Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
20-04-2014
Ostermorgen (Emanuel Geibel)
Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen!
De verrijzenis van Christus door Jacopo Tintoretto, tussen 1579 en 1581
Ostermorgen
Die Lerche stieg am Ostermorgen empor ins klarste Luftgebiet und schmettert' hoch im Blau verborgen ein freudig Auferstehungslied. Und wie sie schmetterte, da klangen es tausend Stimmen nach im Feld: Wach auf, das Alte ist vergangen, wach auf, du froh verjüngte Welt!
Wacht auf und rauscht durchs Tal, ihr Bronnen, und lobt den Herrn mit frohem Schall! Wacht auf im Frühlingsglanz der Sonnen, ihr grünen Halm' und Läuber all! Ihr Veilchen in den Waldesgründen, ihr Primeln weiß, ihr Blüten rot, ihr sollt es alle mit verkünden: Die Lieb ist stärker als der Tod.
Wacht auf, ihr trägen Menschenherzen, die ihr im Winterschlafe säumt, in dumpfen Lüften, dumpfen Schmerzen ein gottentfremdet Dasein träumt. Die Kraft des Herrn weht durch die Lande wie Jugendhauch, o laßt sie ein! Zerreißt wie Simson eure Bande, und wie die Adler sollt ihr sein.
Wacht auf, ihr Geister, deren Sehnen gebrochen an den Gräbern steht, ihr trüben Augen, die vor Tränen ihr nicht des Frühlings Blüten seht, ihr Grübler, die ihr fern verloren traumwandelnd irrt auf wüster Bahn, wacht auf! Die Welt ist neugeboren, hier ist ein Wunder, nehmt es an!
Ihr sollt euch all des Heiles freuen, das über euch ergossen ward! Es ist ein inniges Erneuen, im Bild des Frühlings offenbart. Was dürr war, grünt im Wehn der Lüfte, jung wird das Alte fern und nah. Der Odem Gottes sprengt die Grüfte - wacht auf ! Der Ostertag ist da.
Emanuel Geibel (17 oktober 1815 - 6 april 1884) Lübeck, Holstentor (Geibel werd geboren in Lübeck)
Geen dief overtrof, geen spion, hetgeen hij moeiteloos kon; en het gevederd leder waarop de god Hermes van zijn bergtop neer te dalen placht doorkruiste het ruim niet zo zacht als hij op straat kon gaan, gewoon lopend, met schoenen aan. Hij maakte op het trottoir het onheilspellende maar onhoorbare gerucht van het hoog in de lucht verschoten vliegerbericht: in een wolkje ploft licht tot een blinkende ster uiteen, en langs heel de vuurlinie heen weet men: dit meldt het uur u, nu gaat het beginnen, nu verdwijnt de onzekerheid van de mij gegunde tijd, nu is het voor alles te laat. De stilte die dan ontstaat is een stilte, niet slechts naar de vorm een stilte voor de storm, maar een stilte van het soort waar dingen in worden gehoord die nog nimmer het oor vernam.
Het meisje
Wanneer je ontwaakt, zie je den morgen bleken, De klokken luiden dat de dag begint. De tuin geurt zoel van gras en vochtig grint, Ruisend omhoog de hoge bomen steken.
Meisje dat de innigheid der dingen mint, Je hebt geen daad te doen, geen woord te spreken: Je stil-bewegend leven heeft de bleke Wonderlijkheid der dromen van een kind.
Wij gingen samen ‘s morgens door de stad, Het licht viel schuin naar binnen in de straten, Mensen liepen voorbij die samen praatten,
De toren speelde – en ‘t was of alles had De tere kleur en klank van ‘t vreemd bewogen Zwijgende leven van je glanzende ogen.
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
De Nederlandse schrijver en beeldend kunstenaar Jan Cremerwerd geboren in Enschede op 20 april 1940. Zie ook alle tags voor Jan Cremer op dit blog.
Strada Rosso, 2001, zeefdruk
Uit: Ik Jan Cremer
“Vuurpeleton aantreden! Ik was vreselijk bang. Ik dwong mezelf om niets te laten merken. Was ik nou een man? Hoeveel doden had ik wel niet gezien. De executie was wel erg: Het was een luitenant. Een jonge gozer, erg knap. Er stond ook een kerel bij van de DST, een rechercheur. En de aalmoezenier. Het was net als in die film die ik in Algiers gezien heb. Met commando ‘Vuur’ werd er expres misgeschoten. Ik vond het zielig voor die Fransman. Maar het was gotverdomme wel vreselijk: Met doffe ploffen spetterden zijn hersens eruit maar hij was nog niet kapot. Hij zakte op zijn knieën, vreselijk schreeuwend, blind en halfdood. Hij gilde om het genadeschot. Er ontstond verwarring. Wij begonnen door mekaar heen te lopen en ik draaide me om, misselijk. De bevelvoerende kapitein vloekte en schreeuwde vreselijk. De aalmoezenier ook. Alleen de rechercheur bleef gewoon staan kijken. Het pistool van de sergeant ketste en hij kwakte het vloekend en tierend weg. Al die tijd bleef die luitenant maar gillen. Vreselijk! Met het pistool van de PM kreeg ie endelijk het genadeschot. De arme man kronkelde als een slang op de grond, stuiptrekkingen. Alsof ie zich lekker in de kussens van een warm bed woelde.”
De eeuwig wisselende hemel welfde zich eeuwenlang boven dezelfde grond, waar altijd anders en altijd hetzelfde de stad zichzelf herkende en hervond;
van wat hier door de jaren is verrezen is veel weer door de jaren neergehaald, maar altijd werd deze plek het wezen van Gronings stad en ommeland bepaald,
dat, steeds als men het nieuwe met het oude opnieuw behoedzaam in de waagschaal legt, voor volgende geslachten blijft behouden, wanneer ook deze muren zijn geslecht.
Maar iets
Mijn moeder die haar lange laatste jaren in een tehuis voor oude mensen sleet, had na verloop van tijd steeds minder weet van dingen die daarvóor haar leven waren.
Ze was haar man vergeten, lief en leed dat zij om zijnentwille mocht ervaren, de kinderen die zij had moeten baren en dat ze die gevoed had en gekleed.
Alles verdween: zij ook. Het meest vertrouwde, wat ons als lichaam eigen is, verdwijnt, en waar wij onze ziel voor geven zouden,
het wordt als niets. Toch hoop ik op het eind al was het maar iets vast te kunnen houden van wat nu nog zo onontbeerlijk schijnt.
Jean Pierre Rawie (Scheveningen, 20 april 1951) Portret door Harriët Geertjes, 2003
“He went downstairs to dinner, startled by the sound of his steps on the two staircases that took him to the landing of the first floor and the family bedrooms, and thence down to the hall. He felt hot beneath his waistcoat and jacket. He stood for a moment disorientated, unsure which of the four glass-panelled doors that opened off the hall was the one through which he was supposed to go. He half-opened one and found himself looking into a steam-filled kitchen in the middle of which a maid was loading plates on to a tray on a large deal table. "This way, Monsieur. Dinner is served," said the maid, squeezing past him in the doorway. In the dining room the family were already seated. Madame Azaire stood up. "Ah, Monsieur, your seat is here." Azaire muttered an introduction of which Stephen heard only the words "my wife." He took her hand and bowed his head briefly. Two children were staring at him from the other side of the table. "Lisette," Madame Azaire said, gesturing to a girl of perhaps sixteen with dark hair in a ribbon, who smirked and held out her hand, "and Grégoire." This was a boy of about ten, whose small head was barely visible above the table, beneath which he was swinging his legs vigorously backward and forward. The maid hovered at Stephen's shoulder with a tureen of soup. Stephen lowered a ladleful of it into his plate and smelt the scent of some unfamiliar herb. Beneath the concentric rings of swirling green the soup was thickened with potato. Azaire had already finished his and sat rapping his knife in a persistent rhythm against its silver rest. Stephen lifted searching eyes above the soup spoon as he sucked the liquid over his teeth.”
“9. He spends a few minutes looking at the footprints outside the Chinese Theatre. He can find neither Elizabeth Taylor nor Montgomery Clift. At the box office he buys a ticket and goes inside to watch the movie. As Vikar traveled on what seemed an endless bus to Hollywood, the Traveler hurtles through space toward infinity. Dimensions fall away from the Traveler faster and faster until, by the end of the movie, he's an old man in a white room where a black monolith appears to him at the moment of death. He becomes an embryonic, perhaps divine Starchild. Vikar has come to Los Angeles as a kind of starchild as well, a product of no parentage he acknowledges, vestiges of an earlier childhood falling away from him like dimensions. Vikar tells himself, I've found a place where God does not kill children but is a Child Himself. He's now seen two movies, one of the Middle Ages and one of the future, in his first seven hours in Los Angeles. Vikar crosses Hollywood Boulevard to the Roosevelt Hotel, built by Louis B. Mayer, Douglas Fairbanks and Mary Pickford in the year the movies discovered sound.”
Uit: The Year of the Hare (Vertaald door Herbert Lomas)
“Vatanen took the hare in his arms and went out on to the ice, thinking he’d take a walk across the bay, sort his thoughts out and calm down. It was about half a mile to the farther shore. When he was half-way across, the ravers loosed a couple of large hounds at him. They’d spotted the hare he was carrying. “After ‘em! After ‘em!” they shouted. The yelping hounds tore across the ice in hot pursuit. The hare took to its heels, and, seeing it on the run, the hounds broke into a fierce baying. Their big paws slithered on the ice as they hurtled past Vatanen and vanished into the trees across the bay. Vatanen pursued them to the headland, wondering how he could save his hare. What he needed was a gun, but that was hanging on a nail at Läähkimä Gulf. Several men came running out of the villa, carrying guns. Bellowing as they run, they were like the hounds they’d loosed. The ice bent under their weight. Vatanen concealed himself among the trees, for as soon as they got to the headland, they fired in his direction. He was lying in the slushy snow, hearing the peevish mumbling of drunken men. The hare was already far off, the baying of the hounds scarcely audible. Their cry was actually a howl; so the hunt was still on, the hare still alive.“
« Quelques gestes m'ont été — ou me sont — familiers : me flairer le dessus de la main; ronger mes pouces presque jusqu'au sang; pencher la tête légèrement de côté; serrer les lèvres et m'amincir les narines avec un air de résolution; me frapper brusquement le front de la paume — comme quelqu'un à qui vient une idée — et l'y maintenir appuyée quelques secondes (autrefois, dans des occasions analogues, je me tâtais l'occiput); cacher mes yeux derrière ma main quand je suis obligé de répondre oui ou non sur quelque chose qui me gêne ou de prendre une décision; quand je suis seul me gratter la région anale; etc. Ces gestes, je les ai un à un abandonnés, au moins pour la plupart. Peut-être aussi en ai-je seulement changé et les ai-je remplacés par de nouveaux que je n'ai pas encore repérés? Si rompu que je sois à m'observer moi-même, si maniaque que soit mon goût pour ce genre amer de contemplation, il y a sans nul doute des choses qui m'échappent, et vraisemblablement parmi les plus apparentes, puisque la perspective est tout et qu'un tableau de moi, peint selon ma propre perspective, a de grandes chances de laisser dans l'ombre certains détails qui, pour les autres, doivent être les plus flagrants »
. Michel Leiris (20 april 1901 – 30 september 1990)
« 9 avril 1939 J'ai une tendance à la mélancolie. Me méfier. Il me faut retrouver une plus grande liberté, celle que j'avais à mes débuts.
10 avril 1939 Ne plus rien écrire sans avoir un grand sujet. Ne pas trouver, comme avant, un sujet dans ce que j'ai écrit.
11 avril 1939 La rose de quatre jours, dont les pétales ne sont pas encore tombés. Le chien, à contre-jour, à travers les yeux duquel on voit. Perplexité sur le ton de mon prochain roman.
13 avril 1939 Ai été hier à Arcachon. Déjeuner chez Pierre Freudaie. Poincaré parle plus de lui dans ses mémoires que de Guynemer. Le scénario Montmartre, en poème. Vu, sur le bateau, en revenant, un magnifique marsouin. Quand les pêcheurs en prennent un, ils lui crèvent les yeux, lui passent un couteau à travers le corps, et le rejettent ainsi à la mer. Vengeance.
22 avril 1939 Sujet de pièce : la chance fait enfin son apparition. J'ai connu beaucoup de femmes. Aucune ne me semble avoir été belle.”
« À trois mois de là, on sonna à ma porte. C'était Melle de Plémeur, dégouttante de pluie, dans mon Neuilly lointain. Au salon, son chapeau enlevé, et secouant la tête avec un geste de petite fille, pour aérer, alléger ses cheveux bretons, inaccessibles à la raie, elle me dit sans préambule : - J'ai tout laissé choir. N'est-ce pas, je deviens trop vieille. J'ai vu la graisse revenir, mes muscles s'ankyloser. Et puis, il y a un mois... Vous savez, ce dernier sursaut de la flamme, quand le feu est sur le point de s'éteindre... C'est en ce moment dans mon corps un retour de forme qui est incroyable. Il ne faut pas chercher à comprendre. La forme. Elle est encore pour nous à demi-inconnue ; elle vient, s'en va, c'est un serpent et une fée. Ayant perdu mon sprint, je me suis essayée, seule, sur le fond. Et je suis sûre, vous entendez, j'ai la certitude que je peux battre le record féminin du mille, qui est de trois minutes seize secondes. Seulement, il faut que je le tente tout de suite ; ma forme peut disparaître du matin au soir. Je suis donc venue. Au club tous les officiels sont en déplacement. Alors j'ai pensé à vous, Il faut que dès demain, si possible, vous veniez me chronométrer. Je ne rentrerai au club et je ne reprendrai ma bonne vie que si je peux le faire avec votre témoignage que j'ai battu ce record... Il faut... Inutile supplication. Elle m'avait convaincu. Sans doute son désir était-il peu fondé, puisque, si elle battait ce record, sa performance, accomplie sans témoins officiels, ne serait pas homologuée. Mais quoi ! Je la rendais heureuse et ne causais de tort à personne. Ah ! Quand un être n'a que ces désirs-là, donnons-lui donc sans faire d'histoires le rien qui le contente. Il est si vite trop tard !”
Henry de Montherlant (20 april 1896 – 21 september 1972)
« Former des corps et des caractères avant d’y loger des esprits, et ces esprits les appliquer à un objet immédiat, voilà leur programme d’éducation. « Jeunes gens, craignez Dieu et faites des marches forcées ! » Les sports peuplent les écoles publiques d’une jeunesse drue, sanguine et bien vivante. Elle croît en plein air et, sans l’intervention du maître, elle pourvoit à l’entretien et au fonctionnement de tous ses jeux : elle commence donc à acquérir par là un certain esprit d’initiative. Et la façon dont le travail fonctionne le développe encore : dans la plupart des écoles l’élève loge avec le maître (tutor), chez qui il a sa chambre qu’il meuble à son goût : c’est là qu’il travaille, s’il le veut bien ; mais il peut élire pour pupitre une branche d’arbre ou un lit de sable au bord de l’eau. Son temps lui appartient, il le distribue à sa guise : on lui demande peu entre seize et dix-huit ans. Si son travail scolaire est petit, son activité générale est considérable. Elle se déploie surtout dans les sociétés de tout genre qui pullulent dans les écoles et dans les universités. Ces jeunes gens, singeant du reste leurs auteurs, forment des ligues à propos du moindre intérêt commun. Sans doute, on y bavarde beaucoup — M. de Coubertin ne le cache pas — mais on y fait un petit apprentissage de la vie, et ces Anglais ne cherchent, fieffés originaux, rien autre que cela dans les années d’études. »
Charles Maurras (20 april 1868 – 16 november 1952)
“Noch immer lief Tine weinend neben dem Wagen her, während Frau Berg die letzten Worte laut in die Dunkelheit und den Wind hinausrief: «Dann bringen Sie noch alles in Ordnung – in der blauen Kammer – heute Abend ... heute Abend noch.» «Ja – ja», antwortete Tine und konnte vor Tränen nicht sprechen. «Und grüßen Sie mir – und grüßen Sie!», rief Frau Berg schluchzend, der Wind verschluckte ihre Worte. Noch ein letztes Mal sprang Tine heran und griff nach ihrer ausgestreckten Hand, bekam sie aber nicht mehr zu fassen. Dann blieb sie stehen; und wie ein großer Schatten glitt der Wagen schnell ins Dunkel hinein, und schon war er nicht mehr zu hören. Tine ging durch die Allee und über den Hof, wo die Jagdhunde leise winselten, zur Forstmeisterei zurück. Sie öffnete die Tür zum Flur, der so leer wirkte mit den kahlen Kleiderhaken, und auch Herlufs Spielzeugecke war ausgeräumt. Sie ging in die Küche, wo das Talglicht zwischen den Resten vom Teetisch glomm. In der Gesindestube saßen die Leute schweigend am Tisch, Lars am oberen Ende. «Ich soll grüßen», sagte Tine mit erstickter Stimme, und wieder wurde es still. Nur Maren, die mit der Schürze über dem Kopf, einem wiegenden Bündel gleich, am Ofen saß, heulte klagend auf.“
Uit: Artist-life: Or, Sketches of American Painters (Gilbert Stuart)
“Stuart's genius was eminently practical. There are two very distinct processes by which superior abilities manifest themselves: that of intelligence and that of impulse. As great military achievements are realized equally through self-possession and daring, skill and bravery, foresight and enthusiasm, the calmness of a Washington and the impetuosity of a Murat, literary and artistic results owe their efficiency to a like diversity of means. The basis of Allston's power was a love of beauty, that of Stuart's, acuteness; the one possessed delicate, the other strong perception; one was inspired by ideality, and the other by sense. Hence Stuart has been justly called a philosopher in his art. He seized upon the essential, and scorned the adventitious. He was impressed with the conviction that as a portrait painter it was his business to deal frankly with nature, and not suffer her temporary relations to interfere with his aim. Hence his well known pertinacity in seeking absolute expression, and giving bold general effects?authentic hints rather than exquisitely-wrought details. Hence, too, his amusing impatienceat every thing factitious and irrelevant. A young physician whom he desired to paint in remuneration for professional services, made a studied toilet, and with a deep sense of the importance of the occasion, appeared punctually at the hour designated. Stuart was prepared to receive him, canvas, throne and palette all arranged. To his visitor's surprise, however, after surveying him a moment, he deliberately seated himself and commenced a series of those interesting narrations for which he was celebrated. Time flew by and the annoyed Esculapius heard the hour chimed when he should be with his expectant patients.“
Henry Tuckerman (20 april 1813 – 17 december 1871) Zelfportret van Gilbert Stuart, 1778
-" Planons, lui disais-je, sur les bois que parfument les roses ; jouons-nous dans la lumière et l'azur des cieux, oiseaux de l'air, et accompagnons le printemps voyageur. "
La mort me la ravit échevelée et livrée au sommeil d'un évanouissement, tandis que, retombé dans la vie, je tendais en vain les bras à l'ange qui s'envolait.
Oh ! si la mort eût tinté sur notre couche les noces du cercueil, cette sueur des anges m'eût fait monter aux cieux avec elle, ou je l'eusse entraînée avec moi aux enfers !
Délirantes joies du départ pour l'ineffable bonheur de deux âmes qui, heureuses et s'oubliant par-tout où elles ne sont plus ensemble, ne songent plus au retour.
Mystérieux voyage de deux anges qu'on eût vus, au point du jour, traverser les espaces et recevoir sur leurs blanches ailes la fraîche rosée du matin !
Et dans le vallon, triste de notre absence, notre couche fût demeurée vide au mois des fleurs, nid abandonné sous le feuillage.
Aloysius Bertrand (20 april 1807 – 29 april 1841) Zelfportret
« ANTONIA What did you see? Tell me, please! NANNA In the cell I saw four sisters, the General, and the three milky-white and ruby-red young friars, who were taking off the reverend father’s cassock and garbing him in a big velvet coat. Then hid his tonsure under a small golden skullcap, over which they placed a velvet cap ornamented with crystal droplets and surmounted by a white plume. Then, having buckled his sword at his side, the blissful General, to speak frankly, started strutting back and forth with the big-balled stride of a Bartolomeo Colleoni. In the meantime the sisters removed their habits and the friars took off their tunics. The latter put on the sisters` robes and the sisters that is, three of them put on the friars`. The fourth nun rolled herself up in General’s cassock, seated herself pontifically, and began to imitate a superior laying down the law for the convent. ANTONIA What pretty pranks! NANNA Now it becomes prettier.”
-
Pietro Aretino (20 april 1492 - 21 oktober 1556)br> Portret door Marcantonio Raimondi, 1517–20 or 1524–25
Were I a boy, with a boy's heart-beat At glimpse of her passing adown the street, Of a room where she had entered and gone, Or a page her hand had written on,-- Would all be with me as it was before? O no, never! no, no, never! Never any more.
Were I a man, with a man's pulse-throb, Breath hard and fierce, held down like a sob, Dumb, yet hearing her lightest word, Blind, until only her garment stirred: Would I pour my life like wine on her floor? No, no, never: never, never! Never any more.
Gray and withered, wrinkled and marred, I have gone through the fire and come out unscarred, With the image of manhood upon me yet, No shame to remember, no wish to forget: But could she rekindle the pangs I bore?-- O no, never! thank God, never! Never any more.
Old and wrinkled, withered and gray,-- And yet if her light step passed to-day, I should see her face all faces among, And say,--'Heaven love thee, whom I loved long! Thou hast lost the key of my heart's door, Lost it ever, and forever, Ay, forevermore.'
Dinah Craik (20 april 1826 - 12 oktober 1887) Portret door Sir Hubert von Herkomer, z.j.