Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 19 oktober 2015 tot 20 oktober 2015

Hans Warren, Mustafa Stitou, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek (Deel 6, 1956 – 1957)

“13 april 1957
(…)

Erfenis van mijn deltajongens met zilte handen en een schelpenmond, fluwelen vlinders in de ogen. Bomen ruisend van zeegeheimen. Harten geploegde voorjaarsaarde, waar meeuwen fladderen in feestelijk begeren.
Erfenis van jouw zengende profeten. Ogen opengebrand tot het zuver been. De wijde mond zwart van roestig roepen. Schrijdend in mantels van woestijnzand langs neuzelende slangen van muziek. Bazalten raven dragen sprinkhanen aan.
Verwonderd lopen we door het stervormige wouddécor. Het park van Saint-Cloud. La Malmaison. Zie je hoe Fragonard pastel een feestscherm spant van gele zijde, de roze vrouwen in de poederlakens, hoe fonteinen stoeien, omslaand op de wind. En daar zit Joséphine mijmerend op de mossen houtwal, haar lange rok vol grijze schemering. Hoog bomen en de nacht die nog niet daalt met tintelende sterren, met harpklank rondom die vrouw, het beeld van heimwee in het zwaar avondlicht van een vergulde liefde.
Wanneer de schemer uilenvleugels langs de ceders en de hoge beuken strijkt zwerven we langs de vijver. Voeren de marmerstille zwanen, luisteren naar de wind in kalk en klimop.
Ik leg de handen over zijn brandende oosterse ogen in een sluier rook, ik eet de volle vruchten van zijn zoete lippen. Hij lacht en kreunt.
Hier groeiden wij nader tot elkaar. Op dat fond van ons verleden en dat van de wereld wil ik hem heiligen, een mythe scheppen van liefde, uitputtend van overvloed en van gemis. Een sage om de vlugge gazel van zijn gang.
En steeds zullen het zijn ogen zijn die glanzen als befloerst juweelsteen of die gloeien, dwingend centraal als in een romaans emailmozaïk. Zijn ogen die ik noemde: topazen door een rag van struisveer, verloren barnsteentranen in berookt mos. Zijn ogen die steeds groter zullen groeien.
En steeds weer zal het ook zijn lichaam zijn, dat vlug havanalijf van duikelende saltimbank, dat bitter geurend lichaam dat mij dieper heeft bevredigd dan enig lijf en dat mij steeds weer is ontglipt.”

 

Roep

Al wat ik ben krimpt samen tot een kreet.
Ik heb mijn vers van elke tooi ontdaan:
een oproep; ik bezweer de eenzaamheid
met deze kristallen gebaren. Kom!
Al mijn zintuigen werden doelloos sinds ze
niet langer meer jouw heerlijkheid beleven.
Ik ben een spiegel in een lege kamer
vergeten fluit, piano die op slot is.
Weerkaats in mij, open mij en bespeel me,
je lied en beeltenis worden tijdeloos;
de weelde van mijn woord zal pas herleven
bij de genade van je jonge rug.

 

 1828753-543d7bf25d9e90f99f2bea7bac700ef6.jpg
Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)
Portret door Reynier de Myunk, 1986

 

 

De Marokkaans-Nederlandse dichter Mustafa Stitou werd geboren in Tétouan op 20 oktober 1974. Zie ook alle tags voor Moustafa Stitou op dit blog.

 

broer en zus 1

zorgen goed voor zichzelf
vers fruit op tafel
zorgen goed voor de paarden
geen mens tot last
dahlia's en afrikaantjes
in aangeharkte borders

maar ze wonen
onder golfplaten
sinds het kippenhok werd dichtgetimmerd
niet in de caravan
van de gemeente
en ze zwijgen

ze zwijgen

zwijgen

 

 

Grote mannen

Het Godshuis in het winkelcentrum
daar gaat het niet goed mee.
Berbers en bergbewoners kunnen elkaars bloed wel
(Een wijze woordvoerder van de bergbewoners
werd zelfs op zijn bek geslagen.)
Het betreft geen religieus vraagstuk
maar wie zal gaan over de subsidies van de gemeente.
Het gerucht gaat dat de bergbewoners een eigen
Godshuis
   zullen stichten.
Honderd meter verderop, tegenover de Hema.
(Vaart maken, Ramadam komt eraan.)
De jongens die klein naar het Godshuis moesten
de Koran vanzelfsprekend als moedermelk kregen
   voorgeschoteld
dus ervan dronken met dierlijke tegenzin
Alderzak en ik bijvoorbeeld
liggen dubbel.

 

 1828753-318c8c0f06de9362e2246be3e9d4f037.jpg
Mustafa Stitou (Tétouan, 20 oktober 1974)

 

 

De Franse dichter Arthur Rimbaud werd geboren op 20 oktober 1854 in Charleville. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Arthur Rimbaud op dit blog.

Uit: Une saison en enfer (Vertaald door Paul Claes)

“Mijn beurt. het verhaal van een van mijn dwaasheden.
Al lang maakte ik me sterk dat ik alle mogelijke landschappen in mij had, en vond ik de grote namen uit de schilderkunst en de moderne poëzie belachelijk.
Ik hield van idiote schilderijen, deurstukken, decors, doeken van kunstenmakers, uithangborden, volksprenten; ouderwetse literatuur, kerklatijn, erotische boeken vol spelfouten, romans uit grootmoeders tijd, sprookjes, kinderboekjes, oude opera's, simpele deuntjes, naïeve rijmpjes.
Ik droomde van kruistochten, ontdekkingsreizen waarover geen verslag bestaat, republieken zonder geschiedenis, onderdrukte godsdienstoorlogen, omwentelingen in de zeden, verhuizingen van volkeren en continenten: ik geloofde in al wat betovert.
Ik vond de kleur van de klinkers uit! - A zwart, E wit, I rood, O blauw, U groen. - Ik bepaalde de vorm en de beweging van elke medeklinker en ging er prat op met spontane ritmes een poëtisch woord uit te vinden dat op de een of andere dag toegankelijk zou zijn voor alle zinnen. Ik liet de vertaling achterwege.
Het begon als een studie. Ik schreef stiltes, nachten neer, ik noteerde het onuitdrukbare. Ik legde duizelingen vast.


Ver van de vogels, de kudden, de dorpsvrouwen,
Wat dronk ik geknield op deze heidegrond
Waaromheen het prille hazelarenhout
In een lauwe groene middagnevel stond?
 
Wat kon ik wel drinken uit die jonge Oise
- Stemloze olmen, bloemloos gras, grijze hemel! -
Drinken aan die gele nappen, ver van 't huisje
Dat mij lief was? Een gouden vocht dat doet zweten.
 
Ik leek het loense uithangbord van een kroeg.
- Er stak een storm op die de wolken verjoeg.
's Avonds was 't bosvocht in 't zuiver zand verdwenen,
De wind van God wierp ijsbrokken in de venen;
 
Wenend zag ik goud - en kon niet drinken. -

 

 1828753-cedc36c28caf5c43795d2611a78c8158.JPG
Arthur Rimbaud (20 oktober 1854 – 10 november 1891)
Borstbeeld in het Musée Arthur Rimbaud, Charleville-Mézières

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Marnix Gijsen werd geboren op 20 oktober 1899 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Marnix Gijssen op dit blog.

Uit: Klaaglied om Agnes

“Het enige vrouwelijke wezen, buiten mijn moeder, dat in mijn leven een rol speelde, was mijn zuster Agnes. Ik heb mij nooit tot het macabere aangetrokken gevoeld, en toen ik ‘Bruges, la Morte’ van Rodenbach las, heb ik het, niettegenstaande mijn romantische neigingen, potsierlijk en weerzinwekkend gevonden. Maar mijn zuster Agnes, die heel mijn leven een rol heeft gespeeld in mijn gevoelens, heb ik nooit gekend. Al wat ik van haar weet is: dat zij een jaar voor mij werd geboren, slechts een achttal weken heeft geleefd en na een ziekte van slechts een paar uur is gestorven. Ik heb mijn moeder nooit zelfs durven vragen waar zij begraven ligt. Zij is echter in mijn leven steeds een gemis geweest, een tekort aan een wezen dat had moeten bestaan en dat ik niet heb gekend. Ik heb haar verdwijnen altijd gevoeld als een onrecht mij aangedaan, maar vaak meende ik ook dat ik onrechtmatig de plaats die zij in de wereld had leeg gelaten, ingenomen had. Een domme kinderziekte heeft mij van een zuster willen beroven en is er in feite slechts in geslaagd dat dode kind in mij te doen leven, schoner, edeler, ongerepter dan welk levend mens ter wereld. Van den beginne heb ik mij dus verongelijkt gevoeld en ik heb mij daarom op de wispelturigheden van het lot gewroken. Toen mijn moeder het mij onmogelijk maakte ‘der ganze Goethe’ aan te schaffen, leefde ik in de eredienst van Agnes, mijn dood zusje, en misschien was mijn verder bestaan niets anders dan een jacht op deze bleke schim, op dit wankele kind, dat in de gruwelijke verstarring der stuipen had moeten sterven.
Toen ik allang de jeugdromantiek was ontgroeid, heeft een psychiater mij gezegd, dat in mijn wezen, niettegenstaande de aanwezigheid van een uitgesproken en soms protserige viriliteit, een teveel aan vrouwelijke hormonen aanwezig was.“

 

 1828753-65566c53b15b7b26f5e2c9d6e76f45b2.jpg
Marnix Gijsen (20 oktober 1899 – 29 september 1984)
In 1916

 

 

De Duits-Roemeense schrijver Oskar Pastior werd in 1927 in Hermannstadt (Transsylvanië, Roemenië) geboren. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Oskar Pastior op dit blog.

 

Silbenpalindromblock

kommen  fladen lobster, kleiner libero,  muß  kalvin nach baku
wie  menge,   wenn   kurfürstendammverdi   einhermacht;   viel
krone und  berlinische  todesbeisal  sagst du, aber  kann  sie
tingeldelphi weißnehmen?  flaubert aalte  sich (geschickt, mutarm)  das  debakel; wie  enzian  sieden mensakloner wie schla-
fend, lauter stifter, laufend schlawinerklosamen  den  sie an-
ziehen;  wickelbadedasarmut  schickt  gesichte,   albert  floh
mähnenweis fiedelgeld in sie; canberra, du sagst salbei; desto
genielieber und  nekrophil  macht herein  die  verdammten fürs
kurvengemeng wie kuba  nach  wien  kalmus,  oh berliner  kleister, lob den flamenco

 

 

wetscherahnenclub
15 Sonette (14 + 1)

assa saas blu ulb
boob obbo gir gri
kook okko pis pis
appa paap zur ruz

noon onno kni ink
adda daad luf flu
alla laal ubu bub
dood oddo mit tim

fefe efef rür ürü
mama amam ter ret
spel leps udn nud

kaka akak kel elk
term trem ümü müm
lada alda nku unk

 

 1828753-3fa78ee89c4245e19cede247d3205f21.jpg
Oskar Pastior (20 oktober 1927 – 4 oktober 2006)
Hermannstadt

 

 

De Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jelinek werd geboren op 20 oktober 1946 in Mürzzuschlag, een kleine stad in de deelstaat Stiermarken. Zie ook alle tags voor Elfriede Jelinek op dit blog ook mijn blog van 20 oktober 2010.

Uit: Die Klavierspielerin

„Statt der Sonnenbrille hätte sie am liebsten das neue graue Flanellkostüm eines anderen Mädchens genommen. Aber ein Kostüm lässt sich nicht gut entwenden, wenn die Trägerin ununterbrochen darin steckt. Zum Ersatz bringt sie in detektivischer Kleinmeisterarbeit heraus, dass dieses Kostüm eigenkörperlich auf dem Babystrich verdient worden ist [...] Die Schulkameradin ist erst süße sechzehn und wird ordnungsgemäß der Verfehlung wegen gemeldet. SIE erzählt ihrer Mutter, welches Kostüm man sich wünscht und wo man es sich selbst verdienen kann. In gespielter Kinderunschuld fließen die Worte über die Lippen, damit die Mutter sich über die Ahnungslosigkeit des eigenen Kindes freut [...] Sofort schnallt sich die Mutter ihre Sporen an die Jagdstiefel. Schnaubend und schäumend tänzelt die Mama, den Kopf werfend, in die Schule und erwirkt einen saftigen Hinauswurf. Das graue Kostüm fliegt samt seiner Trägerin von der Anstalt [...] Die Kostümbesitzerin muss zur Strafe Verkäuferin in einer Innenstadtparfümerie werden und es für den Rest ihres Lebens ohne das Glück der Allgemeinbildung aushalten.
(…)

Zwei Stück Jungmänner in spe sind gerade in einen furchtbarten Streit bezüglich der Größe der weiblichen Brust geraten, da explodiert, vom Föhn hervorgeschleudert, die Frau Klavierlehrerin mitten unter ihnen und übt die Wirkung einer Handgranate aus. Sie hat sich einen still strafenden und ein wenig bedauernden Blick auf ihr Gesicht gelegt, man würde nicht glauben, dass sie und die Frauen auf den Fotos ein und demselben Geschlecht angehören, nämlich dem schönen, ja der Unkundige würde sie sogar zu verschiedenen Kategorien der Spezies Mensch zählen.“

 

 1828753-fb97d4fba3afc7b17762357ac3ae4012.jpg
Elfriede Jelinek (Mürzzuschlag, 20 oktober 1946)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e oktober ook mijn blog van 20 oktober 2013 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:34 Reageer op dit bericht

Hans Maarten van den Brink

De Nederlandse schrijver en journalist Hans Maarten van den Brink werd geboren in Oegstgeest op 20 oktober 1956. Van den Brink begon als kunstredacteur bij het NRC Handelsblad en fungeerde voor de krant onder meer als correspondent in Spanje. Van 1995 tot 2001 was Van den Brink hoofdredacteur televisie bij de VPRO. Hij zorgde dat programma's als Andere Tijden, De Nieuwe Wereld, Laat Op De Avond, Sportpaleis De Jong, Veldpost en Waskracht! ontstonden. Vervolgens was van den Brink directeur van een centrum voor hedendaagse kunst in Rotterdam, genaamd Witte de With. Sinds 1 april 2006 is Van den Brink directeur van het Mediafonds. Het rooms-katholieke geloof vormt bij Van den Brinks boeken een vanzelfsprekende achtergrond. In een interview met Liesbeth Eugelink sprak hij de wens uit ooit eens de grote katholieke roman te schrijven.

Uit: Over het water

“We keerden meestal voor de brug van het eerste dorp na de stad, een kilometer of twee voorbij de banpaal, en al kort na dat keerpunt begon er deze middag om ons heen iets te veranderen. Nog steeds was het warm. Maar ook: vocht in de lucht. Geuren die krachtiger werden, en kruidig. Even een kleine bries, een rimpeling over de golven. Vlak daarna ging het water roerloos liggen. Zonder iets te zeggen liet ik de haal aanzwellen en bracht ik het tempo omhoog. Ik wilde thuis zijn voor de regen, maar ook de rivier zelf met zijn uitnodigende gladde oppervlak vroeg om meer kracht. David begreep en volgde. Nog terwijl we geleidelijk versnelden zag ik over dat onwaarschijnlijk gladde wateroppervlak een dichte regen op ons afkomen, een geheimzinnig gordijn dat ons wiegend naderde en hypnotiseerde, als de mantel van een grote, onzichtbare tovenaar. En daarbij een zoete, zware geur, anders dan die van zo-even, die de geur van de regen zelf moest zijn. Planten en bomen bogen hun hoofd, in het emaille van het water verschenen op slag miljarden putjes, maar voor ik me rekenschap had kunnen geven van dat alles was het al bij ons en viel de regen over ons heen, een waas waarin de fijne druppels niet van elkaar te onderscheiden waren maar een gevoel veroorzaakten van volledig omhuld te zijn. Ik zette krachtiger aan. David volgde. Niets was meer droog. Ik voelde hoe mijn hemd zwaar om mij heen rimpelde, ik voelde het water in mijn doorweekte schoenen. Ik zag mijn armen als vanzelf naar voren zwaaien en met een gretigheid die ik nog niet kende de riem in het water zetten. Mijn schouders pakten het gewicht gulzig over en mijn benen zetten onmiddellijk af. Moeiteloos verliet het blad aan het eind van de haal het water en beschreef een perfecte kleine boog tussen borst en knieën. Mijn hoofd leunde een fractie van een ogenblik genietend achterover voor ik, diep adem scheppend, weer achter mijn armen aan naar voren reed. Ik keek voor me uit en zag niet meer de angstwekkend ijle leegte van lucht en water die me ooit duizelig had gemaakt, maar iets dat me steun gaf en vertrouwen.En onuitputtelijke energie. Ik voerde de intensiteit nog iets verder op, zonder nadenken maar op de manier zoals het hoorde, niet door het tempo te verhogen maar door meer kracht te zetten waarna de beweging vanzelf om een hoger tempo vroeg. David volgde. Het was onnatuurlijk stil om ons heen. Het enige wat we hoorden was de allesdoordringende ruis van de regen en daardoorheen, op de voorgrond, het felle tsjak waarmee we het water pakten en het diepere, enigszins holle geluid waarmee onze bladen precies tegelijk het water weer verlieten. Of was het niet de regen die om ons heen ruiste, maar was het mijn eigen bloed, was het onze ademhaling? Achter mij hoorde ik David niet hijgen. Dat moest betekenen dat onze adem dezelfde cadans had, dat zijn hartslag samenviel met de mijne.””

 

 1873465-c6db50ca9c8ed1b07f57f945c17fb95c.jpg
Hans Maarten van den Brink (Oegstgeest, 20 oktober 1956)


Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

David Vann, Philip Pullman, Miguel Ángel Asturias, Fannie Hurst, Leigh Hunt, Nardo Aluman

De Amerikaanse schrijver David Vann werd geboren op 19 oktober 1966 op Adak Island, Alaska. Zie ook alle tags voor David Vann op dit blog.

Uit: Legend of a Suicide

“My mother gave birth on Adak Island, a small hunk of rock and snow far out on the Aleutian chain, at the edge of the Bering Sea. My father was serving two years as a dentist in the Navy; he had wanted Alaska because he liked hunting and fishing, but he obviously had not known about Adak at the time of his request. Had my mother known, she would have scratched out the request herself. Given enough information, my mother has never made the wrong choice.
So it was that she refused to have her sweltering, jaundiced baby yanked out of Adak's underground naval hospital and thrown into the jet that sat waiting on the runway for more than six hours. Because my temperature was 105 degrees and still climbing, the doctors and my father recommended I be flown to the mainland, to a real hospital (no one on Adak survived even a mild heart attack while we were there — no one), but my mother refused. She was certain, with what my father always described as an animal, instinctive fear, that the moment I was borne aloft, I would perish. She placed me in an ordinary white bathtub filled with cold water, and there I survived. Flourished, even. My orange, blotchy skin gradually calmed to a healthy baby pink, my limbs unlocked, and I flailed my legs in the waters until she lifted me out and we both slept.
When my father had finished his sentence with the Navy, we moved to Ketchikan, an island in southeastern Alaska, where he bought a dental practice and, three years later, a fishing boat. The boat was a new twenty-three-foot Uniflite fiberglass cabin cruiser. Still wearing his dental smock beneath his jacket, he launched the boat late on a Friday afternoon as we cheered from shore. He slipped it into its stall in the docks, and the next morning he stood on the edge of those docks looking down thirty feet through clear, icy Alaskan water to where the Snow Goose sat like a white mirage on the rounded gray stones. My father had named it the Snow Goose because he had been filled with dreams of its white hull flying over the waves, but he had forgotten to put in the drain plugs the afternoon of the launching. Unlike my mother, he had neither eyes nor ears for matters below the surface.”

 

 1828346-a201e044a85de50377a8c1cdfd701819.jpg
David Vann (Adak Island, 19 oktober 1966)

 

 

De Britse schrijver Philip Pullman werd geboren op 19 oktober 1946 in Norwich als zoon van een luchtmachtofficier. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Philip Pullman op dit blog.

Uit: The Good Man Jesus and the Scoundrel Christ

“This is the story of Jesus and his brother Christ, of how they were born, of how they lived and of how one of them died. The death of the other is not part of the story.
As the world knows, their mother was called Mary. She was the daughter of Joachim and Anna, a rich, pious and elderly couple who had never had a child, much as they prayed for one. It was considered shameful that Joachim had never fathered any offspring, and he felt the shame keenly. Anna was just as unhappy. One day she saw a nest of sparrows in a laurel tree, and wept that even the birds and the beasts could produce young, when she could not.
Finally, however, possibly because of their fervent prayers, Anna conceived a child, and in due course she gave birth to a girl. Joachim and Anna vowed to dedicate her to the Lord God, so they took her to the temple and offered her to the high priest Zacharias, who kissed her and blessed her and took her into his care.
Zacharias nurtured the child like a dove, and she danced for the Lord, and everyone loved her for her grace and simplicity.
But she grew as every other girl did, and when she was twelve years old the priests of the temple realised that before long she would begin to bleed every month. That, of course, would pollute the holy place. What could they do? They had taken charge of her; they couldn't simply throw her out.
So Zacharias prayed, and an angel told him what to do. They should find a husband for Mary, but he should be a good deal older, a steady and experienced man. A widower would be ideal. The angel gave precise instructions, and promised a miracle to confirm the choice of the right man.“

 

 1828346-12f6dac749c93baacacd1fe20e1e6fb6.jpeg
Philip Pullman (Norwich, 19 oktober 1946)

 

 

De Guatemalteekse schrijver Miguel Ángel Asturias werd geboren op 19 oktober 1899 in Guatemala-Stad. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Miguel Ángel Asturias op dit blog.

Uit: Der Herr President (Vertaald door Jacob Bachmann)

„Leuchte, bläulich Feuer, scheußlicher Teufel! Noch brausten die Ohren vom Klang des Abendläutens; zwiefaches Unbehagen des Lichts im Dunkel und des Dunkels im Licht. Leuchte, bläulich Feuer, scheußlicher Teufel, über der Fäulnis! Leuchte, bläulich Feuer, über der Fäulnis! Scheußlicher Teufel! Leuchte, leuchte, bläulich Feuer... bläulich... leuchte... leuchte... leuchte, bläulich Feuer... leuchte, bläulich.
Verloren im Schatten der eisigen Kathedrale, schleppten sich die Bettler durch die Kneipen am Markt zur Plaza de Armas, Straßen entlang, die so weit waren wie Meere, in der Stadt, die langsam zurückblieb, einsam, allein.
Wie die Sterne, fanden auch die Bettler sich bei Einbruch der Nacht zusammen, um vor der Pforte des Herrn zu schlafen. Nur das Elend verband sie miteinander. Man verleumdete den anderen, beleidigte sich gegenseitig zähneknirschend mit dem Groll von Feinden, die Streit suchen. Oſt stießen sie sich in die Rippen oder wälzten sich miteinander kämpfend auf dem Boden, bespuckten sich und bissen den anderen vor Wut. Diese Familie der Ausgestoßenen fand je weder Ruhe noch Vertrauen. Sie legten sich einzeln nieder, ohne sich auszuziehen, und schliefen wie die Diebe, den Kopf auf ihren Habseligkeiten: Fleischabfällen, ausgetragenen Schuhen, Kerzenstummeln, einer Handvoll in Zeitungen gewickeltem gekochtem Reis, Apfelsinen, schrumpligen Früchten.
Auf den Treppen vor der Pforte sah man sie zur Mauer gedreht ihr Geld zählen, die Nickelmünzen zwischen die Zähne nehmen, um sie auf ihre Echtheit zu prüfen, Selbstgespräche führen, Mund- und Kriegsvorräte durchsehen, denn kriegerisch zogen sie durch die Straßen, mit Steinen und Skapulieren bewaffnet, und im Verborgenen Reste trockenen Brotes verschlingen
Dass sie sich je untereinander geholfen hätten, ist nicht bekannt; geizig wie alle Bettler mit den Abfällen, gaben sie eher den Hunden etwas als ihren Leidensgefährten. Nachdem sie gegessen hatten, legten sie sich mit dem Geld in einem am Gurt befestigten, siebenfach verknüpften Taschentuch auf den Boden und fielen in bewegte, traurige und beengende Träume, die von hungrigen Schweinen, mageren Frauen, schwächlichen Hunden und Wagenrädern belebt waren oder von gespensterhaſten Patern, die im beinernen Mondlicht der fröstelnden Nacht in die Kathedrale schritten, um eine Totenmesse zu lesen.“

 

 1828346-614928e35ec8e88b28b10625b44d50b7.jpg
Miguel Ángel Asturias (19 oktober 1899 – 9 juni 1974)
Borstbeeld in museum Santo Domingo del Cerro, Antigua

 

 

De Amerikaanse schrijfster Fannie Hurst werd geboren op 19 oktober 1889 in Hamilton, Ohio. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Fanny Hurst op dit blog.

Uit: Every Soul Hath Its Song

“With the oldest gesture of the shod age Mrs. Binswanger dived into her work-basket, withdrew with a sock, inserted her five fingers into the foot, and fell to scanning it this way and that with a furrow between her eyes.
"Ray, go in and tell your sister she should come out of her room and stop that crying nonsense. I tell you it's easier we should all go to Europe, even if we have to swim across, than every evening we should have spoilt for us."
Ray Binswanger rose out of her shoulders, her eyes dazed with print, then collapsed again to the pages of her book.
"Let her cry, mamma."
"It's not so nice, Ray, you should treat your sister like that."
"Can I help it, mamma, that all of a sudden she gets Europe on the brain? You never heard me even holler for Arverne, much less Europe, as long as the boats were running for Brighton, did you, mom?"
"She thinks, Ray, in Europe it's a finer education for you both. She ain't all wrong the way she hates you should run to Brighton with them little snips."
"Just the same you never heard me nag for trips. The going's too good at home. Did you, pop, ever hear me nag?"
"Ja, it's a lot your papa worries about what's what! Look at him there behind his paper, like it was a law he had to read every word! Ray, go get me my glasses under the clock and call in your sister. Them novels will keep. Mind me when I talk, Ray!"

 

 1828346-6ddc3c7d36bc8f2314a30ff25946170e.jpg
Fannie Hurst (19 oktober 1889 – 23 februari 1968)
Hier met  Fannie Eleanor Roosevelt (links) in 1962.

 

 

De Engelse dichter, schrijver en essayist James Leigh Hunt werd geboren op 19 oktober 1784 in Southgate, Middlesex. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Leigh Hunt op dit blog.

 

Walcheren Expedition

Ye brave, enduring Englishmen,
Who dash through fire and flood,
And spend with equal thoughtlessness
Your money and your blood,
I sing of that black season,
Which all true hearts deplore,
When ye lay,
Night and day,
Upon Walcheren's swampy shore.

'Twas in the summer's sunshine
Your mighty host set sail,
With valour in each longing heart
And vigour in the gale;
The Frenchman dropp'd his laughter,
The Fleming's thoughts grew sore,
As ye came
In your fame
To the dark and swampy shore.

But foul delays encompass'd ye
More dang'rous than the foe,
As Antwerp's town and its guarded fleet
Too well for Britons know;
One spot alone ye conquer'd
With hosts unknown of yore;
And your might
Day and night,
Lay still on the swampy shore.

In vain your dauntless mariners
Mourn'd ev'ry moment lost,
In vain your soldiers threw their eyes
In flame to the hostile coast;
The fire of gallant aspects
Was doom'd to be no more,
And your fame
Sunk with shame
In the dark and the swampy shore.

Ye died not in the triumphing
Of the battle-shaken flood,
Ye died not on the charging field
In the mingle of brave blood;
But 'twas in wasting fevers
Full three months and more,
Britons born,
Pierc'd with scorn,
Lay at rot on the swampy shore.

No ship came o'er to bring relief,
No orders came to save;
But DEATH stood there and never stirr'd,
Still counting for the grave.
They lay down, and they linger'd,
And died with feelings sore,
And the waves
Pierc'd their graves
Thro' the dark and the swampy shore.

Oh England! Oh my Countrymen!
Ye ne'er shall thrive again,
Till freed from Councils obstinate
Of mercenary men.
So toll for the six thousand
Whose miseries are o'er,
Where the deep,
To their sleep,
Bemoans on the swampy shore.

 

 1828346-e5c744bbbae713b9b60fdbe7a280726f.jpg
Leigh Hunt (19 oktober 1784 – 28 augustus 1859)
The Funeral of Shelley door Louis Éduard Fournier, 1889
E.J. Trelawny, Leigh Hunt en Lord Byron kijken naar de verbranding van Shelley's lichaam.

 

 

De Surinaamse schrijver Nardo Aluman (eig. Ronald Renardo Aloema) werd geboren in Christiaankondre op 19 oktober 1946. Zie ook alle tags voor Nardo Aluman op dit blog en eveneens mijn blog van 19 oktober 2010

Uit: Ombadapo, het gezicht

“Dan gaat haar schoonzoon [naar de visval], het is al middag. Hé, daar ziet hij het hoofd dat aan de oude vrouw had toebehoord.
Alleen het hoofd. Het kijkt met grote ogen. Het is aan wal gekomen, op de oever van de kreek. Ah, alleen de huisdieren die van haar waren zitten op haar draagmand. Waarheen hun baas is gegaan weten ze niet. Op dat moment is [alleen] haar hoofd daar. Het kijkt met grote ogen. Alleen haar hoofd was achtergebleven. Toen bleef ze daar heel lang. Geen mens gaat kijken, haar dochter komt kijken. ‘Ginds is je moeder opgegeten door de watergeest’, zegt haar schoonzoon. Alleen het hoofd is daar op gindse plaats. Haar dochter gaat kijken. E, daar ligt het hoofd dat aan haar moeder had toebehoord. Dat voormalige hoofd is echter niet dood, het is levend, het kijkt met grote ogen. Daar bleef het een tijd lang, ze halen haar niet weg. Haar voormalige, huisdieren blijven daar aan de oever van de poel op de mand die van haar was geweest. Vervolgens blijft ze daar, drie dagen lang denkt het hoofd na. Maar het is niet dood. Het lichaam dat erbij hoorde is al lang [geleden] door de watergeest opgegeten. Toen had ze misschien gedacht - hoe ze weten waarover ze dacht is onbekend - ‘Wat zal ik zijn’, sprak dat voormalige hoofd. ‘Hoe zal ik zijn’. Vervolgens was het aan de hemel gaan staan. Zo had ze gezegd, in haar gedachten. ‘Nee’, zei ze, ‘het is beter als ik als Weyu Yumï [een sterrebeeld] ben. Laat ik naar boven gaan. Al zeggen de mensen “het gezicht” tegen me. Het oude hoofd zullen ze zeggen’. Daarom zegt men, als Weyu Yumë komt. Als men het oude hoofd zegt, wordt ze heel erg verlegen. Als men het gezicht zegt, wordt ze heel erg verlegen. Ze hoort het, want die mens is niet doodgegaan. Daarna is ze weggegaan. Vanuit gindse plaats is zij gevlogen als een ding dat naar de hemel kan vliegen. Naar ginds is zij gegaan, naar Gods ding [i.e. de hemel]. Ze heeft het echt gedaan, om vanaf dat moment een teken van de droge tijd te zijn. Kijk maar, als deze warmte komt, haar komst maakt het warm, zij geeft warmte. Dan pas is zij te zien, zeg ik, van daaruit [vanuit het oosten]. Dat is het, zo is het, het oude hoofd, het gezicht.”

 

 1828346-28075eae83eb89d1a6d80cb44c8ed296.jpg
Nardo Aluman (Christiaankondre, 19 oktober 1946)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 17:39 Reageer op dit bericht

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels voor Navid Kermani

Aan de Duits-Iraanse schrijver en islamist Navid Kermani werd gisteren in de Frankfurter Paulskerk de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels uitgereikt. Navid Kermani werd geboren op 27 november 1967 in Siegen. Zie ook alle tags voor Navid Kermani op dit blog.

Uit: Dein Name

„Wann er wieder zu beten aufhört, gehört nicht zum Gelübde. Er mag die Worte, ihren Klang, die Melodie der Reime genauso wie die Bedeutung, er mag die Bewegungen. Es könnte eine Befreiung sein, sich am Tag einige Mal zu verbeugen, sich niederzuwerfen auf die Stirn – und dann wieder aufrecht zu stehen. Wenn seit vierzehnhundert Jahren Menschen ebendiese Verse in eben dieser Abfolge von Körperhaltungen täglich fünfmal aufsagen, muß ein Segen darin wohnen. Ob es Gott gibt, steht auf einem anderen Blatt. Nicht um Ihn ist es den Religionen zu tun, von dem sie ohnehin nur Namen aussprechen, vielmehr um die Menschen, deren Handlungen mit oder ohne Gott genauso gut oder schlecht, richtig oder falsch, sinnvoll oder unnütz sind – sofern es ohne Gott gut oder schlecht gibt, richtig oder falsch, sinnvoll oder unnütz. Mit oder ohne Gott fing er heute morgen mit dem Gebet an, aber für den Vater, der keinen der vier Söhne je mit der Religion bedrängte und gerade deshalb mit Achtzig noch einen Freudensprung machen würde. Es war die einzige Möglichkeit, bei ihm zu sein, so empfand es der Jüngste, der gestern nachmittag mit der Frühgeborenen vor dem Bauch nichtsahnend aus dem Haus gegangen war, um zu spazieren, als der Internist auf dem Handy anrief. Weil die Operation der Herzklappe zu riskant schien und das Blut nicht gerinnt, hatte der Kardiologe im St. Marien allenfalls einen kleinen, oberflächlichen Eingriff in Erwägung gezogen, um die Drähte des Schrittmachers freizulegen, und deshalb einen Termin in einem Herzzentrum besorgt, wo der Chef dem Vater während der ersten Visite mitteilte, daß die Klappe ersetzt werden müsse, Risiko hin oder her, sonst läge die Lebenserwartung bei höchstens einem Jahr, wahrscheinlicher einem halben, gleich morgen also, da jeder Tag zählt, also heute, also jetzt, Donnerstag, 19. Juli 2007, 11:28, jetzt gerade liegt der Vater auf der gebogenen Streckbank aufgespannt wie auf einem großen Ball, rasiert von Hals bis Fuß, mit aufgeschnittenem Brustkorb, umringt von Ärzten, Schwestern, Apparaten, und Gott entscheidet sich, wenn es Ihn gibt, ob Er den Vater wieder zum Leben erweckt. Dem Sohn wird schlecht bei dem Gedanken, daß die Entscheidung gegen den Vater ausfallen könnte. Auch das Gebet hilft jetzt nicht mehr, schon ist die Wirkung verpufft. Kurz nach acht sollte die Operation beginnen, zweieinhalb Stunden sollte sie dauern, die Ärzte könnten also längst fertig sein, sie könnten sagen, puh, das scheint gutgegangen zu sein, oder das Gegenteil. Sie haben auch gesagt, daß es länger dauern könnte, je nachdem, was sie vorfinden und was mit der Blutgerinnung ist. Sie haben die besten, modernsten Apparate und eine neue Methode, der Chef selbst operiert, für sie ist es Routine, wie der Jüngste sich immer wieder zuredet, sie machen das jeden Tag und unter widrigen Umständen als bei dem Vater, nach Unfällen etwa, wenn die Patienten mit dem Hubschrauber eingeflogen werden und die Voruntersuchungen wegfallen.“

 

 1828131-431204ac7ea2bf906ec0a545e109d487.jpg
Navid Kermani (Siegen, 27 november 1967)

Geschreven door Romenu om 08:38 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten