Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 21 augustus 2012 tot 22 augustus 2012

Gorch Fock

De Duitse schrijver Gorch Fock  (pseudoniem van Johann Wilhelm Kinau) werd geboren op 22 augustus 1880 in Finkenwerder. Daar ging hij naar school. Omdat hij ongeschikt was voor werk op zee vanwege zijn fysieke conditie begon hij  in 1895 een opleiding bij zijn oom in Geestemünde (nu onderdeel van Bremerhaven). 1897-1898, studeerde hij af aan de handelsschool in Bremerhaven. Vanaf 1899 werkte hij op als accountant en boekhouder in Meiningen. Bremen en Halle (Saale). In 1904 keerde hij terug naar Hamburg en in 1907 werd hij aangesteld als accountant voor de Hamburg-Amerika Lijn. Vanaf 1904 publiceerde hij 1904, meestal in zijn moedertaal, het Nederduits, schreef gedichten en verhalen onder de pseudoniemen Gorch Fock, Jakob Holst en Giorgio Focco, die in Hamburgse kranten verschenen. De voornaam Gorch is dus een lokaal typische variatie van Georg.
In 1908 trouwde hij met Rosa Elizabeth Reich, met wie hij drie kinderen had. Zijn muze en soulmate was echter tijdens de jaren van zijn schrijverschap de actrice Aline Bussmann.
In 1913 verscheen zijn beroemdste werk „Seefahrt ist not!“ , waarin op een heroïserende manier het leven van de diepzeevissers van Finkenwerder wordt beschreven. In WO I diende Gorch Fock eerst als infanterist in Servië en Rusland, en later bij Verdun. In maart 1916 werd hij op eigen verzoek door het leger naar de marine overgeplaatst  en gestationeerd op de lichte kruiser SMS Wiesbaden. In de Slag bij Jutland ging hij samen met de kruiser ten onder. Zijn lichaam werd in augustus 1916 gevonden in de buurt van Fjällbacka  en begraven op het Zweedse eiland Stensholmen bij Kalvö samen met andere Duitse en Britse zeelieden. Gorch Focks broers Jakob en vooral Rudolf Kinau verwierven als Nederduitse (Heimat-) schrijvers bekendheid. Later zijn twee opleidingsschepen van de Duitse marine naar Gorch Fock genoemd.

 

Uit: Seefahrt ist not!

 

»Insonderheit aber bitten wir dich für die, die auf dem Wasser ihre Nahrung suchen. Segne, segne die Fischerei auf der See und im Fluß, behüte Mann und Schiff in allen Gefahren!«

Pastor Bodemann beugte den grauen Kopf tiefer als zuvor. Da hatte er laut und warm für seinen alten Kaiser gebetet, laut und warm, wie es ihm von Herzen kam, nicht leise und kalt wie sein Vorgänger, ein zäher Welfe, der nur der kirchlichen Vorschrift nachgekommen war:

»Laß deine Gnade groß werden über deinem Knecht Wilhelm, unserem Kaiser und Herrn, und über dem ganzen kaiserlichen Haus.«

Die gefurchte Stirn berührte fast das schwarze Tuch, mit dem die Kanzel vom Sonntag Reminiszere bis zum stillen Freitag bedeckt war. Es schien, als wenn die Stimme ihm versagte und er aufhören müßte. Und er hielt überwältigt inne und ließ die große Stille kommen.

Totenstill wurde es in der Kirche auf Finkenwärder. Regungslos saß die Gemeinde. In die Augen kam eine Dunkelheit wie von aufsteigenden Tränen.

Denn die See nahm das Wort, die Nordsee, die Mordsee – mit ihren jagenden, zerrissenen Wolken, mit ihrem pfeifenden, brausenden Sturm, mit ihren haushohen, schäumenden, brüllenden Seen, mit Brand und Wetterleuchten, mit Dünung und Gewitter – mit geborstenen Segeln, gebrochenen Masten, blakenden Notfackeln, verlorenen Wracks und hilferufenden Fahrensleuten.

Und es war niemand da, der nicht ihre Stimme vernommen hätte.

Die hellhaarigen Jungen auf den Bänken neben dem Altar, die als große Schleefen [Schlingel] zu den gegenübersitzenden Konfirmandinnen hinübergelacht und ihnen zugenickt hatten,

besannen sich, legten beschämt die Hände zusammen und sahen vor sich hin, weil ihnen in der heiligen Stille die Väter und Brüder in den Sinn kamen, die draußen waren, und weil sie daran dachten, daß sie nach Ostern selbst in die Fischerei hineinkamen.

Auch bei den rotbackigen Mädchen wurde es still. Alle falteten rasch die Hände, und manches

Kinderherz bebte – vergessen war, daß sie abends am Deich einzuhüten hatten und daß die

Jungen dort vor den Fenstern trommelten und pfiffen, bis sie hineingelassen wurden und

Blindekuh oder Sechsundsechzig mitspielen durften.“

 

 

 1425182-d11bddafda490308bd89f748f17fbfd6.jpg

Gorch Fock (22 augustus 1880 - 31 mei 1916)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Dolce far niente (Amsterdam, Theo Thijssen)


Dolce far niente


Uit:
Jongensdagen


‘Juffrouw, m'n broertje kocht daarnet een pakje postzegels van drie cent, maar er zit zoowat niks in. Nou staat hij buiten te huilen, - Ko kreeg zelf tranen in z'n oogen van de gedachte - en of u het nou niet ruilen wil.’

‘Heeremenschen!’ riep de juffrouw verontwaardigd uit, en zij maakte zich gereed weer naar achter te gaan. ‘Heeremenschen, sta je dáárvoor volk te schreeuwen. Ruilen doen we niet, hoor.’

Ko bleef haar sprakeloos aankijken; de enveloppe hield hij haar voor.

‘Ga maar gauw m'n winkel uit, marsch!’ zei de juffrouw.

‘Maar voor drie centen is toch afzetterij!’ riep toen Ko ineens uit.

‘Heb ik van me leven!’ schreeuwde de juffrouw, en zij kwam achter haar toonbank vandaan geloopen, regelrecht op Ko af. Die holde weg, den winkel uit. Midden op straat bleef hij staan. ‘Afzetter!’ riep hij. Henk kwam naar hem toe; hij begreep alles. ‘Afzetter!’ schreeuwde hij mee.

De juffrouw keek niet eens meer, en ging weer naar haar kamer achter den winkel.

Een man bleef staan op straat. ‘Wat is er?’ vroeg hij nieuwsgierig.

Het was een meneer; een groote, deftige meneer. Misschien kon die helpen. Ko begon te vertellen; hij liet de enveloppe zien.




1222519-bc82b17b812a4762d0dda70a2ef578aa.jpg
Zicht vanuit de Jordaan op de Westerkerk




‘Verschillende, en buitenlandsche staat er op!’ zei Henk.

‘En dàt zit er in!’ sprak Ko bitter; en hij liet den heer de postzegels zien.

‘'t Zijn toch mooie postzegels, voor drie centen,’ meende de heer. Hij lachte even en liep verder.

Stom van verbazing keken de broers elkaar aan. Dát mooie postzegels!

‘Laat dan nòg eens kijken,’ zei Henk.

En voor den derden keer keken ze de postzegels na. Er was geen enkele bijzondere bij. Ze wierpen woedende blikken naar het winkeltje.

‘Ga mee maar, Henk!’ zei toen Ko, ‘ga nou maar mee naar huis. Tegen zulke afzetterij kunnen wij niet op.’

En hij nam de mand weer aan z'n arm, en stapte voort.

Henk volgde met een bedrukt gezicht en sprak geen woord.

Zoo liepen ze stil door tot de Westermarkt.

‘Jammer, hè?’ vroeg Ko zacht.

‘Wat?’ kwam Henk onnoozel.

‘Van je drie centen,’ antwoordde Ko.

Henk zuchtte eens, en gaf geen antwoord. Het wàs hard.“



1222519-abd0301aa347d13e4a920f957b7a272c.jpg
Theo Thijssen
(16 juni 1879 - 23 december 1943)

Beeld van Theo Thijssen in de Amsterdamse Jordaan door Hans Bayens




Zie voor de schrijvers van de 22e augustus ook
mijn blog van 22 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Dolce far niente (Haarlem, Sylvia Hubers, Bertus Aafjes)

Dolce far niente

 

 

 

 

Voor Haarlem

 

Ik droomde me een man als een kunstwerk
en ik moest naar Haarlem gaan  

 

Ik droomde van Oude Meesters, op een vingerknip
beschikbaar, om de hoek van de straat
en ik moest naar Haarlem gaan 

 

Ik droomde me kunstenaars in galeries
kunstenaars op terrassen, kunstenaars als vrienden
en ik moest in Haarlem zijn 

 

 

 

1221561-092a450857552362a27fa9bfe34e33c1.jpg 

Haarlem, Sint Bavo

 

 

 

Ik droomde vaten vol kunstig bier
door bierkunstenaars gebrouwen en ik moest
in Haarlem drinken 

 

Ik droomde me een stad die niet bestaat
een stad als een kunstwerk, uitgevouwen
over de grond door vaardige creatoren  

 

een stad waarin ik rond zou lopen
o en ah zou zuchten 

 

ik droomde me een stad
die bestaat
van mooi

 

 

 

 1221561-2f9c99b2d99c6da9496c6dad8ea145a8.jpg

Sylvia Hubers  (Sassenheim, 28 mei 1965)

 

 

 

 

Meester Frans

Ja meester Frans, purperen meester Frans,
je werd net blauw genoeg in het gelaat
om de regenten en de regentessen
bedorven naakt te zien zoals zij zijn.

Vrolijke Frans, onnoozle hals, Frans Hals,
je mensenleven lang bleek niet bestand
tegen het blozende, het al te blozende,
het weelderige van de zeug, het warme,
het heerlijke heilzame, het volksgezonde,
olijven, witte gele wijn, gebraad,
het jonge van het ravezwarte haar.

 Plotseling was de tinnen kroes vol stof,
de blauwe veer het sein van de beroerte;
de streek, weet je nog wel, de wrame streek
van het penseel, plotseling was hij weg.

En het bederf werd overal aanschouwd
de barensnood en doodsnood van de dingen.

Zij zaten voor je neer de regentessen,
zij waren eens de liefjes van 't palet,
van 't roze, van de vleesgeworden verf.
Hoe zoet hun lichaam eenmaal was: likeur.

 

 

 

 1221561-6630c5d760b368b4ac50cb0d76cc5b64.jpg

Frans Hals 'De regenten van het Oudemannenhuis te Haarlem' 1664

 

 



Maar iederer jaar het telde en werd boete
en aan hun bleke brein ontsproot de hel:
eerst tere vlammen, bloemen aan een strodak,
maar allengs loeiende en allengs luider,
totdat hun wezen wit van waanzin was.

Hun handen trokken saam, verschroeid, tot klauwen
en hun gelaat verschrompelde tot kleinzeer
en o de ogen, de hyena-ogen
en o de dunne neus vol lijkeschennis
en o hun greep van demon op de kleinen
in naam van God en van het zelfverwijt.

Je schilderde de cirkel van de dood
in de bedorven ring van regentessen,
de vale slang, onzichtbaar voor het oog,
rond deze Laokoon-groep van berouw.
Mag ik iets vragen? vroeg je en verstomde,
want was er iets te vragen in de stilte,
de stilte van het graf?

 

 

 1221561-caef7c191a51511a73a532d222b1028f.jpg

Frans Hals  Museum, binnenplaats



Er was alleen de treurige pendant;
de mannen en hun sluwe zelfontvluchting
in witte kraak van kant, in lege lubben,
in de geheime ontucht van de drank;
je zag het wel, dat levensgroot gezwel
met de verzopen ogen van de moordlust:
het keek en keek en keek en at je ziel.

Ja meester Frans, de engel van 't verderf
greep uit je hand het romige penseel
en stak ermee tot aan het heft in 't hart.
En Holland werd geboren op het doek
onsterfelijk verschrikkelijk. Ik weet het:
het doodszweet steeg reeds in je haar, de wortels:
moeras. Toen stond je op. Je wit voorgoed.
Je sloot de deur.

 

 

 

1221561-8e5c4e3f73a9135a0d0e81cf79c8bcbb.jpg
Bertus Aafjes 12 mei 1914 - 22 april 1993)


 

 

Zie voor de schrijvers van de 21e augustus ook mijn blog van 21 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 20:32 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten