Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 1 november 2015 tot 2 november 2015

Allerzielen (Guido Gezelle)

 

Bij Allerzielen

 

 1833878-0cf95d49e8b5f160c8c846652d6e4598.jpg
Am Allerseelentage Auf Dem Friedhofe door Wilhelm Ludwig Friedrich Riefstahl, 1869

 

 

Allerzielen

'k Heb zo menigmaal gegaan
waar de wilgen te treuren staan,
buiten stad, naar 't dodenveld ...
'k Heb bij woeste windgeweld
't geel gebladert dwarren zien
en onwetend op de knien
neergezakt en nagedacht
dat de dood met 't mensdom lacht
lijk de wind met 't dorre blad ...
Kranke mensdom, sta hier wat
bij de graven. 't Wormgekriel
knaagt aan 't lichaam; maar de ziel,
waar is zij? En lijdt zij niet
't snoerend vagevuurverdriet,
waar zij naar verlossing smacht
en naar uw gebeden wacht?
Allerzielen! Bededag
die ik niet vergeten mag ...
Allerzielen! Vader weent,
moeder kermt zo vereend ...
Vrouw of man of wie het is
roepen ons om lavenis.

 

 1833878-1b18d0faf9223823ab9e856f571bb415.jpg
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Het oude kerkof van Brugge

 

 

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Guido Gezelle.

 

Zie voor de schrijvers van de 2e november ook mijn vorige blog van vandaag.



Geschreven door Romenu om 13:13 Reageer op dit bericht

Charlotte Mutsaers, Désanne van Brederode, E. du Perron, Odysseas Elytis, Kees van den Heuvel, Augusta Peaux

De Nederlandse dichteres, schrijfster, essayiste en kunstschilderes Charlotte Jacoba Maria Mutsaers werd geboren in Utrecht op 2 november 1942. Zie ook alle tags van Charlotte Mutsaers op dit blog.

 

Recept voor Sousa's kattegraf
(Ljevka tot troost)
 
Snoes, zit niet in de nesten
maar ga er opuit, ga
snorren naar visafval,
eersteklas muizenvet,
zet dat opzij.
 
Spit grondig je tuintje om,
hol uit de aarde, graaf
minstens een vierkant
wel in het rond
en ook diep.
 
Stort dan met graten vol
van pladijzen, vlij
daarop kilo's van
lippen en keeltjes
en kieuwen.
 
Stofferen dat fundament
tot allerzaligste nest nu:
mussenbont, pluimen van
pauwen en eigenste
viking-haar.
 
Vlug aan het metsen met
smijdig zacht muizenvet.
Drenk het grijs paardekleed
kletsnat in tranen en
stollend bloed.
 
Pak stijve Sousa nu, plak
hem goed vast op de stof.
Doe het keihard dat hij
nooit meer verschuift
uit zijn rust.
 
Ik neem de trompet en speel voor.
Jij knielt en befluistert zijn oor:
Slaap lieve
schattekop kattekop
verkruip jij je maar
in mijn tuin
tot ik kom
als ik kom
reken maar
snor dan zacht.
 
Werp aarde op aarde op aarde.

 

 

When walls come tumbling down

De witte tanden
op
de witte wanden
zo onzichtbaar
nog
behoren Kronos
toe

Pas als die wanden
langzaam
op ons
landen
maakt het blikkeren
van zijn kunstgebit
ons moe

Kronos vrat met smaak
zijn eigen kinders
op
peanuts
naast
de aangevreten
harteklop

 

 1833875-1ece52cfd9309bc8ffc36442e77e2d8c.jpg
Charlotte Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942)

 

 

De Nederlandse schrijfster Désanne van Brederode werd op 2 november 1970 in Utrecht geboren. Zie ook alle tags voor Désanne van Brederode op dit blog.

Uit:Vallende vorst

“Het was een van die koude, toverachtige nachten tussen Kerstmis en de jaarwisseling, en Caspar zat in zijn werkkamer. Zijn computer was al uit. Een paar jaar geleden zou hij zich op een moment als dit hebben afgevraagd of hij gelukkig was, maar die vraag leek niet meer aan de orde; alsof je eroverheen groeide, zoals je eerder in je leven over jeugdpuistjes en natte dromen heen was gegroeid. Over onverklaarbare botpijnen en plotselinge aanvallen van vraatzucht, soms al een halfuur na de lunch of het avondeten.
(Stop daar nou toch eens mee. Blijf met je handen uit die broodtrommel, die ijskast. Het is verdorie niet meer aan te slepen. Zijn moeder had destijds niet begrepen hoezeer hij zich voor zijn onbedwingbare honger had geschaamd. Voor het gerommel in zijn ingewanden. Voor de dof kloppende, zware brood-en-fruitpap in zijn maag die, meer nog dan hart en longen, nodig leek om zijn bloed warm, dun en stromend te houden – en hemzelf rechtovereind.)
Gelukkig was Caspar niet. Ongelukkig evenmin. Misschien was hij gaandeweg vergeten welke emotie er bij het woord ‘gelukkig’ hoorde. Zijn leven was gelukt. Dat wel. Min of meer. Weinig echte zorgen, zeker niet langdurig. En nog veel minder last van dwingende wensen of verlangens.
Het stemde hem tevreden dat hij eindelijk alleen kon zijn, met een al bijna lege maag nu, nuchter, zonder zelfs maar behoefte aan een glas water, terwijl iedereen sliep.
Of in ieder geval stil in bed lag, in het donker, met daarbij dan de hoop in slaap te vallen.
De lichten in de huizen aan de overkant van de straat waren gedoofd. Zijn bureaulamp brandde; de bundel licht viel precies op het toetsenbord van zijn computer. Letters, cijfers en leestekens hadden iedere functie verloren – een klein, zwart, liggend kunstwerk, iets tussen een schilderijtje en een reliëfhoutsnijwerk in, want plat, maar ook weer niet helemaal.

Iets waar je naar kon staren zonder dat het object ooit een geheim zou prijsgeven; er leek zelfs geen logische verklaring voor de glans die op sommige toetsen wel en op andere niet was aangebracht, als een dunne laag vernis.”

 

 1833875-a371074938454ba82541c4b794750fb6.jpg
Désanne van Brederode (Utrecht, 2 november 1970)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Charles Edgar (Eddy) du Perron werd geboren op 2 november 1899 in Jatinegara (West Java). Zie ook mijn blog van 2 november 2010 en eveneens alle tags voor E. du Perron op dit blog.

Uit: Het Land van Herkomst

“Februari 1933. Sinds ik met Jane in Meudon woon, heeft Parijs voor mij het karakter aangenomen van het stationsplein waar trams en autobussen rekening schijnen te houden met onze stappen, omdat wij er niet meer als vreemdelingen komen. Het lelijke station Montparnasse, met zijn platte gevel, zijn winkels onderin, zijn twee ingangen links en rechts van de trap die men van twee kanten kan oplopen en zijn onwaarschijnlijk ruime liftkooi met een oorlogsverminkte erin, is ongemerkt voor ons geworden tot een vertrouwd huis: het voorportaal waar wij de stad al achter ons laten, zodat het kwartier boven de wielen niet meer telt. Na de laatste tocht naar Brussel vooral, merkte ik opeens een kinderachtig gevoel in mij, alsof een noodlot dat mij vervolgde door dit onverwachte bolwerk zou worden gestuit.
Ondanks het vroege donker kon ik gistermiddag, door de draaideur heen van het café ertegenover, de lichte streep van de gevel nog zien, hoewel ik alleen van mijn krant opkeek om te constateren dat de drom van voorbijgangers nog steeds niet degene aanbracht die ik ontmoeten zou. Te koud nog voor buiten, maar ik was binnen vlakbij de deur gaan zitten; de krant boeide mij, als gewoonlijk, alleen door een zacht prikkelen van een soort gestolde ergernis: iets veel oppervlakkigers toch dan de grondige angst die de bourgeois zou moeten voelen in deze tijd. Ik bekeek het portret van een zekere Cornelius Codreanu, hoofd van de roemeense ‘ijzeren garde’ van nationalisten, een van de krachtmarionetten die door deze tijd als held worden uitgehikt, een beetje primitiever misschien nog dan die van Germanië, zo in zijn uitrusting van Rinaldo Rinaldini Jr, en ik dacht aan het summum van bravoure en spieren uit mijn jeugd, aan mijn vriend Arthur Hille, later officier in Atjeh, luitenant Tijger genoemd door zijn inlandse fuseliers. ‘Arthur Hille en deze heer Codreanu in een klein bestek opgesloten, dacht ik, met niets dan hun spieren en nagels, en vooraf verwoed tegenstrijdig gemaakte overtuigingen...’
Achter de draaideur een onwaarschijnlijk elegant manspersoon opeens - helemaal lichtgrijs behalve een rode foulard - die veroverend en zoekend tegelijk naar binnen kijkt, van achter wegschuivend glas reëel wordt en met één stap bij mijn tafeltje staat: Goeraëff in persoon. Hij geeft mij de tijd niet mijn verrassing uit te spreken over zijn uiterlijk; met de wijsvinger op het portret vraagt hij om toelichting. Ik vertel de tekst dus na: ‘Hij was vroeger alleen maar een intellectueel, een onzeker en bleek student. Toen zei iemand hem dat “kleptomanie” een enkelvoudsvorm was van een ziekte die als epidemie “Roumanie” genoemd wordt - in zijn taal is deze woordspeling misschien net zo aangrijpend - en dat maakte hem tot het vervaarlijke wezen dat we hier zien. Je wist misschien nog niet dat het zó eenvoudig kon zijn? Wat denk je eigenlijk van de krachten van deze tijd, Goeraëff?’

 

 1833875-528b47945e7ce8a334ab5335770b2543.jpg
E. du Perron (2 november 1899 – 14 mei 1940)
Voor 1921 in Nederlands-Indië

 

 

De Nederlandse dichter en vertaler Kees van den Heuvel werd geboren op 2 november 1960 in Mill. Zie ook mijn blog van 2 november 2010 en eveneens alle tags voor Kees van den Heuvel op dit blog.

 

Najaarsdepressie (naar J. C. Bloem)

Het regent en het is november
De hete dagen zijn verdaagd
Nu start het oeverloos geëmmer
Dat meteorologen plaagt.

En op de set waar ik moet praten
Over ’t daaglijks weerbericht
Schijnt uit enorme apparaten
Een hel en heet kunstmatig licht.

‘De dagen gaan zoals ze gingen’
De kenner weet allang bescheid
Geen roekelooz’ verwittigingen
Want wat gezegd wordt, komt gheid.

Mijn boodschap staat me steeds meer tegen
Al blijft het een weerkundig feit
Het is november, altijd regen
Altijd dezelfde tekst, altijd.

 


Bedrijfsleven

Sinds weken werkt er op de Acquisitie
Een stoere jongeman, atletisch, blond
En bovendien nog vrijgezel – waarachtig!
(Ja, dat gaat razendsnel van mond tot mond)

De dames startten prompt een competitie
Bekeken hem vol lust van top tot kont
En onlangs werd het één van hen te machtig
(Ja, dat gaat razendsnel van mond tot mond)

Gedreven door erotische ambitie
Doorzocht zij de fabriek tot zij hem vond
Hij kuste juist de directeur aandachtig
(Ja, dat gaat razendsnel van mond tot mond)

Dat tweetal sukkelt nu met zijn conditie
(het Pfeiffer-virus is bijzonder krachtig
Ja, dat gaat razendsnel van mond tot mond).

 

 1833875-8034fa3e8428ea5982347c84901a8930.jpg
Kees van den Heuvel (2 november 1960 – 11 januari 2010)

 

 

De Griekse dichter Odysseas Elytis (pseudoniem voor Odysseas Alepoudhelis) werd op 2 november 1911 te Iraklion op Kreta geboren. Zie ook mijn blog van 2 november 2010 en eveneens alle tags voor Odysseas Elytis op dit blog.

 

De kleine zeeman
XXVII

Het heeft lang geduurd voor ik begreep wat
bescheidenheid betekent en dat is de schuld van hen
die mij geleerd hebben haar lijnrecht tegenover trots te
plaatsen. Je moet het idee van het bestaan in je
temmen om het te kunnen begrijpen.
Op een dag dat ik me door alles in de steek gelaten
voelde en ik langzaam een groot verdriet op mijn ziel
voelde neerdalen, trok ik, onder het wandelen, door de
velden zonder redding, een tak van een onbekende
struik. Ik brak hem af en bracht hem naar mijn
bovenlip. Onmiddelijk begreep ik dat de mens
onschuldig is. Ik heb hem in die van waarheid wrange
geur zo intens ontdekt dat ik zijn weg begon te volgen
met de lichte tred en het hart van een zendeling.
Totdat ik me, op grote diepte, uiteindelijk bewust werd
dat alle godsdiensten leugens verkondigen,
Nee, het Paradijs was geen nostalgie. Noch, veeleer,
een beloning. Het was een recht.

 

Vertaald door Caroline Meijer

 

 

WEDNESDAY, 8c

IF ONLY MOTHER you could see me: as I was born, I
departed. I was far too little - besides who un-
derstands? - and far too many were the creeping
monsters with the lateral, slimy legs.

So, from the length of a life constructed with such dif-
ficulty all that remains is a half-ruined door and a lot
of large decaying water anemones. Therefrom I pass
and proceed - who knows? - to a womb sweeter than
my country.

 

Vertaald door David Connoly

 

 1833875-5240cf89ee5cf042fbb449d9dac1a5a9.JPG
Odysseas Elytis (2 november 1911 – 18 maart 1996)

 

 

De Nederlandse dichteres Augusta Guerdina Peaux werd geboren in Simonshaven op 2 november 1859. Zie ook alle tags voor Augusta Peaux op dit blog en ook mijn blog van 2 november 2010

 

Verwoesting

De dag verbleekt de wilde vlam
die als een ijl, doorschijnend spook,
verwonderd op de wereld kwam
in 't weefsel van haar dichte rook.

Heugt haar de aanbidding vreze-diep,
die tot haar innigst wezen klom
toen haar de jonge mensheid riep?
- hoe blijft zij verre en woorden-stom.

Wie wijst haar nu op 't wereldrond
te midden van der volkren haat,
de mensenziel, de mensenmond
die zoekend tot haar wezen gaat?

Spreidt zij vernieling om zich heen
in 't heden, dat haar kluister brak,
blakert zij godgewijde steen,
verteert zij 't lage rieten dak,

haar onbegrepen aangezicht
blijft onbevangen, zonder schuld,
als zocht zij éénheid met het licht
dat als een kelk haar klaar omhult.

Zal niet door deze dagen gaan
de aanklacht van het zuiver vuur,
geketend ter onzaalger uur
aan woede en haat en blinde waan?

 

 1833875-71150f6fc195e516564f98d4c80a662f.jpg
Augusta Peaux (2 november 1859 - 23 februari 1944)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e november ook mijn blog van 2 november 2014 deel 1 en eveneens deel 2.

 

Geschreven door Romenu om 13:12 Reageer op dit bericht

All-Saints' Day (Ada Cambridge)

 

Bij Allerheiligen

 

 1833470-c0348ec7b551bb3bdb5f6e8ae29c471b.jpg
Allerheiligen door Ludovico Brea, 1513

 

 

All-Saints' Day
"But they are at peace."

Never to weary more, nor suffer sorrow,—
Their strife all over, and their work all done:
At peace—and only waiting for the morrow;
Heaven's rest and rapture even now begun.

So tired once! long fetter'd, sorely burden'd,
Ye struggled hard and well for your release;
Ye fought in faith and love—and ye are guerdon'd,
O happy souls! for now ye are at peace.

No more of pain, no more of bitter weeping!
For us a darkness and an empty place,
Somewhere a little dust—in angels' keeping—
A blessèd memory of a vanish'd face.

For us the lonely path, the daily toiling,
The din and strife of battle, never still'd;
For us the wounds, the hunger, and the soiling,—
The utter, speechless longing, unfulfill'd.

For us the army camp'd upon the mountains,
Unseen, yet fighting with our Syrian foes,—
The heaven-sent manna and the wayside fountains,
The hope and promise, sweetening our woes.

For them the joyous spirit, freely ranging
Green hills and fields where never mortal trod;
For them the light unfading and unchanging,
The perfect quietness—the peace of God.

For both, a dim, mysterious, distant greeting;
For both, at Jesus' cross, a drawing near;
At Eucharistic gate a blessed meeting,
When angels and archangels worship here.

For both, God grant, an everlasting union,
When sin shall pass away and tears shall cease;
For both the deep and full and true communion,
For both the happy life that is "at peace.

 

 1833470-7e620c4a8cf24d26f6f35e127d211154.jpg
Ada Cambridge (21 november 1844 - 19 juli 1926)
St Mary the Virgin’s Church in Wiggenhall St Germans

 

 

De Australische dichteres en schrijfster Ada Cambridge werd geboren op 21 november 1844 in St Germans, Norfolk. Zie ook alle tags voor Ada Cambridge op dit blog. 

Zie voor de schrijvers van de 1e november ook mijn twee vorige blogs van vandaag.



Geschreven door Romenu om 12:25 Reageer op dit bericht

Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Huub Oosterhuis, Ilse Aichinger, Stefaan van Laere, Hermann Broch

De Nederlandse dichter Job Degenaar werd geboren in Dubbeldam op 1 november 1952.Zie ook alle tags voor Job Degenaar op dit blog.

 

Bij het ouder worden

zo broos jonge baksteen
in een wei vol ervaring, zo
leeg nog de ramen, de koeien
keken daar dwars doorheen

vader, jouw huis is gaan leven
toen de veestapel verdween
en het gras

zo wit is het nu, zo rood
de rozen, met plukjes vacht nog
aan het prikkeldraad

soms vind je tussen de struiken
een poppenarm, een lekke bal
of 't ruikt er weer naar jongenspies

dichtgegroeid tegen de buitenwereld
wordt 't weer vroeger, maar omgekeerd:
de wei het huis en wij verweid

om het huis wiegen nu de populieren,
duwen de katten hun rug
in je hand

 

 

Nachtzang

De dag laten voorbijgaan tot het
avond werd en in de fruitschaal
de vergeten mandarijn ontaardde

in de verte gloeide de stad, zich
ontstekend aan zichzelf

wat leefde in de beijsde weiden
kroop in cocons, zette stekels
tegen de sterren op

Alleen de hemeljagers van diamant
geluidloos snijdend in het graniet
namen ons mee, losten ons op

Tot de morgen brood en woorden
aandroeg, als vogels takjes

 

 1833468-fb4f2215e455c8e720f5cc8108d9eadf.jpg
Job Degenaar (Dubbeldam, 1 november 1952)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en essayist Rudy Kousbroek werd op 1 november 1929 in Pematang Siantar in Indonesië geboren. Zie ook mijn blog van 1 november 2010 en eveneens alle tags voor Rudy Kousbroek op dit blog.

Uit: Tempat Soetji of de Geheime Tuin

“En daarachter, maar afgesloten van de grote tuin, ook weer omheind met een bamboehaag, lag een andere, een kleine tuin. Er moest eens een huis gestaan hebben, de stenen fundamenten lagen er nog, onder het onkruid verscholen; en er stond een waringinboom. Het was de “verboden” tuin.’
Zo'n geheime plek, dat is een pars pro toto voor heel Indië, voor wie daar als kind is opgegroeid - een tempat soetji, een lieu de mémoire: herinnerd, inwendig geworden, onzichtbaar maar niet verdwenen, een kasteel van Doornroosje met een slaapwandelende Doornroosje er binnenin. Niet ieder Indisch kind mag grootgebracht zijn met een lijfbaboe of in een betegeld paleis vol geruisloze bedienden, maar dat groene inwendige behang heeft iedereen die in Indië is opgegroeid. Nog een andere factor die zich zonder aanzien des persoons doet gelden is het permanente karakter van dat groen. Niet die vergankelijke natuur die jaarlijks haar haren verliest als een lijder aan een steeds terugkerende kwaadaardige ziekte; geen naakte grauwe stoppelvelden bezaaid met ondersteboven geplaatste kale bezems, niet die rusteloze wisseling maar een zichzelfblijvende wereld van eeuwig levende bossen, blauwe bergen, bruine rivieren; het is het altijd-groene landschap van Indië zelf, dat je ziet zodra je je ogen dichtdoet en dat je tot in einde van dagen bijblijft, wat er ook gebeurt.
Dat alles geldt ook voor Hella Haasse, en zij heeft zich er meermalen over uitgesproken. ‘Wat op mij een grote invloed heeft gehad,’ vertelde zij in 1984 aan Johan Diepstraten, ‘was de natuur. Dat is mijn referentiekader. Alles wat mij doet denken aan de natuur van Indonesië, wekt bij mij response. Hier in St-Witz heb je dat golvende terrein en dichte bossen waar van die parasietwingerd tussen de bomen hangt. Het lijkt natuurlijk niet op Indië, maar het wekt toch een bepaalde suggestie. De ruimte die ik hier in Frankrijk heb, doet me aan Indië denken.”

 

 1833468-f3a2d918a64c96f5d1212bfb11339ac0.jpg
Rudy Kousbroek (1 november 1929 - 4 april 2010)
Hier met Pramoedya Ananta Toer (rechts), rond 1990

 

 

 

De Nederlandse priester, theoloog en dichter Huub Oosterhuis werd geboren in Amsterdam op 1 november 1933. Zie ook alle tags voor Huub Oosterhuis op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

 

Uit uw hemel zonder grenzen

Uit uw hemel zonder grenzen
komt Gij tastend aan het licht
met een naam en een gezicht
even weerloos als wij mensen.

Als een kind zijt Gij gekomen
als een schaduw die verblindt
onnaspeurbaar als de wind
die voorbijgaat in de bomen.

Als een vuur zijt Gij verschenen
als een ster gaat Gij ons voor
in den vreemde wijst uw spoor
in de dood zijt Gij verdwenen.

Als een bron zijt Gij begraven
als een mens in de woestijn.
Zal er ooit een ander zijn
ooit nog vrede hier op aarde?

Als een woord zijt Gij gegeven
als een nacht van hoop en vrees
als een pijn die ons geneest
als een nieuw begin van leven.

 

 1833468-d5640f3d4b5461e7f62b36ebd384627d.jpg
Huub Oosterhuis (Amsterdam, 1 november 1933)

 

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook mijn blog van 1 november 2010 en eveneens alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.

Uit: Kleist, Moos, Fasane

„Schnee ist ein Wort und Heu ist auch eins. Schnee ist ein Wort.
Es gibt nicht viele Wörter. Es gibt nicht viele, die nicht bezeichnen, womit sie eins sind, weil sie es nicht bezeichnen. Die nicht eins sind mit dem, was sie nicht bezeichnen, weil sie damit eins sind. Aber Schnee ist ein Wort. Ob er ausbleibt, zögernd zu fallen beginnt oder in Wirbeln herunteriagt, er kann sich nicht wehren. Er ist ein Wort. In den Fäusten der Kinder, auf den Dächern, auf den Kämmen der Gebirgsflüsse, mit denen er rasch eins wird, wo er ist, ist er ein Wort. Schnee! rufen die Kinder und manchmal rufen sie auch: Der Schnee!
Aber das ist ungenau. Das führt zu mein Schnee, dein Schnee, unser Schnee, zu diesen vielen besitzanzeigenden Ungenauigkeiten, die einem die Lust nehmen, den Mund aufzumachen. Es führt auch zu kein Schnee. Dann kommt wieder der lange Sommer. Ein Glück, daß wir Heu haben, denn Heu ist auch ein Wort. Und viele Wörter gibt es nicht. Aber bleiben wir beim Schnee. Unlängst erklärte mir ein Kämmerer, der wußte, daß ich auf der Suche nach Wörtern bin, was ein Kämmerer sei, und ich nickte zum Zeichen des Einverständnisses, weil ich es nicht verstanden hatte. Ich hatte nur verstanden, daß es kein Wort war. Aber das ist sehr viel und wir wären in Frieden geschieden, wenn der Kämmerer nicht plötzlich entziickt ausgerufen hätte: Das schöne heschneite Schulhaus! Das brachte mich in solchen Zorn, daß ich mich auf dem Absatz herumdrehte und davonrannte. Als ich mich nach einer Stunde besann und wieder auf dem Absatz herumdrehte. um ihn zu suchen, war er verschwunden. Er war so verschwunden wie das Dorf und auch sein Schulhaus verschneit waren. Beschneit war gar nichts mehr. Es gibt belegte Zungen und begossene Pudel, aber schon bei den Pudeln bin ich nicht so sicher, ob man nicht besser vergossen sagen sollte.“

 

 1833468-fcda6daefd771b2dde502179236dd91e.jpg
Ilse Aichinger (Wenen, 1 november 1921)

 

 

De Belgische dichter en schrijver Stefaan van Laere werd geboren op 1 november 1963 in Wetteren. Zie ook alle tags voor Stefaan van Laere op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: Botero

“De mist was eindelijk opgetrokken, maar het regende nu al dagen. Commissaris George Bracke strekte geconcentreerd zijn arm en keek koel over de loop van zijn pistool naar zijn in sjofel grijs geklede slachtoffer. Hij zag iets van paniek in diens waterige ogen, de radeloze angst van een konijn dat ’s nachts in het schijnsel van een lantaarn gevangenzit en met een trillende snuit op het onvermijdelijke genadeschot wacht. Nu hoefde hij alleen nog maar zijn zachtjes trillende wijsvinger te krommen.
BANG! BANG! Bracke hoorde de knallen naklinken. Hij wist maar al te goed hoe zijn slachtoffer zich moest voelen. Toen hijzelf nog maar een paar weken wijkagent was, had hij in een groezelig, mistig havendok plotseling oog in oog gestaan met het dreigende oog van een pistool. Een Lüger was het geweest, een achtergehouden stuk uit de laatste oorlog dat op wapenbeurzen onder de toonbank tegen waanzinnige prijzen verkocht werd. Dat wapen herkende hij van op honderd meter afstand.
Later had hij zich vaak afgevraagd of hij zijn blik had afgewend toen de vernielzuchtige schoten werden afgevuurd. BANG! BANG! Zijn spieren hadden prompt dienst geweigerd. Verbaasd had hij naar zijn gevoel pas een minuut later opgekeken en zijn eigen lijf wanhopig uitgetest, maar alles functioneerde nog; nergens waren zelfs maar bloedvlekken te bespeuren. Geen diepe kogelgaten die zich plompweg door zijn lijf hadden geboord, niet eens een schrammetje. Toen pas zag hij zijn aanvaller bewusteloos aan zijn voeten liggen, tegen de grond gemept door een nog nahijgende nachtwaker die met het eerste het beste voorwerp – een defecte schrijfmachine – brutaal had toegeslagen. Het gebeurde allemaal alsof hij er zelf niet echt bij betrokken was en achteraf had hij de bewaker van het overslagbedrijf niet eens voor zijn tussenkomst bedankt. Nu kon dat niet meer, korte tijd later was de man door een bende Russische matrozen bij een steekpartij meedogenloos afgemaakt. Bracke had zich voorgenomen op Allerheiligen een bloemetje naar het graf te brengen, maar was het weer vergeten.
BANG! BANG! Het was lang geleden dat Bracke de knallen nog eens in zijn hoofd gehoord had, maar daar waren ze weer, akeliger en realistischer dan ooit.
‘Zijn pistool ketste en toen heb je dus van dat buitenkansje gebruik gemaakt om hem neer te slaan.’ Bracke liet zijn zwaar wordende arm langzaam zakken en sprak met een lijzige, kalme stem. Een van de agenten die de menigte op een veilige afstand moest houden, keek verschrikt. Waarschijnlijk een van zijn eerste opdrachten, dat joch geloofde natuurlijk nog rotsvast in verheven begrippen als rechtvaardigheid en boontje komt om zijn loontje.“

 

 1833468-e8f37d9704765057fc631d17dc42d0c0.jpg
Stefaan van Laere (Wetteren, 1 november 1963)

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hermann Broch werd op 1 november 1886 in Wenen geboren. Zie ook Zie ook alle tags voor Hermann Broch op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: Der Tod des Vergil

„Plotia preßte ihre Hände noch inniger in die seinen und führte sie zu ihren Brüsten, deren Spitzen unter der Berührung hart wurden....friedlich war die Nähe der fraulichen Nacktheit Plotias. Nichts Furchteinflößendes war erspähbar. Er hatte sich entschieden zur Liebe, und auch Plotia fragte: kehrst du ein zu mir, Geliebter, du sollst mich begehren.
Aber da stand mitten in der Landschaft der Alexis, umtanzt von gliedstarren Satyrn: Schicke ihn fort, bat Plotia, schaue nicht zu ihm hin; du hältst ihn mit deinen Augen …Sind dir meine Brüste nicht begehrenswerter als die Hinterbacken des Knaben dort…und da verschwand die Jünglingsgestalt, . . . und er - war niedergekniet ...und er küßte die Spitzen ihrer Brüste ..leicht hingebettet …lagen sie Haut an Haut . . .Mund an Mund gepreßt . ..bis ihre Lippen bebend in die seinen flüsterten: Wir dürfen nicht; der Arzt beobachtet uns . . . unabwehrbar waren die Blicke, unabwehrbar die höhnisch ausgestreckten Finger …unabwehrbar… der Schatten der Fama, der Schatten ihrer gräßlichen, schamerregenden Riesengestalt... Mit ihrem Lachen schadenfroh …verkündend: Sie dürfen nicht ficken …; nur der Cäsar darf! …und ehe er noch Plotias Blick suchen konnte, war auch sie zu Lachen verwandelt …Es war nicht gelungen … der Donner ließ nicht nach; im Gegenteil, er wurde deutlicher und deutlicher.“

 

 1833468-00ac5109a3e38a34cf5add2f57478035.jpg
Hermann Broch (1 november 1886 - 30 mei 1951)
In 1909 

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook  mijn blog van 1 november 2009 en ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 12:23 Reageer op dit bericht

Jean-Simon DesRochers, Aras Ören, Günter de Bruyn, Henri Troyat, Jean Tardieu, Stephen Crane

De Canadese schrijver Jean-Simon DesRochers werd geboren op 1 november 1976 in Montréal, Québec, Canada. Zie ook alle tags voor Jean-Simon DesRochers op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: La canicule des pauvres

« Monique ouvre la porte et sort la tête pour répondre avec son sourire de convalescence. Oui, elle veut un café. Deux laits, deux sucres, comme d’habitude. Elle aurait aussi besoin d’un avis sur ses cicatrices, celles sous sa ligne de fesses. Christian en est conscient. Conscient aussi que ce premier juillet représente sa vingt-cinquième journée sans sexe. Dix de plus que sa limite acceptable, proclamée devant témoins à bord d’une Buick Skylark fraîchement volée, il y a plusieurs années.
Christian a les mains posées sur le comptoir de cuisine. Il attend la demande de Monique. Son œil demeure éteint. Il essaiera de tâter le terrain, se fera repousser une quinzième fois, reviendra au même bout de comptoir mettre du café dans le percolateur. Il s’en doute.
– Minou… j’aurais besoin de toi…
Monique pourrait se servir d’un petit miroir pour vérifier l’état de ses cicatrisations. Constater d’elle-même que tout se porte à merveille. Puisqu’il est là, aussi bien qu’il serve à quelque chose, le mâle… Elle contemple son visage parfaitement lisse, aussi tendu qu’à ses vingt ans, mais avec un petit quelque chose en plus. L’expérience… Le chirurgien avait fait un travail de maître. Il lui avait promis de lui enlever dix à quinze ans. Il avait réussi à lui effacer le double. Ce type est un génie… un artiste… vraiment…
Christian pousse la porte avec deux doigts. Monique se contemple dans le miroir. Elle est nue. Ses seins, refaits l’année passée, pointent fièrement vers le haut. Son ventre, liposucé il y a six mois, est aussi plat que celui d’une ballerine. Ses fesses, rondes et relevées, tiennent du miracle médical, dignes de figurer dans une revue spécialisée. L’intervention de début juin lui a sculpté un parfait cul de vierge."

 

 1833464-029883e7d297f395b28b049c87ebc4ae.jpg
Jean-Simon DesRochers (Montréal, 1 november 1976)

 

 

De Turkse schrijver Aras Ören werd geboren in Bebek bij Istanbul op 1 november 1939. Zie ook alle tags voor Aras Ören op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: Frau Rühles Schatulle (Vertaald door Wolfgang Riemann)

“Mitten im Winter, bei klarem, sonnigem Wetter. Mit der Kaffeetasse in der Hand sitze ich am Fenster meines Pensionszimmers und betrachte die Passanten auf der Straße und die nackten Lindenbäume gegenüber. Seit meiner Ankunft ist mir das zur Gewohnheit geworden. So gelingt es mir, mich ohne große Mühe abzulenken:
Ein kleines Kind im roten Anorak löst sich von der Hand einer jungen Frau, rennt los; es stolpert sogleich und fällt hin. Aufgeregt springt die Mutter zu dem auf dem Boden liegenden Kind und hebt es auf. Sie nimmt es auf den Arm und streicht ihm voller Mitgefühl über den Kopf.
Ein ganz gewöhnliches Bild, das nicht erkennen lässt, was sich vorher und nachher ereignet. Sie verschwinden ohnehin gleich darauf aus meinem Gesichtsfeld. Im Radio spielt man einen schwungvollen Pasodoble. Ich gehe eine Zeitlang unentschlossen im Zimmer auf und ab. Dann blättere ich mein in grünes Plastik gebundenes Telefon- und Adressbüchlein (Iris hatte es mir auf meinen Wunsch hin aus New York geschickt) von A bis Z durch und versuche herauszufinden, wen ich anrufen könnte. Da fällt mir ein, dass sich die Adressen und Telefonnummern längst geändert haben könnten. Nach dreizehn Jahren hatten hier zweifellos eine Menge der verzeichneten Personen eine neue Anschrift.
Jetzt gab ich es auf und warf das Notizbüchlein auf den Sessel. Ich musste eingestehen, dass es mir unerwartete Schwierigkeiten bereitete, die dreizehn Jahre einfach so zu überspringen. Ohne mich noch lange aufzuhalten, schaltete ich das Radio aus, zog mein kleingemustertes Sportsakko und meinen Mantel an und verließ das Haus. Als ich ins Freie trat, stellte ich fest, dass das klare, sonnige Wetter bei den Menschen einen falschen Eindruck hervorrief. Ein eisiger Wind aus Nordost nahm mir mit einem Mal alle Kraft.
Das kalte Wetter kann mich in meiner Unabhängigkeit nicht einschränken. Ich bin ein Stadtmensch und kann in dieser Kälte zu jedem gewünschten Ort gelangen, wenn auch nicht gerade zu Fuß, sondern mit der U-Bahn, dem Bus oder zur Not mit einem Taxi. Damit er dem Wind, der mir ins Gesicht peitschte, besser standhielt, zog ich meinen breitrandigen Filzhut tiefer in die Stirn, fast bis zu den Augenbrauen, stellte meinen Kragen hoch und lief die etwa zwanzig Meter bis zur Bushaltestelle. Dort standen zwei junge Verliebte, sie umarmten und küssten sich. Das Winterwetter machte ihnen nichts aus, es war eine Heraus-forderung für sie. Mir machte es Spaß, sie zu beobachten. Der Junge hatte seinen Kopf in den Haaren des Mädchens verborgen.“

 

 1833464-2cc0967379ebc78ab1421ce4c45b7918.jpg
Aras Ören (Bebek, 1 november 1939)
Portret door Sigurd Kuschnerus, 1999
 

 

De Duitse schrijver Günter de Bruyn werd op 1 november 1926 geboren in een katholiek arbeidersgezin in Berlijn. Zie ook alle tags voor Günther de Bruyn op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: Preußens Luise

“Johann Gottfried Schadow, 1764 in Berlin geboren, Schüler des Hofbildhauers Tassaert, seit 1788 dessen Amtsnachfolger, hatte schon Meisterwerke wie die Quadriga des Brandenburger Tores und das Zieten-Denkmal für den Wilhelmplatz in Berlin geschaffen, so daß der Minister von Heynitz, als er Friedrich Wilhelm II. vorschlug, die Schönheit der Schwestern von Schadow verewigen zu lassen, ihn mit Recht als einen Künstler bezeichnen konnte, »der jetzt unter allen Bildhauern Europas den ersten Platz« beanspruchen könne. Und der König, selbst vom Reiz seiner Schwiegertöchter beeindruckt, stimmte dem zu. Getraut wurde Luise, als habe man mit ihrem späteren Heiligenschein schon gerechnet, am Heiligen Abend 1793, ihre Schwester am zweiten Weihnachtstag. Danach wohnten die jungen Paare benachbart, Friedrich Wilhelm und Luise im Kronprinzenpalais Unter den Linden, Prinz Ludwig und Friederike in dem durch einen Torbogen verbundenen Nachbargebäude, das später, da Luises Töchter hier bis zu ihrer Verheiratung lebten, den Namen Prinzessinnenpalais erhielt. Schadow wurde ein Arbeitszimmer im Seitenflügel des Kronprinzenpalais angewiesen, und täglich um die Mittagsstunde kam Friederike, die jetzt Prinzessin Ludwig oder Louis genannt wurde, herüber, um ihm zu sitzen, mit ihm zu plaudern und die Reize ihrer knapp siebzehn Jahre auszuspielen, die manchen Männern des Hofes gefährlich wurden. Ihr Mann aber, der sie nur aus Gehorsam geheiratet hatte und sein Junggesellenleben auch in erotischer Hinsicht weiterführte, machte sich wenig aus ihr.
Die Arbeit mit der Kronprinzessin dagegen war weniger intim und gemütlich. Sie kam immer in Begleitung ihres steifen, mit Zeit und Worten geizenden Gatten, saß dem Künstler auch nicht in seinem Arbeitszimmer, sondern ließ sich von ihm während der Audienzen des Kronprinzenpaares studieren, so daß Schadow von seiner Saalecke her meist nur die offizielle Luise sah.
Zuerst entstanden die Büsten der Schwestern, von denen die Friederikes lebendiger wirkt. Vielleicht ist das auch ein wenig auf die unterschiedlichen Arbeitsbedingungen zurückzuführen, bestimmt aber entspricht es den von Schadow erkannten unterschiedlichen Charakteren der Schwestern. Luise, die ältere, hat trotz ihres jugendlich-vollen Gesichts etwas Feierliches und Hoheitsvolles, der geradeaus gerichtete Blick macht das schöne Gesicht unlebendig.“

 

 1833464-1f3ee0cbabe37c148bf4b3be5ac33c7e.jpg
Günter de Bruyn (Berlijn, 1 november 1926)
Koningin Luise von Preußen door Josef Maria Grassi, 1802

 

 

De Franse schrijver Henri Troyat werd geboren in Moskou op 1 november 1911. Zie ook alle tags voor Henri Troyat op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: La neige en deuil

"Déchiqueté, rompu, il gisait sur le ventre dans la neige, telle une bête blessée à mort. Le nez de l'appareil s'était aplati contre un butoir rocheux. L'une des ailes, arrachée, avait dû glisser le long de la pente. L'autre n'était plus qu'un moignon absurde, dressé, sans force, vers le ciel. La queue s'était détachée du corps, comme celle d'un poisson pourri. Deux larges trous béants, ouverts dans le fuselage, livraient à l'air des entrailles de tôles disloquées, de cuirs lacérés et de fers tordus. Une housse de poudre blanche coiffait les parties supérieures de l'épave. Par contraste, les flancs nus et gris, labourés, souillés de traînées d'huile, paraissaient encore plus sales. La neige avait bu l'essence des réservoirs crevés. Des traces d'hémorragie entouraient la carcasse. Le gel tirait la peau des flaques noires. Même mort, l'avion n'était pas chez lui dans la montagne. Tombé du ciel dans une contrée de solitude vierge, il choquait la pensée comme une erreur de calcul des siècles. Au lieu d'avancer dans l'espace, il avait reculé dans le temps. Construit pour aller de Calcutta à Londres, il s'était éloigné du monde d'aujourd'hui pour aboutir à un coin de planète, qui vivait selon une règle vieille de cent mille ans. »
(…)

Il n'avait jamais vu un avion de près. Celui-ci était de dimensions énormes. Trop grand pour les hommes. Trop lourd pour le ciel. Déchiqueté, rompu, il gisait sur le ventre, dans la neige, telle une bête blessée à mort. Le nez de l'appareil s'était aplati contre un butoir rocheux. L'une des ailes, arrachée, avait dû glisser le long de la pente. L'autre n'était plus qu'un moignon absurde, dressé, sans force, vers le ciel. La queue s'était détachée du corps, comme celle d'un poisson pourri. Deux larges trous béants, ouverts dans le fuselage, livraient à l'air des entrailles de tôles disloquées, de cuir lacérés et de fers tordus. Une housse de poudre blanche coiffait les parties supérieures de l'épave. Par contraste, les flancs nus et gris, labourés, souillés de traînées d'huile, paraissaient encore plus sales. La neige avait bu l'essence des réservoirs crevés. Des traces d'hémorragie entouraient la carcasse."

 

 1833464-948488ec731aa756d518a93e4035768f.jpg
Henri Troyat (1 november 1911 – 4 maart 2007)

 

 

De Franse dichter en schrijver Jean Tardieu werd geboren op 1 november 1903 in Saint German de Joux. Zie ook alle tags voor Jean Tardieu op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

 

Etude de voix d'enfant

Les maison y sont là
les deux pieds sous la porte
tu les vois les maisons?

Les pavé y sont là
les souliers de la pluie
y sont noirs mais y brillent.

Tout le monde il est là
le marchand le passant
le parent le zenfant
le méchant le zagent.

Les auto fait vou-hou
le métro fait rraou
et le nuage, y passe
et le soleil, y dort.

Tout le monde il est là
comme les autres jours
mais c'est un autre jour
c'est une autre lumière :

aujourd'hui c'est hier.

 

 

LA CONDAMNATION ou LE MEDECIN

Déshabillez-vous !
Déshabillez-vous complètement !
Ne gardez rien sur vous !

Restez debout, levez les bras, baissez-les !
Dites : trente-trois, trente-trois, trente-trois !
Regardez-moi !

Retenez votre souffle !
Un, deux trois, respirez maintenant !
Retenez votre souffle…respirez !
Respirez fort !

Respirez à fond !
Fermez les yeux !

 

 1833464-89bd5c5fc3d5c5ce716fe2355a082979.jpg
Jean Tardieu (1 november 1903 – 27 januari 1995)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Stephen Crane werd geboren op 1 november 1871 in Newark, New Jersey. Zie ook alle tags voor Stephen Crane op dit en ook mijn blog van 1 november 2010.

 

A Man Went Before A Strange God

A man went before a strange God --
The God of many men, sadly wise.
And the deity thundered loudly,
Fat with rage, and puffing.
"Kneel, mortal, and cringe
And grovel and do homage
To My Particularly Sublime Majesty."

The man fled.

Then the man went to another God --
The God of his inner thoughts.
And this one looked at him
With soft eyes
Lit with infinite comprehension,
And said, "My poor child!"

 


The Trees In The Garden Rained Flowers

The trees in the garden rained flowers.
Children ran there joyously.
They gathered the flowers
Each to himself.
Now there were some
Who gathered great heaps --
Having opportunity and skill --
Until, behold, only chance blossoms
Remained for the feeble.
Then a little spindling tutor
Ran importantly to the father, crying:
"Pray, come hither!
See this unjust thing in your garden!"
But when the father had surveyed,
He admonished the tutor:
"Not so, small sage!
This thing is just.
For, look you,
Are not they who possess the flowers
Stronger, bolder, shrewder
Than they who have none?
Why should the strong --
The beautiful strong --
Why should they not have the flowers?"
Upon reflection, the tutor bowed to the ground,
"My lord," he said,
"The stars are displaced
By this towering wisdom."

 

 1833464-5a298a22377fed0fc65036bade673ac0.jpg
Stephen Crane (1 november 1871 - 5 juni 1900)

 

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook ook mijn blog van 1 november 2009.

Geschreven door Romenu om 12:19 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten