Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 23 oktober 2013 tot 24 oktober 2013

Onno Kosters, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov

De Nederlandse dichter Onno Kosters werd geboren op 24 oktober 1962 in Baarn. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

 

Gedicht tot de zee

 

Zee als bodemloze bodem, aanvankelijke
ondergang die schatten opbrengt; inzicht
dat wie opdiept eerst moest zinken,

 

dat wie zonk niet wist dat hij niet zocht naar
wat hij vond, maar vond wat er, Marco-gelijk,
gevonden worden moest: Dasajevs hand voorbij.

 

Zee als uitzicht voor wie vast zit, Ruby, Silvio,
verte zonder land in zicht, cel
waar je in ronddoolt, waar dan Windows

 

soms een deur naar buiten biedt,
mits ontgrendeld, mits met mate,
dat wil zeggen, meestal niet.

 

Zee als polder, voedingsbodem
voor gewassen die niet aarden in een
niet-brood-, wel welvaartsziek systeem.

 

Zee die wijzelf ten diepste zijn, zog
zonder schip dat wij nog maar zo zelden volgen.
Zee neem mij mee, zee wijs en wees mijn weg.

 

 

 

De man in de muur (Fragment)

 

Het nieuws wordt verpakt in de vis van morgen.

Lezen wij de ingewanden van het wezen dat hapt

naar lucht, dat spartelt. In het water op het droge.

Hoofdpersonen rennen aan de inktzwarte plas voor-

 

bij. De man in de muur, only in it for the money,

metselt zich in, wordt dan wat ik al van hem maakte.

Schepsel van mijn kop en been van mijn merg,

kloppend orgaan van deze ontzette inwendige mens.

 

Als voorbereid op mijlen onder zee verdwijnt

een laatste rechthoek luchtblauw licht. Zuinig

met zuurstof! Luidt nu het devies, de noodklok

in de verte. Hij zet zich op het onontslapen bed

 

in die totaal zwarte kamer, die huivering wekt. Men

hoort nog het tikken in het witsel, lijkenwindsel,

maar men zoekt er niets achter, ja pa ging een pakje

sigaretten halen, plakte een geeltje op zijn monitor,

 

‘Ben even weg, tot later’, was getekend, ‘Godot’.

Humor, dus wordt de tafel gedekt, de pasta gekookt,

worden glazen gevuld en ligt op zijn plek keurig een

placemat. Zijn stoel staat comfortabel klaar, Eliah! Eliah!

 

Ze hebben geen idee wat ze doen, zijn geliefdste gezin,

ze missen alleen de vaas, zien nog niet de bloemen

in de tuin, nat nog, slap al, oogverblindend, het zwart

in de bloeiwijze besloten, als een bedoelde barst.

 

Hij hoort het getik van het bestek, maakt zijn eigen op.

Hij ruikt de pasta, de kruiden, het wijnrode zoet.

Hij schikt zich voorbeeldig, legt zijn oor te luisteren, daar

aan de andere kant van de muur, waar het koud wordt.

 

 

 

 1481918-499612577484bb3fb9876b53de745fe6.jpg

Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)

 

 

 

 

De Duitse dichter Karl August Georg Maximilian Graf von Platen-Hallermünde werd geboren op 24 oktober 1796 in Ansbach. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2010 en eveneens alle tags voor August Graf von Platen op dit blog.

 

 

Noch im wollustvollen Mai des Lebens

 

Noch im wollustvollen Mai des Lebens,

Wo die Seele sonst Entschlüsse sprüht,

Fühl ich in der Wärme meines Strebens,

Wie mein Lebenselement verglüht.

 

Nicht ein Windstoß, ein belebend warmer,

Meine Haare kräuselnd, weht mich an,

Leer und träge schifft ein Tatenarmer

Übern stillen Vater Ozean.

 

Was ich soll? Wer löst mir je die Frage?

Was ich kann? Wer gönnt mir den Versuch?

Was ich muß? Vermag ich's ohne Klage?

So viel Arbeit um ein Leichentuch?

 

Kommt und lispelt Mut ins Herz mir, zarte

Liederstimmen, die ihr lange schlieft,

Daß ich, wie ein Träumer, nicht entarte,

In verlorne Neigungen vertieft.

 

 

 

Nie hat ein spätres Bild dein Bild vernichtet

 

Nie hat ein spätres Bild dein Bild vernichtet,

Das fühlt ich stets vielleicht und fühl es heute,

Da sich's nach langen Jahren mir erneute,

Nachdem ich manchen Wahn der Welt gesichtet.

 

O Zeit, in der ich noch für dich gedichtet,

Was, außer mir, sich keiner Leser freute!

Noch war mein Name nicht der Welt zur Beute,

Die selten fühlt und oft so lieblos richtet!

 

Noch unbekannt mit meinen eignen Trieben,

Zu ernst, zu schüchtern, allzusehr verschlossen,

Bin ich dir fremd durch eigne Schuld geblieben.

 

Da wieder nun ich deines Blicks genossen,

Empfind ich wieder jenen Drang, zu lieben;

Doch meine schönste Jugend ist verflossen.

 

 

 

Winterseufzer

 

Der Himmel ist so hell und blau,
O wäre die Erde grün!
Der Wind ist scharf, o wär er lau!
Es schimmert der Schnee, o wär es Tau!
O wäre die Erde grün!

 

 

 

1481918-fefe906cca37de3054a6986a2e683b31.jpg 

August Graf von Platen (24 oktober 1796 - 5 december 1835)

Borstbeeld in Ansbach

 

 

 

 

De Vlaamse auteur Ernest Claes werd geboren op 24 oktober 1885 te Zichem. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2010en eveneens alle tags voor Ernest Claes op dit blog.

 

Uit: De Witte

 

“Hij troostte zich dan maar met Nis zijn hemdslip 's nachts stevig in zijn vuist geklemd te houden, voor hij insliep; als de duivels dan voor hem kwamen zou Nis 't wel gewaar worden en hem terugtrekken.

Moeder vertelde hem integendeel altijd van 't kindeke Jezus, van Ons-Lieve-Vrouwke, van engelen en wijze kinderen, en vooral van den hemel. Als 't daarover ging kon de Witte - (in dien tijd zei moeder nog: Lewieke) - met mond en oogen wijd open zitten luisteren. Elken keer moest hij, op moeders schoot gezeten, weer eens hooren over: alle dagen rijstpap met zilveren lepeltjes, peperkoek, zute-melk met beschuiten, en dan rijden op een chocolatten ezel. Dien hemelezel mocht ge zoo maar een stuk chocolat uit zijn oor bijten, het deed hem geen zeer, en 't groeide er dadelijk weer aan. 't Was in dien tijd dat ze op een nacht allemaal waren wakker geschrokken door een vreeselijk geschreeuw van Nis, gevolgd door een nog luider geblèer van de Witte. Toen moeder de lamp had aangestoken en vader zijn jongste op den arm had gepakt, begrepen ze. De Witte had Nis duchtig in zijn vinger gebeten, en hij schreeuwde nog harder dan Nis: ‘Ik mènde... ik mènde da 'k in de oêre van diê sokkolatten ezel beet.’ Moeder en Heinke waren met de Witte zondags daarop beêweg geweest naar Sinte-Kernelis op den Blauwberg, ze hadden hem doen overlezen, en van dan af waren die gevaarlijke droomen verminderd.

Hij herinnerde zich ook nog uit die dagen hoe vader op een zekeren keer naast den haard zat hout te kappen om den koeiketel af te stoken, en er hem plotseling een splinter in 't oog sprong, waarbij hij een geweldigen ‘de-dju!’ liet vliegen.”

 

 

 1481918-1caa17d2d61f0a87d834d68be5ef6bc8.jpg

Ernest Claes (24 oktober 1885 - 2 september 1968)

Eric Clerckx in de film ‘De Witte van Sichem’ van Robbe de Hert uit 1980

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Zsuzsa Bánk werd geboren op 24 oktober 1965 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Zsuzsa Bánk op dit blog en ook mijn blog van 24 oktober 2010.

 

Uit: Der Schwimmer

 

“Ich hatte wenige Erinnerungen an meine Mutter. Im Grunde kannte ich sie nur von Fotos, die mein Vater in einem kleinen Kasten aufbewahrte. Schwarzweißbilder waren es, mit dickem weißen Rand. Meine Mutter beim Tanz. Meine Mutter mit geflochtenen Zöpfen. Meine Mutter barfüßig. Meine Mutter, die ein Kissen auf dem Kopf balancierte. Ich schaute mir die Bilder häufig an. Es gab Zeiten, in denen ich nichts anderes tat.
Mit meinem Vater war es ähnlich. Er verbrachte ganze Tage damit, die Bilder auf dem Tischtuch auszubreiten und sie immer wieder neu zu mischen – wie bei einem Kartenspiel, vielleicht zehn Mal, vielleicht hundert Mal. Daß es Tage waren, wußte ich, obwohl ich damals sicher keinen Begriff von Zeit hatte. Für mich gab es nur Zeiten, die ich ertragen, und Zeiten, die ich kaum ertragen konnte.
Mein Vater hinterließ seine Fingerabdrücke, und ich wischte sie weg, wenn ich die Fotos aus der Kiste nahm. Ein Bild mochte er besonders. Es zeigte meine Mutter auf dem Feld. Sie hatte Essen in einer Blechkanne dabei. Ihr Kopftuch hatte sie unter dem Kinn zusammengeknotet, und ihre freie Hand hielt sie wie einen Schirm über die Augen Sie trug Sandalen, deren Bänder sie um die Knöchel gebunden hatte. Niemand trug damals Sandalen, schon gar nicht auf dem Feld.
Mein Vater gab dieses Bild nicht aus seinen Händen. Er lag damit auf der Küchenbank, starrte zur Decke und rauchte. Nicht einmal den Hund hörte er dann, der laut vor ihm bellte. Meinen Bruder Isti und mich schaute er an, als seien wir Fremde. Wir nannten es tauchen. Vater taucht. Vater ist zum Tauchen gegangen. Ist Vater zurück vom Tauchen?, fragten wir einander.”

 

 

 1481918-2a4c8c0fac234c584c76086d8118bd4c.jpg

Zsuzsa Bánk (Frankfurt am Main, 24 oktober 1965)

 

 

 

 

 

De Engels - Amerikaanse dichteres Denise Levertov werd geboren op 24 oktober 1923 in Ilford, Essex. Zie ook alle tags voor Denise Levertov op dit blog en ook mijn blog van 24 oktober 2010.

 

 

Seeing For A Moment

 

I thought I was growing wings—
it was a cocoon.

I thought, now is the time to step
into the fire—
it was deep water.

Eschatology is a word I learned
as a child: the study of Last Things;

facing my mirror—no longer young,
the news—always of death,
the dogs—rising from sleep and clamoring
and howling, howling,

nevertheless
I see for a moment
that's not it: it is
the First Things.

Word after word
floats through the glass.
Towards me.

 

 

 

1481918-adf91ec4573861298a78cd0b77d14e28.jpg 

Denise Levertov (24 oktober 1923 – 20 december 1997)

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e oktober ook mijn blog van 24 oktober 2011 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:57 Reageer op dit bericht

Kester Freriks

De Nederlandse schrijver (Cornelis Christophel Maria) Kester Freriks werd geboren in Djakarta, Indonesië,  op 24 oktober 1954. Toen hij drie jaar oud was verhuisde het gezin Freriks naar Nederland. Vervolgens woonde Kester Freriks in Zandvoort, Groningen en Almelo waar hij twee middelbare scholen bezocht; eerst het Pius X College en vervolgens het Christelijk Lyceum. Deze omzwervingen in zijn jeugd verklaren mogelijk zijn latere zelfgekozen thematiek van nergens thuis te zijn Freriks studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, Duits, filosofie en theaterwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam.Tussen 1975 en 1979 was Freriks verbonden aan het toneelgezelschap Handke/Weiss. Hij trad op als acteur, vertaler en dramaturg. Sinds 1981 is hij verbonden aan de kunstredactie van het NRC Handelsblad en schrijft hij over theater, literatuur, vogels en natuur. In het academische jaar 1985-1986 was hij writer-in-residence aan de University of Minnesota in Minneapolis, USA. Hij debuteerde in 1978 in het tijdschrift Hollands Maandblad; een jaar later verscheen bij Uitgeverij Meulenhoff zijn verhalencyclus “Grand Hotel Lembang”. Behalve in het Hollands Maandblad publiceerde Kester Freriks in tijdschriften als Tirade, De Gids, De Revisor, Maatstaf, De Held, Fodor Maandblad, De Zingende Zaag, Bzzlletin en De Tweede Ronde. Voor de reeks Privé-domein van De Arbeiderspers vertaalde hij de brieven van de Duitse dichter Friedrich Hölderlin (1790-1843). Zijn novelle De Metropool werd in 1990 verfilmd als Sundog. Zijn roman Hölderlins toren werd in 1982 bekroond met de Van der Hoogt-prijs.

 

Uit: De wil der wegen

“Vroeger had ik twee soorten vrienden: zij die, ondanks talloze verhuizingen, heel hun jeugdige leven aan de spoorlijn hadden doorgebracht en zij die telkens weer langs een uitvalsweg of andere roetsjbaan terechtkwamen.

Sommige schoolkameraadjes verhuisden nooit. Hun wereld bestond uit de straat waaraan zij woonden, hun kleine universum eindigde waar de straat doodliep op huizen of met een scherpe bocht uit het gezichtsveld verdween. Het plaveisel bestond uit klinkers, zorgvuldig in de vorm van een visgraat gelegd op rul zand waarin de stratemakers met hun vingers graaiden als ze in de weer waren een nieuwe bestrating aan te leggen. Met tussen stokjes gespannen vliegertouw zetten ze de banen af waarbinnen de klinkerstenen moesten vallen. Ze werkten vanuit het midden naar de zijkanten. Paste een steen niet, dan werd hij met een trefzekere slag van de stratemakershamer - een werktuig met een lange, spits uitlopende klauw als de bek van een reiger - in brokstukken gekliefd. Als je hun verrichtingen gadesloeg dan leek het net of ze een reusachtige wervelkolom in het zand aanlegden: eerst een rechte lijn in het midden, over de as van de weg, en vervolgens naar weerszijden uitwaaierende rijen van klinkerstenen.

Na de regen glommen de keitjes in het zonlicht. In de winter gingen ze vaak schuil onder een laag aanvankelijk witte maar snel vervuilde sneeuw of glinsterend ijs. Net vernis. De natuur beschermde de straat als een kostbaar schilderij.

Van verhuizen konden mijn ouders nooit genoeg krijgen. Nauwelijks was een huis ingericht of ze lichtten alweer het anker, lieten verhuiswagens met dreigend draaiende motoren voorrijden en keken toe, mijn moeder koffie schenkend, vader hier en daar een helpende hand biedend, hoe het in kisten verpakte huisraad door de laaddeur verdween in de duisternis van de vrachtwagens. Meubels, gevangen in smoezelige hoezen, werden op de rug van de verhuizers uit het huis getild. Een schemerlamp kwam rechtop in de wagen te staan, omwikkeld met lappen. De kisten met glaswerk en het servies kregen nauwelijks een voorzichtiger behandeling: de sjouwers gingen er even ruw en tegelijk trefzeker mee om als met de dozen vol boeken.”

 

 

 1485023-663f71f66eb88f98d720201cb3c54f3e.png

Kester Freriks (Djakarta, 24 oktober 1954)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Robert Bridges, Adalbert Stifter

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

 

 

Engelbewaarder

 

1

Je hebt, denk ik, een overvol bestaan:

alle dagen meezingen in het koor

voor de almachtige, en ertussendoor

hier op de aarde mijn gangen nagaan,

 

mijn onverbeterlijke eigenwaan

en levensangst gedurig op het spoor,

volgend als zijn getrouwe oog en oor

en tussenbeide komend met vermaan.

 

Ik overweeg aan 't eind van elke dag,

jouw zorgenkind, huiverend van ontzag,

dat dansen tussen tijd en eeuwigheid,

dat dubbelleven dat je vlakbij leidt

en dat ik toch niet met je delen mag,

engel van God die mijn bewaarder zijt.

 

 

2

Vannacht was ik je kwijt, want opgenomen

in reuzenwolken, op en neer spiralend

en met miljoenen 't zelfde lied herhalend,

rondom een licht te fel voor mensendromen,

gezang dat een oneindig aantal malen

uiteen viel en weer als een zee ging stromen,

en jij daarin, voorgoed, leek het, ontkomen:

wat zou je nu nog naar mijn leven talen.

 

Kom terug, kom terug, riep ik je na.

Kon ik jou uit mijn duister nog bezweren?

Maar uit de zwermen hoorde ik geen ja,

alleen het ruisen van de atmosferen

rondom het zwijgen van de Heer der heren

ver in den hoge, in jouw gloria.

 

 

 

De rijke jongeling 2

 

Ik zou zo graag geloven dat hij later

naar hem teruggekeerd is: in die nacht

dat Jezus in de tuin werd opgebracht.

Een jonge man wilde hem volgen, staat er.

 

Dat hij toen echt alles had weggegeven.

Want hij ging enkel in een linnen doek

om zijn lichaam naar de meester op zoek.

Het was zijn schuld niet dat ze hem verdreven.

 

Het laatste wat hij had viel hun in handen.

Naakt sloeg hij op de vlucht. Verder dan daar

kon hij niet volgen. Als een bedelaar.

Ik zie de tranen in zijn ogen branden

terwijl hij rent, tussen de struiken door:

En sinds die nacht ontbreekt van hem elk spoor.

 

 

 

 1481383-6d57fbab993a72842b13ce595ceb3178.jpg

Michel van der Plas (23 oktober 1927 - 21 juli 2013)

 

 

 

 

 

De Albanees-Amerikaanse schrijfster en actrice Masiela Lusha werd geboren op 23 oktober 1985 in Tirana. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Masiela Lusha op dit blog.

 

 

Early Spring

 

When the waving heavens are soft
Cool inside the birth of green—
And the snowdrops filter
Through the blades and leaves

Budding and leafing
A rosy reflection—a mist of chill,
A pillow of muse in all its glory
And glistening, never blinding
A fading, a release,
A relinquishing on all
That is cold and vacant.
When the birds are plump
And wild with nature—
Seeking a link of rebirth.

Early spring, when the
World reopens to your embrace
And there is no need for cover,
For protection—
All you need is one smile—
And muse to live.
Early spring: when birth
Is a little gold, a little white.

 

 

 

Maple Lives

 

This yellow sweet anthem of spring is nearing
Sung and played by the Green Mistress's steering
Of mated birds and collected hives
This busy song, her ode to maple lives.
Frothing from her mother-bark's leaf
Is this sole drop, wet and golden and candy sweet.
How delicious for her to swallow all in her path,
To collect and drown their secret wrath...

Then forth she wanders, glassy and bubbling,
With stolen specks of silent troubling...
Frozen conspiracies and shadowed fights,
Arousing this nature's cast of caramel light.

The poor mass of humbled beings broken by her design,
Will illustrate the price of what's physically benign.
This maturing candy rock of once silent sweet flirt,
Will allow you to flavor those souls she had hurt.

 

 

 

 1481383-b2de0b72619751aaba541f0593c6e5f2.jpg

Masiela Lusha (Tirana, 23 oktober 1985)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Augusten Xon Burroughs werd geboren op 23 oktober 1965 in Pittsburgh, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Augusten Burroughs op dit blog.

 

Uit: Dry

 

“My phone rings. I let the machine pick up.
“Hey, it’s Jim … just wanted to know if you wanna go out for a quick drink.
Gimme a call, but try and get back—”
As I pick up the machine screeches like a strangled cat.
“Yes, definitely,” I tell him. “My blood alcohol level is dangerously low.”
“Cedar Tavern at nine,” he says.
Cedar Tavern is on University and Twelfth and I’m on Tenth and Third, just a few blocks away. Jim’s over on Twelfth and Second. So it’s a fulcrum between us. That’s one reason I like it. The other reason is because their martinis are enormous; great bowls of vodka soup. “See you there,” I say and hang up.
Jim is great. He’s an undertaker. Actually, I suppose he’s technically not an undertaker anymore. He’s graduated to coffin salesman, or as he puts it, “pre-arrangements.” The funeral business is rife with euphemisms. In the funeral business, nobody actually “dies.” They simply “move on,” as if traveling to a different time zone.
He wears vintage Hawaiian shirts, even in winter. Looking at him, you’d think he was just a normal, blue-collar Italian guy. Like maybe he’s a cop or owns a pizza place. But he’s an undertaker, through and through. Last year for my birthday, he gave me two bottles. One was filled with pretty pink lotion, the other with an amber fluid. Permaglow and Restorative: embalming fluids. This is the sort of conversation piece you simply can’t find at Pottery Barn. I’m not so shallow as to pick my friends based on what they do for a living, but in this case I have to say it was a major selling point.
A few hours later, I walk into Cedar Tavern and feel immediately at ease. There’s a huge old bar to my right, carved by hand a century ago from several ancient oak trees. It’s like this great big middle finger aimed at nature conservationists.”

 

 

 1481383-23253b7ee3bddbf723e5feeeea2a6831.jpg

Augusten Burroughs (Pittsburgh, 23 oktober 1965)

 

 

 

 

 

De Engelse dichter, toneel- en prozaschrijver Robert Seymour Bridges werd geboren in Walmer, Kent, op 23 oktober 1844. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2009 en ook mijn blog van 23 oktober 2010

 

 

Pater Filio

 

Sense with keenest edge unused,
   Yet unsteel'd by scathing fire;
Lovely feet as yet unbruised
   On the ways of dark desire;
Sweetest hope that lookest smiling
O'er the wilderness defiling!

Why such beauty, to be blighted
   By the swarm of foul destruction?
Why such innocence delighted,
   When sin stalks to thy seduction?
All the litanies e'er chaunted
Shall not keep thy faith undaunted.

I have pray'd the sainted Morning
   To unclasp her hands to hold thee;
From resignful Eve's adorning
   Stol'n a robe of peace to enfold thee;
With all charms of man's contriving
Arm'd thee for thy lonely striving.

Me too once unthinking Nature,
   --Whence Love's timeless mockery took me,--
Fashion'd so divine a creature,
   Yea, and like a beast forsook me.
I forgave, but tell the measure
Of her crime in thee, my treasure.

 

 

 

1481383-257097115c9ed67b892bddf8edb306f5.jpg 

Robert Bridges (23 oktober 1844 - 21 april 1930)

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Adalbert Stifter werd geboren in Oberplan op 23 oktober 1805. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Adalbert Stifterdit blog.

 

Uit: Der Nachsommer

 

„Mein Vater war ein Kaufmann. Er bewohnte einen Teil des ersten Stockwerkes eines mäßig großen Hauses in der Stadt, in welchem er zur Miete war. In demselben Hause hatte er auch das Verkaufsgewölbe, die Schreibstube nebst den Warenbehältern und anderen Dingen, die er zu dem Betriebe seines Geschäftes bedurfte. In dem ersten Stockwerke wohnte außer uns nur noch eine Familie, die aus zwei alten Leuten bestand, einem Manne und seiner Frau, welche alle Jahre ein oder zwei Male bei uns speisten, und zu denen wir und die zu uns kamen, wenn ein Fest oder ein Tag einfiel, an dem man sich Besuche zu machen oder Glück zu wünschen pflegte. Mein Vater hatte zwei Kinder, mich, den erstgeborenen Sohn, und eine Tochter, welche zwei Jahre jünger war als ich. Wir hatten in der Wohnung jedes ein Zimmerchen, in welchem wir uns unseren Geschäften, die uns schon in der Kindheit regelmäßig aufgelegt wurden, widmen mußten, und in welchem wir schliefen. Die Mutter sah da nach und erlaubte uns zuweilen, daß wir in ihrem Wohnzimmer sein und uns mit Spielen ergötzen durften.

Der Vater war die meiste Zeit in dem Verkaufsgewölbe und in der Schreibstube. Um zwölf Uhr kam er herauf, und es wurde in dem Speisezimmer gespeiset. Die Diener des Vaters speisten an unserem Tische mit Vater und Mutter, die zwei Mägde und der Magazinsknecht hatten in dem Gesindezimmer einen Tisch für sich. Wir Kinder bekamen einfache Speisen, der Vater und die Mutter hatten zuweilen einen Braten und jedesmal ein Glas guten Weines. Die Handelsdiener bekamen auch von dem Braten und ein Glas desselben Weines. Anfangs hatte der Vater nur einen Buchführer und zwei Diener, später hatte er viere.

In der Wohnung war ein Zimmer, welches ziemlich groß war. In demselben standen breite, flache Kästen von feinem Glanze und eingelegter Arbeit. Sie hatten vorne Glastafeln, hinter den Glastafeln grünen Seidenstoff, und waren mit Büchern angefüllt. Der Vater hatte darum die grünen Seidenvorhänge, weil er es nicht leiden konnte, daß die Aufschriften der Bücher, die gewöhnlich mit goldenen Buchstaben auf dem Rücken derselben standen, hinter dem Glase von allen Leuten gelesen werden konnten, gleichsam als wolle er mit den Büchern prahlen, die er habe. Vor diesen Kästen stand er gerne und öfter, wenn er sich nach Tische oder zu einer andern Zeit einen Augenblick abkargen konnte, machte die Flügel eines Kastens auf, sah die Bücher an, nahm eines oder das andere heraus, blickte hinein, und stellte es wieder an seinen Platz.“

 

 

 1481383-a87e79e5593970a970886f910a479b35.jpg

Adalbert Stifter (23 oktober 1805 - 28 januari 1868)

Postzegel ter gelegenheid van zijn 200e geboortedag

 

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e oktober ook mijn blog van 24 oktober 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:12 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten