega. For such destroyers of order he had no feelings. Inspector Godfrey, a self-made man, for his formal education had not taken him beyond Form 2 and yet see where he was, the heights he had reached through study, application and through an instinctive fear of stirring the bottom of the pool. He had been brought up to believe in the sanctity of private property. The system of private ownership, of means of production, exchange and distribution, was for him synonymous with the natural order of things like the sun, the moon and the stars which seemed fixed and permanent in the firmament. Anybody who interfered with that ordained fixity and permanence of things was himself unnatural and deserved no mercy: was he not inviting chaos such as would occur if some foolish astronaut/cosmonaut should go and push the sun or moon from its place? People like Karega with their radical trade unionism and communism threatened the very structure of capitalism: as such they were worse than murderers. Inspector Godfrey always felt a certain protective relationship to this society.”

 

 

 1067052-70ef3dd3c4b6812bcbdb4edb0802669c.jpg

Ngũgĩ wa Thiong'o (Kamiriithu, 5 januari 1938)

 

 

 

 

De Duitser schrijver, criticus en literatuurwetenschapper Paul Ingendaay werd geboren op 5 januari 1961 in Keulen. Zie ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2010 en ook mijn blog van 5 januari 2011.

 

Uit: Gebrauchsanweisung für Spanien

 

“Aber es steht wohl außer Frage, daß Reisende der letzten zweihundert Jahre, aus welcher Kultur sie auch kommen mochten, von der Geberlaune der Einheimischen beeindruckt waren und sie beschrieben haben. Der amerikanische Schriftsteller William Gaddis, in dessen erstem Roman Die Fälschung der Welt das Land tiefe Spuren hinterlassen hat, nannte diese Eigenschaft generosity of spirit, womit Geist, Gesinnung und Charakter gemeint waren. Die Formulierung ist nicht zu übertreffen. Sie enthält das Materielle und das Immaterielle, die Gesten der Gastlichkeit ebenso wie die Fähigkeit, sich die Nöte des anderen zu eigen zu machen, zu geben, zu teilen und über alldem die Zeit zu vergessen. Hinter der spanischen Großzügigkeit steht kein Kalkül.

Stellen wir uns eine junge Frau in Deutschland vor, die ein Ersatzteil für ihre Vespa braucht, sagen wir, ein Vorderlicht. Es handelt sich um ein älteres Modell, wie es heute nicht mehr hergestellt wird. Die junge Frau fährt mit ihrem Motorroller zur Vespa-Werkstatt, und der Händler sagt ihr: Nein, ein solches Licht führe er nicht, das kaufe niemand mehr. Wenn die junge Frau dem Händler nun antwortet, er solle bitte schön mal in seinem Lager nachschauen, ob er das Vorderlicht vielleicht nicht doch irgendwo ...? "Hören Sie", entgegnet der Händler gereizt, "ich kenne doch mein Lager!" Die junge Frau nickt und zieht von dannen. Sie bezweifelt nicht, daß der Händler sein Lager kennt. Es ist ein deutscher Händler.

Dieselbe junge Frau sucht ihr Ersatzteil in Spanien, sagen wir, in Madrid. Sie fährt mit ihrer Vespa zur Werkstatt und erkundigt sich. José, so nennen wir den jungen Mann im Hof, zuckt ratlos die Achseln. Er ruft Ramón, der hinzutritt und anerkennend die junge Frau und die schöne alte Vespa mustert. Dann schüttelt Ramón den Kopf. Er pfeift durch die Zähne, und Paco taucht auf. Aber auch Paco, der die Vespa ebenfalls bewundert, kann sich nicht erinnern, ein solches Vorderlicht - nicht kantig, sondern gerundet - im Lager gesehen zu haben.”

 

 

 1067052-d76e2e620c747622850ed588d64a3486.jpg

Paul Ingendaay (Keulen, 5 januari 1961)

 

 

 

 

De Hongaarse schrijver László Krasznahorkai werd geboren op 5 januari 1954 in Gyula. Zie ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2010 en ook mijn blog van 5 januari 2011.

 

Uit: Das Netz zerreisst (Vertaald door Hans Skirecki)

 

“Es war nicht leicht. Seinerzeit hatte sogar sie zwei Tage gebraucht, bis sie endlich herausfand, wohin sie die Füße setzen, woran sie sich festhalten und wie sie sich durch das auf den ersten Blick hoffnungslos eng scheinende Loch pressen mußte, das sich an der Rückseite des Hauses unter dem Vordach befand, wo ein paar Bretter fehlten; jetzt dauerte es freilich nur noch eine halbe Minute: Mit gewagten, aber geschickt abgestimmten Bewegungen sprang sie auf den mit einer schwarzen Plane abgedeckten Holzstapel, hielt sich an der Dachrinnenhalterung fest, steckte das linke Bein in die Öffnung und bewegte es seitwärts, dann kroch sie mit dem Kopf voran in einem Schwung hinein, stieß sich mit dem anderen Bein ab und stand auch schon in dem einst für Tauben abgetrennten Teil des Dachraums, in diesem ihrem Reich, dessen Geheimnis sie allein kannte; hier brauchte sie nicht die unerwarteten und unverständlichen Attacken ihres Bruders zu befürchten, und daß sie durch längere Abwesenheit nicht den Argwohn der Mutter und der Schwester weckte, die ihr – wenn es herauskäme – diese Ausflüge erbarmungslos verbieten würden (und dann wären alle weiteren Anstrengungen vergeblich), darauf achtete sie instinktiv. Aber jetzt zählte das nicht! Sie zog sich die nasse Trainingsjacke aus, zupfte ihr Lieblingskleid, das rosafarbene mit dem weißen Kragen, zurecht, setzte sich vor das Fenster und hörte mit geschlossenen Augen bibbernd und sprungbereit zu, wie der Regen auf die Ziegel prasselte. Mutter schlief unten im Haus, die Schwestern waren heut auch zum Mittagessen nicht heimgekommen, so schien es fast sicher, daß man sie am Nachmittag nicht suchen würde, höchstens Sanyi, von dem sie nie wußte, wo er sich gerade herumtrieb, und der deshalb immer unverhofft auftauchte, als forschte er auf dem Einödhof nach der Erklärung für irgendein verborgenes Geheimnis, das nur so – mit einem plötzlichen Überraschungsangriff – aufzudecken wäre. Eigentlich hätte sie kaum einen Grund zu Befürchtungen gehabt, denn letzten Endes suchte man sie nie, im Gegenteil, eher gebot man ihr streng, sich fernzuhalten, besonders wenn ein Besucher im Haus weilte, und das geschah oft. So geriet sie ins Niemandsland, konnte sie doch nicht beiden Aufforderungen zugleich Folge leisten: weder in der Nähe der Tür bleiben noch sich allzuweit entfernen, denn sie wußte, daß sie jederzeit gerufen werden konnte (so: »Lauf und hol eine Flasche Wein!«, oder: »Bring mir mal drei Päckchen Zigaretten, Kossuth, vergißt du es auch nicht, mein Kind?«), und wehe, sie war ein einziges Mal nicht zur Stelle, dann würde man sie endgültig aus dem Haus jagen.”

 

 

 1067052-f7923511fdfbd46b470e02f152d3dccd.jpg

László Krasznahorkai (Gyula, 5 januari 1954)

 

 

 


De Iraanse dichteres
Forough Farokhzad werd geboren op 5 januari 1935 in Teheran. Zie ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2011.

 

 

I will greet the sun again

 

I will greet the sun again;

I will greet the streams which flowed in me;

I will greet the clouds which were

my lengthy thoughts;

I will greet the painful growth of poplars

Which pass through the dry seasons;

I will greet the flocks of crows

Which brought me, as presents,

The sweet smells of the fields at night;

I will greet my mother who lived in the mirror

And was the image of my old age;

And I will also greet the earth whose burning womb

Is filled with, green seeds by the passion she has

for reproducing me.

 

I will come, I will come,

I will come with my hair,

As the continuation of the smells of the soil;

With my eyes, as the dense experiences of darkness,

Carrying the bushes I have picked in the woodlands

beyond the wall.

 

I will come, I will come,

I will come and the entrance will be filled with love;

And at the entrance I will greet again

those who are in love,

And also the girl who is still standing

At the entrance in diffusion of love.

 

 

 

 1067052-a1f415846268f5de7935cade77711502.jpg

Forough Farokhzad (5 januari 1935 – 13 februari 1967)

 

 



Zie voor nog meer schrijvers van de 5e januari ook
mijn blog van 5 januari 2011 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.
Geschreven door Romenu om 19:07 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten