Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 28 augustus 2015 tot 29 augustus 2015

Hugo Brandt Corstius, Elma van Haren, John Edward Williams, Maurice Maeterlinck, Thom Gunn, Lukas Hartmann, Hermann Löns

De Nederlandse schrijver en wetenschapper Hugo Brandt Corstius werd geboren in Eindhoven op 29 augustus 1935. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Hugo Brandt Cortius op dit blog.

Uit: Vestdijks nieuwe lichaamsdeelm (Over De Ziener)

“Al eerder hebben lichaamsdelen een grote rol gespeeld in romans van Simon Vestdijk. En dan bedoel ik niet die menselijke organen die in al zijn boeken hun smeulende functie verrichten. Het menselijk gebit bijvoorbeeld, werd uitputtend behandeld in ‘Ivoren Wachters’, een boek dat geen tandarts ongelezen mag laten. Het mooist is het lichaamsdeel verwerkt in ‘De vijf roeiers’ waarin de menselijke hand het grondmotief is. Niet alleen wemelt het van de handen en handjes, maar ieder van de vijf roeiers wordt precies getypeerd door één vinger. En nu is de beurt dan aan het oog.
In een Noordelijk stadje, waarin we Weulnerdam kunnen herkennen, wordt, zoals we weten, veel gescharreld in portieken, gangetjes en op dijkhellingen. De hoofdpersoon Le Roy, de ziener, heeft een vrijetijdsbesteding gevonden in het begluren van deze vrijpartijen. Hij is dus een voyeur, maar geen gewone. Het is niet duidelijk of hij een lichamelijke bevrediging vindt in zijn kijkpraktijken. Bovendien aanvaardt hij stoïcijns de aframmelingen die hij zo nu en dan van zijn slachtoffers ontvangt, ook al is hij zeker geen masochist. Het meest afwijkende van deze voyeur is wel dat hij in staat is over zichzelf na te denken en er zo toe komt de consequenties uit zijn voyeursschap te trekken. Er zijn nu eenmaal geen Parijse etablissementen in zijn woonplaats zodat hij verzucht ‘in Holland moet je zelf voor die dingen zorgen’. Zo zien we hem dan ook in het eerste hoofdstuk een krankzinnig ingewikkelde intrige op touw zetten, die er toe moet leiden dat een dorpeling die door zijn toedoen in de stad een teleurstelling ondervindt, bij zijn meisje troost zal gaan zoeken. Alles is prachtig voorbereid en Le Roy kan zich de gang van zaken precies voorstellen. Maar zijn fout is dat hij dat ook doet en als ‘ziener’ al bij voorbaat geniet van het op hem af komen van de bedrogene. Le Roy begrijpt dat hij te ver is gegaan en dat de werkelijke uitvoering geen zin meer heeft, de brief die alles op gang moest brengen wordt verscheurd, de expositie is voltooid, en Le Roy begint zijn meester-intrige waaraan de rest van het boek is gewijd.
Hij verspreidt het gerucht dat een ongetrouwde lerares die bij zijn moeder kamers heeft gehuurd een verhouding heeft met een leerling. Dit is niet zo, maar leerling en lerares besluiten, o vreugde van Le Roy, het stadje te tonen hoe verkeerd hun verdenkingen wel zijn en zetten moedig hun ontmoetingen voort. En als het dan tegen het eind van het boek tot een gevoelsuitstorting komt (een magische liefdesvervulling door enkele aanraking, zoals Vestdijk ons dat de laatste tijd meer laat zien) verwondert het geen lezer, die de beuk opmerkte, waarin Le Roy zo goed kon klimmen en die bovendien de omslagtekening niet veronachtzaamde, waar een oog in een boom zit, dan verwondert het geen lezer dat De Ziener van deze scène getuige is.”

 

 1807177-19f52924535c650e651d56b6d17aeaab.jpg
Hugo Brandt Corstius (29 augustus 1935– 28 februari 2014)

 

 

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Elma van Haren werd geboren in Roosendaal op 29 augustus 1954. Zie ook alle tags voor Elma van Haren op dit blog en eveneens mijn blog van 29 augustus 2010.

 

Reizen

De mooiste man, die ik ooit zag, stapte uit in Overveen.
Ik was op weg naar Zandvoort. Het was een grote man, gekleed
in een strakke broek. Hij had een enorme neus.
Gehypnotiseerd als ik was, had ik hem kunnen volgen, zwijgzaam,
bleek. Niet dat ik denk, dat hij me binnen zou laten.
Nooit weet ik of ik dwaasheid moet betreuren of gezond verstand.
 
Daarna ben ik vele mooie mannen gepasseerd, hier op straat,
in café's, in de tram, maar geen een
is in mijn herinnering gebleven.
 
Een andere mooie man zag ik op een verre reis in de woestijn.
Hij liep van me af. Ik zag zijn stevig lichaam, haar strak in
een staart. Een bruine man, bijna naakt.
Toen hij opzij keek, zag ik even haast lichtgevende blauwe ogen
in een tamelijk verfrommeld gezicht.
Wat is het toch lastig, gebonden te zijn aan een verleden,
aan de traagheid van overweging,
die net altijd een paar seconden langer duurt,
- groter is - dan de te overbruggen afstand.
 
Daarna ben ik vele mooie mannen gepasseerd, hier op straat,
in café's, in de tram, maar geen een
is in mijn herinnering gebleven.
 
De derde mooie man, gestoken in zwart pak en bijna helemaal grijs,
zag ik vandaag in de dagmarkt.
Het lukte me niet, blikken te moeten wisselen tussen
de James Grieves en de gepelde tomaten, de twee wagentjes
schaamteloos naast elkaar.
Wat op reis een droom blijft, blijft
zeuren, hier,
in wat thuis heet.
Het is als met de toevallig gevonden vakantiefoto
van een wijd leeg landschap en je niet meer weet,
waar, met wie, wanneer...

 

 1807177-65760b94a4a1c908b91be1850928cda9.jpg
Elma van Haren (Roosendaal, 29 augustus 1954)
Roosendaal, markt

 

 

De Amerikaanse schrijver John Edward Williams werd geboren in Clarksville, op 29 augustus 1922. Zie ook alle tags voor John Edward Williams op dit blog.

 

Ode To The Only Girl

I've seen you many times in many places--
Theater, bus, train, or on the street;
Smiling in spring rain, in winter sleet,
Eyes of any hue in myriad faces;
Midnight black, all shades of brown your hair,
Long, short, bronze or honey-fair.
Instantly have I loved, have never spoken;
Slowly a truck passed, a light changed,
A door closed--all seemingly pre-arranged--
Then you were gone forever, the spell was broken.
Ubiquitios only one, we've met before
A hundred times, and we'll meet again
As many more; in hills or forest glen,
On crowded street or lonely, peaceful shore;
Somewhere, someday--but how will we ever know
True love, how wil we ever know?

 


Swing Song

The blatant horns blare strident sound;
Delighted, you laugh and seize
My passive arm, but I have found
Content in the harmonies.
They sound, are silent; please or annoy,
Are not clever, cruel, or coy
Like human qualities.
See agile fingers in frantic flight
Along the smoking row
Of piano keys cut from ebony night
And from the sullied snow
Of the city. Look love, listen love, tell me--
Where does the music come from really,
Where does it really go?
Planets are tensed to a single chord
Of absolute harmony
Sounding from a cosmic keyboard,
Unheard by you and me;
Yet we re attuned; who understands
That can see the judgment-hands
Poised above the keys.

 

 1807196-a4ff30ecfd4e437b4bd549173b8fa848.jpg
John Edward Williams (29 augustus 1922 - 3 maart 1994)
Cover

 

 

De Belgische dichter en schrijver Maurice Maeterlinck werd geboren op 29 augustus 1862 in Gent. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Maurice Maeterlinck op dit blog.

 

Chanson III

Ils ont tué trois petites filles
Pour voir ce qu’il y a dans leur coeur.

Le premier était plein de bonheur;
Et partout où coula son sang,
Trois serpents sifflèrent trois ans.

Le deuxième était plein de douceur,
Et partout où coula son sang,
Trois agneaux broutèrent trois ans.

Le troisième était plein de malheur,
Et partout où coula son sang,
Trois archanges veillèrent trois ans.

 


Chanson VI

On est venu dire,
    (Mon enfant, j'ai peur)
On est venu dire
Qu'il allait partir...
 
Ma lampe allumée,
    (Mon enfant, j'ai peur)
Ma lampe allumée,
Me suis approchée...
 
À la première porte,
    (Mon enfant, j'ai peur)
A la première porte,
La flamme a tremblé...
 
À la seconde porte,
    (Mon enfant, j'ai peur)
À la seconde porte,
La flamme a parlé...
 
À la troisième porte,
    (Mon enfant, j'ai peur)
À la troisième porte,
La lumière est morte...

 


Stagnant Hours

There are the old desires that pass,
The dreams of weary men, that die,
The dreams that faint and fail, alas!
And there the days of hope gone by!
        
Where to fly shall we find a place?
Never a star shines late or soon:
Weariness only with frozen face,
And sheets of blue in the icy moon.
        
Behold the fireless sick, and lo!
The sobbing victims of the snare!
Lambs whose pasture is only snow!
Pity them all, O Lord, my prayer!
        
For me, I wait the awakening call:
I pray that slumber leave me soon.
I wait until the sunlight fall
On hands yet frozen by the moon.

 

Vertaald door Bernard Miall

 

1807177-d681ab4cf862cb652326fc6199b1b3c2.jpg
Maurice Maeterlinck (29 augustus 1862 - 6 mei 1949)

 

 

 

De Engelse dichter Thomson („Thom“) William Gunn werd geboren op 29 augustus 1929 in Gravesend, Kent. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Thom Gunn op dit blog.

 

On The Move 'Man, You Gotta Go.' -

On motorcycles, up the road, they come:
Small, black, as flies hanging in heat, the Boy,
Until the distance throws them forth, their hum
Bulges to thunder held by calf and thigh.
In goggles, donned impersonality,
In gleaming jackets trophied with the dust,
They strap in doubt--by hiding it, robust--
And almost hear a meaning in their noise.

Exact conclusion of their hardiness
Has no shape yet, but from known whereabouts
They ride, directions where the tires press.
They scare a flight of birds across the field:
Much that is natural, to the will must yield.
Men manufacture both machine and soul,
And use what they imperfectly control
To dare a future from the taken routes.

It is part solution, after all.
One is not necessarily discord
On Earth; or damned because, half animal,
One lacks direct instinct, because one wakes
Afloat on movement that divides and breaks.
One joins the movement in a valueless world,
Crossing it, till, both hurler and the hurled,
One moves as well, always toward, toward.

A minute holds them, who have come to go:
The self-denied, astride the created will.
They burst away; the towns they travel through
Are home for neither birds nor holiness,
For birds and saints complete their purposes.
At worse, one is in motion; and at best,
Reaching no absolute, in which to rest,
One is always nearer by not keeping still.

 

 1807177-be7cf567b91d7e9e5e7331eee6b0427e.jpg
Thom Gunn (29 augustus 1929 – 25 april 2004)
Gefotografeerd door Rollie McKenna, 1957

 

 

De Zwitserse schrijver Lukas Hartmann (eig. Hans-Rudolf Lehmann) werd geboren op 29 augustus 1944 in Bern. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Lukas Hartmann op dit blog.

Uit: Auf beiden Seiten

„Vielleicht müsste ich doch mit Berlin (Ost) beginnen, im November 88, mit Johann und mir. Es regnete fast ununterbrochen, es roch nach Braunkohle und aus Eckkneipen nach Sättigungsbeilagen. Überall Pfützen in Schlaglöchern, allgemeine Tristesse. Und doch sind die Tage in Berlin eine Glühzone in meinem Leben, eine Zeit, in die, merkbar und unmerklich, die Veränderungen eindrangen, die großen und die kleinen. Ich wurde umgepflügt, die Welt ringsum auch. Von Bettina war ich seit vier Monaten getrennt, ich arbeitete noch für die Wochenendbeilage, ich hatte den Auftrag, über eine Koproduktion der Schweiz und der ddr in den defa-Studios zu schreiben. Der Roman eines Schweizer Autors wurde verfilmt, es ging um Henri Dunant, den Gründer des Roten Kreuzes.
Ich kannte Johann Ritter schon lange, wir waren uns zum ersten Mal ausgerechnet auf der Silvesterparty begegnet, wo ich Bettina, an der Seite Karinas, wiedertraf. Er hatte, ungewöhnlich damals, die langen fettigen Haare zum Pferdeschwanz zusammengebunden, er trug demonstrativ eine ärmellose Lederweste mit Farbflecken, offenbarte mir sogleich in einem eindrücklichen Redeschwall seine Kunstanschauung.
Ich war fasziniert, aber nach einer Viertelstunde hatte ich genug und wandte mich Bettina zu, mit den bekannten Folgen.
Ritter vergaß ich nicht. Als sein Renommee zu wachsen begann, besuchte ich ihn im Atelier, schrieb etwas Lobendes über seinen Blick auf Verfall und menschengemachte Zerstörung. Wir wurden Freunde. Auf undurchschaubare Weise bekam er, der Schweizer, ein halbjähriges Stipendium in Ostberlin, eine Atelierwohnung inklusive, Mitarbeit erwünscht als Bühnenbildner im Deutschen Theater, bei der DEFA ein Kulturaustauschprojekt mit der maroden DDR.“

 

 1807177-2c4173dff0e2bc2a765bce942b283907.jpg
Lukas Hartmann (Bern, 29 augustus 1944)

 

 

De Duitse dichter en schrijver en journalist Hermann Löns werd geboren in Culm op 29 augustus 1866. Zie ook alle tags voor Hermann Löns op dit blog.

 

Das ferne Land

Und das ist offenbar:
Ich weiß ein Land, in dem ich niemals war;
Da fließt ein Wasser, das ist silberklar,
Da blühen Blumen, deren Duft ist rein
Und ihre Farben sind so zart und fein,
So zart und fein, wie sonst am Himmel nur
Der Abendröte allerletzte Spur
An hellen Abenden im jungen Mai
Beim allerersten fernen Eulenschrei.

Auch singt ein Vogel in dem fernen Land,
Er singt ein Lied, das ist mir unbekannt;
Ich hört' es nie und weiß doch, wie es klingt
Und weiß es auch, was mir der Vogel singt;
Das Leben singt er, und er singt den Tod,
Die höchste Wonne und die tiefste Not,
Jedwede Lust und jeglich Herzeleid,
Die Lust der Zeit, das Weh der Ewigkeit.

Ich kenn' das Land und weiß nicht, wo es liegt,
Und weiß es nicht, wohin der Vogel fliegt,
Und hörte von dem Bach das Rauschen kaum,
Der Blumen Duft empfand ich nur im Traum;
Im Traume nur sind einst sie mir erblüht,
Im Traum nur hörte ich des Vogels Lied,
Das Lied vom Leben und das Lied vom Tod,
Das Lied der Wonne und das Lied der Not.

Erreiche ich das ferne, fremde Land,
Dann blüht das Lebensmal in meiner Hand;
Wenn nicht, dann sang der Vogel nur von Tod,
Sang mir ein Leben, bitter und voll Not;
Du weißt den Weg nach jenem Land; sag ja!
Dann ist das ferne, fremde Land so nah,
Dann singt der Vogel nimmermehr von Tod
Und Not; dann blühen alle Blumen rot, so rot,
So rosenrot.

 

 1807177-e4c67e60badf624aeda5db36cf4ea645.jpg
Hermann Löns (29 augustus 1866 - 26 september 1914) 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e augustus ook mijn vorige blog van vandaag.



Geschreven door Romenu om 12:49 Reageer op dit bericht

Edward Carpenter, Herbert Meier, Jacques Kruithof, Djamel Amrani, Valery Larbaud

De Engelse dichter, schrijver en activist Edward Carpenter werd geboren op 29 augustus 1844 in Hove, in de buurt van Brighton. Zie ook alle tags voor Edward Carpenter op dit blog en ook mijn blog van 29 augustus 2010

 

All Night Long

All night long in love, in the darkness, passing through your lips, my love—
Breathing the same breath, being folded in the same sleep, losing sense of Me and Thee,
Into empyreal regions, beloved of the gods, united, we ascend together.

Then in the morning on the high hill-side in the sun, looking down upon the spires of the larches and Scotch firs,
Mortal, we tread again the earthy floor.

O Earth, the floor of heaven—
O Sun, shining aloft in the sky so pure—
O children of the sun, ye flowers and streams, and little mortals walking the earth for a time—
And we too gazing for a time, for a time, for a time, into each other’s eyes.

 


April

O APRIL, month of Nymphs and Fauns and Cupids,
Month of the Sungod's kisses, Earth's sweet passion,
Of fanciful winds and showers;
Apollo, glorious over hill and dale
Ethereally striding; grasses springing
Rapt to his feet, buds bursting, flowers out-breathing
Their liberated hearts in love to him.

(The little black-cap garrulous on the willow
Perching so prim, the crested chaffinch warbling,
And primrose and celandine, anemone and daisy,
Starring the tender herb which lambs already nibble.)

Month of all-gathering warmth,
Of breathless moments, hotter and hotter growing-
Smiles turned to fire, kisses to fierce earnest-
Of sultry swoons, pauses, and strange suspense
(Clouds and daemonic thunder through the blue vault threateningly rolling):
Then the delirious up-break- the great fountains of the deep, in Sex,
Loosened to pouring failing rushing waters;
Shafts of wild light; and Sky and Earth in one another's arms
Melted, and all of Heaven spent in streams of love
Towards the Loved one.

 

 1807166-20bf0a4db19aefaebbdd91ad0d5801c0.jpg
Edward Carpenter (29 augustus 1844 – 28 juni 1929)
Hier met vriend George Merrill (links)

 

 

De Zwitserse dichter, schrijver en vertaler Herbert Meier werd op 29 augustus 1928 in Solothurn geboren. Zie ook alle tags voor Herbert Meier op dit blog en ook mijn blog van 29 augustus 2010.

 

Weggefegt über Nacht

Weggefegt über Nacht
meine Wörter,
die gestern noch lichtvoll waren.
Durch die Schluchten meiner Stadt
flattern jetzt Flederhunde
und reissen mit ihren Zähnen
die letzten fliegenden Silben,

und Joker, weissgeschminkt
und rot ihre Lefzen,
zum Grinsen geboren,
zum Lästern bestellt,
rattengrau
schleichen hinter mir her,
Wortreste verzehrend,
die in ihren Hälsen verwesen.

Tabula rasa
ihres Gottes,
der längst sein Kartenspiel
denen überliess,
die es zynisch mischen
nach Spass und Laune.

Was einst Figuren waren
des Lebens noch,
sind jetzt tote Scheine,
mit denen sie wuchern
tauschgeschäftlich um nichts.

Seitdem geht man
blinden Wegweisern nach
und handelt
mit esoterischem Licht.
Wer es kauft, gerät
nach wenigen Tagen schon
in den Bann neuer Finsternis.

Die Wörter im Umlauf,
die wenigen noch,
sind Wechsel, ungedeckt,
fliegende Valuten;

sie werden von Geiern geschlagen,
die herabstürzen
aus anderen Höhen,
wo ein Wort wohnt,
wie es heisst,
das nicht vergeht.

 

 1807166-c316190d4349b8da7ce4f303e562f467.jpg
Herbert Meier (Solothurn, 29 augustus 1928)
Solothurn

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Jacques Kruithof werd geboren in Rotterdam op 29 augustus 1947. Zie ook alle tags voor Jacques Kruithof op dit blog en ook mijn blog van 29 augustus 2010

Uit: II Herman Gorter (Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst in hun tijd)

“Nog in De arbeidersraad, een gedichtenreeks uit 1925 die bij zijn geboorte begint, (Verlatende mijn Moeder's jonge lijf), bezong hij Karl Marx als degene die hem uit‘alle nevels’ van een vorig bestaan heeft verlost.
Een kentering, een breuk met het verleden en met Tachtig, kun je in Gorters werk moeilijk over het hoofd zien, zelfs wanneer je, als de argeloze lezer hierboven, zijn Kritiek op de litteraire beweging van 1880 niet onder ogen hebt gehad. Maar mensen verschieten nooit zo van kleur of ze blijven herkenbaar: de Gorter die in 1890 aan ‘een litteratuurziekte’ leed bij het schrijven van zijn Verzen uit dat jaar(4), meent in 1897, zo pas bekeerd, dat het ‘de Poëzie was, die mij leerde, hoe ik misschien tot beter inzicht en geluk komen kon’, en in 1905, als aangespoelde drenkeling, dat het de poëzie was ‘die mij leidde’. In al zijn schijngestalten is Herman Gorter dichter geweest, en poëzie zijn wijze van spreken. Nog maar nauwelijks proseliet geworden, schreef hij aan Frank van der Goes, op 9 mei 1897: ‘Ik heb nu het Kapitaal van Marx herhaalde malen met de grootste aandacht gelezen, en ik voel grooten lust om te probeeren om van de hoofdzaken een voor arbeiders, en in het algemeen menschen die socialisten moeten worden, duidelijk en scherp overzicht er van te geven’(5). Nog voor hij het in de vingers heeft, wil hij er al over schrijven, misschien eerst een pamflet, later stellig poëzie.
Plus ca change, plus c'est la même chose: de tweede Gorter mag een broertje dood gehad hebben aan de eerste, en betreurd hebben ‘dat mijne maatschappelijke waarnemingen klein en armoedig van inhoud waren’, ze bleven naaste familie. De neofiet benadrukt zijn bekering en voorafgaand falen; Gorter heeft eigenhandig zijn dichterschap in een oud en een nieuw testament opgesplitst.”

 

 1807166-9e8d6b86052e9e0f0b6f21a49a9d3d7f.jpg
Jacques Kruithof (29 augustus 1947 – 7 maart 2008)
Herman Gorter (met strohoed) en Henriette Rolmd Holst (tweede van rechts)

 

 

De Algerijnse dichter en schrijver Djamel Amrani werd geboren in Sour El-Ghozlane op 29 augustus 1935. Zie ook alle tags voor Djamel Amrani op dit blog en ook mijn blog van 29 augustus 2010

 

L'infernal déploiement

L'infernal déploiement
des armes
l'obsession de nos dérives
le regard ébaubi
d'abstraites injonctions

Quelle coulée exquise
me ranime
dans la transparence
de l'Arbre?

Semailles et brûlis qui
fourbissent nos dévotions

L'ortie qui inonde mon lit
la piété de la chair
l'épitaphe au goût de cendres
qui ré-édite ma naissance.

 


Le triomphe qui s'érige en certitudes

Le triomphe qui s'érige en certitudes
L'altération des alibis
Nos frissons combustibles
jusqu'au ri
tuel
de nos remparts
et les rumeurs qui propagent
l'équarrissement
de la cité nouvelle

Au-delà la dissolution
d'astres bleus
sur paysage fécondé.

 

 1807166-18402f87a79ab29dd13a926c9d12faac.jpeg
Djamel Amrani (29 augustus 1935 – 2 maart 2005)

 


 

De Franse schrijver en criticus Valery Nicolas Larbaud werd geboren op 29 augustus 1881 in Vichy. Zie ook alle tags voor Valery Larbaud op dit blog en ook mijn blog van 29 augustus 2010

 

Scheveningue, Morte-Saison

Dans le clair petit bar aux meubles bien cirés,
Nous avons longuement bu des boissons anglaises;
C'était intime et chaud sous les rideaux tirés.
Dehors le vent de mer faisait trembler les chaises.

On eût dit un fumoir de navire ou de train :
J'avais le cœur serré comme quand on voyage;
J'étais tout attendri, j'étais doux et lointain;
J'étais comme un enfant plein d'angoisse et très sage.

Cependant, tout était si calme autour de nous!
Des gens, près du comptoir, faisaient des confidences.
Oh, comme on est petit, comme on est à genoux,
Certains soirs, vous sentant si près, ô flots immenses!


Madame Tussaud's

Il me semble que toute la sagesse du monde
Est dans les yeux de ces bonshommes en cire.
Je voudrais être enfermé là toute une nuit,
Une nuit d'hiver, par mégarde,
Surtout dans la salle des criminels,
Des bons criminels en cire,
Faces luisantes, yeux ternes, et corps — en quoi?
Mais, est-ce que ça leur ressemble vraiment?
Alors pourquoi les a-t-on enfermés, électrocutés ou
pendus,
Pendant que leur image muette reste ici?
Avec des yeux qui ne peuvent pas dire les horreurs
souffertes,
Mais qui rencontrent des yeux partout, sans fin, sans
fin.
Les ferment-ils au moins la nuit?

 

 1807166-f8c6cead357ee1b905310818e893951e.jpg
Valery Larbaud (29 augustus 1881 – 2 februari 1957)

Geschreven door Romenu om 12:43 Reageer op dit bericht

Friedrich Treitschke

De Duits-Oostenrijks dichter, librettist, theaterregisseur, vertaler en entomoloog Friedrich Treitschke werd geboren in Leipzig op 29 augustus 1776. Overeenkomstig de wens van zijn vader begon Treitschke aan een commerciële carrière en werd hij in 1793 voor een verdere opleiding naar Zwitserland gestuurd.. In Zürich sterkte zijn omgang met de predikant en dichter Georg Gessner hem in zijn voorliefde voor poëzie en theater. In 1797 keerde Treitschke terug naar Leipzig, waar hij voor het eerst actief werd als koopman. Na de dood van zijn vader in 1799 wijdde hij zich echter geheel aan het schrijven. Zijn eerste toneelstuk “Das Bauerngut” een voortzetting van een komedie van Christian Leberecht Heyne werd al in veel Duitse theaters gespeeld. In 1802 maakte Treitschke maakte op een reis naar Wenen kennis met Freiherr von Braun, de leider van het Burgtheater (toen K.-K. Hoftheater), en werd hij ingehuurd als theaterregisseur en toneelschrijver. In 1805 trouwde hij met de danseres Magdalena de Caro met wie hij een zoon en twee dochters kreeg. In 1822 werd hij econoom van het Hoftheater. Treitschke schreef een groot aantal toneelstukken, musicals en operateksten, waaronder zijn libretto voor Beethovens Fidelio van bijzonder belang is. Daarnaast heeft hij talrijke werken over muziek en theater in tijdschriften gepubliceerd en in de dagbladpers, publiceerde verschillende poëzie bloemlezingen en twee bundels met eigen gedichten (1817, 1841). Blijvende roem vergaarde Treitschke op entomologisch gebied. Hier maakte hij naam door de zorgvuldige en betrouwbare voltooiing van “De vlinders van Europa” als voortzetting van het onvoltooide werk van zijn overleden vriend Ferdinand Ochsenheimer. Begiftigd met een ongewoon scherpe blik beschreef Treitschke talrijke nieuwe soorten in bijna alle belangrijke groepen, met uitzondering van de exemplaren die reeds door Ochsenheimer behandeld waren.

 

Amor träumend
(Von Guido Berti)

Im wachen Träumen harrt der Göttersohn.
Im Schlafe nicht; er rührt die Augenlieder,
Im Schlummer nicht; es dehnt sich sein Gefieder,
Und unverseh‘n ist er, wie weit, entfloh‘n.

Das Schelmenpaar der Lippen lächelt Hohn.
Sich nahe legt' er Pfeil und Bogen nieder.
Sein Mädchen neck' und weck' ihn höhnend wieder;
Es wär' ihr Herz des Schützen Ziel und Lohn.

Nie soll die Schönheit gegen Schönheit stehen,
Nie Jugend mit der Jugend Zwietracht wagen,
Vielmehr dem Gott der Liebe sich verbinden.

Durch stille Seufzer, Demut, Opfer, Flehen,
Durch leises Wünschen, Fürchten, Hoffen, Zagen,
Kann Schwäche nur des Starken Gnade finden.

 

 

Stephans-Kirchhof

Viel‘ schlafen hier, viel sind vorangegangen.
Vom Marmor lehren's halbverlosch‘ne Zeilen,
Dass, die einst oben, jetzt dort unten weilen,
Dass Traum und Schaum der Menschen Tun und Prangen.

Viel wandeln hier, die fest am Ird'schen hangen,
Doch wird der Tod auch diese bald ereilen.
Bald werden All' das Bett der Eltern teilen;
Die Hülle bricht, die ihren Geist umfangen.

Auch du, o Burg, musst tranken und vergehen;
Schon beugt den Turm des Alters Lastbeschwerde;
Ob Fleisch, ob Stein, das Tote drängt zur Erde.

Nur Christi Tat und Lehre bleiben stehen.
Und hielten Grab und Kerker sie umgeben,
Die Ostern kommt, die sie erweckt zum Leben.

 

1843499-16ad0b8fb0f4c9bb1547cba3564e70e4.jpg
Friedrich Treitschke, (29 augustus 1776 - 4 juni 1842)
Lithografie door Josef Kriehuber uit 1830



Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Frances Bellerby

De Engelse dichteres en schrijfster Mary Eirene Frances Bellerby werd geboren op 29 augustus 1899  als dochter van een Anglo-katholieke pastoor in een arme arbeidersklasse-parochie van Oost-Bristol. In 1915 verloor ze haar enige broer, gedood in actie in de Eerste Wereldoorlog. Ze werd opgeleid aan Mortimer House School, Clifton. Vanaf haar twintigste levensjaar doceerde zij Engels, Latijn, was zij huiswerkbegeleidster en had zij een baan in het Londense kantoor van de Bristol Times en Mirror. In 1929 trouwde zij met John Rotherford Bellerby, een socialistische econoom uit Cambridge. Haar pamflet “Neighbours”uit 1931 en de roman “Shadowy Brick”s uit 1932 verwijzen naar de sociale en educatieve experimenten van het echtpaar. Na een val op de kliffen in Lulworth in 1930 en met terugkerende gezondheidsproblemen bleef Frances Bellerby halfinvalide tot haar dood in 1975. Zij liet zich in 1942 definitief scheiden van haar man en begon toen serieus werk te maken van haar poëzie. Ze vestigden zich in Cornwall en later in Devo en schreef poëzie, korte verhalen, en een andere roman. Tijdens de jaren 1950 ontdekte zij dat zij leed aan borstkanker, maar zij leefde nog eens twintig jaar, echter in een slechte lichamelijke en geestelijke gezondheid. Een van de meest bekende van haar gedichten is 'Voices'.

 

Voices 

I heard those voices today again »
Voices at women and children, down in that hollow
or blazing light into which swoops the tree-darkened lane
Belore it mounts up into the shadow again.

I tumed the bend - just as always belore
There was no one at all down there in the sunlit hollow.
Only terns in the wall. loxgloves by the hanging door
Of that blind old desolate cottage. And just as before

I noticed the leaping glitter a! light
Where the stream runs under the lane: in that mine-dark archway
Water and stones unseen as though in the gloom of night
Like glittering fish slithers and leaps the light.

I waited long at the bend at the lane.
But heard only the murmuring water under the archway.
Yet l tell you. We been to that place again and again.
And always. in summer weather. those voices are plain.
Down near that broken house. just where the tree'darkened lane
Swoops into the hollow at light before mounting to shadow again.

 


The Old Ones

In the May evening
Flowing with golden light,
Out went the old woman
To meditate;
Pottered through the orchard,
Her cat at her side -
So old the two of them,
Time they died.
But when they sat them down on the bench
Under an apple tree,
'Here we are,' said the old woman,
'Where we belong to be.'
Blossom floated from the branches,
Light as snowflakes touched those two friends,
Coarsened fur and faded hair
And bent transparent hands.
So they sat, the two of them,
In some content...

The violent bats swerved to and fro,
The brightness went,
Leaving the sky as any shell
Delicate and pure;
Soundless flitted past the moths
Through the dim blossomy air.
Yet still, still, those old ones -
As if the sun still shone -
Sat there, never noticing
Another day had gone. '
Here we are,' said the old woman,
'Under the apple tree
On this sweet May evening,
Where we belong to be.'

 

 1833845-113f574bae70e223fcea0f697eb91902.jpg
Frances Bellerby (29 augustus 1899 – 30 juli 1975)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Johann Wolfgang von Goethe, A. Moonen, Maria Barnas, C. J. Kelk, Frederick Kesner

De Duitse dichter en schrijver Johann Wolfgang von Goethe werd geboren op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Johann Wolfgang von Goethe op dit blog.

Uit: Wilhelm Meisters Lehrjahre

„Die Alte kehrte sich um und wollte die Gaben, womit er auch sie bedacht, vorweisen, als Mariane, sich von den Geschenken wegwendend, mit Leidenschaft ausrief: »Fort! Fort! heute will ich nichts von allem diesen hören; ich habe dir gehorcht, du hast es gewollt, es sei so! Wenn Norberg zurückkehrt, bin ich wieder sein, bin ich dein, mache mit mir, was du willst, aber bis dahin will ich mein sein, und hättest du tausend Zungen, du solltest mir meinen Vorsatz nicht ausreden. Dieses ganze Mein will ich dem geben, der mich liebt und den ich liebe. Keine Gesichter! Ich will mich dieser Leidenschaft überlassen, als wenn sie ewig dauern sollte.«
Der Alten fehlte es nicht an Gegenvorstellungen und Gründen; doch da sie in fernerem Wortwechsel heftig und bitter ward, sprang Mariane auf sie los und faßte sie bei der Brust. Die Alte lachte überlaut. »Ich werde sorgen müssen«, rief sie aus, »daß sie wieder bald in lange Kleider kommt, wenn ich meines Lebens sicher sein will. Fort, zieht Euch aus! Ich hoffe, das Mädchen wird mir abbitten, was mir der flüchtige Junker Leids zugefügt hat; herunter mit dem Rock und immer so fort alles herunter! Es ist eine unbequeme Tracht, und für Euch gefährlich, wie ich merke. Die Achselbänder begeistern Euch.«
Die Alte hatte Hand an sie gelegt, Mariane riß sich los. »Nicht so geschwind!« rief sie aus, »ich habe noch heute Besuch zu erwarten.«
»Das ist nicht gut«, versetzte die Alte. »Doch nicht den jungen, zärtlichen, unbefiederten Kaufmannssohn?« – »Eben den«, versetzte Mariane.
»Es scheint, als wenn die Großmut Eure herrschende Leidenschaft werden wollte«, erwiderte die Alte spottend; »Ihr nehmt Euch der Unmündigen, der Unvermögenden mit großem Eifer an. Es muß reizend sein, als uneigennützige Geberin angebetet zu werden.«
»Spotte, wie du willst. Ich lieb ihn! ich lieb ihn! Mit welchem Entzücken sprech ich zum erstenmal diese Worte aus! Das ist diese Leidenschaft, die ich so oft vorgestellt habe, von der ich keinen Begriff hatte. Ja, ich will mich ihm um den Hals werfen! ich will ihn fassen, als wenn ich ihn ewig halten wollte. Ich will ihm meine ganze Liebe zeigen, seine Liebe in ihrem ganzen Umfang genießen.«

 

 1806941-fe9ffa772a60b95da9462dc5a896ba5a.jpg
Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)
Monument in Frankfurt am Main

 

 

De Nederlandse schrijfster, dichter en beeldend kunstenaar Maria Barnas werd geboren in Hoorn op 28 augustus 1973. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Maria Barnas op dit blog.

 

Het denken en het meisje

Weilanden en huizen verglijden in mijn ooghoek
terwijl ik me probeer te concentreren op het meisje
dat tegenover me zit. Er past veel in een ooghoek.
Een huis dat ik herken een sloot een koe en zelfs

het grazen en verloren turen van het dier dat de nek
strekt gespannen van een onbekend geluid.
Of wacht het strammer op een teken?
Dieren vermenigvuldigen zich aan de rand.

Schikken zich in dit verzakkende moerasland
met stuitende huizen waarin ik stuk voor stuk
heb gewoond. Het meisje klemt een boek

dat doorsneden van de hersenen toont op schoot.
Ze omcirkelt kwabben en ventrikels en ontleedt
dat ik aan haar kan denken en denken.

 

 

Voor Chengian Chen

Huizen met torens van prijzen en schuine
balken in de etalage achtertuinen en serres
openslaande deuren en een zilveren bus
die in de toekomst rijdt; noch de paraplu

met het opengeslagen hart in de prullenbak
noch de dorre palm op de begane grond
kan mij dragen. Laat iemand hem weghalen
hij siert niets en niemand zo vaal en geknakt.

ik zal als regen langs de gevel dalen en plaats
in de leegte een voet. Als ze me vragen wie
ik ben zeg ik de rook drijft hemels in mijn hart.

Ze geloven dat ze mij niet hebben gekend
maar als het moet wijzen ze gerust waar
ik woonde: daar waar niemand opendoet.

 

 

 1806941-10a2dac789cf557bf3f349b372c38714.jpg
Maria Barnas (Hoorn, 28 augustus 1973)

 

 

De Nederlandse schrijver A. Moonen, (spreek uit: 'a-punt-moonen') werd geboren in Rotterdam op 28 augustus 1937. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor A. Moonen op dit blog.

Uit: Waakvlamseks

“Omdat wij vanwege treinontregeling elkaar te Leiden hadden misgelopen arriveerde ik alleen bij de woonwagen. Een voor de ingang bevestigd gordijn deed mij vermoeden dat de bolle besloten had toch maar te stoppen. Doch in de eettent naar hem vragend omtrent tien over acht, kwam hij achter mij aan gelopen. Bezijden mijn werkplek stond inmiddels een door Vallentgoed meegebrachte ventilator. Dat scheelde wel een beetje binnen benauwde ruimte. Daar gingen wij weer van start om negen uur. In minirok en hoogbehakt zat ik weer gereed. De spreekstalmeester deed reusachtig zijn best mij aan te prijzen. Mijn naam schalde regelmatig aanbevelend door een luidspreker. Vergeefs, niemand, nop. Hij besloot te stoppen met onze schnabbel. Voor de Leidse Courant zou de bolle er een kolom aan overhouden. Zelf keerde ik barstensvol indrukken huiswaarts. In elk geval was ik uit de dagelijkse bospoldersleur gehaald.”

 

 1806941-e8dcf4fb36943b7f365044d95357b338.jpg
A. Moonen (28 augustus 1937 – 24 januari 2007)
 

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver, letterkundige en literatuurcriticus Cornelis Jan (Cees) Kelk werd geboren in Amsterdam op 28 augustus 1901. Zie ook alle tags voor C. J. Kelk op dit blog.

Uit: Jan Steen

“Een zoon!
Zij dorsten hun groote ronde hoeden van schrik niet afzetten, toen zij het majestueuze brouwershuis aan de Langebrug binnen traden en door Lijs, de meid vol gestijfselde strooken, in de zijdkamer werden gelaten. De klopper aan de deur was omzwachteld geweest en zand had er, een meter of tien ver, langs het huis gestrooid gelegen. Was er een zieke? Lang hoefden zij niet te wachten, zoet vlak naast elkaar op de zware stoelen die Lijs hun geboden had, of Havick Steen, de stoere meester-brouwer, kwam eveneens rond gehoofddekseld binnen, liet ze, met breede gebaren bevelend, aan tafel schikken, nam zelf een stoel aan de andere zijde van het groene kleed en zei:
‘Het zal er nu van komen moeten!’
Het was stil in huis; het scheen geheel uitgestorven en toch hing er een gespannen stemming. Zacht werd er in andere vertrekken gefluisterd en men scheen er op vilten voeten te loopen.
Plotseling hoorden de mannen een vreemd geluid, iets als het gillen van een vrouw. Zij keken om en zagen, want de deur stond open, chirurgijnsmeester Adriaan, het kittige mutsje voor op het hoofd, de mantel wijd over de rug geslagen, een kom dampend water met beide handen omklemd, door het achterhuis snellen. Havick Steen stond op en ging sluiten. Het was nu heel rustig. ‘Ik ga niet van huis, zoolang mijn wijf het zoo zwaar heeft. Daarom heb ik U verzocht ten mijnent te komen. Wie weet..., waar drie brouwers bijeen zijn, schat ik, groeit er een meester uit hem. Want een jongen moet het zijn, deze eerste reis. Voor mijn bedrijf is er een jong van noode.’
‘Ja,’ zei een van de mannen, ‘dat mocht wel zoo zijn, meester Steen.’
‘Ziet eens,’ zei Havick, en hij wees gedwongen kalm op de witte muren van het ruime rechthoekige vertrek, waar de Juni-zon een vroolijk licht binnen wierp door de hooge veelruitige vensters, waarvan er een ten deele openstond.”

 

 1806941-30c8b18bdea5519f03da312deaa60ff3.jpg
C. J. Kelk (28 augustus 1901 – 25 december 1981)

 

 

De Australische dichter Frederick Kesner III werd geboren op 28 augustus 1967 in Manilla op de Filippijnen Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Frederick Kesner op dit blog.

 

Falling In Love Out Of Need

I have fallen madly
irretrievably & unashamedly
in love with you:

Just as that swathe
of hair that won't stay in place
by gel or product or spit;

You have fallen blandly,
irrevocably & unscathedly
out of love with me:

Just as that scab
off skin on the mend that's pink
by band aid & ointment fix'd.

 


When Your Poems Are 'Online'

Please, pray tell, what it means
when your poems are 'online' green
while the rest upon your list
have no such green tags in the least?

And if it means what I suspect it does,
is there anyway that we are able to adjust?

Thanks in advance for your kind reply.

 


Pot Plants

hapless indulgence
animated silences
quiver

hankered imagination
ambiguous synapses
quibble

each way you turn
each thought you churn
new lessons learn

potted flower plants
line your driveway
mind, you don't crush them

 

 1806941-4ef262cf267174ab376572bf448cac04.jpg
Frederick Kesner (Manilla, 28 augustus 1967)
Manilla

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e augustus ook mijn blog van 28 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:23 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten